• Kleine mensen, grote dromen

    In de serie Little People, BIG DREAMS is een boek verschenen over wetenschapper Stephen Hawking. Onlangs is dit boek op Jong Literair Nederland besproken

    Dit boek over Hawking, en trouwens de hele reeks, heeft de bedoeling kinderen iets te leren. Enerzijds geven de verhalen feitelijke informatie over het leven en de verwezenlijkingen van een heleboel inspirerende mensen. Zo vinden we hier op de allerlaatste twee pagina’s, een mooi vormgegeven korte biografie van Stephen Hawking, met een aantal zwartwit foto’s erbij.

    Anderzijds wil de reeks aan kinderen laten zien dat alles mogelijk is, als je maar groots droomt en dapper volhoudt. De reeks is bewust positief van opzet en dat is prima.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Buiten zijn beroemde hoofdwerk is dit de enige fictie die tijdens zijn leven verscheen

    Marcel Prousts debuut Les plaisirs et les jours verscheen in 1896, toen hij net vijfentwintig was. Pas tien jaar later begon hij  aan zijn romancyclus Op zoek naar de verloren Tijd. Te laat om die te voltooien voor hij op 18 november 1922 zijn laatste adem uitblies. Ter ere van Prousts honderdjarige sterfdag gaf uitgeverij IJzer Prousts eerste publicatie, vertaald als Lusten en dagen (2022) in een integrale vertaling uit. Behalve zijn beroemde hoofdwerk is dit debuut zijn enige fictie die tijdens zijn leven het licht zag. Niets wees er bij verschijning op dat de auteur ooit gelabeld zou worden als een der grootsten van de twintigste eeuw. De verkoopcijfers van het in luxe uitgave verschenen boek nog het minst, want die waren bedroevend. Toen Proust eind 1919 de Prix de Goncourt kreeg voor In de schaduw van de bloeiende meisjes, het tweede deel van zijn romancyclus, keerde het tij en was hij op slag beroemd.

    Niet alleen de oorspronkelijke illustraties van Madeleine Lemaire en de partituren van de cyclus Les portraits de peintres voor piano van Reynaldo Hahn zijn in deze Nederlandse uitgave opgenomen, als bonus biedt deze uitgave ook een cd met een opname van vier door Lineke Lever uitgevoerde pianoverklankingen van Prousts gedichten over de schilders Albert Cuyp, Paulus Potter, Antoine Watteau en Antoon van Dyck. Met de toen nog achttienjarige componist Reynaldo Hahn had Proust een liefdesverhouding. 

    Veelzijdig debuut

    Ook staan er vier gedichten over de componisten Chopin, Gluck, Mozart en Schumann in. Evoceert Proust in de schildersportretten hun schilderijen, in die over de componisten gebruikt hij metrum als eerbetoon aan de muziek, terwijl woorden de stemming vastleggen. Met recht typeert men dit debuut met zijn korte verhalen, schetsen, poëzie, handgeschilderde illustraties en partituren als ‘hybride’. De jonge Proust schreef ze in een tijd dat hij zich als rechtenstudent verveelde en in plaats van zich te herpakken voor examens, liever de Parijse salons frequenteerde. Tussen de artiesten en grandes dames observeerde hij het soort publiek dat hij tien jaar later zou portretteren in zijn hoofdwerk. Sommige van deze verhalen waarin hij de lezer rondleidt door de high-society kringen van het fin-de-siècle, wist hij in kleinere tijdschriften gepubliceerd te krijgen. In deze werkjes van de korte baan zien we Proust bezig met het aanscherpen, het verfijnen van zijn gevoeligheden, en het spelen met stijl en inhoud.

    Toch liet hij zijn verzamelde indrukken nog geruime tijd gisten, gezien de jaren die er tussen zijn debuut en hoofdwerk zaten. Een aanzet tot een roman bleef liggen, waarna hij zich toelegde op essayistische stukken. In die tijd las hij schrijvers als Thomas Carlyle, Ralph Waldo Emerson en John Ruskin. Laatstgenoemde, van wie hij ook werk in het Frans vertaalde, scherpte en verfijnde zijn theorieën over kunst en de rol van de kunstenaar in de samenleving. Dit debuut is zijn enige fictiewerk dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd en hoewel hij het aanvankelijk als onrijp afdeed, begon hij het naderhand enigszins te waarderen.

    Snobisme van Parijse samenleving

    Niettemin bleef dit debuut ook nadat Proust tot de onsterfelijke schrijvers was gaan behoren, in de schaduw van zijn bloeiende reputatie staan. André Gide was de eerste die wees op de vele parallellen tussen dit eerste boek en zijn grote meesterwerk. De hoofdmotieven daarin liggen al uitgezaaid in Lusten en dagen. Zoals de onbestendige subjectiviteit van liefde, dood en ziekte, de gehechtheid aan de moeder, het snobisme van de Parijse samenleving en het verband tussen temporele en mentale verandering. Een zeer aanzienlijk hoofdingrediënt, de onwillekeurige herinnering en de daardoor opgelegde structuur aan het schrijven, komt in deze eersteling echter nog niet aan bod. 

    Opvallend is zijn pessimistische begrip van liefde en de onvolmaakte benadering van het verlangen naar het ideaal. ‘De ongelukkige liefde maakt het ons niet alleen onmogelijk het geluk te ervaren, zij verhindert ons ook nog de leegte ervan te ontdekken.’ De verhalen analyseren en reflecteren het komen en gaan van liefdes, illusies en dromen, evenals onze herinneringen eraan. Er is een vermakelijke hommage aan Flaubert in de vorm van een verhaal met dezelfde hoofdpersonages uit diens satirische boek Bouvard en Pécuchet. Proust houdt in het stuk Mondaine aspiraties en passie voor muziek bij Bouvard en Pécuchet vast aan de geest en vorm van Flaubert en plaatst het duo in zijn eigen tijd.  

    Stillistische overdaad

    Lusten en Dagen kent een stilistische overdaad die kan vermoeien. Het meest verrassende treft men in de afdeling Weemoedig omzien -Tijdgekleurde verzinsels (Les regrets – rêveries couleur du temps). Dit bouquet van dertig dromerige prozateksten, meer beeldend dan vertellend en zwaar sensitief getoonzet, staat tussen ‘echte’ prozagedichten en verhaaltjes in. Sfeerbeelden, hooguit door een summiere verhaallijn bijeengehouden. Geen zelfstandig naamwoord lijkt veilig voor aanhechting van een of meerdere adjectieven, maar de grammaticale structuur van inversie, die vertragend werkt en zodoende de tijd geeft het meegedeelde op kracht te laten komen, maakt veel goed. 

    De laatste passage uit de rêverie Tuilerieën roept een beladen sfeer á la Carel Willink op. ‘Maar de lucht is betrokken, het gaat regenen. De vijvers, waarin geen azuur meer blinkt, lijken wezenloze ogen of vazen vol tranen.’ De jonge Proust wist goed welk reflecterend en herkauwend leven voor hem was weggelegd, getuige het slot van ‘Relikwieën’. ’Haar meest wezenlijke schoonheid was misschien in mijn verlangen. Zij heeft haar leven geleefd, maar ik heb het, als enige misschien, gedroomd.’ Rêverie XXII Werkelijke aanwezigheid verhaalt over een vakantie van twee romantische jongemannen in het Zwitserse Engadin, nabij de Italiaanse grens. Op de grens van Duitse en Italiaanse namen, blijkt de volmaakte harmonie tussen platonische en fysieke liefde eens te meer iets wat slechts puur in nimmer beleefde herinneringen kan worden ervaren. Want tussen harde werkelijkheid van de Zwitserse bergen en de verte met zijn Italiaanse valleien, wordt het gemis des te heviger gevoeld. Fysiek blijft de ander immers ‘in het kleed van mijn gemis, in de werkelijkheid van mijn verlangen.’ 

