• Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Een literair laboratorium

    Een verhaal dat ‘werkt als een talisman, een enigszins eigenaardig literair object dat hem nooit mag verlaten als de schrijver die hij is zijn koers wil bewaren, de klippen wil mijden’. Véronique Chovin geeft in haar voorwoord precies aan wat voor Louis-Ferdinand Céline de betekenis was van zijn wonderlijke ‘middeleeuwse’ verhaal over De legende van koning René en de latere uitwerking daarvan tot De wil van koning Krogold: een literair kompas dat hem in tijden van schrijfnood altijd weer op pad kon helpen. 

    Het manuscript van De wil van koning Krogold was tachtig jaar geleden door de schrijver achtergelaten in zijn appartement in Montmartre toen hij er hals-over-kop vandoor moest vanwege zijn foute houding in de oorlog. In 2021 dook het weer op en werd eindelijk gepubliceerd, samen met zijn voorloper De legende van koning René. De twee verhalen zijn meesterlijk vertaald door Tatjana Daan. Céline vertalen is hoe dan geen sinecure, maar hier gaat het ook nog eens om een taal die doordrenkt is van een soort eigengemaakte nabootsing van het Oudfrans. Waar nog bijkomt dat Céline zich in deze verhalen te buiten gaat aan een verteltrant die alle kanten opvliegt en waar soms geen touw aan vast te knopen is. Een willekeurig voorbeeld, bedoeld om zowel Célines exuberante schrijfstijl als Daans virtuoze vertaalkunst te illustreren (de stad Christiana wordt belegerd, het fragment gaat over de impact op de inwoners): ‘Burgers, ambachtslieden, provoosten, zure oude mannetjes, helemaal onder hun slijpstenen gekromde scharensliepen, blinden en klagers met ratel, mooipraters met ledige reiszakken, neuzelende menestrelen, bij de kookpot weggerukte, dikbuikige huismoeders, berenleiders en messenmakers schaarden zich in groepjes, diep weggedoken in de portieken, donkerder dan de nacht.’ 

    Frivool

    Voor de liefhebbers van het werk van Céline zal deze curieuze uitgave een sensationele verrassing zijn. Het laat een tot dusverre onbekende kant van zijn schrijversschap zien. Niet de pessimistische, cynische, zwartgallige misantropie van Dood op krediet, Oorlog en Londen, maar een middeleeuws, frivool sprookjesverhaal vol mystiek en tovenarij. Eigenlijk zijn het dus twee vertellingen, maar de personages, de thematiek en de motieven van De wil van koning Krogold vloeien direct voort uit De legende van koning René.

    In beide gevallen gaat het om de belegering van een stad ergens in Midden-Europa (alhoewel er ook Scandinavische elementen zijn), ten tijde van de middeleeuwen. Tegen die achtergrond volgen we de lotgevallen van een rondtrekkende minstreel (Thibaut – de spelling van de namen wil nog wel eens afwijken, geheel in de fictieve traditie van de middeleeuwse literatuur), zijn vriend Joad, koning Krogold (René in het bronverhaal) van de stad Christiana, diens dochter Wanda en zijn grote tegenstander prins Gwendor, geliefde van Wanda. De verhaallijnen zijn te gecompliceerd en uiteenwaaierend om hier in kort bestek samen te vatten, en in feite doen ze er ook niet zoveel toe. Het gaat veel meer om de betoverende, soms haast hallucinerende kracht van Célines taal (en nog maar eens, want haar prestatie kan niet genoeg geprezen worden, de vertaling van Tatjana Daan).

    Lees maar: ‘Op het eind van de dag kwam de koning de overwinning toe. Nog lang zag je aan de horizon de koninklijke cavalarie, met woeste lansbewegingen in alle richtingen, het gebied uitkammen, en de laatste vluchtende soldaten tot aan de bossen najagen. Het verzwakte en versnipperde leger van de prins liet zich aan flarden sabelen. Later op de avond veranderde het tumult van de gevechten en het geschrei van het strijdgewoel in een machtig, deerlijk weeklagen. Vervolgens viel tegen de nacht de stilte, die de aldoor zwakkere, aldoor doffere kreten en doodsreutels een voor een versmoorde.’

    Schrijfplezier

    Taal die vlamt en flonkert; in het oorspronkelijke relaas over koning René relatief nog toegankelijk en vertrouwd, in De wil van koning Krogold (‘waarvan het lezen enige concentratie’ vergt, aldus Alban Cerisier in zijn verhelderende nawoord) soms nauwelijks te volgen. Het is Céline nooit gelukt zijn middeleeuwse legende gedrukt te krijgen. Cerisier laat in zijn nawoord echter zien dat de stof wel degelijk zijn weg naar de drukpers heeft gevonden, als essentiële thematische ingrediënten in zijn grote romans Dood op krediet, Oorlog en Londen. Daarnaast is de legende, volgens Cerisier, ‘ook een laboratorium, waarin Céline in het geheim zijn romaneske taal ontwikkelt op een ander substraat, waarin hij zijn effecten uitbreidt, of het nu gaat om interpunctie of lexicale en syntactische inventiviteit.’ Zo is koning Krogold altijd een hoofdrol blijven spelen in het schrijversschap van Céline. Los van dat experimenteren met de taal en de verwerking van de stof in latere romans zal het creëren van zijn legende Céline veel schrijfplezier hebben bezorgd. Al hoeft dat niet per se tot léésplezier te leiden. 

     

     

  • Alleen dode vissen gaan met de stroom mee

    De schelmenroman Overgave op commando (2025) van Nadia de Vries volgt Schelvis in haar zoektocht naar volwassenheid en betekenis. Schelvis groeit op in een rustig kustdorpje, waar netheid en conformisme centraal staan. Haar moeder verslijt mannen bij de vleet en heeft maar weinig aandacht voor ‘onze held’, zoals ze in de tussentitels wordt aangeduid. De Vries maakt het gender van Schelvis overigens niet geheel duidelijk, maar dat doet er voor de verhaallijn ook niet toe. 

    Schelvis dus, onze held, heeft gedurende haar jeugd een vast vriendengroepje. Aan de leiding daarvan staat de knappe, mysterieuze Jeremy op wie ze stapelverliefd is. Jeremy heeft echter ook een donkere kant. Op een dag besluit hij Pim, een jongen uit het dorp, te ontvoeren en te mishandelen. Schelvis gaat met de stroom mee zoals verwacht wordt. Ze ontvoeren Pim en verzinnen sadistische spelletjes om hem te laten lijden. Schelvis neemt daarin ineens de bovenhand, maar dat wordt haar niet in dank afgenomen. De mishandeling verplaatst zich van Pim naar Schelvis, en ze wordt voor dood achtergelaten met een gapend gat in haar wang. Sindsdien heeft haar uiterlijke verschijning zelfs wat weg van een vis: een gat in haar wang, als een kieuw, en haar blauwe haar als de zee. 

    Na de mishandeling besluit Schelvis het dorp te ontvluchten. ‘Nadat mijn gezicht permanent veranderd was, wist ik dat ik uit het dorp weg moest’, zegt ze stellig. Naar de stad. Waar alles vuil en meedogenloos lijkt te zijn. ‘Het leven in de stad is duur, en een veelheid aan gebouwen en adressen betekent nog niet dat er voor iedereen een huis is.’ Ze leeft er als zwerver en wordt na haar oproep op een prikbord om onderdak, in huis genomen door Ruud, een eenzame pensionaris. Maar dat onderdak heeft een prijs. Ruud verlangt geen huur, maar s’ avonds moet ze wel naast hem op de bank zitten en haar schoot laten bevoelen. ‘Na wekenlang op straat te hebben gewoond klonk dit als een aantrekkelijke ruil’, aldus Schelvis. 

    Werkgeverschap in al zijn vormen

    Ze vindt een baan – om wat geld te hebben en van Ruud weg te zijn – bij Sophie, eigenaresse van een bistro en later bij journaliste Tanja. Voor iemand werken houdt ze echter niet lang vol, daar is ze te anarchistisch voor, en ze besluit om weer dakloos te worden. Al snel ontmoet ze Marjorie die in een woongroep woont en bedelt om rond te komen. Schelvis sluit zich bij hen aan. De filosofie van deze groep alternatieve kunstenaars bevalt haar wel. ‘Door een baan te hebben geef je een ander toestemming om over je te heersen, voor een uur of dertig per week, tenminste’, luidt de uitspraak van Marjorie.
    Om indruk te maken op de vrienden van Marjorie neemt Schelvis een baan in een paardenslagerij. Van de opbrengst koopt ze geschenken voor hen. Hoe vrijgevochten en open de bohemiens ook lijken te zijn, het gaat hier om valse vrijheid. Want wanneer Schelvis bekent dat ze in de paardenslagerij werkt, volgt wederom een traumatische mishandeling. Deze alternatieve wereld lijkt even dwingend als die in het dorp. 

