• Hommage aan een schrijver van fijne kinderboeken

    De wonderbenen van Umberto is een heruitgave van een boek uit 1965. In 1966 is het gekozen tot beste kinderboek van het jaar, een voorloper van de Gouden Griffel. Het is, aldus de huidige uitgave, bestemd voor jongens en meisjes van acht jaar en ouder, al werd het in 1965 ongetwijfeld gezien als een typisch jongensboek. Ton Oosterhuis is een gevierd kinderboekenschrijver en wordt door de Volkskrant bij zijn overlijden in 2017 geëerd met de titel ‘Homo Universalis van rode snit’.

    […]

    Een absolute meerwaarde bij het boek vormen de tekeningen van de jonge Peter van Straaten. Volgens sommigen gaat tekenen voor een groot deel over de kunst van het weglaten. In die zin is het prachtig om te zien hoe hij nog zoekende is naar de vaste vorm die zijn latere tekeningen kenmerken. Zo bezien is dit boek niet alleen een hommage aan Ton Oosterhuis, maar ook aan Peter van Straaten.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Leven en werk van Wigman in prachtig vormgegeven boek

    Op een of andere manier is in het huis van de literaire historie altijd plaats voor de gedoemde dichter. Tijdens zijn leven verguisd, bespot, gemeden of in elk geval niet goed begrepen. En na zijn dood juist herkend als kwartiermaker en wegbereider. In Nederland was Slauerhoff er zo een. Het ultieme specimen is de Franse 19de eeuwse dichter Charles Baudelaire. Ten slotte ook maar de schrijver van één werkelijke bundel, maar wat voor een: Les fleurs du mal (1857) groeide uit tot een van de meest invloedrijke gedichtenbundels ooit. 

    Menno Wigman voelde zich sterk verwant aan Baudelaire. Al op 21-jarige leeftijd vertaalde Wigman gedichten van Baudelaire en publiceerde deze in eigen beheer, onder het halfpseudoniem Menno Wichman, met c h, waarmee hij een saluut bracht aan die ándere Nederlandse zeer onburgerlijke poète maudit: Erich Wichman(n), die leefde van 1890-1929. Menno Wigman overleed in 2018, slechts eenenvijftig jaar oud. Aan zijn dichterschap is nu (vijf jaar na zijn ontijdige dood) een ondanks alles, bijzonder feestelijk lees- en kijkboek gewijd.

    In een tiental hoofdstukken wordt Wigman’s leven en werk van verschillende kanten belicht. Sommige van die hoofdstukken zijn in principe ‘tekstloos’, d.w.z. er is genoeg te lezen maar het betreft vooral afbeeldingen van schrijvers en boeken die Wigman hebben geïnspireerd, vaak knipsels, handschriften, plakboeken en ander geknutsel uit de nalatenschap van de dichter zelf. Andere meer beschouwende hoofdstukken zijn van de hand van vriendin van Wigman en vertaalster Kiki Coumans, en de dichters Rob Schouten, Willem Thies en Vrouwkje Tuinman. 

    Op 16-jarige leeftijd maakte Wigman in eigen beheer zijn eerste poëziebundel, hij gaf een eigen tijdschrift uit (‘Nachtschade’) … alles getuigde van ‘het vuur van zijn ambitie’. En ook voor het overige komt het allemaal voorbij: drummen in een punkbandje, de telkens weer veel te tijdelijke troost van seks, verlangen naar Parijs, spleen, dwepen met vergankelijkheid en dood. Juist in de context van dit laatste manifesteerde Wigman zich – zeer toepasselijk – als een der initiatiefnemers van het fenomeen ’eenzame uitvaart’.  

    Pièce de resistance is het slot van het boek, dat een inventaris behelst van Wigman’s bibliotheek. Het gebruikte lettertype is helaas te klein om makkelijk te kunnen lezen; ongetwijfeld is hiervoor gekozen met het oog op de nodige ruimtebesparing, en met een vergrootglas is het leesbaar. Aldus is men erin geslaagd om op zestien bladzijden ruim 3.200 titels op te sommen van boeken die bij Wigman in de kast stonden. Een prachtige lijst met – wie zal het verbazen – heel veel poëzie. Van Achmatova tot Yeats en van Achterberg tot Tuinman. En heel veel Baudelaire. 

    Het is ongerijmd dat een boek over een helaas te jong gestorven dichter, die zelf bezeten was van dood en vergankelijkheid, zoveel enthousiasme weet los te maken. Want dat doet het. Voor de makers van dit boek, van wie zeker ook vormgever Huug Schipper moet worden genoemd, voor dichter Menno Wigman en voor de poëzie zelf. Bron van schoonheid, inspiratie en troost. 



  • Peter Middendorp maakt wederom indruk met zijn vervolg op Jij bent van mij

    Een roman opnieuw verteld vanuit een ander personage dan de oorspronkelijke hoofdpersoon is geen vreemd verschijnsel. Jean Rhys wijdde in 1966 The Wide Sargasso Sea aan de eerste echtgenote van Mr Rochester uit Jane Eyre (1847) van Charlotte Brontë. Kamel Daoud deed hetzelfde in 2013 met Meursault, contre-enquête met de anonieme Arabier uit L’Étranger (1942) van Albert Camus. En vorig jaar verscheen Julia van Sandra Newman, dat Orwells Nineteen EightyFour (1949) herschreef vanuit het perspectief van de geliefde van hoofdpersoon Winston. In deze drie gevallen gaat het om kritiek op het origineel. Bij Rhys en Daoud vanuit een postkoloniaal perspectief. Bij Newman, en ook enigszins bij Rhys, vanuit een feministisch perspectief. Heel interessant, want meer dan een wetenschappelijke beschouwing spoort zo’n nieuw perspectief je aan om het oorspronkelijke werk voortaan met andere ogen te lezen.

    Wanneer echter een auteur zelf een werk vanuit een ander perspectief herschrijft, is dat geen kwestie van kritiek, maar het uitdiepen van een personage. Dat deed Albert Helman in De laaiende stilte (1952) met Agnès d’Esternay uit De stille plantage (1931). Net als Hugo Claus in Onvoltooid verleden (1998) uit het koor van figuren in De geruchten (1996) Noël, de broer van het belangrijkste personage, plukte, evenals ex-commissaris Blaute die hem verhoort.

    Gedurfde verteller

    Jij bent van mij is een knappe en gedurfde roman. Nog sterker dan bij De geruchten van Hugo Claus, waar de affaire-Dutroux doorheen schemert, is Middendorps roman geënt op de moord op de zestienjarig Marianne Vaatstra in 1999. Een paar jaar na de ontknoping in 2012, waar de media wekenlang over berichtte,  schreef Middendorp het boek. Noemenswaardig is hoe Middendorp de valkuil van de sensatie weet te vermijden. Zo werd Vaatstra vermoord in de nacht na Koninginnedag, Middendorp gebruikte dit gegeven niet voor zijn Rosalinde. Geen spectaculair dorpsfeest dat in een drama eindigt.

    Dat hij de moordenaar Storkema het verhaal laat vertellen, is gedurfd. Jij bent van mij is geen chronologisch verslag van fatale gebeurtenissen, eerder een arrangement van belangrijke momenten uit het leven van de verteller. Daarin wordt de moord vanaf het begin via flashbacks gedoseerd, indirect en verhuld beschreven. Volgens de manier waarop Storkema zijn relaas arrangeert. De eerste keer spreekt hij over ‘het ongeluk’ met Rosalinde. Pas later weten we dat het om moord, verkrachting en verminking gaat. Middendorp psychologiseert niet door zijn verteller langzaam maar zeker naar de fatale daad te dirigeren, noch doet hij het tegendeel – een aardige vader en echtgenoot met twee jonge kinderen wordt getroffen door een plotselinge vlaag van waanzin. Hij blijft er tussenin. We zien iets aankomen en worden toch verrast als het noodlot toeslaat. Storkema is, zoals veel vaders, dol op zijn dochtertje, maar tegen de tijd dat zij de leeftijd bereikt van de gestorven Rosalinde en hij beseft dat er nooit vriendinnetjes op bezoek komen, krijgt zijn fixatie op haar lichaam voor de lezer iets griezeligs.

    Invloed media

    Middendorps beginzin staat als een huis: ‘Ik stond achter op het veld, toe te kijken hoe het linkerbeen van mijn vader door een maaidorser werd opgegeten.’ We weten direct twee dingen. Ten eerste dat Storkema destijds twaalf was en deze gebeurtenis traumatisch voor de jongen moet zijn geweest. Ten tweede dat hij een toeschouwer is, geen handelend persoon, waardoor hij niet door de omgeving wordt opgemerkt. Verlegen als hij is, ontstaat er desondanks een relatie met een meisje uit een dorp twintig kilometer verderop, Ada. Ze trouwen, krijgen twee kinderen en hebben na het vertrek van Storkema’s ouders, de boerderij voor zich alleen. Hun dagelijks leven vormt het belangrijkste deel van Jij bent van mij. De roman is daardoor meer dan alleen het verhaal over een moordenaar en zijn gezin. Middendorp laat ook terloops, maar ondubbelzinnig de vernietiging van de natuur door schaalvergroting zien en staat stil bij de xenofobie van de plattelanders.

    Doordat de media de moord ‘On-Nederlands’ vond, ontstaat er opschudding onder de bevolking die meteen twee asielzoekers verdenkt. Navrant dat juist Storkema degene is die Ada en haar buurvrouwen erop wijst dat er een haar van een Nederlandse man op het lichaam is gevonden. Als er jaren later een DNA-onderzoek komt waaraan hij meedoet. Had hij al die jaren over zijn daad gezwegen om zijn jonge gezin te sparen, en was dat ook het motief voor de houding van zijn vrouw? 

