• Met de neus op de feiten

    ‘Toch moest je als Zuid-Afrikaan vechten voor je land, al hield ik me overigens niet al te veel bezig met de voors en tegens van conflict. In al mijn jeugdigheid trok het vooruitzicht op oorlog en avontuur en had ik alleen oog voor de betoverende glans ervan, maar van de verschrikkingen en de tragiek begreep ik niets.’ Niet veel later, in 1899, meldt de tiener Deneys Reitz, zoon van de voormalige president van Oranje-Vrijstaat, zich als vrijwilliger in de strijd tegen de Britten. In de fraai vormgegeven serie Oorlogsdomein verscheen Commando, Een Boer over de Boerenoorlog, de Nederlandse vertaling van Reitz’ oorlogslogboek, in 1929 in het Engels en Afrikaans gepubliceerd. Van de ‘betoverende glans’ van de oorlog was al snel niets meer over.
    Wat leek te beginnen als een soort spannend schoolreisje, ontaardde spoedig in een bloedige oorlogshel, waarin een mensenleven niet veel meer was dan een getal. Als bij een militaire schermutseling drie of vier doden vielen, werd dat beschouwd als een beperkte schade. Reitz meldt het allemaal nuchter en ogenschijnlijk onaangedaan, als een buitenstaander – al moet daarbij meteen worden aangetekend dat zijn oorlogsverslag pas drie decennia later verscheen, ‘toen alle woede en verontwaardiging allang waren weggeëbd’, zoals Paul Moeyes opmerkt in zijn Nawoord.

    Procesverbaal

    In Commando volgen we vier jaar lang de belevenissen van Deneys Reitz. Bijna vierhonderd pagina’s vol meedogenloos oorlogsgeweld, afgewisseld met merkwaardige periodes van rust en ontspanning. Soldaten konden naar believen veranderen van legeronderdeel of voor de afwisseling kiezen voor comfortabel familiebezoek, om op adem te komen. Maar op het slagveld loerde overal de dood, met de Britse vijand (aan wie Reitz overigens totaal geen hekel had, maar het was nou eenmaal oorlog) soms verschanst in een positie binnen gehoorafstand. Het verslag is een weergave van feiten, niet meer en niet minder. Feiten die bestaan uit de persoonlijke ervaringen van de auteur, opnieuw: niet meer en niet minder. Als lezer kijken we mee als via een bodycam. Hoe vlot en nauwgezet beschreven ook, op den duur gaat zo’n emotieloos procesverbaal onherroepelijk vervelen. Probleem daarbij is ook het ontbreken van enige context.

    Wie vecht tegen wie

    Paul Moeyes schetst de achtergronden van het gecompliceerde conflict tussen de van oorsprong Nederlandse Boeren en de Britse legermacht in zijn nawoord, maar dan is het te laat. Je wordt als lezer meteen het diepe ingegooid, ofwel met de neus op de gruwelijke feiten gedrukt zonder dat je enig idee hebt wat er aan de hand is: wie vecht tegen wie, waar, waarom en met welk doel? Je kunt nu eenmaal van de hedendaagse lezer niet verwachten dat die op de hoogte is van alle ins en outs aangaande de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika van meer dan een eeuw geleden, laat staan van de geografie ter plekke.

    ‘Terwijl aan onze kant versterkingen uit Transvaal en Vrijstaat waren aangevoerd, bovenop de naar schatting vijftienduizend Boeren die langs de noordoever van de rivier in stelling lagen, vanaf een punt aan deze kant van de Colensospoorbrug tot aan Spionkop, vele kilometers ver stroomopwaarts.’

    Ontbreken van relevante informatie

    Als lezer ben je dan wel de weg kwijt. In zijn Woord vooraf maakt vertaler Robert Dorsman melding van het feit dat hij ‘termen als ‘kaffer’, ‘naturelle’, ‘hotnot’, ‘meid’ en ‘oujong’ voor mannen en vrouwen van kleur’ niet heeft overgenomen in de vertaling. Daar is iets voor te zeggen. Maar als je toch zo begaan bent met de gevoeligheden van de moderne lezer, houd dan ook rekening met diens gebrek aan voorkennis. Misschien past het niet in het concept van de serie Oorlogsdomein, maar het was wellicht beter geweest uit het oorlogsverslag van Reitz een aantal cruciale fragmenten te kiezen en deze aan te vullen met relevante historische informatie en overzichtelijke kaarten van het oorlogsgebied. Dus niet alleen, zoals Reitz doet, inzoomen op de details van het dagelijkse oorlogsgeweld, maar ook aandacht schenken aan het grotere verhaal daar achter.

     

     

  • Een zoethoudertje

    In 2024 debuteerde Safae el Khannoussi met Oroppa, dat in 2025 werd bekroond met zowel de Boon als de Libris Literatuurprijs. Een unicum in literatuurland, nog nooit won een debutant de twee grootste literaire prijzen van Vlaanderen en Nederland. Bij velen riep dat gelijk de vraag op, hoe ga je hier als debutant mee om? Bo van Houwelingen opende haar artikel in de Volkskrant zelfs met het stemmige ‘Je zou bijna medelijden krijgen met de 31-jarige Safae el Khannoussi.’ Ze eindigde haar analyse van succesvolle debutanten: ‘Voorlopig hoeft El Khannoussi over een tweede roman nog niet na te ­denken. Zij is zo hoog de lucht in ­geschoten dat het nog wel even zal duren voordat ze weer is geland.’

    Een tweede roman is inderdaad nog niet in zicht. Toch kon de uitgever de neiging niet weerstaan om nog in 2025 ander werk van El Khannoussi te publiceren. Het gaat om twee verhalen die eerder in De Gids verschenen: De erfenis en De dobbelaar van Caïro. Samen goed voor nog geen 40 pagina’s, maar prachtig vormgegeven in een kleurig cahier dat je moet openklappen om de inhoud te kunnen lezen. Het is een klein cadeautje voor de verzamelaar die maar geen genoeg kan krijgen van El Khannoussi of niet bekend is met de site van De Gids, waar de verhalen gratis beschikbaar zijn.

    Onmiskenbaar is in de verhalen de kenmerkende stijl van El Khannoussi aanwezig: de fragmentarische vertelling, personages die door het leven dwalen en het mistige café met uitschot dat geen plaats weet te vinden in de samenleving. Er worden jointjes gedraaid en gegokt in bars. In De erfenis vertelt een man in een Amsterdams theehuis hoe een broer en zus terugkeren naar Marokko om een verwaarloosd stuk land te verkopen. Het geld zien ze helaas nooit. In De dobbelaar van Caïro gaat het in korte fragmenten over A (een man) en B (een vrouw). A speelt backgammon tegen een agent in een bar in Caïro, die hij eigenlijk moet laten verliezen. De inzet loopt hoog op, alles zet hij in, zelfs zijn herinneringen.

    De fragmentarische schrijfstijl heeft in een kortverhaal helaas niet hetzelfde effect als in een roman. De lezer van Oroppa wordt overspoeld met meanderende verhalen en prachtige zinnen, waarin steeds nieuwe details te vinden zijn. Elke keer leer je weer iets nieuws, blijft er iets anders hangen. In de korte verhalen werkt dat minder, omdat er te weinig ruimte is om te kunnen verdwalen in de verhalen, om het verhaal echt te ontwikkelen. Als de sfeer en spanning eenmaal geschetst is, is het verhaal meestal alweer afgelopen. Toch zijn in de verhalen ook weer prachtige zinnen te vinden en zeer boeiende personages. Oroppa is duidelijk niet uit de lucht komen vallen.

    Om je debuut te laten opvolgen door oud werk lijkt een tactische keuze. Een zoethoudertje zou je kunnen denken, of eerder: een cadeautje voor de onverzadigbare lezer. In elk geval is de vormgeving alleen al een reden om het boekje aan te schaffen en is het nooit een straf om (opnieuw) twee verhalen te lezen waarin de zinnen weer prachtig over elkaar heen buitelen.  En die tweede roman? Daar moeten we nog maar even niet aan denken.

     

    Vind hier de recensie van: Oroppa / Safae el Khannoussi

     

     

  • Verstrengeld in herinneringen

    In de omvangrijke roman Mordechai neemt schrijver Marcel Möring de lezer mee in een verhaal over afkomst, herinnering en de kracht van literatuur. Het is tegelijk een portret van een eigenzinnige schrijver en een spiegel van een geschiedenis waarin hij verstrikt raakt. Hoofdpersoon Mordechai Gompertz (72) is een literair zwaargewicht: gevierd, omstreden en vaak onderwerp van roddel. Toch blijkt zijn onaantastbaarheid slechts uiterlijk vertoon. Een ogenschijnlijk onbeduidend incident – een enkel woord dat hem uit balans brengt – zet een reeks gebeurtenissen in gang waardoor zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie begint af te brokkelen. Wanneer hij tijdens een interview door het lint gaat, valt de façade van onafhankelijkheid uiteen.

    Möring tekent Mordechai als een man die nooit heeft willen knielen of zich voegen. Die houding maakt hem tot iemand die zijn eigen weg kiest, onafhankelijk van anderen, waardoor hij ook in eenzame situaties terechtkomt. In zijn terugblik ontdekt Mordechai bovendien dat zijn werk minder autonoom is dan hij altijd dacht. Elk boek blijkt te zijn ingegeven door echo’s uit zijn familiegeschiedenis: een terloopse opmerking van een tante, een gebaar van een grootvader, een herinnering die hij nooit volledig heeft losgelaten. Het verleden laat zich niet wegdrukken, hoezeer hij zich er ook tegen verzet: ‘Dat er aan het verleden niet viel te ontsnappen wist hij ook wel, maar dat familie die al heel lang niet meer bestond hem achtervolgde, wekte zijn ergernis. Heel precies kon hij er zijn vinger niet op leggen, maar hij was zich vaag bewust van het gevoel niet alleen Mordechai Ephraim Gompertz te zijn, maar ook, misschien wel vooral, een verlengstuk, een schakel, een gevolg.’