    Gedroomde herinneringen

    Het blijft bij dromen en mijmeringen van liefde met parallellen in een fysieke wereld. Gedroomde herinneringen bevatten meer waarheid dan echte herinneringen. Dat romantische procédé werkte de latere Proust om in de stelling dat de essentie van het werkelijke leven slechts in herinnering kan worden gevat; het heden als een soort ontwaken uit de droom van het verleden, waarin de tijd kan worden opgeheven door het opnieuw ervaren van eens geleefde ogenblikken. 

    In zijn debuut zette Proust al in op de metafoor en verbeelding van de werkelijkheid, maar minder samenhangend, nog niet als spil van zijn schrijfstijl. Het zijn nog dagtripjes in vergelijking tot de wereldreis van Á la Recherche du temps perdu. Lusten en Dagen toont het belang van muziek en schilderkunst voor Proust, maar nog zonder die verheven taak om een equivalent van de allerhoogste belevingen te scheppen. Er worden veel indrukken geabsorbeerd, zonder dat er een structurerend en sturend principe tegenover staat dat er betekenis aan geeft. Wie in Proust geïnteresseerd is, zal dit fraai uitgegeven debuut zeker bekoren. Al is het maar om te zien hoe Proust dacht en schreef toen hij nog niet zo geniaal was om zijn Recherche du temps te schrijven. 



  • De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De jonge Italiaanse schijfster Ginevra Lamberti heeft in haar laatste, zojuist vertaalde roman, Iedereen slaapt in de vallei, een naargeestig beeld geschapen van het leven van mensen in een vallei in Italië, waar zelfs de zomer het aflegt tegen de kou. ‘Alleen in de uren dat het stopt met regenen kun je even de illusie hebben dat je botten de kans krijgen om warm te worden.’ Deze sombere gedachte komt op in het hoofd van Costanza, die in de vallei opgroeit in ‘het grote gele huis’ in een niet nader genoemd dorpje in de provincie Veneto. 

    In deze roman heeft niemand een achternaam. Een verklaring hiervoor biedt de schrijfster in haar dankwoord met de veelzeggende zin, ‘een achternaam wil zeggen dat je bij iemand hoort.’ Het staat er zo droogjes, maar er is geen woord van gelogen. De personen in dit boek lijken allemaal nergens bij te horen, geboren onder de doem van het ongeluk, die hun leven naargeestig en donker maakt. Ze zijn veelal eenzaam en hebben geen echte binding met hun familieleden. 

    Contactarme omgeving

    Costanza is de dochter van Augusta en Tiziano. Van Augusta wordt verteld dat ze zoveel nare dingen heeft meegemaakt dat ze ‘niet meer in staat was om wat dan ook te voelen.’ Als Costanza wordt geboren, is ze niet eens in staat haar kind aan te kijken, laat staan aan te raken. Van de overigens niet kwaadaardige vader Tiziano wordt gezegd dat hij het talent heeft om mensen het zwijgen op te leggen door  hen alleen maar aan te kijken. In deze contactarme en liefdeloze omgeving groeit ze op. Geen wonder dat ze maar een ding wil: zo snel mogelijk vluchten uit deze hel.

    Na allerlei omzwervingen komt Constanza in contact met Claudio, een Romeinse jongeman die nooit antwoord kreeg op de vraag, ‘waarom komt papa niet terug?’ Ook Claudio heeft geen binding met zijn ouders en voelt zich vaak eenzaam. Hij komt in de drugsscene terecht als zware gebruiker en dealer. Hij is wat je zou noemen een smiecht, een onbetrouwbaar mens, maar omdat hij zo charmant en positief is, vergeef je hem veel.

    Claudio en Costanza krijgen een kind. Gaia wordt geboren in het grootste afkickcentrum van het land waar haar vader probeert af te kicken en haar moeder werkt. De bevalling is voor haar moeder één groot drama. Gaia is het kind van mensen die geworteld zijn in hun eigen eenzaamheid. Die zijn opgegroeid zonder ooit gehoord te zijn, aan wie altijd alles ontkend is, die nooit hebben leren spreken over wat hen bezighoudt. Die door hun omgeving in het ongewisse zijn gehouden en geen klankbord hadden. 

    De zon laat zich weinig zien

    Claudio heeft aan Gaia wel iets nagelaten, namelijk het talent om overal een vrolijke draai aan te geven. Begin en eind van een verhaal wordt door hem zo gekozen dat de mensen er om moeten lachen. Maar veel om te lachen is er niet in dit boek. De schrijfster vertelt tientallen scenes uit het leven van deze ongelukkige mensen. Schrijfster Ginevra Lamberti is evenals het personage Gaia geboren in een afkickcentrum. Maar het is geen autobiografische roman of een historisch verhaal over de geschiedenis van haar familie. Het gaat hier om een autofictieve roman opgebouwd uit tientallen hoofdstukken, die je kriskras door de tijd heen voeren. Geholpen door een jaartal boven ieder hoofdstuk en twee stambomen die voorin het boek staan afgedrukt. Er ontstaat stukje bij beetje een beeld van een gemeenschap en een familie waar van alles mee mis is, levend in een vallei  waar de zon zich ’s morgens heel even laat zien en ’s avond weer vroeg achter de bergen verdwijnt. Lamberti verwoordt dit heel poëtisch door middel van het beeld dat het begin en eind van de dag ‘altijd onthoofd wordt’. 

    De vallei wordt in dit verhaal een soort personificatie van Dante’s hel, een plaats waar mensen per definitie ongelukkig zijn en elkaar pijn doen, ingeperkt door oude gebruiken, regels van de gemeenschap en voorschriften van de kerk. Een plaats waar de tijd stil staat en waar de jaren nog verlopen volgens een agrarische en traditionele kalender. Een van de regels is dat de kaas op een bepaalde manier moet worden afgesneden. Elke afwijking van de regel wordt beschouwd als een gebrek aan respect. Het fabriceren van de grappa luistert ook nauw. Men volgt een eeuwenoud proces van destillatie. Voor de vertelster is ook dit fabricageproces reden om ongelukkig te zijn. Het gebrek aan liefde in de familie kleurt iedere handeling zwart.

    Slachtoffer van slachtoffers

    In deze roman komt een lijn van geslachten in beeld die droefgeestig stemt. Om het met een heel oude reformatorische uitdrukking te zeggen: ‘De zonden van de vaderen worden bezocht aan de kinderen.’ De veronachtzaming van kinderen, door ouders die zelf ook nooit ‘gezien’ werden, levert opnieuw gemankeerde kinderen op, niet als een straf, maar als een soort natuurlijk proces. Gaia is in deze roman een ‘slachtoffer van slachtoffers’. 

    Een boeiende roman waarin de lezer wordt uitgedaagd en aan het denken gezet. Het is geen eendimensionaal verhaal van A naar Z en vereist wat puzzelwerk. Alleen het einde is helder, maar of het vrolijk is, is niet te zeggen. Gaia vertrekt uit de vallei naar zee, weg uit de verstikkende atmosfeer waarin ze opgroeide. Is ze – in tegenstelling tot haar moeder Costanza en haar grootmoeder Augusta – in staat om een nieuw leven te beginnen, nu ze van het verleden stukje bij beetje een verhaal heeft gemaakt? Dat mag de lezer zelf bedenken.

     

     

  • Een belangrijke Oekraïense stem

    Met Mijn langste boektournee trekt Oksana Zaboezjko Europa en de wereld rond om het op te nemen voor haar vaderland Oekraïne in het conflict met de Russische agressor. De schrijfster vertrok aan de vooravond van het conflict naar Polen voor een boekvoorstelling en keerde niet meer terug. Sindsdien leeft ze in onvrijwillige ballingschap, maar haar stem wordt wel gehoord. In het kader daarvan werd haar verhalenbundel Zusters ook wereldwijd vertaald en werd het een groot succes. Oksana Zaboezjko behoort tot de belangrijkste Oekraïense schrijvers en dichters. Haar academische achtergrond en duidelijke standpunten zorgen ervoor dat ze wereldwijd gehoor krijgt.

