• Woononrecht of waarom Nederland snakt naar een regering zonder de VVD

    De stadsgeograaf Cody Hochstenbach  (1989) schrijft in een stilistisch sober, maar fel betoog over het onrecht dat er op het terrein van de volkshuisvesting in Nederland bestaat. Hochstenbach laat zien wat de gevolgen van het beleid van de overheid voor de economisch zwakkeren is geweest. De afbraak van de sociale woningbouw door regelgeving die rijke vastgoedspeculanten in feite subsidieert, wordt door de VVD gekleurde overheid gepresenteerd als de vrije markt die vanzelf tot een goede volkshuisvesting zou leiden.

    Hochstenbach gaat onder meer in op de vanzelfsprekendheid van de wens om huiseigenaar te zijn. Je telt als huizenbezitter mee, terwijl je als huurder in feite mislukt zou zijn. Hiertegen komt de auteur van In schaamte kun je niet wonen in het geweer. Hochstenbach pleit voor een andere manier van denken over wonen: niet als lucratieve business, maar als een recht dat ieder mens heeft. Hij keert zich tegen de harteloosheid waarmee sommigen in de samenleving dak- en thuislozen tegemoet treden: zij worden niet als mens gezien, maar als bron van overlast die verwijderd moet worden, buiten het zicht geplaatst, want dan is het probleem er niet meer. 

    Onbetaalbaarheid van huizen

    Misschien had de auteur aan zijn betoog over de vermeende vanzelfsprekendheid van de wens om woningbezitter te zijn, nog kunnen toevoegen dat het fenomeen ‘hypotheek’ bijdraagt aan de onbetaalbaarheid van huizen. Als we ons het denkbeeld eigen zouden maken dat je pas iets kunt kopen als je het geld ervoor al hebt op het moment van aankoop, zal de vraag naar koophuizen sterk afnemen en de prijs dalen en meer reëel worden. Dat zou geen goed nieuws voor rijk (en slechts aan zichzelf denkend) Nederland zijn, maar wel voor alle anderen.  Een dergelijke mentaliteitsverandering zou gepaard moeten gaan met het bouwen van meer betaalbare huurwoningen.

    De auteur pleit er voor dat de ‘onderklassen’ en de middenklassen samen moeten optrekken tegen het neoliberale beleid van de overheid. Hij signaleert dat de problemen van de middenklassen veel meer aandacht krijgen in de media, dan die van de mensen die echt in de problemen zitten. Dat komt omdat de middenklassen door de media (en de politiek) als voornaamste doelgroep worden beschouwd en ook omdat er een zekere gelatenheid bij de sociaal zwakkeren zou bestaan. Uit een gevoel van schaamte accepteert men een onrechtvaardige situatie. Deze schaamte constateerde Hochstenbach ook bij zijn moeder die het onprettig vond dat haar zoon in een eerder boek, Uitgewoond, haar schrale woonsituatie belichtte. Die schaamte vormde de aanleiding voor het nieuwe boek.

    Benoemen en polarisatie

    Hochstenbach vindt het belangrijk om problemen te benoemen, omdat ze dan zichtbaar worden. Hij had het fenomeen ‘benoemen’ mogelijk wat verder kunnen uitwerken. Niet elke vorm van benoemen maakt de situatie er beter op. Denk aan het benoemen van ‘het multiculturele drama’ van enkele decennia terug, een benoemen dat de problematiek vastlegde en sterk vergrootte, door de daaruit resulterende polarisatie en verrechtsing in de samenleving. Het werkelijke drama zit ‘m in de polarisatie die het gevolg was van het benoemen van de dingen. 

    Er is echter een duidelijk verschil tussen het benoemen van multiculturele problematiek en woonproblematiek. Er is namelijk een verschil in macht: het benoemen van de onvrede over de aanwezigheid van mensen uit andere culturen geschiedt door de machtigere groep van witte Nederlanders die vinden dat ‘de’ buitenlanders eens aangepakt moeten worden, omdat die oorzaak zouden zijn van alle problemen die ze ondervinden. Het benoemen van de woonproblematiek daarentegen toont het onrecht dat bestaat bij een onmachtige groep: de sociaal zwakkeren. Daarom is een dergelijk benoemen wel heilzaam.

    Het onrechtvaardige woonbeleid van de overheid is vooral het gevolg van de aanwezigheid van de VVD in de kabinetten van de laatste decennia, al zijn andere partijen ook niet zonder blaam. Huizenbezitters zijn geneigd om uit (vermeend) eigenbelang op een belangengroepering als de VVD te stemmen en niet (voor een klein deel) hun sociale hart te laten spreken door op meer gematigde partijen te stemmen, uit betrokkenheid bij anderen, sociaal zwakkeren. Voor de VVD is het in stand houden van de huidige situatie belangrijk, die situatie bezorgt de partij immers stemmen. Een dergelijke partij is ten principale niet geschikt om het probleem van de volkshuisvesting werkelijk aan te pakken.

    Krachtige betooglijn

    Hochstenbach vindt het belangrijk dat de groepen die wat te winnen hebben bij een betere volkshuisvestiging waarin een kwalitatieve en betaalbare woning als basisrecht en niet als gunst beschouwd wordt, samen optrekken en niet onderling tegen elkaar uitgespeeld worden. De gewenste mentaliteitsverandering, waarin men uit gemeenschapszin oog heeft voor problemen van anderen en niet slechts voor (vermeend) eigenbelang, is niet in een enkel nieuw kabinet te realiseren, maar vraagt om een langjarige aanpak die kan herstellen wat is afgebroken in de lange en barre jaren van neoliberalisme en privatisering van overheidstaken.

    De kracht van In schaamte kun je niet wonen zit in de betooglijn. De stijl is daaraan ondergeschikt. Een meer uitbundige of persoonlijke stijl zou aan het betoog afbreuk hebben gedaan. Het persoonlijke zit nu vooral in de stukken over de ouders van Hochstenbach, waaruit duidelijk wordt waarom de auteur deze problematiek belangrijk vindt. Juist door in te zoomen op gewone mensen maakt hij duidelijk wat het effect van hard of ondoordacht overheidsbeleid kan zijn, ook op de kinderen van getroffenen die zelf in een betere situatie terecht zijn gekomen. Want als jezelf in een betere situatie zit, kun je immers meeleven met anderen.