    Het onontkoombare verleden

    Daarmee overstijgt Mordechai het persoonlijke relaas. Het is een generatieroman die laat zien hoe trauma’s, overtuigingen en herinneringen van voorouders hun schaduw werpen over het heden. Een terugkerend motief zijn de ‘stoflagen van de geschiedenis’ die in de kleren blijven hangen. Tegelijkertijd verweeft Möring actuele thema’s door zijn verhaal, zoals #MeToo, politieke polarisatie en de vraag hoe ver literatuur mag gaan in het verkennen van seksualiteit.

    De zinnen in Mordechai hebben een zorgvuldig ritme, maar vooral de dialogen vallen op: geestig, doorspekt met subtiele ironie. Sommige scènes blijven onuitwisbaar: de slapstickachtige spanning rond de Nobelprijs, of de intieme en tragische momenten met Klara, de geliefde met wie hij dertig jaar samen was. Leven en schrijverschap weerspiegelen elkaar voortdurend, waardoor de roman een meta-laag krijgt.

    De schaduwzijde van ambitie

    Toch werkt Mörings stijl niet altijd in het voordeel van het boek. Waar hij naar grandeur streeft, kan de lezer eenzelfde vermoeidheid ervaren als Mordechai bij het doorploegen van omvangrijke familiegeschiedenissen. ‘Wat was het waardoor ze een dikke pil van bijna zeshonderd pagina’s over een geslacht van Joodse kaartenmakers kochten?’ vraagt hij zich af – een vraag die soms net zo goed voor deze roman en zijn lezers geldt. Regelmatig kabbelt het verhaal voort zonder duidelijke richting, en blijft het uiteindelijke doel van het relaas vaag en diffuus.

    De roman is opgezet als een mozaïek waarin herinneringen, literaire reflecties en filosofische bespiegelingen elkaar afwisselen. Dat geeft het boek een onmiskenbare rijkdom, én zorgt voor verwarring. Thema’s als geschiedenis, religie, politiek en liefde verdringen elkaar, zonder dat er één echt tot volle bloei komt. Het fascinerende idee dat elke roman voortkomt uit familie-invloeden raakt daardoor vaak naar de achtergrond.

    Ook Mörings eruditie is dubbel: verwijzingen naar schrijvers als Umberto Eco, Hella Haasse of Samuel Beckett en uitstapjes naar kabbalistische tradities voegen zeker allure toe, maar zijn niet altijd op natuurlijk wijze in het verhaal ingebed. Op die momenten hapert de vertelling en overheerst het gevoel van intellectualistisch vertoon. Wie verwacht het boek vlot te kunnen uitlezen, komt bedrogen uit.

    Op zoek naar verzoening

    Tegenover de overvloed aan reflectie staat Mordechais verlangen naar handelen. De roman laat zien dat psychologie en filosofie niet alleen in introspectie zichtbaar worden, maar ook in concrete daden. De hoofdpersoon is het levendigst wanneer hij kookt, iets repareert, schrijft, of zich in de chaos van het bestaan stort. Het slapstickachtige Nobelprijs-hoofdstuk markeert daarin een keerpunt: voor het eerst voelt Mordechai zich vrij temidden van de wanorde.

    Ondanks de zwaarte eindigt de roman verrassend hoopvol. Waar eerdere boeken van Möring vaak kil en somber sloten, gloort hier verzoening. In de tuin van zijn voorouders ontdekt Mordechai dat er een plek kan bestaan die als thuis voelt – een ervaring die hij nooit eerder kende en die de roman een onverwachte zachtheid meegeeft.

    Mordechai is een roman van uitersten: groots van opzet en vaak psychologisch scherp, maar tegelijkertijd soms overladen en fragmentarisch. Het boek balanceert daardoor tussen briljante passages en de valkuilen van eruditie; het volgen van die balanceer-act levert een geheel eigen spanning voor de lezer op.

     

  • Tragiek van een huwelijk

    Natalia Ginzburg wordt wel de grande dame der Italiaanse literatuur van de vorige eeuw genoemd. De novelle Valentino verscheen in 1957 en is nu opnieuw vertaald door Jan van der Haar en samen met het korte verhaal De moeder. In 1957 moeten de Italiaanse grondvesten geschud hebben toen dit kleine maar fijne verhaal verscheen. Zonder iets te benoemen vertelt Catarina (Ginzburg zelf?) het verhaal van een arm gezin, haar zogenaamd veelbelovende broer Valentino, een tragisch huwelijk en een liefde zonder liefde. ‘Mijn vader dacht dat hij een groot man zou worden: daar was misschien geen reden voor, maar hij dacht het wel: hij dacht dat al sinds Valentino klein was en nu kon hij er misschien moeilijk mee ophouden.’ Valentino studeert medicijnen, maar weet zich altijd te drukken, liever gaat hij uit, maakt hij speelgoed voor de kinderen van de conciërge en speelt hij met de kat.

    Klaploper met een lelijke vrouw

    Door de ogen van zijn zus leren we hem kennen als lui en egocentrisch, vooral geïnteresseerd in zichzelf. De ouders hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, maar hebben alles voor hun veelbelovende zoon over. De oudste zus, die met een man en kinderen keihard moet werken om haar gezin draaiende te houden, wil zelfs niets met hem te maken hebben.

    Wanneer Valentino, na tal van met knappe meisjes ‘met mutsjes’, thuiskomt met de lelijke, tien jaar oudere, maar schatrijke Maddalena, zijn de ouders ten einde raad, want de familie denkt dat hij op haar geld uit is. Het is het eerste vooroordeel waar je je ook als lezer op betrapt. Valentino en Maddalena trouwen, hij zegt van haar te houden en haar mooi te vinden, trekt bij haar in, en hoewel de lezer nooit de gedachten of beweegredenen van Valentino te weten komt, lijkt het een geslaagd huwelijk.

    Valentino luiert door de dag, zijn vrouw vertrekt al vroeg om haar landerijen te overzien, zij brengt het geld binnen en baart vervolgens hun drie kinderen. Nog een heilig huisje waar tegenaan getrapt wordt.

    Doorheen het hele verhaal blijft Valentino zichzelf. Hij heeft niet in de gaten dat zijn omgeving zich zorgen maakt, dat zijn ouders en Maddalena alles voor hem opofferen, dat het toch een beetje vreemd is hoe hij zich gedraagt in het huishouden van zijn vrouw. Een ras-narcist, denk je als lezer, of zelfs: geeft Ginzburg hier een dwarsdoorsnede van de man in het algemeen? Zijn het feministische zaadjes die Ginzburg in het hoofd van haar lezers plant?

    Empathie en onafhankelijkheid

    Als beide ouders komen te overlijden, ook niet zonder tragiek, gaat de jonge Catarina die voor onderwijzeres studeert, bij Maddalena en haar broer wonen. Ze ontmoet Kit, een neef van Maddalena, net zo’n klaploper als Valentino. Hij komt dagelijks naar haar huis, de twee mannen hangen rond en spelen spelletjes. Zonder het verdere verloop te verklappen: ook hier wordt de lezer met zijn neus tegen een heilig huisje geduwd.

    En daarmee is Valentino, klein maar fijn, een universeel verhaal over verwachtingen en verlangens. De vader verlangt dat zijn zoon een machtig man wordt, maar ziet niet dat die zoon in zijn eigen wereld ook macht heeft en gewoon gelukkig is. Maatschappelijke normen worden op hun kop gezet, zoals de vrouw die een mannentaak uitvoert door haar landgoederen te controleren en tegen de boeren te schreeuwen. De rolpatronen binnen het huwelijk worden bevraagd. Het vooroordeel van de lezer over de lelijke en dikke Maddalena wordt uiteindelijk ook omgezet in empathie, als ze vergeving toont wanneer haar huwelijk uiteindelijk toch mislukt. Zo wordt het verhaal herkenbaar.

    De personages en hun karaktertekening komen voort uit de perceptie van de vertelster, de zus. ‘Soms word ik overvallen door grote woede op Valentino. Ik zie hem door het huis zwalken in zijn versleten kamerjas, roken en kruiswoordpuzzels maken, terwijl mijn vader toch van hem dacht dat hij een groot man zou worden. (…) Ik volg hem met mijn blik als hij de straat opgaat (…) met die kleine krullenkop op zijn stevige schouders. Ik ben blij met zijn nog zo gelukkige, zegevierende tred, waar hij ook heengaat.’ Het verhaal gaat niet over Catarina, en indirect toch wel. Haar behoefte aan onafhankelijkheid is ook een thema in het boek. Zij is degene die bepaalt hoe de lezer het verhaal beleeft, neutraal, mild en vergevend.

    Ongeliefd

    De moeder is eigenlijk een hartverscheurend kort verhaal over een moeder die niet van haar twee zoontjes weet te houden zoals het zou horen volgens de sociale normen. Ze kan het niet, voelt zich ongeliefd en dompelt zich onder in een leven waarin ze ook niet gelukkig is. Ook zij snakt naar onafhankelijkheid, ze kan niet zien welke positieve dingen ze wel heeft en dat is treurig. Na haar moedwillige dood denken de jongens met schaamte aan haar terug en willen haar zo snel mogelijk vergeten. Hun grootmoeder, de conciërge en een tante die hen ook opvoedden, laten een veel prettigere herinnering achter op hun netvlies. Ginzburg deed zelf een poging tot suïcide en wellicht putte ze uit die ervaring voor dit verhaal dat zo krachtig is in zijn kortheid. Beide, Valentino en De moeder roepen genoeg op om nog even over door te mijmeren.