    De lezer van De kant van Ada hoopt uiteraard op antwoorden. Dat ligt gecompliceerd. Middendorp vertelt De kant van Ada in een heel andere stijl. De eerste roman was na de proloog over het vaderbeen, keurig en symbolisch verdeeld in vier seizoenen. Eindigend met de ‘winter’ waarin het net zich sluit en de politie aanbelt om Storkema te arresteren. De kant van Ada vertelt Middendorp eveneens in de eerste persoon, maar in de vorm van een uit 21 fragmenten opgedeelde theatermonoloog. Geordend via de jaren 2010, 2021 en 2022. De zinnen hebben geen punt en beginnen met een hoofdletter als ze op de volgende regel verder gaan.

    Gegevens over het verleden

    Net als bij Hugo Claus is deze tweede roman vooral een sequel. Weliswaar blikt Ada terug op haar leven tot het moment dat de politie aanbelde. Interessant is de spanning die Ada vanaf het begin in het huis van Tilles ouders voelde, en dat die niet is verdween met hun verhuizing. Maar we vernemen vooral wat er vervolgens gebeurde met de leden van het gezin. En met Storkema, die Ada een keer per week opzoekt in de gevangenis. Wat treft, is het besef hoe weinig we over Ada’s achtergrond te weten kwamen in het eerste boek over deze zaak. In het begin vermeldt de verteller dat Ada Hofstra ‘zo weinig verleden heeft’: ‘Ze sprak nooit over ouders, vrienden of kennissen. Voor zover ik wist had ze geen broers, zussen, tantes, ooms of ook maar een huisdier.’ Daaraan wordt in de rest van de roman niets toegevoegd. Zou dat Middendorps motivatie zijn geweest voor De kant van Ada?

    Het weinige dat hij van haar verleden invult, is veelzeggend. Haar vader liep weg toen ze heel jong was, in zijn plaats kwam een stiefvader die haar misbruikte. Ada’s ideaal was daarom de familiecyclus te doorbreken van vrouwen die op de verkeerde mannen vallen en dat blijkt niet gelukt. Ze wil vooral een goede moeder (en grootmoeder) zijn. Ada wordt verteerd door de vraag of ze medeschuldig is aan het feit dat haar man een verkrachter, een moordenaar is. Had ze het kunnen voorkomen? Had ze haar zwijgen eerder moeten doorbreken? Of is zij ook een slachtoffer? 

    Vervreemding binnen het gezin

    De kinderen groeien op met een vader in de gevangenis en een moeder in een nieuwbouwwijk. Ze leiden steeds meer een eigen leven waardoor ze vervreemden van hun moeder. Net als Ada’s twee buurvrouwen die haar daadkrachtig door het eerste helse jaar hebben geholpen, naar de achtergrond verdwijnen. Ada vereenzaamt en wordt steeds vaker lastiggevallen door mensen die menen dat zij het ‘heeft geweten’. Des te acuter naarmate de vrijlating van Storkema dichterbij komt.

    Wanneer je De kant van Ada uithebt, word Jij bent van mij dan met andere ogen gelezen? Nee, en we weten nog steeds niet precies wat Tille en Ada bewoog. Zoals ze dat uiteindelijk ook niet precies van elkaar weten. Het slot van De kant van Ada is niet de vrijlating van Tille, maar een korte epiloog waarin Ada droomt van een kleine verbouwde woonboerderij. Met een moestuin en boomgaard, twee honden en een oude koe. Een paradijsje voor haar twee kleinkinderen met pannenkoeken en al. Kennelijk zonder haar echtgenoot. 

    Net als het begin van deze cyclus staat Middendorps slotzin als een huis: ‘Toe omi, lees nog wat verder, het is zo spannend. Toe omi, alsjeblieft, een paar bladzijden nog.’ De laatste bladzijden over Tille en Ada laat Middendorp aan de verbeelding van de lezer over. Zoals hij zelf op een uiterst boeiende manier zijn verbeelding voedde met de krantenberichten over de Vaatstra-geschiedenis. Waarover hij onlangs bij Sophie & Jeroen de oren werd gewassen door Henk Kamp, de minister die zich rond de Groninger gasbevingen grotelijks misdragen had en daarvoor beloond werd met het erelidmaatschap van zijn partij. Hoe Middendorp ook zijn best deed om uit te leggen dat beide boeken vanuit zijn verbeelding zijn geschreven en dat hij juist afstand had genomen van de werkelijke personen, de bekroonde politicus bleef erin volharden dat de auteur met alle betrokkenen had moeten spreken. De literaire ontlezing is dus al veel verder verspreid dan men vreesde.

     

     



  • Schokkend familiedrama

    In We moeten praten van Jan van Mersbergen lezen we het verhaal van de elfjarige Koen. Hij moet zoals alle leerlingen een spreekbeurt houden in groep zeven, hoewel hij al sinds zijn derde geen woord meer heeft gezegd. De juf is benieuwd waar hij mee komt. Koen is vastbesloten om alles te vertellen en doorbreekt zeven jaar zwijgen. Wat een mooi begin van dit boek is, je zit meteen in het verhaal. ‘Ik ga jullie alles vertellen en dus ook waarom ik zo lang mijn mond heb gehouden. (…) Mijn spreekbeurt is lang. We zullen misschien een paar keer een pauze moeten houden.’
    Koen zit in een klas met kinderen die Omar, Hasan en Amir en Sofia heten. ‘Ik weet heel goed dat jullie zeggen dat ik een sukkel ben of een moron of een freak, maar ik ben wel hier op school om iets te leren, al heb ik meer van opa geleerd. Sorry, juf.’

    Hij woont bij ‘opa’, die niet zijn biologische opa is, maar de buurman met een moestuin. Dat hij geen ouders heeft en dat de buurman zich over hem ontfermt, blijkt al snel. Opa met zijn Brabantse tongval is Koens referentiekader geworden. Van opa leert hij over sterrenstelsels, zoals Cygnus, het sterrenbeeld Zwaan. Koen voegt soms grappige zinsneden van opa aan zijn verhaal toe. Koens vader was fan van de Red Hot Chili Peppers. Hun teksten vertaalt opa naar een Brabantse variant. ‘M’n achterdeur is nie op slot umdakkum openloat, veur ooit.’

    Onvermogen

    We moeten praten is opgebouwd uit drie delen. Koens verhaal met zijn spreekbeurt heet Praten en beslaat bijna honderd bladzijden. Daarna komt Moeten, een monologue intérieur van de vader waarin een trieste man naar voren komt die zijn vrouw en zoon niet kan vertellen wat hem scheelt. ‘Het gras wordt gedroogd. De langste dag. Koen kan praten. Ik ga hem vertellen van zijn ontstaan, van jouw ontstaan en van mijn afstand tot hem. Sorry.’ Onvermogen om je te uiten is een thema dat Van Mersbergen vaker gebruikt in zijn boeken.

    In We komt opa aan het woord. Opa vindt het nodig om zijn verhaal aan de conciërge van de school te vertellen en dat maakt veel duidelijk. ‘Toen de spreekbeurtendag aangebroken was, zei hij tegen Koen dat hij in de buurt zou zijn. Zodat hij zich gesteund voelde, en veilig, of zoals de oude man het zelf noemde, als back-up. Ik ben er.’ Zijn verhaal leidt naar de onvermijdelijke en navrante plottwist toe en voor Koen is het goed dat hij de back-up is.

    Spreekbeurt en levenslessen

    Koens spreekbeurt had wel hele boek mogen beslaan omdat het een prachtig deel is. Hoewel het een kind-perspectief is, ontroert Koen en is hij grappig en wijs. Van zijn vader heeft hij alle moeilijke woorden geleerd, en ‘opa’ is de enige die hem echt begrijpt. De juf en de klasgenoten hangen aan zijn lippen, hij weet ze mooi bij zijn leven te betrekken. Hij heeft van ieder van hen iets kleins gepikt of weggenomen uit ergernis om hun pestgedrag. Dat geeft hij tijdens zijn spreekbeurt terug met een reden en een waarschuwing erbij. Als lezer denk je, dat kind komt er wel, ondanks zijn tegenslagen.

    Koen hangt zijn relaas op aan vier steekwoorden: ‘Mama – opa – zwaan – papa.’ Mama, Helena, is van Griekse komaf, ze verlaat het gezin als Koen drie jaar is en gaat terug naar huis. Haar laatste woorden ‘We moeten praten’, hoort Koen in de telefoon van zijn vader en op dat moment besluit hij nooit meer te praten.

    Zwaan

    Kort daarna zien Koen en zijn vader een aangereden zwaan dood langs de weg liggen. De volgende dagen zit een vrouwtjeszwaan treurend bij die plek. Hoewel Koen niet praat, maakt hij wel contact met de zwaan en lokt hij het dier mee naar huis. Hij krijgt zelfs een sterke band met de vogel, wat een mooie metafoor voor de Griekse moeder is en verwijst naar Leda en de zwaan uit de Griekse mythologie. Want, zo blijkt in het tweede deel, de vader heeft teelbalkanker en vergelijkt zichzelf met Zeus. Hij praat tegen zijn tumor, maar kan zijn vrouw en kind niet over zijn ziekte vertellen. Zijn onvermogen en eenzaamheid en het daaruit voortkomend schuldgevoel zijn de oorzaak van de breuk in het gezin.

    Koen blijft alleen achter. De buurman – opa – redt hem en bouwt aan de sloot een hok voor de zwaan. Goede daden van de buurman. Maar aan de conciërge vertelt hij ook dat hij de herinnering aan de vader al die zeven jaren voor Koen levend heeft willen houden. Wat dan volgt doet de lezer het boek enigszins ontgoocheld, maar ook met afgrijzen dichtslaan.

    We moeten praten is een familiedrama over stilte, eenzaamheid, onvermogen, vooroordelen en het nemen van de verkeerde beslissingen door volwassenen, zodanig dat het kind er de dupe van is. Van Mersbergen, die diverse prijzen won en in meerdere talen vertaald is, schrijft knap, toegankelijk en compact en weet aan het denken te zetten. Toch doet We moeten praten wat geforceerd en vergezocht aan.

