• Hoop op heruitgave: Turkenvespers – Louis Ferron

    Louis Ferron (1942 – 2005) was een veelbekroond schrijver die niets ophad met de gevestigde literaire orde. Liever zat hij in een café de gewone man uit te horen, in ‘de hoop dat er onder die kromme redeneringen iets heel zuivers zit’ (De Groene, 6 april 1994). Hij moest niets hebben van ideologieën en de officiële cultuurgeschiedenis. In zijn romans zette hij de wereld op zijn kop, op zoek naar wat mensen werkelijk drijft. Freud was een belangrijke inspiratiebron. Omdat Ferron half-Duits was – zijn vader was een Duitse militair – was Ferrons blik vaak gericht op Duitsland. Ferron heeft zijn vader, die kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog omkwam, nooit gekend.

    Doordat in zijn romans de werkelijkheid werd ‘ontmythologiseerd’ en feit en fictie voortdurend door elkaar lopen, kun je ze tot het postmodernisme rekenen, een stroming die in onze letterkunde nooit echt is aangeslagen. Ferrons romans vertellen alternatieve geschiedenissen. Volgens postmodernisten was de historische werkelijkheid onkenbaar, omdat bronnen onbetrouwbaar zijn. Vanuit dit uitgangspunt is de geschiedenis voor een romanschrijver een heerlijke grabbelton.

    Fin de siècle

    Turkenvespers verscheen in 1977. Met Gekkenschemer (1974), Het stierenoffer (1975) en De keisnijder van Fichtenwald (1976) had Ferron toen al een reeks indrukwekkende quasi historische romans geschreven die zich alle afspeelden in een Duits verleden.

    Het decor in Turkenvespers is het Wenen van het fin de siècle. Hoewel er een hoop niet klopt. Zo wordt de stad belegerd door de Turken, terwijl het Beleg van Wenen in 1683 plaatsvond. Dit beleg zet het verval van de stad in gang. Of was de beschaving ook zonder de Turken aan decadentie ten onder gegaan? Het heeft er alle schijn van aangezien de heersende klasse zich te buiten gaat aan machtswellust en overspel. Verder wemelt het van de anachronismen en kan er in de negentiende eeuw zo maar een bommenwerper overvliegen.

    Kaspar Hauser

    Hoofdpersoon is Kaspar Hauser, of iemand die zich voor Kaspar Hauser uitgeeft. Daar begint de existentiële verwarring al mee. De echte Kaspar Hauser leefde begin negentiende eeuw en zijn leven is met vele mysteries omgeven: hij was een vondeling die als tiener opvallend laag ontwikkeld was en niet kon spreken. Hierdoor was hij een inspiratiebron voor wetenschappers en kunstenaars. Eén van hen was schrijver Peter Handke, die een toneelstuk (Kaspar, 1968) over hem schreef en wiens naam opduikt in Turkensvespers. Het ontbreken van een identiteit was Kaspar Hausers grote probleem. Hij wilde daarom iemand worden. ‘Maar hoe kun je iemand worden, als je niet eens wist wie je voorheen was?’

    Kaspar Hauser is een outcast. Hij probeert een bestaan als zakenman op te bouwen, maar het enige wat hij kan is muizen uit deeg kneden en poppetjes snijden. Ook speelt hij mondorgel. Daar zit niemand op te wachten. Kaspar wil niets liever dan bij een betere stand horen en dringt zich op aan ambtenaren en edellieden. Hij woont een tijd bij componist Korngold en wordt ingewijd in de liefde door diens vrouw Alma.

    Film

    Zelf noemt Kaspar zich een handelaar in illusies, die hij in zijn koffertje meevoert. Hij is begeesterd door stomme films, ‘een wereld naast de bestaande, met gelijke rechten en een evenwaardige logica.’ Dat is ook precies wat er gebeurt in Kaspars hoofd, waarin je een filmprojector kunt horen ratelen. Omdat hij overal buiten staat, verzint hij een eigen werkelijkheid en wordt zo de regisseur en hoofdpersoon van zijn eigen leven. Of zijn het de verzinsels van de Amerikaanse regisseur Sternheim? Of van de schrijver zelf? Van allemaal natuurlijk. Kaspar heeft het gevoel geleefd te worden: ‘Alles wat ik doe is door een ander bedacht, het is om moedeloos van te worden’. Typisch postmodernistisch onderstreept de schrijver het fictieve karakter van zijn proza. Als iemand vraagt wat Kaspar op een debutantenbal tussen de haute volée doet, antwoordt deze:

    ‘”Daar is geen chantage mijnerzijds aan te pas gekomen, heren. Ik ben er gewoon ingeschreven.”
    “Ingeschreven, ja, ja.”
    “Door mijn schrijver bedoel ik, een literaire ingreep.”
    “En nog vuile taal uitslaan ook.”

    Terwijl Kaspar zich in hogere kringen begeeft, belanden gevestigde namen in de goot. Zo treffen we in een bordeel een verwaarloosde en door iedereen verlaten Schubert aan.
    Verder ontmoeten we een bonte stoet aan personages die met veel gevoel voor detail worden beschreven. Ze duiken plotseling weer op, maken transformaties door.

    Romantiek

    Ondanks alle kunstgrepen is Turkenvespers meer dan een literair spel. Het is een roman die stof geeft tot nadenken, bijvoorbeeld over wat instituties waard zijn, vooral de ambtenarij krijgt ervan langs. Bovenal is het een roman over dromen en verlangens en het besef dat deze illusoir zijn. Dat kan elke lezer herkennen. Kaspar Hauser is een romantisch personage. Je voelt met deze verschoppeling mee.

    Hoewel de chronologie ontbreekt is er door Ferrons strakke regie geen sprake van chaos. Bovendien was hij een groot stilist: zijn zinnen zijn complex, maar nergens gekunsteld, en ze bezitten aforistische scherpte. Ook zijn (vileine) humor is altijd raak. Hij put uit alle taalregisters: van verheven tot vulgair. Turkenvespers is een ongelooflijk rijke en tijdloze roman die nieuwe lezers verdient.

     

     

  • Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.

     

     

  • Beste boeken van 2023

    Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.

     

     

     

     

    Verder kijken – Esther Kinsky

    Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.

     

     

    His Natural Life – Marcus Clarke

    Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)

     

     

     


    Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden

    Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.

     

     

     

    Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer

    Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)

     

     

     


    De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren

    Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.

     

     

    Het boek van de kinderen – A.S. Byatt

    Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)

     

     


    Nirwana – Tommy Wieringa

    Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.

     

     

    Het hart van de ever – Baltasar Porcel

    Het hart van de ever is de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)

     

     


    Ruitjesblues – Jan Beuving

    Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)

     

     

     


    Luister – Sacha Bronwasser
    De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.

     

     

    Een schitterend wit – Jon Fosse
    Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)

     

     


    Das Spinnennetz – Joseph Roth
    Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.

     

     

    De wintersoldaat – Daniël Mason

    In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)

     

     


    Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje

    Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.

     

     

    De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf
    Ademloos las ik dit jaar
    Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)

     

     


    Scherven – Bret Easton
    Dit jaar las ik
    Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie. 

     

     

    In het huis van de dichter – Jan Brokken
    Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)

     

     


    Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.  

     

     



    De laatste witte man
    – Mohsin Hamid
    Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)

     

     


    Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom
    Als poëzierecensent wil ik allereerst deze
     verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden. 

     

     

     

    Balts – Luuk Gruwez
    In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)

     


    ArkadiaSipko Melissen
    Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,
     Arkadia is prachtig geschreven!

     

     


    Drengr
    – Aron Dijkstra
    Een echte Viking is
    drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)

     


    Jij zegt het – Connie Palmen
    Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’

     


    Goudjakhals
    – Julien Ignacio

    Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)

     

     


    Marente de Moor – De schoft 

    Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen. 

     

    Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt 

    Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)

     

     


    Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose

    Een prachtig indrukwekkende debuutroman van de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.

     

     


    Rugzwemmen – Marc ter Horst

    Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)

     

     


    Een kleine weldaad – Raymond Carver

    Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.

     

    De minnaar – Marguerite Duras

    Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)

     

     

     

  • Een oeverloos bestaan

    oeverloos (2022) is de geprezen debuutbundel van Nisrine Mbarki (1977). De bundel is zowel voor de C. Buddingh’-prijs (2022) genomineerd als voor de Herman de Coninckprijs (2023). In haar debuut snijdt Mbarki verschillende thema’s aan waaronder identiteit, taal, ouderschap, intergenerationele banden, kolonialisme en de zoektocht naar de (verloren) natuur van de mens.

