• Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Maarten en Nicolien, wie kent ze niet? Deze hoofdpersonages uit de zevendelige roman Het Bureau van J.J. Voskuil, leven voort in Wim Huijsers roman Het Genootschap. De roman bestaat uit 119 korte hoofdstukjes met scenes uit hun leven en dat van bestuursleden en bijeenkomsten van het J.J. Voskuil Genootschap. Bijzonder is dat Huijser van Maarten en Nicolien reële autonome wezens heeft gemaakt, die los van hun schepper Voskuil voortbestaan.

    Het boek is een nieuwe ‘loot aan de Voskuilboom’, zoals Huijser het zelf eens formuleerde. Na Voskuils dood zijn er in diens voetspoor verschillende romans verschenen waarin zijn stijl en thema’s herkenbaar zijn, onder meer die van Detlev van Heest en Minke Douwesz. Huijser zelf heeft in de afgelopen twee jaar ook ijverig meegewerkt aan het uitlopen van deze stam. Hij volgde Voskuil niet alleen in stijl en thema’s, maar gebruikte ook zijn personages. Eerst publiceerde hij twee boeken met wandelingen van het echtpaar Maarten en Nicolien: Aan de wandel, waarin zij kriskras door Nederland wandelen en Op Pieterpad, waar ze het bekende ‘Lange Afstands Wandelpad’ lopen. En nu dan Het Genootschap.

    Feest der herkenning

    In deze roman wordt Maarten per brief gevraagd om erelid te worden van het J.J. Voskuil Genootschap. Het is het begin van een grappige roman die vooral voor Voskuillezers een feest der herkenning is. Maarten en Nicolien kissebissen evenzeer als de romanfiguren van Voskuil over van alles, om te beginnen over de vraag of Maarten aan het verzoek van het Genootschap gehoor moet geven. Nicolien is daarop tegen. Maarten gaat echter op de uitnodiging in en is zelfs bereid mee te werken aan een ledenvergadering, door ‘De Knat’ voor te lezen, het verhaal dat Maarten ooit in een van Voskuils boeken ook heeft voorgelezen.

    Het J.J. Voskuil Genootschap bestaat uit een excentriek stel mensen bij elkaar. De bestuursleden gaan door het leven onder Bordewijkiaanse namen als Jacques Strategier (secretaris), Herman Draatzoeker (voorzitter) en Sylvie de Vragende (penningmeester). In een later stadium komt daar Coosje van Well als jeugdig nieuw bestuurslid bij. Die bestuursleden komen afzonderlijk of gezamenlijk voor in aparte hoofdstukjes en vergaderen telefonisch en op locaties heel wat af. Daardoor krijgt de roman dezelfde afwisseling als Het Bureau, een afwisseling die in de wandelboeken van Huijser met Maarten en Nicolien ontbreekt. Er ontstaat een dynamiek tussen de belevenissen van het echtpaar in de huiselijke sfeer en die van het Genootschap, waarin Maarten soms participeert. Deze dynamiek maakt Het Genootschap tot een ware Voskuilpastiche.

    Spel met alter ego’s

    Het wordt helemaal interessant als Maarten en Nicolien kritiek gaan leveren op hun schepper Voskuil. Kritiek, met name op de dagboeken van Voskuil, die in de verhaaltijd van deze roman (september 2022-april 2023) verschijnen. Ze vinden vooral het eerste deel van het dagboek, dat de periode tot 1955 bestrijkt, niet veel. ‘Die (Voskuil) deed in de Tweede Wereldoorlog niets anders dan bandenplakken’ merkt Maarten venijnig op en hij noemt het dagboek een ‘in zichzelf gekeerde worsteling.’ Maarten en Nicolien willen als eigenstandige personen beslist niet vereenzelvigd worden met hun schepper. 

    De roman is dus een spel met alter ego’s, aliassen en identiteiten. Eindeloos hebben de critici in het verleden gediscussieerd over de relatie tussen Voskuil en zijn alter ego Maarten Koning. In deze roman beweert Maarten dat Voskuil in Het Bureau een ideaaltype van zichzelf heeft geschapen, dat in geen enkel opzicht met de schrijver verward mag worden. Nog ingewikkelder wordt het als het echtpaar reageert op de verschijning van Aan de wandel dat Wim Huijser schreef met hen als hoofdpersonen. Voskuil is de creator van Maarten en Nicolien, door Huijser in Het Genootschap als echte personen opgevoerd die reageren op een door Huijser gecreëerd wandelboekje. Nicolien is in Het Genootschap erg boos over de verschijning ervan: ‘Dat hoeven wij toch zeker niet te pikken!’ reageert ze, ‘Het zou verboden moeten worden’. Op deze wijze spot Wim Huijser ook met zijn eigen creatie. Maarten heeft er minder moeite mee en gaat zelfs naar de presentatie van dit wandelboek.

    Levensduur van romanpersonages

    Het plezier in het schrijven spat van iedere bladzijde van dit boek af. Huijser geeft Maarten en Nicolien een nieuwe levenstijd. De 119 hoofdstukjes zijn kort en afwisselend waardoor je het boek niet snel weglegt: ‘Nog eentje dan!’ De Voskuilervaring wordt er weer helemaal door opgefrist en in de tijd gebracht. Vooral Maarten, maar ook Nicolien, zijn in deze roman met hun tijd meegegaan. Maarten heeft thuis een ‘spinningbike’ en loopt op ‘sneakers’, hij downloadt teksten en gebruikt een mobieltje en een laptop. Interessant is dat Huijser in dit boek de oudste vriend van Voskuil, Loe van Ooijen, veel aandacht geeft, die als het personage Klaas de Ruiter in Het Bureau figureert. Van Ooijen heeft zich namelijk ooit garant gesteld voor het verschijnen van Voskuils roman Bij nader inzien (1963), iets waar Voskuil zelf nooit ruchtbaarheid aan heeft gegeven. Deze van Ooijen is weer de oud-leraar Nederlands van Wim Huijser en zo speelt Huijsers eigen leven ook een rol in de roman. Ook het publiciteitsbureau, dat het J.J. Voskuil Genootschap gratis van een imago wil voorzien, is ontsproten aan Huijsers eigen ervaringen.

    Een van de thema’s is dat romanpersonages bestaan zolang ze gelezen worden. Huijsers roman verlengt niet alleen fictief hun leven, maar wij ook door deze roman en het werk van Voskuil te blijven lezen. Het boek eindigt met een bijeenkomst van leden van het J.J. Voskuil Genootschap in Den Haag, waar ze een wandeling maken langs de begraafplaats van Voskuil en langs de huizen waar hij gewoond heeft. Bij deze bijeenkomst zijn verrassend veel jongeren aanwezig. Coosje van Well, het jongste bestuurslid, heeft door haar charmante en deskundige presentatie over het genootschap op tv de belangstelling voor de schrijver en voor het genootschap vergroot. Misschien schreef Huijser het boek wel omdat hij anderen, jongeren, ook het plezier in Voskuils boeken gunt. Het boek zal in ieder geval de lezers van Voskuil een groot genoegen schenken, omdat deze roman dezelfde geestige en ironische blik op de mensheid werpt als Voskuil dat in zijn werk deed. Voskuil leeft niet meer, maar zijn creaties leven voort.

     

     

  • Cabaretier tussen brandnetels

    Nijmegenaar Thijs Goverde is kinderboekenschrijver, filosoof, cabaretier en beheerder van een voedselbos. Die aspecten van zijn wereld zijn alle terug te vinden in zijn boek Supergroen. Het is een boek met zesentwintig hoofdstukjes tekst over vegetatie die hij in zijn voedselbos ongevraagd tegenkomt of er zelf in plant. Hij vertelt er cabaretesk over, strooiend met grapjes en wendingen die je als lezer bijna steeds op het verkeerde been zetten. Je leest zijn korte zinnetjes alsof je hem in een kleine zaal hoort optreden. Voor kinderen.

