• Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Ondanks de zweem van een pleonasme heeft uitgeverij Koppernik als titel van de dunne essaybundel over de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926 – 1973) voor Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen gekozen. De combinatie van die woorden vat de schrijfster goed samen.

    Ingeborg Bachmann schreef romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Zij geldt volgens de uitgever als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. In het Duitstalig gebied was zij bij leven een literaire ster, misschien vergelijkbaar met Connie Palmen tegenwoordig bij ons. Ze verkeerde in de hoogste culturele kringen, won vele literaire prijzen en had relaties met meerdere beroemde mannen. Toch was ze ook getormenteerd, verslavingsgevoelig en regelmatig ernstig terneergeslagen. Ze leed niet alleen in de liefde, maar ook en vooral vanwege de oorlog, de Holocaust en de gedeelde dadersschuld die daarmee samenhing.

    Haar werk was lang niet of nauwelijks in het Nederlands te lezen. Daar is nu verandering gekomen. In de vertaling van Paul Beers (1935 – 2024) verscheen eind 2023 de onvoltooide trilogie Doodsoorzaken (Todesarten) bij Koppernik. Twee jaar eerder publiceerde dezelfde uitgeverij haar verzamelde korte verhalen, eveneens door Beers vertaald. Eind jaren tachtig vertaalde Beers ook haar gedichten, waarmee Bachmann in de jaren vijftig doorbrak, maar die zijn zelfs niet of nauwelijks nog antiquarisch te vinden.

    Essays
    Vrijwel tegelijk met Doodsoorzaken bracht Koppernik de bundel Nerveuze gejaagdheid uit waarin essays van Paul Beers tezamen met die van de Vlaamse germaniste Ingeborg Dusar een introductie op haar werk bieden. Als je beide essayisten leest, kan je niet aan de gedachte ontkomen dat het werk van Bachmann daadwerkelijk zo’n introductie nodig heeft. Beers en Dusar zijn bewonderaars. Het zijn exegeten. Ze weten alles van haar motieven, thema’s en personages en kunnen die bovendien feilloos plaatsen in de ontwikkeling van haar tragische, korte leven. Niettemin blijft Bachmanns werk een hermetische indruk wekken. Je moet zin hebben om je tanden erin te zetten, maar dan opent zich volgens Beers en Dusar een prachtig universum met een uniek vrouwelijk vertrekpunt van een schrijfster die zich staande wist te houden in een patriarchale literair-culturele wereld, maar niet zonder diepe deuken op te lopen.

    Beers’ vertrekpunt is dat van de bezorger van haar literaire nalatenschap. Dusar promoveerde op het late proza van Bachmann aan de KU-Leuven. Het moet heerlijk zijn voor een schrijver als mensen zo hun best hebben gedaan om al jouw zorgvuldig aangebrachte verdichtingen te ontrafelen en daar ook nog vlot en leesbaar over kunnen vertellen. De bundel bevat zelfs een briefwisseling tussen Beers en Dusar waarin ze elkaar liefdevol vertellen wat ze in het werk van IB (zo noemen ze haar onderling) hebben aangetroffen en hoe ze (vooral Beers) worstelen met de vertaling van sommige moeilijk te interpreteren passages. De vroege dood van de schrijfster, op 47-jarige leeftijd, wordt betreurd – ze stierf aan de gevolgen van een ernstige brand. Niet letterlijk uitgesproken door beide bewonderaars blijft ook in het nawoord van Bachmanns jongere broer de gedachte hangen dat ze deels schuldig was aan die tragische dood.

     

     

  • Huiswerk voor het geweten

    Haar huiswerk maakte hoofdpersoon Clara uit de roman Huiswerk van Marja Pruis vroeger aan de oude dressoirkast, klep naar beneden, met vele laatjes en troepjes. Nu is ze echtgenote, moeder, ouder, wellicht wijzer maar ook zeker (nog altijd) zoekende. Huiswerk is vooral de weerslag van een niet-aflatende zoektocht naar principes, relationele raadsels en onzekerheden, naar het bepalen van een houding tegenover de inmiddels volwassen kinderen en tegenover ongelijkheid en het grote leed in de wereld.

    Over één aspect zijn er geen twijfels en dat is over Clara’s huwelijkse staat en haar relatie met echtgenoot Hartog. Hij is haar ‘hij’, een geruststellend voortdurend aanwezige in de huiselijke situatie, die overigens ook ‘feilloos aanvoelt wanneer hij Clara teveel is’. Pruis benoemt en beschrijft een soort van ‘negatief’ van de vele boeken over rouw en gemis die de laatste tijd verschenen zijn; ze weet te raken in het neerzetten van het fijne vanzelfsprekend gelukkige samenzijn van Clara en Hartog. Er worden niet heel veel woorden vuilgemaakt aan Hartog zelf, maar de roman is doordrenkt van een onderliggende emotie van warmte, dankbaarheid en geluk over zijn aanwezigheid en over hun relatie: een ingevuld verlangen naar nabijheid en aanraken.

    Ouder blijf bezit van het kind

    De relatie met haar grote kinderen is gecompliceerder. Met name zoon Cosmo heeft de leeftijd bereikt waarop hij meent zich allerlei oordelen aan te kunnen meten en dat doet hij dan ook onbeperkt en onbeschaamd. Als jongvolwassene je ouders de maat nemen is een beschrijving die nog ontbreekt in de beroemde ‘Oei, ik groei’-bijbel van Hetty van de Rijt en Frans Plooij – ten onrechte als je Pruis’ humoristische en herkenbare beschrijvingen van deze fase leest. Cosmo heeft scherpe oordelen over van alles en nog wat: het klimaatakkoord, (vermeend) racisme, uitbuiting of de verspillende kledingindustrie en hij is daarin niet bepaald mild tegenover zijn moeder, of buigzaam. ‘Ik begrijp heel goed wat je zegt. Ik ben het alleen niet met je eens. Behoort dat ook tot de mogelijkheden? Nee, dat behoort niet tot de mogelijkheden.’ Bij dochter Lynn heeft een ander aspect de overhand: ‘Ik denk aan Lynn, voor wie ik mijn hele leven bang ben, ook al is dat het woord niet.’

    Interessant is Clara’s overweging waarin ze een veranderende ouder-kind verhouding verwoordt: onze kinderen zijn op een gegeven moment niet meer van ons, maar als ouder blijf je wel bezit van je kind. In die hoedanigheid doe je er als ouder goed aan stil te zitten als je geschoren wordt. Dat doet Clara dan ook in de wijze wetenschap ‘hoe lang de weg is die we moeten afleggen om op het punt te komen waar we compassie voelen.’

    Anything

    Compassie voelt Clara zeker voor haar werkster Rose, aka Bibata. Clara wil goeddoen en dat is een hele toer, al is het maar omdat ‘De rampen van de wereld bijhouden is als proberen om water te tellen.’ Het leven is voor Clara een vat vol gewetensgevallen en het aannemen van een integere houding tegenover haar illegale werkster Rose is daar een praktijkvoorbeeld van. Op kleine schaal etaleert Clara haar goedheid door nederigheid tegenover haar werkster die ze in alles ter wille wil zijn. Ze zou Rose omwille van haar goede geweten het liefst wit uitbetalen, maar doet dat op Rose’ verzoek toch niet. Ze is flexibel in Rose’ werktijden, helpt haar graag Nederlands spreken, bewaart haar loon voor haar, ontvangt haar met thee en zelfgebakken cake en biedt bij voortduring haar hulp aan voor ‘anything’, wát Rose maar wil. Niet voor niets zal Pruis haar hoofdpersoon de naam Clara Feij hebben gegeven, naar de 18e eeuwse Duitse non Clara Fey die enkele eeuwen na haar overlijden zalig werd verklaard: in nederigheid, eerbiedwaardig gedrag en deugdzaam leven zal deze non een lichtend voorbeeld voor hoofdpersoon Clara zijn.

    Twee hoofdstukjes in de roman worden niet vanuit de ik-persoon Clara beschreven, maar vanuit Clara in een personaal vertelstandpunt. Deze wat afstandelijker beschreven Clara laat als ze op vakantie gaat het boek De theorie over morele gevoelens thuis. Wat ze wel meeneemt is Mijn heldere afgrond. Tegen een bekende zegt ze ‘dat hij niet gek moest opkijken als ze in habijt terug zou keren.’ Het geeft de lezer te denken. Geeft ze het streven naar goeddoen op? Is dat het begin van het einde? Komt ze terug als non?