    De mensen waar Schelvis voor werkt, leren haar iets over zichzelf en over het leven. Ze hebben allemaal een andere visie. Sophie staat erg ten dienste van haar klanten, is daarin zelfs onderdanig. Tanja is anarchistisch en zelfstandig. De paardenslagerij laat Schelvis beseffen welke rol de dood in het leven speelt. Alles heeft een prijs, het onderdak bij Ruud, het werk in de slagerij. Telkens moet Schelvis haar keuzes met iets bekopen, zoals haar lichamelijke integriteit, vriendschappen die stuk gaan, mishandeling. Ze verhuist terug naar het dorp, en daarmee is de cirkel rond. Ze erkent haar plek en beseft dat ze er thuishoort. 

    Zelfinzicht als grootste goed

    Het format van de hoofdstuktitels is gebaseerd op dat van Oliver Twist van Charles Dickens, wellicht de meest bekende arbeidersroman. Maar waar Oliver Twist wel eindigt in verzoening en opklimming, is dat bij Schelvis niet het geval. Hoewel ze veel ervaringen rijker is, is zelfinzicht hier het grootste goed, en zelfs dat komt met een litteken. Ze is terug waar ze vandaan komt, heeft niets meer dan toen ze vertrok, maar beseft wel wie ze echt is. 

    ‘Waar ik ook keek, door het kijkgat of erbuiten, ik werd omringd door kolossale dingen. De hemel en de zee: ze konden me wel degelijk opslokken, als ze daar zin in hadden, ze konden me alles laten doen wat ze wilden. In het grote plaatje van alles was ik piepklein, vrijwel niets. Ik kon er niet aan ontsnappen.’ 

    Aan het eind van het boek ziet ze zichzelf en erkent zichzelf. Als een vissenkop waar de meeuwen om vechten. De nederigheid die ermee gepaard gaat is inspirerend. Overgave op commando houdt de lezer een spiegel voor. Je leven willen ontvluchten, is soms een illusie. Hoe graag we ook boven onszelf willen uitstijgen, er is altijd iemand beter of groter. En juist daarin, in die visie, ontstijgen we onszelf. Want ook de succesvolste mens blijft een klein zandkorreltje in de ogen van de kosmos. Zoals wij allen. Daarin zijn we pas echt gelijk.

     

     

  • De aarde brengt geen graan maar angst voort

    Het is 26 juli 1923, een snikhete dag waarop laat in de middag een flinke onweersbui los zal barsten. Een meisje en een man worden om zes uur ’s morgens wakker in hun smalle ijzeren bed in Berlijn. De geldontwaarding in de Weimarrepubliek wordt alsmaar erger. De dollar staat ’s morgens op vierhonderdveertienduizend mark en ’s avonds op zevenhonderdzestigduizend. Op 8 augustus – we zijn dan halverwege de vuistdikke (835 dichtbedrukte pagina’s) van Wolf onder wolven – staat hij op vier miljoen mark méér. En nog een week later is dat honderdzestig miljoen. Hoe overleef je dat?
    Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen) beschreef het in zijn roman, veertien jaar nadien. Hij zat zelf omstreeks 1923 een paar keer gevangen en leed aan alcoholverslaving. Hij wist waarover hij schreef.

    De belabberde situatie in Duitsland was een gevolg van de vrede van Versailles die het land na WO I diep vernederde. Het werd door de overwinnaars tot op het bot uitgekleed en opgezadeld met niet op te brengen herstelbetalingen. De repercussies daarvan waren voelbaar in het dagelijkse leven van elke Duitser. Iedereen probeerde op zijn eigen manier het hoofd boven water te houden.

    Gokken

    Wolf onder wolven is door de vele verhaallijnen en verwikkelingen tamelijk complex. De roman telt bovendien ongeveer honderd personages, waarvan zeker vijfentwintig prominent figureren. Je raakt naarmate de lezing vordert af en toe de draad kwijt in de doolhof van verbindende schakels en de veelheid van perspectieven en stemmen, maar als je je overgeeft aan de tekst raak je steeds meer bedwelmd door de beschrijving van de over elkaar buitelende ontwikkelingen en stemmingen. Wolf onder wolven leest zelfs als een heuse pageturner.

    Naast de torenhoge inflatie is er een tweede gebeurtenis die Fallada verwerkte. Dat is de mislukte Küstrinputsch onder leiding van majoor Buchrucker die plaatsvond omdat sommigen vonden dat de regering te weinig deed tegen de bezetting van het Ruhrgebied door Frankrijk.
    Küstrin was een vesting aan de Oder, die in de roman Ostade heet; Buchrucker is te herkennen in majoor Rückert. In die omgeving speelt het tweede deel (na Berlijn als locatie van het eerste) van de roman zich grotendeels af: we bevinden we ons hier in het fictieve Neulohe ‘op het uiterste puntje van de Neumark (…) bijna tegen de Poolse grens’.

    Hobbes

    Beide locaties gaan op hun eigen manier om met de crisistijd. In Berlijn is het vooral de zelfkant die probeert zich overeind te houden in prostitutie of door te gokken. De jonge Wolfgang Pagel, zoon van een welgestelde moeder, is zo’n gokverslaafde. Hij pikt de armoedige Petra Ledig op uit ‘het leven’ en gaat met haar samen wonen bij de hospita Thumann. Het stel wordt wegens wanbetaling al snel uit huis gezet (Petra ontdekt later dat ze zwanger is) en komt gescheiden en onwetend van elkaars lot in politiecellen terecht.

    ‘Het is een vraatzuchtige tijd, Wolfstijd. Zonen hebben zich tegen hun ouders gekeerd, hongerige wolven tonen elkaar hun blikkerende tanden – de sterke zal leven! Wie zwak is sterft! Tussen mijn tanden!’ Het is een duidelijke verwijzing, ook al in de voornaam van Pagel, Wolf of Wolfgang, naar de opvatting van filosoof Thomas Hobbes dat zelfzuchtigheid ten koste van de ander in de mens is ingebakken (‘Homo homini lupus est’).

    Intriges

    Op het platteland probeert de oude adel te redden wat er te redden valt. Ze is in het bezit van vastgoed, zoals kastelen en bezittingen die worden verpacht. Baron Von Teschow is eigenaar van twee landgoederen waaronder Neulohe en een groot bosareaal. Via de oude kameraden uit het leger, Von Prackwitz, pachter en schoonzoon van de baron, en Von Studmann, die in Berlijn een hotel leidde maar op straat is gezet, belandt Pagel op Neulohe. Hij wordt er opzichter over het personeel.
    Het is een wereld vol uitbuiting, intriges, roddels en verdachtmakingen en plunderingen van de velden van de pachter door de armste bevolking. Niemand vertrouwt nog iemand. Bovendien hangt er een voortdurende dreiging van in de bossen verscholen veteranen, na de oorlog uitgespuugd door een leger dat na ‘Versailles’ niet meer mocht bestaan. Ze zijn uit op een putsch. Kortom: ook op het platteland regeert de ‘wolfstijd’.

    Speenvarken

    Fallada vertelt in Wolf onder wolven niet het politieke en algemeen maatschappelijke verhaal van de moordende inflatie in Duitsland, maar laat ons die beleven aan de hand van individuele karakters in alledaagse omstandigheden. Alle belangrijke personages komen tot leven in al hun eigenaardigheden en individuele trekken. Daarbij voert Fallada vaak koddige scènes op rond amoureuze relaties, ontrouw, ruzies, klungelige opzet van de putsch en al dan niet zoekgeraakte brieven, zonder dat de roman een klucht wordt. Er zit dan ook veel humor in de vertelwijze van de auteur. Soms is die woordspelig als in: ‘Stel dat hij zich in wanhoop een kogel door zijn hoofd schoot – iemand van minder kaliber dan hijzelf zou daar in zijn situatie heel goed toe kunnen besluiten’. Veelvuldiger zijn de komische generalisaties die zich in de hoofden van de personages hebben vastgezet zoals wanneer Von Teschow zegt: ‘De mens is nu eenmaal geboren om te jammeren, dat zeg ik u, mijn beste Von Studmann! Zodra hij geboren is gilt hij als een speenvarken en als hij doodgaat rochelt hij als een oude bok en in de tussentijd blijft hij maar mekkeren’. Of de verteller als hij het heeft over de in onmin met zijn vrouw geraakte Von Prackwitz: ‘Een man naar wiens pijpen een vrouw twintig jaar heeft gedanst, zal nooit begrijpen waarom ze dat opeens niet meer doet’.