    Aparte stijl

    Zusters is een zeer ontroerende bundel waarin de vrouwen van Oekraïne een stem krijgen. De politieke beslommeringen zijn nooit ver weg en zijn het decor waartegen de verhalen zich afspelen. Verhalen die gekenmerkt worden door een onderhuidse, sluimerende woede tegenover het misbruik door de politieke machthebbers. De verhalen van Zaboezjko lezen aanvankelijk niet eenvoudig. Het is niet makkelijk om zich onmiddellijk in te leven of in te lezen, maar voor wie doorbijt, ontvouwt zich een nieuwe wereld vol rijke woordenschat en ongeziene stijl. Het is een stijl vol beelden die aan elkaar geweven worden op onnavolgbare wijze. Lange zinnen, soms langer dan een bladzijde, vol nevenschikkingen, onderschikkingen, bijzin na bijzin, gescheiden enkel door komma’s en kommapunten. Zaboezjko associeert de hele tijd en in een soort van stream-of-consciousness slaagt ze erin heel rake formuleringen uit haar pen te laten vloeien. De personages zijn echt en de lezer voelt hun pijn, hun frustratie, hun gevecht. Gelukkig weet de schrijfster er ook humor in te steken door een en ander af en toe te relativeren.

    Altijd aanwezige politiek

    Zusters telt vijf aparte verhalen. In het eerste verhaal Zusje, mijn zusje verschijnt haar geaborteerde zusje aan Darka. In een verhaal vol tijdsprongen maakt de lezer kennis met een door de politiek gedwongen abortus, en hoe moeder en dochter daarmee (moeten) leren leven.

    In Meisjes wordt Darka opnieuw opgevoerd. Ze is op weg naar een klasreünie. Ook hier speelt de auteur opnieuw met de tijd. De lezer leeft mee met de ontluikende liefdesrelatie tussen Darka en het nieuwe meisje in de klas, Lena. Maar als de politiek zich subtiel begint te moeien, verraadt Darka haar vriendinnetje, en wordt Lena beschimpt en bespot.

    Het meest politiek gekleurde verhaal is ongetwijfeld Een album voor Gustaaf. Een Nederlandse journalist zoekt foto’s voor zijn reportage over de Oranjerevolutie. Hij komt terecht bij een Oekraïens koppel dat veel foto’s nam gedurende de maanden van de opstand. Het verhaal is een aanklacht tegen de sensatiezucht van de journalisten, die enkel de mooie plaatjes wilden, maar niet echt het conflict doorhadden. Zaboeskjo laat duidelijk uitschijnen dat Oekraïne wel degelijk democratisch was en eeuwenlang het Litouws wetboekmodel volgde, tot de Sovjet-Unie alles kapotmaakte. Aan de hand van de foto’s krijgt de lezer een waarheidsgetrouwe schets van de gewone burger die in opstand kwam tegen de pro-Russische Janoekovitsj. De gebeurtenissen rond het Maidanplein worden geschetst vanuit de ogen van zij die het werkelijk meemaakten. Gustaaf, de fotograaf, laat het allemaal aan zich passeren en heeft enkel oog voor de foto’s, niet voor het verhaal. Opnieuw ervaart de lezer de ingehouden, achterliggende woede en frustratie.

    Hier had uw reclame kunnen staan is het kortste verhaal uit de bundel en lijkt de vreemde eend in de bijt. Het handelt over een paar handschoenen gekocht in Wenen, waarvan er een verloren gaat. Banaal op het eerste gezicht, maar wanneer blijkt dat ze zeer goed passen bij de oranje sjaal van de revolutie, en dat de handschoenmaker later gestorven blijkt te zijn, krijgt ook dit verhaal weer een beladen betekenis.

    Na de derde bel geen toegang tot de zaal is het laatste en tevens  langste verhaal uit de bundel. Operazangeres Olha zit in de overgang en heeft het moeilijk met haar puberende dochter. De hormonen spelen bij beide vrouwen een rol, wat zorgt voor spanning en de conflicten laaien hoog op. Toch wil moeder haar dochter waarschuwen en een les meegeven voor het leven. Olha worstelt met een gebeurtenis die plaatsvond toen ze zelf zeventien was. Mede op instigatie van haar toenmalige liefje die een politieke schuld had in te lossen, ging ze naar bed met een man. Ze werd verkracht, maar twijfelt of het wel verkrachting was en gaat nog steeds gebukt onder zware schuldgevoelens. Ze heeft het nu lastig met haar dochter die volwassen wordt en een relatie heeft met een verminkte soldaat.

    Verplichte literatuur

    Zusters is een relevante en belangrijke verhalenbundel die de wereld toont hoe de vrouwen van Oekraïne worstelen met hun identiteit en getekend worden door het aanhoudende politieke conflict. Zaboesjka wil de gewone mens een stem geven en doet dat op een heel eigen manier. De enorme woordenstroom zorgt ervoor dat de lezer in een stroomversnelling terechtkomt en blijft lezen, ondanks de lange zinnen die nochtans heel soepel ogen. De verhalen zijn schrijnend, maar swingen en vallen nooit in. De stem van Zaboeskja zou vandaag iedereen moeten horen voor een beter begrip van het leven van de gewone mens tegen de achtergrond van de Oekraïens-Russische oorlog.

     

     

  • Goed, hè?

    Sommige boeken bereiken het tegenovergestelde van wat ze proberen. Neem de ‘openhartige’ biografie van Patrick Kluivert, die eindelijk het ware gezicht van de oud-spits zou tonen. Het charmeoffensief resulteert in een beschamend interview met Wilfried de Jong, die de voetballer in verlegenheid brengt. In 1995 rijdt Kluivert namelijk een theaterdirecteur dood en pas twee dagen voor publicatie van de biografie (2006) neemt hij contact op met diens familie. Elf jaar later. Weg oprechtheid. Denk ook aan het levensverhaal van de ‘sympathieke’ Erica Meiland. Zij wordt voor xenofoob versleten, na een vergelijking van moslima’s met pinguïns. En wat te denken van Lale Güls debuutroman? Sinds het verschijnen van Ik ga leven wordt haar bewegingsvrijheid drastisch ingeperkt door intimidaties. Dat is geen leven. Exact dit averechtse effect heeft ook De Liefdader van Stasio Komar.

    Het verhaal moet voelen als de genadeloze ontmaskering van een Nederlandse weldoener in Brazilië. Het wordt een slap aftreksel van Multatuli’s Max Havelaar. Hoe komt dat? Alle elementen lijken aanwezig voor een nietsontziend relaas over een favela-viespeuk. Op het eerste gezicht, althans. De ondertitel van De Liefdader luidt ‘Een roman die een stem geeft aan hen die zwijgen’. Op de voorkaft blikken twee schichtige kereltjes door een sleutelgat, als in een Juliana Fonds-reclame. De lezer moet nu denken: ‘In dit boek gebeuren heel, heel duistere dingen.’ Dat is ook zo, maar de ernst wil maar niet beklijven door cruciale keuzes van de schrijver in stijl, inhoud en genre.

    Rio de genre

    Komar begint zijn verhaal met een DISCLAIMER, in kapitalen: ‘Personages, locaties, voorwerpen, sferen (…) in deze roman zijn fictief. Identificatie met bestaande personen, plaatsen of situaties is geheel toevallig.’ Dat Komar zelf hulpprojecten opgezet heeft in Brazilië, staat dus volledig los van de misstanden in zijn boek. Tegelijk bevat De Liefdader achterin een Braziliaans-Portugese woordenlijst en een overzicht van locaties, personages en organisaties. Voortdurend schippert de schrijver tussen lyrische, bedwelmende fictie en objectieve non-fictie. En nee, hier is geen sprake van een bewust postmodern spel dat het spanningsveld tussen beide aftast. De waarheid gaat ons lezers vol in ons gezicht slaan, belooft Komars motto: ‘De waarheid is een jas: wie hem niet past, beschuldigt de kleermaker.’ En terecht… Kleermaker Komar begaat immers flink wat weeffouten.