    Worsteling met goeddoen

    Van een heiligverklaring is de Clara uit de andere vijftig hoofdstukken met wie we door het ik-perspectief en haar vele overwegingen en twijfels nauw meeleven ver verwijderd. Dat blijkt uit haar gewetensstrijd en -wroeging nadat het voor Rose opgespaarde geld is verdwenen. De dressoirkast waaraan de jeugdige Clara in haar onschuld haar huiswerk maakte is de stille getuige van de diefstal van het voor Rose bewaarde geld. Alleen Rose weet dat dit geld in een kistje op deze kast lag, alles wijst dus naar haar als dader. De vraag naar de schuldige voegt een min of meer spannend ‘wieheefthetgedaan’-element aan de roman toe en geeft vooral vorm aan Clara’s dilemma, haar verlies van onschuld en haar worsteling met goed willen doen. Ze wil de voor de hand liggende dader niet beschuldigen, verwerpt zelfs de gedachte daaraan – maar die gedachtes zijn er natuurlijk wel degelijk.

    De roman gaat over een gelukkig getrouwde vrouw met twee volwassen kinderen die zichzelf ‘oppervlakkig’ en ‘ambivalent’ noem, die wars is van zekerheden en zo nu en dan een knuppel in een hoenderhok gooit. Een vrouw die kritisch kijkt naar een omgeving waarin vrouwen vaak ‘praalvrouwen’ zijn en die vooral veel nadenkt. Zoals ieder mens waarschijnlijk. Over goed en kwaad, over eigen handelen, over stereotypen, vriendschappen, relaties en, heel praktisch in dit geval, over een illegale werkster en hoe zich tot haar te verhouden. Het boek is enerzijds een feest der herkenning en geeft de lezer anderzijds huiswerk over belangrijke eigen en algemene levensvragen. Dat de roman niet zwaar wordt en dichtbij blijft is een verdienste van Pruis’ prettige schrijfstijl met vlotte dialogen en de nodige humor.

     

     

  • Als je niet weet hoe je zelf moet vliegen

    Zij. is het romandebuut van de Belgische theater- en filmactrice en filmregisseur Maaike Neuville. Romanpersonage Ada Peeters, een bijna veertiger, schrijft over haar eigen leven een roman in de vorm van een innerlijke monoloog. Het is noodzakelijk dat zij haar verhaal doet, omdat zij zoveel dingen heeft meegemaakt en haar trauma’s wil uitspreken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor jonge vrouwen die uit schaamte en schuldgevoel hun mond niet durven open te trekken tegen kerels die misbruik maken van hun onzekerheid. Ada is actrice en geeft les op een theaterschool. We volgen haar gedurende bijna vierentwintig uur. Ze bereidt zich voor op een solovoorstelling in Antwerpen.We  volgen haar op de fiets en in de trein daar naartoe en in de vijftien minuten voorafgaande aan de voorstelling. Na afloop van de voorstelling, die niet in de roman voorkomt, volgen we haar ’s nachts in een taxi op weg naar haar huis in Brussel.

    Ada lijdt aan podiumangst en is erg onzeker. Op weg naar haar solovoorstelling in Antwerpen vraagt ze zich af, waar dat vandaan komt: ‘Welke nacht heeft zich ongemerkt kunnen plooien rondom alles wat ik doe zodat ik, als vrolijk opgevoede volwassen vrijgevochten vrouw, alsnog met strakke boeien in deze trein zit?’ De boeien zijn volgens haar verbonden met de affaire die ze had met de regisseur met de rode sjaal en de mooie slanke, grote handen, die in Antwerpen woont en die zij in de zaal verwacht. De naamloos blijvende oudere man werkte in de Studio Herman Teirlinck, waar zij als jonge vrouw studeerde. De herinnering aan hem veroorzaakt stress bij haar, alsof er een donker bolletje op haar borstbeen zit. Dat bolletje keert vele malen in deze roman terug. De man fascineerde haar, vanaf de eerste kennismaking, door zijn autoriteit en vermeende zelfverzekerdheid.  

    Oudere mannen

    Nu ze negenendertig is en op weg naar de voorstelling, denkt ze erover na wat er in haar relatie met deze man fout is gegaan: ‘Ik wilde zijn kennis, ik mikte op zijn hart.’ Ze zette haar lichaam, haar vrouw zijn in om bij die zelfverzekerde autoriteit in de buurt te komen. Ze kregen een liefdesaffaire. Zij was nog geen twintig, hij ruim twintig jaar ouder. De regisseur wordt niet als een monster, die haar als jong onzeker meisje gedwongen heeft, afgetekend. Ze erkent haar eigen rol in de affaire. Hij kon haar grenzen overschrijden omdat zij die zelf opzocht. Het enige wat ze de man verwijt is dat hij inging op haar verlangen. Hij had haar als een vader tegen zichzelf moeten beschermen.
    Omgang met oudere mannen is een terugkerend aspect in haar leven: ‘Onvermoeibaar haakte ik, met mijn lange blonde haren, mijn karretje vast aan de verlossers met autoriteit.’ Ze constateert nu met spijt dat ze haar halve leven geen vrouw was, maar een ‘mannenwens’. Mede daardoor is ze tot op de dag van vandaag onzeker. Dat donkere bolletje op haar borstbeen is nooit verdwenen. 

    Toneelspelen is voor Ada een manier om haar trauma’s te verwerken, ook al weet ze zelf niet precies wat toneelspelen voor haar betekent. Speelt ze om een boodschap over te brengen of is het spelen zelf de boodschap? Toneelspelen houdt haar in balans, maar brengt ook iedere keer bijna ondraaglijke spanning met zich mee. 

    Keuzes maken

    In andere romans vinden trauma’s vaak een voedingsbodem in familieverband, de relatie met vaders en moeders en met broers en zusters. Op dit punt geeft Ada enkele, soms tegenstrijdige, signalen aan de lezer. Van geen van haar beide ouders heeft ze geleerd zich uit te spreken. Haar moeder zei nooit veel, ‘omdat zij mij niet wilde belasten met haar eigen gevecht met het geweld van een onberekenbare moeder’. Haar vader was er altijd, al heeft ze hem nooit begrepen, omdat ook hij zich nooit echt uitsprak, terwijl hij toch dichter was. Ada leerde als jonge vrouw een zin van buiten die in dit opzicht verhelderend is: ‘Als mensen zich gekrenkt voelen door de stilte van een ander, dan heeft het stilzwijgen niets anders gedaan, dan zich vasthaken aan het eigen gevoel van minderwaardigheid.’ Tegelijkertijd verwijt zij haar ouders niets en mist ze vooral haar vader. Ze beseft dat haar nooit geleerd is om nee te zeggen, dat ze zichzelf zichzelf te vroeg weggaf. En dat ze nooit geleerd heeft om zich af te vragen wat ze zelf wilde.

    Het enige wat Ada verlangt is dat de mannen in haar leven ‘sorry’ zeggen. Maar dat hebben de heren nooit gedaan, en dat neemt ze hen kwalijk. Taxichauffeur Eron doet dat wel, niet in woorden, maar in daden. Nadat hij Ada na de voorstelling bijna van de sokken rijdt, verontschuldigt hij zich niet, maar brengt hij haar gratis helemaal terug naar haar huis in Brussel. Een impliciete vorm van sorry-zeggen.

    De naam Eron betekent ‘brengt licht’ en dat is heel treffend, want de nachtelijke rit na de voorstelling, is heilzaam voor Ada. Ze verbeeldt zich dat naast haar in de taxi haar jonge zelf zit, een huilend meisje van zestien met blonde haren, lichte jeans en een wit T-shirt. Ada troost haar in een ontroerende scene. Ze beschermt haar jongere zelf en daarmee omarmt ze letterlijk haar eigen verleden.

    Autoriteit tegenover onzekere meisjes

    Als ze thuiskomt pakt ze haar laptop om haar verhaal op te schrijven. Door het verleden opnieuw te beleven kan ze haar hart in het heden deels helen. Ze schrijft haar verhaal voor zichzelf en ook voor meisjes of vrouwen ‘met een bevlogen held, die zelf niet weten hoe ze moeten vliegen’. Voor jonge mensen met een lichtend voorbeeld ‘die zelf niet weten hoe ze moeten stralen’. In de hoop dat ze hun mond zullen opendoen, ‘wars van schaamte en zelfverwijt.’ In de hoop dat al of niet vermeende autoriteiten zichzelf bewust zijn van hun positie tegenover jonge onzekere meisjes.

