• Een mandje tussen de lisdodden

    Malaga Island, voor de kust van Maine, is een eilandje van amper 40 hectare. Vanaf het begin van de negentiende eeuw woonden er een paar families. Die werden in 1912 met geweld verdreven vanwege belangen van een vermeende eigenaar van het gebiedje. De bevolking was door rasvermengingen en inteelt binnen de gemeenschap divers van huidskleur en erg arm. Aanvankelijk kwam er nog voedsel- en andere hulp van het vasteland, maar onder de opkomende rassenhaat en eugenetica kregen de bewoners het stempel van domme, zedenloze en smerige lieden waarvan het eiland gezuiverd moest worden.
    Op deze geschiedenis is Dit andere paradijs van Paul Harding gebaseerd. Hij won in 2010 met zijn debuutroman Kwikzilver de Pullitzerprijs en was vorig jaar met zijn derde, Dit andere paradijs, genomineerd voor de Booker Prize.

    Malaga Island is in het verhaal van Harding ‘Apple Island’ geworden, een naam die het kreeg van de fictieve voormalige slaaf Benjamin Honey die zich er in 1793 vestigde met zijn vrouw Patience Raferty. Hij wilde er een appelboomgaard beginnen die hem zou herinneren aan zijn kindertijd waarin hij de tuin van zijn moeder ervoer als het paradijs. Dit andere paradijs op zijn nieuwe eiland zou verkeren in zijn tegendeel, maar dat zouden zijn nakomelingen pas meemaken.

    Schooltje

    De roman begint in 1911 als Esther Honey , de achterkleindochter van de appelkweker, door Harding wordt gepresenteerd met de belangrijkste personages om haar heen: haar zoon Eha en diens kinderen Ethan, Charlotte en Tabitha. Buiten deze familie wordt in het verhaal een belangrijke rol vervuld door Matthew Diamond, een missionaris van het vasteland die voor de eilanders een schooltje heeft opgezet, de ietwat zonderlinge maar goedaardige Zachary die in een uitgeholde boom huist en de eveneens alleen wonende Annie Parker. Om een idee te krijgen van de woonomstandigheden van Apple Islanders loont het om rond te kijken op deze website van Main Coast Heritage Trust, waarop foto’s staan van Malaga Island uit de periode waarin Dit andere paradijs zich afspeelt.
    Harding spint een weefsel van hartverscheurende verhalen zonder effectbejag en zonder in dramatiek te vervallen. Hij maakt van de eilandbewoners niet uitdrukkelijk slachtoffers van de hardvochtige behandeling door de staat Maine en evenmin idealiseert hij de gemeenschap. Alle personages en het eiland zelf komen tot leven in rake karakteriseringen. Zelfs de figuren van het tweede plan worden bijna tastbaar.

    Bijbel

    De ontruiming van Apple Island is niet het enige drama dat Harding vertelt. Als Esther Honey in het begin het verhaal van de zondvloed vertelt waarin zij er ternauwernood in slaagde haar zoon Eha en zichzelf te redden, mag ze nog een geliefde oma lijken voor haar kleinkinderen die aan haar lippen hangen. Later wordt de lezer een wredere achtergrond duidelijk over de herkomst van het kind, de rol van haar vader, en waarom Eha nog leeft. Het was háár persoonlijke zondvloed.
    Er zitten veel meer Bijbelse verwijzingen in de roman. Naar de doortocht door de Rode Zee, naar de ark van Noach en naar de redding van Mozes in zijn biezen mandje. En er is Zachary, wiens volledige naam Zachary Hand To God Proverbs is en die Bijbelse taferelen aan de binnenkant van zijn eik kerft.
    Esther bewaart haar grote geheimen voor alle eilandbewoners; de lezer waant zich lange tijd de enige die er kennis van draagt, tot aan het eind blijkt dat de mysterieuze Zachary het altijd heeft geweten.

    Tekenaar

    De missionaris Matthew Diamond heeft succes met zijn onderwijs aan de eilanders. Hij ontdekt er talenten, zoals de tienjarige Tabitha, dochter van Esther, die vloeiend Latijn spreekt en de ongeveer even oude wees Emily Sockalexis die al snel beter is in wiskunde dan haar leraar. Maar de meest opvallende in dit opzicht is de withuidige zoon van Esther, Ethan, die alles in zich heeft om een groot tekenaar te worden. Diamond heeft het beste voor met zijn schoolkinderen, hoewel hij ook zelf bepaald niet vrij is van raciale oordelen. Als hij door de gouverneur van Maine wordt gedwongen mee te werken aan de vernederende onderzoeken zoals schedelmetingen en lichamelijke inspecties van de eilandbewoners vindt hij een uitweg voor het tekentalent. Via een vriend laat hij Ethan ontkomen. Toch zal blijken dat ook die daardoor niet gered is. Voordat dat duidelijk wordt heeft Harding de lezer nog verrast met een vertederende liefdesgeschiedenis tussen Ethan en het dienstmeisje Bridget Carney, die geleidelijk diens geschiedenis en die van de eilandbewoners ontdekt.

    Onze ark

    Als de ontruiming eenmaal daar is, breken de bewoners zelf hun huisjes af en laden ze in bootjes met de bedoeling ze op het vasteland weer op te bouwen. Esther ziet ze vertrekken ‘samen op drift op een vlot volgestouwd met onderdelen van hun huis, het huis dat een stap was geweest in hun hardnekkige streven naar het soort thuis dat ze allemaal voor zichzelf hadden gewild sinds ze naar de rots, het eiland, waren gekomen en zich eraan hadden vastgeklampt’. Ze kijkt om naar het verdwijnende Apple Island: ‘Dat arme eiland, zei ze. Dat arme kleine eilandje van zulke arme lieve mensen. Verdreven van onze grond, onze ark, ons mandje tussen de lisdodden’.

    Harding gebruikt kleine woorden om grote gevoelens over te brengen. Ook de Nederlandse vertaler Jan Fastenau is erin geslaagd die eenvoud en het ritme te behouden: ‘The trees at the borders bowed in the gusts of wind and straightened in the pauses and rain swept in sheets across the greening grass’ werd in het Nederlands bijvoorbeeld: ‘De bomen aan de zomen bogen door in de rukwinden en richtten zich op tussen de vlagen door, en regengordijnen geselden het groenende gras’.

    Dit andere paradijs
    ontging uiteindelijk de Booker Prize 2023 (bekroond werd The Prophet Song van Paul Lynch), maar zal er niet ver naast gezeten hebben. Het is een haarscherpe invoelende roman over het kwaad dat vooroordelen en egoïsme kunnen aanrichten. Én een roman over overlevingskracht waar je stil van wordt.

     

     

  • De omgeving lijdt het meest

    Renée van Marissing studeerde af als dramaschrijver, schreef muziektheatervoorstellingen en hoorspelen, romans en korte verhalen. Haar vorige roman Onze kinderen werd lovend ontvangen en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. En dan is er nu de roman, Gelukkige dagen. De titel refereert aan het toneelstuk Happy Days van Samuel Beckett. Daarin zit een vrouw tot haar middel ingegraven in een berg puin. De voorstelling van het betreffende stuk wordt bezocht door Sil, het hoofdpersonage van deze roman, samen met haar vrouw Lina. Het wordt opgevoerd door een actrice met wie beiden in het verleden samen met een aantal anderen een toneelgroep vormden.

    Het beeld van de ingegraven vrouw is treffend, want Sil is net gediagnosticeerd met Alzheimer en dat op 46-jarige leeftijd: jongdementie dus. De roman beschrijft haar ziekteproces en de invloed die haar teruglopende geheugen, haar woorden en taal en haar gedrag hebben op haar en haar omgeving. Ze wil dingen duidelijk maken, maar kan dat niet meer door het geheugenverlies.

    Taal genoeg?

    Sil is bioloog, woont samen met meubelmaakster Lina. Aan de toneelgroep waarvan ze lid waren in het verleden hebben ze een grote vriendenkring overgehouden. Met name met Pier en Barbara hebben ze nog veel contact en ze gaan met hen ook op vakantie. Sil heeft aan het begin van de roman nog contact met haar (oud-)collega Chris, die heel begripvol is en goed met haar overweg kan. Merkwaardig genoeg verdwijnt hij in de loop van dit boek; is Van Marissing hem vergeten, is het slordigheid? Trouwens, de manier waarop Sil er bij haar werkgever uit wordt gewerkt en de pijn die dat heeft gedaan komt nauwelijks uit de verf.

    De roman is vanuit verschillende perspectieven geschreven. Soms denk en beleef je mee vanuit Sil, dan weer vanuit Lina en de vrienden. Als Van Marissing Sil aan het woord laat, kan deze gek genoeg alles benoemen, heeft ze taal genoeg om overal woorden aan te geven. Ze herinnert zich veel van haar vroegere bezigheden. Haar leven bij de toneelgroep, de buitenlandse reizen die ze samen met Chris maakte, het plezier dat ze had in haar werk als bioloog. Als de omgeving aan het woord is, weet en kan ze veel minder. Hoe verder het ziekteproces gaat, hoe meer gekke dingen Sil doet: ze krijgt haar voet niet tussen twee spijlen van het balkonhek uit, als ze de badkamer schoonmaakt spuit ze alles nat, ze verbrandt haar hand aan kokend water enzovoort. Haar gedrag verandert.