    De letterlijke betekenis van oeverloos is volgens Van Dale: ‘Onbegrensd, zonder einde’. In de bundel wordt de meervoudigheid en onbegrensdheid van taal in de praktijk toegepast. Zo maakt Mbarki geen gebruik van interpunctie en krijgen alleen namen van landen, personen en titels een hoofdletter. Dit is geen slordigheid, maar een doelgerichte manier van schrijven die overeenkomt met het idee dat taal, en alles in het verlengde daarvan, oeverloos is. De woorden, zinnen en zelfs gedichten vloeien zo grenzeloos in elkaar over.

    Verschillende talen

    Door verschillende talen, waaronder Arabisch, Darija, Frans, Tamazight en Engels te verwerken in haar Nederlandstalige gedichten, illustreert Mbarki hoe centraal deze talen in haar leven staan. De hoeveelheid anderstalige woorden is weliswaar minimaal, maar heeft wel een duidelijke impact op de gedichten. Zo is de betekenis van deze woorden voor sommige lezers onbekend en ontstaan er taalbarrières die het metrum van het gedicht doorbreken en de lezer langer stil laten staan bij de tekst. Het is dan ook jammer dat er geen vertalingen in de voetnoten, achterin de bundel of op een website beschikbaar zijn. Dat is een gemiste kans, want de door mij gevraagde vertalingen die ik van Mbarki ontving blijken de bundel nog meer diepgang en betekenis te geven.

    Aan de andere kant, misschien zet deze “oeverloosheid” van taal sommige lezers wellicht voor het blok, maar het laat wel helder zien hoe krachtig de kennis van taal, of het tekort hieraan, kan zijn. De dichter toont aan de lezer dat haar leven en haar omgeving verbonden zijn met meerdere culturen en dat elke taal een ander gevoel opwekt. Misschien betekent het gebruik van meerdere talen dat de dichter zichzelf pas volledig als persoon kan uiten wanneer zij al die talen gebruikt. De vraag hoe taal, of juist de absentie daarvan, iemands belevingswereld sterk beïnvloedt, wordt in het gedicht ‘tong’ beeldig beschreven:

    mijn moeder ontnam mij haar taal en zichzelf
    mijn kindertong werd overgeleverd aan
    harde kloosterklanken op veengrond
    geprevelde gebeden die altijd alles bezweren
    achtergebleven scheldpartijen van oude krijgsmachten
    oude tekens op getatoeëerde kinnen van moeder moeders moeders
    sindsdien sleep ik het lot aan haar kruin achter me aan
    (…)

    De dichter is in dit gedicht de taal van haar moeder door diezelfde moeder ontnomen. Toch ziet de dichter de fragmenten en herinneringen van deze taal en de achterliggende cultuur overal in terug. Het lot dat de dichter aan haar kruin met zich meetrekt kan gezien worden als de dichter die het lot in eigen handen neemt en zich niet meer haar taal en achtergrond ontnomen laat worden. Verderop vertelt de dichter hoe haar zeggenschap, met betrekking tot welke talen ze leerde, ontnomen was: ‘(…) in mijn luchtpijp waanden jullie je Nimrod in Babel // als ik in het concept van moederschap geloofde, waren jullie allemaal mijn moeders 1) / de syntaxis werden / op strakke bedjes / naast elkaar gezaaid / in mijn strottenhoofd (…)’.

    De overgang van een verwijzing over Babel naar een volgende zin in het Arabisch is tekenend voor hoe Mbarki ook betekenis tussen de regels weet te creëren. Net als in Babel worden er hier verschillende talen door elkaar gesproken (al is er hier niet per definitie sprake van een onoverkoombaar taalverschil zoals in de toren van Babel het geval is). In de versregel over het moederschap staan twee veelvoorkomende onderwerpen die de bundel aankaart, namelijk het moederschap en het overkoepelende moederschap dat ons allemaal als mens aangaat. Dit overkoepelende moederschap verwijst wellicht naar de relatie van de mens tot de natuur waar de dichter vaker over schrijft.

    Zo laat het gedicht oeverloos met mooie beelden, veel alliteraties, assonanties en binnenrijm zien hoe de onbegrensdheid van taal zich uitdrukt in intergenerationele interacties. Daarnaast wordt de moeder als een archetypische gezamenlijke oorsprong en natuurkracht weergeven.

    oeverloos

    mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
    zoals jij ook doet
    wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest
    wordt verduisterd
    door nevel of kortsluiting
    niet alleen in het regenseizoen
    ook de zomer en lente kennen hun abrupte wolkbreuken
    razende moessons zelfs

    mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
    apathisch bewerkt mijn zus boomstammen met een scherpe bijl
    en bouwt dammen
    schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
    daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
    haar zussen sussen door de telefoon
    zeven tegelijk in moedertaal
    haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden
    die niemand ziet
    terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken

    (…)

    In dit gedicht is de moeder de personificatie van de rivier wiens oevers onvermijdelijk zullen overstromen. Zo treedt de rivier, de moeder, buiten haar oevers en sleurt daarmee alles en iedereen om haar heen met zich mee. Het gedicht eindigt met de hoopvolle notie dat wij als mens zelf het water zijn en suggereert dat we onze eigen beperkingen opleggen en daarmee onze eigen vrijheid beteugelen.

    Deze overgave aan of terugkeer naar de natuur komt in meerdere gedichten terug, zoals in de reeks ‘zon’ 2), gedicht nummer 4: ‘in een oude droom lig ik naakt op de bodem van een oerbos / ik kijk omhoog naar de eindeloze reuzen en word licht gedragen (…) we kussen de rode avonden op hun blote schouders / hier worden wij samen rots’. Hier keert de mens in een oude droom terug naar haar oorsprong en vereenzelvigt zij zichzelf aan het einde met een rots, oftewel met de natuur. Om terug te grijpen naar het grenzeloze karakter van de diepere natuur van de mens en daarmee naar zichzelf, moet de dichter ook haar familiegeschiedenis, de bijbehorende taal en cultuur (her)ontdekken en omarmen.

    Oorlog en kolonialisme

    De figuurlijke muren waar de dichter veelal tegenaan loopt hebben in zekere mate ook te maken met oorlog en kolonialisme. Zo beschrijft zij in het gedicht ‘game over’ hoe de gevolgen van kolonialisme nog steeds te vinden zijn in zowel de stad als bij haarzelf: ‘(…) in mijn straat groeien geen bomen alleen gebouwen / van rode VOC-bloedbakstenen / de halve stad is gebouwd met bloed van mijn voorouders / ik ben verleerd hoe de wind te verstaan (…)’. Later vertelt zij hoe ze de geschiedenis bij het vuil heeft gezet en hoe deze in de sleur van het, soms triviale, dagelijkse bestaan verdwijnt.

    De psychologische impact van oorlog wordt door Mbarki scherp geschreven in het gedicht ‘oorlog’: ‘de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap / ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven / hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker (…)’. Deze zinnen spreken boekdelen. Met weinig woorden laat Mbarki zien hoe oorlog ook na de strijd in een mens blijft doorwerken. Daarnaast laat het gedicht ruimte voor verschillende interpretaties. Slaapt de dichter naast iemand die de oorlog heeft meegemaakt of is de oorlog een denkbeeldig persoon? Het is in ieder geval weer een goed voorbeeld van Mbkari’s kundige omgang met taal en poëzie.

    Diaspora

    In het laatste gedicht van de bundel, ‘diaspora’, volgen we een gesprek tussen drie verschillende generaties, namelijk de dichter, de moeder en de ‘grote moeder’ en komen vrijwel alle eerder genoemde onderwerpen uit de bundel bij elkaar. De ‘grote moeder’ verwijst waarschijnlijk naar de grootmoeder van de dichter, maar kan in sommige verzen ook als een algemener beeld van een conservatiever en behoedzamer gedachtengoed gezien worden. Het is een krachtig gedicht dat de meerstemmigheid van de bundel mooi samenvat.

    Mbarki’s oeverloos is in talloze opzichten een uitstekende bundel. Men kan alleen maar hopen dat deze dichter in de toekomst nog vele nieuwe bundels zal schrijven. Tot dan zal de lezer het moeten doen met het herlezen – en nog een keer herlezen – van oeverloos.