    […]

    De kleurentekeningen van Saskia Heijmans hebben de speelsheid van de tekst. Ze illustreren paginagroot op een koddige manier, wat er over de besproken plant wordt verteld door die een geniepig, lachend of treurig uiterlijk mee te geven.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Veelomvattend debuut over aardige jongens en een raadselachtige foto

    De debuutroman Het objectief van Martien van Agtmaal is goed geschreven, doet je regelmatig (grim)lachen en laat je als lezer achter met de nodige vragen en onzekerheden, zoals dat hoort bij goede literatuur. Centraal staan de stad Amsterdam en drie dertigers die tijdens een ijskoude februarinacht in 2012 een door drank doordrenkt feest vieren. Alcohol, hun vriendschap, hun relaties, anti-burgerlijkheid en jeugdig enthousiasme bepalen sfeer en inhoud van slechts één nacht. In vliegende vaart dat wel, want er moet groots, meeslepend en voorwaarts geleefd worden.

    De drie protagonisten zijn David, Brecht en Reaux (Robert). Aardige jongens, maar met praatjes als hemelbestormers en met uitvretertrekjes. Brecht heeft een baantje onder zijn niveau bij een bedrijf dat elektrische stepjes verhuurt, Reaux werkt in een kringloopwinkel, de ‘kapitalistische ode aan bezit’. ‘De best bestede tijd is verprutste tijd’, is zijn adagium. David heeft weliswaar een docentenbaantje aan de universiteit maar hij wordt daar ontslagen. De vraag is hoe erg hij dat vindt, want diep in zijn hart wil hij wellicht als een Bavink liever kunstenaar zijn.

    Het verhaal beschrijft een etmaal in de hoofdstad als het fictieve traditionele Nachtrustfeest gevierd wordt. Het wordt chronologische verteld, maar regelmatig onderbroken door verduidelijkende flashbacks, bijvoorbeeld naar Davids jaar aan de fotoacademie in Montpellier. Simultaan wordt Jessica in Afrika gevolgd, zij werkt daar voor Artsen zonder Grenzen, en Alexia, die met vriendin Noor net als de drie jongens ’s nachts door de ijskoude, feestende stad trekt. Zij heeft zowel David als Reaux ooit kort eerder ontmoet. David vat op deze avond door een herinnering aan haar een hevig verlangen naar haar op.

    Foto

    Davids belangrijkste kunstproject in zijn jaar in Montpellier was een serie foto’s van mensen in wie en waarin het ogenblik gevangen wordt. Hij fotografeerde voor dat project verstoord opkijkende mensen. Eén foto is leidend in het boek en in Davids handel en wandel, namelijk het portret ‘de voorbijganger’. Als hij zijn foto’s terug in Nederland bij de universiteit mag exposeren, blijkt een bezoekster er van onder de indruk. Ze vindt de foto van de roodharige man met sproeten ‘erg sterk’ en ziet dat hij over macht gaat. Een jaar later, op de dag van het Nachtrustfeest, herinnert David zich deze vrouw en haar naam. Ze heet Alexia en David ‘voelt’ dat hij haar moet zoeken en haar het portret moet gaan geven. In de nachtelijke queeste naar Alexia sleept hij de ingelijste foto in zijn rugzakje mee, kou, sneeuw en drukte trotserend, in de heilige overtuiging dat hij haar zal treffen en dat er dan nog meer in het vat zal zitten. Er is trouwens nóg iemand die wordt geraakt door het portret, namelijk bijfiguur Sydney, een androgyne spillebeen. Hij heeft er veel geld voor over, maar David verkoopt de foto niet. Wie is de geportretteerde, vraag je je als lezer tot dat moment af? En: gaan David en Alexia elkaar treffen?

    Vriendschap en liefde

    Vriendschap is een ander belangrijk thema in het boek. Vriendschap, is dat niet vooral ‘een beetje op elkaar passen?’, vraagt Brecht zich af. Of ze echt zo goed op elkaar passen kun je je afvragen. Wat ze wel doen is samen optrekken tijdens deze laatste februariavond waarop in de stad het Nachtrustfeest gevierd wordt. Eufoor viert Brecht hun gezamenlijkheid, het markeringspunt van het nu in hun geschiedenis, in een moment dat er echt toe doet. ‘Jong, gezond, blakend van zelfvertrouwen, mooi dus, gretig, alert.’ Maar onder hun vrije en onbeperkte leven gaat de nodige eenzaamheid schuil, dat is in alles voelbaar en merkbaar.

    Brecht ziet David, die volgens hem de neiging heeft zijn vrienden soms als ‘vijandelijke linie te beschouwen’, als de zwakste schakel. Duidelijk is dat David het meest uitgevreten wordt, de rekeningen betaalt, de biertjes koopt. Brecht en Reaux gaan soms als een stel met elkaar om vindt David op zijn beurt. ‘Jullie lijken wel verliefd.’

    Liefdesrelaties gaan deze jongens niet aan voor de eeuwigheid. Dat past absoluut niet in hun antiburgerlijke houding: ‘[…] je eigen vreten verdienen en als je je zaad niet bij je kunt houden ook dat van een paar anderen’ is een nachtmerrie en een ‘eindstation van dromen en ambities’. Het zijn dertigers van deze tijd die ageren tegen de ‘scheefwoners versus [de] woninglozen […] de jongen tegen de ouden’, die de revolutie prediken en een vaste baan als een vernedering beschouwen.

    Vele motieven

    Van Agtmaal speelt met vele motieven. Sommige lijken enigszins gezocht, zoals dat van de trein: het ‘eindstation’, de trein die zonder spoorboekje door een dal van rituelen uit voorbije relaties rijdt, de trein naar Den Haag als beeld voor vele alcoholische versnaperingen, ‘de machinist’ (de manipulatieve ex van Alexia), Davids gedachten die het treinspoor naar ontraadseling van praktische mysteries volgen en wielrenners die in een treintje langs sjezen. De onderwaterwereld, onder andere verbeeld in de kwal op de blauwe omslag van het boek, is een motief dat een zwaardere lading draagt, omdat het in deze roman met de dood flirt. ‘Als je helemaal kopje onder bent, voel je niet meer dat je in het water zit. Niets voelt dan nat’ zegt Brecht nadat hij uit bad komt. Dat klopt, ervaart David later.

    Het poezenmotief is grappig en aardig bedacht voor wat betreft Jessica die vanuit Afrika dankzij een tracker haar abessijn in Amsterdam kan volgen – zoals de lezer de jongens volgt in hun nachtelijke trek door de stad – maar het is wat gezocht voor wat betreft alle andere poezen die langskomen. De roman wemelt ook van de intertekstualiteit. Er is een Vasalisproject in de Zuiderzee, een originele rol voor Mulisch bij het monument op de Dam en Kloos komt langs als Alexia zich in haar allerindividueelste emotie ‘een godin in het diepst van haar gedachten’ noemt.

    Die overvloed aan motieven is misschien de enige kritiek op dit knappe debuut. De schrijver vertelt in een interview dat hij veel heeft geschrapt, maar dat hij zijn personages beter wilde leren kennen en om die reden ‘ontstellend veel’ over ze is gaan schrijven. Beide is gelukt in de bij tijden absurdistische roman Het Objectief. Het is een lezenswaardig, aanstekelijk en intrigerend debuut dat leest als een trein.

     

     

  • Prachtig tijdsbeeld van Franse tiener

    Het is dit jaar 150 jaar geleden dat de Franse schrijfster Colette werd geboren. Ter gelegenheid daarvan geeft uitgeverij Van Maaskant Haun een aantal van haar werken uit in een nieuwe vertaling. In haar tijd was Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) al een zeer markant en vrijgevochten figuur. Ze droeg graag herenkostuums en was de eerste Franse schrijfster die een staatsbegrafenis kreeg. Aanvankelijk schreef ze onder de naam van haar (veel oudere) echtgenoot, maar na haar scheiding schreef ze verder aan een indrukwekkend oeuvre, waarbij ze uitsluitend nog haar eigen achternaam gebruikte.

    Het hoofdpersonage in Claudine op school is al net zo’n vrijbuiter als Colette zelf was. De hele Claudine-serie bestaat uit vier delen en is grotendeels autobiografisch. Op het omslag van Claudine op school is een foto te zien van Colette aan haar schrijftafel. In dit eerste deel van de serie maken we kennis met Claudine, een vijftienjarig meisje uit Montigny-en-Fresnois in de Bourgogne. Haar moeder is overleden en haar vader ‘ziet niets en bemoeit zich nergens mee, hij heeft alleen aandacht voor zijn werk’. Claudine kan daardoor doen en laten wat ze wil.