  • Het begon met een Golliwog

    Op de voorkant van Burgzorgs Blik zit een zwarte jongen. Hij zit met kroeshaar, dikke rode lippen, grote ogen, oorringen in en een ketting van botjes om de nek, voor een drievoetige drum. De grote tenen van zijn – uiteraard blote – voeten dragen ook ringen. Kortom: de veelheid van stereotypen die lang opgeld deden in alle prentenboeken met zwarte mensen erin. Bombo heet de jongen. Op pagina 72 in Burgzorgs Blik staat de afbeelding nog eens maar nu met meer context en dan blijkt het nog erger te zijn.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

     

  • Mysterie van dood en leven

    Laura van der Haar won in 2012 het Nederlands kampioenschap poetryslam en debuteerde in 2014 met de poëziebundel Bodemdrang en in 2018  volgde haar debuutroman Het wolfgetal. De roman De Kuil is haar zesde publicatie.
    Soms is het lezen van een boek een worsteling om aan het eind te ontdekken dat het verhaal goed in elkaar zit. Kasja, een van de personages uit De kuil is een jonge vrouw die zich willoos overgeeft aan de grillen van een twintig jaar oudere minnaar, ‘dit is wat ik wil: iemand die de baas is, iemand die me klein maakt, die me reduceert tot vragend, wachtend meisje.’ Ze raakt door haar minnaar geobsedeerd.

    Kasja’s vriend Lennart is een personage dat de lezer tart met zijn geobsedeerdheid rond een geheim dat zijn in coma liggende zusje op het spoor zou zijn. ‘De luchtdruk, de luchtvochtigheid, de gaten het heeft er allemaal mee te maken, daar is Lennart van overtuigd. Met twee vingers pakt hij een dode mestkever die op zijn rug ligt, de chitine van het pantser kraakt als krantenpapier. […] zie je wel, ademgaten, kieuwen, in een handjevol bosaarde leven al meer wezens dan er mensen op de wereld zijn, het plankton van de bodem.’ Zijn zusje kreeg een onduidelijk ongeval, of hetgeen zij op het spoor was realistisch is, blijft vaag en mysterieus.

    Obsessies

    De alledaagse handelingen en gesprekjes in het boek roepen een sterke sfeer op. Van der Haar schrijft mooie zinnen en haar observaties zijn vaak raak. Kasja en Lennart, ergens in de twintig, wonen samen, maar zijn eerder maatjes dan dat ze een liefdesrelatie hebben. Ze praten in clichés met elkaar en hebben geen wezenlijk oog voor elkaars behoeftes. Lennarts zusje is uit een boom gevallen of moedwillig gesprongen, een terugkerende vraag  voor Lennart, en ligt in coma. Kasja heeft daar nauwelijks interesse voor.  Lennart is dagelijks in het bos te vinden, waar ook Kasja veel komt, maar hun wegen kruisen elkaar nooit. 

    Kasja werkt in pannenkoekenhuis De Kuil in de bossen van Gelderland, niet ver van de boom waar Lennarts zusje uit een boom viel waardoor ze in coma raakte. Aan de ene kant is een begraafplaats, aan de andere kant ligt een vervallen en dichtgegroeid vakantiepark met huisjes. Het is al jaren gesloten, maar de plaatselijke projectontwikkelaar Charles Ubbink wil het park opwaarderen tot een luxe vakantieresort. Ubbink drinkt soms koffie bij De Kuil en Kasja valt als een blok voor hem. Ze beginnen een relatie en ontmoeten elkaar regelmatig in een van de verlaten vakantiehuisjes. Kasja denkt aan niets anders meer dan aan deze sterke, twintig jaar oudere man, getrouwd en met een kind. Ze raakt zo in zijn ban dat het een obsessie wordt. Om de haverklap checkt ze haar mail en Telegram-messenger in de hoop op een berichtje van hem. Ze stalkt zijn vrouw op Instagram en gaat zelfs zijn huis binnen als hij op vakantie is. 

    Ondertussen is Lennart in het bos te vinden en onderzoekt de bodem rond de boom waar zijn zusje verongelukte, op zoek naar een aanwijzing. ‘De map op haar computer blijft door zijn hoofd spoken. Hyfen, sporen, een onsterfelijk netwerk van slijmdraden en neurotoxinen, een aards web van geëxternaliseerde longen, steneneters plantendoders, aliens.’ In korte hoofdstukken zijn afwisselend Kasja en Lennart in beeld. Beiden worden ze gevolgd in hun eigen wereld, die totaal verschillend zijn.

    Kasja heeft een moeizame relatie met haar moeder. Lennart gaat regelmatig bij zijn ouders langs of is bij zijn zusje in het ziekenhuis. Hij probeert van alles om een reactie aan haar te ontlokken. Zijn ouders zijn behoorlijk murw van het hele gebeuren en dat beschrijft Van der Haar heel goed.

    Zintuigen en metaforen 

    Lennart is tactiel, met zijn handen in de aarde. Kasja is erg op geuren gericht. Adem, lichaamsgeur, dat boslucht in de ochtend anders is dan in de avond. Lijkenlucht van de nabijgelegen begraafplaats wordt verward met de geur van vlierbloesem. Dat zijn mooie beelden en metaforen die alles te maken hebben met leven en dood. En passant wordt er gefilosofeerd over een toekomst waarin de mensheid misschien wel ten dode is opgeschreven. ‘Diep onder een zalencentra beweegt het, onder het uitgestrekte landelijke gebied, onder de Xenos, langs de doorworteling van boomgaarden kruipt het langzaam op ons af.’

    ‘De kuil’ speelt in hun beider leven een rol. Voor Kasja is het pannenkoekenhuis belangrijk, voor Lennart is het de kuil die hij graaft in verband met zijn bodemonderzoek. Pas aan het einde van het boek worden Kasja en Lennart door de kuil met elkaar verbonden. Ze vinden elkaar zonder elkaars geheim te kennen. Dé grote metafoor van het boek is misschien wel dat Kasja en Lennart in hun twintiger jaren hebben geleefd met liefde, spanning, dromen en verlangens. De rest van hun leven zullen ze bezadigd doorbrengen. Huisje, boompje, beestje, net zo kleurloos en betekenisloos als het leven van hun ouders was.

     

     

  • Als je stem je wapen is

    Op Jong Literair Nederland verscheen half augustus een recensie over The hate you give van Angie Thomas.

    Daarin zegt Khalil tegen de hoofdpersoon Starr: ‘Luister dan! The Hate U — met een U — Give Little Infants Fucks Everybody. T-H-U-G-L-I-F-E. Wat de maatschappij er bij de jeugd in pompt, komt er weer uit als je groot bent. Snap je?’ Dat antwoord geeft meteen de titel en het centrale thema van het boek weer: de impact van racisme.
    […]
    Vanaf de eerste bladzijde weet Thomas de lezer te grijpen en dat houdt ze het hele boek lang vol. Het is onmogelijk niet te worden meegesleurd in de onherroepelijke aaneenschakeling van gebeurtenissen.
    […]
    The hate u give vertelt niet één verhaal, maar tientallen verhalen en is daarmee een ware snelcursus racisme voor tieners én volwassenen.