    Maaike Neuvilles roman is in een mooie, met Vlaamse woorden (gekend, stilaan) doorspekte, taal geschreven. De thematiek is actueel en haar invalshoek origineel. Het is geen litanie tegen monsters van mannen, maar laat zien dat er in de opvoeding van meisjes ook het een en ander moet gebeuren. De roman staat vol uitdrukkingen die je graag wilt onthouden, zoals: ‘Er is één stukje van ons lichaam waar we maar met moeite zelf bij kunnen, het is de achterkant van ons hart.’ Ada doet veel moeite om daar toch bij te ‘geraken’. Af en toe schrijft ze iets te nadrukkelijk wat ze bedoelt, alsof ze bang is dat de boodschap niet wordt begrepen. Daardoor wordt het een soort hulpboek tegen grensoverschrijding, maar dat neemt niet weg dat het een belangrijk boek is.



  • Een zoektocht naar verbanden en verbindingen.

    Bruggen slaan, verbanden leggen: het lijkt een constante te zijn in het werk van de Belgische auteur Koen Peeters. Eerder deed hij het al met De mensengenezer (2017) en De minzamen (2021). Nu doet hij het in zijn nieuwe roman Georges en kunnen we ook al meteen een link vinden met Kamer in Oostende (2021). Daarin voert hij historische figuren als James Ensor, Léon Spilliaert en Jospeh Roth op. Ook in Georges spekt Peeters zijn familiegeschiedenis met historische figuren en creëert zo een mooie mix van feiten en verzinsels met een straffe roman als resultaat. Peeters lijkt te bouwen op een beproefd recept: hij put steeds uit zijn eigen ervaringen en vermengt die met de geschiedenis.

    Georges, Joris, Georgië

    Georges bestaat eigenlijk uit vier verhalen die verbonden zijn door de naam. Het boek is een spel met de naam Georges en allerlei afleidingen daarvan. In het eerste verhaal beschrijft Peeters de bijzondere ontmoetingen en vriendschap die ontstaat tussen postbeambte Georges Vermeire, grootvader van de auteur, en de grote Ierse schrijver James Joyce. In 1926 bracht die immers zijn vakantie door in Oostende en ging hij dagelijks naar het postkantoor om de proefdrukken van de vertalingen van Ulysses af te halen. Het tweede verhaal draait om de vader van de oerknal, Georges Lemaître. Deze bekende priester-wiskundige zoekt steeds verpozing in een parkje in Leuven. Daar ontmoet hij de jonge moeder Paula. Ze raken verwikkeld in een gesprek en een platonische relatie ontstaat tussen de twee. Paula is gehuwd met Jef (Georges) Otten en zij zijn de latere schoonouders van Koen Peeters. De drie Georges die hij tot dan toe heeft opgevoerd zijn ook gelieerd aan elkaar: ze vochten immers samen in de loopgraven achter de Ijzer tijdens Wereldoorlog I.

    In deel drie komen eerder persoonlijke anekdotes en herinneringen naar boven. Koen Peeters mijmert over zijn studententijd in Leuven en zijn vriendschap met Joris. Deze studiegenoot wordt zijn beste vriend, maar houdt er naast zijn fascinatie voor plakboeken, ook een bijzondere drang naar Georgië voor over. Al op jonge leeftijd vertrekt hij naar dat land, op zoek naar zichzelf, en verbreekt hij alle contact tot hij twintig jaar later Koen Peeters uitnodigt. De auteur zal effectief tweemaal naar Tbilisi, de hoofdstad van Georgië reizen om verder onderzoek te doen voor zijn roman. Het laatste verhaal speelt zich volledig af in Georgië. Daarin laat de auteur de bijzondere vriendschap zien tussen de Georgische kunstschilder Niko Pirosmani en Jozef Dzjoegasvili, ongetwijfeld Georgiës beruchtste afstammeling die later onder de naam Jozef Stalin de geschiedenis zal ingaan. Dit gegeven alleen al zorgde voor een diplomatieke rel tussen de Georgische minister van cultuur en auteur Koen Peeters bij de opening van het Europaliafestival in Brussel waar Georgië gastland was. De minister vond het niet kunnen dat er een loopje werd genomen met de historische feiten, ondanks het feit dat Peeters uitlegde dat het om fictie ging.

    Dunne lijn tussen fantasie en werkelijkheid

    Peeters maakt in Georges bijzondere verbindingen, maar slaagt erin een harmonieus geheel te creëren. Hij weet feit en fictie perfect te vermengen en de lezer te overtuigen om het te geloven. Soms is de grens tussen de twee bijzonder fijntjes: misschien is het niet waar, maar het had waar kunnen zijn. Hij vraagt het zichzelf ook af: ‘Mag dit allemaal wel? …Is het toegestaan op deze manier een verhaal te bedenken met de naam Georges?’ Ook voor hem is het een spel, een zoektocht naar verbanden en verbindingen. Bovendien is de karaktertekening ook heel sterk. Het is een van de handelsmerken van Peeters geworden om personages heel realistisch neer te zetten, doodgewone mensen zoals jij en ik, met hun kleine kantjes, zeer herkenbaar zodat ze nog geloofwaardiger overkomen.

    Hij noemt zijn werk zelf een collage, vergelijkbaar met de plakboeken die zijn vriend Joris maakte. Het plakboek Georges is uiteindelijk een knap kunstwerkje geworden. In een vlotte, zeer herkenbare stijl tekent hij hoe de levens van de gewone mens en van de groten der aarde er hadden kunnen uitzien. De historische feiten laat hij nog meer voor zich spreken door enkele foto’s op te nemen in zijn werk. Koen Peeters blijft een eigenzinnige schrijver, een buitenbeentje, met een heel eigen stijl en een apart idee over hoe de perfecte roman er moet uitzien. De grens tussen fantasie en werkelijkheid en het spelen daarmee blijft een belangrijk gegeven in zijn oeuvre. Maar precies dat maakt het zo sterk en aangenaam om lezen.

     

     

  • Proulx duikt in veen en kwalijke dampen

    Voor de Pullitzer prijswinnaar Annie Proulx (1935) is de tijd rijp om een activistische boodschap te laten horen met haar bundel essays Veen, dras, moeras. Het onderschatte belang van veengebieden voor onze planeet. Waar ze hiervoor in het veelomvattende Schorshuiden al had geschreven over ontbossing, gaat het nu voornamelijk over het verdwijnen van de moerasgebieden en de grote ecologische gevolgen daarvan. Ze had naar eigen zeggen altijd al iets met geschiedenis, en deze keer duikt ze diep onder in de materie van vennetjes, turf en kwalijke dampen. Ze doet dit met groot enthousiasme, maar lijkt af en toe even de draad kwijt te raken.

    In coronatijd besloot Proulx de boeken in te duiken, dit resulteerde in haar ‘uitwaaierende gedachten’ over hoogveen, laagveen en broekland. De bundel gaat over het ecologische en cultuurhistorische belang van de moeras- en drasgebieden. Daarbij maakt ze uitstapjes naar het mesolithicum, de Amazone, Doggerland, iconische veenlijken en het Teutoburgerwoud. Telkens keert zij terug op een basaal thema: de mens is goed in het vernietigen van natuur maar minder goed in herstellen. ‘Veenvorming is een proces van duizenden jaren, het wegsteken van veen een kwestie van weken of hooguit jaren.’ Proulx onderstreept hierbij het belang van het veen voor de soortenrijkdom en de opslag van co2. Het draineren van het veen laat die broeikasgassen weer los in de atmosfeer. In de plaats van het veen komt vaak landbouw, wat leidt tot het uitsterven van diersoorten en de verschraling van het ecosysteem. Het veen verwerkt dode plantenresten en is zo een bron van voedsel en grondstoffen voor de omliggende flora en fauna.

    Draslandvocabularium

    Proulx weet te enthousiasmeren voor haar onderwerp. Ze gaat niet alleen in op de ecologische kant van het verhaal maar gaat ook in samenspraak met de bronnen op zoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het moeras. Vaak haalt ze particuliere dagboeken aan, literaire passages uit het werk van uiteenlopende schrijvers en historische verslagen om bijvoorbeeld het verschil met de hedendaagse tijd aan te duiden. Een van de grootste verschillen is wel hoe schrikbarend snel sommige van deze gebieden verdwijnen. Zoals in Engeland, waar als resultaat van de grote ontwateringsprojecten nog maar één procent over is van de veengebieden. Saillant detail is wat Proulx daaraan toevoegt: ‘analoog daaraan sijpelde ook de taal en de kennis van de venen weg.’ Als een rode draad loopt de impact van de mens door al deze gebieden. Het is duidelijk aan Proulxs thema’s te merken dat deze veranderingen haar aan het hart gaan.