    Het is niet een humor die, naar het aforisme van Godfried Bomans’, ‘overwonnen droefheid’ is, maar een die dat verdriet juist accentueert. Er schuilen verholen agressie en fatalisme onder: ‘Wachtmeester Leo Gubalke, die dagelijks met opgewonden vrouwen van doen heeft, is er vast van overtuigd dat ook vrouwen verstand kunnen hebben. Maar het is een ander soort verstand dan dat van mannen, en het is compleet zinloos hen van iets te willen overtuigen waarvan ze niet overtuigd willen worden’.

    Angst

    Wolf onder wolven zuigt je op een meeslepende manier mee in een jaar uit de Duitse geschiedenis waarin iedereen geloofde dat hij bedrogen werd als hij dat zelf niet als eerste deed. Het motto: ieder voor zich. Iedereen werd door die geest geïnfecteerd: ‘De aarde brengt geen graan voort, maar angst, besmettelijke angst. Een generatie vol angst’.

    Toch geeft Fallada één van zijn protagonisten deze gedachte in: ‘Welbeschouwd bestaat het leven uit louter nederlagen. Maar desondanks leeft een mens, dat o zo taaie en onverzettelijke schepsel, verder en is blij dat hij leeft…’.

    Twee mensen laten zien dat de mens niet gedoemd is anderen te verdrukken. Dat zijn Wolfgang Pagel en Petra Ledig. Wolf onder wolven is daarmee tevens een ontwikkelingsroman over deze twee die na een onderlinge breuk los van elkaar groeien naar onafhankelijkheid en inzicht en zo verantwoordelijkheid leren nemen voor hun leven. Het laatste hoofdstuk refereert aan de opening van de roman. De man en de vrouw worden ’s morgens in een bed in Berlijn wakker. Een fris briesje beweegt de gordijnen. Wolfgang is door alles wat hij meemaakte sterker geworden. Petra heeft ontdekt dat het geluk ‘niet afhankelijk [is] van dingen buiten haar, het zit in haarzelf, als de kern in een noot’.

     

     

  • Voorbij het officiële beeld

    Wie was Boni? Naar het antwoord op die vraag gaat Tessa Leuwsha op zoek in haar boek met dezelfde naam. In 1986 – toen Leuwsha een tiener was – drukt een vriend haar Anton de Koms Wij slaven van Suriname in handen. Het omslag stelt haar teleur, maar zodra ze het boek openslaat en een paar zinnen leest, is ze verkocht: ‘Onze ouders hadden ons stilzwijgend geleerd om onderwerpen als slavernij en kolonialisme in te slikken, bang voor een boemerangeffect: het opwekken van irritatie en mogelijk haat.’
    Leuwsha doet er twee weken over Wij slaven van Suriname te lezen: het is een eerste druk, uit 1934, het taalgebruik is gedateerd. Toch maakt het grote indruk op haar, vooral de beschrijving over Boni, de leider van de Marrons (een geuzennaam voor nazaten van gevluchte tot slaaf gemaakten) die zich dertig jaar lang verzette tegen de koloniale overheersing door Nederland. De kiem voor Boni was dus al vroeg gelegd! 

    Rebel en heilige

    Dat we in Nederland zo weinig over Boni weten is geen toeval, maar een voortzetting van ons koloniale verleden. Die voortzetting gaat niet alleen over de economische, sociale en emotionele gevolgen van onderdrukking, uitbuiting en slavernij, maar ook over geschiedschrijving, over wat Nederlanders erover weten en wat kinderen leren op school. Nederlandse kennis over Boni is afkomstig uit ‘officiële’ bronnen, zoals Leuwsha ze noemt, en gebaseerd op het beeld dat koloniale machthebbers van hem hadden: een rebel, een opstandeling. In Suriname echter, is er een tweede beeld van Boni, gebaseerd op overleveringen, voorouderlijke ervaringen, mythen en legenden: Boni als heilige, met bijzondere gaven. Leuwsha: ‘Tussen een weergave van Boni als rebel en heilige, tussen archief en vertelling, gaapt een groot gat. Ik wilde meer over zijn leven weten dan wat er in koloniale bronnen over hem bewaard is gebleven en waaruit dat eenzijdige beeld is ontstaan.’ 

    Ambitie en gelaagdheid

    Rebel of heilige, hoe breng je twee zulke verschillende beelden samen? Leuwsha gaat daarin niet alleen voortvarend te werk, ze weet het ook op zo’n manier te doen dat het resultaat geloofwaardig is. Haar keuze om zowel verslag te doen van Boni’s leven, – en niet te vergeten: dat van zijn moeder, die zichzelf uit slavernij heeft bevrijd, – als van haar eigen zoektocht naar zijn geschiedenis brengt gelaagdheid in het verhaal. Leuwsha maakt daarmee invoelbaar hoe belangrijk het is stil te staan bij de Nederlandse koloniale geschiedenis en vooral ook bij wie bepaalt welk beeld daarvan het ‘juiste’ is. Dit alles krijgt ze voor elkaar zonder dat ze het tot in den treure hoeft uit te leggen. De zoektocht met alles wat daarbij hoort spreekt voor zich. Misschien nog wel het meest aangrijpend daarbij zijn de stukken over Leuwsha’s broer Ewald, met wie het niet goed gaat. Boni’s leven is het gespreksonderwerp waarin ze elkaar het makkelijkst vinden.

    Wie was Boni? Leuwsha’s boek geeft antwoord op veel meer dan die ene vraag. Het gaat niet alleen over Boni’s leven maar ook over dat van zijn dappere en doortastende moeder, over de levens van tot slaaf gemaakten en over mensen die zichzelf bevrijden. Ze levert daarmee veel meer dan ze zich zegt te hebben voorgenomen: Boni vult niet alleen het gat tussen het beeld van hem als rebel of heilige, maar ook een gat in de koloniale geschiedenis.

     

     

  • Een liefdevol en mooi geschreven roman

    ‘Ik voer onze divina commedia op’ zegt Felix aan het begin van de prachtige biografische roman Mooie Jo. Schrijfster Kristien De Wolf geeft hem en zijn levenspartner Jo een stem in deze roman die een boeiend beeld geeft van het leven van haar oom Jonathan, ‘Jo’, Stormvogel.

    De geschiedenis van Felix en Jo samen begint wat Felix betreft in 1974 in de Astrabioscoop in Antwerpen tijdens een vertoning van de film Papillon. Als Felix maar enigszins de kans krijgt vertelt hij het ‘Astra-verhaal’, zegt Jo. Jo ziet hem die keer niet maar hij heeft vrede met Felix’ versie, want het is ‘ons scheppingsverhaal, onze oerknal (…)’. Volgens Felix is Jo onweerstaanbaar mooi. Hij heeft Mona Lisa ogen, waar hij op foto’s meestal mee in de verte staart. Op die foto’s ziet hij er te oud uit voor zijn jaren, zegt Felix, en meestal ook slechtgezind. Die laatste kwalificatie is geen verwijt, voegt Jo toe, ‘Hij leerde mij kennen. Dat is alles.’

    Jo groeit op vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw in Vlaanderen in een goed katholiek gezin. Daar is hij op twaalfjarige leeftijd slachtoffer van misbruik door een aalmoezenier van de scouting die een familievriend van het gezin is. Vanaf die hete zomer ‘springt de duivel uit zijn mond’, zoals hij het zelf zegt, en is hij onhandelbaar op de middelbare school. In het boek wordt vooral de latere volwassen periode uit het gezamenlijke leven van Felix en Jo beschreven. Het lijkt het goed gekomen met Jo, maar de roman laat vele achterkanten van die buitenkant zien.