    Lees hier de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

     

  • Een uitdaging

    De Duitse filosoof en historicus Rüdiger Safranski voegde aan zijn indrukwekkende biografieën over een aantal grote denkers en schrijvers, zoals Nietzsche en Goethe, een boek toe over eenling zijn. Een individu zijn, dat zelfstandig denkt, zijn/haar eigenheid ontwikkelt op een zelfbewuste manier.

    In grote lijnen schetst Safranski eenlingen vanaf de Italiaanse renaissance tot nu. Een in wezen traditionele opvatting, waarin wordt uitgegaan van het ontwaken van individualiteit in de renaissance. Hoewel aan die opvatting al geruime tijd wordt gemorreld. Bijvoorbeeld door kunsthistoricus Merlijn Hurx, die aantoonde dat al in de late middeleeuwen bouwmeesters van de gotische kathedralen méér waren dan dat; ze waren individuen met een eigen naam, zelfbewust als ze waren. We kennen zelfs namen, zoals die van de familie Keldermans.

    Tegenstellingen tussen geloof en ratio

    Safranski staat om te beginnen stil bij onder anderen de humanist Pico della Mirandola, die hij met één pennenstreek neerzet als een ‘Don Juan met het aura van een kuise monnik’. Met Pico beschrijft Safranski één kant van het eenling zijn: het zich verheffende individu. Met Machiavelli gaat hij in op de keerzijde hiervan: eenzaamheid.

    Dit is de opzet van Safranksi’s boek: het als dichotomieën, tegenstellingen, tegenover elkaar plaatsen van telkens twee denkers. Zo vergelijkt hij Luther met de filosoof Montaigne. Martin Luther wordt met meer nuances dan Pico della Mirandola ten tonele gevoerd. De auteur beschrijft hoe de reformator zichzelf als eenling ontdekt. In het klooster waarin hij intrad, zocht hij volgens Safranski een ‘exercitieplaats voor zelfdiscipline. Hij wilde zichzelf, en ook zijn vader, bewijzen dat hij niet het gemak, maar de zelfoverwinning zocht’. En God natuurlijk. Eén ‘die zich niet verborg achter instituties (…), maar een God die je persoonlijk kon ervaren’. In de visie van Safranski wil dat zeggen: ‘een God die een eenling van je maakt, omdat je hem als eenling moet ondergaan’.

    Montaigne daarentegen riep een eeuw later niet het geloof, maar de ratio te hulp. Safranski somt allerlei denkbeelden van Montaigne op, die men in zijn eigen tijd eigenaardig vond. Hij gebruikt daarbij het begrip ‘identiteit’, wat op zich óók eigenaardig mag worden genoemd, omdat dit woord pas in 1950 door de psycholoog Erik Erikson voor het eerst werd gebruikt.
    Montaigne schreef weliswaar Over de eenzaamheid, maar of hij ook werkelijk eenzaam was, valt te betwijfelen; hij had aan zichzelf en zijn rijke innerlijke wereld genoeg, net zoals Rousseau, die schreef dat hij in zijn ‘eenzaamheid duizendmaal gelukkiger [was] dan [hij] tussen de mensen zou kunnen zijn.’

    Het lege midden

    Toch is er een verschil tussen beide denkers. Rousseau zocht namelijk de vervulling niet in zichzelf, ‘maar in het wij van de staatsgemeenschap’, aldus Safranski. Daarin stond hij lijnrecht tegenover Diderot, de volgende denker waarop Safranski ingaat. ‘Het ware zelf’, schrijft hij, is voor Diderot ‘een leeg midden waar niets te vinden is dat houvast biedt’.
    Het lege midden moet dan – zo begrijpen wij uit de tekst – worden opgevat als iets diep van binnen. Iets dat doet denken aan de betekenis die de twintigste-eeuwse theoloog Karl Barth eraan gaf: een plek (Hohlraum) die niet is opgevuld met bijvoorbeeld een beeld van God, zoals bij Luther.

    Stendhal en Jaspers

    Dat je er met die tegenstelling tussen telkens twee denkers niet helemaal komt, blijkt uit het hoofdstuk over Stendhal. Stendhal is een schrijver die zichzelf niet als een eenheid beschouwde, die vanuit één centraal punt dacht, maar als ‘een man van de geest of een domkop, moedig of een lafaard’. Dan weer het één en dan weer het ander, een romanticus met een analyserende inslag eigen.
    Safranksi heeft het in dit verband over ‘authenticiteit’, wat nog weer een facet is dat hij aan het begrip eenling toevoegt. Om te vervolgen met Stendhals verlangens: vrouwen, schrijversroem en geld. Overal wilde de schrijver het beste zijn. In die zin was hij volgens Safranski een egotist, iemand die zichzelf weet te ensceneren.

    Een laatste voorbeeld. Nog een andere vorm van eenling zijn vindt Safranski bij psychiater en filosoof Karl Jaspers. Door een ernstige longaandoening was hij hiertoe volgens Safranski van jongs af aan veroordeeld. Of je hier Jaspers’ hele filosofie uit kunt verklaren, is nog maar de vraag. Een feit blijft namelijk dat Jaspers ook is opgevoed met het idee altijd onafhankelijk te denken, zoals Jozef Waanders in zijn boek over Jaspers (Sporen van transcendentie, 2018) schrijft.

    Hiermee heeft Safranksi het eenling zijn beperkt tot wat hij omschrijft als het ‘van een feit (…) een taakstelling [maken] voor je leven en denken’. Dat is iets dat te denken geeft. En hoewel er een facet kan zijn dat daarbij overheersend is, heeft een identiteit altijd meerdere kanten.

    Door deze kanttekeningen en vooral door de compacte schrijfstijl is dit boek als introductie op de thematiek van eenling zijn wellicht wat onbevredigend. Voor lezers die meer vertrouwd zijn met het thema, nodigt het boek evenwel uit tot het zelf leggen van dwarsverbanden. Terug naar de door Safranski niet behandelde middeleeuwen, dwars door de tijd en tot nu. Een uitdaging. Inderdaad, maar dan op een andere manier.

     

     

     

  • Facsinerende zoektocht van jonge vrouw

    Zelden gebeurt het je dat je een uitgelezen boek meteen opnieuw wilt lezen. Het kunstzijden meisje (1932), een roman van de Duitse schrijfster Irmgard Keun (1905-1982), is zo’n boek. De manier waarop hoofdpersoon Doris haar verhaal vertelt is zo bedwelmend dat, de roman ‘uit’ is, voordat je het weet. Wat maakt deze roman zo fascinerend?