    1) Vertaald uit het Arabisch
    2) Vertaald uit het Tamazight

  • Over leugens en verwerking

    Kan je het verleden opnieuw uitvinden? Of beter nog: kan een traumatische ervaring ervoor zorgen dat je voor jezelf een volledig fictieve geschiedenis verzint? Dat is een vraag die Julian Barnes al trachtte te beantwoorden in The Sense of an Ending en ook Paul Gellings  probeert hierop een antwoord te formuleren in Terug naar de Stichtstraat en als motto gebruikt hij dan ook een quote uit Barnes’ roman. Gellings is bekend als dichter en vertaler, maar heeft ondertussen toch ook al tien romans op zijn palmares.  Net als in de vorige boeken Zuidelijke wandeling en Zomer van Icarus  speelt Gellings’ nieuwste zich af in de Rivierenbuurt in Amsterdam.

    Het verleden aangepast

    De ik-figuur keert terug naar de straat waar hij als kind is opgegroeid. Een oude vriendin, Maud Eijlander, vraagt hem om samen langs te gaan bij hun oude buurman Chris Bloemhart, die filmbeelden heeft uit hun jeugd. De verteller is tekenaar van beroep en schetst aan de hand van tekeningen zijn jeugd terug. Hoewel hij lang niet meer in Amsterdam is geweest, komen de herinneringen sterk naar boven en krijgt alles door zijn tekentalent visueel gestalte. Hij heeft wel een probleem met de versie van de geschiedenis van Chris Bloemhart, die beweert de eerste bewoner te zijn van de Stichtstraat. De ik-figuur denkt daar anders over. Steeds meer is hij ervan overtuigd dat Bloemhart zijn verleden heeft aangepast. Aangezien de oorlog in het spel was, zou een trauma aan de grondslag hiervan kunnen liggen.

    Gellings schetst het beeld van het naoorlogse Amsterdam in een zeer tekenende stijl. De – vandaag zeer begeerde – buurt van Amsterdam-Zuid, achter de Rai, de Rivierenbuurt krijgt opnieuw vorm in de tekeningen van de verteller. Heel bijzonder is de mijmerende vertelstijl waarin de ik-figuur vandaag terugblikt op zijn jeugd en probeert zijn herinneringen te visualiseren. Iedereen beleefde de oorlog op zijn manier en de beelden die bovenkomen stroken niet met de waarheden die Bloemhart poneert. Gellings graaft verder in het verleden, in de herinneringen en verhalen van buren en ouders en reconstrueert aan de hand daarvan de ware toedracht. Niet alleen het eigen verleden wordt gereconstrueerd, maar ook dat van de buren en andere bewoners van de buurt. De mysteries worden stap voor stap ontrafeld en de puzzelstukjes vallen pas op het einde helemaal in elkaar. De auteur laat uitschijnen dat het liegen van Bloemhart niet zomaar vrijblijvend is: het is zijn manier om een persoonlijk drama en trauma te maskeren en verder te kunnen gaan met het leven.

    Serene vertelling

    Gellings voert verschillende personages op, maar de ik-verteller staat natuurlijk centraal. De wijze waarop de lezer samen met dat personage in het verleden en de herinneringen duikt, zorgt ervoor dat hij zich makkelijk met hem kan identificeren. Door het ik-perspectief te gebruiken twijfelt de lezer samen met de ik-verteller aan het verhaal van Bloemhart. Ook dit personage wordt uitstekend uitgediept en druppelsgewijs toont de auteur de beweegredenen van Bloemharts leugens. Naast de goed uitgewerkte personages, is de sfeer van zijn vertelling de grootste troef. De lezer wordt helemaal meegenomen en ondergedompeld in het Amsterdam van net na de oorlog en krijgt een haarscherp beeld van het leven in de Stichtstraat. Hij roept het moeilijke herstel van na de oorlog op waarin elkeen op zijn eigen manier probeert om te gaan met zijn oorlogservaringen. Hij weet hierin mooi te schetsen hoe dit voor de een al veel moeilijker verloopt dan voor de ander. Tegen de achtergrond van dit alles houdt Paul Gellings de toon heel sereen. Nergens klinken echte verwijten door, niemand wordt veroordeeld. Ondanks alle leugens en maskeringen tracht hij een waarheidsgetrouw beeld te schetsen van een moeilijke periode in het leven van de gewone mens. De roman lijkt een mix te zijn van memoires, oorlogsverhaal en whodunnit, maar finaal is het een mooie melancholische vertelling en herleving van het verleden. De poëtische vertelstijl blijft een handelsmerk van Paul Gellings en dat maakt de leeservaring zoveel dieper.

     

     

  • Zoektocht naar Nataraja

    Op het omslag van het boek Oog in oog met de goden van Alexander Reeuwijk staat een bronzen beeld van Nataraja, de dansende Shiva. Een beetje liefhebber van Indiase beelden kent het uit het Aziatisch Paviljoen van het Amsterdamse Rijksmuseum. Zo ook de schrijver Alexander Reeuwijk, voor wie het liefde op het eerste gezicht is. Het zet hem aan om er meer van te weten te komen. Dit boek is de neerslag van die zoektocht. Maar er is méér, en dat maakt dit boek er uiteindelijk een met een rijke inhoud.

    Reeuwijk publiceerde eerder onder meer over Indonesië (dat op de shortlist van de Jan Wolkers Prijs terecht kwam) en Iran. Boeken die niet alleen zijn gebaseerd op onderzoek, maar ook op reizen. Daar in het paviljoen van het Rijksmuseum ontluikt het idee om zo’n Natarajabeeld op te gaan zoeken in een Natarajatempel. Want in Amsterdam staat het er maar wat verloren bij, meent Reeuwijk.

    Amsterdam, Zuid-India en terug

    Het begin van het boek katapulteert de lezer van Amsterdam naar Zuid-India. Naar Baskar en zijn neef Vasanth die massief gegoten godenbeelden voor tempels maken, maar vooral vrij werk dat ze in een winkel verkopen. Reeuwijk vraagt ze de oren van het hoofd over onder andere de techniek van de modellen in was tot de afwerking ervan, over hun leermeester, de routine van hun werkdag, maar ook over hun leven als kind en jongvolwassene.
    Reeuwijk laat het niet bij het beschrijven van het uiterlijk van de beelden. Hij wil ook een idee krijgen van de betekenis en de functie van de Nataraja. Terug in Nederland maakt hij daarvoor een afspraak met een indoloog, conservator Zuid-Aziatische kunst van het Rijksmuseum. Daarbij is het goed dat achterin het boek een afbeelding van de Nataraja is afgedrukt. Geestig is dat Reeuwijk de conservator in dit verband juist wel naar haar uiterlijk en voorkomen beschrijft, namelijk als een gedecideerde vrouw die zeker is van zichzelf, terwijl haar uitlatingen eigenlijk getuigen van meer bescheidenheid: ‘Zelf ben ik er (…) niet zo zeker van dat dit de correcte uitleg is’ van de kleine Apasmara onder de voeten van Nataraja – door Reeuwijk consequent als ‘dwerg’ omschreven. ‘Of,’ vervolgt ze dan, ‘eigenlijk ben ik er gewoon zeker van dat het niet de juiste interpretatie is.’ Ze blijkt een vrouw van nuances en zet Reeuwijk op het spoor van een tempel in Chidambaram, waar een beroemde Nataraja staat. Hij gaat ernaartoe.

    Verschillende beelden van Nataraja

    In bloemrijke taal beschrijft hij wat hij er ziet en hoort; tweemaal heeft hij het over blauwe vingers, die van hemzelf van het schrijven en van een ander van het trommelen. En wel erg veel mannen hebben opvallend genoeg een ‘eivormig hoofd’…
    De opeenvolgende uitleggen die hij over Nataraja krijgt, ziet hij niet als aanvullingen op elkaar, maar ze duizelen hem. De kennis om het allemaal te kunnen plaatsen ontbreekt, zoals hij zelf erkent. Iets weerhoudt hem ervan om in India in een tempel het beeld van Nataraja ook daadwerkelijk te naderen en in de ogen te zien. Is hij bang er iets van zichzelf in te herkennen dat hij liever niet onder ogen komt? Het is opvallend dat Reeuwijk zich in het Government Museum in Chennai afvraagt wat al die godenbeelden daar doen ‘uit hun context gehaald, in vitrines in het museum, sfeervol uitgelicht met ledlampjes’, maar zich tot dan toe niet afvraagt of het beeld van Nataraja in het Amsterdamse Rijksmuseum misschien roofkunst is. Hoewel hij wel meldt dat mensen in India met ‘lede ogen’ aanzien ‘hoe het culturele en religieuze erfgoed’ naar het buitenland verdwijnt. Ook citeert hij uit het werk van onder anderen de Duits-Nederlandse schrijver en VOC-beambte Jacob Haafner, die zich tegen het kolonialisme keerde. Want boeken over zijn onderwerp heeft Reeuwijk genoeg. Zijn kast puilt uit, zoals hij in een apart hoofdstuk (‘Nataraja en de boeken’) schrijft. In die boeken kan hij verwijlen.