     

  • Een fraaie collage

    ‘De dagen laten ons zien wat telt, de seizoenen, de bomen. Tijd is niet in een definitie te vangen, er zijn allerlei soorten.’ In Dagen van glas van Eva Meijer is de tijd ook ongrijpbaar. Er wordt tussen de hoofdstukken vooruit en achteruit gesprongen tussen 1933 en 2060. Daarnaast wordt ieder hoofdstuk vanuit een ander perspectief geschreven en worden er ook verschillende tekstsoorten gehanteerd; het grootste deel is weliswaar proza, maar er is ook sprake van een briefwisseling, van een voorwoord bij de heruitgave van een boek (inclusief voetnoten) en van een dagboek waarin een soort gedichten verwerkt zijn. In combinatie met de filosofische stijl vormt het boek een etherisch geheel dat in al zijn breekbaarheid toch een fraaie compositie blijkt te zijn.

    Eva Meijer is dan ook wel een homo universalis; ze is filosoof en behalve schrijver van romans, essays, poëzie en academische filosofie ook kunstenaar en singer-songwriter. Haar werk is vertaald in meer dan twintig talen. In Dagen van glas staan drie personen centraal: Emel, haar echtgenoot Johannes en hun dochter Doris. Aan het begin van het boek is Emel aan het woord, in een ik-perspectief. Je kunt als lezer overigens pas later deduceren dat ze Emel moet heten. Emel neemt zichzelf soms op een wonderlijke manier waar in spiegels en ruiten. Ze vraagt zich dan af of haar spiegelbeeld misschien haar echte en goede ik is en zijzelf slechts een slap aftreksel. Emel is schrijfster en kiest er meestal voor om die andere ik te negeren. Ze werkt liever aan haar boek over Derrida (de filosoof die bekend geworden is vanwege zijn veelgeciteerde zinsnede ‘Er is niets buiten de tekst’ en vanwege de basis die hij legde voor de cynische, postmoderne filosofische stroming van het deconstructivisme, waarin niets een vastliggende betekenis heeft), ook al vordert ze daarmee niet hard: ‘Boeken verdubbelen de werkelijkheid ook: ze verslaan die niet simpelweg maar voegen er een laag aan toe, die op zichzelf staat en er tegelijk op parasiteert.’ Tussen de regels door is duidelijk dat Emel worstelt met het leven. Ze sluit zich af voor haar echtgenoot en haar dochter en neemt soms impulsieve beslissingen. In het laatste hoofdstuk kijkt ze als hoogbejaarde dame terug op haar leven.

    Identiteit

    Johannes is de echtgenoot van Emel. Hij is een zorgzame en loyale man. Hem leren we beter kennen in onder meer het derde hoofdstuk van het boek, dat zich ruim twintig jaar eerder dan het eerste hoofdstuk afspeelt. Johannes is eveneens schrijver. Hij doet aan de universiteit onderzoek naar de brieven van schrijfster Marie Vanderbeecke en naar haar boek Kamers achter glas (!). Daarin worstelt Marie met haar identiteit en beschrijft ze hoe ze geleerd heeft om in haar hoofd vrij te zijn. Johannes ervaart bij het uitwerken van zijn onderzoek veel steun van collega Sonja. Tussen hen is er over en weer echt een klik, maar ook tot zijn eigen verbazing krijgt Johannes uiteindelijk toch een relatie met de meer gecompliceerde Emel.

    Doris is aan het woord in het tweede en zesde hoofdstuk (2025 en 2033). Net als haar moeder Emel heeft ze behoefte aan rust. Als hobby maakt ze zwart-witfoto’s. Haar gedachten zijn heel filosofisch: ‘Weer een dag. Wat is een dag? Een woord, een drager van de tijd, gezel van de nacht, gedachte, meeteenheid, het leven zelf, vandaag een houder voor sneeuw.’ Haar ouders maken zich zorgen om haar en ze blijkt onder behandeling te zijn van een psycholoog. Ze maakt haar ouders wijs dat ze samen met een vriend naar een vakantiehuisje in België gaat, maar ze gaat er helemaal alleen naar toe. Net als haar moeder heeft ze de behoefte om te verdwijnen.

    Lijm

    Op het eerste gezicht lijken de hoofdstukken van Dagen van glas als los zand aan elkaar te hangen en is de prachtige stijl waarin het boek geschreven is de lijm waarmee de delen aan elkaar verbonden zijn, maar schijn bedriegt. Naast de hoofdstukken waarin Emel, Johannes en Doris centraal staan, zijn er ook nog hoofdstukken waarin het niet of slechts zeer zijdelings over deze hoofdpersonen gaat. Het betreft vooral het onderzoek van Johannes naar Marie Vanderbeecke. Je kunt je afvragen wat deze fragmenten toevoegen. Enerzijds leiden ze de lezer af, omdat ze qua vorm en personages sterk afwijken van de rest van het boek, anderzijds dagen ze de lezer ook juist uit om toch parallellen te zien waar die er op het eerste gezicht niet lijken te zijn.

    Eva Meijer zorgt voor betekenisvolle herhalingen en fraaie verwijzingen en ze speelt meesterlijk met concepten als taal en tijd. De afwisseling in perspectieven en de tijdsprongen vragen een aandachtige lezer die bereid is te rekenen, te combineren en af te leiden. Wie daarin slaagt onthult voor zichzelf een mozaïek, een fraaie collage, wellicht zelfs gemaakt van glas, net zo breekbaar als de kwetsbare personages die het boek bewonen.

     

     

  • Niet zomaar een kinderboek

    De Amerikaanse schrijver Dave Eggers schreef al verschillende kinderboeken. Zijn nieuwste, De ogen en het onmogelijke, is een bijzonder en uniek boek geworden. Het begint al met de bijzonder mooie uitgave met prachtige illustraties. Eggers’ vaste illustrator Shawn Harris nam als uitgangspunt klassieke landschapsschilderijen van bijvoorbeeld Courbet en Lindholm, maar voegde telkens een hond toe aan het landschap.

    […]

    Met De ogen en het onmogelijke schrijft Eggers schijnbaar het onmogelijke: een volwassenboek op kindermaat of is het een kinderboek op maat van volwassenen? Eenduidig is het zeker niet, interessant en intrigerend des te meer. Lees het voor aan de kinderen en zij zullen er ongetwijfeld een spannend en leuk avonturenverhaal in herkennen, lees het stil op de sofa en je verdwaalt in diep filosofische beschouwingen over vrijheid en het leven.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland

     

     

  • Mystiek op zijn mooist van Mertens

    Het aantal christenen neemt al eeuwenlang af. Toch blijft Maria ‘s werelds populairste meisjesnaam. Beginnend met een driepoot bovendien, want traditie komt in drieën: de trias politica, de Verlichtingsidealen, sportmedailles, de Drie-eenheid en… de vrouwelijke literaire archetypen ‘heilige’, ‘heks’ en ‘hoer’. Meer smaken zijn er niet, behoudens een paar klassieke mengvormen zoals de maagd en de femme fatale. Hoe progressief het seculiere Westen zichzelf ook vindt, de Middeleeuwse opvattingen over wat vrouwen behoren te zijn, woekeren tot op heden hardnekkig voort. Althans, als we Moeders. Heiligen van Dieuwertje Mertens mogen geloven. Deze moderne Marialegende brengt een eerbetoon ‘aan alle mogelijke moeders’. Ze plaatst hen echter niet op het mannelijke voetstuk van verafgoding en verguizing tegelijk: juist hun alledaagse lijden van moederschap, opoffering en anonimiteit verheft hen boven de man, die na drie minuten puffen negen maanden passief toekijkt. Net als de jaren erna trouwens. Opvoeden, da’s een ‘vrouwenprojectje’.

    Moeders. Heiligen barst van de symboliek, veelzeggende namen en Bijbelse intertekstualiteit. Al deze motieven ondersteunen het thema: laat de vrouw zichzelf definiëren. Ook hedendaagse literatuur reduceert haar nog altijd tot een bordkartonnen bedpartner, wat Mertens betreft. In de debuutroman volgen we Mercedes Dolorosa naar een Frans bergdorp, waar ze met vriend Amant het vakantiehuisje van zijn overleden moeder Marian betrekt. Zij reist mee in een urn. Daarnaast ontmoet Mercedes enkele dorpsgenoten, zoals oud-actrice Clémence, de Congolese vluchteling Graziella en (geloof het of niet) de Heilige Maagd Maria. Mercedes heeft problemen met Lode, haar autistische zoon. Met Jezus’ moeder, tot leven gekomen in marmer, deelt ze haar zorgen. Maria had zelf namelijk genoeg te stellen met de Vader van hun Mensenzoon: ‘Wie had al die jaren geschitterd in afwezigheid? En nu, zeker nu het hem uitkwam, kwam hij mijn zoon opeisen?’ Niet in raadsels en aforismen, maar in gewone mensentaal beschrijft Maria de smart van een vrouwenleven.

    Parodie op een paradijs 

    Een Frans bergdorp lijkt een perfect pastoraal decor. Dit gehucht in Albas is eerder anti-Arcadia, waar de fanatiekste Ik Vertrek-families voor bedanken: ‘Er is een pleintje, een verschoten Mariabeeld, een wit kerkje – ’s zomers geopend –, leegstand, veel leegstand. Lege huizen, volle graven.’ Wel signaleert Mercedes een kunstenaar: ‘Hij schildert het uitzicht en hoest: kanker of covid.’ Met cynisme geeft Mertens dit soms plechtstatige boek de broodnodige oneerbiedigheid. Bij de naburige bewoners, Clémence en François, is het beste er ook wel vanaf. Op zijn iPhone laat Amant een foto van dochter Steffie zien, uit een eerder huwelijk. Mercedes monstert buurman François: ‘Kijk die geilneef eens likkebaarden. ‘‘Une très jolie fille. Oh là là.’’’ Amant vindt het allemaal best. Dan verlekkert het drietal zich aan Mercedes: ‘Clémence prikt in mijn zij. ‘‘Wat een figuurtje. Welk dieet volg jij?’’ ‘‘C’est le régime malheureux.’’ ‘‘Is het een grap?’’ ‘‘Non, c’est sérieux.’’’ Niet voor niets luidt Mercedes’ achternaam Dolorosa, de ongelukkige.