    Zo trekt Proulx van de Engelse laagvenen naar de historische Noord-Europese hoogvenen met vele antropologische en historische uitstapjes. Wat hierbij opvalt is dat haar interesse enorm breed is. Met de poten in de klei banjert Proulx gestaag door, zich bedienend van het ‘draslandvocabularium’, iets wat voor een leek geen sinecure is zoals ze zelf toegeeft. ‘Veen is geen eenvoudige materie.’ Zo komen woorden als oligotroof voorbij, regenwater is oligotroof, dat wil zeggen arm aan voedingsstoffen. Ze raakt aan antropologie als ze het over het idool van Sjigir heeft, of het geluid van de lure, een blaasinstrument uit de bronstijd. Dit alles om inzichtelijk te maken hoe de veenbewoners door de eeuwen heen geleefd moeten hebben. En zo leren we over veenmos, duizenden jaren oude veenboter en wat er verder zoal boven komt drijven.

    Herinnering aan haar eerste avontuur

    Dat de draslanden bedreigd worden is zeker. Deze gebieden werden over vele duizenden jaren gevormd maar verdwijnen nu zo snel dat de gevolgen ervan moeilijk zijn te overzien. Het huidige natuurbeleid lijkt minder respect voor de natuur te hebben, getuige bijvoorbeeld de houtkap in de Amazone. Proulx schrijft dat draslanden als een soort buffer kunnen werken om de schokken van ecologische veranderingen op te nemen. Maar de natuurlijke wereld verandert simpelweg te langzaam voor de mens om op te merken. ‘Eeuwen en millennia zijn de uren en dagen van een hoogveen.’ Proulx schrijft over onze voorouders dat ‘hun herinneringen de emotionele trossen waren die hen verbonden met de voorouderlijke geografie.’ Zoals ook natuurvorser Henry David Thoreau een grote voorliefde had voor de ruige achtertuin van het broekland volgens Proulx. Dit zou je in de context van haar romans kunnen zien die vaak sterk verbonden zijn met een bepaalde plek en soms meerdere generaties overspannen. Zo is dit boek ook het resultaat van het goed kijken naar haar directe omgeving.

    Zo bezien staat Proulx in een zekere traditie van natuurschrijvers, als een soort hedendaagse Thoreau, die trachtten om de overvloed van de natuurlijke wereld in woorden te vatten en zo hopelijk veilig te stellen voor komende generaties. Ze is daarbij vrij activistisch en schrijft over ‘ecologische rouw’ en ‘klimaatdepressie’, en het dubbele gevoel dat ze tegenwoordig heeft bij het genieten van de natuur. Ze maakt hierbij gebruik van de metafoor van het web van het leven, een inzicht dat gedeeltelijk ook teruggaat op de Duitse naturist Alexander von Humboldt. Bij Proulx begon het allemaal bij de herinnering aan haar eerste avontuur als kind in het veen, waarbij ze bijna terechtkwam in het zigzagvormige web van een moerasspin. Door de sporen van het verleden te volgen helpt ze vorm te geven aan het verhaal van het veen. Deze sporen leiden haar naar de ‘oneindige complexiteit van de natuurlijke wereld.’ En vlak daarachter naar de mens die deze natuurlijke wereld plundert en ontregelt.

    Griezelige schoonheid

    Draslanden hebben een sleutelrol in het ecosysteem. Leven met het water is zoals veel dingen in de natuur een kwestie van geven en nemen. Zoals de mangrovebossen die een gedeelte van de tijd nat moeten zijn en voor de rest droog. Het herstellen van natuurgebieden is ook een ingewikkelde onderneming, zoals Proulx laat zien. Toch is haar tocht wel een bochtige. Hij weerspiegelt de aard van haar persoonlijke interesse, en de geschiedenis van het behoud of de vernietiging van deze gebieden. Zo overtuigt Proulx als het op het belang van de draslanden aankomt, maar blijven we achter met de vraag of het inmiddels niet al te laat is voor behoud en herstel. De opsomming van bedreigde broeklanden en natuurgebieden op het eind van het boek waarvan sommige tot de verbeelding spreken met namen als ‘Limberlost’ en de ‘Dismal swamp’, biedt een somber vooruitzicht. Rentmeesterschap van deze waardevolle gebieden lijkt in de meeste gevallen ver te zoeken. Het besef van de ‘broze aarde’, zoals Antjie Krog het noemt, moet eerst op aanhoudende wijze doordringen.

    De frisse duik in het veen levert een belangwekkend beeld op van deze liminale overgangszones. ‘Wanneer we er voor het eerst voet zetten, bekruipt ons het unheimische gevoel dat we ons bevinden in een vreemde overgangszone tussen het leven en dat wat vergaat en wegrot.’ Net als de rivier van Heraclitus is ook het veenland geen twee keer hetzelfde. Het gebied is enorm divers, en Proulx beslaat op deze pagina’s dan ook maar een stukje. Een probleem hierbij is wel dat haar bronnen vaak verouderd zijn en dat er geen of weinig contact is met het wetenschappelijke veld. Het rommelige karakter van het boek resulteert in meer een bloemlezing van aanverwante feitjes of een pamflet over veengebieden dan een echte studie. De passie en liefde voor het onderwerp zijn wel duidelijk aanwezig. Proulx haalt op enerverende wijze de nodige curiosa op ‘van zeldzaam vreemde zaken en griezelige schoonheid’. Omdat ze er zoveel dingen bijhaalt en af en toe afdwaalt blijft het gelukkig geen lesje biologie maar is het een levend document van haar betrokkenheid.

     

     

  • De uitgewiste Palestijnse wereld

    In de twee delen die de novelle Een klein detail telt, voert de Palestijnse schrijfster Adania Shibli (1974) twee verschillende hoofdpersonen op. In het eerste is dat de mannelijke commandant van een compagnie in 1949 in door Israël bezet gebied; in het tweede een Palestijnse journaliste die in huidige tijd probeert te reconstrueren wat er in dat jaar precies gebeurd is. In een interview uit 2017 (het jaar waarin de novelle in het Arabisch verscheen) zei Shibli dat het een bewuste keuze was: de man als vertegenwoordiger van een heersende wereld van orde en macht waar zij zichzelf nooit in thuis zou voelen, en de vrouw als onzeker en onderzoekend lid van een onderdrukt volk. Er zijn meer verschillen tussen de delen. Het eerste is in de derde persoon geschreven, het tweede in de eerste. Het eerste deel speelt zich af op één plek, het tweede is een reis door Israël en bezet gebied naar die ene plek. De commandant maakt de dienst uit. De journaliste loopt tijdens haar hele reis gevaar.

    Niemand heeft in de novelle een naam, de commandant niet, zijn ondergeschikten niet en de journaliste niet. Ook een meisje dat dat in beide delen een prominente rol speelt blijft naamloos. Daardoor bewaart Shibli een zekere afstand maar weet ze de lezer tegelijk onontkoombaar mee te sleuren in een algemener verhaal van onderdrukking dan alleen het Israëlisch-Palestijnse conflict. Shibli verhaalt niet alleen over het lot van de Palestijnen maar ook over hoe machthebbers in bredere zin de geschiedenis zo weten te draaien dat de onderdrukten niet worden gehoord.

    Verdrijving

    De commandant uit het eerste deel is met zijn compagnie gelegerd in de Negevwoestijn. Het is een jaar na de Nakba, de hardhandige verdrijving van Palestijnen uit hun gebied, die volgde op de stichting van de staat Israël in 1948. De commandant moet het gebied behoeden voor infiltranten vanuit Egypte. De dagelijkse patrouilles leveren aanvankelijk niets op, tot een groep bedoeïenen wordt ontdekt (nergens uit de tekst blijkt dat die kwaad in de zin hadden) en vermoord. De enige overlevende is een klein meisje dat meegenomen wordt naar het kamp en daar door de soldaten wordt verkracht en uiteindelijk vermoord. Dat voorval vindt plaats op 13 augustus 1949.
    De journaliste leest decennia later over dit incident in een krant. Ze wordt getroffen door het detail dat 13 augustus ook haar geboortedag is, een kwarteeuw later. Het is dus niet het verslag van het incident dat haar aan haar speurtocht zet, maar de datum ervan. Alsof het geweld zoveel omvattend is dat je er bijna gevoelloos voor wordt tenzij een detail je persoonlijk treft. Zoals je je van een schilderij dat je in een museum hebt gezien vooral herinnert dat er onderin een vlieg zat.