    Spanning en afwisseling genoeg

    Reeuwijk laat de lezer in spanning wat de herkomst van het beeld in Amsterdam betreft. We weten inmiddels wel hoe een ander Shiva- en een Parvatibeeld in het Rijksmuseum terecht zijn gekomen. Maar snel verplaatst de auteur de aandacht weer naar achtergrondverhalen, interviews, bezoeken aan tempels, het bijwonen van een processie en het zich verdiepen in de leefgemeenschap van Aurovillianen. Dit zijn mensen uit alle landen van de wereld die in een stad in India vredig en harmonieus samenleven en die uitstijgen boven alle verschillen in geloof, politiek en nationaliteit.

    Zo is voor de lezer afwisseling gewaarborgd, hoewel Nataraja op die manier wel eens wat teveel naar de achtergrond lijkt te verdwijnen. Deze insteek is wellicht beïnvloed door Walden van Henry David Thoreau, die ook ‘persoonlijke observaties, filosofische bespiegelingen en maatschappijkritiek met feitelijke informatie over de natuur’ combineert, zoals Reeuwijk schrijft. Al doet Reeuwijks reactie op persoonlijke aangelegenheden bij de familie van Vasanth, waar hij zich thuis voelt, voor de een misschien wat te pertinent aan en getuigt ze voor de ander wellicht van een vertrouwdheid die nu juist te prijzen valt.

    En dan gaat het weer over de herkomst van de Shiva Nataraja in Amsterdam. Of liever gezegd over de vraag ‘welke weg de beelden ooit hebben afgelegd, vanuit India naar de musea of privéverzamelaars’. De auteur geeft een gesprek hierover weer met Vijay Kumar, die jacht maakt op handelaars van Indiase beelden. Hier wreekt zich soms de boekenwijsheid en de ietwat betweterigheid van Reeuwijk: ‘Je hebt gelijk, maar…’ of ‘Uiteraard, maar…’.  Het langverwachte antwoord blijft ook nu uit. Misschien – denkt de lezer op dit moment van het boek aangekomen – had het boek aan kracht gewonnen als het in twee afzonderlijke delen was verschenen: een over de godenbeelden en een over de reis door India. Daadwerkelijk en innerlijk.

    Inzicht en (h)erkenning

    Wie een antwoord op de vraag naar de herkomst van de Nataraja zoekt, komt dan ook bedrogen uit. Maar wie niet bang is met Reeuwijk de diepte in te gaan zal wellicht anders kijken naar wat hij aan extra’s toegeworpen krijgt – zoals de reisverhalen en interviews – waarbij alles aan het eind van het rijk geschakeerde boek uiteindelijk in elkaar past en valt. De auteur had het klaarblijkelijk allemaal nodig om tot een inzicht te komen, eerder dan tot een conclusie. ‘Thuis’ is voor hem niet langer alleen Amsterdam, maar blijkt ook India ‘van Rajasthan tot Tamil Nadu en van West-Bengalen tot Maharashtra’ waar hij ‘families ontmoet’ die hem levensverhalen vertellen waarin hij zich herkent. Dát is de uiteindelijke boodschap van het verhaal. Het gaat allang niet meer om alleen de herkomst van het beeld, maar om (h)erkenning.

     

  • Soms lieflijk en scherpzinnig

    Lilian Zielstra (1991) studeerde Nederlands en was gedurende twee jaar stadsdichter van Groningen. De catalogus van de nationale bibliotheek vermeldt dat ze in 2019 een bundel gedichten publiceerde, en in 2018 de bloemlezing Dichten met oma: de mooiste gedichten voor en over Groningse ouderen. Dit jaar verscheen haar nieuwe poëziebundel, Mijn dochter draagt een steen. In de nationale bibliotheek is deze nog niet te vinden. Zielstra’s debuutbundel uit 2014, Specimen, ontbreekt trouwens ook nog aan de collectie. Haar nieuwe bundel telt dertig gedichten.

    Het eerste gedicht is getiteld ‘Vader’, het laatste gedicht heet ‘De moeder de vrouw’. In de titel van de bundel wordt een ‘dochter’ genoemd. Vader, moeder, dochter … De lezer zou kunnen verwachten dat Zielstra’s poëzie dicht bij huis blijft, betrekking heeft op familie, de nabije omgeving van belangrijke verwanten. In vrijwel alle gedichten valt het woordje ‘ik’ meerdere keren. Tien gedichten beginnen met ‘Ik’: Ik was op vakantie naar de cycladen, Ik mag geen gedicht schrijven over bevallen, Ik werd in november verliefd op een boer, Ik droom elke nacht over een man … Deze poëzie is, kortom, hoogstpersoonlijk, en sluit daarmee aan op het credo van de Tachtigers: kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Een voorbeeld:

    Handen

    ‘Ik was altijd rechtshandig, maar ik verzorgde
     mijn pasgeboren kind ineens met links.

     Alles in haar kamer moest worden verplaatst en aangepast.
     De deuren klopten niet meer. Ik was in de war en mijn lief zei:

    Het komt vast omdat je linkerhand dichter bij je hart zit,
     het is een teken van je lijf dat je zoveel van haar houdt. 

    Maar ik dacht dat het kwam doordat iets in mij zich had omgedraaid
     en de andere kant uitkeek, maar achteren, waar ik gebleven was.’   

    Persoonlijke poëzie

    Naast figuren als moeder, dochter en de ik, komen nog andere protagonisten voorbij: een vorig vriendje, maar ook ‘een man die ik niet kende’ of ‘De gothicmeisjes in lunchroom Eventjes’. In het algemeen gesproken is er natuurlijk niets tegen ‘persoonlijke’ poëzie. Zielstra weet ook geregeld haar individuele sensaties en ervaringen poëtisch treffend te verwoorden. Zoals in

    ‘Mijn moeder heelt een wond’ 

    ‘Mijn moeder leerde me namen
     van wat er in de berm leeft:
     meidoorn, braam en hondsroos.

    In haar tuin woekert vrouwenmantel.
     Ze pelt de flinterdunne laag van een blad
     en legt die op mijn geschaafde knie. 

     Zo geeft ze me voor de tweede keer
     een ongeschonden huid.’

    Wat in deze gedichten ontbreekt is juist dat wat poëzie soms zo krachtig en tijdloos maakt: namelijk dat de poëtisch verwoorde impressie of sensatie het individuele ontstijgt, en algemene geldigheid verkrijgt, en daardoor ‘herkenbaar’ is voor velen in plaats van voor de dichter alleen. In het gedicht ‘Bruiloft’ van Gerrit Achterberg gebruikt de dichter de regel ‘Familie duurt een mensenleven lang’. Dit is ijzersterk: herkenbaar voor iedereen en toch tegelijkertijd – juist door de formulering – munt Achterberg een krachtig nieuw inzicht. 

    Allerindividueelste expressie

    Precies op het belang hiervan werd gewezen door de dichter Jean Pierre Rawie in een interview dat hem werd afgenomen tijdens de Nacht van de Poëzie in 2023, beschikbaar als podcast. Als Rawie in een sonnet het overlijden van zijn vader memoreert, weet hij dat zodanig te doen dat het talrijke lezers raakt in het hart, omdat het ook over het heengaan van hún vader gaat. Dus om het credo van de Tachtigers uit te breiden: allerindividueelste expressie van allerindividueelste emotie, en dan zo, dat dit ook de emoties van anderen vertolkt. 

    Of dichteres Lilian Zielstra ooit zodanig gaat dichten over haar gevoelens en belevenissen dat dit voor haar lezers ‘herkenbaar’ wordt, is de vraag. Haar gedichten zijn op zichzelf scherpzinnig en soms lieflijk. Maar echt ‘raken’ doet haar poëzie niet.

     

    Poëziepodcast Camping de Vrijheid: Veertigste Nacht Van De Poëzie • ILFU.