    Irmgard Keun schrijft over een jonge vrouw, Doris, die uit een eenvoudig en verstikkend milieu wil breken. Ze is een naar liefde zoekende vrouw die wil ‘glanzen’ als echte zijde. Zijde glanst, van welke kant je het ook bekijkt. Zo wil zij ook zijn, een vrouw aan wie je haar eenvoudige afkomst niet meer af kunt zien, een vrouw die kan gaan en staan waar ze wil, geen slavin is, maar die glanst van zelfvertrouwen. De praktijk is echter weerbarstig. Om die glansrol te bereiken heeft ze mannen nodig als opstapje. Omdat ze bepaald niet gelukkig is in haar keuze van mannen, die haar als een tussendoortje zien, is ze vaak gedeprimeerd en weet de oorsprong daarvan. ‘Ach, ik wil zo graag, zo graag – alleen als je ongelukkig bent kom je verder, daarom ben ik blij dat ik ongelukkig ben.’ Ze woont en werkt in een niet nader genoemde provinciestad en haar doel is Berlijn: ‘Help me, lieve God – ik wil met een mes wel ‘lieve God’ in mijn arm kerven, heel diep, het bloed komt – als je ervoor zorgt dat ik heelhuids naar Berlijn kom.’ 

    Uiteindelijk komt ze berooid, graatmager en gedesillusioneerd in Berlijn aan: ‘Mijn gezicht zo klein als een koffiekopje en geplet en op mijn kin zo’n kleine pukkel – zoiets wil een glans worden – zoiets wil – laat me toch niet lachen. Ik bijt van woede in de badkuip.’ Na opnieuw enkele teleurstellingen vindt ze eindelijk een man die niets van haar verlangt en die lief voor haar is, omdat hij – zoals hij zegt – bang is in een huis te komen ’waar niemand ademhaalt.’ Hij laat haar met rust en geeft haar de ruimte. Ze bloeit op, komt vijf pond aan. Blijft onzeker, maar voelt zich gelukkiger. Voor hoe lang?

    Bedwelmende stijl

    De roman is geschreven in een persoonlijke stijl, die in eerste instantie wat primitief overkomt. Zo van ‘en toen’, ‘en toen’, ‘en toen’. Meestal is dat een brevet van stilistisch onvermogen maar bij Irmgard Keun heeft het een bedwelmend effect. De lezer wordt van de ene gebeurtenis, gedachte, herinnering of belevenis in de andere meegetrokken en vergeet het als een zin niet helemaal lijkt te kloppen. Zoals in deze passage waarin de omgang van Doris met een blinde man wordt beschreven die haar voeten warmt in zijn handen: ‘En raakt mijn voeten aan met vingers als kerstkaarsen van was – en gebruiken thuis onze kaarsen van de boom altijd drie jaar lang doordat we ze altijd alleen maar aansteken tijdens het stille nacht-heilige nacht zingen. En er is stilte en van die vochtige damp en bij het raam de grijze muur, dat alles beklemt ons. En zit me te poederen vanwege zijn handen. En verf mijn mond. Maar hij ziet het niet eens wanneer ik er leuk uitzie. Ik breng hem Berlijn, dat in mijn schoot ligt.’ En dan vertelt zij hem wat zij in de stad die dag gezien heeft. Ze vertelt alles tegelijkertijd, associatief, opsommend, zoals dat in de realiteit vaak gaat.

    Keun maakt vaak gebruik maakt van tussenstreepjes, wat de tekst snelheid geeft, maar ook erg vol maakt. Lezen vergt alertheid en concentratie. Alsof je van het ene als tekst verklede filmbeeld in het andere rolt. ‘Maar ik wil schrijven als film, want zo is mijn leven en zal dat nog meer worden,’ zegt Doris. Ze gebruikt haar oog als een camera die alles registreert. En trekt de lezer visueel mee in haar zoektocht naar geluk van de ene man naar de andere, van de ene teleurstelling naar de andere.

    Succes en vergetelheid

    Haar beeldspraak is origineel en raak. ‘Hubert zat daar met kringen onder zijn ogen als Continentalbanden.’ Of over een vrouw. ‘Die gunt het de voetzolen van vreemde mensen nog niet dat het vuil van haar voeten eraan vastkleeft.’ Ze schrijft ook in mooie aforismen: ‘Pas als je blind wordt, weet je waarschijnlijk dat je vreselijk veel vergeten hebt te zien.’

    Het kunstzijden meisje heeft sinds 1932 periodes van groot succes en van vergetelheid gekend. Meteen na verschijning was het in Duitsland een verkoopsucces. De drang naar vrijheid en emancipatie van een meisje in de jaren twintig uit de ‘heffe des volks’ sprak duizenden mensen aan. Twee jaar later werd het boek door de nazi’s verboden. Doris paste niet in het vrouwbeeld van deze machobeweging. Keun vluchtte naar Nederland en publiceerde haar boeken in het Duits bij uitgeverijen als Allert de Lange en Querido, die Exil-literatur publiceerden. In 1940 keerde Irmgard terug naar Duitsland en leefde daar vrij onopgemerkt, tot haar werk, eind jaren zeventig, opnieuw werd ontdekt en ook in Nederland werd uitgegeven.

     Het verhaal van Doris zou anno 2023 in elke andere Europese stad kunnen spelen waar vrouwen nog steeds weinig keuzemogelijkheden hebben. Keuns werk is bepaald niet verouderd. Zelden zo’n direct verslag gelezen van een vrouw die weigert zich te conformeren aan een marginale positie.

     

     

  • ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’

    In Ten oosten van de Middellandse Zee schetst Abdelrahman Munif een deprimerend beeld van het leven in, vermoedelijk, Saoedi-Arabië. Hoewel zijn boek al in 1975 is verschenen, heeft het niets aan actualiteit ingeboet. Het is dan ook zonder meer prijzenswaardig dat het boek in Nederland werd uitgegeven, niet alleen vanwege de beschrijving van het ijzingwekkende karakter van een politiestaat, maar vooral ook vanwege de literaire schoonheid van het boek. Het is werkelijk prachtig.