    Haar vrouw en vrienden krijgen steeds meer moeite om met dat gedrag om te gaan. Met name haar vrouw is vaak geïrriteerd, boos en vooral moe. Hoe vaak dat woord niet voorkomt in deze roman: tientallen keren. Iedereen is moe, moe, moe. Sil, Lina, ouders, vrienden. Uiteindelijk is Sil thuis niet meer te handhaven en gaat ze naar een verpleeghuis. Van Marissing maakt zich daar wel heel gemakkelijk van af. In een poep en een zucht is het geregeld en denkt Lina voor de vorm nog even dat dat wel raar is, maar dan is het zover. Gewoonlijk is zo’n proces wel wat gecompliceerder.

    Alles wordt uitvoerig uitgelegd

    Het lijkt of deze roman in zijn geheel een haastklus was. Niet alleen van de auteur, ook van de redacteur. Want wat is nu eigenlijk de essentie van het boek? De aftakeling van een patiënt met jongdementie, de invloed die dat heeft op de omgeving van een patiënt, hoe zielig het is voor Sil of hoe zielig voor Lina, gaat het eigenlijk over taal? Het blijft onduidelijk. Het is van alles wat, Van Marissing maakt geen keuzes. Dat is jammer, want met een kern had het boek aan kracht gewonnen.

    En dan wordt er ook nog het ene cliché aan de andere geregen. ‘Wat je niet ziet bestaat niet en ruik je ook niet.’ Elke emotie wordt benoemd, elke zucht verteld. Elke ontroering, onzekerheid wordt uitvoerig beschreven en uitgelegd. Alsof over wat deze ziekte is niet alleen informatie moet worden gegeven maar ook nog eens de zieligheid moet worden benadrukt. Al die uitvoerigheid leidt niet tot meeleven en meevoelen. Het blijft buitenkant wat de lezer ervaart.

    Hoezo is deze roman schrijnend en ontroerend, hoezo wordt de taal onderzocht als de betekenis hapert, hoezo ontstaat tederheid? (Dixit de achterflap.) Wat er ontstaat is heel veel irritatie en woede bij de omgeving van Sil (en begrijpelijk), en ook bij de lezer. Een kritische redacteur had hier veel goed werk kunnen en moeten doen. Van Marissing heeft in eerdere boeken laten zien dat ze prima dialogen kan schrijven. Die vaardigheid toont ze in dit boek niet: elk gesprekje zonder inhoud of betekenis wordt volledig uitgeschreven. Veel (lange) zinnen zijn bovendien moeizaam geformuleerd, met veel herhalingen van dezelfde woorden in een zin. Ook hier had een redacteur moeten ingrijpen.

    Hoofdpersonage blijft op afstand

    Als een ding duidelijk wordt, is het dat Alzheimer op jonge leeftijd lastig, ingrijpend en heel erg is, en dan ook en vooral voor de omgeving, blijkt uit deze roman. Helaas blijft het personage Sil op afstand, kleurloos; haar omgeving heeft het zwaar, heel zwaar en dat wordt goed duidelijk gemaakt. Dat had ook op een andere manier vormgegeven kunnen worden. Van Marissing hinkt teveel op meerdere gedachten. Bernlefs boek Hersenschimmen blijft wat betreft het inleven en voelbaar maken van wat een patiënt doormaakt als dementie toeslaat met kop en schouders boven Gelukkige dagen uitsteken.

     

     

  • Wat is het niets?

    Als twee iconen uit de boekenwereld de handen in elkaar slaan, dan moet het wel vuurwerk geven. Toon Tellegen is niet weg te slaan uit de bestsellerlijsten. Zijn dierenverhalen worden door jong en oud gesmaakt en hij ontving dan ook helemaal terecht tal van prijzen voor zijn hele oeuvre, zoals de Woutertje Pieterse Prijs, de Gouden Uil, de Gouden Griffel  en ga zo maar door. Zijn werk wordt overigens over de hele wereld vertaald en gelezen. Illustrator Thé Tjong-Khing mag zich gerust naast Tellegen plaatsen. Ook zijn werk is veel gelauwerd met tal van prijzen zoals de Woutertje Pieterse Prijs, maar eveneens de Max Velthuijsprijs en drie Gouden Penselen. Hem kennen we natuurlijk van de vele illustraties van Vos en Haas. Het was dus uitkijken naar het verschijnen van Waar gaan we eigenlijk heen, een samenwerking van beide grootheden.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Ingenieus gecomponeerde briefroman over de macht van de verbeelding

    Er is weer eens een briefroman geschreven! In De schim van Raamswolde, het debuut van Alexander Baneman, lezen we de brieven die correspondentieschaker Allard van Benniq Methorst gedurende ruim een jaar naar verschillende mensen verstuurt of niet verstuurt. Halverwege de achttiende eeuw zorgde Samuel Richardsons briefroman Pamela or Virtue Rewarded (1740) voor een Pamelamania die in Engeland en continentaal Europa tot een hausse aan imitaties, vertalingen (van vertalingen), schilderijen, toneelstukken en opera’s leidde.

    Decennialang was het genre dominant en zagen talloze briefromans het licht, zoals de klassiekers Les liaisons dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos en Die Leiden des jungen Werthers van Goethe. In Nederland is Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken, onlangs fenomenaal hertaald door Tonnus Oosterhoff, verreweg de beroemdste briefroman. En allemaal gaan ze over jonge vrouwen die belaagd worden door mannen, over deugd, seks, liefde, huwelijk en de balans tussen hoofd en hart. Aan het eind van de achttiende eeuw is het genre over zijn hoogtepunt heen

    Voor hedendaagse schrijvers spreekt de keuze voor de briefvorm minder vanzelf. Veel moderne briefromans hebben een historische invalshoek: ze zijn ofwel gesitueerd in een verleden waarin de brief nog een belangrijk communicatiemiddel was of ze refereren aan briefromans van weleer, zoals De Daal-en-Bergse brieven van Hella Haasse, waarin de 20ste-eeuwse hoofdpersoon met Madame de Merteuil uit Les liaisons dangereuses correspondeert. Een andere legitimatie van de briefvorm is de functie van de brief als egodocument, als therapeutische uitlaatklep, zoals in de briefromans van Gerard Reve.

    De schim van Raamswolde combineert op eigen wijze beide invalshoeken: de roman speelt zich af in 1987 – niet lang voordat de brief plaatsmaakt mail en chat. De 45-jarige Allard van Benniq Methorst houdt uitsluitend per brief contact met de buitenwereld, omdat hij zijn huis niet uit durft. Hij schrijft brieven om boodschappen te bestellen, om schaakzetten door te geven, maar vooral om zijn gedachten over zichzelf kwijt te kunnen. Hiermee markeert de roman enerzijds het einde van een tijdperk van de persoonlijke brief als communicatiemiddel, anderzijds doet de roman, hoewel niet autobiografisch, denken aan therapeutische ego-literatuur. Dit wordt onderstreept door het feit dat we alleen Allards brieven te lezen krijgen.  

    Vivisectie

    Baneman maakt het zichzelf niet makkelijk. Omdat de hoofdpersoon een kluizenaarsbestaan leidt, levert het vertelheden nauwelijks spannende gebeurtenissen op. De roman moet gedragen worden door Allards bespiegelingen en herinneringen. En dat lukt ruimschoots. Het is een plezier om deze man steeds beter te leren kennen omdat hij een sympathiek, intelligent en aandoenlijk mens is van wie je graag een brief ontvangt. Hij heeft altijd wel iets interessants weet te melden en heeft oog voor het wel en wee van de ander. Zonder zelfmedelijden legt hij zichzelf op de ontleedtafel om als een patholoog-anatoom zichzelf en de oorzaken van zijn angststoornis te analyseren.

    De roman krijgt structuur doordat Allard dit systematisch doet. Zoals hij tijdens het correspondentieschaken meerdere partijen naast elkaar speelt die zich elk op hun unieke manier ontvouwen, zo beschouwt hij in elke briefwisseling een ander aspect van zichzelf.

    Met Trudy de Klerk, een vrouw die hij nooit heeft ontmoet maar heeft leren kennen omdat ze ooit het verkeerde nummer draaide, schrijft hij over zijn liefdeloze jeugd. Zij heeft namelijk ook een getroebleerde relatie met haar vader. Die brieven zijn ontroerend door de trefzekere typering van zijn kille, liefdeloze vader én omdat Allard ondanks zijn asociale leefwijze oog heeft voor Trudy’s leed en haar probeert te troosten, zich regelmatig verontschuldigend voor zijn onhandigheid. Baneman gebruikt briefconventies als de afsluiting effectief om de emotionele gesteldheid van Allard te onderstrepen, wanneer hij Trudy over de dood van zijn vader schrijft: ‘Volgende keer meer, het grijpt mij nu te veel aan’. 