    Lieve vriendschap

    Misbruik is een belangrijk thema: hoe het ontstaat, hoe een kind erin wordt meegezogen en wat de gevolgen zijn. Broeder Marc, die het volledige vertrouwen geniet van Jo’s moeder en die volgend jaar Jo’s godsdienstleraar zal worden, bouwt het ‘vriendengenot’ langzaam uit. Jo mag met hem mee uit smokkelen, eerst één keer per week, later vaker. Hij geniet van deze tochten, van traktaties, van de verhalen van de Boeddha, zoals hij hem vanwege zijn postuur noemt, en van de lieve vriendschap. Hij voelt zich geliefd en gewild. Dit verandert als de Boeddha de allang overschreden grenzen verder overschrijdt. ‘De nieuwe dingen zijn kleverig en vies. (…) Ik wil dit niet meer doen, zelfs als het gevoel in mijn buik een fijn gevoel is (…).’ Kort daarna verdwijnt de Boeddha. Jo blijft achter met een voor hem onoplosbaar schuld- en schaamtegevoel en met angst en onzekerheid omdat hij niet weet bij wie of waar hij absolutie kan vragen. Misschien mist hij de Boeddha zelfs wel. De knappe beschrijving van het spel van macht, misbruik, ontluikende seksualiteit, verwarring en kwetsbaarheid laat heel goed zien hoe schrijnend subtiel zo’n proces zich voltrekt en hoe het een leven lang doorwerkt.

    Later, op het seminarie, ontwikkelt Jo weer een vertrouwensrelatie met een volwassen geestelijke, namelijk met pater Augustinus. Deze pater is verliefd op Jo, maar houdt zijn handen thuis. Ze bouwen een sterke vertrouwensband op en Augustinus is de enige tegen wie Jo ooit over zijn misbruikverleden vertelt. Als Jo de opleiding al lang en breed verlaten heeft en samenwoont met Felix zoekt Augustinus hem nog altijd op. Hij is levenslang belangrijk voor Jo.

    Ook Felix ontkomt niet aan grensoverschrijdend ‘vriendenplezier’. ‘Gelukkig was hij al een flink pak ouder toen het hem overkwam’, zegt Jo. ‘Ik was een hoer en ik wist het zelf niet’, quasigrapt Felix zelf in retrospectief. Hij laat zich namelijk voor het misbruik betalen met materiële zaken als een horloge, een platenspeler, gratis kunstlessen enzovoort.

    Wisselende perspectieven

    Homoseksualiteit is een ander belangrijk thema. Jo stroomt na een aantal rampjaren op de Latijns-Griekse middelbare school af naar een vakschool. Pater Ben inspireert hem om naar het seminarie te gaan. Dat lijkt hem wel wat want het lijkt op de scouts, hij ziet een toekomst in Afrika in het verschiet én hier zou ‘niemand (…) er ooit achter hoeven komen hoe ik was’. Natuurlijk gaat iedereen er wel achter komen, maar gelukkig is het uit de kast komen dankzij zijn vader geen enkel probleem. Pa legt het thuisfront het zwijgen op als Jo met een mannelijke partner aan komt zetten en dat is dat. Felix heeft een moeder die wat dat betreft voor haar zoon gaat staan.

    Het laatste hoofdstuk, ‘Papillon’, heeft een citaat van Gerard Reve meegekregen, de schrijver die onder andere ophef veroorzaakte door zijn relatie en samenwonen met twee mannen. In dit hoofdstuk verschijnt Bas ten tonele met wie Felix en Jo in hun boerderijtje Stormnest een periode een gelukkige driehoeksrelatie beleven. Bas’ ouders zijn in wél in alle staten als ze erachter komen dat Bas van de mannenliefde is, maar Jo en Felix weten dit verzet binnen de kortste keren te breken. Jo schrijft een werkelijk prachtige brief naar Bas’ ouders en zij worden in Stormnest te eten uitgenodigd. De brief is onweerstaanbaar. De ouders van Bas én zijn grootmoeder komen en ze worden met alle egards en aanstekelijke liefde en luchtigheid ontvangen door de ouders van Felix en Jo, die ook aanwezig zijn. Lijdend voorwerp Bas zit er even ‘als een bevroren vogeltje’ bij, maar ‘er was niets dan liefde in ons huis’ en niet veel later zit Bas ‘te glinsteren van geluk’.

    Onbekende ziekte slaat toe

    Vanaf de late jaren ’70 vallen mannen in de omgeving van de hoofdpersonen ‘als vliegen’ door een onbekende ziekte. In de VS schijnen dokters niet meer bij lijders aan de zogenoemde homokanker langs te willen komen. In homocircuits wordt iedereen op zichzelf teruggeworpen en heerst de angst. Sommigen worden hypochonder, anderen proberen te doen alsof de ziekte en het noodlot dat hun vriendenkring treft niet bestaat.

    Buiten de proloog, getiteld Alles leeft, en de epiloog met de titel Niets eindigt heeft het boek vijf hoofdstukken. Felix blikt eerst terug op Jo en hun gezamenlijke leven, daarna wordt vanuit Jo’s perspectief vooral zijn tijd tot het seminarie beschreven. In de andere drie hoofdstukken wordt vanuit de wisselende perspectieven van Jo, Felix en pater Augustinus door hun geschiedenis gemeanderd, waarbij een volgende verteller de draad steeds weer oppakt van zijn voorganger en het verhaal verder breit, een afwisseling die de lezersblik op een prettige manier verruimt. Het taalgebruik in de roman is verzorgd, fraai en origineel en gelukkig niet helemaal ontdaan van Vlaamse accenten.

    ‘Je moet leren om de bui te pakken’, zegt Jo tegen Bas. ‘Gewoon blijven staan. Het is maar water.’ De buien die over hemzelf uitgestort worden, zijn niet zo makkelijk te verdragen. Hij doet zijn best maar gelukkig worden is voor hem niet eenvoudig. Hij trekt zich meer en meer terug, zet ‘streepjes op de muren van zijn cel’ die het leven voor hem is. Het is een verdrietig slot van een liefdevol en mooi geschreven roman over mensen en (familie)relaties tegen het decor van de tweede helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen die zeer de moeite van het lezen waard is.

     

     

  • Briefwisseling tussen George Sand en Pauline Viardot

    George Sand (1804-1876) is vooral bekend door haar romans en toneelstukken, zo’n honderd in totaal, haar autobiografie Histoire de ma vie en haar liefdesrelatie met Frédéric Chopin. Ze schreef duizenden brieven en haar vriendenkring omvatte ook andere beroemde mannen: Flaubert, Toergenjev, Alfred de Musset en Delacroix. In het katern met afbeeldingen zijn Sand, Viardot en Chopin afgebeeld, dat spreekt voor zich. Waarom Toergenjev en Alfred de Musset worden afgebeeld is een raadsel: ze worden in de briefwisseling namelijk nergens genoemd.

    Thérèse Marix-Spire heeft de briefwisseling tussen Sand en operazangeres Pauline Viardot (1821-1910) uit de periode 1839-1849 gedestilleerd uit de verzamelde correspondentie van Sand die in totaal zesentwintig delen beslaat. De brieven zijn prettig leesbaar vertaald door Rosalien van Witsen die ook het summiere voorwoord schreef.

    Hechte vriendschap

    Uit de brieven blijkt allereerst de hechte vriendschap tussen Sand en Viardot. En dat is meteen ook het grootste bezwaar dat je tegen deze uitgave kunt hebben: naar schatting bestaat een derde uit zinsneden waaruit blijkt dat ze elkaar zo vreselijk missen, uitnodigingen om op bezoek te komen en passages waaruit blijkt hoe teleurgesteld ze zijn als dat niet lukt. Vervreemdend werkt het dat ze elkaar moeder en dochter noemen (Sand is zeventien jaar ouder dan Viardot) en elkaar koosnaampjes geven. Interessant is wel het carrièrepad dat Sand voor Viardot uitstippelt: eerst in Spanje, Italië, Duitsland, Rusland en Engeland als operazangeres gevierd worden, en daarna pas Parijs veroveren. De vele passages over ovationeel applaus, bloemenhuldes en dankbetuigingen geven blijk van het succes van Viardot, maar ook daarin had – zonder informatieverlies – flink wat bekort kunnen worden.