    Verliefd

    Vanuit een ik-perspectief volgen we het wel en wee van een Franse puber rond 1900. Het boek wordt door Claudine zelf een dagboek genoemd en het leest ondanks het gebrek aan dag- of datumaanduidingen inderdaad als een dagboek. Claudine zit op een meisjesschool waar ook meisjes wonen, als op een kostschool. Er wordt een nieuw schoolgebouw gerealiseerd waarin de meisjesschool en de jongensschool uit het dorp gehuisvest zullen gaan worden en de verwachtingen daarover zijn bij beide groepen hooggespannen omdat de mogelijkheden voor contact met de andere sekse daardoor vergroot worden. Claudine en haar vriendinnen mogen helpen met het opruimen van de zolder van het oude schoolgebouw en doen daar opmerkelijke vondsten, zoals wat seksueel getinte lectuur die tot grote hilariteit leidt en waarvan de oorspronkelijke eigenaar uiteraard onbekend blijft. Claudine op school speelt zich af in het examenjaar van Claudine.

    In dat jaar verschijnt er een nieuwe hulponderwijzeres die slechts vier jaar ouder blijkt te zijn dan zijzelf. Deze juffrouw Aimée is de assistente van de strenge juffrouw Sergent (bijgenaamd ‘de Rooie’). Claudine wordt halsoverkop verliefd op Aimée en weet te regelen dat ze privé bijles Engels van haar krijgt. Wanneer juffrouw Sergent daar lucht van krijgt, brengt ze Aimée (uiteindelijk succesvol) op andere gedachten door haar zelf haar liefde te verklaren. In het boek vertelt Aimée aan Claudine welke woorden juffrouw Sergent daarvoor gebruikt heeft:

    ‘”Liefje van me, zie je dan niet dat je mijn hart breekt met je onverschilligheid? Lieveling, hoe is het mogelijk dat je niet hebt gemerkt hoeveel genegenheid ik voor je koester? Mijn kleine Aimée, ik ben jaloers op de liefde die je voor die hersenloze en waarschijnlijk ook ietwat gestoorde Claudine voelt… Al heb je alleen maar geen hekel aan me… O! Als je maar een heel klein beetje van me zou kunnen houden, dan zal ik een zo liefdevolle vriendin voor je zijn als je je maar kunt voorstellen…”’

    Rode oortjes

    Het is van belang om je als lezer te realiseren dat de hele romancyclus over Claudine indertijd met rode oortjes gelezen werd. De ontluikende seksuele gevoelens bij Claudine en haar vriendinnen en de lesbische relaties tussen docenten en soms ook leerlingen zorgen voor een wat broeierige sfeer. De inwonende juffrouwen flikflooien er zelfs onder schooltijd achter gesloten deuren op los en Claudine gebruikt die wetenschap maar al te graag om ongestraft haar gang te kunnen gaan op school. Het is niet het enige gedrag dat de lezer de wenkbrauwen doet fronsen. Zo blijkt ook schoolinspecteur Dutertre een oogje te hebben op Claudine. Hij verklaart haar op niet mis te verstane wijze zijn passie, maar Claudine vat de situatie – die in onze tijd als zeer ongepast en strafbaar zou worden beschouwd – op als een avontuur:

    ‘”O, lief, betoverend meisje, waar ben je bang voor? Voor mij hoef je toch niet bang te zijn? Ik ben toch geen ploert? Je hebt niets van me te vrezen, niets. Kleine Claudine, wat ben je mooi, met die warmbruine ogen en die wilde krullen! En je hebt vast een lichaam als een aanbiddelijk beeldje…” Met een ruk komt hij overeind en omhelst en kust me; ik heb niet de tijd om me uit de voeten te maken, hij is te sterk en te snel en het duizelt me… Wat een avontuur!’ Na afloop van deze –  in de ogen van eenentwintigste-eeuwers op zijn minst schokkende – gebeurtenis drinkt Claudine doodgemoedereerd een slokje water bij de pomp en gaat dan weer rustig terug naar haar klas.

    Knikkeren en zoenen

    Claudine op school is een soort chicklit avant-la-lettre, geschreven in een wervelend snelle stijl. Claudine zelf is een ravissant meisje en een wildebras. Het ene moment knikkert ze nog met haar vriendinnen op het schoolplein en het volgende kust ze al dan niet met instemming een volwassene of droomt over haar toekomst. Haar vriendinnen worden grappig beschreven. Vriendin Anaïs bijvoorbeeld heeft bijzondere eetgewoonten: zij smult van krijt en vloeipapier. Het schoolleven van rond 1900 is alleen al bijzonder interessant vanwege alle vakken die Claudine volgt. Ze is zelf erg goed in zingen en mag solfègelessen geven aan haar klasgenoten. Handwerken en schoonschrijven nemen een zeer belangrijke plaats in op school, maar ook voor het schrijven van opstellen ligt de lat hoog. De meisjes krijgen opdrachten als: ‘Verklaar en becommentarieer deze uitspraak van Franklin: “Ledigheid is als roest: alles slijt er harder van dan van werk.”’ De verbaal sterke Claudine draait er haar hand niet voor om. Zij maakt niet eens een kladversie.

    Voor de mondelinge en schriftelijke eindexamens moeten alle leerlingen met de trein naar de stad en overnachten ze met hun docenten in een hotel. Ook daar weet Claudine op een geheel eigen manier weer een stempel op de gebeurtenissen te zetten en datzelfde geldt voor de uiteindelijke afronding van het schooljaar.

    Tand des tijds

    Claudine op school schetst een prachtig tijdsbeeld van het Franse onderwijs rond 1900. Er zijn enerzijds uiteraard grote verschillen met de huidige tijd, maar anderzijds ook juist verrassend veel overeenkomsten. Claudine is een levendig en levensecht personage, dat zich zoals vroeger gezegd werd tussen servet en tafellaken bevindt. Ze is zeer zelfbewust en intelligent, denkt na over haar verschijning, helpt anderen, haalt streken uit op school en is verliefd. Voor alle lezers die haar in hun hart hebben gesloten is het goed om te weten dat ze nog een aantal delen kunnen genieten van deze bijzondere hoofdpersoon. Claudine op school vormt het bewijs dat goed geschreven boeken hoe dan ook de tand des tijds kunnen doorstaan.

     

     

  • ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’

    In de prachtige serie dundrukken van Nederlandse auteurs door Uitgeverij Van Oorschot is nu deel 12 verschenen: Alles raak van Mensje van Keulen. Het bekoorlijke van de serie is niet alleen de verzorging van de boekjes die passen in je handpalm, maar vooral de sterke selectie van prozafragmenten, korte verhalen en gedichten. Iedereen die zo’n bundel samenstelt zou wellicht andere keuzes maken, maar in Alles raak zou je toch ook niets willen schrappen. Bovendien past in dit geval eerbiedige volgzaamheid want de selectie werd deze keer gemaakt door de auteur zelf. Alles raak bevat zesentwintig verhalen (eigenlijk zevenentwintig, want twee komen uit de verzameling teksten uit Olifanten op een web), veertien gedichten (maar daaronder ook de hele 26-delige cyclus Van Aap tot Zet) en een kleine selectie van dagboekaantekeningen uit Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Eén verhaal en twee gedichten werden nooit eerder gepubliceerd en sommige verschenen enkel in tijdschriften.

    Verdriet is het verhaal dat nu voor het eerst te lezen is. Het is een trieste geschiedenis die in nog geen anderhalve pagina laat zien wat onderdrukking van gevoelens met ons doet, maar in dat korte bestek is zoveel vertelkracht en inleving samengebald dat je even moet ademhalen voor je naar een volgend verhaal kunt. Die amechtigheid overvalt de lezer vaker, zo intens word je meegenomen op een gevoelsstroom die je voert langs afwisselend droeve en geestige, en soms absurd ontsporende verwikkelingen. In De spiegel bijvoorbeeld reageert een meisje, Iris, op een advertentie waarin ze een spiegel wil ophalen in ruil voor een wederdienst. De eerste zin is meteen onheilspellend: ‘Overal loerden dieven volgens haar moeder’. De afloop is echter veel verrassender en intenser.