     

  • Literaire rijkdom van Suriname

     

    Het slavernijverleden. De immigratie. De verschillende groepen die bij elkaar werden gebracht en met elkaar moesten zien te leven, ondanks de koloniale verdeel- en heerspolitiek en door etnische spanningen heen. Suriname met zijn culturele rijkdom en schone natuur is een bron van inspiratie voor verhalen die het verdienen om geschreven en gedeeld te worden, met elkaar en met de rest van de wereld.

    Jaarlijks komen veel buitenlanders, waaronder Nederlanders, naar Suriname voor het verzamelen van allerlei data en het onderzoek daarvan. Degenen daaronder met Surinaamse roots raken steeds geïnspireerd door onze samenleving. Het is echter al jaren en nog steeds een enorme uitdaging om als schrijver in Suriname je verhaal te publiceren door de kleine markt  die het moeilijk maakt boeken te verkopen. Om uit de kosten te komen die het publiceren van een boek met zich meebrengt, is al heel wat. Daarnaast bereikt het Surinaamse boek niet goed genoeg lezers, vooral de jongeren worden weinig bereikt. De mediatheken hebben niet voldoende middelen om nieuwe Surinaamse boeken aan te schaffen – er is redelijk aanbod – en worden veelal gevuld met gedoneerde boeken uit Nederland. Boeken die de Surinaamse jeugd niet direct aanspreken, eerder doen vervreemden van hun eigen leefwereld. Verder zijn er beperkte mogelijkheden voor het organiseren van boekpresentaties die voor het bereiken van een breder publiek nodig zijn.

     

    Sponsoren en schrijfwedstrijden

    Schrijvers zijn vaak gedwongen om een aanzienlijk deel van hun tijd te besteden aan het zoeken van sponsoren om hun boek op de markt te brengen. Digitaal publiceren is goedkoper, maar het publiceerbaar maken van het verhaal kost ook een behoorlijke duit. Het gevolg is dat startende schrijvers die geen of nauwelijks sponsoring vinden, in eigen zak moeten tasten. Na het drukken van het boek moeten zij gaan hosselen om aan het einde van de maand de rekeningen te kunnen betalen. Wat weer ten koste gaat van hun creatieve schrijfproces. Bij een digitale publicatie zijn er geen drukkosten, maar wat verdient de auteur voor al zijn moeite en het publiceerbaar maken van zijn verhaal? 

    Een mogelijke strategie om de kwaliteit van hun werk te verbeteren, ligt in het zoveel mogelijk meedoen aan schrijfwedstrijden met een stevige prijzenpot. Niet zozeer om veel te winnen, maar wel om bezig te blijven. Om daardoor het schrijven te leren, en eventueel in de prijzen te vallen. Bovendien kunnen beurzen voor schrijvers een waardevolle oplossing vormen door schrijvers de ruimte te bieden om zich te concentreren op hun artistieke expressie. Schrijvers hoeven niet per se naar het buitenland te reizen voor een schrijversresidentie; ze kunnen ook naar de districten in Suriname  gaan om daar in alle rust aan research te doen of zich door de omgeving te laten inspireren. De vraag is natuurlijk: uit welke pot zullen deze schrijf beurzen bekostigd worden en hoe geschiedt de toewijzing?

     

    Surinaamse uitgevers

    Suriname herbergt momenteel twee uitgeverijen: uitgeverij Ralicon, opgericht door  schrijver, Neerlandicus, bibliotheekhouder Robby ‘Rappa’ Parabirsing, en uitgeverij Pubses, van schrijver, onderwijskundige Ismene Krishnadath die zich vooral richt op kinder- en jeugdboeken. Maar dit jaar stopte Krishnadath met haar boekhandel, en Rappa sloot tijdens COVID zijn druk bezochte bibliotheek. Rappa wil het wat rustiger aan doen en richt zich nu op specifieke (literaire) activiteiten.  

    De Clark Accord Foundation – vernoemd naar de succesvolle schrijver Clark Accord (1961-2011) – ontving bij de vijfde editie van de Sori Yu Talenti Schrijfwedstrijd 2021, een korte verhalen wedstrijd, achtenvijftig inzendingen uit Suriname en Nederland. Bij de derde editie van de ‘Donner/Self Reliance Schrijfwedstrijd’ werden maar liefst 23 inzendingen uit Suriname ontvangen. Hoewel er één inzending minder was dan bij de tweede schrijfwedstrijd, markeerde dit nog steeds een verdubbeling ten opzichte van de eerste editie. Hieruit kunnen we concluderen dat er veel geschreven wordt in Suriname. Volgens Rappa is voor de deelnemers, los van de mooie geldprijs, ook de beoordeling van hun inzending en de schrijfadviezen belangrijk, vooral als ze niet in prijzen vallen.  Daarbij is ook de media-aandacht belangrijk voor hen 

    ‘Een aantal van de deelnemers ben ik bezig te begeleiden, zodat zij hun werk ook uitbrengen, dus publiceren,’ zegt Rappa. ‘Het is opvallend dat veel mensen, jong en oud, dit  nog steeds belangrijk vinden. Het kan digitaal, maar je merkt dat ze ook prijs stellen op een gedrukte versie van hun werk. En dat kan in kleine oplagen middels Print On Demand, P.O.D.  Dat is voor hen een tastbaar bewijs dat ze iets gepubliceerd hebben.’

     

    In de productie

    Rappa zegt dat hij zich al jaren inzet voor het begeleiden van schrijvers bij het bewerken, editen en afronden van hun manuscript en het middels P.O.D. helpen uitbrengen ervan. Hij ziet het liefst dat de productie van literatuur verhoogd wordt. Daarom heeft hij zich bij het literair festival Eenheid is Kracht bezighouden met het verzorgen van een workshop om op die manier kennis te delen met andere schrijvers. ‘Natuurlijk moet je de literatuur in Suriname ontwikkelen met congressen en festivals, maar ik ben iemand die zich meer met de begeleiding en productie van geschriften bezighoudt.’

    Naar mening van Rappa is de Surinaamse literaire markt zich aan het ontwikkelen, ondanks het wegtrekken van gerenommeerde  schrijvers, de perioden van censuur en verschillende economische crises na de onafhankelijkheid (sinds 1975). ‘Ik heb door de jaren heen wel opgemerkt dat veel Surinamers hun pennenvruchten willen uitgeven, maar vaak niet bereid zijn de lange en moeizame weg daarheen te willen afleggen. Sommigen willen meteen een bestseller publiceren. Dat kan, maar meestal moet je eerst leren kruipen, daarna lopen en pas daarna proberen sneller te gaan. Anders kan je voortijdig hard vallen en teleurgesteld raken. Olympisch zwemkampioen Anthony Nesty is toch ook jarenlang onder strakke begeleiding bezig geweest te trainen en aan  wedstrijden mee te doen, voordat hij die gouden medaille binnenhaalde? En de Surinaamse auteur Astrid Roemer won in 2021 de hoogste literaire prijs voor het Nederlands taalgebied. Maar zonder zich tientallen jaren strak te richten op haar schrijfwerk, had ze dit niet bereikt.’

    Rappa is zich er bewust van dat de Surinaamse literatuur bezig is zijn eigen vorm te creëren op het gebied van taalvormen en inhoud. Dat moet gestimuleerd en gerespecteerd worden en daar mag absoluut niet – wat nog te vaak gebeurt – op neergekeken worden. ‘Als schrijver mag je je eigen literaire roots nooit minachten, vooral als je woont en schrijft in het buitenland. Hoe hoog je daar ook groeit, de samenleving waar je geboren en getogen bent, mag je niet verloochenen, ontkennen of van je afduwen. Je mag er kritisch over zijn, natuurlijk, en je hoeft er niet mee te dwepen. Aan de andere kant zie je dat toch een aantal Nederlandse schrijvers van Surinaamse komaf hier hun boek komt presenteren, ondanks dat ze weten dat de markt klein is. Maar ze voelen daartoe de behoefte en maken daarbij kennis met de samenleving van hun ouders of grootouders. De aandacht en erkenning die ze krijgen, doet ze goed. Dat sterkt hen om verder te gaan.’