    Insectenbeet

    De journaliste begrijpt dat het verhaal in de krant is verteld vanuit Israëlisch perspectief en ze besluit zelf naar de nederzetting in de Negev te gaan om te proberen wat het verhaal in de ogen van het bedoeïenenmeisje was. Haar reis ernaar toe maakt duidelijk hoe moeilijk Palestijnen zich kunnen bewegen op hun voormalig grondgebied. De journaliste moet een auto huren via iemand die in tegenstelling tot haar als Palestijnse wel een creditkaart heeft en ze moet door diverse zones met evenzoveel controleposten, wat haar voortdurend angst bezorgt. Ze geeft zelfs een keer een Israëlische naam op als wordt gevraagd hoe ze heet.
    Shibli laat in dit tweede deel het angstzweet van haar protagoniste prachtig spiegelen met dat van de commandant uit het eerste deel die geïnfecteerd is door een insectenbeet en zweetaanvallen heeft. Hij wast zich voortdurend dwangmatig en elk insect dat hij ziet vermorzelt hij (zoals hij uiteindelijk ook het meisje vermoordt).
    Ook op een andere manier laat Shibli aan de hand van de reis van de journaliste zien wat de Palestijnen door de Nakba zijn kwijtgeraakt. Ze heeft in haar auto routekaarten uit de tijd vóór 1948 met de oorspronkelijke namen en uit de tijd erna waarop al die namen en wegen zijn weggevaagd en dorpen zijn verdwenen.

    Put

    Om te achterhalen wat er werkelijk is gebeurd bezoekt de journaliste verschillende musea en collecties om uiteindelijk alleen maar vast te kunnen stellen dat ze die geschiedenis ook van internet had kunnen halen. Er is één moment, zo beseft ze als het te laat is, dat het anders had kunnen lopen. Dat doet zich voor als ze in de buurt van de plek van het incident een oude vrouw ziet die het meegemaakt zou kunnen hebben. Ze kan die vrouw niet meer terugvinden als ze er spijt van krijgt dat ze haar niet heeft aangesproken. Haar getuigenis is veel meer waard dan de geschiedschrijving door de machthebber, lijkt Shibli hier te zeggen.

    Dat die geschiedenis door de overwinnaars wordt geschreven wordt schrijnend duidelijk in twee passages die dat bevestigen, de ene uit het eerste deel en de andere uit het tweede. In een toespraak tot zijn soldaten zegt de commandant bijvoorbeeld: ‘Als de Arabieren zich er op grond van hun rechtlijnige nationalistische gevoelens niet bij kunnen neerleggen dat wij ons hier vestigen (…) zullen we ons moeten gaan gedragen als een echt leger. Niemand heeft immers meer recht op dit gebied dan wij, nadat het eeuwenlang zo is verwaarloosd dat er alleen nog maar bedoeïenen leven met hun kuddes’.
    Dergelijke neerbuigende taal krijgt de journaliste in het tweede deel te horen van een Israëlische man die in een museum uitlegt wat de militairen in 1949 in het gebied deden: ‘Op een dag hebben ze tijdens een patrouille, in een nabijgelegen put het lichaam van een bedoeïenenmeisje gevonden. Wanneer Arabieren bedenkingen hebben over het gedrag van een meisje, vermoorden ze haar en gooien het lijk in een put’, waaraan de man toevoegt dat hij het jammer vindt dat ze er dat soort gewoonten op na houden.

    Een klein detail grijpt je op bijna elke pagina naar de strot. De lezer blijft met een opdoffer zitten. Dit verhaal moet gelezen worden.

     

  • Alle denkbare ellende bij talentvolle jonge schrijfster

    Leila Mottley (2003) was zeventien jaar toen ze Nightcrawling schreef, haar debuut. Behoorlijk indrukwekkend, het boek werd alom geprezen en stond op de longlist van de Booker Prize in 2022. Het juryrapport meldde onder andere: ‘Kwellend en betoverend met een beklemmend beeld van gemarginaliseerde jongeren die de donkerste hoeken van een volwassen wereld verkennen.’ Ook Oprah Winfrey gaf aandacht aan Nightcrawling. Toch zijn dit geen aanbevelingen om er dan maar van uit te gaan dat het boek ook heel goed is. Niet dat het slecht is, maar het is wel enigszins overschat.

    Het verhaal is gebaseerd op een rechtszaak waarin in 2015 het Oakland Police Department werd beschuldigd van seksuele uitbuiting van een tiener, een zaak die vervolgens in de doofpot werd gestopt. Mottley, woonachtig in Oakland in Californië, zelf destijds een tiener, was diep onder de indruk van de zaak. Uit een onderzoek uit 2010 bleek dat seksueel geweld door agenten de op één na meest gerapporteerde vorm van wangedrag door de politie is. Dit, en de rechtszaak uit 2015, werd samen met een paar minder bekende zaken de basis van Nightcrawler.

    Overleven door brutaal te zijn

    Kiara is een zeventienjarig meisje van kleur, ze is mondig en slim. Haar vader, ooit lid van de Black Panther beweging, is dood. Haar moeder doet een poging tot zelfmoord maar wordt op tijd gevonden. Als behalve de vader ook het jongste zusje dood is, gaat de moeder de gevangenis in. Kiara woont dan samen met haar oudere broer Marcus in de flat van haar ouders, maar de huur gaat omhoog en ze hebben geen inkomen. Marcus verliest zich in zijn muziek, hij wil een rapper worden en weet zeker dat hij zal doorbreken, wat Kiara ernstig betwijfelt. ‘Ik zie hem staan achter het glas, met zijn ogen dicht en zijn vleugels gespreid als een sprookjesversie van mijn broer zijn omhelzing. Het zou zomaar kunnen dat Tupac ligt te rillen in zijn graf want mijn broer kan gewoon niet rappen, het lijkt wel of zijn tong in de knoop zit en de enige woorden die ik versta zijn bitch, ho en deze nigga heeft goud en ik zou het liefst tegen hem zeggen dat deze hele kelder weet dat hij nog twee weken na papa’s dood ons toilet onder kotste omdat hij fysiek niet met verdriet om kan gaan.’

    Kiara probeert een baantje te vinden, wat haar niet lukt zonder schooldiploma en ervaring. Ze heeft geleerd dat ze kan overleven door brutaal te zijn, maar dat werkt lang niet altijd. Ten einde raad komt ze in de prostitutie terecht, ze tippelt op straat en zonder pusher neemt ze risico’s. ‘Het verschil tussen de politie en mannen op straat is dat de agenten er graag een spelletje van maken. Ze slaan niet meteen aan het neuken, maar kijken eerst kwijlend naar me en bedenken hoe ze me precies zo bang kunnen maken dat mijn angst me opslokt en er alleen een lijf overblijft waar ze lekker overheen kunnen gaan, handen die ze vast kunnen binden achter mijn hoofd en angstzweet dat ze op kunnen likken.’

    Kiara doet het puur om het geld. Maar soms betalen ze haar niet eens of ze geven te weinig, want de zogenaamde bescherming van de politie is volgens hen ook betaling. Ze laat zich meenemen naar een louche hotel waar politiemannen samenkomen en ze haar inzetten als hoofdprijs van pokerspelletjes. ‘Ze hebben net twee potjes gepokerd en de winnaars mochten naast mij zitten. Nu zijn ze aan het blackjacken terwijl agent 220 zijn hand richting mijn onderbroek laat kruipen; 81 houdt hem dichter bij mijn knie dan mijn kruis en kijkt bewust de andere kant op. Ik heb nog nooit zo graag iets willen terugdraaien als nu. Ik had nee moeten zeggen toen de politieman uit de steeg mijn nummer vroeg, toen hij vroeg of hij het door mocht geven aan een paar maten van hem, toen die maten me vroegen om in te stappen, toen ik dat deed.’

    Het wordt allemaal plastisch beschreven en wat Kiara overkomt is erger dan een gezond denkend mens voor mogelijk houdt. Ze was acht jaar toen ze getuige was van de bevalling van buurjongetje Trevor. Zijn moeder is zwaar aan de crack en alle vrouwen uit de flat willen weten hoe ze het kind aflevert: ‘…en toen zag de hele meute de haartjes, het piepkleine koppie dat zich uit haar wurmde en haar binnenstebuiten keerde… En met zijn allen zagen we hoe het kindje uit zijn moeder kwam gedreven, met meer bloed dan haar op zijn hoofdje…’

    Rauw en poëtisch

    Prostitutie en smerige agenten, dood, moord en drugs, armoede en honger, het komt allemaal voorbij en Kiara raakt erdoor gepokt en gemazeld. Als Trevor, dan negen jaar, door zijn aan drugs verslaafde moeder in de steek wordt gelaten, neemt Kiara de zorg voor hem op zich. Het zijn de lichtpuntjes in het verhaal, samen met Trevor kan ze nog een beetje kind zijn, en het zijn deze scènes die haar goede hart tonen. ‘Trevors koppie vanochtend deed het hem – zijn blik trok me uit de put waar mama me in had gegooid. Ik heb een lijf en een familie die me nodig heeft, dus ik heb me erbij neergelegd dat dit de enige manier is om ons overeind te houden, daarom sta ik weer op de blauwe straat.’