    Sand en Chopin

    Tijdens het verblijf van Chopin op Sands landgoed ontvangt hij vele malen de groeten of laat hij deze overbrengen. In de brieven wordt hij vaak aangeduid met bijnamen zoals Fritz, Chipchop, Chipchip, Chopino, Chopinet of Chopinski. Daaruit blijkt een tweede bezwaar tegen deze uitgave: de vele voor- en bijnamen maken identificatie van voorkomende personen in de brieven niet eenvoudig. In het personenregister wordt namelijk gealfabetiseerd op achternaam, maar daarmee vindt de lezer dus niet iemand terug die met voor- of bijnaam wordt aangeduid. Eén voorbeeld: Daure op pagina 60 en 62 is een verbastering van de naam van de graaf Antoine Henri Philippe Léon Cartier d’Aure die onder de D niet in het personenregister voorkomt. Een simpele verwijzing bij Daure, zie D’Aure had volstaan.

    Uit de brieven is af te leiden hoe de verwijdering tussen Sand en Chopin ontstaan is, aangesticht en aangewakkerd door Sands dochter Solange en haar echtgenoot, de beeldhouwer Auguste Clésinger. Hij heeft vast ook schilderijen gemaakt, maar hem op pagina 146 als schilder typeren doet hem geen recht. Gelukkig wordt in het personenregister wel vermeld dat hij beeldhouwer was. Zijn bekendste beeldhouwwerken zijn Femme piquée par un serpent en het graf van Frédéric Chopin. Dat eerste werk zorgde in 1847 voor veel ophef op de Parijse salon. Het beeld toont namelijk een ontklede vrouw die kronkelend op de grond ligt na de beet van een slang. Vanwege de erotische lading kreeg het beeld de bijnaam ‘Volupté‘ (‘Wellust’).

    Solange en haar echtgenoot verlangen een grotere bruidsschat van Sand, waaraan ze – naar eigen zeggen – niet kan voldoen omdat er dan niets voor haarzelf zou overblijven. Chopin kiest de kant van de dochter en haar man en verdwijnt na negen jaar uit Sands leven. Ze mist natuurlijk de man, maar meer nog zijn muziek.

    1848

    Sand en Viardot hadden genoeg om over te schrijven in het roerige Frankrijk van het midden van de negentiende eeuw: natuurlijk over hun eigen leven, maar ze waren ook getuigen van de revolutie van 1848, de Tweede Republiek en de staatsgreep van Lodewijk Napoleon waarmee Frankrijk voor de tweede keer een keizerrijk werd. Teleurstellend is dat het grootste deel van de dagelijkse beslommeringen uitgebreid wordt weergegeven en de interessante politieke perikelen maar mondjesmaat in de brieven vermeld worden.

    Aan het eind van een brief gedateerd eind maart 1848 vraagt Sand aan Viardot: ‘Verbrand mijn brief’ (pagina 164). Gelukkig heeft Viardot aan die wens niet voldaan. Dat het wel degelijk gevaarlijke tijden waren tijdens de revolutie van 1848 blijkt uit het feit dat Sand bedreigd wordt: in een brief van 8 december valt te lezen dat politieke tegenstanders van Sand haar in La Châtre wilden ophangen (pagina 178).

    Van Witsen eindigt haar voorwoord met de opmerking dat de briefwisseling tussen de schrijfster en de nachtegaal ook na 1849 is voortgezet en dat die brieven te vinden zijn in de verzamelde correspondentie van Sand. Jammer dat die brieven niet toegevoegd zijn aan de gepresenteerde correspondentie. Of bevatten die brieven geen nieuwe informatie ten opzichte van de brieven die Sand en Viardot tussen 1839-1849 aan elkaar geschreven hebben?

     

  • De moed om te vliegen

    Vlieg! zegt de vloer is een nieuwe dichtbundel van Eva Gerlach. Een op het oog dun boekje, maar met een grootse inhoud. Aangevuld en verrijkt met prachtige illustraties van Trui Chielens.

    Gerlach schrijft over onderwerpen die dicht bij de belevingswereld van tieners liggen. De fase van het ontdekken van jezelf en je plek vinden in de wereld om je heen.

    Ze vertaalt deze thema’s in gevoelige maar krachtige poëzie en maakt de lezer deelgenoot van de ontdekkingsreis van een meisje in de tienertijd. De bundel maakt op een indringende en ontroerende manier duidelijk dat opgroeien niet zonder moeilijkheden verloopt. Gescheiden ouders, stieffamilie, verdriet, eenzaamheid en angst zijn thema’s die Gerlach niet uit de weg gaat en die veel tieners zullen herkennen.

    Leeftijd: 12+

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • De jongen op de achterste rij van de klassenfoto

    In Blauw of de kleur van blijdschap voert Anke Scheeren (1982) haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie: het promoten van windenergie in Mongolië. Egbert is een introverte en onopvallende man die zijn dagen slijt bij een duurzaamheidsbedrijf. Zonder nadere verklaring wordt hij uit zijn routine gerukt. De opdracht zaait vooral onzekerheid en onbehagen — hij voelt zich verre van de aangewezen figuur om in een vreemd land het gezicht te zijn van zijn bedrijf. Maar geleidelijk groeit Egbert in zijn rol en raakt hij verknocht aan het doel. Wat eerst een last was, gaat hij beschouwen als zijn eigen verantwoordelijkheid, bijna als een kwetsbaar kind dat om zorg vraagt.

    Dat juist hij zich zo vastbijt in deze onderneming is alleen te begrijpen wanneer we achter zijn verlegen façade kijken. Vanaf de eerste bladzijde gunt Scheeren de lezer een blik in Egberts binnenste; een landschap even kil als schrijnend. Hij kan zichzelf omschrijven in ontluisterende bewoordingen: “Ik ben die jongen op de achterste rij van alle klassenfoto’s. Ik ben hard geworden kauwgom onder een schoolbank. […] Ik ben niemand, volstrekt niemand.” Deze sombere zelfportrettering vormt het startpunt van een reis die vooral een innerlijke blijkt te zijn.

    De wereld als spiegel

    De roman volgt Egbert door een ruig en spaarzaam bevolkt landschap dat zelden verlichting biedt. Mongolië met zijn eindeloze vlakten, koude straten en schaarse menselijkheid, ontvouwt zich in sobere, suggestieve beelden. Ontmoetingen blijven zeldzaam; communicatie blijft fragmentarisch. De fysieke leegte van de steppe weerspiegelt Egberts binnenste.

    Egbert Klein doet denken aan Frits van Egters, de beroemde hoofdpersoon uit Gerard Reve’s De Avonden (1947). Net als Frits is Egbert een verlegen figuur die worstelt met zijn plek in de wereld en zich gevangen voelt in de sleur van alledag. Beide personages dragen een diep gevoel van ongemak en existentiële onzekerheid met zich mee, en hun innerlijke monologen onthullen een melancholie die even pijnlijk als herkenbaar is. Waar Frits cynisch en soms bijtend scherp observeert, blijft Egbert ingetogen, maar ook hij worstelt met vervreemding en een gevoel van zinloosheid. De stiltes en kleine momenten van desillusie bij Egbert resoneren sterk de toon die Reve neerzette: het schrille contrast tussen het alledaagse en de onuitgesproken dieptes van het innerlijk leven. 

    De oorzaak van Egberts onvermogen om geluk te ervaren, ontvouwt zich bijna geruisloos, tussen de regels. Een diepgaand persoonlijk drama behandelt Scheeren met spaarzame beknoptheid, alsof het zwijgen rondom deze pijn de zwaarte ervan alleen maar versterkt. Tegelijk groeit er een behoedzame verstandhouding, een broze en wederzijdse herkenning tussen Egbert en Batu, zijn gids. Deze subtiele terughoudendheid typeert Scheerens literaire handschrift. Zelfs momenten die naar openbaring neigen vergroot ze niet uit, maar laat ze bewust in stilte vervagen; een doordachte stilistische keuze.

    Tragikomische gevoeligheid

    Blauw of de kleur van blijdschap is geen conventioneel ontwikkelingsverhaal. Egberts aard wijzigt nauwelijks. Wel verandert het perspectief van de lezer: wie geneigd is Egbert als tragikomisch figuur te beschouwen ontwikkelt gaandeweg sympathie voor zijn aarzelingen en gelatenheid. Zijn gevoeligheid voor de wereld drukt zich uit in ongemak bij het onverwachte, een lichamelijke afkeer van verandering, in een subtiel ‘wurgend gevoel’ dat als een lichte druk door het verhaal loopt.