    Mercedes is Mariadeskundige. Niet alleen promoveert ze op Maria’s verbeelding in de kunst, als jong meisje waardeert Mercedes de moeder aller moeders al meer dan de Schepper zelf. Op het katholieke koorkamp doet ze iets ‘onvergeeflijks’. Het Weesgegroet verbastert ze met het Onze Vader: ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade / De Heer is met u / U bent gezegend onder de vrouwen / Uw rijk kome / Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…’ Helaas geschiedt haar wil, en die van miljoenen andere vrouwen op aarde, zelden. Mercedes vormt hierop geen uitzondering. Door het gehele boek heen wil haar vriend Amant (wat ironisch ‘liefhebbende’ betekent) uitsluitend seks. Op zeker moment zien ze elkaar dagenlang niet. Hij belt haar ’s ochtends op en weet niets beters uit te brengen dan: ‘Hoe staat het met de borsten en het kutje?’ Dat Mercedes geen zin heeft omdat haar zoon van een ernstig delict verdacht wordt, interesseert Amant geen fluit.

    Marialegende vanuit vrouwelijk perspectief 

    De meeste Marialegendes dateren uit de twaalfde en dertiende eeuw. In deze periode konden vrouwen doorgaans lezen noch schrijven. Waarschijnlijk zijn Beatrijs en Mariken van Nieumeghen door mannen geschreven, of specifieker: door celibataire monniken. Voor schilderijen en andere kunstzinnige uitingen rondom Maria geldt hetzelfde. De mannelijke ervaring domineert en definieert haar. Vooral bij de bevalling van Jezus in Bethlehem speelt masculiene mythevorming een kwalijke rol, aldus de marmeren Maria: ‘We kunnen Bonaventura zijn gebrekkige voorstellingsvermogen niet kwalijk nemen: hij was een broedermaagd en had van het vrouwenlichaam geen benul.’ Ene broeder Suárez beweert dat de geboorte pijnloos verliep, omdat de Maagd zonder lustgevoelens zwanger raakte van de Heer. Hierover zegt Maria: ‘Vele vrouwen hebben ontvangen zonder lustgevoelens, maar ik ben niet een van hen.’ Zo onbekwaam als Amant en vele andere losers beminnen, zo extatisch, zinnenprikkelend blijkt de ontvangenis van Maria, terwijl Gods Geest over haar komt. Mystiek op z´n mooist van Mertens.

    Zelfs de moderne literatuur reduceert de vrouw tot passief, dienstbaar wezen. Zo heeft Amant een boek van Marcel Proust mee op reis. Mertens citeert een passage waarin een kind een kus van zijn moeder eist. En nog eentje. Waarop de jaloerse vader zijn echtgenote ter verantwoording roept. Mercedes smaalt: ‘We weten wat de zoon wil, wat de vader wil. Maar wat wil de moeder? De moeder bestaat om de man, de zoon te behagen.’ De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, dat in Graziella’s boekenkast staat, liegt er ook niet om. Kundera schrijft: ‘…in de liefdespoëzie aller tijden verlangt de vrouw ernaar de zware last van het mannenlichaam op het hare te voelen. De zwaarste last is derhalve het beeld van de meest intense levensvervulling.’ Ten diepste willen vrouwen dus op hun rug liggen en hun man ontvangen. De grootste leugen van het patriarchaat schuilt in de overtuiging dat de mannelijke ervaring doorgaat voor de universele, menselijke conditie. Moeders. Heiligen geeft juist de vrouw het universele gezicht en gewicht dat ze verdient.

    De moeder als lijdensfiguur 

    Alle vrouwen in Moeders. Heiligen hebben een naam die naar Maria verwijst. Clémence, Graziella, Mercedes: het betekent allemaal ‘genade’. Op hun eigen manier worstelen ze met het ongenadige leven, al delen ze één trauma. Ze zijn slachtoffer van seksueel misbruik en dragen dit voor de rest van hun leven met zich mee. Ze lijden, zij het zonder ook maar iets te volbrengen. Zonder dat er een hemelse beloning wacht. Maar voor Mercedes wordt het erger, omdat ze het vreselijke gedrag van haar zoon Lode niet in de hand heeft. Ze vreest hem, haat hem en voelt zich bij elke kwade gedachte een verrader. Moeders horen namelijk zo niet over hun kind te denken. Bovendien: heeft zij dit met haar opvoeding niet deels op haar geweten? Ze schaamt zich en had zich het moederschap compleet anders voorgesteld.

    Net als Maria, is Moeders. Heiligen verre van vlekkeloos. Mertens’ stijl knettert en zindert op elke pagina. Maar omdat ook de personages zich hoogdravend uitdrukken, klinken de dialogen lichtelijk geforceerd. Tegen de naburige kunstenaar vertelt Mercedes een vakantietafereel na: ‘Sommigen komen aapjes kijken, anderen versnellen hun pas. We besmeuren het vakantie-ideaal. (…) De A’s vallen catatonisch op hun knieën op het houten terras, of ze tellen hardop kiezels, rangschikken ze op kleur: de kleur van oude tanden, betonrot en botontkalking.’ Tegelijk contrasteert deze plechtige verteltrant met de nuchterheid van Maria, de ster van het boek. Wanneer Jezus weigert de tempel te verlaten om met Maria en Jozef terug naar huis te gaan, schreeuwt ze hem toe: ‘Ammehoela! Je komt gewoon mee.’ De Zoon van God stribbelt niet tegen: naar moeders moet je luisteren. Het wordt tijd voor hun verhaal. Amen!

     

  • Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

    De Duitse sinoloog Richard Wilhelm (1873-1930) hield in 1923 voor Carl Gustav Jung (1875-1961) en zijn collega’s in de Psychologische Club te Zürich een lezing over I Tjing of Het Boek der Veranderingen. Dit oude Chinese wijsheids- en orakelboek gaat terug op bronnen tot 4000 v. Chr., vermoedelijk afkomstig uit de Han-dynastie. Kort tevoren had Wilhelm het boek in het Duits vertaald en van commentaar voorzien. Al vanaf 1913 kende Jung Wilhelm en zijn vertaling van het boek Het geheim van de gouden bloem, een ander Chinees levensboek. Na lezing daarvan kwam Jung tot de conclusie dat de wijsheid van het Oosten aan de mensen daar toebehoort en hem alleen datgene toebehoort wat uit hemzelf voortkomt. Maar de fascinatie voor het Oosten was wel bij hem gewekt.

    Hester Knibbe heeft het Boek der Veranderingen als uitgangspunt genomen voor haar nieuwe bundel Binnen in de aarde is een berg. Ook bij haar moet er door de lezing van de I Tjing iets van die fascinatie voor die geheimzinnige werkelijkheid zijn opgeroepen, maar ook de afstand daartoe. Het gaat haar niet zozeer om het orakelkarakter, maar om kennisname van teksten met eenzelfde scala aan driften, mogelijkheden en beperkingen waarin we ons in deze moderne tijd nog altijd kunnen herkennen. In het bijzonder heeft ze de titels van de hexagrammen als inspiratiebron gebruikt om te zien in hoeverre er verbazingwekkende coïncidenties ontstaan tussen gewaarwordingen en ervaringen in haarzelf. 

    Vanuit de bron en verder

    De bundel bestaat uit twee afdelingen en bevat vierenzestig hexagrammen en opent met een citaat van Louise Glück: ‘Who can say what the world is? The world / is in flux, therefore / unreadable’. Onze wereld is permanent in beweging en laat zich moeilijk in woorden vangen, maar mensen blijven zoeken naar een houvast te midden van die nimmer aflatende beweging. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘Aan de voet van de berg ontspringt een bron’. Vanuit deze onnatuurlijke situatie is het mogelijk op een tegendraadse manier te denken. Het gedicht, voorafgaand aan de hexagrammen, spreekt over een vrouw die een denkbeeldig pad in haar geest harkt, en zo een creatief spoor creëert door de tijd heen. We volgen daarna in grote lijnen de ontwikkelingsgang van kindertijd naar volwassenheid. 

    Al in het eerste hexagram, in tweeregelige strofen geschreven, beseft de ik dat hij met zijn woorden niet gelooft ‘de waarheid te [kunnen] kennen’. Soms zingen de woorden rond: ‘bitterzoet soms als hemelse honing’. Maar een mens redt het niet alleen met de hemel. We hebben de aarde nodig, die door ons toedoen ‘verschraalt’, maar we willen ondertussen geen gemis ervaren in leven en liefde. Die afhankelijkheid ervan begint al op het moment dat een kind ter wereld komt. De daaropvolgende periode, ‘de jeugddwaasheid’ van de puberteit, behelst de zwerftocht naar geluk en liefde. 

    Vanuit het perspectief van de levenslange ontwikkeling heeft Knibbe een reeks gedichten gecomponeerd waarin een enorme vaart zit. Enjambementen en de snelle opeenvolging van beelden, gebiedende wijs en versregels zonder werkwoordsvormen, filosofische observaties als ‘Het uitzicht is nergens hetzelfde en zoeken duurt langer dan vinden’ dragen daartoe bij. Knibbe wil veel zeggen in zo min mogelijk woorden. De gedichten zijn gelaagd en compact van opbouw. Soms lijkt de inspiratie haar te overspoelen. 