    Als een agent zelfmoord pleegt en Kiara’s naam in zijn afscheidsbrief noemt, komt het tot een rechtszaak. Kiara moet getuigen en ze krijgt een advocate toegewezen. Deze Marsha is een blanke vrouw op naaldhakken, in mantelpakjes en met een mooie auto. Kiara mag haar niet echt, hun werelden verschillen dag en nacht, maar ze is van haar afhankelijk. ‘”Ja, waarom doe je dat eigenlijk?” Ik heb Marsha nog nooit met zoveel woorden gevraagd waarom ze haar halve leven voor mij en mijn zaak opoffert, terwijl de mensen in de rij staan om bakken geld voor haar neer te leggen. “Gerechtigheid, hè?” Ze lacht erom, maar ik hoor aan haar stem dat het niet de echte reden is. Bovendien geeft Marsha volgens mij geen fuck om gerechtigheid.’

    Het einde van Nightcrawler is zwak, het verhaal zakt weg in mooischrijverij en diepzinnige overpeinzingen die nergens heengaan. De rechtszaak, die toch een groot deel van het boek beslaat, biedt geen uitsluitsel en vervolgens blijft de toekomst van Kiara onzeker, behalve dat haar vriendin Alé haar redt van de eenzaamheid en Trevor, die van haar was afgenomen door de kinderbescherming, even terugkomt om zijn bal te halen.

    Belangrijke stem

    Mottley geeft met dit boek een stem aan zwarte meisjes en vrouwen, transgenders en jongens die slachtoffer zijn van geweld en intimidatie. Het is een urgent en belangrijk verhaal over armoede, racisme, politiegeweld, sekswerk, vriendschap en eenzaamheid. Haar schrijven getuigt van veel talent en is soms poëtisch, soms diep doorvoelt, maar soms ook leest het als een oefening creatief schrijven voor studenten. Het is nogal beschrijvend, er worden heel veel metaforen gebuikt, de spanningsboog zakt regelmatig in en er komen te veel thema’s aan bod, waardoor het verhaal de focus hier en daar verliest.

    In het nawoord zegt Mottley dat Kiara op pure fictie berust en haar omgeving non-fictief is. Het dwingt bewondering af dat Mottley zich zo goed in haar protagoniste heeft ingeleefd, maar het is ook dubbel, want de opeenstapeling van ellende die Kiara is overkomen lijkt ineens iets teveel van het slechte.

     

  • Radioman en schrijver

    Wim Noordhoek maakte een een keuze van honderdvijftig logs uit zijn Avondlog voor het onlangs verschenen boek Wat bleef, uit het avondlog. Het stemgeluid van Noordhoek is al jaren van de radio verdwenen. Een groot gemis, want als weinig anderen slaagde hij er in om schrijvers, musici en beeldend kunstenaars aan de praat te krijgen over wat hen bezielde. Hij begon zijn loopbaan ruim een halve eeuw geleden als redacteur van het studentenblad Propria Cures, en was – met Frits Boer – actief als oprichter van de stichting Jeugdsentiment De Jaren Vijftig en mede-samensteller van het Het Groot Gedenkboek van de Jaren Vijftig. Ook toen al werkte hij voor de radio.

    Al snel slokte de VPRO-radio hem vrijwel geheel op. In het begin veel muziekprogramma’s, later vooral uitzendingen met schrijvers, zoals Music Hall. En natuurlijk sinds 1995 het programma De Avonden. Daarnaast bleef hij wel schrijven, zij het korte stukjes. Columns in de VPRO-gids onder de schuilnaam Alex Mol en vanaf 2006 dagelijks een Weblog-tekst op de boekenpagina van de VPRO. Toen die werd opgeheven zette hij dat voort op zijn website Avondlog. 

    Vijfduizend stukjes

    Ruim vijfduizend stukjes moet hij geschreven hebben in de vijftien jaar dat hij dagelijks dat Avondlog bijhield. Hij maakte de lezer attent op oude of nieuwe kunst, architectuur, literatuur, mens en dier en alles wat hem verder interessant leek en waar hij iets zinnigs over kon melden. De logs werden gretig gelezen. Hij stopte er in 2021 mee, de benen wilden niet meer en die waren nodig voor het vele reizen waarvan het Avondlog getuigde. Veel van die stukjes waren tijdgebonden (tentoonstellingen, voorstellingen, boekverschijningen, films) maar hij heeft nu een keuze gemaakt van honderdvijftig logs die bleven.

    Het zijn ook de meest persoonlijke en inderdaad, ze blijven je bij, hoe klein ze ook zijn: zelden meer dan driehonderd woorden. Ze laten zien dat zijn werk als radio-journalist hem gemaakt heeft tot kenner van  literatuur, muziek en beeldende kunst. Noordhoek vertelt er met smaak over en kan bewonderen zonder idolaat te worden. Mooie staaltjes van beknopte vertelkunst en onderkoelde humor zijn het vaak. Een prachtig voorbeeld is dit stukje over Gerard Reve:

    Bellen met Gerard Reve

    ‘Als Gerard in Frankrijk bouwde aan z’n geheime landgoed verveelde hij zich ’s avonds en ging bellen. Joop was er niet, die sprak geen Frans en bleef in Schiedam. Zo praatte ik lang en veel met Gerard over werkelijk van alles. Een verhaal boeide hem bijzonder. Dat ik vertelde naar aanleiding van de twee legertentjes uit de dump op het Waterlooplein die ik voor hem had gekocht en die daar een zomer op de berg hebben gestaan. Ik had er eerst eentje gekocht en belde. “Niet duur,” zei ik, “35 gulden maar. Met echte legerletters erop.”

    “Koop er dan meteen nog een,” riep Gerard.
    “Waarom?”
    “Omdat ze zo goedkoop zijn natuurlijk!”

    Dit is Reve-logica. Emo Verkerk bracht ze naar Frankrijk.

    Naar aanleiding hiervan vertelde ik hem het verhaal van m’n vader over de officierscapes in het Nederlandse leger in de jaren ’30.
    Wanneer ze op oefening waren met het regiment Wielrijders, vanuit de Bredase Kloosterkazerne, en de nacht viel, konden twee officieren van hun capes een tweepersoons tentje maken. Er zaten extra knopen in die capes, waarmee je ze aan mekaar kon vastmaken. Ze hadden daartoe ook een tentstok bij zich. Gerard kreeg geen genoeg van die twee officieren in hun tentje. “Vertel nog eens…”.’

     

     

  • Stripheld Guust Flater keert terug

    Na zevenendertig jaar is er weer een nieuwe Guust Flater. Zitten we daarop te wachten?  Een strip die begon in 1957, het jaar waarin de EEG werd opgericht, de eerste knipperbollen verschenen en de maximumsnelheid in de bebouwde kom op vijftig kilometer werd vastgesteld? Toen Willem Drees onze premier was en Dorus een hit had met Twee motten? Toch is Flater slaat weer toe! (het origineel heet Le Retour de Lagaffe) de moeite waard. Dat is te danken aan Delaf (Marc Delafontaine), opvolger van de overleden schepper André Franquin, die zeer subtiel en consciëntieus met de erfenis is omgegaan. 

    Franquin (1924-1997) was een van de grootse Belgische striptekenaars van de vorige eeuw. In 1947 nam hij de strip Robbedoes over en bracht die al spoedig tot grote hoogte. Niet alleen door de fraaie tekeningen en de aanstekelijke grappen, maar ook door het verzinnen van interessante bijfiguren naast de hoofdpersonen Robbedoes en Kwabbernoot, en vooral ook de locaties. Kortom een eigen wereld. Voor die wereld bedacht Franquin in 1957 Gaston Lagaffe (Guust Flater), een personage dat de redactie van het tijdschrift Robbedoes moest opvrolijken als sullige postsorteerder. 