    Toch is de roman niet zonder humor — wrange humor, weliswaar. De absurditeit van een onervaren werknemer die een campagne moet opzetten voor windmolens in een land waar de wind alomtegenwoordig is, biedt ruimte voor ironie. Scheeren benut die, zonder haar te expliciteren. De worsteling om de missie te laten slagen krijgt geen melodramatische glans, maar is het onvermijdelijke resultaat van een systeem dat mensen inzet als pionnen, zonder oog voor hun eigenheid.

    Taal als sfeerdrager

    Het taalgebruik is overwegend sober en zorgvuldig: Scheeren verkiest precisie en suggestie zonder zich op te dringen, zodat de lezer ruimte krijgt om Egberts emoties en gedachten zelf te ervaren. In enkele scènes wijkt ze bewust af van deze sobere stijl en kiest voor een lyrischer taalgebruik: voor de ontmoeting met het paard gebruikt ze beeldende, bijna dromerige taal waardoor het onduidelijk blijft wat feit is en wat verbeelding. Ook in de zwemscène met het kind wordt de melancholie versterkt door intenser en beeldender taalgebruik, waardoor de emotionele betekenis van het moment tastbaar wordt.

    Of Egbert zijn opdracht volbrengt mag voor hem persoonlijk van belang zijn, voor het verhaal is het ondergeschikt. De kern van deze roman ligt niet in het resultaat, maar in de reis: traag, onbeholpen, pijnlijk soms. Blauw of de kleur van blijdschap is een roman die zich niet opdringt, maar onderhuids werkt. Scheeren onthult de leegte en het onvermogen van haar hoofdpersoon: niet met grote gebaren, maar met subtiele nuances. De lezer die zich aan het trage ritme overgeeft, ontdekt dat dit boek dat zijn kracht ontleent aan terughoudendheid, en dat stilte evenveel kan zeggen als het gesproken woord.

     

  • Lange ketens met kwetsbare schakels

    De bundel Wat wij doen dat heet bewaren, van Siel Verhanneman valt uiteen in twee delen: Psoas, de zielenspier, en Uterus, daar waar het nieuwe leven ontkiemt. Twee plaatsen in het lichaam waar grote verlangens en gevoelens beleefd en bewaard worden.
    Samengebracht in deze bundel gaan die verlangens en gevoelens vooral over moederschap en het doorgeven van leven in de breedste zin van het woord. Daarbij beschrijft de dichter zichzelf niet zelden als een schakel in een lange familielijn, tussen een vader die er niet meer is en een dochter die gezond en wel het levenslicht ziet. Een kind waarin de dichter een betere, sterkere versie van zichzelf projecteert. Maar niet zonder spijt, want ooit wordt dit kind volwassen en moet het worden losgelaten; en niet zonder angst, want het lot komt in vele gedaanten en spaart niemand.

    ‘Ik herken een zus in liedjes op de radio, / ik zie een vader achter het stuur van rode wagens. / Deze soort van missen vindt geen plek in ons vrolijk circus / waar we verdriet als roze koeken delen. / Deze soort van missen hoort bij de eerste golven / die zich terugtrekken net voor ze mijn tenen raken.’

    Van vasthouden naar loslaten

    Van de vele vormen van verlies getuigt Verhanneman in meerdere gedichten, genadeloos eerlijk en open. Daarmee cirkelt de hele bundel rond dat ene thema: de kwetsbaarheid van het leven. In het begin is dat vooral het verdriet om een mislukte zwangerschap dat al dan niet met een partner kan worden gedeeld.

    ‘Vandaag verloor de vrouw alweer een vrucht, / een idee van jou, tot je afsterft? / Oplost, waarin? / Uitstroomt, waarheen? // Op zoek naar een schuldige / eindigt ze steeds bij jaar vermoeide handen, / gespannen spieren, de kraaienpoten, / het onafgebroken drammen in haar hoofd / hoe graag ze jou hier wil houden, / kan het niet in alle rust / loslaten // het allerkleinste deeltje in haar / geen plek kan vinden. // Het is de natuur, zegt de man / die elke nacht naast haar slaapt, / verzwijgt hoe die voor de vrouw / veel wreder is,’

    Verderop in de bundel is er dan eindelijk een voldragen kind dat na de beschutting van de moederschoot nog een tijdlang gevangen zit in de symbiose buiten het lichaam. Zuigend en zogend innig verbonden totdat het los van het moederlijf kan bestaan en een eigen mens wordt. En de moeder met lede ogen en een bloedend hart moet aanzien dat dit kind behalve een eigen, zelfstandig lichaam ook een eigen geest heeft en herinneringen die in beider DNA liggen opgeslagen, maar die toch niet voor beiden dezelfde waarde en belangrijkheid hebben.

    Is loslaten minder moeder zijn? / Hoe bewaar ik een baby die niet meer / tussen mijn wiegende armen past, hoe hou ik / later de peuter, kleuter, tiener vast / in een volwassen lichaam, zoveel verder bij mij vandaan.’

    Poëzie als een dagboek

    De behoedzaamheid die past bij het thema ‘groei’ bepaalt de continuïteit van de bundel. Waarbij Verhanneman ook nog eens een chronologische volgorde aanhoudt, zodat de gedichten van voor naar achter bijna lezen als een persoonlijk relaas. De veelgebruikte ik-vorm maakt het allemaal nóg persoonlijker. Minutieus en met een ongekende intimiteit wordt dit proces van jaren beschreven. Ondenkbaar bijna om als lezer níet geraakt te worden door het feit hierbij betrokken te worden. Tegelijk maakt die voorzichtigheid de bundel hier en daar zwak. Al was het maar door het ontbreken van heftige uitbarstingen en verrassende wendingen. 

    Daarbij is de intimiteit van dien aard dat de lezer bij tijd en wijle het gevoel bekruipt een dagboek te lezen in plaats van een poëziebundel, waarbij het vertelde – hoe fijnzinnig en poëtisch geschreven ook – meer het karakter heeft van proza. En een heel persoonlijk proza bovendien. Wat een versmalling tot gevolg heeft voor wat betreft het lezerspubliek. Niet iedereen zit op zulke intieme ontboezemingen te wachten; niet iedereen voelt de behoefte het dagboek van een ander te lezen.

    ‘Ik kijk naar deze vreemde moeder / die mij vertelt hoe graag ik / een tweede kind wil. / Dat ik het vechten verlang / om het gebrek aan plek / op mijn lichaam. / … en kan ik / nog een tweede keer / tot zo’n oerversie van mezelf / geboren worden?’

    Een andere zwakke plek: door deze al te persoonlijke invalshoek ontbreekt de blik naar buiten bijna helemaal. Terwijl dat ‘naar de wereld kijken door de ogen van een ander’ iets is dat liefhebbers van poëzie toch graag zoeken in een gedicht. Zowel voor de inhoud, het thema, als voor vorm, de specifieke verbeelding van het vertelde, heeft deze naar binnen gerichte blik consequenties.

    Kunst in een instrumentele rol

    Het enige dat een gezond tegenwicht biedt en de inhoud wegtrekt uit die al te persoonlijke benadering, is de interactie met diverse kunstwerken. Bij 26 van de in totaal 41 gedichten is er een verwijzing naar een kunstwerk van een bekende of minder bekende kunstenaar. Behalve bij de wederwaardigheden rondom het moederschap mag de lezer ook getuige zijn van het proces dat zich als gevolg van deze interactie in de dichter zelf voltrekt.

    ‘Ik denk na bij welk kunstwerk je zou passen, / bladerend door O’Keeffe glimlach ik om een perzik, / bij Chagall staat alles zo snel in brand. / Daar gebeurt het, in die vlammen vang ik een glimp / van je toekomst zonder seizoenen,’

    Zo komt buiten toch binnen en kan het ook over andere dingen gaan. Al is de richting niet zo dat de dichter middels het gedicht de aandacht van de lezer naar buiten, naar het betreffende kunstwerk stuurt. Eerder heeft het kunstwerk een instrumentele rol en helpt het de dichter om de geleefde ervaring te kunnen verbeelden in zoiets taligs als een gedicht. Dus toch weer de blik naar binnen. De beschreven ervaringen blijven dicht bij de beleving van het eigen lichaam, de eigen seksualiteit, de kwetsbare familieverbanden, en zijn daardoor te persoonlijk om universeel te kunnen worden. Er ís een buitenwereld, maar de beweging is van buiten naar binnen en niet omgekeerd.