     

     

  • Ten strijde tegen het seksefascisme!

    In de Regenboogreeks van de Groningse uitgeverij Kleine Uil is kortgeleden De huilende libertijn van Andreas Burnier opnieuw uitgegeven. Deze derde roman van Burnier uit 1970 wordt wel haar meest feministische boek genoemd. De heruitgave is een nieuw wapenfeit in de Burnierherleving van de afgelopen jaren: in 2010 is de stichting Andreas Burnier opgericht en in 2015 verscheen een biografie over haar van Elisabeth Lockhorn. Deze biografie ging bij Burniers twintigste sterfdag in 2022 in herdruk, toen ook de privédomeinuitgave Elk boek is een gevaar verscheen met autobiografische teksten, samengesteld door Ronith Palache. In datzelfde jaar gingen bij uitgeverij Atlas zowel Burniers debuut Een tevreden lach (1967) als Het jongensuur (1969) in herdruk. Het jongensuur verscheen daarna voor het schooljaar 2024-2025 als Lijsteruitgave (bij Noordhoff) voor middelbare scholieren en in diezelfde periode werd door Toneelschuur Haarlem het stuk Jongensuren opgevoerd, gebaseerd op Burniers eerste twee romans. Dit stuk is in september 2025 zelfs in reprise gegaan.

    De aanhoudende hernieuwde aandacht voor Burniers werk en deze heruitgave van Kleine Uil passen naadloos bij de maatschappelijke bewustzijnsgolf van het laatste decennium waarin #IkOok, woke, lhbtqia+ en vrouwonveiligheid een rol spelen. Op iets voorbij een derde van De huilende libertijn loopt hoofdpersoon Jean Brookman ’s avonds door een Noord-Frans dorpje op weg naar huis. Ze hoort voetstappen achter zich en schrikt. ‘Niet weglopen als je bang bent’ is een wijze les van haar moeder, dus ze blijft staan. De betreffende man verbaast zich erover dat zij als jong meisje bij avond en duisternis alleen over straat loopt. ‘Ja (…) en u loopt ook alleen hier en (dat is) zowel uw als mijn goede recht,’ antwoordt Jean. De werkelijkheid blijkt ook daar en toen weerbarstiger. ‘Moreel, wijsgerig, historisch, de facto en sociologisch had ik het grootste gelijk van de wereld,’ zegt de schrijfster – maar ze krijgt het niet, blijkt uit het vervolg in de roman.

    Strijdbare libertijn

    De huilende libertijn gaat over Jean Brookman. Ze is aan het begin van het verhaal 22 jaar en woont dan al drie jaar samen met Corinne. Ze heeft een ‘crush’ op de oudere kunstenaar en intellectueel Laïs, die nog vele andere meisjesaanbidsters heeft. Voor Laïs reist Jean naar Málaga, waar ze Laïs’ onbereikbare, geliefde Stéphanie moet opzoeken. Via Stéphanie komt Jean in contact met de Spaanse Paola. Paola werft en traint partizanen voor een bevrijdingsbeweging, we schrijven 1970, die het Francoregime omver moet werpen. Jean sluit zich aan bij een trainingsgroep maar met een dubbele agenda, namelijk het oprichten van een geheime academie voor vrouwenbevrijding. Deze zal vrouwen gaan trainen en opleiden opdat ze sleutelposities in de wereld kunnen verwerven en uiteindelijk de macht over kunnen nemen van de heersende mannen. Vijftien jaar later is de geheime academie van Jean ver gekomen, maar tot een volledige machtsovername komt het nooit. Er zijn weliswaar meer prominente vrouwen in de wereld, er zijn wat meer kansen, maar ‘de totale structuur krijg je niet omver’. Bovendien zullen vrouwen het leger nooit in handen krijgen en zijn ze fysiek niet opgewassen tegen het geweld van politiemachten bij grote demonstraties. Die demonstraties vinden plaats, maar worden inderdaad gewelddadig neergeslagen. Op veertigjarige leeftijd is Jean niet meer de romantische redder van de vrouw. Ze schrijft gedichten en hoopt voor haar vijftigste één boek te publiceren: Beyond Reductionisme.

    De kracht van de roman zit ‘m in de eerste plaats in de zelfverzekerde en volstrekt autonome toon waarmee de hoofdpersoon en de schrijfster het heersende ‘seksefascisme’ beschrijven en verwoorden en zich in een wereld vol onderdrukking bewegen. In De huilende libertijn is sprake van een parallelle wereld van vrouwen die zich, zoals het een libertijn betaamt, niet aan de gevestigde regels van geloof en moraliteit houden. Burniers personages zijn vrouwen die de vrouwenliefde uitbundig consumeren: jong en oud, kunstenaar, studente, activiste en diplomate. En ook al zijn ze als vrouwen tweederangsburgers, zoals de libertijnen in het antieke Rome – vrijgelaten slaven die wel enkele, maar niet alle menselijke rechten genoten – ze trekken zich daar niets van aan en leven hun leven dwars door beperkingen, vooroordelen en gevaren heen. De sterke toon van de roman uit zich daarnaast in een hilarische schrijfstijl die bol staat van aanstekelijke hyperbolische beschrijvingen, cynisme en grimmige humor. De ‘alleenheersende sekse’ die de vrouwelijke helft van de mensheid doelbewust en structureel onderdrukt krijgt er voortdurend van langs. Het zijn ‘rancuneuze baardmansen en kakkineuze vestdragers’ die hun eigen belangen en die van hun bevriende seksegenoten behartigen. Vrouwen worden door hen uitgebuit als huis- en lastdier. ‘Tradwifes’ noemt Burnier ‘aan masochisme verslaafde huis- en industrieslavinnen’.

    In de nieuwe wereldorde waar Jean en de haren voor vechten worden de rollen omgedraaid. Vrouwen hebben op tal van plaatsen in de wereld sleutelposities verworven: van het Engelse Lagerhuis tot aan universiteiten in Caïro en Karachi. Meisjes zijn van jongs af niet meer afhankelijk van jongens en mannen maar geconditioneerd tot het gebruik van mannen als consumptiegoederen of huisbedienden: een vriendje dat voor hen kookt, wast, typewerk verricht. Voor de broodnodige seksuele bevrediging van heteromeisjes en -vrouwen zijn er jongensbordelen. De omdraaiing wordt wat potsierlijk bij de introductie van het heilige boek ‘Lebijb’ met de hemelse Moeder en de verwachte terugkeer van Haar Dochter als Verlosser op aarde.

    Vrouwenbevrijding

    De huilende libertijn is vooral geschreven vanuit hoofdpersoon Jean Brookman die optreedt soms als ik-persoon en soms als de oudere vertelster die ze aan het eind van het boek is. Deze twee stemmen vallen uiteindelijk samen. Daarnaast is de schrijfster Burnier zo nu en dan expliciet aanwezig. Ze spreekt de lezer toe om iets uit te leggen, bijvoorbeeld dat een roman meestal bewust gestructureerd is of dat een ik-verhaal niet per se op waarheid berust. Zo nu en dan is er ook een enigszins flauwe passages toegevoegd waarin ze de lezer uitlegt waarom ze kiest voor een bepaalde beschrijving: ‘ik had nou inenen gloeiende zin om (…) die vervelende etter, die gluiperd, die stinkende otter (etc.) eens mooi het Binnengasthuis in te slaan.’ Ook het gedeelte waarin ze een verteller/vertaler, een uitgever en zijn vrouw tussen haakjes commentaar laat leveren is bijzonder.

    De Joodse wetenschapster met een heftig WOll-onderduikverleden Catharina Irma Dessaur, zoals de schrijfster Andreas Burnier eigenlijk heet, is duidelijk in deze roman te herkennen. Haar niet-aflatende gevecht tegen vrouwenonderdrukking en haar strijdbaarheid voor de vrouwenliefde zijn hoofdthema’s van het boek. Er wordt een menora ontstoken en uitgekeken naar ‘joodse bruidjes’, 99 procent van de ‘duitse’ (standaard door Burnier met een kleine letter geschreven) literatuur bestaat uit verward ‘gezeur en gezeik’. En vooral Jeans hang naar kennis valt op. Ze wil niets liever dan altijd blijven leren, ‘eeuwige consumptie’ noemt ze het. Ze studeert filosofie maar zou ook graag fysica en sterrenkunde, biochemie en biologie studeren – alles beter dan ‘iets met een studie te moeten gaan doen’ (‘o duister schrikbeeld, o ravijn van verval’).

    ‘Voor een vrouw is het voldoende als zij voor een hooiwagen opzij kan gaan’, was de lijfspreuk van Corinnes grootvader. In het licht van de vrouwenstrijd is het eindresultaat zowel in de roman als in de echte wereld misschien om te huilen. Jean concludeert enigszins gedesillusioneerd: ‘Het hoogst bereikbare is dat er in plaats van tien, honderd vrouwen op deze aarde als mens kunnen leven.’ Maar voor wie zich herkent in de strijd en het leven in de marge is de roman een feest van herkenning en een verademing om te lezen, zeker ook door Burniers scherpe stelligheid en aanstekelijke humor. Kleine Uil wordt bedankt voor deze heruitgave.

     

  • Lichtvoetig verteld drama 

    Voor haar nieuwe roman Wondermond liet Anne-Gine Goemans zich inspireren door een waargebeurde scheepsramp die in 1883 plaatsvond op zee bij het Friese dorp Moddergat. Daar verging toen door een hevige storm vrijwel de gehele vissersvloot, waarbij drieëntachtig mannen de dood vonden. In de roman is Wondermond een denkbeeldig Fries vissersdorp. Daarheen verhuizen hoofdpersoon en ik-verteller Boye en zijn moeder Reina, wier geboorteplaats het is. Hun vertrek is meer een vlucht omdat hun vader en echtgenoot, de rijke beleggingsadviseur Erik de Koning, wegens beleggingsfraude is gearresteerd. 