    De schrijver is bloedserieus, maar blijft worstelen met de vraag welk genre zich voor zijn verhaal leent. Een documentaire? Een reportage? Een roman? Wie schandalen onthult, verdient altijd respect. Zo ook Stasio Komar. Maar wie het zo belangrijk vindt de waarheid boven tafel te krijgen, kan dat het beste onomwonden of met messcherpe satire doen. De Liefdader laat beide na. Het boek is soft, dus zouteloos. Wijdlopig, dus saai. Onbewust over de schrijvers vooroordelen, dus pijnlijk.

    Via ik-persoon Julian Udazkovski brengt de auteur het kindermisbruik van weldoener Arno Burgers aan het licht. Vooral de jongens in de straatarme favela’s zijn niet veilig voor Burgers. Komar, zelf journalist van beroep, propt zijn boek echter vol met overtollige beschrijvingen die voor journalistieke precisie moeten doorgaan. Ze ergeren vooral. Doordat het boek slordig meandert van feit naar fabel en verhaal naar verslag, wiegen Komars woorden ons in coma. Dan wordt wakker schudden met de waarheid vrij lastig.

    Bijvoeglijke naamwoorden

    De auteur verwart raak observeren met heel veel informeren. Aan het begin van elk hoofdstuk hangt er weer een andere sfeer. Die moet steeds expliciet beschreven worden. En nadien worden uitgelegd. Op pagina één reeds dreigt een omineus onweer, het voorteken voor rampspoed: ‘Vanaf de oceaan breidde een dek van bewolking zich snel uit in de richting van de stad. Grijze wolken sloten zich aaneen en de opgestoken wind joeg de duisternis naar het vasteland. In de verte zigzagden al bliksemschichten. De zinderende lucht verbond zich met het water. De golvende spiegel ving miljoenen deeltjes. Verblindende flitsen volgden elkaar met steeds kortere tussenpozen op. Ineens was er een lange grafiekvormige bliksem die de hemel spleet. De eerste donderslag liet niet lang op zich wachten. Een paar aarzelende druppels spatten uiteen op de stoffige ruit.’ Dit belooft weinig goeds.

    Op diezelfde pagina is de broeierige warmte rondom Rio de Janeiro viervoudig voelbaar, waarna de lezer beseft: dit wordt vijfhonderd pagina’s lang zweten en ploegen. Als het taalkundig mogelijk was geweest, dan had De Liefdader meer bijvoeglijke dan zelfstandige naamwoorden gehad: ‘Passerende auto’s veranderden het stoffige wegdek in een vieze brij.’ Kleine jongens in een opvangcentrum klappen mee met de muziek van de juf en doen dat ‘met hun handen’. De doorbrekende zon is ‘stoffig’. Kan dat überhaupt? Wat te denken van deze vergelijking, waarin Burgers zijn eigen stichting moet beoordelen: ‘Burgers keurde niet alleen zijn eigen vlees, hij mestte het ook nog vet, sabbelde er een tijdje aan en stuurde het dan naar zijn eigen abattoir.’ Oké, hij deugt inderdaad voor geen cent. Maar hoe zit het met die integere, nietsvermoedende Julian Udazkovski zelf?

    Goede inborst of borstklopperij?

    Zoals gezegd claimt deze roman een stem te geven aan wie zwijgen. Als Komar daarmee verwijst naar de misbruikte favela-kinderen, dan is de claim volkomen leeg. De enigen die uitgebreid focaliseren en dus een stem krijgen, zijn een alwetende verteller en Julian Udazkovski. Als mogelijk evenbeeld van Stasio Komar moet deze journalist natuurlijk uit de bus komen als de good guy. En dat Arno Burgers een hond van een vent is, moge duidelijk zijn. Wanneer deze zijn walgelijke gedrag richting een jonge bedelaar tentoonspreidt, biedt Julian wel heel weinig tegengas. Het blijft bij ‘Je gaat wel speels met die jongens om, hè?’ Omgekeerd geldt voor De Liefdader: is dit niet veel te soft? Los daarvan verdienen Julians omschrijvingen van de lokale bevolking pas echt hoongelach en afkeer. Naar het schijnt, hekelt Julian de exotisering van Braziliaanse jongeren. Zijn woordkeuze verraadt toch een andere houding.

    Continu struikelt de lezer over Julians ongelukkige formuleringen als ‘tengere jongetjes’, ‘straathandelaartjes’, ‘donkere gestalten’ en meer neerbuigende termen. De auctoriale verteller maakt het nog bonter: ‘wulps’ als de misbruikte meisjes zich bewegen, ‘weten ze uitstekend hoe ze mannen gek moeten maken’ en hebben ze ‘precies de leeftijd waarop hun kleine billen nog lekker zijn’. Dit soort kapitale blunders had Komar kunnen voorkomen door te kiezen voor een personaal vertelperspectief. Dat plaatst je écht in de hersenpan van een praktiserend pedofiel. Door deze keuze niet te maken en de pedofilie afstandelijk doch feitelijk te willen omschrijven, kan Komar zich geen subjectiviteit veroorloven. Helaas gebeurt dat wel met een onvervalst verlekkerde male gaze; het misbruik klinkt onbedoeld erotisch. Au. Dit kan toch nooit de bedoeling zijn van een roman die beweert onrecht aan te kaarten?

    Compliment voor Komar

    Komar stelt zichzelf hetzelfde doel als Peter R. de Vries en Kees van der Spek: onrecht en misdaad bestrijden. Desnoods als machteloze eenling. Van dat soort mensen kunnen er nooit genoeg zijn. Dat is en blijft nobel aan Stasio Komar. Al had De Liefdader meer effect gehad als non-fictieboek. Bijvoeglijke naamwoorden en lyriek gaan moeilijk samen met misbruikpraktijken in Brazilië. En al helemaal als die tierelantijntjes het schandaal overschreeuwen.

     

     

  • Een indrukwekkende reconstructie

    In januari 2003 zit er bij de familie van Anne Berest tussen de kerstkaarten een ansichtkaart: ‘Hij zat onopvallend tussen de andere enveloppen, als het niets was, alsof hij zich had verstopt om onopgemerkt te blijven.’ Op de voorkant staat een foto van de Opéra Garnier in Parijs. Aan de adreskant vier namen in een onbeholpen handschrift, Ephraïm, Emma, Noémie, Jacques. Het zijn de voornamen van de grootouders van moederskant, en van de tante en oom van Lélia, de moeder van Anne Berest. Zij werden alle vier in 1942 in Auschwitz vermoord. De kaart verdwijnt in een lade en de familie praat er niet meer over.

    Tien jaar later moet de zwangere Anne rust nemen om ervoor te zorgen dat haar baby niet te vroeg komt. ‘Tijdens het wachten dacht ik aan mijn moeder, mijn grootmoeder, aan de lange lijn van vrouwen die vóór mij een kind ter wereld hadden gebracht. Op dat moment wilde ik dolgraag het verhaal van mijn voorouders horen.’ Anne schaamt zich ervoor dat ze helemaal niets van hen weet: ‘Ik kende de landen niet waar ze doorheen waren gereisd, wist niet welke beroepen ze hadden uitgeoefend en hoe oud ze waren toen ze werden vermoord.’