    ‘Feest’

    Na vijf jaar de meest afschuwelijke martelingen te hebben ondergaan die zijn gezondheid hebben verwoest, breekt Radjab. Zijn laatste ankers zijn weggeslagen. Zijn moeder, ‘een rots harder dan alle andere rotsen’, is overleden en zijn vriendin, ‘zijn hoopvolste verbinding met de vrije wereld’, gaat trouwen met een ander. Radjab, opgepakt tijdens een demonstratie, bekent en tekent een verklaring waarin hij zich bereid verklaart te spioneren onder studenten. In ruil daarvoor wordt hij vrijgelaten en mag hij zich in Frankrijk door een arts laten behandelen. Na twee maanden moet hij terugkomen en zal hij zijn eerste opdracht krijgen. En, ‘denk erom, ook in het buitenland weten we je te vinden’, wordt hem helder duidelijk gemaakt. Hij is nu een verrader, niet alleen in de ogen van zijn kameraden in de gevangenis, die vermoeden dat hij getekend heeft, en in de ogen van de buitenwereld, maar vooral in zijn eigen ogen.

    De nacht na zijn vrijlating zal het, zoals de gewoonte is, ‘feest’ zijn in de gevangenis. ‘Feest’ betekent in het jargon van de bewakers dat zijn vroegere maten ongelimiteerd gemarteld zullen worden om hen te bewegen het ‘goede’ voorbeeld te volgen van Radjab. Gebroken komt Radjab aan in het huis van zijn zus, Aniesa, voortaan zijn enige venster op de wereld. Na een verblijf bij haar van een paar dagen, vertrekt Radjab met de Aischylos, een Grieks schip, naar de vrije wereld ten westen van de Middellandse Zee. Hij heeft zijn geheime aantekeningen over zijn verblijf in de gevangnis aan Aniesa in bewaring gegeven en haar moeten beloven brieven te schrijven.

    Ten westen van de Middellandse Zee

    Munif voert de Aischylos op als een levende entiteit met wie Radjab voortdurend in gesprek is. De Aischylos is vernoemd naar de beroemde Atheense tragedieschrijver uit de klassieke Oudheid, die de strijd van de vrije Griekse wereld (d.i. het Westen) tegen de tirannieke Perzen (d.i. het Oosten) in een tragedie heeft vervat. Op de Aischylos reflecteert hij op zijn leven, zijn jeugd, zijn moeder, zijn vernederingen en martelingen in de gevangenis, het lot van zijn kameraden en van Aniesa en haar man en kinderen. Radjab speelt met de gedachte een boek te schrijven over het leven in de gevangenis, en naar Genève af te reizen om internationale aandacht voor zijn ervaringen te vragen. Dat lijkt hem het enige dat hij kan doen om in het reine te komen met zijn verraad. In Frankrijk ondergaat hij een medische behandeling bij een arts, die, als Radjab zijn hart bij hem uitstort, lijkt te begrijpen wat hij in de gevangenis heeft doorgemaakt. De arts blijkt echter meer met de verwerking van zijn eigen verdriet bezig te zijn als hij vertelt dat hij zelf zijn hele familie verloren heeft in de oorlog en hem adviseert zijn verdriet om te zetten in haat. Na drie maanden is Radjab nog steeds niet terug. Via een tussenpersoon hoort hij dat zijn zwager inmiddels is opgepakt. Aniesa smeekt hem naar huis terug te keren. Kennelijk is zijn bekentenis door het regime inmiddels doorgespeeld aan de pers, want als een student hem vraagt: ‘Heb jij niet in de bak gezeten en ben je niet vrijgelaten nadat je in de pers hebt verklaard dat ….?’, antwoordt Radjab stamelend: ‘Ze hebben me vrijgelaten omdat ik ziek was. Ze hebben me met geweld gedwongen te bekennen.’ Hij wist echter dat hij loog. Er kwam helemaal geen geweld aan te pas toen hij tekende. Ze waren voorkomend en vriendelijk geweest. Ze hadden zelfs tegen hem geglimlacht. ‘Liegen is de laatste brug naar redding zonder hoop’, raast het door het hoofd van Radjab. Een voor een verlaten de studenten dan de zaal.

    Aantekeningen uit het dodenhuis

    Radjab besluit naar huis terug te gaan. Hij blijkt opnieuw te varen met de Aischylos. Nu is het echter geen vriend die hem de vrijheid brengt, maar een stom schip dat hem terugvoert naar de kerkers. Terug in het liefdevolle huis van zijn zus Aniesa en haar kinderen stort hij zich op het lezen van Aantekeningen uit het dodenhuis van Dostojevski. In deze aangrijpende roman doet Dostojevski verslag van zijn verblijf in een Siberisch strafkamp. Al snel wordt Radjab opnieuw gearresteerd, gemarteld en uiteindelijk, meer dood dan levend, blind afgeleverd bij zijn zus, die hij wil dwingen zijn papieren met aantekeningen te verbranden. Kort daarna komt hij te overlijden.

    ‘Tranen zijn de laatste korrels aarde waarmee een dode wordt geëerd.’

    Munif vertelt het verhaal afwisselend vanuit het perspectief van Radjab en van Aniesa. Het wordt daardoor geplaatst in een tedere en liefdevolle context en verzacht het beklemmende karakter ervan. Bovendien wordt de solidariteit met Radjab nog eens versterkt door de onvoorwaardelijke steun van het gezin van Aniesa, zijn zwager Hamid voorop. De solidariteit van Aniesa gaat zelfs zover, dat zij, tegen de uitdrukkelijke wil van haar broer in, zijn papieren niet verbrandt, maar bewaart en het land uit smokkelt om ze in het buitenland in hun oorspronkelijke staat te publiceren ter nagedachtenis aan Radjab.

    Door de Aischylos zo’n prominente rol te geven in het verhaal als aanspreekpunt voor Radjab krijgt het verhaal een meer filosofische diepgang door zijn worsteling met begrippen als verraad en eigenwaarde.

     

  • 333 gebruiksaanwijzingen bij jezelf

    ‘Welkom lieve lezer.’ Met open armen verwelkomt Jaap Robben iedereen die zijn forse bloemlezing Heel de wereld wordt wakker binnenstapt, met 367 pagina’s kindergedichten.
    […]
    Duizenden gedichten las hij om tot deze 333 te komen. Zijn het Robbens lievelingsgedichten? Nee. Het zijn gedichten die naar zijn mening het lievelingsgedicht van minstens één kind kunnen worden. Het is alleen daarom al verplichte voorleeskost, nonchalant rondslingerwerk, snelle tussen-school-en-boterham-vulling. Er is altijd een gedicht dat past. Robben koos werk van geijkte namen als Toon Tellegen, Joke van Leeuwen en Erik van Os. Maar ook Akwasi, Joost Zwagerman en Ester Naomi Perquin maken hun opwachting.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland

     

     

  • Eigen tekortkomingen actief in jezelf bestrijden

    ‘Ik heb mijn volwassen jaren besteed aan het verzamelen van verschillende modussen van Zwarte feministische woede’, schrijft Margo Jefferson in haar memoir Het bouwen van een zenuwstelsel. Ze voegt daar nog aan toe: ‘Ik koesterde ook de kleine, geconcentreerde dosis ongenoegen of woede: de zin die, als een injectiespuit, richtte, doorboorde, zijn gif inspoot en zich bruusk terugtrok.’ Jefferson zet zich aldus neer als iemand met een kartelige persoonlijkheid. Waarbij de vraag opkomt of (gerechtvaardigd) activisme een mens gelukkiger maakt, vriendelijk zullen sommige mensen je in ieder geval niet per se vinden. Er zijn twee belangrijke redenen om Jeffersons tekst te lezen, om haar stijl en haar stellingname. Criticus en professor aan de universiteit van Colombia Margot Jefferson (1947), ontving voor haar literaire kritieken en culturele analyses de Pulitzer prijs en de National Book Critics Circle Award.