    De unieke waarde van poëzie

    Het enige achterdeurtje dat leidt tot een meer trans-persoonlijk verstaan van deze gedichten is de herkenbaarheid voor vrouwen – en enigermate ook voor vaders en partners – die ooit ergens in hun leven een vergelijkbare situatie hebben meegemaakt.
    ‘Op klaarlichte dag strekt ze uitdagend haar fijne poten / boven haar hoofd, wikkelt elegant haar spinrag / om alle ophef, zacht is hoe zij monden snoert. // Haar eieren trillen, / zij weten dat dit de moeder is / die hun wereld wel bijeen zal houden.’

    Behalve over mensenbaby’s en dat o zo kwetsbare groeiproces, gaat het veel over natuurlijke, organische dingen. De eieren van de spin van Louise Bourgeois, vogels en nesten, bomen en bloemen van allerlei soort. En behalve in de keuze van thema’s en beelden is die voorzichtigheid, die nadruk op kwetsbaarheid er ook in de taal zelf. Nergens is die hard of bot, kil, stoer of zakelijk. Met wondermooie titels die op zichzelf al poëtische miniatuurtjes zijn: Onze hoop rust in haar eieren, Tweedekansbegrafenis, Madeliefjes plukken, Ontglip-me-nietje.

    Poëzie als een geheime tuin met veel moois om van te genieten doch slechts toegankelijk voor een klein, select gezelschap. Maar is dat niet precies de kracht en de unieke waarde van poëzie, dat het geen mainstream-gebeuren is dat de grote massa met een doorsnee aanbod tevreden stelt? Anders dan proza, dat zich in duidelijke genres laat indelen en herkennen, speelt poëzie zich meesttijds af in een kunstig labyrint met vele niches.



  • Die keer met… taal

    Marlies Smeenge (1993) is film- en documentairemaker, vooral voor de Nederlandse televisie (over nonnen, butlers, honden) en nu ook schrijver. De Bananenlezers is haar eerste roman. In Antwerpen volgde ze aan het Koninklijk Conservatorium de opleiding Woordkunst, daarna volgde ze Regie Documentaire aan de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam en studeerde er af met de tragikomische documentaire Traag naar de Hemel.

    In een interview met De Gelderlander in maart dit jaar zegt Smeenge: ‘Woordkunst is een studie waarin alles draait om storytelling; verhalen vertellen in de breedste zin van het woord. Je acteert, volgt mediavakken, schrijft, maakt radioprogramma’s en staat met theaterteksten op het podium. Daarnaast maak je kennis met wereldliteratuur en krijg je stem- en spraakles. Studenten worden zo breed mogelijk getraind om de allerbeste verhalenvertellers te worden. Ik vond alles interessant, maar het was wel overweldigend. Want je kunt onmogelijk alles bijhouden. Al het nieuws, alle theatershows, interessante tv-programma en alle nieuwste boeken… het is te veel.’

    Koikarper

    Dat verhalen vertellen heeft Smeenge nu in praktijk gebracht met de roman De Bananenlezers. Ik-persoon Loekie begint aan de prestigieuze studie Toonkunst op een Belgische toneelschool. Ze komt te wonen in woongroep Kijkdoos, die is gevestigd in een pand waarin ze telkens verdwaalt, nieuwe mensen in onontdekte kamers vindt en nogal weirde personen ontmoet, zoals Axelle en Stefaan 6. De laatste noemt haar koikarper.

    Loekie moet erg wennen aan het (indirecte) taalgebruik van de Vlamingen en valt van de ene onduidelijke situatie in de andere doordat ze woorden niet kent of er een andere invulling aan geeft. Zelf is ze als Nederlandse heel direct in haar reacties, wat ook weer veel spraakverwarring en daarmee chaos veroorzaakt. Soms denkt ze: ‘Waar staan die verborgen camera’s?’

    Ook op de toneelschool valt ze van de ene verbazing in de andere. Ze moet rollen spelen en oefeningen doen waarbij ze regelmatig geen idee heeft over het waarom, laat staan dat ze weet wat ze aan het leren is. Loekie onderschat hoe het is om in een ander taalgebied terecht te komen. Vlaams is geen Nederlands met een leuk accent. Vlamingen onder elkaar spreken heel anders, En dan zijn er nog de cultuurverschillen. Kortom, haar leven is zowel privé als op school een behoorlijke chaos. Smeenge in bovengenoemd interview: ’Die cultuurverschillen zijn gróót! Vooral wat niet gezegd wordt in België, die stiltes; daar moet je echt mee leren omgaan. Het duurde best lang voordat ik vriendschappen kon sluiten.’

    In het diepe

    Om de chaos te beteugelen is Loeki genoodzaakt om veel vragen te stellen aan zowel haar huisgenoten, met wie ze een steeds betere band krijgt, als op de opleiding. De docenten leren haar stapje voor stapje kennen en zij hen, waardoor haar aan het einde van het eerste studiejaar tenslotte duidelijk wordt wat er eigenlijk van haar gevraagd wordt. Ze moet daarvoor uit haar comfortzone stappen en op zoek gaan naar haar innerlijk: waarom en hoe wil ik de opleiding afronden? Wat is de meerwaarde voor mij?

    Ze praat erover met een Jeanne, een ‘vriendin’ en nogal sneu meisje dat erg aan haar hangt en ook heel eerlijk is. De twee vrouwen leren veel van elkaar. Loekie leert Jeanne directer en assertiever te zijn, Jeanne leert Loekie geduld te hebben. ’”Jeanne, fucking kijk naar jezelf. Nee, niet eens dat, neem gewoon even drie seconden de tijd om te voelen hoe je lichaam nu voelt. Dit kan helemaal niet.” “Ik geloof niet dat ik kan kiezen om het niet te kunnen,” zegt Jeanne.’ Met haar huisgenoten voert Loeki gesprekken over het leven, de zin ervan, het doel van het bestaan, de taal en nog zo meer. Daardoor kan ze zich in het diepe storten en langzamerhand de controle loslaten, waardoor ze meer vat op haar leven in Antwerpen krijgt.

    Ook een oudere man die ergens in de Kijkdoos woont en van alles heeft gespaard en bewaard, houdt haar een spiegel voor en zij hem. Ze krijgt hem zelfs zo ver een openbare verkoop te houden van zijn chaotische verzameling waardoor hij de warboel in zijn leven en in de Kijkdoos de baas wordt.

    Komisch en ontroerend

    Deze roman is een echt avonturenverhaal, waarin elke hoofdstuktitel bestaat uit Die keer met, plus het onderwerp of het thema van dat hoofdstuk. Smeenge heeft duidelijk iets met taal: de verschillen tussen Vlaams en Nederlands worden volop benut, ze observeert heel goed en kan die observaties uitstekend vertalen in humoristische situaties en misverstanden. Ze associeert er behoorlijk op los en sommige hoofdstukken vliegen alle kanten op. Op het eerste oog zijn het vrij willekeurige, losse verhalen, maar uiteindelijk blijkt alles een rol te hebben en in elkaar te passen, waarmee Smeenge het verhaal mooi rond maakt.

    De Bananenlezers is een meeslepend boek over aanpassen, deelnemen, observeren, cultuurverschillen en taal. De auteur geeft Loekies huisgenoten en studiegenoten een duidelijk en herkenbaar karakter mee, dat ze goed ontwikkelt. Je leert iedereen echt kennen. Bij tijd en wijlen is het boek komisch en vaak ook ontroerend. Met name Loekies sneue vriendin laat je nogal eens stilstaan bij haar leven. Het taalgebruik is helder en vindingrijk, waardoor de roman vlot leest. Maar dat is de bovenlaag. Daaronder schuurt het regelmatig en zit er heel wat ongemak. ’Ik kijk en luister graag naar mensen,’ zegt Smeenge, ‘hoe hun onderlinge dynamiek is, hoe ze omgaan met sociaal ongemak. Dat probeer ik te begrijpen, mijn fantasie vult dat vervolgens aan. Dat laatste is trouwens vaak leuker dan de realiteit, wat weer tot nieuwe verhalen leidt.’

    Loekie zegt tegen haar huisgenoten die op de bank hangen en niets doen dat ze ‘bananen lezen’. Het betekent zoiets als uitloggen in een situatie. Complete passiviteit. Er wel zijn, maar er niet echt zijn. Niet participeren. De bananenlezers is een regelrechte aanrader en maakt nieuwsgierig naar wat de schrijver voor de toekomst in petto heeft.