    De sullige postsorteerder

    Een groot deel van de dag slaapt hij. Maar als hij wakker is, probeert hij op allerlei manieren stiekem onder zijn werk uit te komen. Ook veroorzaakt hij de ene ramp na de andere. Hij experimenteert met van alles, bedenkt de ene na de andere ‘handige’ uitvinding en verwezenlijkt die ook. Daardoor ontstaan overstromingen en ontploffingen, zelfs vliegtuigen en ruimtevoertuigen worden niet gespaard. Zijn Flaterfoon veroorzaakt aardbevingen. Redactiemedewerkers krijgen geregeld Flaters bowlingbal op hun kop, worden dagenlang opgesloten of kleven een weekend aan elkaar. Is dat leuk?

    Alsof dat nog niet genoeg is, heeft Guust een verschrikkelijke meeuw en een dito kat die de redactieruimte terroriseren. Maar zijn grootste slachtoffer bevindt zich daarbuiten. Meneer De Mesmaeker, een zakenman die door de akelige experimenten van ‘de nozem’ Flater telkens zo kwaad wordt dat hij zijn contracten verscheurt of opeet. En vooral de arme parkeeragent Vondelaar die de meest verschrikkelijke dingen wordt aangedaan. Bij de zakenman kun je nog denken aan slordige samenlopen van omstandigheden, maar bij de – inderdaad wat ijverige – agent gaat het om kwalijke pesterijen. Lachen?
    Aanvankelijk is op de redactie Kwabbernoot de chef van Flater, met een enkele cameo van Robbedoes. Verder hebben is er de tekenaar Krasser, een anonieme collega, de boekhouder Van Gestel en juffrouw Jannie van het secretariaat, die verliefd is op Guust. Vergeefs. Komisch?

    Veel van hetzelfde

    Hierboven zijn al wat kanttekeningen geplaatst bij het grappigheidsgehalte, en wie de verzamelde Flaters (twintig albums in het Nederlands, eenentwintig in het origineel) herleest, wordt er inderdaad niet erg gelukkig van. Het begint met gags die een halve pagina beslaan. Ze krijgen pas jaren later het formaat van een hele pagina en nog later beslaan ze er twee of drie. Dat leest boeiender. Want telkens weer die ontplofte Kwabbernoot en verbrande contracten, dat verveelt. 

    De recente definitieve uitgave van de albums is opgevuld met losse tekeningen en redactionele teksten uit het blad. Duidelijk van mindere kwaliteit en ze leiden de aandacht af van de strips. Op een cd kunnen de bonusnummers worden overgeslagen, maar bij een stripalbum werkt dat niet. Franquin had veel werk overgelaten aan assistenten, maar als hij in 1967 ophoudt met de strip Robbedoes, overigens in een daverend laatste album met Flater en de hele cast van beide strips, krijgen we de pijp rokende Pruimpit in diens plaats. Toch ook dan telkens weer die ontplofte chef, verbrande contracten, gepeste agent en Flaters vreselijk auto, een taxi-achtige Fiat 509.

    Gaandeweg toont zich de meester als Franquin steeds meer zorg besteedt aan de plaatjes, met rare figuurtjes op de achtergrond en elke gag voorziet van een signatuur waarin een grappige commentariërende tekening – soms met tekst – is verborgen. En…Franquin wordt politieker. Hij laat Guust deelnemen aan een ban-de-bom-demonstratie en een door Greenpeace geïnspireerd fulmineren tegen het walvisjagen, waarbij de flaterfoon een positieve bijdrage levert. Ook protesteert Guust tegen het martelen van politieke gevangenen in een advertentie voor Amnesty International. 

    En Last but not least, emancipatie! Aanvankelijk was juffrouw Jannie een onaantrekkelijke, bebrilde hobbezak met een paardenstaart, alleen geschikt om met Guust op een gemaskerd bal als achterste helft van een paard op te treden. Een schril contrast met de andere secretaresses die, zoals Bomans dat destijds zou hebben omschreven, ‘een leuk figuurtje’ hadden. Na enige tijd maakt Franquin van haar een wulps, huppelend meisje, met een klein stukje onderjurk onder haar rok uit piepend. Uiteindelijk krijgt ze een sexy strakke spijkerbroek en geruite blouse. De verliefdheid blijkt nu ook wederzijds. Jannie en Guust dromen zelfs op kantoor tegelijkertijd van hun romantische verblijf op een onbewoond eiland. 

    Gecomponeerd als een geheel

    In december 1996 was Franquin drieënzeventig, de lezers hadden veertien jaar moeten wachten op een nieuw album, maar toen verscheen Van Flaters tot kraters. Een bestseller. Een paar weken later overleed de schepper.
    Met enige sceptisch werd er aan deze Flater slaat weer toe! begonnen. Al lezend ontstond er steeds meer bewondering voor Delaf. De strip begint alsof Flater een lange vakantie heeft genomen. Eerst met gags van een pagina, maar allengs lopen ze door en introduceert Delaf subtiel een verhaallijn. Namelijk de stapel tekeningen van Franquin die telkens verdwijnt (en weer opduikt) met als risico een blad met lege pagina’s en een toptekenaar die naar de concurrent stapt. Bovendien keert Kwabbernoot weer terug als chef omdat Pruimpit overspannen is geworden, met af en toe Robbedoes en de marsupilami in zijn kielzog. Flater slaat weer toe! is dus gecomponeerd als een geheel.

    Het verwachte defilé van de personages en de Flater-attributen doseert Delaf eveneens kundig en hij varieert de grappen zodanig dat we niet steeds dezelfde krijgen voorgeschoteld. De agent Vondelaar neemt nu eens Flater te pakken en die is op zijn beurt ook vaker slachtoffer van zijn eigen strapatsen. Hij neemt zelfs ontslag bij Robbedoes omdat hij het blad niet verder in gevaar wil brengen. Netjes, dat Delaf Franquin buiten beeld houdt, evenals het personage dat Franquin gedeeltelijk op zichzelf had gebaseerd, Bertje Blunder. 

    Veel strips die door anderen worden voortgezet, concentreren zich op de gouden jaren. Blake & Mortimer liepen oorspronkelijk door tot begin jaren zeventig, maar de nieuwe avonturen spelen in de jaren veertig en vooral vijftig. Delaf heeft zich dan ook bewust op jaren zeventig geconcentreerd. De madammekes en de heertjes uit het begin van de strip, tuttig getekend ook, bestaan nog net. Aanvankelijk had Flater, net als cowboy Lucky Luke, een onafscheidelijk sjekkie in de mond, maar dat verdween al vroeg. Nu is ook Pruimpits pijp verdwenen.
    Alle nostalgie op een rijtje, paradoxaal genoeg is Flater slaat weer toe! de beste en leukste introductie in het oeuvre. Wel jammer dat de latere politiek afwezig is, evenals de emancipatie van Jannie. Weer een piepend stukje onderjurk en geen gezamenlijke dromen meer van een paradijsje.



  • Een overdonderend debuut

    Niet geschikt voor publicatie van Gabrielle la Rose is alleen al vanwege zijn titel een intrigerend boek. Zo’n boek moet je gewoon lezen. Maar je wilt natuurlijk ook weten: wie is die schrijver? Gabrielle la Rose werkt bij de gemeente Amsterdam als beleidsadviseur schoolveiligheid op middelbare scholen. Zij is opgegroeid in de jaren tachtig in Amsterdam-Oost. Zij heeft de straatcultuur van hangjongeren goed leren kennen, omdat zij daar zelf deel van heeft uitgemaakt. Zij heeft met eigen ogen gezien hoe veel van deze jongeren aan hun lot worden overgelaten en een willige prooi worden van drugsdealers. Hoewel Niet geschikt voor publicatie sterk autobiografisch is, blijft het een roman en is Tyrell, de hoofdpersoon in het verhaal, een verzonnen figuur.

    Op zoek naar veiligheid en liefde
    Het verhaal speelt zich af in de jaren tachtig in haar eigen bekende buurt, in een volkswijk rondom het Beukenplein. De hoofdpersoon is Tyrelle, Tye voor zijn vrienden. Tyrelle groeit op in een gebroken gezin samen met zijn zusje Kimmetje. Voortdurend heeft zijn moeder een nieuw vriendje over de vloer. Het afscheid gaat vaak gepaard met veel geweld. Alleen de buurvrouw heeft in de gaten hoe het er in het gezin aan toe gaat.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Vol zielskracht

    De titel van dit boek geeft al veel prijs: Leven in termijnen, van scan naar chemo, van bloedprikken naar bestraling. En letterlijk: ondertussen het leven verlengen, tijd kopen. Een verkeerde uitspraak van het laatste deel van de achternaam van de auteur (dood in plaats van doed) is in dit verband schrijnend. Dit verband is het leven na de diagnose uitgezaaide kanker, ongeneeslijk ziek zijn, en ook van een leven na een traumatische jeugd. Beide verhalen worden soms alleen in aanduidende zin verteld en door elkaar geweven.