    Achteloos

    Van Keulen slaagt er bijna altijd in vanuit haar hoofdpersonage te schrijven alsof dat zich niet bewust is van een lezer. Als een naam valt volgt daar zelden uitleg bij. Zie bijvoorbeeld Angela. Daarin wacht deze vrouw op een man en als ze er een ziet komen denkt ze: ‘Is het Eric? Is het Sjon? Het kan ook de man zijn die met Peet ondertekende’. Schrijvers met minder talent voor soberheid zouden die drie namen wellicht voorzien van een toelichting: ‘Eric, de xxx’; ‘Sjon, die ..’. De verteller van Van Keulen zit echter in het hoofd van Angela, die haar beelden van die mannen heeft, maar ze bij zich houdt. Ze waant zich onbespied door ons.
    Op een vergelijkbare manier laat Van Keulen een hele wereld vermoeden achter achteloze zinnen als (in Lelijk): ‘Langs de etalageruit liep een vrouw, van wie Victor wist dat ze uitsluitend wit dronk en een been had dat anderhalve centimeter korter was dan het andere’.

    Sprookje

    Het is in dit verband interessant om nog eens een gesprek terug te lezen dat Peter Henk Steenhuis in 2002 had met Mensje van Keulen over het verhaal Prima la musica, dat ook in deze gedundrukte bundel staat. Het gesprek verscheen op 3 juli 2002 in Trouw in een serie met de titel ‘Zelfkritiek’. Het verhaal gaat over de zoon van een pianostemmer die graag zanger wil worden maar geen goede stem heeft. Het is een ontroerend sprookje dat inzet als hij dronken en lallend een vrouw tegenkomt. In het gesprek in Trouw laat Van Keulen boeiend zien hoe het schrijven ervan bestond uit het zoeken naar steeds meer precisie van woorden en het schrappen van overdaad.

    Deserteur

    In veel verhalen zijn autobiografische elementen terug te vinden. Zo is daar Lijn elf, waarin de verteller in de tram van station Holland Spoor naar de kust reist. De rit is tevens een reis door haar jeugdherinneringen.
    Gelukkig is de keuze om in Alles raak twee stukken uit Olifanten op een web direct te laten volgen door het verhaal Meneer Harry. Het genoemde boek schreef Van Keulen over de relatie met haar moeder; de herinneringen aan haar misdadige en veelal afwezige vader kregen nooit vorm in een boek, maar vormden wel de grondslag voor Meneer Harry, een verhaal dat ook al was opgenomen in Ik moet u echt iets zeggen uit 2020. In een prachtige opsomming laat ze hem zijn leven samenvatten in het woord ‘deserteur’. Dat was hij: ‘Van familie, land, legioen, werk, vrouwen, kinderen. Maar ik heb mijn best gedaan om in die burgermaatschappij te passen, nietwaar, geheugen?’ (De vader heeft een hersenbloeding gehad, zit in een verpleeghuis en kan niet meer praten. Hij heeft enkel zijn herinneringen).

    Katten

    Terecht is in de selectie van gedichten de complete reeks Van Aap tot Zet opgenomen. Het is een heerlijke cavalcade van beesten in versjes die dartelen van taalplezier als alliteraties en speelse rijmen en ritmes met als slotgedicht dat over Zizi Zevenslaper waarin alle voorgaande dieren in slaap worden gekust.
    Behalve twee niet eerder gepubliceerde gedichten zijn nu ook diverse over katten opgenomen die tot nu toe slechts in bibliofiele uitgaven waren te vinden. Ze zullen voor lezers van Alles raak dus net zo nieuw zijn. Daaronder is het het aandoenlijke De kat en de weduwe, waarin een vrouw omringd is door herinneringen aan haar overleden man. Daaronder ‘de onbeslapen zijde van het bed’ waar de kater zich neervlijt als de vrouw gaat rusten en haar ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’ doet voelen.

    De laatste tweeënzestig pagina’s bestaan uit fragmenten uit de drie dagboeken die Mensje van Keulen (haar meisjesnaam is Van der Steen) uitgaf tussen 2006 en 2013. Het laatste daarvan, Moeder en pen, beschrijft de nasleep van een mislukt huwelijk met haar man Lon van Keulen. Op 22 april 1983 schreef ze: ‘Morgen naar het Paleis van Justitie en als ik naar buiten loop, ben ik weer Mennie van der Steen’.
    ‘Mensje van Keulen’ bleef: de schrijver van het ontroerende Ik moet u echt iets zeggen over Annie die haar buurman een brief dicteert die zij wil schrijven aan de rechter, van het wrange Jezus is een nul over kruidenier Vlaswinkel en de inzameling van snoep in de vastentijd voor kindertjes in de Derde Wereld die moesten worden behoed voor ‘de antichrist met slagtanden’. En zoveel meer dierbare geschiedenissen. Je blijft ze lezen in Alles is raak.

     

     

  • Een lief boek dat schuurt

    Over prentenboeken die lieflijk zijn wordt nog wel eens wat neerbuigend gedaan. Is het niet veel beter als het schuurt, als het wat feller is? De echte wereld is ook niet zo lief. En je hoeft kinderen niet overal tegen te beschermen. Dit boek is lief én het schuurt. Het laat uitstekend zien dat er niks mis is met lief zijn. Of met anders zijn. De belangrijkste boodschap van dit verhaal is: als mensen je niet waarderen, hoeft dat niet aan jou te liggen. Misschien zit je gewoon niet op de juiste plek, heb je de mensen die bij jou passen nog niet gevonden. Ga op zoek! Zwerf! En met opzet of per ongeluk zal je jouw groep vinden.

    Salah Naoura levert met De wonderbaarlijke reis van mevrouw Suzette een juweel van een prentenboek af.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Een boek dat nooit uit is

    Het gebed van Jonathan Simmers is de debuutroman van Martijn Couwenhoven. De hoofdpersoon in deze roman is de veertigjarige schilder Jonathan, wiens moeder tien jaar geleden een einde aan haar leven maakte. Hij realiseert zich dat hij nooit de moeite heeft genomen haar werkelijk te leren kennen. Dat hij geen verbinding met haar heeft gezocht. En tien jaar na haar overlijden, gaat hij dat wel proberen in wat hij een gebed noemt. De aanleiding om dit te doen is een verzoek van zijn vader om na tien jaar geen contact elkaar weer eens te ontmoeten. Hij twijfelt of hij dit moet doen, het is daarom dat hij een poging doet dichter bij zijn overleden moeder te komen. In de hoop dat zij hem – als het ware – af en toe ‘een duwtje in de juiste richting’ kan geven, zodat hij weet wat hem te doen staat. In de hoop dat het virtuele gesprek met zijn moeder de samenhang der dingen, die hem zo vaak ontgaat, kan tonen. Het gebed is geen egoïstisch verlanglijstje, maar een poging dichter bij zijn moeder en daarmee bij zichzelf en bij zijn naaste familieleden te komen. 

    Virtueel contact met zijn moeder

    Jonathan maakt zich grote zorgen om zijn stiefzusje Lieke. In het virtuele contact met zijn moeder vraagt hij voor wat lichtheid in het getroebleerde hoofd van Lieke, om te voorkomen dat zij – net als zijn moeder – een eind aan haar leven maakt. ‘Ik doe een gebed voor Lieke, dagelijks vraag ik zachtjes om wat lichtheid, om rust in haar hoofd, om milde dagen zodat ze het zonlicht kan verdragen’. Lieke vindt de aarde geen fijne plaats om te verblijven, ze wil er niet meer zijn. Jonathan neemt haar in huis om voor haar te kunnen zorgen. Hij ontfermt zich over haar.  Ontferming is een oud woord dat in dit verband helemaal op zijn plaats is. Hij trekt zich haar lot aan en zorgt voor haar. 

    Het leven wordt voor Jonathan wat minder zwaar als hij Nathalie leert kennen, de dochter van zijn oude leermeester Meindert. Er bloeit voorzichtig en zonder haast een harmonische liefde tussen hen op. Er is een nieuwe fase in zijn leven aangebroken, er is een periode voor en na de ontmoeting met haar.