    Het eerste hoofdstuk, verteld door een alwetende verteller, begint in 1901 met Nanna, overgrootmoeder van Reina. Ze is de vrouw van visser Siebe de Jong die op zee omkomt als bij een zware storm de Wondermondse vissersvloot vergaat. Aken, blazers en lichamen spoelen de daarop volgende dagen aan, behalve de WM13 van schipper Siebe. Het schip blijft spoorloos. Nanna verliest daarmee haar man en twee zonen. Dit drama plus latere sterfgevallen op zee en de eruit voortvloeiende armoede vormen de onderlaag van het familietrauma dat doorwerkt tot in het heden.

    Genenpakket van vissers en bouwvakkers

    In hoofdstuk twee valt in Bloemendaal op een feest van Erik en Reina de FIOD binnen. Ze nemen Erik mee en leggen beslag op alle bezittingen. Zeventienjarige Boye gaat met een vriend mee waar zijn moeder hem de volgende dag ophaalt. Ze hebben niets meer en hun Poolse werkster rijdt hen in ruil voor een Prada-tas naar Wondermond. Boye heeft nooit anders dan een luxe leventje gekend te midden van vrienden met ouders die even rijk waren als de zijne, hoewel er een verschil was tussen ‘oud en nieuw geld’. ‘Mijn genenpakket bestond uit het DNA van vissers en bouwvakkers.’ Boye en zijn vriendjes zijn arrogante ettertjes, vermaken zich met drank en drugs en halen streken uit zoals koi-karpers alcohol in hun bek gieten en ze in een zwembad van een villa verderop gooien. Boye ‘moest nog leren dat twee-onder-een-kapwoningen niet de standaardnorm zijn’. Reina wordt na de arrestatie onmiddellijk verguisd door haar vriendinnen van wie de echtgenoten door Erik zijn opgelicht. 

    Tot zover de achtergrond. Op pagina 43 begint de rest van het verhaal. In Wondermond zijn Boye en Reina ingetrokken bij Reina’s moeder Wiep, waar de tegensteling groot is, ze vallen van het ene uiterste in het andere. Noodgedwongen moeten ze een baantje zoeken. Reina, als altijd de zaken koel onder controle, begint in een callcenter en Boye vindt werk op een visserskotter, hoewel zijn moeder hem vanwege de vele verdronken voorouders verbiedt de zee op te gaan. Boye gaat toch, naar de gebroeders Krab: ‘”Wiep zei dat jullie werk voor me hebben. Op zee”. Ik twijfelde of ik wel voor zulke debielen moest gaan werken, maar geld was de enige manier om hier weg te komen.’ Hij mag mee voor de visverwerking op zee. Over het vastlopen van de kotter, waarbij even gevaar dreigt en Boye alleen in een reddingsvlot afdrijft, vertelt hij thuis niets. Hij heeft nog eenmaal contact met een van zijn Bloemendaalse vrienden, daarna laat ook deze hem vallen. Alleen Olivia, een weinig geliefd meisje bij de vroegere vriendenclub, blijft hem steunen, totdat Boye het verpest.

    Sterke vrouwen

    Goemans trekt de verhaallijn vanuit het verleden door tot in het heden: de geschiedenis van de moeder, oma en overgrootmoeder van Reina. Na de ramp in 1901 moet Nanna het net als veel andere weduwen in het dorp zien te redden zonder echtgenoot. Het geld uit een noodfonds voor de weduwen raakte onverklaarbaar ‘op’, waarna de dominee en andere dorpsnotabelen veel vrouwen ‘hielpen’ met een gulden in ruil voor seksuele gunsten. Nanna probeert haar dochter Famke ervoor te behoeden, wat niet helemaal lukt. Jaren later gaat Famke, nadat ze in Parijs in de Moulin Rouge heeft gedanst en in Amerika woonde waar haar Amerikaanse echtgenoot overleed, terug naar haar geboortedorp waar ze een vriendelijke echtgenoot vindt. Maar de dominee wandelt ook nog rond en Famke besluit om alsnog wraak te nemen. Ze krijgt Wiep en Wiep krijgt Reina die grote bewondering voor haar frivole oma Famke heeft. Reina vertrekt uit het dorp en vindt rijke Erik. Terug in Wondermond begint ze na verschillende mislukte baantjes – want Reina kan haar mond niet houden – en een mislukte schoonheidssalon een parenclub. Net als haar voormoeders laat Reina zich niet klein krijgen. 

    Goemans kent haar materie. Het visserijjargon, de financiële wereld, het jongerengedrag, de gevaren op zee en het leven in een afgelegen klein dorp, het komt allemaal grondig gedetailleerd voorbij. Daarbij schetst ze personages die voor de ogen van de lezer gaan leven, al kunnen ze soms wat karikaturaal aandoen. Zoals de gebroeders Krab met hun bijnamen Hynder, Skeet en Fokse, hun ongeschoren gezichten, slordige kleren en blikken bier. ‘Ik kon niet geloven dat de broers een drieling waren, ze hadden niks gemeen behalve dat ze alle drie uitzonderlijk lelijk waren. In Bloemendaal hadden we ze tentoongesteld op de jaarmarkt.’ Van Boye lezen we zijn gedachten, van de andere personages blijkt de gemoedstoestand vooral uit hun handelingen en opmerkingen, vaak in het Fries dat ook zonder kennis van die taal te begrijpen valt. Boye integreert uitzonderlijk goed in het dorp. Hij krijgt er vrienden, gaat naar café en discotheek, wordt verliefd op een totaal ander type meisje dan zijn vriendinnetje uit Bloemendaal en past zich aan. Met zijn vader heeft hij sporadisch contact, hij is boos op hem.

    Voor Boye aan het einde van het boek vertrekt, vermoedt een maritiem archeoloog dat op de plek waar de kotter van de gebroeders Krab in de problemen kwam de nooit gevonden WM13 ligt. Onder het oog van Omrop Fryslân, waaraan Boye tot zijn spijt naïef eerder al een interview heeft gegeven, wordt er gedoken. De hedendaagse notabelen besluiten tot een museumpje, wat het vrouwentrauma even doet opleven. 

    Meer dan coming-of-age

    Waar coming-of-age verhalen vaak vooral jongere lezers aanspreken, overstijgt Wondermond het genre door het historisch perspectief en het indirecte commentaar op morele hypocrisie, zowel bij de Bloemendalers als bij de Wondermondse notabelen. Goemans’ manier van vertellen is net zo onverstoorbaar als het gedrag en het karakter van de sterke vrouwen in het boek. Het verhaal vloeit, het loopt, er staat geen woord verkeerd of te veel in. Het ritme nodigt uit tot doorlezen en juist de vele kleine gebeurtenissen tussen de grote door maken het verhaal levensecht en boeiend. Het werk op de viskotter en het leven in het dorp beschrijft de auteur zo beeldend alsof ze er zelf bij was. Ze bespeelt alle zintuigen: je ziet Boye met de vissen in zijn handen, je ruikt de vis. Je hoort de personages Fries praten en je voelt de voldoening als Famke de dominee te grazen neemt. Dat en alle details maken de roman ondanks alle misère lichtvoetig en plezierig om te lezen. 

     

     

  • Uitzicht op het einde

    Een man, een vrouw en een huis op een witte vlakte. Dit zijn de ingrediënten die dichter, componist en theatermaker Micha Hamel opvoert in Het zwarte raam, wat in 2021 ook als muziektheaterstuk is uitgevoerd. Hoewel de setting post-apocalyptisch is, is het zeker niet de zoveelste dystopie. Dat het als theaterstuk is bedacht laat zich lezen in hoe dicht de personages elkaar op de lip zitten en door de kluchtige inslag. Terwijl de houtvoorraad van de man en vrouw steeds meer slinkt en de wanhoop toeneemt komt er een onverwachte waarheid aan het licht.

    Hoewel het gegeven vrij simpel is kun je er veel kanten mee op, maar de cabin fever besluipt je al snel. De vrouw schrijft aan een roman, de man gaat naar buiten om te werken. Wat voor werk weet zij niet, met deze gegevens moet de lezer het doen tot later in het verhaal. Er is een hoop herhaling in het schetsen van de situatie, telkens met een andere toon. Zo begint bijna elk hoofdstuk met een variatie van het huis, de haard, de vrouw en dan gaat de deur open. Een neiging tot deconstructie en het doorbreken van de vierde wand (een stilistische techniek waarbij de acteur zich rechtstreeks tot het publiek wendt) is Hamel ook niet vreemd in Het Zwarte Raam. De dichter in Hamel komt ook om de hoek kijken in de taalspelletjes en typografische trucjes, net als in zijn vorige boek, de poëziebundel is daar iemand. Bijvoorbeeld als hij de woorden letterlijk over de pagina laat rennen met maar twee woorden op een witte pagina, om de rennende man te symboliseren. Zo is de witte vlakte waar de vrouw en de man op leven ook de figuurlijke witte vlakte van het papier van de vrouw. Een tabula rasa waar alles in en op kan ontstaan, zoals de wonderlijke gedachtelezer die later in het verhaal komt kijken om de boel flink op te schudden.