     

    Literatuur als spiegel van de samenleving

    Naar mijn mening mag er meer geschreven worden over onderwerpen die schuren in de Surinaamse samenleving. Zoals de nog steeds bestaande etnische spanningen, misbruik van vrouwen, de voortgaande aantasting van ons prachtig bos, de verschrikkelijke corruptie en de grote ongelijkheid tussen delen van de samenleving in de stad, tussen de stad en de buitengebieden. Vergelijkbaar met wat bijvoorbeeld James Baldwin in Amerika en Salman Rushdie in India hebben gedaan, zouden schrijvers het als hun taak moeten zien om complexe maatschappelijke ontwikkelingen te belichten. De Surinaamse samenleving biedt namelijk een overvloed aan onderwerpen die met een kritische pen geanalyseerd kunnen worden. Schrijvers, net als kunstenaars, moeten de samenleving een spiegel voorhouden, ongeacht hoe pijnlijk die reflectie ook is. 

    Schrijver en dichter Jeffrey Quartier – tevens bestuurslid van de *Schrijversgroep ’77 – beschouwt de variatie in het Nederlands en de Surinaamse meertaligheid als verrijking voor de Surinaamse literatuur. Belangrijk is dat deze taalrijkdom doeltreffend wordt ingezet in teksten om emoties op krachtige wijze over te brengen. Rappa zegt hierover: ‘Literatoren moeten hun inspiratie uit de sociaal-maatschappelijke issues halen en die met hun verbeeldingskracht vleugels geven. Zoals een jonge schrijfster, afkomstig uit het binnenland, onlangs een verhaal heeft geschreven over de dorpen die in het binnenland onder water kwamen te liggen door de aanleg van de stuwdam. Maar als beginnend literator heeft ze het verhaal niet gebracht in een sfeer van  kritiseren van het gebeuren, maar in eentje van de gelederen sluiten en zoeken en uitproberen van mogelijkheden om eruit te komen en de traditionele culturele rijkdom niet laten ‘verdrinken’ maar er juist uit putten. De taak van de schrijvers in onze, in ontwikkeling zijnde literatuur is om verbindingen te leggen, dwars door de etnische hokjes heen die vooral door politici in stand worden gehouden. Daarmee wordt de onderlinge solidariteit vooral onder de jongvolwassen lezers versterkt.  Via de hoofdfiguur en de overige ‘spelers’, neem je de lezer mee in de situatie en probeer je emoties bij hen op te wekken.’  

    De literaire rijkdom van Suriname vormt een nog grotendeel onbekende schat aan informatie die vraagt om verkenning, vastlegging en ontwikkeling. Ondanks de uitdagingen waarmee schrijvers worden geconfronteerd, bieden initiatieven zoals schrijfwedstrijden en beurzen een deur naar groei en erkenning. We moeten echter niet alleen streven  naar een verhoogde productie van literatuur, maar ook naar een beter gestimuleerde leescultuur via het onderwijs. Dit kan leiden tot een bloeiende literaire gemeenschap. Door te blijven schrijven, publiceren en lezen, elkaar daarbij te ondersteunen, kunnen we niet alleen de Surinaamse literatuur versterken, maar ook een kritische en goed geïnformeerde samenleving bevorderen. Laten we samen bouwen aan een toekomst waarin vooral het geschreven woord de kracht uitstraalt om verandering ten goede teweeg te brengen en waar de stemmen van Surinaamse schrijvers resoneren, niet alleen binnen de grenzen van het land, maar ook ver daarbuiten.

     

     

    *Schrijversgroep ’77 is de grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname en draagt bij aan de ontwikkeling van de Surinaamse letterkunde. Tevens maakt zij zich sterk voor de geestelijke en maatschappelijke belangen van de leden en zet zich in voor een groeiend internationaal literair netwerk.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

  • En Danijel is bang

    Drago Jančar (1948) werd in de jaren zeventig gearresteerd om zijn kritische houding tegenover het communistisch bewind en later gedwongen in het leger te dienen. Pas na het overlijden van Tito voelde hij de vrijheid om te schrijven. Tegenwoordig wordt hij als een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers beschouwd. Hij is ook actief als essayist, toneel- en scenarioschrijver. In Slovenië staat hij bekend als maatschappelijk geëngageerd en om zijn kritische houding tegenover de politiek.

    Bij het ontstaan van de wereld speelt zich af vijftien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Maribor, toenmalig Joegoslavië, tijdens het bewind van Maarschalk Tito, in de tijd van de Koude Oorlog. Bij de 11-jarige puber Danijel ontstaan in de lente nieuwe gevoelens. ‘Elke ochtend breekt uit de stilte het luide geraas van de wereld naar buiten. Zo ontstaat de wereld.’ Hij wordt zich voor het eerst bewust van het leven en noemt dat het ontstaan van de wereld. ‘Maar het is wel zo dat ogen die net ter wereld komen op een andere manier kijken, want ze zien alles voor het eerst.’

    En juist dan trekt de jonge, mooie Lena beneden in, in het huis waar Danijel met zijn ouders woont. Hij is totaal door haar gebiologeerd en houdt haar scherp in de gaten. Lena begint een verhouding met loodgieter Pepi en later ook en tegelijk met Ljubo. Dat loopt niet goed af. Pepi wordt dood in zijn werkplaats gevonden, waarna Lena en Ljubo worden gearresteerd. Eerst bekent Ljubo dat hij schuldig is aan de dood van Pepi, later neemt Lena die schuld op zich.

    Partizanen en papen

    Tegen de achtergrond van dit liefdesdrama maakt de lezer kennis met het leven in een dorp in een deelrepubliek van Joegoslavië dat nog steeds aan het opkrabbelen is na het einde van de oorlog. De mensen zijn druk bezig het hoofd boven water te houden: werken, het dorp onderhouden, eten, een nieuw bestaan opbouwen.
    De oorlog speelt nog een grote rol. Danijels vader heeft in een concentratiekamp gezeten en is lid van de socialistische Strijdersbond. Hij geeft af op alles wat Duits is of ermee te maken heeft, zoals zijn buurman die voor de Duitsers heeft gevochten en zijn been is kwijtgeraakt. Er wordt veel gedronken door de Partizanen en de Strijdersbond die vaak bij Danijel thuis ‘vergaderen’. Er worden sterke verhalen verteld over Dolfi (Hitler), er wordt ruzie gemaakt, maar altijd wordt het ook weer goed gemaakt.

    Danijels moeder is anders: zij is zachtmoedig, is trouw katholiek, heeft Danijel laten dopen. Pater Alojzij heeft met zijn catechese en Bijbelverhalen veel invloed op Danijel. Vader moet niets van de clerus hebben. De strijd tussen de papen en de strijders, de tweedeling in de maatschappij, speelt een grote rol in deze roman. Danijel wordt door de twee kampen regelmatig verscheurd: dan moet hij op school weer het socialistische Pionierslied zingen en de beloften doen die daarbij horen (onverschrokken zijn, beleefd, eerlijk, oprecht) en wordt hij middenin de nacht uit zijn bed gehaald om op zijn accordeon te spelen als de Strijders de oude Partizanenliederen zingen, en dan, even later, gaat hij voor het eerst naar de communie en vergeet hij het belangrijkste woord uit te spreken (Amen) waardoor hij de hostie mist.

    Door al die verhalen van de partizanen en die van de pastoor uit de bijbel droomt Danijel veel en heftig: over oorlog, bommen, dood en verderf. Dat wordt nog eens verhevigd door de diepe angst die er in die jaren in Slovenië heerst voor een nieuwe oorlog, met atoomwapens. ‘Zijn rust en vrede niet meer dan een periode tussen twee oorlogen?’ En Danijels vader zegt: ‘Oorlogen zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn.’

    Danijel vereenzelvigt zich met film- en andere helden uit boeken, de bijbel en de partizanen. Zijn broer, die marinier is, wordt ook op een voetstuk gezet. En steeds is het conflict tussen Onze-Lieve-Heer en de Strijdersbond aanwezig. ‘Waarom winnen we alleen maar in een oorlog die voorbij is of in films en boeken en de bijbel? In dit leven gebeurt het nooit.’
    Tito regeert nog met harde hand. Zijn milities (de Veiligheidspolitie) voeren nog steeds zuiveringen uit: Danijels buren (de eenbenige ex-tankcommandant) wordt met zijn gezin, inclusief Danijels vriend, weggevoerd, evenals professor Fabijan, die Danijel veel heeft geleerd over de grote Russische schrijvers, geschiedenis, de klassieke wereld en oorlog en vrede, maar die tijdens de oorlog Duitse lessen bleef geven.

    De boodschap is duidelijk

    Danijel realiseert zich na alle gebeurtenissen in de lente, de zomer en de herfst waarin de roman zich afspeelt ‘dat alles draait om de liefde, het grote verhaal van het leven, dat zich sinds het ontstaan van de wereld in ontelbare varianten afspeelt’. En Jančar verzucht: ‘Ach, die kinderjaren. Waarin je de gruwelijkste dingen moet zien om te weten wat schoonheid is, angst moet voelen om te leren wat moed is en alle rampspoed van de wereld moet ervaren om jezelf geestelijk te verrijken’.