    Haar stijl is uitstekend, ook in de vertaling van Jenny Mijnhijmer. Zo typeert Jefferson een periode uit haar jeugd, ‘Middelbare school: de jaren zestig beginnen. Hakken, geen instappers, Tampax, geen Kotex, rechte rokken die benadrukken wat plooirokken dempen: je kont en je dijen.’  Een beeldende beschrijving die de leefwereld van een opgroeiend meisje in de jaren zestig goed weergeeft. Over het zwarte lichaam van danseres Josephine Baker schrijft ze, ‘Het zal een mobiel leger van metaforen worden dat Afrika, de Caraïben, Amerika en Europa oproept; stoeiend met de grenzen tussen modernisme en primitivisme, tussen hoge en lage kunst, beschaving en wreedheid. Het zal een waardevol, uniek symbool worden van de wereldwijde kunsthandel in Zwarte lichamen en zielen.’ Stijl en stellingname mengen zich hier, dat is duidelijk. En juist die felheid maakt de tekst stilistisch de moeite waard, al vliegt Jefferson echter wel eens uit de bocht. Zo typeert ze een personage uit een roman van Willa Cather als volgt: ‘Dr. Archie is een goede man en een soort eunuch.’ In een dergelijke cynische opmerking zit een agressie die dichtbij misandrie (mannenhaat) komt.

    Onconventionele aanpak

    De aanpak van haar memoir is onconventioneel. Wie iets over haar leven te weten wil komen, komt bedrogen uit. Het gaat voornamelijk over racisme en de vormen die dat kan aannemen, over de cultus van (als esthetisch voorgesteld) witheid ook, die Jefferson, met misschien iets te goed ontwikkelde voelsprieten op het gebied van racisme, ontwaart in het werk van de genoemde Willa Cather.

    Jefferson, die eerder opzien baarde met haar memoir Negroland, laat indringend zien hoe zwarten achtergesteld werden en nog steeds worden. Ze zouden hun plaats moeten kennen in de door witten gedomineerde Amerikaanse cultuur. Ze dwingt de lezer met haar tekst tot zelfonderzoek en zelfkritiek. Het is natuurlijk zo dat ieder mens enige intolerantie in zich heeft (Jefferson inbegrepen). De recente wens van Nederlanders om witte vluchtelingen uit Oekraïne op te vangen, maar geen niet-witte (wat door sommige psychologen op niet overtuigende wijze werd vergoelijkt in de media) zou mensen hun eigen vooroordelen moeten doen bevragen.

    De thematiek op scherp

    Je niet defaitistisch neerleggen bij eigen tekortkomingen, maar deze actief bestrijden. In die zin moet een leven lang de strijd aangegaan worden. Dat is een les die uit een tekst over ‘het witte verrukkingsmotief’ als die van Jefferson getrokken kan worden. Een dergelijke les zijn weinig (witte) politici en opiniemakers geneigd ter harte te nemen, men doet iets wat veel gemakkelijker is: onderbuikgevoelens activeren. ‘Want dat zijn ook gevoelens,’ alsof dat een argument is. Als opinie-onderzoek uitwijst dat xenofobie wijd verspreid is dan kun je als politicus ervoor kiezen die xenofobie aan te zwengelen of te bestrijden. De keuze die daarin gemaakt wordt, zegt veel over de visie van de mens. 

    Jefferson gaat ook in op wat ‘zwart denken’ wordt genoemd. Ze weet niet wat dat precies zou moeten betekenen, ‘behalve dat het een bedreiging lijkt te vormen voor mensen die, neem ik aan, “wit” denken.’ Ze verzucht, ‘O , de opportunistische onschuld van witheid! Het kan één ding, uitsluiting, met zoveel andere namen benoemen. Deugdzame namen als “traditie” en “esthetiek.”’ Met dergelijke formuleringen zet Jefferson de thematiek op scherp. Het bouwen van bruggen lijkt haar niet te passen. Misschien is het dergelijke polariserende meningsvorming wat nu nodig is. Hopelijk in de toekomst niet meer, zodat er meer sprake kan zijn van toenadering.

     

     

  • De elzenkoning van Michel Tournier

    De Franse schrijver Michel Tournier, die in 2016 op 91-jarige leeftijd overleed, schreef een klein, maar indrukwekkend oeuvre, waarvan De elzenkoning (1970) de bekendste titel is. Lang werd Tournier genoemd voor de Nobelprijs. Tegenwoordig zijn in Nederland zijn boeken alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Tournier studeerde filosofie en begon pas op latere leeftijd te schrijven. Behalve de filosofie spelen ook wereldliteratuur, bijbelverhalen, legenden, sprookjes en mythen in zijn boeken een belangrijke rol. Zo is zijn debuut Vrijdag of Het andere eiland (1967), dat verscheen toen hij 42 was, gebaseerd op het verhaal van Robinson Crusoe. Tournier geeft aan al die verhalen een nieuwe draai, volgens hem dé manier om ze levend te houden.

    De forie

    In De elzenkoning worden diverse mythen en legenden op ingenieuze wijze met elkaar verbonden. Allereerst natuurlijk Goethes ballade Die Erlkönig, die door Schubert op muziek werd gezet. Hierin voert een vader zijn zoon mee op zijn paard. Het kind, waarschijnlijk doodziek, wordt gelokt door de elzenkoning. Zijn vader probeert het angstige kind gerust te stellen; bij aankomst blijkt het echter dood. Een ander belangrijk verhaal is de legende van Sint-Christoffel, die het Christuskind een rivier overdroeg en de legende van de vijftiende-eeuwse Portugese conquistador Alfonso d’Albuquerque, eveneens een kinddrager.