    Spiegelende problematiek

    De gedichten spiegelen de actuele problematiek: klimaat, migratie, smartphone, armoede en eenzaamheid. Naast de aantasting van de natuur is er het probleem van de bedelaars op straat, terwijl er ‘een gloed / lente over het leven en de meeste passanten / leken tevreden’, is er ‘Het leger’ van ‘makkers voor even’ die luidkeels van zich laten horen en die dromen op ‘Plaza Utopia’. Ze klampen zich aan elkaar vast. Maar gelukkig is de temmende kracht van de smartphone die hen toelacht’ en die de jeugd zich machtig doet wanen. Dit kleine heelal waarin op beeld de wereld langskomt, doet sterk verlangen ‘naar een aardse omhelzing’. 

    Dat het egocentrisme hoogtij viert, blijkt voor de ‘spiegel van de maakbaarheid’ als iemand zich ontkleedt. Hij weet zich afgesneden van de wereld om zich heen. Hoe vind je dan ‘de vrede’, de moed, in zo’n geïndividualiseerde wereld om ‘een vreemdeling binnen te laten’. Hoe moeilijk is het in een ‘Gemeenschap van mensen’ ‘de Olympus [te] bestijgen // en […] de vlakte / met haar luie bedrijvige menigte // [te] mijden.’ 

    Een mens dient immers te weten dat hij ‘tot beiden: god / die een mens zoekt en andersom in één lijf // dat met de voeten stevig geplant op de grond / het niet nalaten kan naar de hemel te kijken.’ Deze dubbelzinnigheid lijkt mij de dualiteit waarom het in deze bundel draait. Die verscheurdheid is van alle tijden: hoe je welkom te weten in deze leegte: ‘die men ontwaarde in eigen en / andermans ogen en adem’. 

    In al het onmogelijke klinkt een positieve levensinstelling door. In ’De bekoorlijkheid’ zien we in het maken van het selfie boven op de denkbeeldige berg heel duidelijk de grootheidswaan en zelfzucht van de hedendaagse dalbewoner: ‘Het is / me gelukt! Voegt hij toe (met dat // uitroepteken erachter, hartje erbij).’ 

    Ondertussen moeten we de onschuld van onze kinderen afschermen tegen alles wat het leven tegenwoordig bedreigt, zoals de algoritmen op de telefoon: ‘O algoritme van de liefde red de gestrande reiziger! […] wat // liegen verhullend je enen en nullen? / Zeg het niet, zeg // tegen de eeuwige reiziger: / weet ik niet.’ In het innerlijk hooggebergte met al zijn veranderingen en verschuivingen ligt het gevaar op de loer. 

    De tweede afdeling ‘Op de berg is een vuur’ gaat over de inwerking van andere mensen op het leven van het individu gedurende zijn tocht door de bergen: ‘is het [dan] de geest die het lichaam / meesleept of neemt het lijf de geest mee op reis?’ Het leven zit vol schijnbewegingen en is een vuur ‘dat steeds hoger // en dieper vlamt. Misschien bestaat het grote / soms even uit samen.’ Er zit een optimistisch grondtoon in deze voortsnellende, observerende poëzie die de ironie van ons tijdgewricht niet uit de weg gaat. Knibbe toont haar meesterschap in haar metafoorkeuze. Ze gaat dilemma’s niet uit de weg: ‘Het is de wereld vandaag / die we veroveren moeten voor morgen’. Ze vraagt zich af of er wel voldoende aandacht voor het zwakke in onze samenleving, zoals al die ontheemde jongeren, voor wie het gezin ‘Het gezin’ zo wezenlijk is: ‘het hart [zou daarin] de basis [moeten] vormen / voor de verdeling’. Veel blijft voor Knibbe een vraag waarvoor geen oplossing voorhanden is, maar ze blijft zoeken en zich openstellen voor de routes omhoog uit het dal, op weg ‘naar het vuur’: ‘binnen in de aarde is een berg’.

    Deze bundel geeft een schets van een levensweg langs steilten en afgronden. Heel nadrukkelijk werpt Knibbe in deze tweede afdeling de vraag naar de zin van dit leven op: ‘Of ik besta is een vraag die niemand mij stelt. / Mijn wereld? Een raam met uitzicht op elders // en nergens’. Daarmee brengt ze de metafysica haar poëzie binnen. Wie zegt er eigenlijk ‘ik’ in mij? In ’De omwenteling’ rijst de vraag: ‘waarvan en waarheen”. Je ontwaakt in een andere droom, ‘steeds besta ik in een andere droom’. Het wereldnieuws klimt lomp door het raam: ‘Waar / gaan ze naartoe? We volgen de waan van de dag. Telkens blijkt dat ‘Een duider / duidt en een andere duidt // hetzelfde anders, ze spreken / de taal van zeker weten’. Het blijft een Babylonische spraakverwarring. 

    Toenemende verlatenheid

    Naarmate de tocht op de berg vordert, neemt de verlatenheid toe. De eenzame zwerver, de pelgrim, de doler, hij moet lenig van geest zijn. In ‘Innerlijke waarheid’ geeft Knibbe een prachtig portret van de dichter die verleidend zich de woorden en beelden toe-eigent: ‘salonfähige non in habijt / met hoog split, ik kuis mij klunzige // schaamte schrans taaloordeel / over komma en punt spreek // niet met gom in mijn mind.’ Ze zoekt naar waarheid en verblijft in leugenachtigheid. Door alles heen is ‘mijn weg […] goedgelovig en / louche van aarde, ik kijk naar de mier: is nijver // de basis van een solide / bestaan? 

    64 – Voor de voleinding

    Een vrouw harkt het grind in haar tuin, harkt
    het in banen in cirkel, harkt

    de golfslag van zee rond een steen, harkt
    aandachtig een pad

    in haar geest. Ze weet dat
    wind wat ze doet zal verwaaien, tijd

    het slordig zal wissen, één
    voetstap en de golf

    breekt, is het eiland opnieuw niet meer
    dan die steen. Ze weet dat 

    het grind geen betekenis heeft: het gaat
    erom dat de hand beweegt.

    Dezelfde vrouw als uit het openingsgedicht harkt haar tuin en sluit de cirkel: ‘Ze weet dat / wind wat ze doet zal verwaaien, tijd / het slordig zal wissen’. Het grind heeft geen betekenis: ‘het gaat /erom dat de hand beweegt.’ Knibbe laat het begrijpen van deze levensreis als mens en dichter voor wat het is, het gaat ‘erom dat de hand beweegt.’ Niet het waarom, maar het meegaan in de beweging waarin je gesteld bent, is waar het om gaat. 

     

     

  • Klare taal en exotische mystique

    Er zijn van die boeken waar je na het lezen ervan even stil bent. De bundel Plooi van Babeth Fonchie Fotchind is zo’n boek. Poëzie die bij tijd en wijle binnenkomt als een stomp in de maag. Niet alleen vanwege de inhoud, ook vanwege de taal. Het Engelse woord bold is het eerste dat te binnen schiet: stoer, stevig, kordaat. Maar nooit grof of plat. Dat zou in het ergste geval een zekere oppervlakkigheid kunnen maskeren, en oppervlakkig is de poëzie van Fonchie Fotchind allerminst, noch qua inhoud, noch waar het gaat om de wijze waarop zij reflecteert op hetgeen zij te zeggen heeft. Die inhoud liegt er niet om, die gaat om niets minder dan acceptatie, bestaansrecht, voorwaardelijke versus onvoorwaardelijke liefde.

    ‘de man van tante agathe / had zijn renault 5 uitgeleend aan mijn moeder en vader / en ook zijn tijd, hij wachtte al dagen in onze woonkamer / dat is niet normaal bij een dochter / iedereen had hoop dat / ik zou uitblinken in vrijwel alles / zodat de familie erop vooruit zou gaan’

    Meerledige kloof

    Soms is de kloof tussen twee culturen zo groot dat het eerder lijkt te gaan om een andere planeet dan om een ander continent. Weliswaar bereikbaar en bereisbaar, maar evengoed ver en vreemd. In het levensverhaal van Fonchie Fotchind blijkt die kloof ook nog eens meerledig. Niet alleen is dit het verhaal van een Afrikaanse vrouw die op haar vijfde naar Nederland kwam en daar als zwart meisje in een overwegend witte omgeving moest aarden. De kloof wordt vooral gevoeld waar haar geaardheid niet wordt geaccepteerd door haar ouders, want niet verenigbaar met de mores en opvattingen van haar geboorteland Kameroen. Deze kloof, – die na haar coming-out dat zij op vrouwen valt – onoverbrugbaar bleek en die bij elke volgende beweging alleen maar groter wordt, komt in deze bundel veelvuldig ter sprake. Niet als een eentonige dreun, maar even veelkleurig als de gevoelens die erdoor zijn losgemaakt, zodat het ene gedicht leest als een aanklacht, het ander als een afscheidsbrief. De ene keer voeren eenzaamheid en pijn de boventoon, de andere keer woede en onbegrip; een enkele keer als een gelaten ‘ach, laat ook maar’.

    ‘tijdens mijn functioneringsgesprek geeft mijn leidinggevende mij
     terug dat ik niet voldoe aan het ideaal. ik heb dit eerder gehoord, maar
     verloor toen een moeder in plaats van een baan’

    De diepste kloof is wel die tussen zijn wie je mág zijn – van anderen, je familie, je cultuur – en wie je móét zijn, vanuit een innerlijke bepaaldheid waaraan niet valt te tornen: deze mens, deze vrouw, zo, nu, hier, en niet anders, wat de rest van de wereld er ook van meent te moeten vinden. ‘even niet denken / aan uitgaansnachten waarin ik me minder bloot / had moeten kleden om te voorkomen dat een gezwollen geslacht / zich tegen mijn rug aan drukte / in een steegje // proberen te begrijpen dat mijn moeder / alleen kan begrijpen / dat ik op vrouwen val vanwege het voorval / in het steegje’

    Pendelend tussen uitersten

    Misschien is dat ook wat de afbeelding op het omslag wil zeggen. Een ovale vorm, naar alle waarschijnlijkheid een menselijke hoofd, gewikkeld in een soort zijde, of vloeipapier. En voor de persoon in kwestie de hamvraag: blijf je verborgen in je omhulsel – het titelwoord plooi is voor velerlei uitleg vatbaar – of scheur je het open en toon je het gezicht dat waarachtig het jouwe is, maar dat door sommigen misschien niet graag gezien zal worden? ‘een week / de tijd gehad om / zichzelf op te vouwen / tot het meest geschikte formaat / dat uit de lessen van haar vader volgde. / zou hij trots zijn / op hoe ze haar grenzen wegplooit? // iri, nog een keer / maar zelfs in een voor het blote oog / vrijwel onzichtbare gedaante / is ze nog te veel.’