    In de brieven aan Leopold Weijzer, een oude schaakvriend, wordt de aanhef effectief ingezet om de wisselende waardering voor zijn vriend uit te drukken: ‘Waarde wurgslang’, ‘Grote schoft’ of ‘Beste Lop’ maken Leopold en de lezer meteen duidelijk hoe de vlag erbij hangt. De rode draad in deze brieven wordt gevormd door Allards angststoornis die hij nu eens verdedigt als verstandig (de man die haaien rond zijn boot ziet zwemmen, besluit toch ook niet te gaan zwemmen), dan weer afkeurt als bron van praktisch, geestelijk ongemak.  

    In de correspondentie met Daniël Wolvecamp, de twaalfjarige domineeszoon uit het dorp, staat Allards liefde voor het schaken centraal. In uitgesproken filosofische verhandelingen (‘Misschien is dit wat lastig te begrijpen voor een jongen van 12’) zet hij de relatie tussen schaken, het onderbewuste en de kunst uiteen. Net als in de andere brieven en in een schaakpartij probeert hij zich in te leven in Daniël, geeft hem leestips en adviseert over de omgang met zijn religieuze vader, wat de serieuze bespiegelingen een komische toets geeft. 

    Met Dagmar Slotvoogd, die ooit een half jaar bij hem inwoonde, is de liefde het belangrijkste thema. Deze brieven hebben een uitermate romantisch karakter: verlangen, verlies, naïviteit en onvermogen geven de brieven kleur, versterkt door het feit dat Allard Dagmars adres niet heeft. En ten slotte probeert Allard in de brieven aan gemeenteambtenaar Den Andel steeds wanhopiger de dreigende onteigening van zijn huis te voorkomen. Hij is de onpeilbare, machtige en onberekenbare tegenstander die vanuit het duister opereert.  

    Verbeelding

    De verschillende briefwisselingen zijn met elkaar verbonden door het belangrijkste overkoepelende thema van het boek: de verbeelding die als `een laagje van glanzende schellak’ over de werkelijkheid ligt. Filosofisch als Allard is, ontvouwt hij zowel de positieve als de negatieve kanten van de verbeelding.

    Enerzijds is de verbeelding een manier om controle te houden. Producten van de verbeelding zoals kunstwerken kunnen daarvoor zorgen. ‘Schaken verhoudt zich tot oorlog als een speelfilm of een boek zich tot het ware leven verhoudt’, stelt Allard. De schaker wil de buitenwereld ‘opeten en verwerken tot iets wat, ja iets wat – tot wat? – laat ik zeggen tot iets wat acceptabel is. De buitenwereld mag niet bestaan, mag alleen onderdeel van het zelf uitmaken. Anders wordt het gevaarlijk en onberekenbaar. De scalp van een tegenstander aan het bord in je ransel is een stuk buitenwereld dat je opgegeten hebt’. 

    In een brief aan Trudy verwijst Allard naar de novelle Kurgast van Herman Hesse die hem geleerd heeft hoe verbeelding gebruikt kan worden om ergernis over een persoon – bij Hesse een Nederlandse gast, bij Allard zijn vader- om te buigen in positieve waardering door die allerlei meelijwekkende ervaringen en tragische omstandigheden toe te dichten. Dit werkt echter alleen wanneer zijn vader er niet is.

    De positieve kanten van de verbeelding delven het onderspit tegen de negatieve kanten. ‘Angst en verbeelding hebben een slepend huwelijk’, stelt hij in een brief aan Dagmar, waarbij hij zijn vermoeden uitspreekt dat de angsten in zijn onderbewuste de verbeelding versterken. Hij beschrijft in een andere brief hoe hij als achtjarige zijn reflectie in een etalage zag, wat hem tot de gedachte bracht dat hij niet echt bestond; hij was slechts verbeelding. Een inzicht dat hem letterlijk aan het wankelen bracht, waardoor hij zich bijna voor een auto wierp, om voor zichzelf zijn bestaan te bewijzen.

    Het is de lezer echter duidelijk dat de verbeelding ook de angst voedt. Zo neemt Methorsts angstgegner, de Russische topschaker Tsjacharin, in zijn verbeelding zulke groteske vormen aan dat hij de partij moet staken en – nog erger – dat alle volgende tegenstanders in Tsjacharin veranderen. Ook zijn angst om naar buiten te gaan samen wordt gevoed door de verbeelding: buiten is er nou eenmaal meer gevaar denkbaar dan binnen.

    Hoewel het einde wat geforceerd en ongeloofwaardig aandoet, is het fijn om in 2024 zo’n aardige, intelligente en aandoenlijke man uit 1987 te leren kennen die zijn best doet zich zorgvuldig uit te drukken, en even prettig ouderwets overkomt als de vorm waarin hij schrijft. Dat is wat literatuur vermag: een fictief verleden overtuigend tot leven te brengen en ons te herinneren aan het verleden zoals dat ooit echt was. De Nederlandse literatuur is een fijne, intelligente briefroman rijker. 

     

  • Wie ben ik?

    In Zing voor me morgen stelt Deniz Kuypers opnieuw zijn familieachtergrond centraal. Draait het in het vorige boek, De atlas van overal, om zijn Turkse vader, in Zing voor me morgen duikt Kuypers dieper zijn Nederlandse verleden in en tracht hij de achtergrond van zijn moeder, Lucia, te ontrafelen.
    Het veel geroemde De atlas van overal heeft geleid tot een breuk met zijn ouders. In dat boek komt zijn vader er niet zo goed vanaf. Zijn vader is als buitenlandse werknemer naar Nederland gekomen waar hij genoodzaakt is werk te verrichten ver onder zijn niveau. In Nederland is hij getrouwd met Lucia, bij wie hij twee kinderen heeft. Daarnaast onderhoudt hij een gezin in Turkije, waar hij regelmatig heen gaat. Lucia weet hiervan. Dit gespleten leven leidt ertoe dat zijn vader zich eigenlijk nergens thuis voelt. Dit veroorzaakt veel ruzie en geweld in het gezin.

    De atlas van overal heeft voor veel ophef gezorgd binnen de Turkse gemeenschap van zijn vader. Zijn vader is erop aangesproken. Het wordt in die kring gezien als een boek waarin de vuile was van de familie wordt buiten gehangen, waardoor de hele gemeenschap besmet raakt.

    In Zing voor me morgen opent Kuypers met een compilatie van de correspondentie die hij met zijn moeder heeft gevoerd over zijn vorige boek. Zijn moeder biedt haar excuses aan voor wat zich allemaal in het gezin heeft afgespeeld en erkent dat er veel dingen zijn misgegaan in zijn jeugd. Zij verontschuldigt zich daarvoor met een verwijzing naar haar eigen kinderjaren. Daarnaast wijst zij op de overeenkomst tussen zijn eigen leven en het leven van zijn vader. Beiden zijn immigranten in een ander land. Zijn vader vanuit Turkije in Nederland en hij vanuit Nederland in Amerika. Dit heeft Deniz Kuypers geïnspireerd tot het schrijven van Zing voor me morgen.

    Graven in het verleden

    Kuypers gaat op zoek naar gegevens over het leven van zijn overgrootmoeder Levina, zijn oma Nel en zijn moeder Lucia. Hij duikt daarvoor in de archieven, zoekt contact met familieleden en doet onderzoek op locatie. Daar waar de feiten verborgen blijven in de schoot van het verleden, permitteert Kuypers zich de vrijheid hier op eigen wijze invulling aan te geven en, omdat hij zeer beeldend kan schrijven, levert dit een meeslepende zoektocht op. Hij ontdekt een patroon in de levens van de drie vrouwen. Alle drie zijn ze ongewenst zwanger geraakt van een man die al een ander gezin blijkt te hebben.

    In het eerste hoofdstuk laat Kuypers je meeleven met de strijd die Levina moet voeren om zich als alleenstaande moeder overeind te houden in het leven aan het begin van de twintigste eeuw, zonder sociale wetgeving en afhankelijk van de almacht van de kerk. Geheel in de beste traditie van de sociale roman uit die tijd beschrijft Kuypers hoe Levina, uitgekotst door haar familie, ten einde raad aanklopt met haar dikke buik bij Beth Palet, een kerkelijke stichting voor de opvang van ‘gevallen vrouwen’, op de Prinsengracht in Amsterdam. Als zij daar, na haar bevalling, besluit weg te gaan, laat zij haar zoontje Jan achter in het tehuis. Om de pijn van het afscheid te verlichten heeft Levina ervoor gezorgd zich niet te veel aan haar zoontje te hechten. Zij kan op dat moment niet voor hem zorgen. Later, als het haar beter gaat, wil zij hem ophalen. Omdat zij gehoord heeft dat kinderen in Beth Palet regelmatig verwisseld of weggegeven worden, heeft zij, in haar wanhoop, de baby met een keukenmes gestoken in zijn hiel. Aan het litteken dat hij hieraan overhoudt hoopt zij hem later te kunnen herkennen.

    In het tweede hoofdstuk staat oma Nel centraal. Haar leven speelt zich af in de tijd vlak vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Nel heeft zich ontwikkeld tot een sterke, onverzettelijke vrouw, die, na de nodige tegenslagen in haar leven, heeft besloten haar eigen boontjes te doppen. Zij heeft geleerd zich niet primair door haar gevoelens te laten leiden.