    De forie, het dragen, in het bijzonder van een kind, is het belangrijkste onderwerp van het boek. Er komen nog vele andere dragers langs, zoals postduiven (boodschappen) herten (geweien), paarden (ruiters), fietsen en auto’s (berijders). Aanvankelijk wilde Tournier het boek La Phorie noemen, maar dit vond zijn uitgever niet commercieel genoeg.

    Tekens en symbolen

    Tournier verweeft deze drie verhalen met het levensverhaal van hoofdpersoon Abel Tiffauges, een simpele garagehouder uit Parijs, die gaandeweg het boek mythische proporties krijgt. Tiffauges is net als zijn bijbelse naamgenoot een herder, een nomade. Zijn naam ziet hij als een teken. Tiffauges heeft namelijk het bijzondere vermogen tekens en symbolen te herkennen, die nieuwe, bevrijdende gebeurtenissen inluiden en hem de weg wijzen op zijn levenspad. Intussen stevent hij af op een onafwendbaar noodlot.

    Deze duistere tekens en symbolen beschrijft hij in zijn ‘sinister dagboek’. Bijvoorbeeld die uit zijn jeugd in het internaat Sint-Christophorus. Gepest door zijn leeftijdsgenoten vindt hij onverwacht steun bij de zoon van de conciërge, niet toevallig Nestor geheten, die zijn leven richting geeft. Nestor is zowel fysiek als geestelijk een reus die hem als het ware draagt. Als hij omkomt bij een brand voelt Tiffauges dat Nestor in hem voortleeft. Hij verandert van een schriel ventje in een reus van een kerel: van gedraagde wordt hij drager. Dit soort omkeringen of inversies spelen een belangrijke rol in het boek. Hierdoor komt de werkelijkheid, die volgens Tournier niet eenduidig is, in een ander licht te staan, niet zelden kwaadaardig: de drager wordt gedood door wie of wat hij draagt. Denk aan Christus die het kruis moest dragen waaraan hij stierf. Tournier schept door al die in elkaar grijpende verhalen en inversies een magische wereld.

    Realisme

    De romanwerkelijkheid overtuigt onder andere door de vele details. Tournier hechtte sterk aan feiten en deed voor elke roman uitgebreid (veld)onderzoek, net als negentiende-eeuwse naturalistische schrijvers als Zola die zijn grote voorbeelden zijn. De paradox is dat de zeer realistische beschrijvingen zorgen voor een surrealistisch resultaat. We lezen uiterst precieze verhandelingen over bijvoorbeeld verschillende soorten hertengeweien, nazirangen en uitverkoren rassen. De elzenkoning staat vol onvergetelijke, soms gruwelijke scènes. Daarbij staan verheven (zoals heraldiek) naast laag-bij-de-grondse onderwerpen (bijvoorbeeld coprologie: het lezen van uitwerpselen). En dat alles in een glasheldere stijl, voortreffelijk vertaald door Jenny Tuin.


    Kinderen

    Als ‘drager’ zijn kinderen voor Tiffauges het allerbelangrijkst in zijn leven. Ze zijn behalve de belichaming van de onschuld het toppunt van schoonheid en intelligentie. Ze kunnen zich echter ook tegen hem keren. Een minderjarig meisje beschuldigt hem ten onrechte van verkrachting en voor Tiffauges dreigt een lange gevangenisstraf. Maar dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en zijn gevangenisstraf wordt omgezet in een dienstplicht: in de frontlinie zou hij ongetwijfeld snel omkomen. Tiffauges wordt echter krijgsgevangene gemaakt en maakt zich vervolgens nuttig, om te beginnen als chauffeur en monteur.

    Daarna volgt een opmerkelijke opmars binnen het Duitse leger. Helemaal opgaand in zijn eigen bezielde verhaal gaat Tiffauges volledig voorbij aan moraal en vijanddenken. Het levert fascinerende Indiana Jones-achtige avonturen op, tegen de achtergrond van het jachtslot van nazi-kopstuk Hermann Göring en een zogenaamde ‘Napola’, een militair SS-opleidingsinstituut voor jongens, in het voormalige Oost-Pruisen (nu Polen). Tiffauges begint en eindigt dus in een internaat. Nu ronselt hij echter jongens, op zijn beurt gedragen door zijn paard Blauwbaard, de naam van een kindermoordenaar: al deze jongens worden opgeleid tot kanonnenvoer.

    Zo goochelt Tournier voortdurend met begrippen, verwijzingen en symbolen. Het knappe is dat dit nergens gekunsteld of afstandelijk overkomt: De elzenkoning is een gloedvolle, organische roman en Tournier natuurlijk een geweldige schrijver. Dit absolute meesterwerk zou – net als al zijn andere, even magische boeken, zoals De meteoren en De gouden druppel – opnieuw moeten worden uitgegeven.

     

    Bronnen:
    De elzenkoning, Michel Tournier. Meulenhoff, Amsterdam, 2010 (tiende druk). Vertaling: Jenny Tuin.
    – Een vlaag van bezieling, een autobiografie, Michel Tournier. Meulenhoff, Amsterdam, 1994. Vertaling: Jeanne Holierhoek.
    – Het verontrustende proza van Michel Tournier en In gesprek met een ‘geslaagd monster’, Rudi Wester. Literair Moment.  Meulenhoff, Amsterdam, 1987.

     

     

  • Groter bewustzijn door Atman

    Atman is een begrip uit het hindoeïsme dat zoiets betekent als het zelf, of de diepere, hele essentie van het bewustzijn. Vanuit dat diepe zelf verdwijnen verschillen tussen mensen. Iedereen heeft wel een eigen vorm, maar heeft dezelfde essentie. Het betekent overigens niet alleen ziel of zelf, maar ook adem, en is dan ook etymologisch verwant met dat woord.

    In het boek Atman van de Surinaams-Nederlandse schrijver Leo Henri Ferrier is het fenomeen een manier om naar het multi-etnische Suriname te kijken: ‘Ken je Atman, dan zul je pas ook werkelijk kunnen delen in de schone harmonie van het leven in Suriname, waar allen één zijn.’ Het diepste zelf van Ferrier (1940 – 2006) was net zo gemengd van aard: Hindoestaans maar ook Creools.

    Op zoek naar harmonie

    Ook de hoofdpersoon Lonnio draagt meerdere zielen in zich: Hindoestaans, Joods en Creools. De lezer volgt hem op een reis vanuit Nederland terug naar Suriname waar hij wordt geconfronteerd met herinneringen van zijn jeugd in Suriname. ‘In dit verleden begin ik te zijn’, denkt hij ergens. Een paradoxale gedachte, die door de schrijver tot uitdrukking wordt gebracht in veelvuldig schakelen tussen de verleden en de tegenwoordige tijd. Het doel lijkt duidelijk: we hebben te maken met een leven dat verscheurd is: in de tijd, maar net zo goed ook etnisch en cultureel. Iemand die in feite op geen enkele plek zijn ware zelf kan zijn want ook qua seksualiteit is Lonnio een buitenstaander.