    De ogenschijnlijke tegenstelling tussen licht en donker speelt in deze debuutroman een belangrijke rol. Jonathan ziet het niet als absolute tegenstellingen, het ene bestaat bij de gratie van het andere. Hij citeert de schilder Pierre Soulages die zegt dat hij niet met zwart werkt, maar met het licht dat het weerkaatst. Jonathan geeft de voorkeur aan licht dat minder fel is, zoals dat van zwermen vuurvliegjes of van sterren die als het ware gaten boren in de donkere hemelkoepel. Ze komen uit het donker tevoorschijn. Dit woord gebruikt Couwenhoven meerdere malen in dit boek. Schilder Jonathan gaat in zijn werk met verf op zoek naar verlichting. Het is geen toeval dat hij zo houdt van schilders die datzelfde doen. 

    Schrijven als een schilder

    De schrijver van dit debuut is zelf ook schilder. Zijn doeken bestaan uit kleurvlakken die gescheiden worden door dunne gekleurde of witte strepen. De meeste vlakken hebben zachte kleuren en op ieder doek bevindt zich wel een wit vlak of een zwart vlak. De strepen tussen de vlakken accentueren de overgang en vormen ook een verbinding. Zoals hij schildert, zo schrijft Martijn Couwenhoven. Het boek staat vol met lange zinnen, met nevenschikkende verwoordingen, herhalingen, naast elkaar liggende vlakken tekst, gescheiden door komma’s. 

    Jonathan staat veel stil bij het verleden. Hij zoekt daarin naar lichtpuntjes. Een van die lichtpuntjes is Mara, een pleegdochter die zijn ouders vier maanden in huis namen. Hij herinnert zich haar als een heldere en vrolijke meid. Zowel haar ouders als hij waren een beetje verliefd op haar stralende lichtheid. Zij bracht in dit contactloze gezin voor korte tijd een onderlinge liefdesband tot stand. Als zij naar elders vertrekt, is die band snel weer verdwenen. Jonathan realiseert zich dat Mara bij zijn moeder iets in beweging zette; ze werd zorgzamer, zorg die ze zelf als kind niet had ontvangen. Jonathan leert zijn moeder beter kennen en begrijpen. 

    Nooit een gewicht samen verplaatst

    Zijn vader blijft voor hem een vreemde. Zijn vader en hij hebben, zoals Jonathan het zo mooi zegt, nooit een gewicht samen verplaatst, dat te zwaar was om alleen te dragen. Zijn vader gaf hem als kind geen enkele leiding en ging zijn eigen gang, los van de verlangens van Jonathan. De ontmoeting waarom zijn vader vraagt, loopt voor Jonathan op een enorme teleurstelling uit. Hij wordt erdoor bevestigd in de overtuiging dat zijn vader geen echte aandacht voor hem heeft.

    Martijn Couwenhoven heeft een rijk boek geschreven, waarin je blijft lezen. Het is nooit uit, omdat je er telkens nieuwe dingen in ontdekt. Het gebed uit de titel is een zoektocht naar verbinding, naar liefde en genegenheid bij naaste familieleden. De roman laat zien hoe belangrijk zorg voor elkaar is. Door zorg te verlenen kun je iemand verlichting geven. Het taalgebruik van Couwenhoven is beeldend en divers en hij verbindt zijn eigen teksten met talloze, treffende verwijzingen naar poëzie, muziek en beeldende kunst. Het boek nodigt uit om de genoemde kunstenaars op te zoeken op google en spotify en er zo een multidisciplinaire kunstzinnige genieting van te maken.



  • Springend door een spiralende tijd

    De Deense schrijfster Solvej Balle (1962) werkt aan een zevendelige roman onder de titel Over de berekening van ruimte. Het eerste deel is recent in Nederlandse vertaling verschenen en doet sterk denken aan de iconische film Groundhog Day.
    Tara Selter zit vast in 18 november en is zich daarvan bewust, terwijl haar man Thomas Selter aan elke 18 november begint zonder zich de vorige te herinneren. Hij weet niet beter dan dat zijn vrouw op de 17e naar Parijs is gegaan om inkopen te doen voor hun handel in antiquarische boeken en dat ze op de 19e terug zal komen. In hun huis in het Noord-Franse Clairon-sous-Bois beweegt hij zich door de dag van 18 november. Hij ontbijt, gaat naar het toilet, pakt wat boeken in die hij naar het postkantoor brengt, laat zich nat regenen, trekt droge kleren aan, leest in Lucid Investigations van Jocelyn Miron en gaat naar bed.

    Zij is op de dag die de 19e had moeten worden in de 18e blijven steken en beleeft haar Parijse dag opnieuw. Weer ziet ze een stukje brood in de ontbijtzaal van haar hotel op de grond vallen, de krant is dezelfde als de dag daarvoor en als ze haar man belt, blijkt dat hij alles wat ze hem de vorige avond telefonisch had verteld, niet meer weet. Maar niet alles begint van voor af aan. Een brandwond die ze op de eerste 18e november opliep, is niet weggegaan en pas op haar honderdeenentwintigste 18 november is de wond overgegaan in een litteken. Haar lijf en leden worden dus ‘gewoon’ ouder, maar haar leven blijft zich herhalen in dezelfde 18 november.

    Ontsnappen aan de tijdlus

    Omdat Thomas haar in Parijs denkt, kan zij zich onopgemerkt in de logeerkamer van hun huis ophouden waar ze haar man uitsluitend beleeft in de geluiden die hij in het huis maakt. Dat heeft ze echter niet steeds gedaan. In het begin maakt ze hem deelgenoot van het vreemde lot dat haar heeft getroffen en ze kan hem ervan overtuigen dat ze de waarheid spreekt door dingen te voorspellen die op de 18e gebeuren. Dat moet ze steeds opnieuw doen, voor hem begint elke 18e november blanco. Samen starten ze ondanks deze handicap hun eigen ‘lucid investigations’. Als detectives hangen ze de woonkamer vol met aanwijzingen, tijdstippen, gebeurtenissen en proberen ze de samenhang te doorgronden, zodat ze aan hun eindeloze tijdlus kunnen ontsnappen.

    Als Tara daar na zesenzeventig dagen mee ophoudt omdat het niets uithaalt, verwijdert ze alle sporen van hun speurtocht en van haar aanwezigheid in huis. Thomas begint opnieuw monter aan zijn dag en zij trekt zich terug in de logeerkamer, waar ze voor zichzelf aantekeningen begint te maken. Die aantekeningen vormen het boek dat we lezen, fragmentarische overwegingen, afwisselend in de verleden en tegenwoordige tijd geschreven. Geen dialogen, slechts vormgegeven door de nummering van de zoveelste 18 november, in het begin chronologisch, daarna springend door een spiralende tijd.

    Vol symbolen en verwijzingen

    Dit boek is net zo fascinerend als Groundhog Day, waarin weerman Phil Connors eveneens steeds dezelfde dag beleeft. Hij is zich daarvan bewust, zoals Tara Selter weet dat ze 18 november telkens over moet doen. Als Phil begrijpt dat hij kan doen en laten wat hij wil omdat hij elke dag opnieuw begint, vergrijpt hij zich aan vrouwen, misdraagt hij zich tegen oude bekenden, pleegt hij bankovervallen, maar verkeert hij na duizenden herhalingen in depressies en merkt hij dat zelfs zelfmoord niets oplost. Uiteindelijk rest hem niets anders dan zich aan de herhaling over te geven. Als hij het niet meer verwacht en vrede heeft met zichzelf en de wereld, springt de wekker toch nog naar 3 februari en ontsnapt hij aan het eindeloze wiel van herhaling. Hij bereikt een vorm van verlichting.

    Het hoofdpersonage van Solvej Balle misdraagt zich, althans in dit eerste deel, niet of nauwelijks. Ze voelt zich al schuldig als ze Thomas stiekem achtervolgt op zijn wandeling door het bos of als ze hem door het raam observeert als hij in het postkantoor met de baliemedewerkster spreekt. Ondanks de verschillen, heeft het boek overeenkomsten met de film. Zo barst het net als bij Groundhog Day van de symbolen en verwijzingen in het boek. In die zin is Over de berekening van ruimte I óók voor de lezer een ‘lucid investigation’. Ondertitel van het door Thomas eindeloos gelezen boek luidt bijvoorbeeld ‘Rises and Falls of Enlightenment Projects’. En als Tara de nachtelijke hemel bestudeert, kijkt ze naar Castor en Pollux – het sterrenbeeld Tweelingen, waarvan volgens de mythologie soms de een en dan de ander onsterfelijk is.