    Van historicus naar socioloog en psycholoog

    Als Kuypers in de eerste twee hoofdstukken vooral als betrokken onderzoeker naar voren komt, is dat in het derde deel veel minder het geval. Daarin gaat het om zijn eigen relatie met zijn moeder. De toon is persoonlijker en emotioneler. Dit deel heeft een bespiegelend karakter. Hij reflecteert op het leven van zijn moeder en daarbij ook op dat van zijn vader. Hoe moet hij zich verhouden tot deze mensen, en misschien nog veel belangrijker, hoe moet hij zich verhouden tot zichzelf, tot zijn eigen verbroken relatie in Amerika? Het zijn existentiële problemen waarmee iedere immigrant worstelt. Deniz Kuypers maakt duidelijk dat er achter deze persoonlijke vragen ook meer algemene vraagstukken schuilgaan van vooral culturele aard die betrekking hebben op de machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen. Prachtig is zijn reflectie op de vraag of het beeld dat hij heeft van zijn moeder, waarin zij zich totaal niet herkent, eigenlijk niet meer is dan een projectie van hemzelf.

    Een prachtig boek

    Deniz Kuypers heeft een prachtig boek geschreven vanuit een zeer persoonlijk invalshoek. Je ziet hem wandelen over de grachten en aanbellen op de adressen waar Levina en Nel hebben gewoond. Je ziet hem zitten in Beth Palet, terwijl hij zich tracht te verplaatsen in de gevoelswereld van Levina. Je ziet hem snuffelen in de archieven op zoek naar informatie over Levina en Nel. Door het professionele karakter van zijn zoektocht creëert hij ook de nodige distantie. Het leesgenot wordt tenslotte nog versterkt door het historische decor waartegen zijn zoektocht zich afspeelt.

     

     

  • ‘Zeg maar dat het geen visstick is’

    Is Mirthe van Doornik net als haar protagonist een goede kok omdat ze in haar recente boek Een tafel bij het raam (Prometheus, 2023) maaltijdbereidingen beschrijft waarbij het water je in de mond loopt? Een goede schrijver is ze in ieder geval wel en een zeldzame bovendien. Zoals van sommige cabaretiers wordt gezegd dat ze de lach aan hun kont hebben hangen, zo kleeft bij Van Doornik die lach aan haar pen.

    Van Doornik laat elke scène met de kok Alp in het honderd lopen, onder meer door voortdurend incompetente mensen op te voeren. De eigenaar van het restaurant is een egocentrische sukkel die per se wil dat Alp de recepten van zijn overleden moeder gebruikt, zonder dat de kok daar een millimeter vanaf mag wijken.

    Dieren in de keuken

    In de bediening werkt een jongen (steeds uitsluitend als zodanig aangegeven: de jongen) die zich verzet tegen het bereiden van dode dieren in de keuken en in het restaurant zelfs geld probeert in te zamelen voor het behoud van de egel. Een gevonden schildpad die in winterslaap hoort te zijn, bewaart de jongen in de koelkast, de hysterisch hygiënische kok tot wanhoop drijvend. De afwashulp weigert af te wassen en een jongen met afstand tot de arbeidsmarkt (door de kok Umami genoemd) leert weliswaar tot vijf tellen, maar kan uiteindelijk niet omgaan met de stress die de kok om zich heen verspreidt.

    Ook de kok zelf laat steeds meer steken vallen. Hij zet mensen het restaurant uit omdat ze hun eigen glazen hebben meegenomen, omdat ze een enorme hond ‘als een aangeschoten haas’ naast de tafel laten liggen of omdat ze weigeren een perfect bereide artisjok te eten. Het liefst voert hij bovendien een kinderverbod in als hem wordt gevraagd de kop van een prachtig gebrade dorade af te snijden omdat een aanstellerig meisje het dode oog eng vindt. ‘Zeg maar tegen haar dat het geen visstick is,’ gebiedt hij de jongen. Maar dan gaat hij er toch zelf op af en ontspoort ook deze scène schitterend.

    Zijn ouders zijn helemaal van de pot gerukt, misschien omdat ze – zoals Van Doornik schrijft – zich er al mee hadden verzoend dat ze geen kinderen konden krijgen en hun zoon ze had laten schrikken door opeens het tegendeel te bewijzen. Moeder stuurt elke thuishulp weg. Ze klaagt en moppert over het eten dat de kok regelmatig bij zijn ouders op de stoep zet, zonder binnen te komen. Haar grootste wens is een traplift. Vader, steeds Hennie genoemd en net zo egocentrisch als moeder, valt zijn zoon voortdurend lastig met weerberichten.

    Reiger

    De dosering van al het gedoe is misschien wat uit proportie. Het gaat maar door. De kok draait zich langzaam vast in een niet aflatende stroom ellende. Om in de stijl van het boek te blijven, het bord is misschien iets te vol. Maar daar staat tegenover dat Van Doornik bijna achteloos blijft strooien met prachtige metaforen, schitterende observaties en heerlijke aforismen. ‘Een reiger tuurde in het water zoals oude mannetjes in bouwputten kijken.’ ‘Niet het gebrek aan vrijheid maakt mensen gek, maar de behoefte aan privacy.’ En in een telefoongesprek: ‘”Dat is het probleem met gekken,” zei mijn moeder toen ik haar weer naar mijn oor bracht. “Ze lijken niet heel erg gek als je ze leert kennen, ze gaan gewoon langzaam steeds gekker doen.”’ Deze moederlijke uitspraak correspondeert fraai met een observatie aan het begin van het boek, als het buiten maar niet wil afkoelen: ‘Waar het op neerkwam was dat we langzaam werden gekookt tot alle gekte vanzelf zou komen bovendrijven.’

    Tafeltje

    Feitelijk zijn dit voorspellingen die van toepassing zijn op de ontwikkeling van de geestelijke gesteldheid van de kok. Zo zitten er meer van die naar elkaar verwijzende pareltjes in het boek. De kok vergelijkt een restaurant bijvoorbeeld met een schip: ‘zodra het afvaart, kun je het niet meer verlaten.’ En als het tegen het eind compleet uit de hand loopt: ‘Wind zal een zeilschip niet doen omslaan, het zijn brekende golven waarvoor je moet oppassen.’ Het is alsof Van Doornik zelf aan een tafeltje bij het raam heeft gezeten terwijl ze deze kok observeerde. Regelmatig zoomt ze dan ook uit, laat ze Alp over zichzelf in de derde persoonsvorm nadenken en ziet hij zichzelf aan het eind van een hoofdstuk of paragraaf bijvoorbeeld als: ‘een kok met zijn mond open, zijn ledematen zo strak aangeschroefd dat hij er nauwelijks nog beweging in kreeg.’

     

  • Wijze én berekenende aforismen

    Veel mensen zullen de naam Baltasar Gracián y Morales (1601-1659) niet kennen. Toch heeft het denken van deze vrijdenkende, Spaanse jezuïet veel invloed gehad. Hij wordt wel ‘de Machiavelli for the good guys’ genoemd. De manipulatie en misleiding van Machiavelli zijn bij hem vervangen door berekening, al heeft Tinneke Beeckman het beeld van Machiavelli onlangs genuanceerd in haar boek Machiavelli’s lef. Omgekeerd zitten er aan het werk van Gracían misschien minder fraaie kantjes. Of, zoals Annemart Pilon, vertaler en bewerker van zijn ‘spreuken’ in De kunst van de voorzichtigheid in het voorwoord bij deze uitgave schrijft: ‘Gracián predikt deugdzaamheid, al is die misschien vermomd als schijnheiligheid (of is het juist andersom?)’. Is dit een vooroordeel tegenover jezuïeten (jezuïtisch schijnheilig)? Redenen temeer om het toegankelijke boek te lezen en erachter te komen.

    ‘Spreuken’ in twaalf thema’s

    Pilon heeft de driehonderd in 1647 door Gracián gepubliceerde ‘spreuken’ (ze schrijft dit telkens tussen aanhalingstekens), tot de kern teruggebracht of samengevoegd en in twaalf thema’s ondergebracht. Thema’s als Weten en denken, Jezelf en anderen kennen, Karakter en gedrag. Maar dat niet alleen. Deze uitgave is geïllustreerd door de Delftse kunstenaar Dirk van Dien die met gemengde technieken werkt. Sterker nog, de afbeeldingen die hij maakte na het lezen van Graciáns Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid in de vertaling van Theo Kars (1940-2015), uitgegeven in 1990 en in 2020 ongeïllustreerd herdrukt, vormde de aanleiding tot deze uitgave. Omdat Annemart Pilon gewijzigde titels gaf aan de ‘spreuken’, maakte Van Dien ook nieuw werk. Achterin het boek is een schets van het leven en werk van Van Dien opgenomen.

    Zijn stijl houdt het midden tussen Paul Klee en Picasso met niet-Westerse of islamitische elementen. Soms is het een woord in een ‘spreuk’ (‘Denk vooruit en gebruik je voorzichtigheid’) dat hem op het spoor van in dit geval Rodins beeld De denker zette. Of hij maakte collages met gebruik van postzegels en andere bestaande afbeeldingen. Heel concreet, zoals Graciáns werk dat ook is.