    Niet alleen waar het gaat om de beleving en de bijbehorende emoties wordt er gependeld tussen uitersten. De taal beweegt daarin mee. Taal die af en toe fijn en zacht is, elegant, met een exotische sensualiteit waarbij de lezer de kleurige ‘waist beads’ bijna letterlijk ziet deinen. Op andere momenten een taal die zo hard is als een grove schets in houtskool, tzak-tzak-tzak. Vooral waar de andere realiteit van vrouwzijn wordt getoond, en de afwijzing van een lesbische lichaam in een Afrikaanse cultuur even direct en meedogenloos wordt beschreven als die in werkelijkheid plaatsvindt.

    ‘grootmoeder denkt alles goed te hebben gedaan: mijn moeder
     als zuigeling op de vlisco-doeken gelegd / scheermes in vuur /
     gloeiend scheermes tegen zuigeling / bepaald dat zuigeling
     volmaakt zou zijn als minder gevoelig

    zulke vrouwen gehoorzamen hun husband nu eenmaal beter, leveren
    een grotere bruidsschat op,’

    Klare taal en exotische mystique

    Het is een taal die geen medelijden vraagt. Dat heeft de schrijfster ook met zichzelf niet. Wel compassie. Dat maakt dat deze poëzie geregeld het gangbare, herkenbare ritme van poëzie verlaat om – meer als een dagboek welhaast – de hartslag van het moment te volgen. Omdat datgene wat gezegd moet worden, de urgentie voorgaat op de wijze waarop het wordt gezegd – de vorm, de taal – en al helemaal op de bedenktijd waarin woorden worden gezocht en gewogen, zinnen geproefd, en het papier halen, of niet.

    Toch is de poëzie van Fonchie Fotchind afgewogen en serieus doordacht, ondanks de spontane flow die een zekere impulsiviteit, zelfs een gehaastheid suggereert. Zonder meer met veel talent, intelligentie en integriteit gecomponeerd, maar tegelijk ook heel dicht bij het leven van deze ene specifieke vrouw. Zodanig dat het meer universele uitzicht op de wereld, de tijd, en in dat alles ‘de mens’ in zijn/haar algemeenheid wat in de verdrukking komt.

    ‘wij zijn de ouders van het kind dat in groep vijf
     op de vraag hoe lief haar oma’s zijn
     moet antwoorden dat ze die nooit heeft gekend’

    Individueel en particulier

    Onvermijdelijk rijst de vraag wat de houdbaarheid is van poëzie die zo is geworteld in het individuele levensverhaal – en in een actuele situatie die aandacht vraagt en verdient – maar die precies daarom niet door alle tijden heen dezelfde urgentie zal hebben. Hetzelfde mag gevraagd worden met betrekking tot de vele woorden en begrippen die nu misschien en vogue zijn, maar waarvan je mag aannemen (en zelfs hoopt) dat ze over niet al te lange tijd door iets fraaiers worden vervangen: datingapp, mindfulness, AZC, zelfzorgzondag, stufi, tinder, twitteraccount, captcha-code, lg-lcd-scherm.

    Staande blijft uiteraard de basispremisse dat de mens het recht heeft zichzelf te zijn en zich naar eigen aard moet kunnen ontplooien in vrijheid en veiligheid. De concrete inkleuring kan echter – zoals in deze bundel – zo particulier zijn, en bij vlagen zelfs modieus, dat terecht de vraag gesteld mag worden wat daar van overblijft als met het verstrijken van de tijd de kleur van die persoonlijke aspecten verbleekt. ‘de voicememo / over waarom geaardheid geen keuze is / komt niet binnen op haar frequentie, jullie raken / de verbinding kwijt. zij is niet geprogrammeerd om zonder voorwaarden / te houden van de mens achter het scherm, terwijl zij / zowel jouw genen als de pixels zelf bedacht.’

    Tot slot een tip die niet altijd gegeven kan worden. Niet elke dichter is immers even gecharmeerd van andere media dan het geschreven/gedrukte woord. Sommigen staan niet graag voor een publiek; anderen hebben niet die présence om op een aantrekkelijke wijze hun eigen werk voor te dragen. Babeth Fonchie Fotchind, millennial en kind van haar tijd, duidelijk wel. Zoek haar op en geniet van haar optreden bij bijvoorbeeld, ‘De Nacht van de Poëzie’.

     

     

  • De tijd gevangen

    De tijden vertelt over drie generaties en het lijkt of Elvis Peeters (pseudoniem van Nicole Van Bael en Jos Verlooy) alle grote gebeurtenissen binnen die generaties heeft willen vatten: de tijd die zich uitstrekt van de Tweede Wereldoorlog en de naweeën met collaborateurs en helden, de opkomst van de jazzmuziek, de onafhankelijkheid van Congo, mei 68, vrouwenrechten, de financiële crisis tot de wereld van nu. De tijden verhaalt van de rivier de Zenne tot Congo, Londen, Barcelona, Brussel, Zagreb. Het idee om zoveel feitelijke geschiedenis en de geest ervan op te tekenen aan de hand van persoonlijke verhalen is enorm.

    Door het boek heen word je een razende verandering gewaar. De tijd zet zijn stempels, trekt en sleurt met zijn tentakels en het lijkt of hij dat steeds feller doet, of hij steeds razender tekeer gaat. Maar er is ook een constante: die van de kwetsbare mens die niet alles bevatten kan en vaak slechts een pion is, maar evenzeer rustig blijft ademen en een akkertje ploegt, terwijl hij de tijd aan zich voorbij laat gaan.

    De mens Emiel

    Die kwetsbare mens heet Emiel. Emiel is het sterkst uitgewerkte personage van het boek. Bij hem kruip je onder de huid, zijn twijfel en weemoed zijn levensecht. Misschien leeft hij als landbouwer nog het dichtst van al bij de aarde en voel je dat in zijn persoon. De latere generatie lijkt er alleen nog maar overheen te vliegen. Net als in het boek van Chris de Stoop Dit is mijn hof getuigt ook De tijden over landbouwers die nog contact hebben met de natuur, landbouwers die verdwijnen, zoals het landschap verdwijnt en steeds meer geradbraakt wordt.

    ‘Zijn moeder droeg hem het jaar 1929 in.’ Een harde koude winter met een doodgevroren kip in het hok, de Elfstedentocht en Trotski die werd verbannen uit de Sovjet-Unie. Er kwam een griepepidemie. De geschiedvertelling wervelt hier tussen klein en groot en dicht en ver. De factor tijd is onlosmakelijk verbonden met de plaats. Wie werd er nog meer geboren in dat jaar? ‘Lee Hazlewood, Jacques Brel, Milan Kundera, Remco Campert, Hugo Claus, Anne Frank, Yasser Arafat, Jurgen Habermas.’ Opmerkelijk om deze namen plots verenigd te zien. Al die plaatsen en geschiedenissen uit één jaar. Wat een tijd niet al vergaren kan.

    In het verhaal blikt Emiel terug op zijn leven. Hij heeft dit leven niet altijd gewild. Weerhielden pech of een gebrek aan lef hem van zijn eigenlijke doel? Eentonig wil hij het niet noemen, maar hij had toch iets anders voor zich gezien. Hij had zijn universiteitsstudie kunnen afmaken, tropische gewassen bestuderen en dan naar Congo trekken. Maar op een dag werd hij kleurenblind. Daarna werd zijn vader ziek en uiteindelijk nam Emiel de boerderij over. ‘Dit is zijn bestaan,’ weet hij. Hij loopt in de voetsporen van zijn vader, zoals hij nooit had vermoed dat hij zou kunnen. Het boerenleven wordt verteld met het boerenidioom: het wannen van het graan, de ransel met het brood, de ploegschaar, de paarden roskammen, de haspel op het maaibord, halmen die in schoven op het gemaaide veld worden gegooid.

    Verandering

    Gisèle, Emiels jeugdvriendin, is opstandiger. Zij wil de tijden veranderen. Emiel kijkt op naar het vastberaden meisje. Ze inspireert hem, leert hem Rosa Luxemburg kennen, discussieert, gaat naar lezingen, woont vakbondsacties bij. Gisèle komt uit een armer nest, verklaart dat haar opstand? Emiel is bescheidener en introverter van aard. Hij trouwt uiteindelijk met Odette, een brave vrouw, geen grote persoonlijkheid. Was zijn liefde voor Gisèle platonisch? Was hij te bang voor het echte vuur? Is Odette een compromis? Om dat te ontdekken geraak je niet diep genoeg in het hart van Emiel. Misschien kent Emiel het zelf niet eens. Hij is niet slecht voor Odette met wie hij twee kinderen krijgt, maar later ontmoet hij Gisèle opnieuw en blijkt hij toch niet zo trouw, of… is hij juist wel trouw aan zijn hart? Het laffe deel van zijn karakter krijgt soms een doffe klank, maar Emiel verenigt dat laffe met het volhardende. Juist dat halfslachtige maakt hem menselijk. Hij ziet de vooruitgang aan, wil niet zomaar alles veranderd zien. Toch valt er ook door hem niet te ontkomen aan de modernisering, aan schaalvergroting. Paarden worden vervangen door tractoren en ze moeten geld vinden voor een melkmachine. Dat levert hartverscheurende scènes op. ‘Wat is er mis met de paarden, of met melken met de hand?’ vraagt Emiels moeder. ‘Daar is niks mis mee,’ zegt Emiel, ‘alleen kost het tijd die er in deze tijd alsmaar minder is.’ De Boerenbond beveelt onkruidverdelgers en hormonen aan.