    Grote roman

    Wie een grote roman wil schrijven, moet een groot thema kiezen. Auteurs als Nabokov (Lolita), Melville (Moby Dick) en Tolstoj (Oorlog en Vrede) begrepen dat. Ook Solvej Balle heeft een groot thema aangeboord, het aftappen daarvan leidt net als bij Proust (Op zoek naar de verloren tijd) of A.F.Th. van der Heijden (De tandeloze tijd) tot een meerdelige roman over tijdsbeleving.  

    Dit eerste deel is vertaald door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders, door uitgeverij Oevers op de cover gezet. Het tweede deel verschijnt deze maand en in april 2024 verschijnt deel drie. Deze eerste drie delen zijn door de Noordse Raad bekroond met de Literatuurprijs 2022.

     

     

  • Meanderende familiegeschiedenis

    Het hart van de ever van Baltasar Porcel is het soort boek dat je, nadat je het hebt dichtgeslagen meteen weer opent om het begin te herlezen. Zijn er daar al aanwijzingen naar het einde? Ja, die zijn er. Halverwege de eerste bladzijde wordt gewag gemaakt van een graf. Tijdens het lezen van dit wijduit meanderende verhaal ben je dat allang vergeten. Het is ook geen boek om achter elkaar uit te lezen, toch is de rode draad makkelijk te volgen.

    Het verhaal is opgebouwd uit acht hoofdstukken, die meestal beginnen met een overpeinzing of een natuurbeschrijving, zoals het hoofdstuk Het eiland van opa van het oog. ‘De dag brak open en ordelijk aan, het eiland was half gezien en veelvuldig voorgesteld. Wat zouden we de wereld liefhebben als we haar voor de eerste keer in één keer ontdekten! Om vanuit de ruimte aan te komen bij alle bomen en edelstenen, bij de meest uiteenlopende en uitgelaten mensen, bij de intense en smachtende aspecten van de liefde, bij de lome en grootse tijger en de witte en nostalgische meeuw, (…)’

    Elk hoofdstuk gaat dieper in op een ander personage dat een rol speelde in het leven van Baltasar Guillem van De Oude Huizen. Hij is de oom van de verteller, de schrijver Baltasar Porcel die in dit boek zijn eigen leven fictionaliseert. Baltasar Guillem was de broer van Gabriel, de vader van de schrijver. Over de vader en de nijd tussen beide broers komen we weinig te weten, hoewel het niet vertelde genoeg zegt over hun relatie. Gabriel was een grijze muis, Baltasar een charismatische rokkenjager, avonturier, filosoof en opportunist. Stof genoeg om in de handen van de Catalaan Porcel een boeiend en rijk verhaal te worden.

    De erfenis

    Het hart van de ever speelt zich af op Mallorca, waar de schrijver zijn jeugd doorbracht, maar ook in Cuba, Thailand en de Provence. Porcel erft het bezit van zijn oom op Mallorca: De Oude Huizen, een vervallen landgoedje, en in Palma het dorpshuis Can Cronos. Reden voor de schrijver om in het waarom van deze vreemde nalatenschap te duiken, maar vooral ook om antwoord te krijgen op wie zijn oom eigenlijk was. Hij zou de erfenis kunnen weigeren, want het onderhoud zal een hoop geld gaan kosten. Sommige kamers zijn nog in tact met wat aftands meubilair, onder andere de secretaire van zijn oom met oude dagboeken en brieven. Vervolgens duikt Porcel in zijn familiegeschiedenis vol anekdotes en geheimen waarin zijn mysterieuze oom de hoofdrol speelt.

    De oom stond voor het recht van het individu en wilde zijn persoonlijk universum opbouwen. In het boek wordt dat gesymboliseerd in het licht dat de oom in De Oude Huizen liet aanleggen om ze uit de duisternis te halen. ‘Vanavond heb ik getrild en gehuild van verwondering: ik heb de schakelaar omgedraaid en Er Was Licht. Een put van duister en kou en dood en vreemde en beslissende krachten die altijd over De Oude Huizen geheerst had, is plotseling ontploft, verzwonden, vervlogen in de lucht, en te midden van alles en boven alles is de mensen helderheid verschenen in de gloed waarvan de huizen vlekkeloos straalden, een lichtend witte bloem.’ Dit is een sleutelscène in het boek want in het proces van het scheppen van zijn wereld, zoals in Genesis, wil oom dat zijn erfgenaam zal schijnen door weer bezit te nemen van De Oude Huizen en op die manier de betekenis van zijn werk te accepteren.

    Rokkenjager en filosoof

    In Thailand leefde oom met mooie opwindende vrouwen. Hij had een affaire met Pilar Massanella, de dochter van zijn latere vrouw Valèria, en de rest van haar leven verlangt het meisje, later vrouw smachtend naar hem. In de tijd van de Spaanse burgeroorlog, die ook op Mallorca speelde, wist hij bij een vliegtuigcrash de gewonde Engelse piloot en een Duitse professor die de Nazi’s ontvluchtte onder de ogen van de Guardia Civil te helpen ontsnappen. De oom kreeg hulp van de dochter van een Engels spionnenechtpaar, met wie Porcel later weer contact zoekt. Van haar krijgt hij interessante informatie over zijn oom. We krijgen het indringende verhaal van de verlegen en saaie Maxim Massanella de Mus, doctorandus semitische talen, die met de mooie wulpse Valèria trouwde. Hij redde haar en haar dochter Pilar uit het huwelijk met een gewelddadige falangist, waarbij zijn familiekapitaal haar bijzonder goed uitkwam. Na Maxims dood, die hij zelf zag aankomen en die hoogstwaarschijnlijk door Valèria werd beraamd, trouwt zij met Baltasar Guillem. Na haar, verrassende, dood heeft hij zijn affaire met Pilar. Over de dader van deze vreemde doodsoorzaken wordt gespeculeerd en sommige mensen wijzen de oom aan.

    De schrijver-verteller-neef bewonderde oom in zijn jeugd, verfoeide hem later om zijn egoïstische gedrag, maar leert uit de geschriften die hij achterliet dat zijn oom kon en wilde zijn wie hij was, ondanks de beknottende periode ten tijde van de Spaanse burgeroorlog en daarna. Een man die vocht tegen uniformiteit en weerstand bood tegen onrecht. Dat blijkt ook uit de gesprekken die Porcel heeft met diverse mensen die nog in leven zijn en oom gekend hebben. Zoals Donat Consolí, de oude knecht die nog in De Oude Huizen woont.

    Intrige volgt op intrige en langzaam worden de ogen van Porcel, en zijn lezer, geopend voor wat er allemaal heeft gespeeld in die breed uitwaaierende familie. De opa bijvoorbeeld, Baltasar Pere van De Oude Huizen, oftewel Baltasar Pere van het oog, vertrok als jonge man naar Cuba, viel in een krokodillenkuil en verloor zijn oog. Baltasar Guillem bezoekt zijn vader in Cuba en doet in een van zijn dagboeken levendig verslag van diens leven. In de jaren twintig van de vorige eeuw vergaarde hij zijn kapitaal met het smokkelen van drank en tabak naar het door de drooglegging geteisterde Amerika.

    Uiteindelijk gaat Porcel naar de Provence op zoek naar Emaur Jano. Haar moeder was een vriendin van oom en de dochter, ‘van blakende schoonheid’, heeft Baltasar Guillem goed gekend in haar jeugd. Wederzijdse energie knettert voelbaar tussen de schrijver en Emaur Jano. Hun amourette is een intermezzo in het boek. Ondertussen weet Emaur Jano heel veel puzzelstukjes te leggen in het verhaal van de oom, een boeiende maar ook wat langdradige ontwikkeling, want er blijkt een hele Franse tak van de Porcels te zijn die eeuwen terugvoert.