    Actualiteit en levenskunst

    Graciáns denken blijkt nog steeds actueel. Hij beveelt bijvoorbeeld aan om tegenover bronnen een kritische houding aan te nemen. En iedereen kan in deze tijd van gekleurde, eenzijdige of onware berichtgeving waarop geen dubbele controle heeft plaatsgevonden, talrijke voorbeelden van fake nieuws noemen.
    Er zitten tussen de ‘spreuken’ echter ook denkbeelden waar we nu niet meer zo achter kunnen staan, zoals in het hoofdstuk ‘Uitblinken’: ‘Hoogstaande bezigheden [leiden] tot roem’. Meer in de lijn van levenskunst ligt een opvatting die ook Nietzsche in Graciáns voetsporen ontwikkelde: werken aan je persoonlijkheid tot je een afgerond mens bent, een mens zoals we eigenlijk bedoeld zijn. Dat de term Übermensch door toedoen van Hitler een andere invulling kreeg, is niet aan Nietzsche te wijten.

    Een andere denker waar de ideeën van Gracián af en toe aan doen denken, is Spinoza. Beiden hebben het over voorzichtigheid (caute bij Spinoza), innerlijke rust (‘een groot geluk op de wereld’ schrijft Gracián) en ‘hevige emoties [die] de rede verjagen’. Spinoza zei het hem na in het derde deel van zijn Ethica.

    Er zit iets van een streber in het denken van Gracián, maar we herkennen ook de wijze denker in hem bij de trits translatio (vertalen) – imitatio (navolgen) – aemulatio (overtreffen) wanneer hij schrijft: ‘Kies je grote voorbeelden en probeer hem of haar [dat laatste zal een toevoeging van Pilon zijn neem ik aan, EvS] juist voorbij te streven’ (aemulatio). En stop daarmee op het juiste moment, op je hoogtepunt. Net zoals je ook je kwetsbaarheid moet durven laten zien en dan hopen dat naasten en vrienden er voor je zijn.

    Gracián vindt aan de andere kant weer wel dat alle begin onvolmaakt is en dat je dat dan niet moet laten zien, want dan ‘blijven de onvolkomenheden ervan in iemands hoofd zitten’. Daar staat een hedendaagse opvatting over bijvoorbeeld het jeugdwerk van Vincent van Gogh tegenover. Daarin zie je behalve inderdaad nog onvolkomenheden, óók al de kracht van de schilder die zich inspant om er binnen zijn mogelijkheden van dat moment het beste van te maken. Dat mag best worden gezien.

    Karakter en gedrag

    Een mooi onderdeel van het boek is ‘Karakter en gedrag’, zowel tekstueel als qua verscheidenheid aan afbeeldingen. Bijvoorbeeld de ‘spreuk’ over integriteit: ‘Je eigen geweten moet zwaarder wegen dan het oordeel van anderen’. Deze gaat vergezeld van een afbeelding met een kern, omringd door allemaal vissen die dezelfde kant op zwemmen. De ‘spreuk’ over halsstarrigheid wordt verbeeld door een man met een lange nek, omzwachteld door een touw. En een over een gezond karakter door een wybertjesvorm met daarin twee portretten uit de oudheid. Raak gekozen, want was Sophocles al niet de filosoof die wist dat je je in korte zinnen moet uitdrukken, zoals Gracián zelf ook doet?

    De vraag die nog rest is: hoe reageren hedendaagse jezuïeten zelf op het werk van Baltasar Gracián? De bekende Vlaamse jezuïet en internetpastor Nikolaas Sintobin schreef naar aanleiding van de eerdere vertaling door Theo Kars dat veel aforismen (een beter woord dan ‘spreuken’, al dan niet tussen aanhalingstekens) ‘getuigen van grote mensenkennis en wijsheid. Vele andere kunnen schokken door hun cynisme en opportunisme.’ Na lezing van deze mooie, nieuwe gebonden uitgave met leeslint kun je niet anders dan dit beamen.

     

  • Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    In een interview met de Volkskrant zei Nuri Bilge Ceylan, regisseur van de Turkse film About Dry Grasses, onlangs: ‘Het verhaal van de film is voor mij ook niet zo belangrijk. Het gaat meer om wat interessante momenten, waarin ik dan de worsteling van de personages kan vatten.’ Dit had ook gezegd kunnen zijn door de Amerikaanse schrijver Sam Shepard, en dan over zijn boek Een dag als geen ander (oorspronkelijke titel Day out of days, vertaald door Gerrit Brand). Ook hier is geen sprake van een ‘verhaal’. 

    Hoewel dit een verhalenbundel is, zijn er maar een paar verhalen met iets van een samenhangend plot. Inderdaad, het zijn veel meer een verzameling ‘interessante momenten’ – literaire snapshots van wat in een van de teksten ‘de Amerikaanse verlorenheid’ wordt genoemd. Als er iets is wat de verhalen in Een dag als geen ander bindt, dan is dat de beschrijving van het grimmige, wanhopige leven aan de rand van de Amerikaanse samenleving. Of wie weet is het juist het leven in de kern van die complexe, worstelende, uit elkaar vallende maatschappij.

    Toneelschrijver Sam Shepard (1943-2017) kreeg in 1979 de Pulitzer Prijs voor Buried Child. Daarnaast was hij scenarioschrijver, regisseur en acteur en schreef twee romans en vier verhalenbundels. Een dag als geen ander is de laatste daarvan. Shepards verwevenheid met toneel en film verloochent zich in deze bundel bepaalt niet. Veel teksten, meestal maar een of twee pagina’s, lijken wel bedoeld als schetsen voor filmscènes.

    Soms ook zien we dialogen in korte zinnen, die zó een fragment van een toneeltekst zouden kunnen zijn. Dan weer hele reeksen korte observaties, zoals in het eerste verhaal (‘Keuken’), dat voornamelijk bestaat uit de beschrijving van alles wat er in die keuken aan foto’s en ander beeldmateriaal te zien is, ‘gewoon willekeurig vastgepind aan kasten en deurposten, zijdelings wegglijdend’. Sommige verhalen gaan expliciet over filmische thema’s, zoals het leven van een acteur die ‘wat laatste opnames’ moet maken voor een film ‘waarvan hij zelfs de titel niet meer weet’ en een ik-figuur die ‘weer een militair’ moet spelen, ‘die ik niet ben en nooit zal zijn’. 

    Identiteit

    Daarmee is een ander overkoepelend thema in deze verhalenbundel aangestipt: de zoektocht naar identiteit. Een kwestie die uiteraard essentieel is in de wereld van film en toneel, waarin de grens tussen speler en gespeelde dikwijls diffuus is. Opvallend vaak gaat het in deze bundel over onthoofdingen, ‘het soort scheiding dat ons het meest beangstigt – ons hoofd verliezen’, en het villen van de gezichtshuid, ‘zodra je het gezicht van het lichaam scheidt en het plat op een formica toonbank legt, is het helemaal niet meer hetzelfde’. Soms ook zit de dualistische identiteit in de persoon zelf, zoals in het verhaal Costello. Daarin keert de ik-figuur na vijfenveertig jaar terug naar zijn geboortestad, en heeft meteen spijt. ‘Waarom zou iemand vrijwillig een wandeling maken door zijn verre verleden, anders dan [om] het geheugen van een lang verloren tegenhanger te kwellen?’

    Vervolgens komt er een intrigerend spel met en over identiteit, via een gesprek over vroeger waarin een van de gesprekspartners de ander niet herkent als zijn grote jeugdvriend, en intussen wel heroïsche anekdotes over hem opdist. In een van de laatste verhalen gaat het over iemand die na een hartaanval een ander mens is. ‘Hij kon zijn ommezwaai nauwelijks geloven. (…) Hoe hij plotseling zijn heiligste obsessies kon opgeven, hele aspecten van zijn karakter die hij als onveranderlijk had beschouwd.’ 

    De beste onderdelen van Een dag als geen ander zijn de langere verhalen (vijf tot tien pagina’s), geordend als een soort roadtrip, met titels vernoemd naar de plaats van actie of van herkomst. Deze zijn vlot, soms zelfs meeslepend geschreven, en doen denken aan Kerouacs On the road, waarnaar ook een keer letterlijk verwezen wordt. Ze gaan over het leven over de highways, op motelkamers en in stacaravans. Drank, drugs, overspel en verdwalen in een loeiende storm. Plaatsnamen als Tucumcari, Baton Rouge, Calexico en Texarcana. De zinnen zijn vaak kort, af en toe bijtend. De enscenering wordt krachtig gevisualiseerd.

    Sterke beeldendenker

    Als film- en theaterman is Shepard kennelijk geneigd sterk in beelden te denken: ‘Ik maak geen geheim van mijn obsessie tot observeren.’ Verder bestaat de bundel uit een groot aantal kortere teksten, die lang niet altijd als ‘verhalen’ zijn te beschouwen. Laten we ze ‘aantekeningen’ noemen. Aan een aantal daarvan is geen touw vast te knopen. Een voorbeeld daarvan is Alpine, Texas (Highway 90), dat bestaat uit drie pagina’s korte zinnen, soms van maar één woord, zonder enig onderling verband. Of het moet de verbeelding van een onnavolgbare, stream-of-consciousness-achtige koortsdroom zijn. Hoe dan ook, afwisseling en vervreemding genoeg in deze gedurfde verhalenbundel. Het is beslist geen doorsneeboek en de uitgever en vertaler verdienen waardering voor het toegankelijk maken ervan voor de Nederlandse liefhebber. 