     

  • Zo oud te willen worden

    De weemoed van de reiziger is het zevenendertigste boek van Jan Brokken, met veertien meeslepende verhalen over dichters, musici en schilders wiens levens hij achterna reist. In één verhaal komt geen kunstenaar voor en sommige verhalen zijn door de corona-beperkingen herinneringen aan eerdere reizen. Brokken kan het schrijven niet laten. Een paar van zijn verhalen zouden ook zomaar het begin kunnen zijn van weer een dik boek van de weemoedige en nieuwsgierige reiziger die Jan Brokken is. 

    In deze qua stijl verschillende verhalen onthult Brokken tussen de regels door ook persoonlijke details, zoals zijn geboortejaar twee eeuwen na Goethe en de pittige mening van zijn echtgenote over zijn nieuwsgierigheid: ‘Je wilt altijd weten wat er nog meer komt. Het wordt je dood nog eens. En dan zal je nog over de rand van je kist kijken wat er allemaal om je heen gebeurt.’ 

    Het korte verhaal ‘Dream a little dream of me’ gaat over een reis in 1976 door de Bohemen met een Mini Cooper, waarover hij zijn eerste roman schreef. Die werd nooit gepubliceerd: ‘Ik heb het manuscript na jaren nog eens ingekeken, en het toen weer snel weggelegd.’ De vluchtpoging van het stel dat zij daar ontmoetten, van wie de vrouw ‘met haren zo blond als de kraag van Budweiser bier en met ogen die blauwer waren dan de Moldau’, bleek ook een droom. 

    De methode van de schrijver

    Het verhaal ‘Afscheid van Boedapest’ gaat over Bela Bartok en begint wanneer Brokken met vertaalster Judit Gera in New York Café zit en zij herinneringen aan haar moeder ophaalt over het laatste concert van Bartok in Boedapest. Het verhaal gaat vervolgens vooral over Bartok en zijn vertrek uit en terugkeer naar Boedapest. Brokken bezoekt ook nog het Bartok Museum op de Rozenheuvel. Dit is de methode van de schrijver bij al zijn verhalen. Hij bezoekt een plek en bouwt er dan een verhaal omheen met zijn eigenlijke onderwerp: een musicus (Bartok/Dvorak/Monteverdi), een schilder (Matisse), een dichter (Vroman/Machado), een architect (Depero/Rietveld) of een schrijver (Kadare/Kafka). De lezer laat zich daarbij meeslepen door Brokkens aanstekelijke nieuwsgierigheid.

    Het kortste verhaal ‘De fakkel en het zwaard’ gaat over Kafka en Praag. De reis van Brokken bestaat in dit verhaal uit een wandeling langs een spoorbaan waarvan hij een paar honderd meter de loop volgt ‘over een pad dat zich langzaam van de Moldau verwijdert’ (…) ‘Ik blijf even staan, stel me de dertigjarige Franz voor, zie hem zitten met dat karakteristieke scherpe gezicht, achter het coupéraam, met een schrift voor zich op het uitgeklapte tafeltje, voorovergebogen, met een pen in de hand.’
    Zou Kafka in de boemel treinen van die tijd hebben kunnen schrijven? Wie weet, in dit verhaal gaat het vooral over Kafka’s landurige knipperlicht relatie met Felice Bauer die als een nachtmerrie zal eindigen. Kafka wilde met haar trouwen en in Berlijn gaan wonen. ‘Maar daar komt niets van terecht, hij zal nooit naar Berlijn verhuizen, met Felice noch een andere geliefde.’ Al klopt dat niet helemaal. Kafka woonde in 1923/4 een half jaar samen met zijn laatste geliefde Dora Diamant in Berlijn. 

    Spanningsopbouw en charmante ontknopingen

    In ‘De motorrijder van Rovereto’ krijgt Blokker een huwelijksaanzoek, daarmee begint het verhaal. De lezer zit meteen op het puntje van zijn of haar stoel. Twee bladzijden verder is het zover: ‘Boem, in één keer. In het Duits. Of het Engels? Ik was zo verbaasd dat ik me de taal niet herinner.’ De motorrijder uit de titel was de geliefde van Chiara, de betreffende dame, burgemeester van een dorp in de buurt die het aanzoek deed. Blokker maakt er een mooie spanningsopbouw van door een dag later met Chiara een prachtige tentoonstelling van de futuristische kunstenaar Fortunato Depero (1892-1960) te bezoeken, van wie Brokken nog nooit had gehoord. De meeste lezers vermoedelijk ook niet. Een verhaal met een charmante ontknoping. Fortunato Depero ontwierp ooit een décor voor Le chant du Rossignol van Strawinsky, dat werd door danser Sergej Diaghilev afgewezen en de opdracht ging vervolgens naar Henri Matisse. Hiermee verwijst Brokken terug naar het eerdere verhaal ‘De schilder en de non’ waarin Brokken over Matisse schrijft. Hij bezocht in Vence de Rozenkrans kapel die Matisse had ontworpen voor een non, die zijn model was geweest: ‘Een onmogelijke liefde. Of een gesublimeerde.’ Voor Brokken aanleiding om een verhaal te schrijven dat uitloopt op de schoonheid van het ontwerp door Matisse. ‘Meer kan ik er niet over schrijven. Je moet dat licht ervaren.’ 

    Eén van de verhalen, ‘Liefde is een fluisterstem’ gaat over een ontmoeting met Leo Vroman in New York in 1980, waarover Brokken destijds een portret schreef voor de Haagse Post. Nu schrijft hij vanuit zijn herinnering over deze ontmoeting. Brokken wandelt met Vroman naar zijn laboratorium, de dichter doet hem een bekentenis en laat hem telefonisch met zijn vrouw Tineke praten. Als Vroman hem nog een proef met muizen en bloed wil demonstreren, wordt het Brokken te veel en gaat hij er snel vandoor. Einde ontmoeting: ‘Ik weet nog steeds niet wat me toen overviel.’     

    De essentie van het reizen

    Voor de verhalen over cellist Anner Bijlsma, ‘De Servais’ en overGerrit Rietveld. ‘Leven vanuit je zintuigen’ hoefde Brokken niet te reizen, behalve in de literatuur en met zijn herinneringen. Over de essentie van reizen zegt Brokken met Goethe (in: Casa di Goethe): ‘Van jezelf loskomen, jezelf vergeten als iemand met een naam, een achtergrond, een geschiedenis, een reputatie, om aan een nieuw bestaan te beginnen.’ Voor Brokken begint met iedere reis een nieuw bestaan door middel van een nieuw verhaal. Brokken bedankt in zijn verantwoording Marie-Claude, zijn echtgenote als een onuitputtelijke inspiratiebron. ‘Niemand weet betere plekken op de wereld te vinden dan zij, niemand kan er ook zoveel achtergrond bij geven.’   

    Het laatste verhaal gaat over Brokkens ontmoeting in Tirana met de in juli 2024 overleden schrijver Ismail Kadere. Brokken vraagt zich in de eerste zin af: ‘Hoe zal ik op mijn zevenentachtigste zijn?’  Het eerste wat hem opvalt als hij is voorgesteld en naast Kadare gaat zitten: ‘Hij ruikt lekker…Hij ruikt naar scheerzeep en eau de toilette, vast een Franse; de ene helft woont hij in Albanië, de andere helft in Parijs.‘ Volgens Brokken is Kadare geen prater en het meeste in dit verhaal tekent hij op uit de boeken en verhalen van Kadare.  Dan zegt Kadare opeens: ‘Ik benijd u.’  Brokken weet niet zeker of hij het goed verstaat, en gaat verder over de opkomst en faam van Kadare en over zijn bezoek aan het Kadare museum In Tirana. Op weg naar Tirana heeft Brokken Kadare’s boek Onenigheid aan de top gelezen, waarin een jaloersmakende passage over Boris Pasternak voorkomt. En hij zegt (in het Frans): ‘Ik ben jaloers op u.’ Kadare ziet er erg broos en vermoeid uit, maar door ‘iets van gloed in zijn ogen’ denkt Brokken dat je als je heel oud bent soms even jong kan zijn. ‘Zo zou ik dus oud willen worden’ is zijn laatste zin over deze weemoedige ontmoeting.