    Tussen God en de duivel

    De ontdekking van wie Baltasar Guillem werkelijk was, kan gezien worden als de ware erfenis die de schrijver ontving. Zijn grootvader en oom hadden hem uitverkoren als de personificatie van de deugden van hun familie.
    Hoewel het verhaal nergens echt spannend is, dwingt het einde tot snel uitlezen en worden diverse verhaallijnen afgeknoopt. Porcel gaat op zoek naar het graf van zijn oom, dat bijzonder genoeg ergens in Bretagne zou zijn. Het beeld van een boeiend mens is bijna compleet, hoewel het einde nog een verrassing in petto heeft. Het hart van de ever – de titel slaat terug op de everzwijnen die op het landgoed gehouden werden – is een boek dat gaat over mensen als amorele wezens, die zich voortbewegen door instinct, verlangen naar vrijheid, ambitie, macht en plezier. Baltasar Guillem was een fervent atheïst, maar altijd in harmonie met het universum en net zo ver verwijderd van God als van de duivel, of anders gezegd, goed met beide.

    Dit boek is een aanrader. De goede vertaling moet geen gemakkelijke klus zijn geweest. Baltasar Porcel stierf in 2009 en wordt beschouwd als de beste schrijver die Catalonië voortbracht. Hij schrijft inhoudsvol en toegankelijk, met prachtige beelden, natuurbeschrijvingen en filosofieën over dood en leven, passie en verlangens en hoe te leven.

     

     

  • Boeken verruimen de blik

    ‘Ik denk dat lezen je hoofd bezighoudt. Boeken vechten niet met elkaar zoals mensen doen.’ Dit zegt Nour, het hoofdpersonage in Nours geheime bibliotheek van Wafa’ Tarnowska, een prentenboek met heel bijzondere illustraties van Vali Mintzi.

    In dit indrukwekkende en bijzonder mooi vormgegeven boek worden moed en gedrevenheid in tijden van oorlog verbeeld.

    […]

    Dit verhaal is helemaal gericht op het belang van boeken en lezen. En omdat twee kinderen het initiatief nemen voor de geheime bibliotheek zal het kinderen enorm aanspreken, dit is echt een ‘hebbeboek’ dat een venster biedt op een andere wereld.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Slechts een bezoeker?

    Er staat een man voor de deur die het toneelstuk Droefheid der dingen van Erhan Aksoy maar liefst 157 keer heeft gezien. Daarmee begint het boek De laatste voorstelling van de Turks-Nederlandse schrijver Şaban Ol. Aksoy, de ik-figuur in de roman, noodt de man die voor zijn deur in Istanbul staat binnen voor een kop koffie. Koffie is in Turkije onder andere het symbool voor vriendschap. Maar Aksoy wil hem vooral ontfutselen wat het geheim is om 157 keer naar een opvoering van hetzelfde stuk te gaan. 1 + 5 + 7 = 13, denkt de lezer, net als koffie ook een symbool, in dit geval het ongeluksgetal.

    Met die symbolen wordt aan de lezer meteen al veel weggegeven: (vermeende) vriendschap en ongeluk spelen dus een rol in deze debuutroman. Maar pas op: Aksoy is een wat naïef personage, dus of hij door heeft dat het die kant op gaat, is nog maar de vraag. Wat hij uit de mond van de bezoeker, Ender (Zeldzaam), wil horen zijn eerder toverachtige woorden over wat de toeschouwer van het toneelstuk in de ban houdt. In plaats daarvan plaatst deze – ‘slechts een bezoeker’ zoals de stalker zichzelf onschuldig omschrijft – allerlei kanttekeningen bij het toneelstuk: meer visuele elementen zou het stuk goed doen, geen pauze óók. Dan wordt het nog epischer, zegt de man die Droefheid der dingen omschrijft als ‘een mijlpaal in de geschiedenis van het Turkse theater’. Theater dat een synthese is van episch theater, traditioneel Turks theater en storytelling. Toch is het stuk dat al zo lange tijd wordt opgevoerd niet de redding van het theater in Turkije, meent hij. Dat moet iets anders zijn.

    Ender, Aksoy en Cafer

    Wat dan wel? Ender lacht op momenten dat andere bezoekers dat niet doen. Hoe komt dat? Het is een van de vele absurdistische trekjes in de roman. Zou stiltes inlassen inderdaad helpen? Dat werkt niet, denkt Aksoy – dat is iets voor Westers regisseurstoneel. Actuele grappen dan? Die zijn er genoeg. Om te beginnen gaat dan de pauze er maar uit, tot groot ongenoegen van Cafer, de uitbater van het theatercafé, die zo niets meer verkoopt. Ook Cafer begint met het geven van adviezen: drankjes in de pauze verkopen geeft ‘een perfect Verfremdungseffekt’ zoals vroeger in de openluchtbioscopen werd gedaan. Bedoeld om je niet al te zeer te kunnen inleven in de personages. Volgens Ender is het immers ook ten aanzien van toneel en andere kunsten de bedoeling dat het nationale bewustzijn over de werkelijkheid in de maatschappij wordt verscherpt.

    Cafer verkoopt – nog weer zo’n mooi detail – alleen maar nationale producten. ‘Leve de lokale producten! Leve de onafhankelijke kunst!’ Twee tegenstrijdige uitlatingen, want de (toneel)kunst in Turkije is verre van nationaal en onafhankelijk. Waarop Cafer op het toneel (!) een heel vertoog houdt over Turkije dat geen identiteit meer heeft, geplet tussen Europa, Azië en Amerika als het is. Aksoy gaat er heftig tegenin en voelt zich een figurant zonder inhoudelijke rol op zijn eigen podium. Een enorm boegeroep is zijn deel.

    Of heeft hij gedroomd, van die lokale, Turkse koffie? Cafer heeft het de volgende dag namelijk opeens over Nescafé Gold en Coca-Cola. Net zoals er volgens Aksoy zoiets bestaat ‘als open theater en theatrale werkelijkheid’. Dat laatste blijkt wanneer hij in een inmiddels als louche bekend staande nachtclub in de kosmopolitische wijk Beyoglu van Istanbul belandt. De voorloper van deze club, enkele decennia geleden, speelt een rol in Droefheid der dingen. Aksoy wordt beroofd en geslagen. Op het politiebureau doet hij aangifte. De politie herkent hem niet als een bekend schrijver, houdt hem voor dealer, beticht hem van verboden wapenbezit en stopt hem in een cel. Het absurdisme ten top. Een misverstand, een nachtmerrie, een slecht toneelstuk, een spel dat wordt gespeeld, meent Aksoy.

    Het eind is nog niet in zicht. Van het Ministerie van Cultuur krijgt Aksoy een lijst van gedeeltes uit het toneelstuk die hij wegens vermeende slang en scheldwoorden moet aanpassen. Als hij dit niet doet, volgt een boete. Er wordt ook gedreigd met sluiting van het theater. Aksoy wordt verweten dat hij sprookjes vertelt die tot de verbeelding spreken, weg van de werkelijkheid. Het theatergebouw wordt inderdaad gesloten. Aksoy krijgt een gevangenisstraf van twaalf jaar en drie maanden en vraagt zich af waarom de politie zo bang is voor een clown als hij, die de mensen alleen maar wil vermaken en niets meer dan dat.

    Saban Ol, Turkije en Nederland

    De tijd waarin de roman van de Turkse schrijver Şaban Ol (1962) speelt, wordt in het midden gelaten, al komen er gebouwen en dergelijke in voor die niet meer bestaan. Het is aannemelijk dat het om de periode voor 1978 gaat, toen Ol Turkije verliet en naar Nederland emigreerde. In Nederland studeerde hij in 1989 af als regisseur aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. In 2000 richtte hij Theater RAST op, het huisgezelschap van Podium Mozaïek in Amsterdam.
    Hij schreef ook toneelteksten, vertaalde Nederlandstalig toneel in het Turks en maakt nu zijn debuut met een geslaagde roman die zich onder meer laat lezen als een absurdistische allegorie op de repressieve toestand in Turkije.