    Aandacht voor de taal

    Toch is er een minpunt. Soms staan er lelijke zinnen, wat nog onder ‘smaken verschillen’ kan vallen, zoals: ‘We reden toen we eindelijk terugkeerden in stilte van het vliegveld van St. Paul naar huis.’ Maar er zijn ook ontsporende zinnen. ‘En dat deze snijbloemen in L.A. veel geld opbrachten, nadat ze ’s nachts die lange weg met de trein door de Santana wind waren gereden, in pikzwarte goederenwagons, die in de ochtenddauw door Mexicaanse verkopers werden geopend om vervolgens te worden verkocht voor de schaduwrijke patio’s van de superrijke Wrigleys en Richfields.’ Laakbaar wordt het als woorden verkeerd vertaald zijn. ‘Artificial eyes’ zijn ‘kunstogen’ en niet ‘artificiële ogen’. We zeggen ‘ambulancepersoneel’, en niet ‘paramedici’. En een ‘fireman’ op een stoomlocomotief heet in het Nederlands geen ‘brandweerman’, maar ‘stoker’. Dat is zonde. Dit bijzondere boek had meer aandacht voor de taal verdiend. 

     

     

  • Een ode aan de verbeeldingskracht

    Baumgartner van Paul Auster begint alledaags, maar wordt gaandeweg bevreemdend. Op een dag in de lente van 2018 laat Seymour (Sy) Baumgartner, een 71-jarige weduwnaar, een aluminium eierpannetje droogkoken en brandt zijn hand. Hij wordt gebeld, denkt dat het zijn lastige zuster is, maar het blijkt de meteropnemer. Dan brengt Molly, de pakjesbezorger, hem een boek, en krijgt hij het dochtertje van de werkster aan de telefoon. Die vertelt dat haar vader in het ziekenhuis ligt en haar moeder niet kan komen. Vervolgens valt hij onprettig als hij de meteropnemer voorgaat op de wankele keldertrap. Zijn hoofd loopt om, of is het de ouderdom.

    Na vijfentwintig bladzijden weten we meer over hem. Hij is professor in de filosofie/fenomenologie aan Princeton, New Jersey en werkt aan een essay over de pseudoniemen van Kierkegaard. Onaardig is Baumgartner ook, hij verwenst de meteropnemer vanwege diens vermeende gezeur – en is eenzaam. Omwille van het contact met Molly de pakjesbezorger, bestelt hij telkens nieuwe boeken. Zijn eenzaamheid is het resultaat van jarenlange rouw. De aluminium pan is niet zonder betekenis, hij kocht hem veertig jaar geleden als straatarme student in een winkel waar hij voor het eerst Anna, zijn grote liefde, zag. Ze trouwden en leefden decennialang gelukkig tot zij negen zomers geleden tijdens het zwemmen in zee verdronk. Duidelijk is dat het om een echte Paul Auster gaat.

    Overeenkomsten

    Zo is Anna Blume bijvoorbeeld de hoofdpersoon in de roman In het land der laatste dingen (In the Country of Last Things, 1987), op zoek naar haar broer in een ver dystopisch land. In de roman, Maanpaleis (Moon Palace, 1989) blijkt zij de verdwenen vriendin van een medestudent van de hoofdpersoon. Overigens heeft Baumgartners Anna slechts de naam gemeen met de andere Anna. Bovendien lijkt het erop dat veel van Austers romanpersonages niet alleen dezelfde plaats- en tijdlijn hebben als de auteur, maar ook allerlei andere elementen met hem delen. Jeugd in New Jersey als kind van seculiere ouders uit de Joodse ‘middle class’ met een Oost-Europese migrantenachtergrond. Vader en moeder elk op hun eigen manier afstandelijk. Leven van de hand in de tand als student in Manhattan (en Parijs), trouwen met een vrouw die vertaler of schrijver is en wonen in Brooklyn. Soms is er een zuster en soms is er een zoon. Vaak is er sprake van honkbal.

    De overeenkomsten worden niet enkel ontleend aan interviews met Auster, maar ook aan diverse autobiografische teksten van hem, de meeste zijn verzameld in Groundwork (2013 – Levenswerk). Helemaal exact zijn ze nooit. Zo vertelt de roman 4 3 2 1 (2017) op vier alternatieve manieren het levensverhaal van Archie Ferguson, waarvan in elk universum wel elementen samenvallen met het leven van Auster. 

    Teksten van Anna Blume

    Al woont de oude Baumgartner in New Jersey en niet zoals de auteur in Brooklyn, zijn Anna Blume is wel vertaler en dichter. En wat voor een, er zijn twee autobiografische teksten van haar hand, een ontroerende beschrijving van een jeugdliefde die haar ontviel en een relaas over de nacht waarin Baumgartner haar ten huwelijk vroeg. Beide zijn zeer goed geschreven, net als haar gedicht ‘Lexicon’. Dit talent blijkt Baumgartner ook te bezitten. Zijn essays lezen we niet, maar wel het verhaal dat hij heeft geschreven over een bezoek in 2017 aan Stanislav, de geboorteplaats van zijn grootvader van moederskant, Auster in Oekraïne, tijdens een PEN-congres in Lviv. Hij vindt er weinig sporen, maar een dichter vertelt hem het verhaal over de honderden wolven die het lege stadje in 1944 bevolkten toen de Duitsers en de lokale bevolking waren vertrokken. Baumgartner heeft geen enkel bewijs voor het verhaal over de wolven kunnen vinden, maar blijft het belangrijk vinden.

    Eigen ervaringen worden fictie

    Er vindt een keerpunt in zijn eenzame bestaan plaats als hij gedroomd heeft dat Anna hem geruststellend toespreekt. Vanaf dat moment wil hij zijn leven weer in beweging zetten, onder meer door zijn minnares ten huwelijk te vragen. Dat wordt niets. Auster laat haar letterlijk van het toneel verdwijnen en neemt de geschiedenis van Baumgartner pas na een jaar weer op.

    Intussen is de lezer door de stroom van herinneringen aan zijn vader en moeder, veel te weten gekomen over Baumgartners jeugd en achtergrond van zijn familie. Daarnaast zijn er indringende ervaringen die hij nooit vergeet. In twee gevallen gaat het om het gedrag van een kind in de trein. Aan het einde van de roman duikt er een lichtpuntje op in Baumgartners leven. Had hij als eerste poging tot rouwverwerking een bloemlezing van Anna’s poëzie gemaakt en uitgegeven, nu dient zich een jonge promovenda aan die ook ongepubliceerd werk van haar bij het onderzoek wil betrekken. Hoe de ‘Saga’ van S.T. Baumgartner afloopt, vertelt de roman niet.

    Baumgartner is een ode aan de verbeeldingskracht, juist door de manier waarop Austers eigen ervaringen veranderen in fictie. Uit recente interviews weten we dat hij zo ziek is dat hij al een jaar niet meer heeft geschreven. Maar ook dat hij voor de verhalen over kinderen in de trein en de wolven in Oekraïne uit eigen ervaring putte. Zwanenzang is een afschuwelijk woord.

     

     

  • Klein leed onder een vergrootglas

    De drie novelles in Winterverhalen van de Noorse Ingvild H. Rishøi (1978) hebben eenzelfde thematiek. Jonge volwassenen staan in een winterse wereld op straat, zonder geld, zonder toekomst en met de zorg voor kinderen. Schrijnend en ontroerend, maar hoopvol, want de hoofdpersonages worden steeds op het dieptepunt van hun situatie gered door een welwillende voorbijganger.

    Een prachtige en sterke thematiek, die mooi aansluit bij de kerstgedachte. In We kunnen niet iedereen helpen probeert een jonge moeder met haar dochtertje, Alexa, thuis te komen. Het is ijzig koud en het regent. Ze moeten lopend naar huis, want ze heeft net niet genoeg geld voor de bus. Wanneer haar vijfjarig dochtertje in haar broek plast, ontstaat een dilemma. Ze moet een droge onderbroek voor haar kopen, bovendien wil Alexa wat geven aan een dakloze man. ‘Hij heeft een hoody aan. Hij glimlacht. “Ik had nog wat kleingeld,” zeg ik. Ik pak mijn portemonnee en rits hem open. Achter ons begint een sirene te loeien, Alexa legt haar handen over haar oren. Dan stopt de sirene en Alexa laat haar handen zakken en ik laat de munt vallen. Dan zie ik wat voor munt het is. Maar het is te laat. Het is een munt van twintig kronen. Ik wilde er één van tien geven. Nu is het te laat.’