    In korte staccato zinnen leidt Ferrier de lezer door de verscheurdheid heen. Al is leiden misschien een groot woord. Het voelt bij tijd en wijlen aan als een wat chaotisch boek: alsof de schrijver vergeten is alles enigszins te ordenen. Ook dat is paradoxaal te noemen: het boek waarin de hoofdpersoon streeft naar heelheid is – zo lijkt het – versnipperd beschreven.

    Ferrier is op z’n best als de boel juist minder uiteengevallen is; in meer verhalende scènes op school bijvoorbeeld, met Lonnio’s vrienden Karsilan en Orlando en wanneer het gaat over het overlijden van diens moeder. Het is eigenlijk jammer dat het boek niet nog méér scènes bevat die net wat meer plot bevatten of net wat meer het leven van jonge adolescenten die de verschillende bloedgroepen in Suriname vertegenwoordigen maar toch zo harmonieus ja, zelfs liefdevol met elkaar omgaan, zoals Ferriers zus Cynthia McLeod-Ferrier in haar nawoord omschrijft.

    ‘Zijn tijd ver vooruit’

    Er is ook een voorwoord van de auteur in de recent uitgegeven editie opgenomen, uit 1996, waarin Ferrier ingaat op de kritiek die op zijn boek is geleverd. Er was bij het verschijnen in 1968 kritiek gekomen op de door hem voorgestelde harmonie omdat in de jaren zeventig stakingen uitbraken die – althans dat is de aanname geweest – door raciale spanningen zouden zijn veroorzaakt. Ferrier betwijfelt dat en schrijft dat het met name de (Nederlandse) media waren, die de stakingen die lading meegegeven zouden hebben. Zonder een spoor van bescheidenheid noemt hij zijn eigen boek ‘zijn tijd ver vooruit’. En daarin heeft hij gelijk: Ferrier lijkt het eigen verhaal van Suriname te willen vertellen zónder dat Nederland daarin de maat der dingen is. Volgens Ferrier is dat een verhaal van harmonie, en niet van strijd.

    Zo is Atman een hele kluif die de lezer naar adem doet happen. Hoewel maar 175 pagina’s dik is het niet gemakkelijk om alles te begrijpen maar misschien hoeft dat ook niet. Maar wie zich in Ferrier verdiept zal zich realiseren dat het een boek is dat de heruitgave zeker verdient.

     

     

     

  • Waarnemen wat anderen ontging

    In 2021 overleed de gelauwerde dichter, romanschrijver en essayist K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter (1936-2021). Vanaf 1963 verschenen van zijn hand tientallen publicaties, allemaal heel verschillend van aard, maar steevast herkenbaar door Schippers’ ernstige liefde en aandacht voor het speelse en het alledaagse – en voor het bijzondere dat hij daarin vaak wist te betrappen. In 2022 verscheen postuum een bundel gedichten onder de titel Je moest me eens zien, die nog door Schippers zelf werd samengesteld. 

    Voor een overleden dichter met een indringend en fijn afgesteld taalgevoel als Schippers is de titel Je moest me eens zien, uiteraard programmatisch: hij is dood, we kunnen hem niet meer zien. We moeten het doen met deze gedichten. Met deze titel nodigt hij de lezers uit: ‘je moest me eens zien’ en in deze gedichten is hij ook te zien. Vraag blijft wel wat we te zien krijgen, wat Schippers de lezer te zien geeft. Iedereen kijkt anders, hij zelf incluis. Juist daarin blonk Schippers zijn leven lang uit: iets waarnemen dat anderen doorgaans ontging. Laten we eens kijken. 

    Zeventien van de ruim vijftig gedichten uit Je moest me eens zien, schreef Schippers tussen 2016 en 2018 als stadsdichter van Amsterdam. Die gedichten zijn tijdloze kunstuitingen die juist, en bijna vanzelfsprekend tijd- en plaatsgebonden zijn. Ze gaan bijvoorbeeld over een tentoonstelling in Foam (Fotomuseum Amsterdam) aan de Keizersgracht, de sluiting van het warenhuis V&D, de afbraak van de Valeriuskliniek, de dood van Armando. Misschien om juist niet in die voor de hand liggende kuil te vallen wijdt Schippers ook een ‘stadsgedicht’ aan een poëtische tekst van meer dan duizend jaar oud, vertaald uit het Chinees. En daarin gaat het dan weer over het tijdloze lijden van mensen die bekenden en beminden moeten missen die eerder zijn gestorven dan zij zelf. Een universeel gegeven.

    Wat we nog meer zien, is zintuiglijkheid. De dichter K. Schippers voelt, kijkt, ruikt, hoort en raakt aan, wordt aangeraakt of denkt en schrijft over aanrakingen. Titels van gedichten wijzen al in die richting: ‘Dicht bij je’, ‘Op de tast’, ‘Toevalsaanrakingen’, ‘Wat je aanraakt’.

    ‘Me afdrogen
     met de handdoek
     waarmee je je
     net hebt afgedroogd
     brengt me
     nog dichter
     bij je’ 

    Waarin de zintuiglijkheid, die telkens weer anders wordt verwoord, anders wordt benaderd om het pure plezier van taal, van exercities in observeren, verschuiven en bedenken aanwezig is. Een strofe als de volgende, in een postuum verschenen bundel, samengesteld door de dichter zelf, mag dan ook programmatisch heten: hij bevestigt de afwezigheid van de dode dichter K. Schippers, maar zijn interesse reikt over het graf. 

    ‘[…]
     wie ziet je
     als ik er
     niet meer ben’  

    of

    ‘[…] Hoeveel moet
     je van iets zien om het
     te herkennen.’

    Tegelijkertijd zijn Schippers’ gedichten in deze bundel niet te vangen. Ze verschillen in lengte, vorm, structuur. Zelfs met typografische stunts verrijkt Schippers zijn poëtische instrumentarium, waardoor sommige gedichten haast het karakter van een rebus krijgen. Zoals het gedicht waarin zelfs een ‘kruiswoordpuzzel tot leven gewekt’ wordt. 

     

     

    Deze bundel is een perfecte kennismaking met het speelse, geestige, talige, verrassende en soms vragen oproepende werk van K. Schippers. Door hemzelf bij leven en welzijn gekozen om gezien te worden na zijn dood. Je moest hem eens zien.