    Reconstructie

    Zo begint het verhaal over de zoektocht naar de mensen achter de namen en naar de afzender van de ansichtkaart. Het blijkt dat Annes moeder Lélia jaren bezig is geweest met het uitzoeken van hun familiegeschiedenis. Haar studeerkamer staat vol boeken, ordners en archiefdozen. Anne: ‘Als tiener wist ik dat deze dozen op de boekenplanken sporen bevatten van onze sombere familiegeschiedenis, ze deden me denken aan kleine doodskisten.’ Op grond van documenten uit Franse archieven, getuigenissen van overlevenden uit de kampen en een paar foto’s met onleesbare bijschriften kon ze een reconstructie maken van de familiegeschiedenis. ‘Alles wat ik weet, heb ik gereconstrueerd door archieven uit te pluizen, door boeken te lezen en ook omdat ik na mijn moeders dood aantekeningen heb gevonden tussen haar spullen.’ Door documenten zorgvuldig te vergelijken kon ze feiten en data vaststellen.

    Omzwervingen

    Het boek bestaat uit twee delen. Het verhaal begint in Rusland in 1919 in de datsja van Nachman en Esther Rabinovitch. Hun zoon Ephraïm en zijn zwangere vrouw Emma en alle neven en nichten zijn uitgenodigd voor de viering van het Joodse paasfeest. Nachman leest als familiehoofd tijdens de seidermaaltijd de hagada voor, het bijbelse verhaal van de uittocht van het Hebreeuwse volk uit Egypte.
    Dan komt hij met de ernstige boodschap dat het tijd is om uit Rusland te vertrekken: ‘es’ shtinkt shlekht drek’ – er is stront aan de knikker. Hij vertelt over het toegenomen antisemitisme en de anti-Joodse maatregelen. Hij vraagt iedereen goed na te denken en besluit met: ‘Knoop dit in jullie oren, op een dag willen ze ons allemaal dood zien.’

    Nachman en Esther vertrekken naar Palestina. Na de oktoberrevolutie is Ephraïm als sociaal-revolutionair zijn leven in Rusland niet meer zeker. Hij en Emma vluchten naar Letland. Joden zijn daar niet onderworpen aan handelswetten. Net voor hun vertrek bevalt Emma op 7 augustus 1919 van dochter Myriam. In 1923 krijgt Myriam er een zusje bij, Noémie. Het gaat een tijd voorspoedig met het gezin in Riga, maar na omzwervingen via Polen en Israël vertrekken Ephraïm en Emma in 1929 met de beide meisjes en de pasgeboren Jacques naar Frankrijk. Daar worden na verloop van tijd onder invloed van de bezetter steeds meer verordeningen van kracht die de vrijheid van Joden inperken: buitenlandse onderdanen van ‘het Joodse ras’ moeten zich laten registreren, ze mogen niet meer reizen en niet meer werken ‘als zakenman, directeur en bestuurder.’ Het gezin, met uitzondering van Myriam komt uiteindelijk om in Auschwitz. Lélia: ‘Zo eindigen de levens van Ephraïm, Emma, Noémie en Jacques. Myriam heeft er nooit over verteld toen ze nog leefde. Ik heb haar nooit de namen van haar ouders, haar broer of zus horen noemen.’

    Het onderzoek voortgezet

    Het tweede deel van het boek gaat over de periode na de oorlog, de zoektocht naar de levensgeschiedenis van Myriam en het zoeken naar de afzender van de ansichtkaart. Over Myriams leven na de oorlog heeft Lélia niets kunnen vinden. Anne: ‘Ik wil mijn eigen onderzoek doen om die periode uit Myriams leven te reconstrueren.’ Zo zet zij het onderzoek (in eerste instantie nog) deels samen met haar moeder voort: ‘Mama, ik ben je dochter. Jij leerde me hoe ik onderzoek moest doen, hoe ik informatie moest controleren, hoe ik het kleinste stukje papier iets kon ontfutselen. In zekere zin maak ik het werk af dat jij mij leerde en zet ik het alleen maar voort. Die kracht die mij ertoe drijft het verleden te reconstrueren heb ik van jou.’ Anne plaatst de persoonlijke verhalen in een historische context. Al hun speurwerk leidt ertoe dat Epraïm, Emma, Myriam, Noémie en Jacques mensen van vlees en bloed worden. Anne kent nu de landen waar haar voorouders doorheen reisden. Als lezer leven we met familie mee, leren hun angsten, ambities en hun dromen kennen.

    Anne schrijft dat ze na de reconstructie beter begrijpt wie ze zelf is. Ze realiseert zich dat ze dochter en kleindochter van overlevenden is.

    La carte postale verscheen in 2021. Op de Franse uitgave staat op de omslag een grote foto van Noémie. Het boek kreeg Franse en internationale prijzen. Ghislaine van Drunen en Annelies Kin verzorgden de prima Nederlandse vertaling die in 2023 uitkwam. Op de omslag staan de ansichtkaart en foto’s uit het familiealbum en een quote uit Le Figaro: ‘Een indrukwekkende waargebeurde geschiedenis die leest als een roman.’ Dit boek verdient het om op grote schaal gelezen te worden.

     

     

  • Schuldig in en om het bed

    Daan Merkelbach ligt al zeven jaar op bed. In kasteel Rimmelzwaan ontvangt hij zijn bezoekers die met verhalen van de buitenwereld komen. Hij houdt deze verhalen nauwkeurig bij, vergelijkt en vermengt ze met elkaar, vooral als het op zijn vriendin van vroeger aankomt, Floor Manders. Waar Daans eigen verhaal eindigt, begint dat van de anderen, waarbij de grens tussen wat waar en niet waar is opzettelijk poreus lijkt. De veelheid aan perspectieven die auteur Anjet Daanje inzet resulteert in een werkelijk polyfone roman. Veelvuldig en alleen uit 2003 is na de successen van De herinnerde soldaat (2019) en Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) opnieuw uitgegeven door uitgeverij Pluim.

    In het chaotische eerste deel, de spijtbetuiging, wordt snel duidelijk dat dit een ingewikkeld verhaal gaat worden. Een wervelende stoet gasten trekt in een optocht door het landgoed van het kasteel op weg naar een vreemd ritueel. Er wordt niet onthuld waar het ritueel voor is maar het is wel helder dat we met een vorm van collectieve schuld te maken hebben. Onder verschillende kopjes lezen we door de hele roman telkens andere interpretaties van gebeurtenissen. De kopjes hebben als titel de naam vanuit wiens perspectief we lezen. Op deze manier wordt een incident uitgelicht op een feest waar Floor het aan de stok krijgt met een jongen. Daans vader Ben, moeder Machteld, broer Wessel, vriend Marten, Floors huisgenote Mieke, en huishoudster Willemijn geven Daan hun versie van dit verhaal. De een vergroot weer een bepaald detail, de ander laat informatie weg om Daan te helpen of te hinderen. Daan zelf stookt ook. Hij zet vragen uit en gebruikt mensen om informatie te verzamelen. Marten speelt mensen tegen elkaar uit en probeert Daan te laten twijfelen. Daan lijkt met name geïnteresseerd in alles wat Floor doet, terwijl zij haar best doet om hem te ontlopen. De oorsprong van dit conflict lijkt te liggen in een vreselijke gebeurtenis die zeven jaar geleden plaatsvond tijdens een vakantie in Bretagne.

    Alles is een verhaal

    Daans keuze om niet deel te nemen aan de buitenwereld – hij is niet ziek – is het enige actieve aan zijn houding. Hij belichaamt de klassieke onbetrouwbare verteller. Je weet nooit zeker of zijn versie van de gebeurtenissen de juiste is. Anjet Daanje zorgt er steeds voor dat parallel aan elkaar meerdere versies van de gebeurtenissen worden gespiegeld. Daan doorspekt zijn verhalen met regelrechte fantasieën of onwaarheden en het is aan de lezer om te raden wat echt is en wat niet. ‘Alles is gereduceerd tot een verhaal.’ Daan kiest de versie die hem het beste bevalt, maar het is de vraag hoe lang hij de realiteit op afstand kan houden. Zijn leven langs de zijlijn is overzichtelijk maar zijn zicht op de buitenwereld loopt via andere oren en ogen.