    Vrije val

    De man doet er wanhopig alles aan om te voorkomen dat de vrouw te weten komt wat er werkelijk nog buiten is en hoe de beschaving eraan toe is. En dat is niet best, wat gespiegeld wordt in de steeds grimmigere sfeer in de relatie van de man en vrouw. ‘Als ze wist wat hij dagelijks doet, zou alles instorten.’ Dat de buitenwereld onbekend is voor de vrouw betekent dat ze erover kan verzinnen wat ze wil. Ze doet dit door het mysterieuze zwarte raam, waardoor ze de toekomst kan zien. De spanningen rond het aankomende einde van de wereld leiden de man tot het opvoeren van allerhande toneelstukjes. Zo komt hij met het volgende liedje over de wereld: ‘Alles wat wit was is paars / Alles wat groen was is bruin / Alles wat blauw was is zwart’

    Het duurt niet lang voor ze beginnen met ruzie maken en ze zelfs met een bijl achter elkaar aan zitten. Een licht absurdistische toets van Hamel zijn de gortdroge beschrijvingen van spullen en gebruiksvoorwerpen regelrecht van Wikipedia: ‘Wat is een huis? Een huis is een door mensen gemaakt bouwsel, dat bedoeld is als beschutting tegen de elementen.’ Soms werkt dat goed en soms voelt het overbodig en flauw, vooral als hij het trucje te vaak achter elkaar herhaalt.

    Om de vrije val van de relatie enigszins stop te zetten huurt de vrouw een gedachtelezer in om achter de geheimen van de man te komen. Dit is de droge humor ten top en een van de sterkere momenten van het verhaal. De gedachtelezer komt binnen als een volstrekt ongeleid projectiel. Hij is het onbekende element en zet alles op losse schroeven door zijn excentrieke gedrag en capriolen. Zijn bijdragen worden in het begin in hoofdletters opgetekend en hij spreekt exclusief in archaïsmen en raadsels. Als hij een boekje opendoet over de waarheid die de man probeert achter te houden, dreigen de verhoudingen in elkaar te storten. De vrouw gaat met dingen gooien en de man krijgt een aanval van razernij waarbij hij alles kort en klein slaat. Om dit af te sluiten met een knipoog zegt de gedachtelezer: ‘We zijn nu op pagina 89 van dit verhaal en ik vind dat ik het hartstikke goed doe.’

    Laatste getuigen

    De man en de vrouw zijn de laatste getuigen van deze wereld. Er is een mogelijk verband met de klimaatcrisis, maar er is erg veel onbekend over deze wereld. Is het een virtuele realiteit of bestaat ze alleen bij gratie van een grillige god? Het zwarte raam dient als een soort portaal naar de toekomst, maar waar komt het vandaan? De bedoeling van de tekst lijkt gedeeltelijk te zijn om te ontregelen. Ook altijd aanwezig is de subtiel omfloerste stem van de alwetende verteller die soms met zijn wijsheden strooit en sart of verwarring zaait. Wat ook opvalt is de vrij korte spanningsboog, het duurt niet lang tot de grote onthulling om de hoek komt kijken die dan al niet meer als een echte verrassing aanvoelt.

    De licht experimentele opzet met de absurdistische elementen zal niet iedereen aanspreken maar is bij vlagen hilarisch en maakt nieuwsgierig. Wat wel stoort is dat het geheel op sommige plekken nog leest als een toneeltekst, inclusief regieaanwijzingen. Dat werkt licht bevreemdend, al zal het de bedoeling zijn. Ook het insulaire van de twee karakters met hun vinnige dialogen lijkt dit te bevestigen. In die zin is het een soort solipsistische tekst, ze staat op zichzelf en creëert zichzelf. De dialogen zijn scherp maar het gebrek aan beschrijving en opvulling van de blinde vlekken geeft dat het geheel minder beklijft. Alles bij elkaar is de novelle een frisse wind en een ode aan de onstandvastigheid van de liefde. Op de laatste ijsschots blijven de man en de vrouw over. Misschien is het goed het advies van de gedachtelezer in gedachten te houden: ‘VLUCHT NIET, MENSEN, VLUCHT NIET JULLIE ZORGEN ZIJN VOORBIJ KIJK NAAR ELKAAR EN NAAR JEZELF VIA MIJ VIA MIJ VIA MIJ.’

     

     

  • Hoe lang houdt de schaamte aan?

    De moeder van journalist, columnist, econoom en schrijver Sheila Sitalsing (1968) deed aan ‘zwijgen door te spreken. Ze kwebbelde onschuldige oorlogsanekdotes aan elkaar tot een lange woordenslinger die ze om haar geheim heen wikkelde, tot er niets meer van te zien was.’ Wat dat geheim precies was ontdekken haar dochters pas na haar dood, in een nagelaten schrijven. De opa van Sheila Sitalsing, Sjarrel, blijkt ‘fout’ te zijn geweest in de Tweede Wereldoorlog. Daarover is in het gezin nooit gesproken; zelfs de vader van Sitalsing is nooit op de hoogte gebracht van het verleden van zijn schoonvader. Het resultaat van de zoektocht die Sheila Sitalsing vervolgens ondernam is de inhoud van haar nieuwe non-fictieboek Waar ik me voor schaam. Op de voorkant staat een foto van haar moeder. Ze is ongeveer tien jaar oud en lid van de Jeugdstorm, een organisatie die zeer nauwe banden had met de NSB.

    De vragen die het nagelaten schrijven oproepen zijn enorm invoelbaar. Waarom zou iemand bijvoorbeeld jarenlang zwijgen over zo’n groot en gevoelig geheim? Waar moet je beginnen om dat te begrijpen en wat kun je doen om het zwijgen te doorbreken? Het besef dringt zich op dat er inmiddels zeer veel mensen moeten rondlopen die in meer of mindere mate verwant zijn aan een ‘foute’ voorouder. De vorm van het boek is daarom een soort instructieboek, met elf ‘wenken’ hoe je zou kunnen omgaan met die kennis. Dat klinkt wat saai en zakelijk, maar dat is het allerminst. Iedere wenk begint met een bepaald principe dat vervolgens door een kleine toevoeging iets lichts krijgt. Neem bijvoorbeeld de vierde wenk: wees mild voor de gebutsten (we zijn allemaal verkreukeld).

    Bruine dozen

    De zoektocht naar het verleden van haar opa begint voor Sheila Sitalsing in de bruine dozen van het Nationaal Archief. Ze onthullen een aantal belangrijke feiten, bijvoorbeeld dat opa Sjarrel en oma Tootje vanaf 1935 lid waren van de NSB, dat opa een redelijk hoge positie binnen die partij had weten te bemachtigen en dat hij na de oorlog lang gevangen heeft gezeten. Toen was hij inmiddels gescheiden van zijn vrouw. Oma Tootje heeft een poosje vastgezeten in Westerbork (haar dochter woonde toen tijdelijk bij een oma) en heeft na haar vrijlating tien jaar niet mogen stemmen. Naast antwoorden op een aantal vragen blijkt ook dat uiteraard lang niet alles in de bruine dozen terug te vinden is. Waarom haar opa altijd een ‘groot Jodenhater’ (in de nagelaten woorden van haar moeder) geweest is, kan niet worden achterhaald.

    De schaamte waar in de titel van het boek sprake van is, kleeft zoals gezegd mogelijk ook aan andere nazaten van de ongeveer vierhonderdduizend (!) mensen naar wie na de Tweede Wereldoorlog onderzoek is gedaan over mogelijke collaboratie. ‘Het idee dat nakomelingen of verwanten van daders ook een soort daders zijn, blijft terugkeren bij het bekend worden van nieuwe daders en nieuwe verwanten met een hardnekkigheid die verwondert.’ Kinderen van collaborateurs hebben vaak een nare jeugd gehad, doordat ze sociaal uitgesloten werden, gepest werden op school, of uit huis werden geplaatst. Kinderen van NSB’ers lijden daarom soms ook aan trauma’s, vergelijkbaar met die van oorlogsslachtoffers, betoogt Sitalsing. Het punt is alleen dat er weinig aandacht is geweest voor deze groep, aan wie de schande van collaboratie generaties lang is blijven plakken. Eén van de twee motto’s van het boek luidt: ‘Het is wat om kind van ouders te zijn.’ (Pieter Coen Blom, psychiater.) De moeder van Sheila Sitalsing heeft dat beslist aan den lijve ondervonden; het heeft haar hele leven gekleurd.

    Lidmaatschap van de NSB

    De ‘wenk’ waarin beschreven wordt hoe opa Sjarrel is opgegroeid en waarin een mogelijke verklaring gezocht wordt voor zijn lidmaatschap van de NSB is een prettige onderbreking van de ‘wenken’ waarin het vooral gaat om het onderzoek, omdat het silhouet van de tot dan toe wat abstracte opa meer vorm krijgt. Iets verderop in het boek wordt in een andere ‘wenk’ ook ingezoomd op hoe het oma Tootje en opa Sjarrel is vergaan na de bevrijding. Deze biografische beschrijvingen zijn fijn om te lezen. Ze zijn invoelbaar en met compassie geschreven en tegelijkertijd is het overduidelijk dat Sitalsing ze niet inzet als een soort verzachtende omstandigheden.

    Midden in het boek bevindt zich een uitgebreide lijst met zaken ten aanzien van het verleden waarvoor Sheila Sitalsing zich schaamt. Ze schaamt zich ervoor dat ze de letter C in de opsommingslijst eigenlijk het ergst vond (‘Dat mijn moeder zich niet vertrouwd genoeg heeft gevoeld met haar eigen dochters om over haar echte oorlog te praten. Dat ze een lulverhaal heeft opgehangen. Dat de vertrouwelijkheid niet echt was.’), terwijl er bij de andere letters objectief gezien ergere zaken staan.