    De roman is associatief en behoorlijk breedsprakig geschreven: al die dromen en al die natuur! En al die gebeurtenissen in het dorp: ze geven aan dat de wereld doordraait, maar ook dat ze er niet toe doen. Waarom dan toch verteld. Wat voor nut heeft de beschrijving van de relatie tussen Lena en haar twee minnaars en de fatale afloop daarvan, misschien om een stukje spanning in de roman te krijgen? En wat is het belang van de beschrijving van de verdwijning van Danijels broer als hij een vechtpartijtje heeft verloren? Waarom wordt Danijel opeens een ziener genoemd? Jančar haalt er veel bij aan waardoor de samenhang een beetje zoek raakt. De boodschap is evengoed duidelijk: Jančar waarschuwt voor oorlog en dat doet hij goed en terecht. Dat lijkt ruim voldoende als thema. Meer heeft hij niet nodig. Hij verwoordt dat mooi in de angst van Danijel in een aftelrijmpje:
    ‘Ben je naar de tuin gegaan?
    Heb je daar de dood zien staan?
    En was je bang?’

     

     

  • Stem van J.M.A. Biesheuvel klinkt nog eenmaal

    Op 30 juli 2020 overleed Maarten Biesheuvel (1939), die in de jaren zeventig en tachtig een groot lezerspubliek verwierf met verhalenbundels zoals ‘In de Bovenkooi’, ‘De weg naar het licht’, ‘De angstkunstenaar’, ‘De verpletterende werkelijkheid’, ‘Reis door mijn kamer’. Biesheuvel was bipolair en het leek wel of het schrijven van verhalen hem geen moeite kostte: in de manische schrijfbuien die hij had, reikte zijn brein hem die aan, tot jaloezie van andere auteurs die moesten zwoegen om gebeurtenissen en personages te bedenken en op papier te krijgen. 

    Biesheuvel’s verhalen werden ook een onmiddellijk succes door de onweerstaanbare combinatie van werkelijkheid en fantasie die zijn brein voortbracht. ‘Een pandemonium van ongehoorde voorvallen en halfgare wendingen’ zoals Komrij bij zijn debuut In de Bovenkooi (1972) schreef. Het verzameld werk van Biesheuvel, in 2008 uitgegeven door Van Oorschot, telt liefst 2600 pagina’s en na zijn dood vond zijn uitgever sinds 2018, Aart Hoekman nog veel ongepubliceerde verhalen op allerlei plekken in Sunny Home, het houten huis in Leiden dat Biesheuvel en zijn vrouw vele jaren bewoonden.

    Zijn schrijverschap duurde eigenlijk maar kort. Al in de 2e helft van de jaren tachtig leek zijn schrijfdrang te minderen. Nadat hij in 1991 een zware inzinking kreeg en voor de vierde keer gedurende enige tijd in een psychiatrische inrichting belandde, stopte de productie vrijwel geheel. De jaren die volgden bracht hij zo goed en zo kwaad als het ging door in Sunny Home, beschermd door zijn vrouw Eva en – continu sigaartjes rokend –  in gezelschap van de vele vrienden die hem bleven bezoeken, waaronder de schrijvers Mensje van Keulen en Maarten ’t Hart. Eind 2017 ging het weer mis en belandde hij opnieuw in de psychiatrische inbrichting. 

    Enerverende jaren

    Deze laatste periode van zijn leven, tot aan Biesheuvels overlijden, is het onderwerp van Mag de Sirene aan? Een indrukwekkend verslag door Aart Hoekman die veertig jaar bevriend was met de schrijver die hem ook vroeg om zijn biografie te schrijven. ‘”Vroeg” is niet het juiste woord, het was meer “droeg op”. In overleg met Eva werd besloten dat ik af en toe gesprekken zou opnemen met een iPad. Uiteindelijk leverde dat een geluidsband op van ruim twintig uur. “Onthoudt dat apparaatje het allemaal wel? Hoe kán dat toch allemaal”Die gesprekken gingen meestal over andere dingen dan “mijn biografie.”‘ Uiteindelijk werd het geen biografie, deze wordt geschreven door Erik de Bruin en is gepland te verschijnen in 2024. 

    ‘Mag de sirene aan?’, vroeg Biesheuvel toen hij in oktober 2017 vervoerd werd naar de psychiatrische inrichting Rivierduinen (het mocht niet). En dat is dus de titel geworden van Aart Hoekmans boekje dat zich beperkt tot een zeer geserreerde beschrijving van de laatste jaren van het leven van Maarten Biesheuvel en dat daarnaast dankzij de gemaakte geluidsopnamen een mooi beeld geeft van het karakter van de schrijver.

    Het waren enerverende jaren, want terwijl Biesheuvel in de kliniek verbleef en behandeld werd, kreeg Eva het idee om een keuze uit het verzameld werk te maken en die verhalen te bundelen onder de titel ‘Verhalen uit het gekkenhuis’.  Uitgeverij Van Oorschot zag daar  – schrijft Aart Hoekman – niets in en daarom werd het een uitgave van Hoekman’s uitgeverij Brooklyn. In september 2018, een week nadat Biesheuvel was ontslagen uit de kliniek werd het gespresenteerd en enkele weken later mocht hij optreden in DWDD. Dat werd een succes en van een al bijna vergeten auteur werd hij ineens weer een beroemdheid en het boek een toptien-succes. Een mooie tijd leek aan te breken maar twee maanden later kreeg Eva een hersenbloeding en overleed. Daarna hield Biesheuvel het bestaan nog een tijdlang moeizaam vol, het ene sigaartje na het andere rokend, al dan niet met vrienden. Maar een val in zijn slaapkamer was het begin van het einde, dat in juli 2020 tot zijn grote opluchting kwam.

    Waar kwamen die verhalen vandaan

    ‘Ik praat wel veel, hè?’, kan de lezer beamen als hij de hoofdstukken leest met fragmenten uit de 20 uur geluidsopnamen die Hoekman maakte. Maar het zijn wel boeiende teksten. Pratend over zijn schrijverschap is het net alsof Biesheuvel zelf ook niet snapt waar al die 2600 pagina’s verzameld werk vandaan zijn gekomen. Zoals hij het vertelt lijkt het alsof er ‘artificial intelligence’ in zijn hoofd zat, de computer-intelligentie die zó een paar dozijn verhalen voor je schrijft in elke gewenste stijl en op elk thema dat je opgeeft. Hij is er wel trots op dat ze hem ‘beroemd’ hebben gemaakt, maar de ontstaansgeschiedenis is hem – op een uitzondering na –  niet duidelijk meer. Dat maakt het ook begrijpelijk dat hij en Eva van veel verhalen na hun publicatie domweg het spoor bijster waren totdat in de jaren tachtig een jonge bewonderaar, Aart Hoekman, een bibliografie maakte van alle gebundelde en nog niet gebundelde verhalen. 

    Mag de sirene aan? geeft ook een goed beeld van de persoonlijkheid van de schrijver. Een onberekenbare, want bi-polaire persoon die geen enkele empathie met anderen toont, eigenlijk alleen met zichzelf bezig is en zich ook op een hoog voetstuk zet als ‘beroemd schrijver’, dat is iemand waar velen met een grote boog omheen zouden lopen. Maar het boek laat zien dat heel veel mensen om hem gaven. Kennelijk was Biesheuvel in de omgang aardiger (en misschien ook hulpbehoevender) dan uit de geluidsopnamen blijkt.  

    Stem van de schrijver weerklinkt

    Toch blijft het wonderlijk dat zoveel mensen accepteerden door Biesheuvel behandeld te worden zoals Hoekman beschrijft, hemzelf inbegrepen: Hem niet durven tegenspreken, stompen van hem krijgen zonder ze te retourneren, weggestuurd en weer teruggeroepen worden, hij beschrijft het droogjes ,als iets normaals. Hoe centraal het welzijn van Biesheuvel kennelijk voor iedereen stond is te lezen op pagina 62. Eva is opgenomen in het ziekenhuis en Hoekman schrijft: ‘Het bleek een hersenbloeding te zijn. Maarten is zaterdag, zondag en maandag bij  Eva op bezoek geweest in het LUMC. Die zondag reden we samen naar het ziekenhuis. Aansluitend schreef ik op de groepsapp die in allerhaast was aangemaakt voor vrienden en familie: “Maarten houdt zich bewonderenswaardig kranig.”‘ Over Eva’s conditie van dat moment geen woord. Het schetst de gewoonte om vooral Biesheuvels conditie in de gaten te houden. En vermoedelijk zou Eva dat ook doen als ze het op dat moment had gekund.