    Het incident dat de verdere loop van de levens van Floor, Marten en Daan heeft bepaald vormde tegelijkertijd ook de verhoudingen tussen hen. Ze hebben allemaal hun eigen kijk op die gebeurtenis en de ware toedracht is alleen aan hen bekend. Daan komt op vakantie met het idee om Floor te laten kiezen uit de drie jongens door een serie uitdagingen. In dit spel wordt er gemanipuleerd en gelogen en wordt de inzet steeds verhoogd. Alle drie dingen ze naar de aandacht en voorkeur van Floor, die het wel bevalt om als prijs gezien te worden. Zij fungeert als scheidsrechter maar is niet neutraal. Het is duidelijk dat ze niet kan kiezen maar wel een voorkeur heeft. Daan kan dit slecht verkroppen en dit speelt een grote rol in de laatste uitdaging die hij kiest voor zijn vriend.

    De medeplichtigen

    Zo veelvuldig als de versies van de waarheid zijn die Daan bijhoudt, zo gecompliceerd is de schuldvraag die aan hem knaagt. Hij kiest ervoor om in bed te blijven omdat hij zich schuldig voelt. Samen met Floor en Marten probeert Daan de gebeurtenissen van de bewuste dag te ontrafelen. Maar ook Floor en Marten speelden in de keten van gebeurtenissen van die dag een beslissende rol. Ze kunnen niet om de feiten heen en het verleden blijft een rol spelen in hun leven. Daanjes verhaal beweegt zich steeds van het heden naar het verleden als een slingerende pendule en van verbeelding naar werkelijkheid. Naarmate het boek vordert wordt in flashbacks geleidelijk meer van de beweegredenen en motivaties van de betrokkenen onthuld. Dat proces wordt geholpen door de rake karakterisering van Daanje die het innerlijk leven van de personages op bijna klinische wijze blootlegt.

    In het laatste deel van het verhaal wordt de driehoeksverhouding tussen Daan, Floor en Marten steeds meer gespannen. De jaloezie tussen Daan en Marten lijkt bij hun verhouding te horen. Daans irreële liefde voor Floor vormt onmiskenbaar een belangrijk deel van zijn bestaan, maar Daanje laat de lezer ook hieraan twijfelen. Tot Daan op een bepaald moment zijn ware verlangen uitspreekt: ‘Hier was hij naar op zoek. Niet naar haar exclusieve, eeuwige, hartstochtelijke liefde. Maar naar opnieuw samen. Marten, Justin, Floor en hij.’ Het slot is krachtig maar laat ook een wrange smaak achter. Er zijn geen winnaars in dit verhaal, alleen maar schuldigen.

    Schuld en boete

    Floor saboteert haar eigen leven als boetedoening voor wat er is gebeurd en Daan gaat de schaamte en schuld uit de weg door in bed te blijven. Beiden hebben ze geen zuiver geweten. Ze begrijpen elkaar goed, Daan snapt als enige wat Floor doormaakt. Het is geen toeval dat Floor kiest om Daan voor te lezen uit Schuld en boete. Maar er is geen offer dat ze kunnen brengen om alles weer goed te maken. Nog belangrijker dan de verdraaiingen van Daan zijn wellicht de woorden die hij weglaat. Hij laat zichzelf en anderen de ruimte om te twijfelen, omdat hij bang is voor die ene waarheid. Zo zegt Daan het volgende over de verhalen van zijn bezoekers: ‘Ze vervormen hun verleden door het in woorden te vatten, want woorden zijn altijd vereenvoudigingen.’ Met alle grote literatuur is het net zo, de waarheid daarin is meervoudig.

    Alle stemmen in het boek draaien om die ene gebeurtenis. De hele maskerade en façade van het eerste deel dienen om de lezer te behoeden voor een te simpele interpretatie. Hiermee lijkt Daanje te willen zeggen dat er geen juiste herinnering is, alle verhalen samen vormen de werkelijkheid. Het is net een puzzel zonder het laatste stukje. Hoe het nu uiteindelijk precies is gegaan doet er eigenlijk niet toe. Elke mogelijke uitkomst leidt weer tot eindeloze variaties. De vele mogelijkheden werken benauwend en herinneren aan het feit dat je altijd weer moet kiezen. Misschien is het geruststellend om te geloven in een enkele versie van de werkelijkheid. Maar ergens in geloven maakt het nog niet echt. Zo werpt Daanje een hoop interessante vragen op over wat realiteit is. De constante perspectiefwisselingen vragen wel om aandachtig lezen en geven het geheel iets filmisch. Daanje, die ook veelgeprezen scenario’s schrijft, belicht als het ware telkens een ander deel van de scène en heeft tot het noodlottige einde de regie in handen.

     

     

  • Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Een wijs boek dat ondanks de gruwelijkheden hoopvol stemt

    De roman Simons Alfabet van de Engelse schrijver Kathy Page laat ons kennismaken met de wereld van gedetineerden. We volgen de jonge moordenaar Simon Austen, die levenslang heeft gekregen vanwege de moord op zijn vriendin Amanda. De psychologen en begeleiders in de gevangenis proberen bij Simon een bewustwordingsproces op gang te brengen, opdat hij meer inzicht zal verkrijgen in de achtergrond van zijn gewelddadigheid. Doel van de begeleiders en ook van Simon zelf is uit te groeien tot een evenwichtiger mens, die niet in herhaling zal vallen. In hoeverre is Simon daartoe in staat? 

    Het boek bestaat uit drie delen, elk getiteld met een letter die verwijst naar de naam van de vrouw die in dat deel een belangrijke rol speelt in zijn leven. In deel een, getiteld B, is dat Bernadette, een begeleider die zijn vertrouwen wint en op wie hij verliefd wordt. In dit deel wordt stukje bij beetje duidelijk wat hij op zijn kerfstok heeft. Simon blijkt een gevaarlijke moordenaar die ieder moment opnieuw in de fout kan gaan. Het brute leven van de gevangenen onderling staat in contrast met het oprechte verlangen van Simon naar contacten buiten de gevangenis. Bernadette overtuigt hem zich te laten overplaatsen naar een bijzondere kliniek waarin hij met acht mensen een groep gaat vormen, allen bereid na te denken over zichzelf en hun gebreken. Hij neemt met moeite afstand van Bernadette en vertrekt.

    Psychodrama sessies 

    Het tweede deel (getiteld A) speelt zich voor een belangrijk deel af in de kliniek waar Simon wordt uitgedaagd om steeds dieper in zijn relatie met Amanda te duiken, de vrouw die hij om het leven bracht. De psychodrama sessies, waarin de acht gedetineerden scènes uit hun leven voor hun gevangenneming uitspelen, dwingen hem die relatie opnieuw te beleven. Hij wordt in deze periode heen en weer geslingerd tussen twee stemmen. De ene stem fluistert hem in dat de kliniek een plaats is waar ze hem helemaal uit elkaar willen trekken in kleine deeltjes om daarna een geheel nieuwe Simon in elkaar te kunnen zetten. ‘Ik krijg het gevoel dat ik zo slecht ben dat ik jullie moet toelaten in het meest intieme en persoonlijke van mezelf, met jullie moersleutels en schroevendraaiers en gebruiksaanwijzingen … voer voor de vakman!’ Niets is meer privé, hij mag niets voor zichzelf houden en daar heeft hij grote moeite mee. Een andere stem fluistert hem in dat het hier veel beter is dan in de normale gevangenis. Hier kan hij wel gewoon op de goede weg blijven. Hier kan hij studeren, lezen en schrijven, nadenken over zichzelf. Langzamerhand wint de eerste stem het. 