    Met de moed der wanhoop stapt de moeder even later met haar dochtertje een winkel binnen om van haar allerlaatste geld een onderbroek te kopen. In het pashokje, terwijl ze hannest met de onderbroek en haar dochter, trekt de wereld van haar leven in haar gedachten voorbij. De onverantwoordelijke vader van het kind, het moeizame opvoeden, en de troostrijke onbevangenheid van Alexa. In die gedachtestroom komt de hopeloosheid van haar situatie tot uiting en staat de redding van die dag achter het gordijn.

    Een vader voor zijn zoon

    De goede Thomas beschrijft de moeizame situatie van Thomas, die net vrij is uit de gevangenis. Hij wil een kussen kopen voor zijn zoontje, Leon, hoewel hij eigenlijk niet weet hoe hij dat moet doen. Toch probeert hij contact te maken met de verkoopster. Hij kent zijn zoontje nog niet, maar heeft gehoord dat hij slecht slaapt. Na zijn tijd in de gevangenis moet hij ook weer nader komen tot Live, de moeder van zijn kind. Als hij toevallig een oud schoolvriendinnetje ontmoet, raakt Live weer op de achtergrond. Hij doet en zegt steeds de verkeerde dingen en alles dreigt te ontsporen. Thomas is geen slechte jongen, alleen maakt hij de verkeerde keuzes. Hij wil zo graag, maar kan het niet.

    Flashbacks naar gesprekken met een psycholoog in de gevangenis, en herinneringen aan hoe hij Live ontmoette en hun onenightstand, geven wat achtergrondinformatie over zijn situatie. Live kende alleen zijn naam. Ze probeerde hem, de vader van haar kind, te vinden toen Leon geboren was. Helaas er zijn zoveel Thomassen. ‘En lang voor die tijd, toen ik de zevende was die Thomas heette en Live me opbelde om te vertellen dat ik vader zou worden, zei dat we moesten afspreken om te praten en het was alsof God de hele hemel opende en het allermooiste over me uitstortte.’ Die flinterdunne grens tussen wel of niet goed, beschrijft Rishøi weergaloos. Terwijl het oude schoolvriendinnetje interesse in hem toont, is Tomas op weg naar zijn zoontje, en komt te laat… Hij heeft weer de verkeerde keuze gemaakt. Dit keer echter is het lot aan zijn zijde.

    Hoopvol

    Ook Grote zus, de derde novelle in deze bundel gaat over de diepe behoefte van de hoofdpersoon om haar dierbaren te beschermen. De zeventienjarige Rebekka is met haar jongere broertje en zusje op de vlucht voor de sociale dienst. Ze hebben alle drie een andere vader en de zorg komt op Rebekka neer. Haar eigen vader is dood en de andere twee vaders zijn vaag, evenals de rol van de moeder. Rebekka doet haar best en blijft de kinderen aansporen en hoop geven. Na een lange moeizame tocht in een ijskoude nacht met rugzakken en vermoeidheid, besluit ze te gaan liften, op het gevaar af herkend te worden.
    ‘”We gaan met de auto,” zeg ik. “Echt?” vraagt Mikael. “Ja,” zeg ik. “Is dat niet fijn?” “Heel fijn,” zegt Michael. “Dan kun je nu even zitten om uit te rusten,” zeg ik. “Zoals Mia doet.” Mikael gaat zitten. Mia leunt met haar voorhoofd tegen haar knieën. Ik leg uit dat ze niets moeten zeggen in de auto. Niet hoe ze heten, niet waar ze heen gaan. “En Mia,” zeg ik. “Je moet de hele tijd je capuchon ophouden.” Mia zegt niets. “Als het iemand is die veel vragen stelt, dan stappen we weer uit,” zeg ik.’

    En dat doen ze ook, als een vrouw die voor hen stopte te veel interesse in hen toont. Het drietal ploegt opnieuw door de sneeuwnacht op weg naar een schuilhut waar Rebekka goede herinneringen aan heeft. Ze redden het niet, tot de vrouw die toch goede bedoelingen had terugkomt.

    Het zijn de kleine en hoopvolle overwinningen en onverwachte goedheid van vreemden die deze verhalen zo sympathiek en ontroerend maken. Alsof de auteur wil zeggen, ze zijn er heus wel hoor, de mensen die nog een hart hebben en bereid zijn een ander te helpen.

    Ingvild H. Rishøi is geboren en getogen in Oslo. Winterverhalen dateert uit 2014. In 2022 verscheen de roman Stargate, ook vertaald en uitgegeven door Koppernik. Het is een kerstvertelling en een klein meesterwerk vol realistische magie, in de traditie van H.C. Andersen. Rishøi wordt gezien als een van de belangrijkste schrijvers van Noorwegen en haar werk werd meermalen bekroond met prestigieuze prijzen.

     

     

  • Niet diepgravend, wel vermakelijk

    De nieuwe roman van schrijver en beeldend kunstenaar Nelleke Zandwijk (1961) heet De zomer van de onwaarheden. Zandwijk debuteerde succesvol in 2001 met haar roman De dag van de jas. Haar werk kenmerkt zich door absurdisme en (zwarte) humor. Haar vijfde roman bestaat uit twee delen. Het eerste deel heet ‘Het dorp’ en speelt zich af in de Achterhoek. Deel twee heet ‘De stad’ en speelt zich af in Amsterdam. Het motto, ontleend aan een column van Ellen Deckwitz zet direct de toon van het boek: ‘Je moet het geluk dat je hebt ook gewoon een beetje leren verdragen, anders ga je er echt helemaal kapot aan.’

    Het boek is geschreven in een ik-perspectief, vanuit een naamloze tiener die opgroeit in een dorpje in het oosten van het land, in een wijk die de Witte Stad wordt genoemd. Ze heeft een tweelingzus, een zwijgzame vader en een wat hysterische moeder. Het gezin is niet welgesteld, maar desalniettemin zijn ze lid van de tennisclub. Wat direct opvalt aan de stijl zijn de regellange opsommingen die enerzijds heel grappig zijn, maar er anderzijds voor zorgen dat de vaart uit het verhaal gaat:

    ‘Omdat mijn vader de koning van het zwijgen was, behalve als het om tweedehandsnaaimachines ging, palissanderhout, 8 millimeterfilm, fotografie, oude camera’s, de reparatie van fietsen, zijn dochters zelf hun banden laten plakken vanaf hun tiende jaar, ze leren zwemmen op hun vierde, groene beits, Belgisch carbolineum, De schaduw grijpt in van Havank, zwagers aftroeven met kennis over houtsoorten, verlijmingen en zwaluwstaarten, vuurtjes stoken, zijn midwinterhoorn, mensen die naar knoflook ruiken, mensen die zeggen dat roken slecht voor je hart is antwoorden dat hij niet over zijn hart rookte, ‘dag Paulus’ zeggen tegen een buurman die op Paulus de boskabouter leek, een wokkel in iemands kruis gooien als er een bijtende hond in de buurt was en dat mdf zijn werkende leven had verwoest (je kon mijn moeder niet overal van beschuldigen), konden we van zijn kant niets te weten komen over de kwestie.’

    Vakantie

    Het gezin waarin het meisje opgroeit is verre van harmonieus. Het huwelijk van haar ouders is wankel en de relatie met haar zus gaat niet diep. Op een gegeven moment weigert haar moeder om met het gezin mee te gaan op de jaarlijkse kampeervakantie. Daar wordt door vader (uiteraard) niet over gepraat met zijn dochters. Na twee weken krijgt moeder spijt en verschijnt ze alsnog op de camping. Tijdens de vakantie beschuldigen de ouders elkaar over en weer van een aantal zaken. Moeder beschuldigt vader er bijvoorbeeld van dat hij homo zou zijn, en de ik-figuur maakt tijdens de vakantie iets vervelends mee. Het eerste deel eindigt ermee dat ze concludeert dat ze een vriendin nodig heeft, omdat ze in het gezin waar ze bijhoort, geen aansluiting vindt.

    Melle versus Escher

    In het tweede (en verreweg het grootste) deel lopen de zussen elkaar na een gat van tien jaar weer tegen het lijf in een theater in Amsterdam. De zus is regisseur geworden, de ik-persoon gaat de kostuums voor haar voorstelling ontwerpen. Daarnaast heeft ze een bijbaantje bij V&D om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Ondanks het feit dat de zussen allebei de provincie zijn ontvlucht en een creatief beroep hebben gekozen, lijken ze nog steeds weinig op elkaar. De zus houdt van de strakke lijnen en de zich herhalende patronen van Escher, de ik-persoon van de surrealistische werken van Melle. De zus heeft een relatie, de ik-persoon doet hard haar best om enige vastigheid voor zichzelf te creëren, maar ze gedijt het beste wanneer ze meelift met het leven van anderen. Net zoals haar werk in het theater zich in de ‘achterwereld’ afspeelt, zo leidt ze ook haar leven, in de marge van dat van anderen.

    Anekdotisch

    Van de verhaallijn moet De zomer van de onwaarheden het niet hebben. Enerzijds lijkt er op het eerste gezicht sprake te zijn van een min of meer rechttoe rechtaan versie van een coming of age verhaal, maar eigenlijk weet je te weinig van de hoofdpersoon om haar ontwikkeling naar volwassenheid echt te kunnen volgen en duiden. Wat dan overblijft is vrij dun: een meisje en haar zusje hebben het thuis niet naar hun zin en ontvluchten hun dorp in de provincie om hun geluk te zoeken in de grote stad. Dat het daar evenmin voor het oprapen blijkt te liggen, is dan wel weer fijn.