    Waar ik me voor schaam is rijk aan feiten en inzichten. Zo blijkt de Shoah pas twintig jaar na de bevrijding voor het eerst herdacht te worden op 4 mei. Aan het eind van het boek wordt ook aandacht besteed aan het digitaal openbaar maken van het Nationaal Archief en welke haken en ogen daaraan kunnen zitten voor nabestaanden van die vierhonderdduizend mensen naar wie onderzoek gedaan is. Tegelijkertijd is het fijn om te beseffen dat je als dit soort nabestaande niet de enige bent en blijkt er een Werkgroep Herkenning te bestaan die lotgenotencontact mogelijk maakt. Dat is belangrijk, want ongeveer een derde van de kinderen en een vijfde van de kleinkinderen blijkt ergens in hun leven in enige mate psychische of fysieke klachten te ontwikkelen die gerelateerd kunnen worden aan het collaboratieverleden van hun voorouders.

    De pubers

    Ondanks het gewicht van de thema’s die in het boek naar voren komen is Waar ik me voor schaam geen zwaar boek geworden. Dat komt niet alleen door de heldere, licht ironische stijl waarin het geschreven is, maar zeker ook door de blik die ‘de pubers’, de kinderen van Sitalsing (en dus de achterkleinkinderen van opa Sjarrel en oma Tootje) geregeld werpen op de gebeurtenissen uit het verleden. Het zwijgen van hun oma interpreteren zij niet als jokken. Zij zijn als TikTok- en Instagramgeneratie gewend aan ‘gefilterde werkelijkheden’ en kijken op een ontwapenende manier naar de zaken waar hun moeder zich voor schaamt en waar hun oma over zweeg. Misschien heeft een collaboratieverleden de afstand van enkele generaties nodig om de schaamte voorbij te geraken.

     

  • Opmerkelijk debuut

    De verkavelingen van Arthur Goemans is een ouderwets goed boek. Plotlijn, structuur, (Vlaams) taalgebruik, de dialogen, weten hoe je personages van vlees en bloed op moet voeren behoren toe aan iemand met veel schrijfervaring. Maar niets is minder waar, De verkavelingen is het debuut van de dertigjarige Arthur Goemans. Hij schreef een opmerkelijk verhaal, heerlijk om een poosje in te wonen en op te trekken met Robert, Jenny, Wes, hun ouders en dorpsgenoten.

    Het verhaal gaat om drie vrienden die begin jaren negentig worden geboren en in het fictieve Vlaamse plattelandsdorp Wildale opgroeien. Ze zijn alle drie intelligent en origineel, maar hun achtergrond is heel verschillend. Robert is de hoofdprotagonist, we zijn getuige van zijn geboorte, een couveusekindje. Hij blijft klein van stuk en draagt als jochie graag de communiejurkjes die zijn moeder maakt. Roberts moeder overlijdt als hij zeven jaar is, zijn jeugdtrauma waar niet over gesproken wordt. Hij groeit op met zijn beminnelijke en zachtaardige vader, zelf is hij ook zachtaardig, hij schrijft poëzie, is verlegen en eenzaam en heimelijk verliefd op Jenny. Robert is de meest serieuze en plichtsgetrouwe van het trio, er zijn geen drank of drugs in zijn leven. Het zouden ingrediënten voor een saai karakter kunnen zijn, maar Goemans geeft hem zijn deugden niet voor niets. Hij is een uitstekend tegenwicht voor Wes en Jenny die alles doen wat god verbiedt.

    Club van onprettig gestoorden

    Jenny’s achtergrond is ingewikkelder. Haar moeder kwam jong en ongewenst zwanger naar Wildale, ze vond een thuis bij Frank van Puymvelde, de plaatselijke projectontwikkelaar. Materieel gezien ontbrak het Jenny aan niets, ze kreeg op haar twaalfde een Cartierhorloge van haar stiefvader – op wie ze overigens dol was maar die haar ook teleurstelde. Ze was zeer eigengereid en dreef haar leerkrachten tot wanhoop, ze spijbelde, raakte al jong aan de drank en de pillen. Jongens die op haar verliefd werden moest ze niet. ‘Het ging goed zolang de jongens niet verliefd op haar werden. Verliefdheid was een afwijking die de vriendschap niet enkel in de toekomst verhinderde, maar ook retroactief oneerlijk maakte.’ En dat terwijl alle jongens verliefd op haar waren. Ze heeft prikkeldraad om zich heen en dat maakt haar een boeiend personage waar de eenzaamheid en het onvermogen vanaf druipen. Hetzelfde geldt voor Wes. Zijn vader is een b-acteur, die zijn Vlaams doorspekt met Amerikaanse oneliners. Zijn zoon doet hetzelfde. Hij is een prater, een dromer en ruggengraatloos. Wes raakt geobsedeerd door de muziek van The Strokes, hij koopt een elektrische gitaar, begint een band en komt via het criminele pad uiteindelijk in de zenmeditatie terecht.

    Al jong beheerst de alcohol hun leven. Jenny richt De Club van de Onprettig Gestoorden op met drie leden: zijzelf, Wes en Robert. Het is hun vrijbrief voor kattenkwaad en drankgelagen ‘Na de laatste schooldag lagen Robert, Wes en Jenny in het maisveld bij de kubus. Sinds de rechtszaak was met voorzichtigheid komaf gemaakt: Wes had een fles appeljenever gejat en hij en Jenny speelden “slok slok”, merkte Robert, een spel met een eenvoudige premisse. “Ik neem een slok, en dan jij, en dan ik weer”, zei Jenny. “Tot het op is.” (…) “Wat doen we met hem?” vroeg Jenny. De jenever leek maar weinig effect op haar te hebben. “Hij moet zijn bed in”, zei Robert. “Hoe dan? Aanbellen bij Beatrijs, hier is je stomdronken zoon? No way.” “My way,” bazelde Wes, “or the highway.”’

    Materieel ging het de pubers niet slecht, emotioneel liet hun opvoeding veel te wensen over en precies dat was wat hen met elkaar verbond. Goemans werkt dit aspect in zijn roman goed uit, zonder iets te benoemen, maar met humor, rijp taalgebruik, mooie metaforen en zelfspot in de dialogen. Zijn personages hebben zelfkennis, al kunnen ze daar niet zoveel mee.

    Sappige roman

    Het verhaal beslaat grosso modo dertig jaar, van 1990 tot 2020. In een hink-stap- sprong-chronologie krijgen we de hele achtergrond van de drie kinderen en hun ouders verteld in een wisseling van perspectieven of via een alwetende verteller, wat heel natuurlijk verloopt. Bijna aan het einde komen we meer te weten over Lauranne en Frank, de ouders van Jenny, al waren er al veel eerder zaadjes geplant die hun relatie intrigerend maakt. Soms voelt dat bijna te uitleggerig, maar het kennen van de achtergrond van zowel de ouders en sommige dorpelingen dragen bij aan de steunpilaren van het hele verhaal, dat uiteindelijk ook een sappige streekroman is. Het zijn deze details die het verhaal geloofwaardig maken.

    De vrienden groeien na de middelbare school uit elkaar, maar echt uit het oog verliezen ze elkaar niet. Hun lot is zelfs zo verbonden dat ze willens en wetens dertig jaar later in 2020 nog steeds tot elkaar veroordeeld zijn. Het dorp is bijna te gronde gericht door verkaveling, aanstaande nieuwbouw bedreigt het natuurgebied en de cohesie tussen de dorpelingen staat onder druk door verdeeldheid.

    Het is hier, aan het einde van het verhaal, dat het boek begint. Jenny’s fiets wordt in de Wildaalse vaart gevonden, nadat ze zelf tien jaar eerder spoorloos verdween. ‘Het was alsof Jenny, die een leven lang alles en iedereen in Wildale had verguisd, plots bang werd voor de stilte. En dat ze het met de weergoden op een akkoordje gooide, de Vaart liet opdrogen, en de gemeentewerkers naar haar fiets leidde.’ Spannend, want na een gedetailleerde beschrijving van tweeënhalve bladzijde hoe de fiets uit de vaart wordt gehaald, is het boek nog moeilijk weg te leggen. We willen weten wat er met Jenny is gebeurd.

    Extra laag

    Alle drie hebben ze hun idolen. Robert hangt aan de Vlaamse dichter Paul Snoek, Wes is fan van de post-punkband The Strokes en Jenny leest tijdens haar studie The Bell Jar van Sylvia Plath. Dat past bij haar karakter, ze spiegelt zich aan Plath, of is het foreshadowing naar haar eigen einde? Dat een jonge schrijver als Goemans zich bedient van deze motieven dwingt respect af. Het geeft het verhaal een extra laag en diepgang. Evenals de aftakeling van de natuurgebieden, de verdwijnende ecosystemen en oprukkende nieuwbouwwijk en de zijdelingse verwijzingen naar vogels, in het bijzonder de kwartelkoning, vroeger een veel geziene gast in de Vlaamse beekdalen. Een illustratie van de kwartelkoning staat zelfs op de voorkant van het omslag.

    Arthur Goemans (1995) woont en werkt in London en is onderzoeker bij denktanks RAND en het Centre for the Governance of A.I., waar hij zich bezighoudt met de regulering van artificiële intelligentie. Hij studeerde rechten in Leuven en internationale betrekkingen aan het Europacollege en volgde beleidswetenschappen aan de universiteit van Cambridge.

    Aan de Schrijversacademie in Antwerpen volgde hij een cursus Creatief Schrijven. Met De verkavelingen schreef hij een gelaagde roman over een benepen Vlaams dorp, waarin thema’s als vriendschap, trouw, de invloed van familie en het verliezen van dromen en liefdes een rol spelen. Een boek met het kaliber van Joe Speedboat en Bonita’s Avenue en misschien zelfs een graadje beter. Het is reikhalzend uitkijken naar Goemans’ volgende roman.

     

  • Een zoektocht naar loutering

    Precies 100 jaar nadat de debuutbundel Ossi di Seppia van Eugenio Montale (1896-1981) verscheen in Italië, en 50 jaar nadat hem de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, is er eindelijk een integrale vertaling in het Nederlands verschenen onder de titel Zeekatskeletten. Voor zijn debuut heeft Montale zich laten inspireren door Monterosso, een van de vijf inmiddels door toerisme overlopen plaatsen in de Cinque Terre, niet ver van zijn geboorteplaats Genua. De familie Montale bracht elk jaar de vakanties door in Monterosso, in de villa die er nog altijd staat en die tegenwoordig gehuurd kan worden. Het huis is het epicentrum van Montales debuut, samen met de ommuurde tuin en de altijd aanwezige Middellandse Zee.

    T.S. Eliot

    In deze omgeving is de dichter voortdurend op zoek naar een diepere duiding, naar inzicht, en naar een bijna Danteske zoektocht naar loutering. Zo lezen we in het beroemde openingsgedicht ‘De citroenen’: Kijk: in deze stiltes waarin de dingen/ zich gewonnen geven, alsof ze elk moment/ hun diepste geheim kunnen verraden,/ verwacht je soms/ een vergissing van de Natuur te ontdekken,/ het dode punt van de wereld, de schakel die niet houdt,/ de draad die uiteindelijk, als we hem ontwarren,/ naar het hart van een waarheid voert.’

    De ommuurde tuin levert direct associaties op met het werk van T.S. Eliot; natuurlijk met name met ‘Burnt Norton’ uit de Four Quartets, ware het niet dat dat pas in 1939 werd geschreven. Maar dat de beide dichters elkaar over en weer hebben beïnvloed is duidelijk en blijkt alleen al uit de vertalingen van elkaars werk. Zo vertaalde T.S. Eliot het lange gedicht ‘Arsenio’ uit deze bundel. Daarnaast zijn er parallellen met Paul Valéry’s beroemde lange gedicht Het kerkhof bij de zee. Evenals Montale zocht ook Valéry naar duiding in een wereld tussen leven en dood, en ook bij hem is daar altijd de Middellandse Zee.

    Overgave

    Deze gedichten van Montale geven hun geheimen niet direct prijs, in tegenstelling tot de meer toegankelijke poëzie uit zijn late periode. Dit vroege werk is typisch poëzie waaraan je je moet overgeven, maar dan vind je ook een enorme rijkdom, met vaak wisselende inzichten. Kenmerkende elementen zijn tijd, moment, wind, natuur, herinnering, eenzaamheid, zee, kust, vogels en vergankelijkheid; zoals in ‘Cocon’: zie hoe de tijd/ ijlt en verdwijnt, opgeslorpt/ tussen de stenen’.

    De notie zoals vermeld in het nawoord, dat de dichter zelf in zijn poëzie geen verlossing vond, staat naast de zoektocht naar zingeving, naar een zachte weg naar de dood, die juist louterend werkt. Zo blijft het werk van Montale een baken voor de tot bespiegeling geneigde lezer die, wetende dat hij tekortschiet, probeert grip te krijgen op het raadsel van het bestaan,’ aldus vertalers Jur Koksma en Joep Stapel in het nawoord. We vinden dit bijvoorbeeld terug in een van de gedichten van de cyclus ‘Sarcofagen’, waarin het rondlopen over een begraafplaats herinneringen oproept aan diegenen die ooit een betekenis voor ons hadden in het leven. Laat de zwijgzame steenmenigte achter/ en wend je tot de verwaarloosde zerken,/ waarin een ongemakkelijk symbool gebeiteld is:/ de traan en de lach, tweelingen,/ wellen gezamenlijk eruit op’. De dichter is altijd op zoek naar de essentie van het bestaan. U, mijn prooi, schenkt mij/ een kort moment van menselijk zinderen./ Geen tel zou ik ervan willen missen/ dit is mijn deel, al het andere ijdel.’  En steeds heerst de vluchtigheid van het moment, dat altijd weer direct verleden is. Het uur verstrijkt/ en trekt alles uit elkaar; door de hemelkoepel schieten/ bladeren of vogels, wie zal het zeggen – ze zijn er al niet meer.

    De dichter komt steeds op de drempel van een inzicht en als lezer ga je met Montale mee in die zoektocht. Dat is de meerwaarde van Zeekatskeletten: in de omgeving de waarheid en het lot van de mens ontdekken. Maar de omgeving en de natuur zijn gewoon aanwezig, het is de dichter die er zijn betekenis aan oplegt: hop, vrolijke vogel, belasterd/ door de dichters […] en jij hebt geen idee,’.  In deze gedichten heerst een zoektocht naar rust, sereniteit en tijdeloosheid, naar buiten de tijd staan, naar het volledig opgaan in de natuur, ja een plant of zelfs een steen te zijn. ‘O en dan te verdwijnen,/ beetje bij beetje, wentelend/ als het zeekatskelet in de golven,/ een knoestige boom te worden/ of een door de zee geslepen steen’.

     Deze gedichten zijn ontstaan aan het begin van de jaren ’20, toen het fascisme in Italië vaste voet aan de grond kreeg. Hoewel Montale geen politiek dichter was, kan het openingsgedicht van de cyclus waaraan de gehele bundel haar naam ontleent worden gezien als verhulde aanklacht tegen het fascisme en de slotregels behoren tot de beroemdste uit de Italiaanse poëzie: ‘Vraag ons niet de formule die je de nieuwe orde openbaart,/ hooguit, droog als een tak, wat kromme lettergrepen. / Dit alleen kunnen we je vandaag zeggen:/ dat wat we niet zijn, dat wat we niet willen.’

    Vertaling

    Niet alleen de gedichten op zich, ook de verantwoording van vertalers Jur Koksma en Joep Stapel dwingt bewondering af. Inherent aan het vertalen van poëzie is dat je vrijwel altijd iets van het origineel zult moeten prijsgeven. In het nawoord geven de vertalers inzichten die iedere aspirant-poëzievertaler ter harte mag nemen: Als vuistregel hebben we gestreefd het ‘nettogewicht’ van een gedicht en van de bundel als geheel te bewaren. Wat we laten liggen aan formele kenmerken als eindrijm en versvoet proberen we goed te maken met de tot Nederlands genaturaliseerde inzet van ritme, dichtheid, klank en assonantie.’ Zeer terecht is hun reden minder eindrijm te gebruiken dan Montale, want niets is zo fnuikend voor de esthetische ervaring als geforceerd rijm, met dat vleugje je ne sais quoi van de decembermaand. Eindrijm klinkt in het Nederlands nu eenmaal anders dan in het Italiaans, waar bijna alles op alles rijmt.’

    In 1984 verscheen een selectie uit de poëzie van Montale in Nederlandse vertaling onder de titel De roos in de kermistent, onder redactie van Jacques Hamelink. Een mooie verzameling, een enkele keer iets archaïscher en formeler dan deze nieuwe uitgave (logisch gezien de ruim 40 jaar die ertussen liggen), maar de grootste winst ten opzichte van die eerdere uitgave is dat we nu een integrale vertaling hebben van Montale’s debuutbundel. Daarbij is het geheel ook nog eens voorbeeldig uitgegeven. Niet alleen een sterke vertaling met een erg informatief en verhelderend nawoord, maar ook de vormgeving is prachtig; kleur en typografie sluiten heel mooi aan bij het karakter van deze bundel. Al met al een mooie tweetalige uitgave die met veel liefde is gemaakt. En daarmee een aanwinst voor elke poëzieliefhebber.

     

  • Knap gedaan maar ook ingewikkeld

    Michelle van Dijk (1981) is schrijver en leraar Nederlands. Eerder verschenen haar romans Darko’s lessen en Witter dan sneeuw. Haar hertaling van de klassieker Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan bracht het werk van Louis Couperus bij een nieuw publiek. Kijk niet om! is een merkwaardig boek. Een lappendeken: deels een roman, een deels essayistische stukken over mythologie met verbanden naar de moderne maatschappij, en deels een toneelstuk. Daarbij is het ook nog een liefdevolle kijk op de moeder van de auteur, reflectie op de huidige maatschappij, een pleidooi voor emancipatie. En een waarschuwing aan de moderne mens over de vorming van beelden over de rollen van man en vrouw. Passend in de tijd waarin vrouwen vaak slachtoffer zijn van de beelden die zijn gevormd door opvoeding, sociale media, et cetera.

    De bladspiegel, de inkt dikte van de letters, is aangepast aan elk onderdeel. Het boek bestaat uit drie soorten teksten: het verhaal van de ik-persoon, een lerares klassieke talen, rondom haar moeder, haar verleden en ontmoeting met een jeugdvriend. De ik-persoon schreef een bestseller over bedrog in de oudheid. Deze tekst wordt afgewisseld door essayistische stukken over de Griekse mythologie gekoppeld aan de moderne tijd. Wellicht delen uit haar bestseller? Het derde deel bestaat uit een toneeltekst over een affaire van tante Kate met haar leidinggevende.

    Een boek als een lappendeken

    Daardoor heeft Kijk niet om! drie lagen. Het verhaal van de lerares klassieke talen en over de liefde, het verhaal van de quilt die haar moeder maakt voor een overleden zus én het verhaal van die zus, de tante van de lerares en haar affaire. Als lezer is het, zeker in het begin van het boek, een zoektocht. Waar gaat dit over? Wat hebben de diverse onderdelen met elkaar te maken? Gelukkig wordt dat in de loop van het boek wel duidelijk, al duurt het even. Het boek kent als inhoudsopgave een schema waarin te zien is hoe het allemaal in elkaar zit. Echt helder is dat schema overigens niet.

    De titel van het boek is ontleend aan de mythe van Orpheus die in de onderwereld niet mocht omkijken naar zijn geliefde Eurydice, anders zou hij haar verliezen. Ook die mythe is een waarschuwing. Laat je vooral niet leiden door hoe je gevormd bent door je opvoeding, de normen en waarden van ‘vroeger’, het beeld dat bestaat van (de relatie tussen) man en vrouw.

    Recente gebeurtenissen en mythen

    In de klassieke mythen worden vrouwen vaak gestraft voor hun nieuwsgierigheid en ook hun loyaliteit (zoals Orpheus en Penelope). Dat kan ook vertaalt worden als, ze laten zich misbruiken, laten over zich heen lopen. Van Dijk vergelijkt recente gebeurtenissen met deze mythen. Het bekendste voorbeeld is de vernedering van Hilary Clinton (tijdens het Monica Lewinsky-schandaal rondom haar man) en weer later haar verlies van de presidentsverkiezing. Daarmee geeft ze aan dat mechanismen rondom de rol van de vrouw heel diep zijn geworteld en moeilijk zijn uit te roeien.

    Wat opvalt is het gebruik van interpunctie die als een soort middel om te associëren. Daardoor ontstaan vaak moeizame zinnen: ‘Ze moet verder, overziet het zebrapad, de kruising met trambanen, geen trams te zien’. En: Ze wenkt dat hij nu door kan lopen, gebaart een soort van ‘sorry, mijn fout’, de handpalmen opgeheven naast de schouders, en ziet dan dat hij blijft staan.

    Verrassende afloop

    Van Dijk wil heel veel vertellen en veel boodschappen doorgeven met dit boek. Ze wijdt nogal uit over co-ouderschap, internetdating, lichamelijke klachten en de oorzaken daarvan, een kind met autisme, rollen van man en vrouw. En overal heeft ze een (uitgebreide) mening over, wat op den duur vermoeiend kan zijn. Daarentegen is de structuur van het boek knap gedaan, maar zoals gezegd, ook ingewikkeld. De diverse delen verhouden zich pas op een laat tijdstip tot elkaar, wat het lezen van dit boek tot een echte zoektocht maakt.

    De toon van Van Dijk, de manier waarop ze alles uitlegt en verbindt, is een echte onderwijstoon, bijna moralistisch, in ieder geval te uitgesproken. Al met al is het een overvol boek. En toch, je blijft wel lezen. Dat is dan weer de verdienste van Van Dijk. Je wilt weten hoe het afloopt en hoe alles in elkaar grijpt. Verrassend is de afloop van het deel over de ik-persoon. Maar lees daarvoor zelf het boek.

     

     

  • Uit bewondering voor Oscar Wilde

    De Ierse schrijver Oscar Wilde (1854-1900) was dichter, toneelschrijver, briljant causeur en dandy, wiens leven in het teken van de esthetische kunst stond. Helaas werd zijn schitterende carrière in het victoriaanse Engeland met één klap te gronde gericht toen hij verliefd werd op een jongeman, Lord Alfred Douglas, bijgenaamd Bosie, en veroordeeld werd tot twee jaar gevangenisstraf wegens homoseksuele handelingen en grove ontucht. Na zijn vrijlating vertrok hij als balling naar Frankrijk, waar hij drie jaar later berooid en verguisd stierf aan meningitis. Maar vergeten is hij nooit en zijn werk wint overal ter wereld nog steeds enthousiaste adepten. Met de boeken die over Oscar Wilde geschreven zijn, kun je een groot aantal boekenkasten vullen, terwijl voor het werk van de schrijver zelf een flinke boekenplank voldoende is. Elk aspect van zijn leven, hoe schijnbaar onbetekenend ook, is al eens door biografen belicht. Blijkbaar blijft deze man een intrigerend mysterie voor velen.

    Winnend aforisme

    In Engeland is in 1990 de Oscar Wilde Society opgericht, een ‘literary society devoted to the congenial appreciation of Oscar Wilde’. Dit genootschap heeft voor de vijfde keer een jaarlijkse wedstrijd uitgeschreven, the Wilde Wit Competition, waarbij deelnemers een zelf bedacht aforisme kunnen insturen in de geest van Oscar Wilde. Uit meer dan vijfhonderd inzendingen is dit jaar de prijs gevallen op de Nederlandse auteur Maarten Asscher, die het volgende aforisme bedacht: ‘In art originality is too quickly applauded, in life it is usually punished’. Nadat deze eer hem te beurt was gevallen, kon een boek van zijn hand over Wilde moeilijk uitblijven.

    Asscher schreef zijn Oscar Wilde’s crucifix gelijktijdig in het Nederlands en in het Engels. Voor degenen die gefascineerd zijn door het leven en werk van Wilde is het boek een ‘must have’, niet omdat het de zoveelste biografie over Wilde is die vertelt hoe het was, maar omdat Asscher ook vertelt hoe het had kunnen zijn. Daarom luidt de ondertitel ook: ‘A biographical experiment’. Alle historische feiten omtrent Wilde zijn ondergebracht in hoofdstukken die in romein gezet zijn, alles waarbij Asscher zijn schrijversfantasie aan het werk gezet heeft, in cursief. Zo begint het boek met ‘The end’, een hoofdstuk waarin Reginald Turner, trouwe vriend van Wilde, aan diens sterfbed mijmert over hun vriendschap en de naderende dood.

    Over een klein gouden kruisje

    Asscher was nog heel jong toen hij kennismaakte met De Profundis, de brief die Wilde aan Bosie schreef vanuit de gevangenis. Een paar jaar later las hij The Picture of Dorian Gray. waarmee zijn liefde voor het werk van Wilde voor altijd bezegeld werd. Hij is met name geïnteresseerd in de jonge jaren van Wildes studententijd in Oxford tot aan de tijd waarop hij naar Londen verhuist om aan een literair-journalistieke carrière te beginnen. Wilde is dan midden twintig en alles moet nog beginnen voor hem. Hij wordt verliefd op een meisje uit Dublin, Florence Balcombe, aan wie hij in 1876 een klein gouden kruisje geeft waarin misschien hun namen of initialen gegraveerd zijn. Twee jaar later trouwt ze echter met een andere Ierse schrijver, Bram Stoker, die faam verwierf met zijn roman Dracula.

    Dat gouden kruisje werd voor Asscher het uitgangspunt van zijn biografische fictie: waar zou het gebleven zijn? Gaf Florence het terug aan Wilde, heeft ze het gehouden, wist haar man wie het haar cadeau gegeven had? Zou ze het nog wel eens gedragen hebben?

    Het verhaal van Stoker, Wilde en Balcombe wordt verteld in het hoofdstuk ‘Stations of the Cross’, waarin in veertien korte stukken de feiten worden gegeven rondom deze ‘driehoeksverhouding’. Het kruisje van Florence krijgt hier verschillende betekenissen: het is een afweermiddel tegen de vervloekte graaf Dracula, maar ook een symbool van de bekering van Florence tot het katholieke geloof (Oscar zou dat kort voor zijn sterven eveneens doen) en figuurlijk gesproken is het een kruis dat zij te dragen had in haar opeenvolgende relaties met twee mannen die vanwege hun geaardheid geen van beiden echt belangstelling voor haar hadden. Zelfs waar Asscher aanstipt dat beide mannen aan syfilis zouden lijden, komt het kruis nog om de hoek kijken. Arme Florence Balcombe.

    En een ring

    Het zijn dit soort zijwegen die het boek van Asscher buitengewoon aantrekkelijk maken om te lezen, samen met zijn prettige schrijfstijl. Hij vermengt diverse literaire genres: zo schrijft hij als William Goulding een brief aan zijn vader over de reis naar Griekenland in gezelschap van Oscar Wilde, hij schrijft een hoofdstuk waarin Philippa Balcombe het huwelijk van haar zus beschouwt, en hij wijdt een hoofdstuk aan de vriendschapsring die Oscar Wilde als geschenk gaf aan zijn vriend Reginald Harding bij diens afstuderen. Deze ring werd in 2002 gestolen uit de bibliotheek van Magdalen College in Oxford. Asscher doet gedetailleerd verslag hoe de diefstal in zijn werk ging en hoe de Nederlandse kunstdetective Arthur Brand, ook een bewonderaar van Wilde, de ring wist op te sporen. In 2019, zeventien jaar na de diefstal, werd het sieraad weer teruggelegd in de bibliotheek van Magdalen College.

    In het voorlaatste hoofdstuk van Asschers ‘biographical experiment’, ‘The Golden Crucifix’, komen we eindelijk te weten waar het gouden kruisje van Florence gebleven is. Asscher brengt dit verhaal alsof het een van de ‘cases’ van Sherlock Holmes is, opgetekend door zijn vriend Watson. Al eerder had Asscher de auteur van de Holmes-verhalen, Arthur Conan Doyle, samengebracht met Oscar Wilde en diens uitgever in het Langham Hotel, dat de ontmoeting van de genoemde heren vereeuwigd heeft op een plaque als ‘The Golden Evening’. ‘The Golden Crucifix’ is een geslaagde poging om in de stijl van Conan Doyle een detectiveverhaal te schrijven.

    Asscher stelt in zijn laatste hoofdstuk: ‘perhaps when you peek around the corner of the imagination, you can observe something of focused historical truth.’Hij ontkent de tekortkomingen van Wilde niet, maar kritiek kan het niet winnen van zijn liefde voor deze iconische figuur van de 19e eeuw. ‘Where there is no exaggeration there is no love, and where there is no love there is no understanding’ is een uitspraak van Walter Pater, essayist en criticus die van grote invloed is geweest op Wilde. Diezelfde uitspraak had ook van Asscher kunnen zijn waar het zijn boek betreft.