    Dan komt Simon in verzet. Hij gooit een walkman stuk tegen de muur. Via die walkman wordt hij geacht reconditioneringsbandjes te beluisteren. Bandjes waarin hem geleerd wordt anders te handelen en zich anders te gedragen. Wie denkt bij reconditionering niet aan A Clockwork Orange, de film van Stanley Kubrick, waarin een moordenaar via beelden gedwongen wordt te veranderen. In deze roman van Kathy Page mag Simon zelf de beslissing tot verandering nemen. Dat maakt het ook zo moeilijk en lastig voor hem. Als hij dan ook zijn twijfels en verzet teveel ventileert, wordt hij teruggeplaatst naar zijn oude gevangenis waar hij door een van zijn medegevangenen tot moes wordt geslagen.

    Willen maar niet kunnen

    In het derde deel, ‘C’ staat het herstel van de bijna dodelijke verwondingen ten gevolge van deze aanval centraal. Simon ligt in het ziekenhuis op een kamer met de transgender Vic die zich Charlotte noemt. Simon raakt gebiologeerd door deze mens die biologisch tot vrouw wordt geopereerd. Ze raken bevriend en bespreken alle mogelijke situaties uit hun leven met elkaar. Charlotte brengt hem tot een emotionele woede-uitbarsting, zonder dat Simon gewelddadig wordt, wat voelt als een overwinning. Dan komt het verzoek van de moeder van Amanda hem te mogen spreken. Het lijkt erop dat hij dit verzoek zal inwilligen, wat de gevolgen voor hem ook zullen zijn.

    De roman boeit van begin tot eind. De wereld bezien vanuit Simons oogpunt wekt begrip op, soms ook in zaken die hij zelf (nog) niet begrijpt. De roman laat zien hoe moeilijk het is om daadwerkelijk te veranderen. Een gewelddadige driftkop wordt niet zomaar een evenwichtig persoon. Wat de roman ook boeiend maakt, is dat het een inkijkje geeft in de harde gevangeniswereld. Hard in onderling gewelddadige relaties van gevangenen, die af en toe ook begripvol en meedenkend kunnen zijn. Hard voor gedetineerden die beweren dat ze willen veranderen, maar dat niet kunnen of durven. Het boek wekt bewondering voor het werk van bewaarders, psychologen en hulpverleners. Kathy Page was zelf  vele jaren psychotherapeut en hulpverlener voor ze romans ging schrijven. Ze schreef met Simons alfabet een wijs boek dat ondanks de gruwelijkheden hoopvol stemt.

     

     

  • Wortels en bewustwording

    Op de voorkant van deze omvangrijke bundel, Handleiding voor ontheemden van Robin Block staat een waringinboom afgebeeld die een warrig net van dikke wortels over de grond heeft uitgespreid. In dat vlechtwerk van wortels onderscheidt zich één bloedrode tak. Een goedgekozen symbool van de inhoud van de bundel, waarin hij op zoek is naar zijn wortels in het Nederlands-Indië van weleer als afstammeling van een Nederlandse voorvader en een Indonesische oermoeder. Block debuteerde in 2005 met de bundel Bestialen bij uitgeverij Holland. Zijn tweede bundel bevat dertien afdelingen, een epiloog en een verklarende woordenlijst van woorden uit het Indonesisch. Meteen in het eerste gedicht al legt de dichter het thema van de hele bundel, de zoektocht naar zijn afkomst.

    Mijn bloed

    ik draag de stank van tabak, mijn aderen
    vertakken zich langs oude plantages, mijn spieren
    mengen kalmte met geweld – de stem
    van een voorvader buldert door mijn keel

    ik heb zoveel te bewijzen

    in mijn mond strijden verschillende tongen,
    de ruggengraat van een nyai draag ik,
    de kinderen die zij baarde zijn kinderen
    die haar niet meer toebehoren

    haar handen, mijn polsen, zoveel kwijtgeraakt

    in mijn bloed galmt het gezang van gevangenen,
    de dreun van een geweerkolf – een rode stip
    spat op wit katoen, grootmoeder hurkend
    in de kokendhete middagzon
    door mijn hoofd loopt een verbogen rails,
    een dwaalspoor ingehamerd
    bij de volgende generaties:

    aanpassen! aanpassen!

    herinner je de winter, de eerste
    die ons allemaal bevroor

    jouw voeten, mijn voeten
    bloot en koud op vreemde grond

    opa verstopt zijn oorlog
    in elk oog een dolk
    in zijn glimlach een verloren jongetje

    en ik heb vlaggen
    te verhangen,

    kransen waarvan ik niet meer weet waar ik ze leggen moet

    Toerist en verloren zoon

    Zoals dichters en schrijvers als Eddy du Perron en Dewi de Nijs Bik zoekt Block naar het land van herkomst. Letterlijk, als hij als toerist naar Indonesië gaat en probeert zich een weg te banen naar het verleden als kind van twee culturen. Maar ook als hij in diverse gedichten de stemmen laat klinken van zijn voorvader Tabak en zijn oermoeder, die zonder naam in de herinnering bleef, al baarde zij de kinderen van de plantagehouder. Ze staan vaak lijnrecht tegenover elkaar in hun uitspraken: de nuchtere Hollander, die wars is van emoties en de inheemse vrouw. Ze verhalen van gebeurtenissen van lang geleden en waken vanuit de geestenwereld over de dichter, die hun afstammeling is. Ze proberen contact met hem te leggen om hem te helpen in zijn zoektocht naar zijn wortels, als hij als toerist naar Indonesië gaat en zijn familie aldaar opzoekt.

    Heden en verleden staan naast elkaar in zijn gedichten. Het leven in het moderne Indonesië wordt afgewisseld met het koloniale tijdperk van de plantagehouders. De natuur wordt bezongen, de gebruiken en gewoontes in ere gehouden. Personen van vroeger en nu worden opgevoerd om een indruk te geven van Indonesië vandaag en uit het verleden. Block schildert een betoverend, sprookjesachtig Indië, dat doet denken aan de Stille kracht van Couperus en De scheepsjongens van Bontekoe van Johan Fabricius, maar daarnaast eert hij het Indonesië van vandaag, dat van de clichématige opvattingen over het land af wil.

    Block beschrijft ook de andere kant van het verhaal, de repatriëring van de Indische Nederlanders naar Nederland en de aanpassingen die er van hen verlangd werden. Ook al trachtten zij aan te sluiten bij de Nederlanders, zij bleven een aparte groep vormen. Block citeert het boekje met richtlijnen dat de repatrianten meekregen om de overgang zonder al te veel problemen te laten verlopen: Uitgave van de Afdeeling Pers en Publiciteit van den Dienst der Repatrieering uit 1946. Het is nu beschamend om te lezen hoe dit boekje, Djangan Loepah getiteld (wat ‘Niet vergeten’ betekent), voorschrijft hoe mensen zich dienden te gedragen als zij in Nederland waren aangekomen. Zo mochten koffers niet in de woonkamer staan: ‘wij hebben dan altijd het gevoel/ dat wij bezig zijn op reis te gaan en dat bevordert de huiselijkheid niet’. Het betuttelende toontje met het minzame ‘wij’ in de aanspraak voelt nog steeds kwetsend aan.

    Ontknoping

    Block wisselt zijn onderwerpen af in de gedichten. Af en toe is het moeilijk de rode draad vast te houden, vooral omdat ook de versvormen gevarieerd zijn. Van prozagedichten naar dialogen, van gedichten met toneelachtige aanwijzingen en terzijdes naar citaten van Indonesische dichters: het vergt aandacht van de lezer om te weten waar het over gaat, in welk tijdperk we ons bevinden en wie er aan het woord is in het gedicht. Misschien kenmerkt die veelzijdigheid de versplinterde identiteit van de dichter zelf: een wirwar van gevoelens, een chaos van gebeurtenissen die hem overviel bij het zoeken naar zijn eigen identiteit. Nogmaals komt het beeld van de wortels van de waringinboom in gedachten, nauwelijks te ontwarren. Maar Block weet de verwarring te weerstaan met humor, zelfspot en hier en daar een vleugje sarcasme:

    Wisselkind

    Zie mij eens mijn best doen om hier thuis te zijn. Ik zing de dankjewels
    met mijn kopstem. Kijk niemand in de ogen als ik groet. Ik heb een batikshirt
    dat schouderklopjes krijgt. Ik ben jullie Insta-mascotte, twee koppen groter. Ik eet
    op straat met de locals mee. Lepel voldoende sambal op mijn bord en spoel

    mijn reet af met het flesje. De witte rijst kleur ik bij
    met kecap. Mijn genen bakken mee met de zon. Ik ben best stoer
    op die scooter. Ik ben hier lang genoeg.