    Mag de sirene aan? telt slechts 95 pagina’s, maar het is Aart Hoekman in dat kleine bestek goed gelukt Maarten Biesheuvel weer tot leven  te brengen via zijn eigen uitspraken. Hoekman zelf blijkt een uitstekend schrijver te zijn, geen woord te veel of te weinig. Zie de beschrijving van de laatste momenten van Maarten na het toedienen van de euthanasie-medicatie: ‘Veertig jaar eerder rookte ik mijn eerste sigaartje met hem. Nu rookt hij zijn laatste sigaartje met mij. Hij zakte meer en meer weg. Roken ging niet meer. Wel bracht hij nog een keer zijn trillende, lege rechterhand naar zijn mond een tuitte zijn lippen. Hij gleed weg.’ Mooi boek.

     

     

  • Oude rouw en nieuwe liefde

    Verdriet en rouw veranderen een mens, vaak definitief. Als iets vanzelfsprekends wegvalt ontstaat er een enorme leegte. Zoals de liefde van een ouder of een geliefde die er opeens niet meer is. Voor Sanne van Rij, journalist en schrijver voor onder andere de Volkskrant en ELLE was dit haar moeder. Zoals ze beschrijft in Ik weet zeker dat het liefde was moest ze leren leven zonder moeder. Dit resulteert in een zeer persoonlijk en intiem relaas. Ze beschrijft liefdesperikelen, levenslessen en allerlei dagelijkse trammelant met een fijne antenne voor interpersoonlijke verhoudingen.

    Voor Van Rij begint het allemaal met de guacamole van haar moeder. Een herinnering die de essentie bevat van wat haar moeder voor haar betekende. Door oude videobanden leert ze haar moeder weer kennen zoals zij was voor de psychose. Dit trapt een stortvloed aan herinneringen af, vaak aan de hand van iets tastbaars. Zoals een bruisbal of een herinnering aan in olijfolie gedoopt stokbrood. Veel van die herinneringen zijn gekleurd door de bril van nostalgie en herkenbaar jeugdsentiment. De korte stukjes hebben telkens iemand uit haar leven als onderwerp. Ze worden vooral gekenmerkt door het grote empathisch vermogen van Van Rij, haar gave om zich in iedereen te kunnen verplaatsen. Wat ook soms als een tweesnijdend zwaard voelt.

    De blauwdruk voor relaties lijkt soms al ontstaan te zijn in het verleden. Voor Van Rij was dit de relatie met haar moeder die zo abrupt eindigde. De worsteling van haar moeder met een psychose leverde verwarrende en tegenstrijdige gevoelens op voor de dochter die met vijftien jaar nog zo jong was. ‘Mijn moeder was vergankelijk, merkte ik, en ik had geen flauw idee hoe ik haar wegebben kon stoppen.’ Na het overlijden van haar moeder begint een zware tijd voor Van Rij. Ze moet wennen aan een leven zonder moeder, gaat studeren in Utrecht en begint het grote zoeken naar erkenning. De problemen met liefde en relaties die zij ervaart deelt ze vooral in intieme vriendschappen. Met vriendinnen en psychologen reflecteert ze over liefde, vriendschap en verlies. Daarbij ervaart ze een grote behoefte aan een vanzelfsprekende aanwezigheid van de ander.

    Gebroken optimisme

    In columns vormt het gezin altijd een dankbare inspiratiebron. De memoires van Van Rij gaan dieper dan kleine voorvallen, maar de toon daarvan is wel geworteld in de stijl van de column. Het is dan ook niet verwonderlijk om in het nawoord te lezen dat het boek begonnen is als artikel in het Volkskrant magazine. In korte stukjes, van hot naar her springend in de tijd, beschrijft Van Rij voornamelijk haar relaties met anderen en haar eigen rol daarin, waarbij ze probeert tot de kern te komen van haar problematiek. De fragmentarische stukken hebben een lichte toon, ook al gaat het vaak om vrij zware onderwerpen. Ze komt af en toe met leuke vondsten, zoals misplaatst doorzettingsvermogen. Daar staat tegenover dat er ook kleine taalkundige ergernissen zijn, zoals het gebruik van clichématige uitdrukkingen als: ‘de zenuwen gierden door mijn lijf.’ En er wordt vrij veel psychologisch jargon gebezigd.

    Haar romantische strubbelingen zullen elke millennial maar al te bekend voorkomen. Ongemakkelijke stiltes, miscommunicatie, een hoop hansworsten en ongewenste intimiteiten passeren de revue. Van Rij weet haar relaties uitermate goed samen te vatten en geeft helder aan waar het wringt. ‘Ongelofelijk slecht in loslaten, dat was ik.’ De rode draad in het boek is absoluut de liefde. Maar de liefde maakt ook een trauma los. Naast verbinding met haar geliefde ervaart ze rouw om haar moeder. Haar vertrouwen in de ander moet weer groeien na alle slechte ervaringen. Dat ze zo open is over deze thema’s is moedig. In plaats van te verkrampen of verstijven in het aangezicht van de pijn kiest Van Rij voor een soort gebroken optimisme.

     Licht en schaduw

    De schrijfster durft behoorlijk diep te gaan in haar analyse en toont hoe de erfenis van verlies in een leven doorwerkt. De constant aanwezige schaduw daarvan weerhoudt haar er niet van zich in vriendschap en liefde te geven. Wat zich wel weerspiegelt in het aantal diepe vriendschappen die ze onderhoudt. Sommige van deze personen verdwijnen in het boek na een tijdje meer naar de achtergrond en dat is wel een beetje zonde. Ze weet de vinger vaak precies op de zere plek te leggen, ook als ze over haar relatiewens schrijft en het woord tot zichzelf richt. ‘Onbewust ben je er elke dag mee bezig: doen alsof je heel bent.’ Op deze manier vindt ze iets van schoonheid in het koesteren van haar verleden. Na de nodige tegenslagen groeit Van Rij in een veilige relatie toch langzaam naar geborgenheid toe. Onderweg demonstreert ze een hoop groei en zelfinzicht en dit maakt het boek tot een uitermate sympathiek verhaal, ook al moet de auteur daarvoor het nodige ‘in haar wonden roeren’, zoals ze het beschrijft.

    De manier waarop zij het met veel warmte over relaties heeft doet denken aan een citaat uit de film Into the wild: ‘That happiness is only real when shared.’ Op een bepaalde manier kan het ook voor een lezer therapeutisch zijn om over Van Rij’s proces van heling te lezen. Dat het soms een beetje als een dagboek leest doet niets af aan de boodschap. Daarbij geeft ze uitdrukking aan iets wat iedereen ervaart: liefde en rouw, het licht naast de schaduw. Dat rouw ook in liefde verpakt kan zitten is een rauwe les. De grote gevoelens die dit oproept gaat de auteur niet uit de weg en ze weet een mooie taal te vinden voor het verlies in deze lessen in liefde. Door dat taalgebruik stijgt het boek uit boven de navelstaarderijen van generatiegenoten.

     

     

  • Beroemde boeken en hun geschiedenis

    Springlevend. Hoe klassieke boeken van betekenis veranderen laat zien hoe de verluchtiging van een boek in de loop van de decennia na de eerste publicatie niet zelden ver van de bedoelingen van het oorspronkelijke verhaal af kwamen staan.

    De Both bespreekt twaalf boeken en hun Nachleben. Ze hebben gemeen dat ze allemaal nog steeds verkrijgbaar zijn en gelezen worden, al komen ze nu soms tot ons met een teneur die de auteur niet bedoelde. Springlevend beschrijft hoe de boeken werden bedacht, hoe hun ontvangst destijds was, hoe dat in de loop van de decennia veranderde, wat de filmindustrie ervan brouwde en hoe plekken uit de boeken nu toeristen trekken. Iedere tijd leest de boeken door een bril die geslepen is door het tijdsgewricht waarin de lezer is opgegroeid.

    Springlevend is zo’n kleurrijk en prikkelend document dat je de besproken boeken het liefst nog eens allemaal zou willen herlezen.

    Dit is slechts een deel van de recensie. Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.