    Je kunt het verhaal dan ook haast een-op-een op de recente(re) Turkse politieke geschiedenis leggen. Neem bijvoorbeeld de vraag wie de ‘echte’ Ender is. De naam Ender doet zowel aan Erdogan denken als aan Ergenekon, de naam voor een schimmige groep die de APK-regering ten val zou willen brengen. Maar het is ook de stalker die uiteindelijk met zijn idool, Aksoy, zou willen samenvallen. Net zo dubbel dus als de uitlatingen van Cafer.
    Het zijn deze lagen die de absurdistische roman rijk maken. Ol schreef zijn boek in het Turks dat door Erhan Gürer in mooi Nederlands werd vertaald. Een roman over de vraag voor wie Aksoy nu eigenlijk zijn Droefheid der dingen schreef: voor het publiek, voor zijn land of primair voor zichzelf? Een roman over verbeelding en werkelijkheid, clowns, sprookjes en de rol van onafhankelijke kunst in onze tijd. Of het nu in Turkije of in Nederland is.

     

     

  • Met weinig woorden veel effect

    De naamloze ik-verteller in Ik dacht dat jij van Joke van Leeuwen is kunstschilder, zijn vrouw Zigi is violiste. Vanaf pagina één leren we hem kennen als iemand die tegen veel dingen niet bestand is. Hij kon niet tegen het huilen van zijn babydochter Lotta (die hij kreeg met zijn eerste vrouw), hij kan niet tegen buren, niet tegen het viool oefenen van Zigi en kan er ook niet tegen als Zigi ‘zo’ naar hem kijkt. Hij kan er überhaupt niet tegen als iets niet strookt met zijn wensen en verwachtingen. ‘Voor haar’, repareert hij het lek in de badkamerkraan ‘want zoiets kon ze dus niet.’ De tafel in de woonkamer is ‘mijn tafel’. Lotta at als peuter ’tergend langzaam’ en hij dacht dat ze ‘het expres deed, om te treiteren’. Na zijn scheiding geeft hij een tijdje les waarbij een van de leerlingen huilend wegloopt omdat ‘ze beter een trui kon gaan breien als ze dat tenminste wel kon. (…) Ik zei het misschien te dicht bij haar gezicht, maar zo erg is dat niet.’

    Als kind had hij ‘een vader die mij vertelde wat ik moest denken over de wereld. Hij had een stuk of zes in een mal gegoten meningen’, en zijn moeder stuurde hem op zijn zevende naar een psycholoog omdat hij zijn eten uitkotste boven zijn bord als hij het niet lustte. Toen al kleurde verongelijktheid en zelfovertuiging de ik-figuurs blik op de wereld. Met Zigi zit hij in bad en wil eruit ‘en ze antwoordde in van die slijmjurkentaal dat ik best wat meer in het nu kon zijn.’
    Dan zijn we pas op pagina tien. De neiging om een etiket te plakken op ’s mans gedrag is nauwelijks nog te onderdrukken.

    Psychisch landschap

    De roman Ik dacht dat jij is de elfde van creatieve duizendpoot Joke van Leeuwen. Al decennialang onderhevig aan wat zij haar scheppingsdrang noemt, publiceert ze tientallen kinderboeken, illustraties, romans, dichtbundels en vier non-fictieboeken, en staat ze geregeld op het podium met voorstellingen voor kinderen en volwassenen. Haar stijl is ‘pregnant’, zoals ze die zelf bestempelt op dbnl.org. ‘Als je je in drie zinnen precies kunt uitdrukken, waarom dan een hele pagina gebruiken? Ik voel me goed bij een pregnante manier van uitdrukken, in heldere taal.’ Die heldere taal voelt ook voor de lezer goed. Met haar rake zinnen en puntige humor roept Van Leeuwen hele werelden op, zoals die van de Franse revolutie in Feest van het begin (2012) en van Nederlandse emigranten uit 1847 in een tropisch land in De onervarenen (2015). Met Ik dacht dat jij blijven we dichter bij huis maar krijgen we wel een interessant psychisch landschap voorgeschoteld.

    In de relatie tussen de ik en Zigi lijkt Zigi de op- en aanmerkingen, het wantrouwen en de onterechte beschuldigingen, plus de ‘liefde’ van haar man lijdzaam te ondergaan. Ze is nog niet los van de charme die hij ook tentoon kan spreiden, heeft begrip voor zijn lichtgeraaktheid, doet suggesties hoe in contact te komen met dochter Lotta die hij al negen jaar niet meer ziet en vraagt hem mee te gaan naar concerten als ze moet spelen.

    Wie er aan zichzelf denkt

    Andersom is het anders. Reflecteren is de ik vreemd. Hij roept Zigi om naar een schilderij te komen kijken dat hij net voltooid heeft, maar zij zit in bad. Als ze later komt kijken staat het schilderij met de achterkant naar voren. Hij laat het niet zien. ‘Ze snapte niet dat ze zeurde en dat ze meteen had moeten komen, ze was duidelijk niet geïnteresseerd, ze dacht alleen maar aan zichzelf, Zigi.’ Hij levert schilderijen aan een nieuw te openen restaurant en al snel volgt er onenigheid met de twee eigenaren over de financiële afhandeling. Begrip van zijn kant is totaal afwezig, kwaad gooit hij het bijltje erbij neer, haalt zijn schilderijen terug.

    Voortdurend beweert hij dat hij van Zigi houdt. Hij koopt een blouse voor haar, verfraait de wand van haar oefenkamertje als zij een week weg is met het orkest, legt er dik tapijt neer en koopt een kastje voor haar muziek, doet er een lief briefje bij. Hij mist haar, het huis en bed zijn koud. Eten laat hij komen. In de prullenbak vindt hij een doorgescheurde ansichtkaart en ‘wist opeens zeker dat het een kaart van Lotta was, dat Lotta wèl kaarten terugstuurde en dat Zigi die onderschepte omdat ze er niet tegen kon dat ik een kind had en zij niet (…).’ De snippers aan elkaar gelegd ziet hij dat het een kaart van Zigi aan een vriendin was die ze niet verstuurd heeft, en hij concludeert: ‘Het was dus geen kaart van Lotta, maar wie zei me dat Zigi geen andere kaarten had kapotgescheurd als ze zo goed kon scheuren?’ Tegen die tijd vraag je je al lang af waarom Zigi nog in dat huis woont met die man.

    Geen time-out

    Van Leeuwen heeft aan weinig woorden genoeg om de tragedie op te roepen. Niets wordt uitgesponnen, de vertelde feiten spreken voor zich. Misschien juist daardoor dendert het boek binnen. Met twee zinnen duidt de auteur het stuklopen van het eerste huwelijk van de ik en in niet meer dan drie zinnen in het boek schemert de dreiging. Waarom de ik geen contact meer heeft met zijn dochter wordt tegen het einde van de roman duidelijk, als hij een plaats en een school in Oostenrijk heeft weten te achterhalen waar hij denkt Lotta te kunnen zien. Hij heeft er met Zigi een huisje gehuurd. Zij is met het orkest in Wenen en de ik reist er eerder heen zonder dat tegen Zigi te zeggen om Lotta te zoeken, wat op een debacle uitloopt. De ik is geschokt en verontwaardigd. Tegen Zigi zwijgt hij of liegt erover. Al eerder zijn ze op aandringen van Zigi naar een psycholoog geweest. Na dat bezoek zegt de ik dat ze niet time-out tegen hem moet roepen, dat zal ‘een verkeerd effect op me hebben, doe dat niet’. Zelfinzicht en empathie zijn geheel afwezig.

    De kracht van Van Leeuwens beschrijving is dat die laat zien hoe hulpeloos en eenzaam iemand met zo’n persoonlijkheidsstoornis eigenlijk is, naast het onmogelijke gedrag van de egocentrist die al geërgerd is als hij bij een benzinestation ‘alles zelf moet doen’. Hoe leeg zijn gevoelsleven ook. Iets van genegenheid voor zijn ouders en Lotta en Zigi bestaat slechts in een verre uithoek van zijn gemoed. Hij kan niet zonder Zigi. Als ze er niet is, is hij rusteloos en hij heeft haar, liever gezegd iemand, nodig om voor hem te zorgen en zich tegen af te zetten. Ondertussen vlucht hij voor iedere vraag, voor iedere confrontatie, in wijn en zijn schilderijen.

    De afloop is niet echt verrassend, wel verrassend is de manier waarop Van Leeuwen die vertelt: in haar heldere stijl, onomwonden, zonder een woord teveel. Dat is niet de enige reden waarom de lezer toch nog onvoorzien kan glimlachen.