    Zie mij eens mijn best doen om hier thuis te zijn. Ik spreek de hoezo’s
    ritmisch uit. Kijk je strak in de ogen als ik groet. Grinnik met mijn mond dicht.
    Ik heb een wintertrui die schouderklopjes krijgt. Ik ben jullie voetbalvriendje,
    twee koppen kleiner. Eet andijvie met de buren. Schep voldoende
    jus in het kuiltje. Mijn genen bleken mee in de sneeuw. Ik prak aardappels
    door de groente heen, veeg zittend mijn reet af. Eenlaags schuurpapier.
    Ik ben best stoer op die racefiets. Ik ben hier lang genoeg.

    Wat uit dit gedicht blijkt, komt ook naar voren in het slotgedicht van de bundel: de dichter lijkt vrede te hebben gevonden met zijn gemengde afkomst, ondanks het feit dat hij niet duidelijk een keuze heeft weten te maken tussen Nederland en Indonesië. Dat was ook niet nodig: beide landen en culturen zijn in hem vertegenwoordigd en daar zal hij het mee moeten doen.

    Zijn zoektocht heeft een bundel opgeleverd die betoverend en nuchter tegelijk is, de uitkomst van de erfenis van twee culturen. Block oordeelt niet over het koloniale verleden, maar aanvaardt zowel de Nederlandse als de Indonesische kant van zijn afstamming. Hij heeft met deze bundel een monument geschreven voor zijn voorvaderen, maar minstens zo belangrijk is het feit dat hij zijn verre, anonieme oermoeder haar naam heeft weten terug te geven.

     

     

  • Niemand had haar ooit van zijn leven al gezien

    Op de voorkant van het boek Toermalijn, tekst van Davide Cali en illustraties van Fatinha Ramos, galoppeert een ridder te paard door een veld vol bloemen en vlinders. De fijne illustratiestijl laat je door het hele boek meedromen met het verhaal.

    Toermalijn is een sprookje over dappere ridders en een prinses, het begint met deze tekst:

    ‘Er was eens een prachtige prinses.
    Zo een mooie prinses zag je van je leven nog niet.
    En eigenlijk had ook niemand haar ooit van zijn leven al gezien.
    Ze heette Toermalijn.

    Lees verder over prinses Toermalijn op Jong Literair Nederland. 

     

     

  • Dans als remedie tegen problemen

    Aanvankelijk lijkt Kleine werelden van Caleb Azumah Nelson te gaan over het leven van een groep Ghanezen in Londen die voortdurend bezig is met luisteren naar muziek en dansen: gelukkige mensen. De roman krijgt zelfs iets gezapigs omdat hij alleen maar lijkt te gaan over steeds terugkerende huiselijke taferelen en ontmoetingen tussen vrienden op de dansvloer of samen luisterend naar muziek. Gaandeweg blijkt dat plezier in het leven niet zo vanzelfsprekend. Onder de oppervlakte ligt een geschiedenis en een gemis die de auteur geleidelijk voor de lezer opdient, maar die daardoor des te schrijnender voelt. Kleine werelden blijkt dan te gaan over migratie en wat dat doet met je identiteit.

    Nelson (1993) is een in Londen wonende fotograaf en schrijver die in zijn kindertijd opgroeide bij een Ghanese oma. In 2021 debuteerde hij als auteur met de roman Open water. Die roman gaat over een fotograaf en een danseres die als zwarte mensen moeten zien te overleven in een stad vol racisme. Dit thema keert in Kleine werelden terug. Nelson schrijft zwart steevast met een hoofdletter, alsof hij wil benadrukken dat hij in zijn werk de Black Lives Matter-beweging ondersteunt.

    Dat de roman in het begin vooral de indruk maakt van gelukkige mensen heeft te maken met de diepe genegenheid en tederheid tussen de protagonisten uit het gezin waarvan hoofdpersoon Stephen, vanuit wiens persperspectief het verhaal wordt verteld, deel uitmaakt. De andere leden zijn zijn broer Raymond en zijn ouders Eric en Joy (de naam van de vader blijft lang onbekend en die van de moeder komt de lezer zelfs pas op het allerlaatst te weten, wat op te vatten valt als symbool voor de moeite die ze moeten doen om als Ghanezen in Londen zichzelf te kunnen zijn). Daaromheen is er de grote vriendenkring van vooral landgenoten, maar ook Nigerianen en Senegalezen.

    Racisme

    Kleine werelden valt uiteen in drie delen die achtereenvolgens spelen in de zomers van 2010, 2011 en 2012. In het eerste daarvan, Twee jonge mensen in de zomer, staat de opbloeiende liefde centraal tussen Stephen en Adeline (‘Del’), in het tweede, Een vluchtige verbondenheid, zijn dat de momenten waarop de hoofdpersonen voelen wat hen met elkaar verbindt, en in het derde, Vrijheid, de worsteling van generatie op generatie om als immigrant een veilige plek te vinden in je ‘nieuwe’ wereld.
    In deel twee blijkt hoe die romantische wereld wordt bedreigd door racisme, zoals in de beschrijving van de Londense rassenrellen van 4 augustus 2011, toen de ‘Zwarte’ Mark Duggan door de politie werd vermoord.
    In het ontroerende derde deel lezen we hoe een ruzie die de relatie tussen Stephen en zijn vader kapot maakte, voortkwam uit het verleden dat zijn vader met zich meedroeg toen hij zich vanuit Ghana met zijn vrouw in Londen vestigde: een stad ‘die zijn best doet jullie allebei te laten verdwijnen’. Eric vertelt zijn zoon wat de migratie voor hem betekende: ‘Dit is wat je meebracht, dit is wat je probeerde achter te laten. Dit is het schuldgevoel dat het overleefde. Dit is je last. Dit is waarom je er moeite mee hebt vrijelijk lief te hebben, omdat het voelt alsof je alles kwijtraakt wat je liefhebt’. En zoon Stephen begrijpt daarmee wat hem en zijn vader uit elkaar dreef en herkent het gevecht in zichzelf voor je zover bent dat je in vrijheid kunt zeggen ‘hier ben ik’.

    Ritme

    Dan is ook duidelijk waarom muziek en dans de boventoon voeren in Kleine werelden. Het zijn die kringen van vrienden waarin je je eigen geschiedenis herkent, je eigen ritmes en je verwantschappen in een grote wereld die je liever kwijt dan rijk is.
    De delen van de roman beginnen alle drie met dezelfde zin: ‘Aangezien dansen het enige is wat het gros van onze problemen kan oplossen…’. Het is een zin die wel dertien keer in het boek voorkomt. En dat is niet de enige herhaling. Die zijn er veel meer, zoals de talrijke opmerkingen over herinnering en (niet kunnen) vergeten, zinnen als ‘herinnering, beeld en mogelijkheid schuiven over elkaar heen’, het gebruik van de woorden ruimte en ritme en de opbouw van langere alinea’s uit bijzinnen die steeds op dezelfde manier beginnen: ‘naar huis, waar…, waar…, waar…, waar…..’ Het zijn een manier van schrijven en een stijl die ook de tekst van de roman zelf een ritme en muzikaliteit geven die de lezer nog meer de wereld van Stephen in trekt, de wereld waarin de vrienden elkaar vooral vinden in muziek en beweging en in de geuren die herinneren aan Ghana. Want inderdaad: alleen dansen kan het gros van hun problemen oplossen.