    Shadood is in 1967 in Paramaribo uit Guyanese geboren, haar ouders waren Hindoestanen. Tot voor kort werkte ze in Baarn als coach persoonlijke ontwikkeling. Waheeda is de vrouwelijke vorm van wahid, Arabisch voor zowel één als uniek. Ieder mens is uniek en ieder verhaal ook. Iedere schrijver verwerkt zijn/haar verhaal over kanker en trauma’s op een eigen manier. Lieke Marsman doet dat in dichtvorm (De volgende scan duurt vijf minuten), Herman Koch recent in het autobiografische Ga je erover schrijven?, een boek dat meteen de bestsellerlijsten binnen dendert. Er zijn overeenkomsten. Shadood schrijft vergelijkenderwijs bijvoorbeeld: ‘Na acht minuten sta ik weer buiten.’ Zó kort maar, terwijl het zo erg is, lijken zowel Marsman als zij te denken en ons mee te willen geven.

    Ellendige ervaringen

    Shadood voegt aan deze ziektegeschiedenis nog iets toe, namelijk dat wat in het voorwoord van haar echtgenoot Rik Bulten ‘weinig feestelijke herinneringen’ worden genoemd. Dat is een eufemisme voor de ellendige ervaringen die Waheeda als kind en jong meisje overkwamen. Zo werd ze op vijfjarige leeftijd samen met haar zusje en broertje door haar moeder achtergelaten in Guyana. Hun moeder keerde terug naar haar eigen ouders in Suriname. Haar vader huwt achtereenvolgens verschillende vrouwen die Waheeda’s stiefmoeders worden. Ze verdwijnen altijd weer snel. Huilen doet Waheeda dan niet, later wel. Op haar zeventiende vertrekt ze naar Nederland.
    Op het eind van het boek vindt verzoening met haar moeder plaats. Eerst via belcontact en later tijdens een bezoek van haar moeder aan het ziekenhuis waar haar dochter ligt. Met ‘rechts een infuus met het levensverlengende én dodelijke elixer dat rechtstreeks mijn aderen in wordt gepompt, en (…) links de vrouw die mij het leven schonk’.

    Meerdere lagen

    Je kunt in het boek meer van dergelijke tegenover elkaar staande elementen ontwaren die de auteur hand-in-hand laat gaan. Of misschien moeten we zeggen: ontwarren, want het boek is, hoe indrukwekkend ook, helaas niet altijd even helder qua structuur en woordgebruik.
    De eerste twee elementen zijn uiteraard leven en dood. Shadood geniet ondanks alles, en ondanks moeilijke momenten van twijfel en pijn, van het leven, van haar man en zoon Jaden, die ze omschrijft als ‘inspirator, voorbeeld en spiegel’ en laat zich door het aanschijn van de dood niet uit het lood slaan.
    De volgende twee elementen zijn de twee culturen, in elk waarvan ze met een been staat: die van Guyana en die van Nederland. Daarmee verbonden zijn respectievelijk de alternatieve Chinese geneeskunde waarvan ze door een orthomoleculaire arts op het spoor is gezet en de klassieke geneeskunde in het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam. En tenslotte, als derde, haar traumatische jeugd en de ziektegeschiedenis die haar daar soms naar terugvoert. Bijvoorbeeld tijdens een inwendig onderzoek.

    Net als deze lagen van Waheeda’s verhaal is het boek deels tweetalig: voor het overgrote deel Nederlands en waar haar niet-Nederlandse familie aan het woord is, of wanneer zij met ze spreekt, Engelstalig. Helemaal duidelijk wordt de bedoeling van deze tweetaligheid niet.

    Protocollen en alternatieven

    Het boek kraakt ook een kritische noot richting de Nederlandse zorg, net als basisartsen in opleiding of pas afgestuurde artsen dat zelf soms ook doen. Shadood loopt aan tegen de vele protocollen. Al spreekt ze aan de andere kant ook veel waardering uit voor individuele artsen in onder meer het Antoni van Leeuwenhoek. Hoewel zij in coronatijd achter plexiglas zitten en Shadood rustig een laborante knuffelt. En er zijn ook nog de protocollen van de verzekeringsmaatschappijen over onder meer wat wel en niet wordt vergoed. Bijvoorbeeld over aanvullende alternatieve geneeswijzen, zoals een suikervrij en koolhydratenarm dieet. Niet iedereen is ervan overtuigd dat dit werkt, maar Shadood wel.

    Hoewel het haar soms aan helderheid ontbreekt, ze zichzelf een enkele keer wat lijkt tegen te spreken – bijvoorbeeld over hoe sterk of kwetsbaar ze nu eigenlijk vroeger was en nu is – en de bedoeling van de tweetaligheid niet duidelijk wordt, is Leven in termijnen zonder meer een indrukwekkend boek. Hoe het na het afronden hiervan nu met de auteur is gesteld, houdt ze bij op haar blog waheeda.nl.

     

     

  • Overleven, daar draait het om

    Natuurlijk schreef Roxane van Iperen eerder vlot leesbare boeken, maar in haar meest recente roman Dat beloof ik ontpopt ze zich als iemand die schijnbaar achteloos de ene na de andere schitterende zin op het papier werpt, geen moment de spanning in de tekst laat varen en zware, aangrijpende scènes zodanig weet te suggereren dat ze als een vuist in je buik aankomen.

    In thematiek doet Dat beloof ik denken aan Vallen is als vliegen (Querido, 2020) van Manon Uphoff. Bij Van Iperen gaat het echter minder over seksueel misbruik, al overkomt haar alter ego M. dat wel degelijk ook. Van Iperen schrijft vooral over geestelijke en lichamelijke mishandeling. In die zin zou een vergelijking met Mijn vaders hand (Bezige Bij, 2022) van Bart Chabot voor de hand liggen. Chabot beschrijft in dat boek hoe hij werd geterroriseerd door zijn ouders, maar waar Chabot vooral vertelt hoe afgrijselijk zijn jeugd was, daar laat Van Iperen ons de afschuwelijke geschiedenis van het meisje M. naar adem snakkend meemaken.

    In het begin heb je als lezer van Dat beloof ik misschien wat moeite met het schijnbaar ontbreken van ‘een grote wil’; het hoofdpersonage M. lijkt niets te willen; alle ellende overkomt haar en dat is volgens de eerste literaire hoofdwet van de Nederlandse schrijver Nicolien Mizee een hoofdzonde. Zonder grote wil komt een verhaal niet op gang, betoogt ze in haar gebundelde schrijflessen onder de titel De grote wil en andere schrijflesverhalen (Nijgh & Van Ditmar, 2020). Maar dan, na een pagina of vijftig in Dat beloof ik dringt het door: M.’s grote wil is te overleven. Dat is misschien wel de meest elementaire drijfveer van de mens die onder de erbarmelijkste omstandigheden als laatste overblijft. Niet eten, niet warmte of geborgenheid, niet erkend of gezien worden, nee – overleven. Daar draait het om.

    M. is voortdurend bang voor haar vader, een onberekenbaar gevaar dat als het losbreekt letterlijk dwars door merg en been ramt. Ook het geestelijk beperkte broertje en M.‘s moeder zijn slachtoffer van dit monster. M. probeert ze zoveel mogelijk te beschermen, hoewel ook de moeder haar voortdurend in de steek laat, kleineert en verwaarloost.

    De angst voor haar vader overheerst niet alleen het leven van M., maar ook het proza zelf. Angst spat van de pagina’s. Het meisje staat strak gespannen als een veer, de tekst spiegelt dat zowel in de inhoud als in de vorm. Veel korte zinnen. Bepaalde herhalingen. En een enorm palet van metaforen die telkens opnieuw duidelijk maken hoe diep haar angsten zijn doorgedrongen in buik, hoofd en hart. Pesterijen op school zijn erg, maar kunnen vrij gemakkelijk door M. worden verdragen omdat ze in het niet vallen bij het geweld dat haar thuis te wachten staat.

    Semi-autobiografisch is dit boek, zoals Van Iperen bij de lancering van haar boek in de Volkskrantverklaarde. Het is nauwelijks voor te stellen dat ze werkelijk zo’n soort jeugd heeft doorgemaakt, maar wie Dat beloof ik heeft gelezen kan achter de vrouw met haar schijnbaar zelfbewuste welbespraaktheid ineens óók een flits opvangen van het angstige, magere en zelfbewuste meisje dat zich vast heeft gebeten in de grote wil om te overleven.