• Gemis vanuit kinderperspectief

    Gemis van Diane Broeckhoven beschrijft in retrospectief Justus’ ‘coming of adolescent’ in een jungle van grotemensenproblemen. Het feit dat de jonge Justus een kind is, in het begin van de roman nog maar zes jaar jong, maakt het verhaal ontwapenend en bij tijden ontroerend.

    […]

    De gelouterde Vlaamse Broeckhoven heeft al vele tientallen romans op haar naam staan, zowel kinderboeken als adolescentenboeken als boeken voor volwassenen. Gemis is op de markt gebracht als ‘roman’ maar is door de thematiek, de toegankelijke schrijfstijl en de positieve, hoopvolle wendingen met name een bijzondere aanbeveling voor beginnende literatuurlezers als oudere tieners en zogenoemde ‘young adults’.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Ode aan de heimwee

    In De Madurese vriend reist schrijver Kees Ruys over de Indonesische archipel met als eindbestemming Pasir Putih, een badplaats op Oost-Java waar hij al vaak was. Het is misschien niet zijn laatste reis, maar wel een betekenisvolle. Hij beschrijft zijn terugkeer in een afscheidsbrief aan Djaman, een Madurees met wie hij veertig jaar bevriend is en met wie hij verstandhouding en vertrouwen heeft opgebouwd, maar die hij nog altijd niet begrijpt en dat is wederzijds. De auteur is melancholiek gestemd, want dit keer zal Djaman hem niet opwachten en tegemoet treden met de woorden dat hij hem al in zijn droom zag naderen.

    De auteur heeft geen haast. Traag, op het ritme van de hete dag in Java, reist hij langs ‘de oude Grote Postweg’. Deze duizend kilometer lange weg werd in 1908 in een jaar aangelegd. ‘Een recordprestatie, die het leven eiste van twaalfduizend Indonesiërs, onder wie honderden koelies (…) waarna opzichters hun hoofden, ook bij Pasir Putih, langs de weg als kerstballen in de bomen hingen.’

    Afscheidsbrief

    Ruys haalt herinneringen op aan voorgaande reizen, waaronder anekdotes over mensen die hij gekend heeft, zoals Yanto, een andere Javaan met wie hij ook veel beleeft heeft. Hij beschrijft de mensen levendig, met veel oog voor detail. Het is een caleidoscoop aan belevenissen die Ruys samen met Djaman en Yanto ervoer, waarover hij nu schrijft in de afscheidsbrief. Een mooie vorm waarin de auteur zelf, de ik, zijn vriend met je aanspreekt. Hij toont zijn kwetsbaarheid en voegt persoonlijke beschouwingen in, hij vraagt dingen aan Djaman, die geen antwoord geeft, maar soms lijkt het een dialoog. De brief is een zoektocht naar wat hun vriendschap inhield.

    Waarom zijn ze altijd zo mild gestemd over de Nederlanders, die toch vreselijke dingen hebben aangericht. De auteur vindt het vreemd dat hij zelden negatieve sentimenten over Nederlanders opgevangen heeft. ‘Jullie herinneringen aan mijn landgenoten zijn niet alleen verser dan die aan de Japanners, maar in veel opzichten ook onthutsender (…) Is het een vorm van praktisch denken: toen is toen? De superioriteit van de uiteindelijke overwinnaar?’

    Dat Djaman ziek is, wordt al snel duidelijk, en is reden tot zorg. De stief-kleindochter van Djaman houdt Kees Ruys in Nederland met video’s per mobiele telefoon op de hoogte van het voortschrijdend ziekbed. Niets te vrezen, de berichten zijn vooral hoopvol, maar het is voor Ruys wel een reden om deze reis te ondernemen.

    Tussen de persoonlijke mijmeringen komen historische gebeurtenissen in Indonesië aan bod. Het Nederlands kolonialisme, zij het in mondjesmaat, maar ook de islam. ‘Van oudsher is de Indonesische islam een milde variant op de Arabische, verweven als hij is met invloeden uit het boeddhisme en het hindoeïsme, met gewoonten en gebruiken en met animistisch (bij)geloof. (…) Er waren er maar weinig die vijf keer per dag tot Allah baden. Jij vormde op dit beeld geen uitzondering. Gelukkig niet.’ Schrijft Ruys aan Djaman.

    Sinds de jaren zeventig reisde de auteur met grote regelmaat door Indonesië en vooral de laatste twintig jaar, sinds 9/11, zag hij de tolerante, humorvolle samenleving radicaal veranderen. Hoewel ze het zelden over politiek hadden, weet Ruys dat Djaman het met hem eens was, maar dat kon zijn vriend steeds minder in het openbaar zeggen. ‘Maar toch ben jij, juist jij, een van de redenen waarom ik vasthoud aan mijn overtuiging dat de wereld iets kan leren van de buigend-bamboe-houding van de Indonesiër…’

    Ware Vriendschap

    De lezer leert Djaman en Yanto en vele andere vrienden, hun vrouwen en kinderen kennen. Er zijn talloze verwikkelingen en vetes, en herinneringen aan een verloren, moeizame liefde. