• De complexe zoektocht van een adoptiekind

    Het lijkt een tamelijk obligaat beeld voor een poging om je leven als geadopteerde te ordenen tot een coherent geheel: het leggen van een puzzel. Zo noemt Emily Kocken het zelf in haar nieuwste boek Adoptica. Toch is de metafoor in dit geval treffend.
    Wie wel eens een legpuzzel heeft gemaakt zal herkennen dat je begint met een verdeling van alle losse stukjes die wat met elkaar te maken lijken te hebben over een soort sorteerbakjes. Zo heeft Kocken haar boek ook min of meer opgezet. Haar bakjes zijn in Adoptica vier delen: ‘Onecht’ (haar leven in het gezin van de adoptieouders), ‘Echt’ (waarom werd ik als kind afgestaan?), ‘Paar’ (de gedeelde ervaring met haar man, Adam, die eveneens een geadopteerde is) en ‘Club’ (gesprekken met andere adoptiekinderen over hun ervaringen).

    Elk van die vier delen is een verzameling van losse stukjes: herinneringen, (gedachten bij) foto’s, reconstructies van gesprekken en ontmoetingen, oude aantekeningen, brieven, verhalen van familieleden enzovoort. In ieder hoofdstuk binnen de eerste drie delen probeert Kocken van al die stukjes hun betekenis voor haar leven te duiden. Dat doet ze in korte zinnen met veel wit ertussen waaruit iets van een relativering spreekt: ging het echt zoals ik me herinner? Werd hier iets verzwegen? Hoe valt de uitlating van de een te rijmen met die van een ander? Waarom interpreteer ik dit of dat zoals ik dat doe? Waarom vroeg ik toen niet door? Waarom voel ik me soms schuldig?

    Normaal doen

    Kocken noemt schrijnende gebeurtenissen. Zo vertelde ze als kind op school in Vught vol trots dat zij een ‘uitgekozen’ kind was. Toen de juf haar adoptiemoeder liet weten dat Emily te openhartig was, kreeg ze te horen dat ze niet over ‘hét’ moest praten. Ze kon maar beter normaal doen.
    Of neem de jarenlange onzekerheid over de reden van haar adoptie. Jarenlang geloofde ze dat de ouders van haar biologische moeder haar hadden gedwongen afstand te doen. Tot deze moeder, die zelf op zoek was gegaan naar haar afgestane dochter, zich laat ontvallen dat ze drie maanden de tijd had gehad om op haar besluit om het kind af te staan terug kon komen, maar dat niet deed. Het zorgt bij Emily voor een totale verwarring en boosheid.

    Emily werd in 1963 geboren als Talia in de VS. Haar adoptieouders, Nederlanders die in de VS woonden, gaven haar haar nieuwe naam. Ze keerden terug naar Nederland in 1970, maar Emily zou pas in 2019 de Nederlandse nationaliteit aannemen. Ze bleef – net als haar adoptieouders – lang Amerikaans.
    In 1986 blijkt haar moeder haar te hebben opgespoord en een brief te hebben gestuurd die door de adoptieouders op hun beurt weer een half jaar is achtergehouden. Motief: het zou Emily, die voor haar schoolexamens zat, te zeer kunnen emotioneren. Zowel de relatie met de adoptieouders als met de biologische moeder (de vader had die moeder al verlaten voor Talia’s geboorte) verloopt met grote problemen. Er zijn regelmatig ruzies en (voor Emily’s gevoel) intimidaties.

    Uniek

    Voor Emily was de omgang met verschillende moeders en vaders verwarrend. Het drukt haar neus voortdurend op de vraag wat nature is en wat nurture. Het maakt een ‘normaal’ leven – wat dat dan ook moge zijn – bijna onmogelijk. Ze wordt kunstenaar, een talent dat van haar verwekker zou kunnen zijn geërfd, maar is dat echt zo? Ze besluit dat ze geen kinderen wil uit angst die op te zadelen met een verborgen erfenis van haar ouders. Ze ondergaat zelfs een abortus, maar die zadelt haar dan weer op met een schuldgevoel jegens haar adoptiefouders die onvruchtbaar waren en juist graag een kind verwekt zouden hebben.

    Adoptica laat goed zien hoe complex de zoektocht van een aangenomen kind is naar de eigen identiteit. Uit de interviews die zijn opgenomen in het laatste deel ‘Club’ blijkt ook nog eens dat de antwoorden die worden gevonden voor iedere geadopteerde weer uniek zijn. Iedereen heeft zijn eigen sleutelmomenten in het eigen leven: wanneer wist je ‘hét’? Wilde je contact met je afstandsouders of niet? En als je dat kreeg, wat leverde je dat dan op voor jezelf? Buitenstaanders denken wel eens dat de puzzel gelegd is als je alsnog ontdekt waar je vandaan komt. Dat blijkt echter vaak niet op te gaan. Er ontstaan juist weer nieuwe onduidelijkheden.

    In dat opzicht doet Adoptica denken aan die andere beroemde puzzel uit de literatuur, die van Bartlebooth in Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec (ook door Kocken geliefd – haar roman Lalalanding uit 2021 was geïnspireerd door La Disparition van de Franse auteur): Zittend voor zijn bijna voltooide puzzel blijkt het laatste stukje de vorm van een W te hebben terwijl het open liggende vakje de vorm van een X heeft.
    De X, het onbekende. Het laatste stukje valt, ook volgens Kocken, niet te dichten.

     

     

    Adoptica

    Emily Kocken

    Mijn leven als adoptiekind

    Uitgever: Uitgeverij Querido (2025)

    ISBN 9789025319274

    392 pagina’s

    Prijs: € 26,99

    Buy with Libris
  • Wezenlijk contact via de telefoon

    Relevante boeken voor jongeren in een voor hen aantrekkelijke stijl zijn de manier om jongeren opnieuw aan het lezen te krijgen. De Duitse auteur Sarah Jäger staat bekend om die eigentijdse, psychologisch gelaagde jeugdboeken. Ze werkte jarenlang als theaterpedagoog en boekhandelaar voordat ze zich volledig op het schrijven stortte. Haar eerdere romans, zoals Nach vorn, nach Süden en Die Nacht so groß wie wir, werden lovend onthaald en vaak genomineerd voor prestigieuze prijzen zoals de Deutscher Jugendliteraturpreis. Hoewel Jäger schrijft voor jongeren, zijn haar verhalen nooit eenvoudig of vrijblijvend. Ze onderzoekt met veel inlevingsvermogen thema’s als identiteit, vriendschap en waarheid – thema’s die ook centraal staan in het pas vertaalde Und die Welt, sie fliegt hoch, in het Nederlands Iets meer zoals een zon.

    […]

    Iets meer zoals een zon is een ontroerende en actuele jongerenroman die op vele vlakken overtuigt: zowel vorm, inhoud als emotionele diepgang zitten goed. Het verhaal toont hoe moeilijk het is om echt eerlijk te zijn – tegenover jezelf én tegenover iemand anders – en hoe de digitale wereld tegelijk verbindt en vervreemdt. Jäger schrijft met veel empathie, zonder te oordelen, en haar personages blijven lang nazinderen. Voor wie houdt van boeken die experimenteren met vorm en tegelijk iets wezenlijks vertellen over menselijk contact, is dit een absolute aanrader.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Natte armen wijd open

    Sholeh Rezazadeh (1989) kwam in 2015 vanuit Iran naar Nederland. Haar romandebuut De hemel is altijd paars (2021) werd bekroond met de Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2022 en met de Bronzen Uil Publieksprijs 2021. Haar tweede roman Ik ken een berg die op me wacht verscheen in 2023. Ze schreef gedichten voor De Gids en De Poëziekrant en schrijft columns voor de Volkskrant. Neem ruim zei de zee (de titel is al een gedicht) is haar poëziedebuut in boekvorm.

    Voor de Boekenweek 2025 schreef ze het Boekenweekgedicht – bijzonder voor een dichter die tien jaar geleden met de Nederlands taal kennismaakte. In een interview in Meander (augustus 2024) zegt Rezazadeh: ‘Voor mij gaat alles tegelijk. Soms denk ik in het Nederlands, soms in het Perzisch, soms in het Turks. Evenzo schrijf ik afwisselend in het Nederlands en in het Perzisch.’ De eerste regels van het gedicht luiden:

    ‘in welke taal zal ik je woorden geven
    zodat we elkaar opnieuw kunnen vinden
    in welke blik, welke stilte
    gaan we elkaar weer verstaan?’

    Verbinding

    Hierin komt ook het thema waarmee ze zich vaak bezighoudt tot uiting: verbinding. Tussen mensen, tussen culturen, en ook tussen de natuur en de mens. In de oosterse lyriek wordt de natuur vaak gebruikt om een metaforische wereld te scheppen. Denk bijvoorbeeld aan de lyriek van de middeleeuwse Perzische dichter Hafiz: ‘Hoe kan ik mijn vleugels uitslaan / op de winden van samenzijn / als de vogel van mijn hart / aan het ruien is in het nest / van jouw afwezigheid?’

    Kijk alleen maar naar de titel van deze bundel. Rezazadeh zet in veel gedichten de zee, het water, de rivier in om die verbinding woorden en vooral gevoel te geven. ‘Iedereen heeft een zee in zich,’ zegt de auteur.

    ‘ik zink, zodra je wegkijkt
    ga ik stilletjes dood’

    Ze personifieert graag beelden uit de natuur die een mystieke sfeer geven aan veel gedichten. Het landschap wordt een persoon die van alles denkt en vindt, van alles ziet en vooral voelt:

    ‘dode liedjes betekenen voor de vogel het sterven
    en die vogel is heimwee
    en je houdt je ogen dicht’

    De dichter kan in het gebruik van al die beelden uit de natuur en vergelijkingen ermee haar sensitiviteit kwijt, veel meer dan in de taal van alledag. Ook andere begrippen dan de zee worden als iets levends gezien of als symbool: ‘de wolken heb ik al gewassen / de maan hangt al aan de muur’. De lezer ziet het direct voor zich, vult in; de natuur spreekt over en voor de mens en diens gevoel.

    Hardop voorlezen

    Bij de eerste kennismaking met Rezazadeh’s ‘oosterse’ poëzie is het wennen aan de bloemrijke taal en de bijzondere beelden die de dichter gebruikt. Vergeleken met het nuchtere, directe Nederlands gaat er een wereld open waar je je weg in zult moeten vinden. Als je je eenmaal hebt overgegeven aan die beelden land je al snel in de amen van de natuur. Dat blijkt vooral bij hardop voorlezen van de gedichten aan een ander. Je gaat vanzelf mee in het ritme ervan. Het wekt dus geen verbazing dat Rezazadeh als voordrachtskunstenaar veel gevraagd wordt.

    Een ander opvallend element, als verlenging van de verbinding die de dichter tot stand wil brengen, is de vergelijking tussen haar ‘moedercultuur’ (de Iraanse/Perzische) en die van haar tweede vaderland. Er is een aantal verwijzingen te vinden naar beide, bijvoorbeeld naar Vincent van Gogh en naar ‘darya-darya darya dar to/zeeën zee in jou’, uit het gedicht naast een rivier.

    Uit veel gedichten spreekt een verlangen naar bescherming:

    ‘je hand is mijn huis
    je palm is mijn slaapkamer…
    de ramen zijn altijd open
    en het huis is altijd warm’

    En uiteraard is er de liefde, altijd de Liefde:

    ‘alle ik hou van jou’s die achter onze tanden blijven rotten
    waar moeten we ze uitspugen
    op jouw gezicht of op het mijne?’

    Fantastisch debuut

    Door het gebruik van de taal uit een andere cultuur (om het maar even zo te noemen) wordt de lezer uitgenodigd om langzaam en aandachtig te lezen: weer zo’n tegenstelling met onze overwegend haastige wereld. Geef je je als lezer daaraan over, dan staat je een boeiende wereld te wachten.

    Neem ruim zei de zee is een romantische bundel waarin heimwee, nostalgie, liefde voor de natuur en voor de medemens tegenover de harde maatschappij worden gesteld en zo troost bieden of, zo je wilt, bescherming. De zintuiglijke taal en de metaforen doen de rest, ze geven je een warm gevoel. Een fantastische debuutbundel.

    Tot slot een fragment uit een favoriet gedicht:

    ‘neem me terug
    zodat ik de gebroken stukken uit mijn verstoorde dromen opruim
    ze op de plank leg
    een voor een
    met vingers druipend van gesmolten moed
    leeg van vrees
    om uit elkaar te vallen
    zonder een plakkerige angst om niet meer in elkaar te passen’

     

     

    Neem ruim zei de zee

    Neem ruim zei de zee

    Sholez Regazadeh

    Gedichten

    Uitgever: Ambo | Anthos (2024)

    ISBN 9789026367861

    72 pagina’s

    Prijs: € 20,99

    Buy with Libris
  • Postmodern meesterwerk uit Schotland

    De roman Poor Things (1992) van Alasdair Gray, vertaald door Robbert-Jan Henkes als Arm ding, werd beroemd door de veelbekroonde verfilming van Yorgos Lanthimos in 2023 met Emma Stone in de hoofdrol. Alasdair Gray (1934-2019) was een bijzonder interessant auteur die voor een ware renaissance van de Schotse literatuur zorgde met zijn omvangrijke romandebuut Lanark. A Life in Four Books (1981). Hij was een van Schotlands belangrijkste beeldend kunstenaars en alleen al om de illustraties en de typografie is zijn literaire werk een waar genoegen. Dat geldt ook voor Arm ding. ‘Voorvallen uit het vroege leven van Archibald McCandless M.D. van de Schotse Dienst Volksgezondheid, bezorgd door Alasdair Gray.’

    Arm ding is zijn belangrijkste boek, meer nog dan in zijn debuut laat hij hierin zien hoe cruciaal de rol van de stad Glasgow in de Britse geschiedenis was. Eind negentiende eeuw stond Glasgow in wetenschappelijk en economisch opzicht boven Londen op nummer een in the British Empire.

    Verdronken vrouw tot leven gewekt

    Met Arm ding schreef Gray een verhaal over een anonieme vrouw in het victoriaanse Glasgow die zichzelf verdronk. Ze wordt door de geleerde Godwin Baxter gevonden en met het brein van haar ongeboren dochter weer tot leven gewekt en opgenomen in zijn huis. Hij noemt haar Bella Baxter. Baxter ontfermde zich ook over Archibald McCandless (Archie), een boeren bastaardkind dat op de universiteit gepest werd om zijn accent en kleding. Bella, die aanvankelijk de motoriek van een peuter heeft alsook het bijbehorende taalgebruik, ontwikkelt zich snel. Baxter laat Archie nauwkeurig Bella’s vorderingen noteren. Archie wordt verliefd op haar en Baxter besluit dat ze later met elkaar zullen trouwen.

    Ondertussen laat Bella zich ‘ontvoeren’ door de charmante losbol, advocaat Duncan Wedderburn, voor een tour door Europa. Tijdens haar afwezigheid ontvangen Archie en Baxter korte levenstekens van haar. Ondertussen beweegt Bella zich zowel geestelijk als fysiek steeds soepeler en begint ze na te denken over de samenleving.

    Wedderburn wil ook met Bella trouwen, maar zij is niet van plan haar belofte aan Archie te verbreken. De teleurgestelde advocaat vlucht in drank en gokken, waarna ze berooid stranden in Parijs. Om geld te verdienen werkt Bella een tijdje in een bordeel en maakt via een collega kennis met het socialisme.

    De werkelijkheid over Bella

    In Alexandrië wordt ze geconfronteerd met verschrikkelijke armoede en raakt overstuur, ook omdat ze plotseling aan haar dode dochtertje moet denken. Als ze uiteindelijk thuiskomt, vertelt ze over de ellende in Alexandrië en vraagt zich af wat zij kan doen. Baxter raadt haar aan de problemen dicht bij huis te bestrijden door arts te worden in het arme deel van Glasgow.

    Als Archie en Bella gaan trouwen worden ze in de kerk verrast door een gezelschap van vijf mannen. Ene Sir Aubrey de la Pole Blessington beweert dat Bella, Victoria heet en zijn vrouw is. Ook Bella’s vader, een steenrijke spoorwegmagnaat, is aanwezig, evenals een lijfarts, een advocaat en een privédetective. Baxter nodigt het gezelschap uit om in zijn woning van gedachten te wisselen. Dan blijkt Blessington zijn echtgenote jaren geleden aan clitoridectomie wilde onderwerpen. Ondertussen ging hij vreemd met een dienstmeisje. Als Bella vervolgens onthult dat Blessington de gemaskerde, prematuur ejaculerende ‘mister Spankybot’ uit haar Parijse bordeel is, wordt het de man te veel en pleegt hij zelfmoord.

    Bella en Archie krijgen drie zoons. Archie wordt voorzitter van de Glasgowse Burgerlijke Verheffingstrust en Bella leidt een kraamkliniek en schrijft pamfletten voor de beroemde Fabian Society en het vrouwenkiesrecht.

    ‘FINIS’

    Maar dan kennen we Gray niet: er volgen nog 35 bladzijden met kritische en historische kanttekeningen van bezorger Alasdair Gray, die ons al vergastte op een inleiding van acht pagina’s voor het relaas van Archie.

    Postmoderne trukendoos

    Zowel de inleiding als de kanttekeningen rammelen verdacht. Want Gray gebruikte voor Arm ding de hele postmoderne trukendoos. Verschillende ‘authentieke’ teksten die elkaar opzettelijk lijken tegen te spreken, plus de daarbij behorende typografie. Zo te zien komt het officiële cv van Blessington, de dertiende baronet van die naam, uit Who is Who? uit 1883. Maar de manier waarop het cv vermeldt hoe het latere parlementslid in alle mogelijke uithoeken van het koloniale Britse Imperium heeft huisgehouden, is zelfs voor die dagen hoogst overdreven en onwaarschijnlijk. Laat staan de locaties van sommige van zijn veldslagen: Fumuckenugger, Bullubgur.

    De intertekstualiteit gebruikt Gray dan ook op allerlei manieren. Hij verwijst indirect naar een hele reeks auteurs, van Dostojewski – De speler – en Dickens tot Arthur Conan Doyle. Ook speelt hij met de namen van zijn personages. Zo verwijst de tweede voornaam van Godwin Bysshe Baxter naar Percy Bysshe Shelley. Shelly trouwde met Mary Wolstonecraft, dochter van de politieke filosoof William Godwin en auteur van Frankenstein; or, The Modern Prometheus (1818). Het verhaal dat werd geconcipieerd in Byrons Villa Diodati bij het meer van Geneve. Daar denken we aan Lady Blessingtons uiterst populaire Conversations of Lord Byron (1834).

    Gray’s eigen scenario

    De verfilming is werkelijk bijzonder: ‘Frankenstein meets Pygmalion’, met een beetje ‘steampunk’. Maar Gray zou zeker teleurgesteld zijn geweest dat scenarist Tony McNamara de locatie heeft verplaatst van Glasgow naar Londen. Er is bewijs dat de auteur dat zelf nooit zou hebben gedaan. Namelijk Gray’s eigen scenario dat in zijn bundel A Gray Play Book (2009) staat.  Tijdens het schrijven van die roman wist Gray ‘zeker’ dat hiermee een carrière zou beginnen als schrijver voor het bioscoopscherm. Want Frankenstein en horror gothic waren destijds populairder dan ooit en hij had zijn roman met ruime hand voorzien van een negentiende-eeuwse sfeer en de bijbehorende kostuums.

    Een filmscenarioschrijver ziet een ander medium voor zich en moet daardoor afwijken van de gelaagde, postmoderne structuur van een tekst (en in dit geval, ook beeld). Vooral het probleem van de opzettelijke inconsistenties en contradicties oplossen. Wat te doen met de verschillende versies van de werkelijkheid? In dit geval: wie sprak de waarheid? Archie of de weduwe Victoria? Bovendien blijken vanuit het scenario-perspectief de dialogen in Arm ding soms wel er lang en de (bijna-) herhalingen tamelijk overbodig. Zo is Godwin Baxter in zijn sociale en politieke betogen langdradig, net als het lange verhaal van de spoormagnaat. Sterker is dat het geval bij de ‘missionarissen’ zoals Gray ze noemt, Hooker en Astley. Hun ellenlange redevoeringen om Bella te overtuigen, worden spoedig saai en vervelend als je ze door acteurs ziet uitspreken.

    Het boek vertaald naar een filmscenario

    De wanhopige en razende brief van Wedderburn in het boek heeft Gray ‘vertaald’ in een bezoek van twee artsen aan het gesticht waarin de advocaat verblijft. De man begint te vertellen en we zien hem, maanden eerder, opgewekt het huis van Baxter binnengaan en vervolgens Bella het hof maken. Dan zien we de reis van de minnaars door Europa, soms afgewisseld met scènes uit het gesticht, meestal met Wedderburns voice-over. Hetzelfde procedé hanteert Gray voor het weergeven van Bella’s lange reisverslagen.

    Na de zelfmoord van Blessington toont Gray een serie film stills, als uit een fotoalbum: Archie in zijn kantoor; Diens echtgenote in een geanimeerd gesprek met de Fabians Shaw, Wells en Webb; Victoria die de Royal Albert Hall toespreekt over vrouwenkiesrecht; Met haar assistentes in de geboortekliniek; Met haar drie kinderen.

    Arm ding in vertaling van Henkes leest prettig, al had de titel natuurlijk moeten zijn Arme dingen, zoals het origineel in meervoud. Het vertalen leek soms niet eenvoudig. Bella heeft bijvoorbeeld de gewoonte om voor- en achternamen in te korten waardoor ze een dubbelzinnige betekenis krijgen: God, Candle, Bell en Wed. Ze gebruikt ‘wed’ ook als werkwoordelijke aanduiding voor de geslachtsdaad. Maar wat moet de lezer met ‘Kaars’ en ‘huwen’? Blessingtons posh lost Henkes op door hem te laten spreken als corpsleden: ‘polisie’ en ‘justisie’. ‘Lame vrouw los, mneer’. Dat werkt niet altijd goed, maar we mogen Koppernik en Henkes dankbaar zijn dat een prachtboek als Arm ding nu in waardig Nederlands beschikbaar is voor de lezer.

     

     

  • Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    In september verscheen de biografie Een gat in het hoofd, Leven en werk van Heere Heeresma van de hand van radiomaker, presentator en voorheen boekverkoper Anton de Goede. Het is een dik boek geworden dat uitvoerig ingaat op werk en leven van deze schrijver, voor zover dat mogelijk was. Want Heeresma hield zijn privéleven zorgvuldig afgeschermd voor buitenstaanders, pottenkijkers en overheidsdienaren. Daarentegen is Heeresma’s werk – romans, verhalen, gedichten, brieven, ‘porno-persiflages’ en beschouwingen op de radio – zeer toegankelijk. Er verschenen van Heeresma tientallen boekuitgaven, verzamelbundels en herdrukken. Bovendien werd een flink aantal van zijn werken verfilmd en is zijn markante stemgeluid te horen op talrijke geluidsopnamen van gesproken columns voor de radio. Ook sprak hij zelf de luisterversie van een van zijn bekendste boeken in: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.

    Heere Heeresma (1932-2011) werd geboren als zoon van een godsdienstonderwijzer, kennelijk minstens zo eigenwijs als zijn zoon. Heeresma senior overleed toen de jonge Heere elf jaar oud was. De dood van de vader, midden in de Tweede Wereldoorlog, was uiteraard een ingrijpende gebeurtenis voor het gezin, dat naast Heere zelf en zijn moeder inmiddels uit nog twee jongetjes bestond. Bovendien hadden de oorlogsomstandigheden onvermijdelijke gevolgen voor de Heeresma’s.

    Een wonderlijk mens

    Van enige schoolcarrière is in het leven van de schrijver in de dop nauwelijks sprake. Hij bracht jaren door op een internaat waar hem praktisch onderwijs werd geboden. Daarna begon een loopbaan van allerlei verschillende betrekkingen die korter of langer duurden, maar meestal korter. Vanaf het begin van de jaren zestig begon Heeresma duchtig te publiceren en met succes. Met name Een dagje naar het strand (1962) maakte veel indruk. Bij de presentatie van deze biografie zei auteur Anton de Goede: ‘Je kunt veel van Heeresma zeggen, maar hij bracht wel leven in de brouwerij’ en ‘Wanneer de naam Heeresma valt, is een schaterlach nooit ver weg’. Dat moge zo zijn, maar uit het boek rijst toch vooral het beeld op van een wonderlijk mens, met wie de omgang vaak zeer moeilijk tot onmogelijk moet worden genoemd. Berucht was Heeresma om het dwingende beslag dat hij op zijn gezelschap wist te leggen, vaak ongevraagd en soms tot diep in de nacht. Hij bouwde ook een reputatie op wegens zijn veeleisende omgang met uitgevers, die hij geld afhandig maakte door voorschotten te eisen voor boeken die vervolgens nooit verschenen. Dit alles combineerde hij met een onafzienbare reeks sterke verhalen over woonplaatsen, vervoermiddelen, belevenissen en zakelijke successen. Wat ervan waar was wist hij alleen – en waarschijnlijk was dat eigenlijk maar heel weinig. Juist omdat Heeresma met name in de jaren zeventig een aantal sterke en goedverkopende boeken schreef, werd hem veel vergeven. En ja, er viel vaak wat te lachen.

    De schrijver en publicist

    De Goede schrijft overtuigend en goed gestructureerd. In het boek wordt Heeresma behandeld als schrijver en publicist, maar ook als (ontrouwe) echtgenoot en vader, als onverzoenlijke broer, als man van het Bijbels taaleigen, als filosemiet. De auteur bewonderde Heeresma als adolescent, leerde hem in zijn tijd als boekverkoper bij boekhandel Athenaeum persoonlijk kennen en werkte later met hem samen bij de VPRO. Hij stond dus betrekkelijk dicht bij zijn onderwerp en is verfrissend oprecht wanneer hij soms ook gewoon toegeeft niet zeker te weten hoe sommige feiten zich hebben voltrokken. Uit veel verschillende bronnen heeft de biograaf zijn informatie betrokken en heeft daaruit een krachtig en coherent beeld gecreëerd van Heeresma, die desondanks zijn raadselachtigheid volstrekt behoudt.

    Treurig is Heeresma’s persoonlijke lot geweest. Aan het eind van zijn leven wendden zelfs zijn allernaasten zich van hem af. Zoals zijn vrouw, met wie hij meer dan veertig jaar gehuwd was geweest, en zijn zoon Heere Heeresma jr., die tot dan toe kennelijk symbiotisch met zijn vader had geleefd en gewerkt. Senior heeft het ernaar gemaakt, denkt de lezer. Hij stierf uiteindelijk schamel behuisd, armelijk en eenzaam. Daar staat tegenover dat Heere Heeresma iets flikte wat maar weinig schrijvers lukt: in de nadagen van zijn loopbaan schreef hij ‘opeens’ nog een paar boeken die door de pers zeer verrast en met groot enthousiasme werden onthaald, met name Een jongen uit plan Zuid ’38 – ’46, dat zelfs nog in het Duits werd vertaald.

    Toch ook onaangenaam

    Een gat in het hoofd is een smakelijk en met vaart geschreven boek over een wonderlijk, markant en ten slotte toch ook onaangenaam mens, die niettemin een volstrekt eigen plaats inneemt in de Nederlandse literatuur, en deze met enkele onverwoestbare titels heeft verrijkt. Verbluffend is het aantal rake typeringen dat Anton de Goede van Heeresma heeft opgeduikeld, van hen die met hem omgingen of van bewonderaars op afstand. De quote van criticus Wim Zaal, die Heeresma tientallen jaren had gekend, moet wel een van de meest treffende zijn.

    ‘En wat was hij begaafd, zij het slordig van beheer! Bij sommige verhalen denk je: Wat zou dit een meesterwerkje zijn geworden als de schrijver er meer zorg aan had besteed. Maar ik heb geleerd, schrijvers te nemen zoals ze zijn. Heere was een flamboyante melancholicus, een religieuze woningzoekende, een pathologische jongleur, een geldbeluste provo, steeds geteisterd en getroost door de gave van het woord.’

     

    In 2024 stelde biograaf Anton de Goede een bloemlezing samen uit Heeresma’s oeuvre, In 2024 verscheen Heeresma houdbaar / samenstelling Anton de Goed/ (Gedundrukt) bij Van Oorschot. Een signalement daarvan vindt u hier.

     

     

  • Dit is. Echt. Gebeurd.

    Wat te doen als je gedwongen bent te verhuizen maar je wilt je huis niet uit? Dan neem je je huis toch gewoon mee! Dat is in ieder geval wat Annie Miller doet, begin 20e eeuw, in landelijk Idaho. Dit waargebeurde verhaal doet Dave Eggers, gelauwerd schrijver van vele boeken voor kinderen en volwassenen, geestig en beeldend uit de doeken in De bizarre verhuizing van mevrouw Millers villa.

    […]

    Dit originele feitje uit de Amerikaanse geschiedenis zou voor veel Amerikanen onbekend zijn gebleven als Dave Eggers het niet had afgestoft voor zijn boek, en zonder de soepele vertaling van Marion Everink zouden Nederlandse kinderen er al helemaal nooit van gehoord hebben. En dat zou toch jammer zijn geweest. In de aanloop naar die spectaculair trage verhuizing van een heel huis stipt Eggers op natuurlijke wijze allerlei interessante ‘volwassen’ zaken aan.

    Lees de recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Dit is meer dan het zoveelste boek over de Tweede Wereldoorlog

    Jonathan Dimbleby is een bekend Brits historicus en Ruslandkenner, gevierd tv-commentator en presentator voor BBC en ITV. En auteur van veel goed verkopende boeken over de Tweede Wereldoorlog en over Rusland. Geen kleine speler op het overvolle mediaveld van WOII, je moet dus wel wat te bieden hebben wil je je met succes wagen aan weer een – ook nog volumineus – boek op dat gebied. Dat heeft Dimbleby met overtuiging en goed resultaat gedaan. Helaas vliegt hij op het einde, in de epiloog, enigszins uit de bocht.

    Het thema, de titel zegt het al, is de strijd aan het Oostfront die natuurlijk eerder begon dan in 1944, namelijk met Operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie in juni 1941. Dimbleby schreef daarover al een boek, dus pakt de draad logisch op bij het verdere verloop van die strijd en de smadelijke nederlaag van Nazi-Duitsland in 1944, culminerend in de volledige, onvoorwaardelijke overgave aan de geallieerden in 1945. Dat is allemaal bekend terrein.

    Duits en Russisch wangedrag

    De waarde van dit boek is tweeledig. Met een grote mate van – vaak gruwelijke – details wordt de strijd in de loopgraven en daarbuiten op het slagveld beschreven. Dimblebly gebruikt daarvoor krachtige middelen zoals dagboeken, brieven en herinneringen van zowel Duitse als Russische soldaten, van hoog tot laag in rang. Het wordt soms allemaal wat veel van het kwade, maar je wordt wel weer eens met de neus op de afschuwelijke feiten gedrukt. Daarbij heeft Dimbleby ook aandacht voor deportaties onder erbarmelijke omstandigheden.

    ‘Er waren geen medicijnen. Er waren geen dokters. Er was geen ziekenhuis. En mensen gingen gewoon dood. Mijn opa overleed na een week. De zus van mijn moeder… overleed gewoon vanwege het klimaat – door de hitte. En mijn broer van 15 werd bijna doodgeslagen.’ Dit citaat betreft geen Duits wangedrag, maar Russisch. Het gaat hier over de deportatie van de Krim Tataren op last van Stalin en Beria. Vergelijkbare en nog veel schrijnender citaten zijn er in overvloed. Bovenstaand citaat toont aan dat de strijd aan het Oostfront er niet een was van witte engelen, de Sovjets, tegen zwarte duivels, de Duitsers. Integendeel, aan Sovjetzijde zijn er buitengewoon veel voorbeelden van wreedheden, plus door ideologie en rancune veroorzaakt agressief gedrag tegen Joden, met een flink stuk Holocaust ook in dit gebied, en ook tegen de ‘niet zuivere’ Russen aan de randen van de Sovjet Unie. Daarmee wordt de Duitse rol niet minder, maar wel voorzien van een tegenkant.

    De strijd in 1944

    Naast uitvoerige, gedetailleerde informatie over het verloop van de strijd in 1944 aan de diverse fronten met een enorme onderlinge afstand, belicht de auteur de rol van de Duitse machthebbers. Waar de legerleiding nog wel eens een rationele gedachte had over terugtrekking en hergroepering, wimpelde Hitler alle argumenten weg. De Duitse militairen moesten zich dan maar doodvechten, want een laffe terugtrekking zou een eeuwige schande zij voor het ‘Herrenvolk’ dat immers toch zou gaan winnen. En Hitler maakte korte metten met allen die in zijn optiek in de weg liepen van de ‘Endsieg’. En tenslotte is boeiend dat het niet alleen ging om Duitsland en Rusland die tegen elkaar vochten, maar ook om vele ‘non state actors’ als Oekraïense fascisten, Hongaarse Pijlkruisers en diverse partizanengroepen met uiteenlopende vijanden.

    De tweede verdienste van dit boek is de weerlegging van de mythe dat de landing in Normandië op 6 juni 1944, D day, de beslissende wending in WOII zou hebben veroorzaakt. Dat was, onverlet de enorme verdiensten van die operatie, niet zo. Het Russische verzet aan het Oostfront en het terugdringen van de Nazi’s, ten koste van vele miljoenen slachtoffers, heeft bij die wending een minstens zo belangrijke rol gespeeld. We weten dat allemaal misschien wel, maar vergeten het soms of verdringen het in onze woede over het optreden van de huidige Russische machthebbers jegens Oekraïne.

    Directe lijn van toen naar nu

    In een epiloog van 14 bladzijden na 554 pagina’s tekst trekt de auteur een directe lijn van de toenmalige strijd aan het Oostfront en de belegerde Sovjet Unie naar de oorlog van Poetin met Oekraïne. Hij vergoelijkt zeker niet de agressie van Poetin maar wijst wel op de gevoeligheden in Moskou rond de (vermeende) snelle uitbreiding van de NAVO oostwaarts. Dimbleby wijdt drie pagina’s aan de jaren 90 waarin na het uiteenvallen van de Sovjet Unie en het einde van de Koude Oorlog bij de nieuwe Russische machthebbers door het Westen bij monde van de VS de indruk werd gewekt dat de NAVO niet die kant op zou uitbreiden. Maar de auteur meldt dat over de beroemde ‘not an inch’ uitspraak van VS-zijde tussen historici nog steeds een strijd woedt. Hij kiest geen partij maar begrijpt de gekwetste Russische gevoelens over die NAVO-uitbreiding wel. De NAVO-uitbreiding als feit was ‘een vernederende wetenschap’.

    Plan van Churchill

    Eerder in het boek behandelt Dimbleby de verhoudingen tussen de Sovjet Unie, Engeland en de Verenigde Staten in de periode 1943-1945. Hij beschrijft zonder veel nieuwe inzichten de conferenties van Teheran en Yalta in respectievelijk 1943 en 1945 en die van Potsdam na de Duitse capitulatie. Interessant, maar weinig werkelijk nieuws over de bekende uiteenlopende houding van Churchill en Roosevelt tegenover Stalin, en de betekenis van Roosevelts opvolging door Truman. Vast bekend bij insiders maar voor veel lezers misschien wel nieuw zijn de plannen van Churchill uit het late voorjaar van 1945 om deels met hulp van een herbewapende Wehrmacht een oorlog te beginnen tegen de Sovjet Unie. De aarzelingen bij de Britse legerleiding en vooral de stellige afwijzing van het plan door de VS deden de plannen in de lades van Downing Street 10 belanden.

    Jammer van het oppervlakkige einde, bij zo’n grondig boek past geen haastige epiloog. Maar Eindspel: 1944 blijft waardevol en interessant voor leek en historicus en wie niet opziet tegen hier en daar bombastisch taalgebruik heeft een op het oog volledig overzicht van 1944, wat velen als het beslissende jaar in WOII beschouwen. De huidige geopolitieke spanningen zijn deels maar niet uitsluitend veroorzaakt door de machthebbers in het Kremlin, maar mogen ons niet de ogen doen sluiten voor de heroïsche strijd van Moskou om de Nazi’s  diep in hun eigen land terug te dringen en buiten de deur te houden. Ongetwijfeld had Stalin met dit laatste zijn eigen geopolitieke agenda op het oog en verschoof de optiek langzaam maar zeker van het winnen van de strijd tegen Duitsland naar het moeizaam vormgeven van de naoorlogse wereldorde. Dat die nu weer fundamenteel op het spel staat geeft Dimbleby’s boek een actualiteit die verder gaat het zoveelste boek over 1940-1945.

     

     

    Eindspel: 1944 - Hoe Stalin de oorlog won

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won

    Jonathan Dimbleby

    Met illustraties

    Translation by: Auke Leistra

    Uitgever: De Arbeiderspers (2024)

    ISBN 9789029552943

    660 pagina’s

    Prijs: € 34,99

    Buy with Libris
  • In plaats van rouwen een boek

    Op het omslag van Bewonen in wat je overkomt van Gerard Visser staat het schilderij ‘L’oiseau noir et l’oiseau blanc’ van George Braque. De schilder was in zijn werk voortdurend op zoek naar het evenwicht tussen spontaniteit en structuur. Of zoals je zou kunnen zeggen: tussen rede en emotie.
    Het is een mooie keuze voor de uitgave van het dagboek dat de filosoof Visser van 1979 tot 1989 bijhield. In die jaren gaf hij filosofiecolleges en werkte hij aan zijn proefschrift Nietzsche en Heidegger. Een confrontatie. Maar ook was het de tijd waarin hij en zijn vrouw Riet een ernstig gehandicapte dochter, Noortje, kregen en opvoedden. Het zijn de twee hoofdlijnen van het dagboek die Visser met elkaar weet te verstrengelen: ‘Filosofie biedt de mogelijkheid om onbevangen op het leven te reflecteren, maar omgekeerd kan niets de filosofie zo beproeven en inspireren als het leven zelf’.

    Een sleutel voor die verbinding is Vissers uitleg van het begrip ‘Gelassenheit’ bij Heidegger. Vertaald als ‘gelatenheid’ betekent het volgens Van Dale lijdzaamheid, berusting. Visser vindt dat te passief. Hij gaat er steeds meer een actieve levenshouding in zien: een kunnen laten zijn of kunnen laten gebeuren. De titel van het dagboek hangt daarmee samen; hij komt uit een notitie van 25 maart 1980: ‘Het zijn is uitgebreider dan wij zelf. We moeten leren bewonen wat ons overkomt’.

    Noortje

    In de eerste maanden na de geboorte is er ongerustheid over Noortje. Haar ogen zien dof en haar handjes staan scheef. Daar komen geleidelijk meer symptomen bij als een weigering om te eten, het hoofd niet omhoog kunnen houden, spastische bewegingen enzovoort. Wat misschien wel het meest tragisch is aan de jaren die Visser beschrijft is de houding van de medici die worden geraadpleegd. Ze spreken elkaar tegen en steeds komen er nieuwe diagnoses en behandeladviezen die vaak worden uitgesproken met een aplomb dat vooral onwetendheid verhult.
    Een van de dieptepunten is de reactie van een huisarts als moeder Riet hem zegt dat ze Noortje, die bijna louter fysieke problemen heeft en wel degelijk intelligent is, liever niet naar een groep met geestelijk gehandicapten laat gaan: ‘Ik zie niet in waarom niet’. Het kind wordt gezien als een geval; wie stelt nog de vraag ‘Wie ben jij?’

    Rouw

    Er worden op advies van (para)medici behandelmethoden ingezet die Noortjes situatie zelfs verergeren. Pas jaren later blijkt sprake te zijn van een stofwisselingsstoornis. Er is in de lange rij specialisten en alternatieve genezers die de ouders uit wanhoop zijn gaan raadplegen, maar één arts geweest die die mogelijkheid ooit geopperd heeft. Om maar enig houvast te krijgen heeft het echtpaar zelfs een astroloog geraadpleegd en – hoe tragisch – de schuld bij zichzelf gezocht. Visser in zijn Nawoord: ‘Je zou kunnen promoveren op de gevolgen van een foutieve diagnose’. Toch is zijn conclusie dat hij al die jaren nooit meer zou willen overdoen, maar evenmin had willen missen. Wat er rond Noortje allemaal fout ging roept bij Visser de vraag op of daarover ook rouw mogelijk is. Reflecterend op de vraag of hij de pijn bij zichzelf voldoende heeft toegelaten concludeert hij als een ‘misschien’: ‘In plaats van te rouwen schreef ik het boek. Als zij [Noortje] zelf niets tot stand zou kunnen brengen, dan was dat er in elk geval. Maar nu het boek er is…’

    Lustprikkels

    De gebeurtenissen leiden in de jaren van het dagboek tot filosofische bespiegelingen over het leven. Vaak gebeurt dat tijdens het werk aan het proefschrift. In die gevallen zijn de aantekeningen niet altijd helder voor de lezer die weinig in Heidegger of Nietzsche ingewijd is. Die zal zich mogelijk herkennen in de reden voor de afwijzing van een subsidie voor de publicatie van het proefschrift door het ZWO (Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek): ‘moeilijk toegankelijk’ (het zou later toch verschijnen).

    Maar daar staan tal van beschouwingen tegenover die iedere lezer zullen aanspreken of op zijn minst aan het denken zetten. Zoals: ‘Er heerst in onze wereld een zeker verbod op het lijden. In zo’n wereld neemt de lust af. Een onbestemde onlust hoopt zich op, die door de markt van welzijn en geluk wordt bestreden met een overdaad aan infantiliserende lustprikkels’. Dat schreef Visser in 1983 al. Het is 42 jaar later nog een stuk erger geworden.
    Of deze: ‘Dat voor even het verschil tussen binnen en buiten áls verschil intact blijft en niet wordt opgeheven ten faveure van een van beide, dat kan de bekoring zijn van iets wat in de woningbouw van tegenwoordig zeldzaam is geworden: het portiek’.

    In het dagboek staan verder prachtige observaties over natuur en kunst. Visser heeft oog voor het detail, zoals wanneer hij onderweg in Leiden ziet: ‘Aan de tekenstift van Rembrandts borstbeeld aan de Witte Singel hing een druppel’.

    Misschien liet Visser de rouw niet toe en verstopte hij zich er voor in zijn boek. Waarmee hij zijn proefschrift bedoelde. Maar met dit andere boek, Bewonen wat je overkomt, geeft hij de rouw alsnog alle ruimte.

     

  • Volharding der herinnering

    De beknopte versie van De Violist van Ingrid de Vries behoorde tot de zeven beste inzendingen voor het boekenweekgeschenk 2025. Er waren zo’n honderdvijftig inzendingen, dus dat is een knappe prestatie. De Vries publiceert sinds 2021, De Violist is haar derde roman. Haar eerder gepubliceerde boeken – Schijnvrucht en Water val – werden goed ontvangen. De Violist is een kleine roman, in een krappe honderdvijfenzestig pagina’s wordt er grofweg en heel mensenleven beschreven.

    Het verhaal gaat over de vriendschap tussen Laurens en Guido, verbonden via de viool. Ze ontmoeten elkaar in Zoutkamp als Guido met zijn raam open staat te spelen en Laurens als zestienjarige jongen aanbelt en hem vraagt: ‘De muziek…wat was dat voor muziek?’ Geobsedeerd door het instrument en de muziek moet en zal hij viool leren spelen. Guido wordt zijn leraar en vriend. In drie jaar wordt Laurens klaargestoomd voor het conservatorium waarna hij met de noorderzon vertrekt. Na eenenvijftig jaar ontmoeten ze elkaar weer, maar Laurens heeft dan inmiddels Alzheimer.

    Vriendschap als rode draad 

    In de tussenliggende jaren zijn ze elkaar in gedachten trouw gebleven. Tenslotte is een lange vriendschap eigenlijk ook een soort huwelijk, met zijn eigen beloftes en verwachtingen. Elkaar achterlaten doe je niet zomaar zonder reden. Omdat het verhaal, met grote hink-stap-sprongen, een tijdspanne van ruim vijftig jaar behelst, blijft hun vriendschap wat oppervlakkig. Ze schelen twaalf jaar, en vinden het zelf ook moeilijk om hun band te definiëren. Tijdens hun laatste moment samen is te lezen: ‘In gedachte probeert Guido hun band een plaats te geven. Zijn ze vrienden, leraar en leerling, vader en zoon, broers? Alles tegelijk, denkt Guido.’ Hun levens worden afwisselend verteld. Laurens gaat naar het conservatorium in Utrecht, studeert af, speelt bij orkesten, doet concerten, trouwt, krijgt kinderen, gaat scheiden, hertrouwt en krijgt Alzheimer. Guido blijft in Zoutkamp, krijgt een relatie die uiteindelijk toch strandt en volgt Laurens’ leven via nieuwsberichten uit de muziekwereld. Beiden blijven hun hele leven viool spelen. Alle levensfases in die vijftig jaar dat ze elkaar niet zien, blijven ertussen hangen.

    Laurens is mysterieus en gesloten vanaf het moment dat hij bij Guido binnenstapt. Over zijn thuissituatie laat hij niets los. Maar dat hij Zoutkamp zo snel mogelijk wil verlaten, laat hij al snel blijken. Zonder tussenkomst van Guido schrijft hij zich in bij het conservatorium en zoekt een kamer. Hij laat Guido maar tot op een bepaalde hoogte toe. Want zodra hij zijn eigen uitvlucht heeft gepland, speelt Guido geen rol in zijn vertrek. Hulp met verhuizen wordt afgewimpeld, en zijn nieuwe adres krijgt Guido niet. Bij het afscheid blijft Laurens koeltjes. ‘Laurens maakt zich als eerste los. “Dan ga ik maar.” Hij beent weg met haastige passen. Zonder om te kijken verdwijnt hij om de hoek van de straat.’

    Geen hoop op een weerzien

    Guido is gevoeliger, van hem krijgt de lezer een stuk meer te weten. Hij mist Laurens, staat meerdere keren op het punt om hem op te zoeken. Maar doordat Laurens een schild om zich heen heeft gebouwd, is er iets wat hem tegenhoudt. Andere aspecten van Guido’s leven worden niet uitgebreid behandeld, zoals de band met andere vrienden of familieleden. Hij blijft zijn hele leven in Zoutkamp wonen, en verliest de hoop om Laurens ooit terug te zien niet.

    Laurens’ mysterie wordt pas op het eind van de roman opgeheven, dan weet het verhaal echt te raken. Ironisch genoeg leert de lezer Laurens het beste kennen wanneer hij al dement is. Zijn gedachtegang, gevoelens en frustraties komen in die fase uitgebreid aan bod. Evenals zijn thuissituatie en de reden van zijn trauma. Bijvoorbeeld tijdens een verwarde autorit die maar liefst zes pagina’s in beslag neemt. Of in de hallucinaties die Laurens heeft over zijn broer. Ontsnapping is een terugkerend thema in het verhaal. Laurens is op de vlucht. Eerst van thuis naar Guido, dan van Guido naar Utrecht en vervolgens blijft hij nergens lang wonen. Ook tijdens zijn ziekte stapt hij vaak in de auto, waarna hij een paar keer verdwaald. In zijn vlucht verliest hij het contact met Guido, zijn familie en uiteindelijk zijn geheugen. De vergankelijkheid van het leven wordt daardoor pijnlijk beschreven. De muziek blijft Laurens’ enige stabiele identiteit, zelfs als al het andere is weggevallen. De viool geeft hem een stem. Om het thema meer kracht bij te zetten had de vriendschap tussen hem en Guido wel wat meer uitgediept mogen worden. Hun gevoelens voor elkaar hadden het verhaal nog meer versterkt.

    Afscheid en vergankelijkheid

    Soms zijn er lange beschrijvingen van de omgeving en mist er  een verdieping van de plot. Die twee kunnen elkaar prima complementeren, maar dan moet het wel een natuurlijk verloop hebben. Nu ontstond er soms een afkeer in plaats van de beoogde verplaatsing in het perspectief en de situatie. Ook had die ruimte wellicht beter gebruikt kunnen worden voor meer diepgang van de personages en hun vriendschap, meer achtergrond over Laurens’ familie of zijn emotionele worstelingen.

    Het nawoord is ontroerend, wat een verdriet zit er in dit verhaal verweven. De Vries baseerde deze kleine roman op Albert Huisman en haar vroegere levensgezel Willem Jan Wegerif. Beide violist, beide getroffen door Alzheimer. De muziek bleef voor hen intact, zoals dat ook bij Laurens het geval was. Eigenlijk verdient het boek een tweede lezing omdat aan het eind de fundamenten van Laurens’ leven pas duidelijk worden. Afscheid en vergankelijkheid zijn universele thema’s die het verdienen om vereeuwigd te worden op papier.

     

     

  • Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    De witte dame van de mijn is een ontluisterende en noodzakelijke roman van de Russische schrijver en ‘buitenland agent’ Sergei Lebedev (1981). Een huiveringwekkend verhaal rond de vliegramp van de M17, gezien door de ogen van vier personages in de Donbas. Lebedev is in 2018 voor zijn eigen veiligheid verhuisd van Moskou naar Berlijn. Hij is een van de bekendste schrijvers van zijn generatie. In de meeste van zijn boeken doet hij onderzoek naar de psychische gevolgen van de Goelag op de Russische samenleving.

    Als kind zocht Lebedev naar mineralen en bergkristallen in verlaten mijnen om zijn zakgeld aan te vullen. Daarbij stuitte hij op resten van voormalige kampen uit de Goelag. Vanaf zijn vijftiende was hij jarenlang veldwerker bij geologische expedities in het Verre Noorden van Rusland en in Centraal-Azië, de voormalige Goelag gebieden die onbewoond waren gebleven nadat de gevangenkampen halverwege de jaren zestig waren gesloten. Als journalist schreef hij vanaf 2010 artikelen en romans over het Sovjetverleden. Met name over de gevolgen van de onderdrukkingen en vervolgingen die daar plaatsvonden. In De witte dame van de mijn verbindt hij de beginnende Russische agressie tegen Oekraïne na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie met het neerhalen van vlucht MH17 boven de Donbas.

    Versteende slachtoffers

    In een interview vertelde Lebedev dat hij al langer een roman wilde schrijven die in de Donbas speelt, omdat de holocaust nog verder naar het Oosten ging dan Baby Jar in Kiev waar de nazi’s meer dan dertigduizend Joden hebben vermoord. Bij hun terugtrekking uit de Donbas vernietigden ze alle sporen. Het was een van de dichtstbevolkte joodse gebieden in de Sovjet-Unie en tienduizenden Joden werden in de mijnschachten terechtgesteld en achtergelaten. Toen de Sovjets na de oorlog de schachten openden, sloten ze die onmiddellijk weer af nadat ze er een blik in hadden geworpen. Tienduizenden versteende slachtoffers bevinden zich nu nog in de mijnen en de Sovjets wilden het leed van de Joden niet openbaar maken.

    Op 17 juli 2014 werd vlucht MH17 boven datzelfde gebied uit de lucht geschoten. De brokstukken van het vliegtuig, de lichamen en de bagage van de passagiers lagen over vele kilometers verspreid, een beeld dat Lebedev jarenlang achtervolgde. Als hij in februari 2022 ziet dat Russische pantservoertuigen met halve hakenkruizen (Z) de grens oversteken, besluit hij dat het tijd is voor deze roman. Het absurdistische en cynische verhaal speelt over vijf dagen in juli 2014. Elke dag heeft als titel de naam van een van de personages: Jeanne, Valet, De Generaal en De Ingenieur. De laatste dag is getiteld Jeanne. Per hoofdstuk wisselt Lebedev van perspectief.

    Hoofd van de wasserij

    Het eerste hoofdstuk op de eerste dag gaat over Jeanne, de dochter van Marianne die drie decennia hoofd van de wasserij van de mijn is geweest. De vader van Jeanne was in 1996 overleden tijdens een mijnramp. Nadat de mijn werd gesloten, ging Marianne voor een half jaar als ziekenverzorgster naar Graz in Oostenrijk. Na terugkeer was zij ziek en bedlegerig. Ze wilde geen dokter en of andere hulp inroepen. Tijdens haar ziekte, wat kanker bleek te zijn, ondervond Marianne een complete persoonsverwisseling. Terwijl Jeanne in de kamer naast haar moeder sliep, overleed  Marianne. Een ambulancebroeder zei over haar moeder: “Zo uit het concentratiekamp’.  Dat deed Jeanne denken aan een verlaten mijnschacht: ‘Het hele dorp wist wat, of liever wie er in die schacht lag. Het was een geheim dat geen geheim was.’  Aan het eind van die dag ziet Jeanne nog een lijnvliegtuig, dat oplost in de lucht.

    Aan het begin van de tweede dag begluurt Valet zijn opgroeiende buurmeisje Jeanne. Hij zag ook het geleide luchtafweer raketsysteem Omela langsrijden. Het zijn in de roman de eerste voortekenen van het neerschieten van een lijnvliegtuig zoals Jeanne dat in de lucht zag verdwijnen. Op de derde dag, getiteld ‘Valet’, ziet Valet de brokstukken van MH17 neerkomen.

    Valets vader overleefde – verminkt – de mijnramp. Als jonge man dacht Valet dat er in de mijnschacht een geheime raket verborgen was,  maar van zijn vader hoorde hij dat er Joden lagen. Hij zocht er naar gouden kronen en vermoordde een zwerver die hem betrapte. Toen buurvrouw Marianne dat ontdekte, liet zij hem wegsturen. Jaren later , als Marianne op sterven ligt, komt Valet  terug uit Moskou. Hij bespiedt hun huis terwijl Marianne naakt op bed ligt en Jeanne zich in een witte stofjas over haar heen buigt. Die aanblik windt hem op, en om wraak te nemen, wil hij Jeanne overweldigen.

    Dossier Sneeuwwitje

    In de volgende hoofdstukken vertelt Lebedev het verhaal zodanig dat ze naadloos op elkaar aansluiten. De Generaal ziet ook het luchtafweerraketsysteem voorbij komen: ‘Maar zonder het te maskeren, de idioten!’ Als lid van de KGB had De Generaal dertig jaar eerder een dossier aangelegd met onderzoek naar de wasvrouw Marianne: Dossier Sneeuwwitje. In de omgeving van de mijnschacht was een executieplaats geweest van de NKVD, de voorloper van de KGB, er lagen duizenden mensen onder de grond. Nu zou hij haar kunnen ‘vastzetten en martelen’. En hij bedacht dat hij De Ingenieur, de man die de mijn ontworpen en gebouwd had, zou moeten spreken.

    Vanuit De Ingenieur, die paleontologie studeerde en uiteindelijk mijnbouwingenieur werd, wordt het nachtmerrieachtige verhaal over de ‘lijken van de gevangenen van de noordse strafkampen die aan de permafrost zijn vrijgegeven’ vertelt. De lijken liggen gestapeld in lagen: ‘op de door de Duitsers doodgeschoten, krijgsgevangen genomen soldaten van het Rode Leger. Daaronder de door de bolsjewieken doodgeschoten arrestanten uit de Sovjetgevangenissen, toen het Rode Leger terugtrok. Daaronder de tijdens de Burgeroorlog door optrekkende of zich terugtrekkende […] legers terechtgestelde, toevallig tot gijzelaar gemaakte dorpelingen… Daaronder de gedode stakers van de eerste revolutie, die van 1905.’

    In zijn verhaal ontvouwt Lebedev langzamerhand de gruwelijkheden uit de geschiedenis van de voormalige Sovjet-Unie, en van Oekraïne in 2017 aan de hand van de door hem bedachte personages.

    Neergehaald vliegtuig

    Op de derde dag ziet Valet een vliegtuig dat met zijn neus naar beneden komt en in de lucht uit elkaar valt. Hij ziet brokstukken neerkomen, een roze koffer met sieraden, polshorloges en andere persoonlijke eigendommen. Het is hem duidelijk dat er een passagiersvliegtuig is neergehaald. Hij vindt een ‘overdadig vrouwelijk’ lichaam en is ‘bang haar als dode aan te raken’, ondanks de ‘onverminderde aantrekkingskracht’. Ook vindt hij een kristallen flesje met een gouden lipstick. Die zal hij aan Jeanne geven en zeggen dat hij die in Moskou gekocht heeft. Lebedev laat hem cynisch en in misogyne fantasieën denken dat Jeanne haar lippen zou stiften ‘met de lipstick van dat dooie wijf.’

    De Generaal bedenkt dat hij een flinke leugen nodig zal hebben om een verklaring te geven voor het neergeschoten vliegtuig. Maar hij kan niets meer verzinnen. En De Ingenieur denkt aan de Witte Dame, ‘de wasvrouw’ die niet alleen het kwaad van de nazi’s witwaste, maar van alle misdaden, van alle achtergelaten lichamen.

    Op de vierde dag ontdekte Jeanne een vrouw die in de voortuin is gevallen. Valet kwam naar haar toe gelopen en geeft haar de lipstick. Zij vraagt zich af waar hij zo’n dure lipstick vandaan heeft en vermoedt dat hij die uit iemands bagage moet hebben gestolen. Ze stift haar lippen en trekt een witte jurk aan. Hij nodigt haar mee uit naar een dancing waar Jeanne danst terwijl Valet zich overgeeft aan meer misogyne gedachten. De Ingenieur ziet de (jonge) Witte Dame als ‘de kus van de oorlog en het sacrament van de leugen.’

    De roman eindigt de volgende ochtend met Jeanne, na een bizarre en dramatische gebeurtenis de avond daarvoor bij de dancing. In een wat apocalyptische scene verlaat ze haar huis en komt terecht in een ‘reusachtige, onderaardse ruimte waarin een heel land was afgedaald.’ Dan weet ze dat haar toekomst ligt in ‘de tunnels en kelders, de mijngangen de metrolijnen, vol met mensen.’ Lebedev eindigt dit aangrijpende verhaal met heldhaftigheid en medemenselijkheid zoals de meeste Oekrainers dit heden ten dagen steeds laten zien.

     

     

  • Buiten de eigen bubbel willen denken

    Margot Brouwers debuut als schrijver, Sterrenstof zijn wij, draait om ‘een gemeenschappelijke visie: een coherente levensbeschouwing waarin natuurwetenschappen en zingeving elkaar versterken’.

    Brouwer heeft ‘als zinzoekende natuur- en sterrenkundige’ daarbij filosofie te hulp geroepen. Met name die van Spinoza (1632-1677), die hen (Brouwer is non-binair) op het spoor kwam door een van de heldere boekjes van de inmiddels overleden theoloog Jan Knol. En dan toegespitst op Spinoza’s adagium ‘Deus sive natura’ (God ofwel de Natuur), al komen er ook heel wat andere geleerden voorbij uit allerlei hoeken en gaten van de wetenschap en de wereld, van vroeger en nu.

    Benedictus de Spinoza

    In diens boek omschrijft Brouwer Spinoza’s filosofie als pantheïstisch (God is in alles), hoewel panentheïstisch (alles is in God) misschien adequater is. Maar daarover zou je in discussie kunnen gaan. Iets dat helemaal in diens lijn ligt, want de auteur staat dit nadrukkelijk voor: ‘Ik wil lezers inspireren het gesprek aan te gaan: met mij, met gelijkgestemden, maar ook met mensen die je uit je vertrouwde denkwereld kunnen lokken’. Hen wil als gezegd niet alleen een bijdrage leveren ‘aan een positieve dialoog tussen natuurwetenschap en zingeving’, maar ook – zoals de ondertitel van het boek luidt – ‘ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven’ bieden.

    Opvallend is de manier waarop hen dit doet. Elke titel van de zeven delen waaruit dit omvangrijke boek bestaat, is een vraag: Waar ben ik? Bestaat God? Heeft het bestaan zin? Wat kunnen we weten? Wie ben ik? Waarom bestaat het kwaad? Waar ga ik heen als ik sterf? Dit geeft niet alleen aan dat Brouwer zich niet verbeeldt de waarheid in pacht te hebben en antwoorden kant en klaar op te kunnen dissen, maar het maakt de lezer ook nieuwsgierig welke weg wordt ingeslagen om tot antwoorden te komen.

    Elk deel begint met een persoonlijk Intermezzo. Zo lezen we dat de kleine Margot al vanaf het zevende levensjaar sterrenkunde wil gaan studeren. Alle muren van diens kinderkamer zijn bedekt met afbeeldingen van sterren en planeten. Op onware grootte, om met Nicolaas Matsier te spreken (in 2023, over zijn fascinatie voor verkleiningen). Kind kunnen blijven en als volwassene het universum proberen te begrijpen; is dat wat Brouwer doet?
    Uiteindelijk worden ‘planten, dieren, mensen, jijzelf, de zon, maan en sterren, de natuurwetten en zelfs het universum (…) door God verklaard of veroorzaakt’. Ze bestaan, zoals Spinoza meende, ‘in God’.

    Nieuwe vorm van zingeving

    Voor Brouwer maakt Spinoza’s filosofie ‘het (…) mogelijk om een nieuwe vorm van zingeving te ontdekken die niet in tegenstellingen is tot de natuurwet, maar er juist op is gebaseerd’. Spinoza’s denken gaat niet uit van doeloorzaken, zoals Aristoteles deed, maar van de causale oorzaken van de wiskunde. Een steen valt niet omdat God dat wil, maar door de zwaartekracht. ‘Doeldenken maakt ons blind voor de intrinsieke waarde van de natuur zoals zij op zichzelf bestaat: onafhankelijk van enig nut voor de mensen. Zoeken naar zin sluit ons af van het diepe spirituele besef dat alles al volmaakt is.’ Helemaal vanuit Spinoza gedachte zinnen.

    Tijdens een lezing van de Russisch-Amerikaanse fysicus Andrei Linde stelde Brouwer eens een vraag. Alleen omdat hen ‘het antwoord wilde weten’. Volgens Spinoza is het moment toen en daar, op dat moment er rijp voor, wat dus dieper gaat dan alleen het antwoord willen weten. Overigens maakt Brouwer ook aantekeningen bij de redeneringen van Spinoza. Bijvoorbeeld bij stelling 4 uit het derde deel van de Ethica, het boek waartoe de auteur zich grotendeels bepaalt: ‘Geen ding kan worden vernietigd, tenzij door een uitwendige oorzaak’. Brouwer zet daar tegenover dat er ‘wel degelijk dingen bestaan die vanzelf uit elkaar vallen’, zoals lithium. Maar daarbij moet dan wel worden aangetekend dat lithium pas lang na Spinoza, in 1817, door Johan Arfwedson werd ontdekt. Hen deed in dit geval dus aan postdatering.

    Innerlijke rust en vrede

    Ook is de auteur het niet eens met Spinoza’s definitie van geluk als de gemoedstoestand van innerlijke rust en vrede, die je altijd moet proberen te bereiken, omdat hen wel blijdschap kan ervaren, maar niet ‘het volmaakte, blijvende geluk’. Dat kan misschien ook niet in de grote voorbeelden die Brouwer noemt (een relatie, prestigieuze baan, grote reis, mooi huis) maar misschien eerder door op een eenvoudige manier te leven, zoals Spinoza deed. En niet door – zoals Brouwer voorstelt – ‘je overlevingsbril’ (conatus noemt Spinoza dat) af te zetten, want die is ook bedoeld om een beter mens te worden in de wereld(politiek) en niet om jezelf per definitie neer te leggen ‘bij je eigen beperktheid’.

    Brouwer komt in deel 7 van de studie uiteindelijk uit bij Spinoza’s besef dat ‘bewustzijn onsterfelijk is’, het weten dat de dood niet hoeft te worden gevreesd, zoals hen als kind en jongvolwassene deed. Het is dat weten waardoor die zich ‘nooit tevredener gevoeld [heeft] dan hier en nu (…) reflecterend op [diens] eeuwige eenheid met het Al’. In de wetenschap dat volgens Spinoza ideeën voortleven in een ander.

    Al met al is Sterrenstof zijn wij niet alleen buitengewoon rijk qua ideeën, maar ook nog eens gewoon fraai geschreven, met de nodige lichtheid, humor (‘wie heeft nooit van een collega gedacht: loop naar de maan!’) en zelfrelativering. Bijvoorbeeld wanneer hen schrijft dat bijna iedereen last heeft van ‘duistere, geniepige gedachten’ en vervolgt met: ‘Wat zeg je? Ik ook? Hoe kom je daar nou bij?’ Een hoopvol boek voor iedereen die buiten de eigen bubbel wil denken en nieuwsgierig is naar de combinatie van natuurwetenschap en zingeving.

     

  • Luisteren naar wat onuitgesproken blijft

    Eljakim van de Sande is een veelzijdige kunstenaar die zich beweegt tussen muziek, theater en literatuur. Hij studeerde kleinkunst in Utrecht, bracht in 2018 het album Sway uit onder zijn artiestennaam Celsus en ontwikkelde zich tot een maker die verschillende disciplines combineert om thema’s als identiteit, herinnering en vervreemding te verkennen. Zijn debuutroman Kostganger past perfect binnen dat artistieke universum. Het boek maakt deel uit van een breder project waarin ook een theatervoorstelling en een muziekalbum voorkomen. Van de Sande is dus niet enkel schrijver in de traditionele zin, maar eerder een verhalenverteller die zijn publiek op verschillende manieren laat nadenken over wat het betekent om thuis te zijn — of juist niet.

    Kostganger speelt zich af in een afgelegen dorp in het noorden van Nederland, waar sinds Hemelvaartsdag 1973 niets meer lijkt te zijn zoals het was. De tijd staat stil, de bewoners volgen hun routines zonder doel, en er hangt een sluier van leegte over alles. De grote dag van het dorp, de jaarlijkse Lambertusmarkt, krijgt van jaar tot jaar minder betekenis tot grote frustratie van de inwoners. In die verstilde gemeenschap groeit Lenno op, een jonge man die het onbehagen voelt, die beseft dat er iets niet klopt, dat er iets verloren is gegaan. Hij wil antwoorden, maar niemand spreekt nog echt. Vanuit zijn perspectief — en dat van enkele andere dorpsbewoners — ontvouwt zich een verhaal dat evenveel over stiltes als over woorden gaat. Wat er precies gebeurde op die bewuste dag in 1973 blijft onduidelijk, maar de nasleep ervan is voelbaar in elk gebaar, in elk huis, in elke herhaling van het dagelijks leven.

    Fragmentarische novelle

    De roman is compact, nauwelijks meer dan honderd bladzijden, en voelt daardoor eerder als een novelle dan als een klassieke roman. Toch weet Van de Sande in die beperkte ruimte een gelaagd verhaal te schetsen. De opbouw is fragmentarisch: losse scènes en gedachten wisselen elkaar af, zonder strakke chronologie. Die keuze benadrukt het gevoel van desoriëntatie dat de personages ervaren. De structuur van het boek doet denken aan het ritme van herinneringen: losse flarden, herhalingen en echo’s. De spanning zit niet in grote gebeurtenissen, maar in de traagheid van het vertellen, in wat onuitgesproken blijft en in de kleine breuken tussen de zinnen.

    Van de Sande schrijft in een sobere, poëtische stijl die soms doet denken aan de ingetogen toon van een auteur als Tommy Wieringa in Dit zijn de namen. Zijn taal is zuinig, maar geladen; elke zin lijkt zorgvuldig gewogen. Er is veel aandacht voor sfeer en ritme, voor de cadans van stilte. De beschrijvingen van het landschap — het vlakke noorden, de weidse lucht, het beklemmende niets — versterken precies het gevoel van die verstilling. Het is een taal die vertraagt, die de lezer uitnodigt om te luisteren naar wat onuitgesproken blijft. De stijl is introspectief, maar nooit ontoegankelijk: juist door zijn eenvoud weet Van de Sande diepe emotie op te roepen.

    Stilstaan of losbreken

    De personages zijn grotendeels schaduwen, schimmen van mensen die ooit vol leven waren. Lenno is de enige die zich lijkt te verzetten tegen de lethargie van het dorp, al weet ook hij niet precies hoe. Zijn drang om te begrijpen, om los te breken, verwijst naar de centrale thematiek: de spanning tussen blijven en vertrekken, tussen herinnering en vergetelheid. De andere bewoners verbeelden collectieve stilstand, een gemeenschap die de pijn van vroeger niet kan benoemen en daardoor vastzit in zichzelf.

    De dieperliggende betekenis van Kostganger ligt in de manier waarop het boek het begrip ‘thuis’ onderzoekt. Wat betekent het om ergens thuis te horen als dat thuis zelf ontzield is geraakt? Het dorp staat symbool voor het menselijk verlangen naar geborgenheid, maar ook voor de angst om te verdwijnen in de sleur van het bekende. De gebeurtenis op Hemelvaartsdag 1973 — waarvan de aard nooit volledig wordt onthuld — fungeert als metafoor voor trauma: iets wat zich ooit voltrok en sindsdien het ritme van het leven onzichtbaar bepaalt. In die zin gaat Kostganger niet alleen over een plaats of een tijd, maar over het onvermogen om vooruit te komen zolang het verleden niet is doorleefd. Het is een roman over stilstand, over de stilte na een breuk die nooit geheeld is.

    Muzikale compositie

    Van de Sande’s achtergrond als muzikant en theatermaker is voelbaar in de compositie van het boek. De zinnen hebben muzikaliteit vol herhaling en ritme. Tegelijkertijd roept het boek een sterk visueel beeld op: het dorp als decor, de trage beweging van de dagen, de dreigende wolkenlucht. Het is alsof elk hoofdstuk een scène is, elke passage een klank. Daarmee overstijgt Kostganger het puur literaire: het is een zintuiglijke ervaring waarin tekst, geluid en beeld in elkaar overlopen.

    Als literair debuut is Kostganger bijzonder geslaagd. Het is een ingetogen, bedachtzaam werk dat zijn kracht vindt in sfeer en symboliek, niet in plot of actie. Van de Sande koos niet voor het evidente, niet voor een rechttoe rechtaan verhaal. Hij durft te vertrouwen op stilte, op suggestie, op het vermogen van de lezer om te luisteren tussen de regels. Dat maakt het boek rijk, maar ook veeleisend: wie houdt van snelle verhaallijnen of uitgesproken emoties zal Kostganger vlug opzij leggen. Toch is het juist die terughoudendheid die het boek zo memorabel maakt. Het is een roman die langzaam onder de huid kruipt, die je laat nadenken over je eigen plaats in de wereld, over de manier waarop tijd en herinnering ons vasthouden.

    Met Kostganger levert Eljakim van de Sande een sterk en oorspronkelijk debuut af. Het is een boek dat je niet leest om te weten hoe het afloopt, maar om stil te staan bij wat er blijft hangen wanneer woorden tekortschieten. In zijn soberheid schuilt een diepe menselijkheid. Kostganger is een kleine roman met een groot hart — een poëtische ode aan het verlies, aan het verlangen, en aan het trage, pijnlijke proces van verder leven.