    Intussen ‘werpen de Congolezen hun minderwaardigheid af in een uitbarsting van woede en geweld’. Emiels zus woont daar en moet abrupt terugkeren. Emiel had met een koloniale lening geïnvesteerd in Congolese koffieplantages en kan die nooit terugbetalen. Hij ruilt de boerderij voor werk van nine to five in een magazijn. Was het niet Gisèle die hem al van het begin zei dat hij de boerderij moest opgeven? Het verhaal van Emiel is eigenlijk brandend actueel met de boerenprotesten van nu.

    Tussen verzet en berusting

    Emiel zit geklemd tussen verzet en conservatisme, begrippen die in de loop van de tijd ook veranderen. Hiermee duidt Elvis Peeters de tijdgeest treffend aan.
    De tijden daarna dragen het idee van maakbaarheid in zich. Alles kan je naar je hand zetten, alles wordt bestelbaar, koopbaar. De personages van de volgende generatie zijn vlakker. Hannelore, de dochter van Emiel laat het werk op de boerderij achter zich, verzet zich. Lijkt ze op Gisèle? Hannelore gaat mee in de punkbeweging, studeert in Leuven. Daarna wordt ze reclamevrouw in Londen, slogans voor de revolutie veranderen in slogans voor producten. Ze baart een kind, is een afwezige moeder. Elvis Peeters toont kanttekeningen bij het feminisme dat hier vertegenwoordigd wordt. Hannelore gaat steeds meer mee in een oppervlakkig leven van consumptie en vlug genot. Van een vrouw die zich verzet verandert ze in een marionet. In 2008 breekt de financiële crisis uit en is ze in een klap alles kwijt.

    De idealen van de volgende generatie schuiven nog verder op. Deze generatie zit met de erfenis van de vooruitgang: vervuiling, troosteloze consumptie, de opwarming van de aarde. Hannelore’s zoon Matteo studeert af als jurist. Hij ziet zijn moeder als een ‘prototypische workaholic uit de bullshitsector.’ Toch is hij vaak even afstandelijk en oppervlakkig als zij en er gaat een subtiele vertwijfeling van hem uit. Hij lijkt dan weer rationeel, dan weer pathetisch. Er hangt iets ongevoelig over hem, alsof hij niet in staat is tot werkelijk contact. Zou het komen door zijn nogal liefdeloze opvoeding? Hij klaagt over te veel culturen in Brussel, vreest een toxische toekomst met niet-Europeanen ‘door het decennialange bewind van idiote ideologieën’. Wel voelt hij medelijden met verwaarloosde rijpaarden uit een reportage. Ook Matteo zet zich af tegen de vorige generatie. Hij bekritiseert de wereld rond zich maar komt niet tot zelfonderzoek. Hij en zijn vriendin Myrthe trekken de natuur in met een kruisboog. Dat ze uiteindelijk flirten met extreemrechts en ecofacisme is niet echt verrassend.

    L’art pour l’art en maatschappij

    Het verhaal is goed geconstrueerd, heeft een sterke compositie. De perspectiefwisselingen gebeuren virtuoos. Elvis Peeters legt haarfijn het mechanisme bloot van hoe idealen totaal kunnen veranderen. Hij probeert l’art pour l’art te verbinden met maatschappijkritische literatuur en dat is bij het personage van Emiel zeker gelukt. De passages over hem zijn verwerkt, de lagen goed gedroogd. De andere personages lijken soms slechts stickers van een tijd, geconstrueerd en minder doorleefd waardoor de vertelde tijd te lang wordt. De feiten en de maatschappijbeschrijvingen voelen ondanks hun waarheid wat geforceerd aan, zijn te veel gestapeld met oppervlakkige opsommingen die het betreffende personage maar weinig ademruimte geven. Of dat aan de schrijver dan wel aan die tijd ligt, is nog maar de vraag.

     

  • Henkes herleidt en vermaakt

    Bij de samenstelling van de bundel van Russische kindergedichten vanaf de 17de eeuw, Bij mij op de maan, stuitte vertaler Robbert-Jan Henkes op een gedichtje waarvan hij niet zeker wist wie de schrijver was. Wel vermoedde hij dat het van Daniil Charms kon zijn, omdat hij het al eerder was tegengekomen in diens kindergedichten. Na lang speuren naar de herkomst ontdekte hij dat het gedichtje afkomstig was uit een Russische bundel uit 1937 met veertig heel korte verhalen voor kinderen, in dichtvorm, geschreven bij plaatjes. De auteurs waren Nikolaj Radlov, Daniil Charms, Nina Gernet en Natalja Dilaktorskaja, maar nergens stond vermeld wie wat geschreven had.

    Henkes besloot hierop twee projecten te starten: een ‘Charms Research Project’, om te kijken welke gedichtjes van Charms afkomstig waren, en een ‘Cursus Charmsiaans Vertalen’, om te kijken of hij alle gedichten kon overzetten op een manier die Charms waardig was. Om te bepalen welke gedichten van Charms waren, gebruikte hij de negatieve uitsluiting: ‘Soms zijn ze (de gedichten) flauw, soms al te beschrijvend, soms moralistisch, educatief of geschreven vanuit een stakkerig volwassen standpunt, soms zijn ze met opgelegde, onbijzondere rijmen of een saai ritme, stoplappen en ander vulsel, of spreken ze nodeloos de lezer aan en wemelen ze van de uitroeptekens – allemaal kenmerken die Charms vrijwel zeker uitsluiten als auteur.’

    Charmante poëzie

    Daniil Charms (1905-1942) was een Russische schrijver van absurdistische verhalen met een gebrek aan logica, vol met vreemde wendingen. Onder het regime van Stalin werd Charms als een bedreiging gezien en daarom werd hij verbannen naar Koersk. Hij schreef na zijn terugkeer alleen nog kinderliteratuur, maar kon daarmee niet voorkomen dat hij in 1941 gevangen werd genomen en krankzinnig werd verklaard. Hij stierf in 1942, vermoedelijk door uithongering, in een psychiatrische inrichting. Niemand weet waar hij begraven ligt, maar zijn faam ging de wereld over nadat een vriend in Charms’ woning manuscripten ontdekte en deze publiceerde.

    De titels van Henkes’ projecten klinken behalve hoogdravend weliswaar grappig, zijn grondige werkwijze verraadt juist eerbied. Het resultaat is een prachtig vormgegeven boek, waarin zowel het Russische origineel van de veertig gedichten wordt gegeven, de fonetische weergave daarvan, als het bijbehorende plaatje. Ook staat vermeld welke versmaat en rijmschema’s gehanteerd zijn. Voordat Henkes zich aan de vertaling wijdt, geeft hij weer wat er letterlijk staat. Daarna vergelijkt hij de vertalingen die bestaan in het Engels, Frans, Duits en de Nederlandse versies uit 1938 en 1958. Voor de duidelijkheid zijn deze alle in het rood afgedrukt.

    Kinderlijk hoeft nog niet tuttig te zijn

    Slechts weinig vertalingen dragen Henkes’ goedkeuring weg. Ze zijn te braaf, te moralistisch, ze hebben een rammelend metrum of ze slaan de plank mis wat betekenis betreft. Ook vindt hij ze te onthullend, want voorgelezen kinderen moeten juist zelf concluderen wat er gebeurt aan de hand van de plaatjes. Dat mag niet in de tekst al verklapt worden. Zoals bij een plaatje waar een hond een stapel houtblokken beklimt om een gebraden kip uit de vensterbank te stelen en daardoor naar beneden tuimelt. Een ongepubliceerde vertaling van de Vlaamse auteur Liesbeth Elseviers is toch heel geslaagd:

    Ik pik die kip, als ik niet val.
    Als ik niet val, pik ik hem snel.
    Ik pik die kip, ik pak hem al,
    Als ik niet val. Ik wist het wel.

    2

    Henkes maakt er zelf van:
    Ik krijg dat kippertje – op het nippertje.
    Nu moet ik het niet verknallen…
    Ik wist het wel, dat ik zou vallen!

    Hij schrijft erbij: ‘Is niet heel goed Nederlands, maar het is een hond hè, moet je maar denken…Wie heeft ooit een hond goed Nederlands horen spreken?’ Een zwak verweer van Henkes, die alle vertalingen van andere auteurs genadeloos neersabelt. Alleen de versies van de eerder genoemde Elseviers en de Engelse Helen Black kan hij nog wel waarderen. De laatste maakte van hetzelfde gedichtje:

    “Now I’m going to steal that pan
    With the chicken, if I can.
    Just my luck! Well, I can say
    I don’t want it anyway.”

    Werk wijzer met een werkwijzer

    Henkes vertelt in het voorwoord dat hij bij het vertalen uitgaat van de 13 geboden van de kinderdichter Kornej Tsjoekovski (1882-1969). Hierin stelt hij dat kindergedichten vooral klankvolle eindrijmen moeten gebruiken, actie moeten benadrukken en kinderen niet moeten onderschatten: ‘Volwassenen kun je voor de gek houden, kinderen nooit.’ Er hoeven geen motieven, geen beweegredenen en geen gepsychologiseer in de gedichten voor te komen, volgens Henkes. Maar wel moet een vertaler proberen het leuker te maken door meerdere lagen aan te brengen. Dat daarbij af en toe van het origineel moet worden afgeweken, vindt Henkes geen bezwaar, het hoeft geen ‘platte navertelling’ te worden.