    De personages in het boek zijn allemaal redelijk vlak en verhouden zich nauwelijks tot elkaar. Iedereen leidt zijn of haar eigen leven en wanneer ze bij elkaar zijn gaat het vooral over het eten. Pas aan het eind van het boek komt de hoofdpersoon tot een soort zelfinzicht: ‘Het leek wel of ik de hele tijd maar wat verzon. Alsof ik mijn leven bij elkaar fantaseerde. […] Alsof ik niet echt bestond, alsof niets echt was, behalve dit groteske hier en nu bij V&D.’ Verder hangt het boek hoofdzakelijk aan elkaar van anekdotes, zijweggetjes, hilarische opsommingen en humoristische observaties. Is dat erg? Nee. De zomer van de onwaarheden graaft niet heel diep, maar is vaak wel op een originele manier vermakelijk en dat is ook wat waard.

     

     

  • Kleinkunst, maar dan groots

    Het hoogtepunt van de zondagavond? Studio Voetbal. Niet vanwege een stift, steekpass of wereldgoal. Nee, in het laatste gedeelte van het programma maakt volks vermaak plaats voor poëzie. Het Eindsignaal brengt een eerbetoon aan vergeten of ondergewaardeerde voetballers. Zelfs sporthaters voelen sympathie voor een vroeg kalende Twentenaar, verdwaalde Japanner of geliefde Ghanees, wier carrières stuk voor stuk in de knop braken. Hun grauwe nalatenschap straalt dankzij de pen van Jan Beuving, al heeft Frank Heinen inmiddels het stokje van hem overgenomen.

    Onlangs publiceerde Beuving Ruitjesblues, een compilatie cabaretteksten, die hopelijk nog lang niet het eindsignaal van zijn schrijverschap betekenen. Hij is niet de enige cabaretier die zijn optredens op schrift stelt. Ook Kees Torn, Willem Wilmink, Herman Finkers, Maarten van Rozendaal en vele anderen ‘verboekten’ hun performances.

    Hoewel kleinkunst het beste werkt op het gehoor en voor live publiek, laat Ruitjesblues zien hoe simpel en ritmisch Jan Beuving schrijft. Toegegeven, sommige verzen over de wiskunde gaan alfa’s wellicht te snel, maar zijn geloofstwijfel, humor en lieve liedjes treffen doel. Waarom? Omdat Beuving niet mikt op effectbejag. Hij observeert, onthoudt en vindt precies de juiste woorden. Bovendien meldt hij onderaan elk vers keurig voor wie, met wie en dankzij wie het kon ontstaan. Bescheiden. Te, vindt voorwoordschrijver Ivo de Wijs: ‘Dat is aardig van Jan, maar er was nooit iets van hem geworden als hij niet zo’n uniek talent had gehad en interessante voorkeuren. (…) Lees en geniet.’ Koud kunstje met zulke grootse kleinkunst.

    Beminnen, beplussen

    De titel – Ruitjesblues – viert Beuvings favoriete geometrische vorm. Een heel gedicht wijdt hij eraan, net als aan de staartdeling. Hij bemint de ruit, niet alleen op het middenveld in een 4-4-2-formatie. Beminnen, zo hebben wiskundigen nu eenmaal lief:

    Dus ik heb voor alle Mondriaanmusea passe-partouts
    En ik ga het allerliefste naar Manhattan op een cruise
    En ik kom wat hoekig over bij de eerste rendez-vous
    Want ik heb de ruitjesblues
    (…)
    Ik denk altijd weer aan Admiraal de Ruyter bij de zee
    Ik doe vlokken van De Ruijter op haast elke bruine snee
    Ik heb niks met amazones maar een ruiter is oké
    En mijn lievelingstheater is Carré

    Hierna merkt Beuving op in zijn voetnoot: ‘Jammer, maar volkomen terecht dat ik het nooit in Carré heb gezongen.’ Voetnoten worden normaal gesproken overgeslagen, maar die van Ruitjesblues typeren Beuvings vakmanschap en bescheidenheid. Lees die dus. Als raswiskundige die zijn plussen en minnen doseert, somt hij enerzijds prijzen op die hij wint met zijn verzen, waar hij anderzijds het eigen werk bekritiseert. Zo schrijft hij over Joep: ‘Jammer van die rijmstoplap ‘‘zonder schelden’’ in het laatste couplet; daar zie je aan dat ik haast had.’ Ook elke bewuste taalovertreding (om het ritme erin te houden), stipt hij eerlijk aan: ‘Hier heeft de grap het gewonnen van de grammatica, wat eigenlijk niet mag.’ Met het excuus van dichterlijke vrijheid komt Beuving niet aanzetten. Liever geeft hij een foutje toe. Een biecht? Niet overdrijven…

    Geloofd, gedoofd

    Jan Beuving komt uit Numansdorp op Goeree-Overflakkee. Het gereformeerde geloof speelt dan ook een bescheiden rol in deze bundel. Ja, ‘spelen’ is precies het juiste woord. Het gedicht Wasgegroet schrijft Beuving voor Huub Stapel, wiens katholicisme als een novenenkaars uitdooft:

    Wat doe je met die schade en die schande
    Wanneer je nooit meer op een biechtstoel zit?
    Wat is de weerklank van een mea culpa
    Wanneer je niets gelooft en niet meer bidt?
    (…)
    ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade…’
    Ik ken de tekst nog, maar de ziel is dood
    Het is nu geen gebed meer, maar een versje
    Verdwenen zijn de vruchten van die schoot

    Zelfs in de wetenschap schemert het geloof door. ’s Lands beroemdste coronaviroloog verdient eveneens een gedicht: A.O. Er komt geen eind aan zijn televisieoptredens. Niemand weet wanneer hij er überhaupt mee begón. Het gaat om Ab Osterhaus, A.O., die helaas bij lange na niet de macht van de Alpha en de Omega bezit. Beuving wil hem van de buis:

    Honderdduizenden bejaarden
    Zijn gestorven hier op aarde
    Maar die ene ligt nog steeds niet tussen alle opgebaarden!
    Laat hem in een koor gaan zingen
    Waar bacillen overspringen
    Of een dagje surfen voor de kust van Scheveningen…
    Dan geven wij hem hartelijk applaus
    Oh God, verlos ons van Ab Osterhaus

    Hebben Koopmans en Van Dissel even geluk dat hun namen minder lekker rijmen.

    Schuurpapier

    Sommige grappen doen zeer. Zo leidt de zin over Scheveningen tot een droevige mail uit Den Haag, zegt Beuving in zijn voetnoot. Toch gaat hij door met zwartgallige humor, vele cabaretiers eigen. Nerd beschrijft een orgastische wraakfantasie over een paar pestkoppen op de middelbare school:

    Het liefst zou ik die klasgenootjes op mijn passer spiesen
    En stak ik met mijn geodriehoek al hun oogjes uit
    Of sneed ik met mijn vulpenpunt de rechte bissectrice
    Van vier of vijf of zes of zeven hoeken in hun huid
    (…)
    Als ik zou willen huilde elke pestkop om zijn mamma
    En vierde ik de woede bot die steeds in mij ontsteekt
    Dan startte ik op elk van hen een onderzoeksprogramma
    Waar dat van Josef Mengele volledig bij verbleekt

    Niet elke grap schoffeert anderen. Slotlied 1 en Slotlied 2, die  over soorten sluitingen en Nederlandse kastelen gaan, doen qua taligheid en droogte denken aan Herman Finkers’ oeuvre. Het Rekenlied bevat publieksparticipatie waarin de toehoorders een getal moeten roepen dat perfect rijmt op de tweede regel. Even resoneert het lied Nederlands-Engels van Kees Torn. Uitglijders gegarandeerd:

    U slaagt voor elke som met vlag en wimpel
    Al zijn uw rekenachterstanden fiks
    De rekenles op rijm is supersimpel
    En heeft u geen idee, roep dan maar…

    X-factor

     Eerder in deze recensie staat dat Beuving nergens makkelijk wil scoren. Toch moet de lezer geregeld Ruitjesblues wegleggen met een brok in de keel. Het ís en blijft immers een blues. Het lied Gerrit bezingt de komst van boer Gerrits kleinkind. Vanwege zijn kennis over pasgeboren kalfjes voelt hij aan dat de baby het niet zal redden: ‘Als ik een kalfje heb dat zo kijkt, haalt het de avond niet.’ Een prachtig lied over natuur, kennis en intuïtie, en dat geen spoiler verdient. De grootste tranentrekker moet echter Zaterdagochtend zijn. Een kamer waar het zonlicht invalt, drie gelukkige kinderen bij papa op schoot, beschuit als ontbijt, verse bloemen op tafel. Sterker nog: het hele huis staat barstensvol bloemen en vazen. Wat een weelde. Tot het kroost snapt waarom.

    Weer eens wat anders dan grienen om Love Actually of Robert ten Brink. Wie heeft kerstliedjes of de Top 2000 nodig, als de Ruitjesblues klinkt?