    Henkes geeft een mooi inkijkje in hoe hij tewerk gaat bij het vertalen. Soms schrijft hij letterlijk zijn hele gedachtegang van het begin tot het einde op, een andere keer doet hij alsof hij met zichzelf praat. Als lezer volg je het proces dat met alle struikelblokken, probeersels, overwegingen en alternatieven uiteindelijk leidt tot een bevredigend resultaat. Zijn vondsten zijn origineel en verrassend en hoewel zijn gedichtjes soms lijden aan dezelfde kwalen die hij de vertalingen van anderen verwijt, is de bundel een genot om te lezen en door te bladeren. het is heel bijzonder om naast de gedichten ook de vertalingen ervan te lezen.

    Soms iets te lollig

    Maar hoe knap de vertalingen ook zijn, het taalgebruik dat Henkes bezigt om zijn gedachten weer te geven is net als zijn humor nogal flauw. Popiejopie, om in de stijl te blijven. Die kan het beste omschreven worden met typeringen uit vroegere ‘meisjesboeken’: tof en jofel. Alsof je Joop ter Heul hoort spreken. Zo schrijft hij zinnen als: ‘Blèr!’ en ‘Krijg nou tieten!’, terwijl hij eerder gesteld heeft dat uitroeptekens ‘onmachttekens’en ‘uitpoeptekens’ zijn. Als hij over een Engelsman spreekt, komen daar een ‘Amerikaansvrouw, een Duitsvrouw en een Fransvrouw’ bij. En hij heeft het over collega’s uit ‘bidden- en boughtenland’. En: ‘Mogen die kindertjens dat niet zelf uitvinden met hun eigen bolle ogen?’ Er zijn nog meer voorbeelden van uitdrukkingen die enorm storen bij het lezen, alsof je op een prachtig aangelegde sierbestrating elke keer je teen stoot aan een uitstekende stoeptegel. Alsof de schrijver zijn eigen werk niet serieus neemt. En dat is jammer, want deze bundel is een prachtige verzameling van gedichten die met groot vakmanschap vertaald zijn. Dat had Henkes ook kunnen laten zien zonder zich te gedragen als Swiebertje.

  • Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Op het conto van Adriaan van Dis, een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers, staan romans, (reis)verhalen, essays, poëzie, toneelstukken, documentaire televisieseries, literaire non-fictie en zelfs een libretto. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Constantijn Huygensprijs. Huidskleur is een terugkerend motief bij Van Dis, vooral in zijn boeken en reisreportages over Afrika en in zijn ‘Indische’ boeken. Zijn belangstelling voor Zuid(elijk)-Afrika kwam voort uit bewondering voor de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach. De beschouwende blik op afkomst en sociale ongelijkheid is bij Van Dis nooit ver weg.

    Veel van zijn romans hebben te maken met Indonesië en de Nederlands-Indische achtergrond van zijn ouders. Ze waren beiden Nederlanders; zijn moeder was eerder getrouwd met een Molukse KNIL-militair waardoor de drie halfzussen van Van Dis half-Indisch zijn. Omdat hij zelf wit is en geboren in Nederland voelde hij zich een buitenstaander in het gezin, ook omdat behalve hij alle gezinsleden een Nederlands-Indisch oorlogsverleden hadden. Zijn boek Indische duinen daarover werd een groot succes.

    De oorlog

    Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen ruist oorlog. De negenjarige Adriaan wordt voor langere tijd naar zijn grootvader Huibert gestuurd om in diens ‘hoge huis’ rust te krijgen van zijn vaders oorlogstrauma, van zijn getier, de slaag en de demonen. Hij is een zenuwachtig kind met sproeten. De stugge grootvader praat weinig, weet niet hoe hij met een kind moet omgaan. Bij huishoudster Jans daarentegen, die Adriaan na een tijdje uit zichzelf Ommie gaat noemen, mag hij op schoot zitten, krijgt hij aaien over zijn hoofd en armen om zich heen. De verre herinnering aan haar was voor Van Dis de aanleiding tot dit boek.

    Ommie is in dienst bij Adriaans grootvader. Ze woont in het hoge huis, krijgt niets betaald, is afhankelijk van hem – al is de afhankelijkheid wederzijds. Zij is ook zijn concubine, maar daar wordt in huis niet over gepraat. Ze dient, doet het huishouden, verzorgt grootvader en bedient de vrienden en zakenmannen die op bezoek komen. Het is de tijd van De Koude Oorlog, de komst van de Russen dreigt. Restanten van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aanwezig: in ruïnes van dorpsgebouwen, in het op straat tikkende houten been van de dagelijks langslopende Melita, in flarden van gesprekken die Adriaan opvangt. Voor hem is het allemaal spannend. Mondjesmaat krijgt hij over de oorlog iets los van Ommie. Ze praat er liever niet over. Van haar heeft hij een verrekijker gekregen die hij Maresch noemt, naar de naam in de voering van het foedraal. Maresch is de vriend die hem de wereld laat zien
    – zelf durft hij nog niet goed naar buiten. Hij observeert er de straat mee, de langslopende mensen, en in huis de plafonds, kastdeuren, ieder randje of vlekje. ‘Sproet’ is nieuwsgierig, opgewonden en bang voor wat hij ontdekt en niet begrijpt. Ommie stelt hem gerust: ‘Je bent veilig.’ Later hoort hij van haar dat Maresch de achternaam is van de Tsjechische Jan, gevlucht voor de nazi’s en in het verzet, ondergedoken bij Ommie in het hoge huis.

    Intermezzo’s

    Van Dis is inmiddels zevenenzeventig jaar oud en zo presenteert hij zich ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen. Over dat heden vertelt hij in een ander lettertype in kleine intermezzo’s tussen de hoofdstukken door. Met een kapotte heup zit hij op een bankje in het park, dagelijks na altijd dezelfde wandeling. Hij ontmoet er onder andere ‘twee vingervlugge kameraden, Hamza en Ricardo, die samen langs de winkels slierden. Al kletsend merkte ik dat ik erg op mijn woorden moest letten. Wat was een roman precies? Wat bedoelde ik met “teruggaan in de tijd”?’ Boeken lezen doen ze niet, nooit. Met deze jongens toont Van Dis zijn beschouwende oog voor andere ontwikkelingen, voor het asociale van een samenleving. In het park peinst hij ook over de tijd in zijn grootvaders huis. ‘Soms kan ik het niet laten even tegen de stam te leunen, zoals Ommie deed na het schoffelen.’

    Melita met het houten been fascineert Adriaan, net als het gevaarlijke woord ‘razzia’ dat hij in verband met haar opvangt. Haar invalide zoon duwt ze in een kar voort. ‘Ze leefde voor hem, dat was ze verplicht aan zijn vader, een verzetsheld.’ Adriaan bekijkt moeder en zoon door het raam nieuwsgierig en medelijdend met zijn verrekijker. Op een ochtend vallen ze, de zoon met zijn hoofd op de stenen. Hij krijgt een spasme en een hersenschudding, moet naar een tehuis, wordt haar afgenomen. ‘Ze begon door de straten te dwalen. (…) Soms schreeuwde ze luid zijn naam. (…) Niet meer het tikken van haar been kondigde haar aan, maar haar stem. Hoog en schor. (…) Adriaan riep Ommie als hij haar hoorde. (…) Hij zou haar nooit meer “manke” noemen.’

    Onder de stijl schuilt het drama

    Gedurende het verhaal blijkt hoe sociaal Ommie is. Ze probeert iets te betekenen voor Melita, heeft onderduikers geholpen en houdt Huiberts familie bij elkaar. Langzaamaan hoort Adriaan meer over de oorlog, al proberen grootvader en Ommie dat te vermijden. Zijn huisleraar – Adriaan krijgt thuis les -laat vallen: ‘“De moffen lieten ons verrekken”. Nou, toen begreep Adriaan het wel. Meneer Van Look (…) dicteerde er nog een hele trits bij: “vechtbereid”, “verhoortechniek”, “vernietigingskamp”. Ook die woorden schreef Adriaan met een bibberpotlood op. Hij kon het echt niet helpen, was zelf niét over de oorlog begonnen. (…) Hij stelde vele vragen. Verboden vragen. Betrad verboden terrein. Maar hij genoot ervan. O, wat verlangde hij naar dapperheid.’

    De hedendaagse Van Dis gaat op zoek naar informatie over de vrouw die zijn Ommie was. Hij spreekt verre familieleden, vindt documenten. Zijn moeders nalatenschap levert een paar brieven van Ommie op. ‘Geruststellingen over mijn schoolvorderingen en strijd tegen galbulten (…) Bij tweede lezing viel mij een passage op die ineens meer betekenis kreeg: Wat is dat toch met Adje? Hebben jullie er veel met hem over gesproken? Hij tekent al dagen tanks in zijn tekenschrift en schietende soldaten in plassen bloed.’

    In Naar zachtheid en een warm omhelzen neemt de waarnemer Van Dis de lezer in treffende bewoordingen mee naar de ervaringen van de kleine, bangelijke jongen van toen. Het boek leest moeiteloos. Maar onder de heldere, haast lichtvoetige stijl van de auteur schuilt het drama. De verbeelding en empathie van de lezer worden aangesproken dankzij levendige personages, invoelbare dialogen en het perspectief van de kleine Adriaan. Af en toe is er een alwetende verteller aan het woord. De hedendaagse intermezzo’s zijn in de eerste persoon geschreven.

    Rudy Kousbroeklezing

    Vorig jaar kon Adriaan van Dis dan eindelijk de Rudy Kousbroeklezing houden die wegens corona een paar jaar was uitgesteld. In de tussenliggende jaren schreef hij verder aan de lezing. Zijn onderzoek breidde zich uit, de artikelen stapelden zich op, er kwamen steeds meer gegevens bij. Veel te veel voor een lezing. Daarom is er nu wederom een boek; De kolonie mept terug is de neerslag van al dat materiaal. Opnieuw is Van Dis’ beschouwende oog gericht op het koloniale verleden en de gevolgen ervan, op racisme en de witte kijk op de wereldgeschiedenis.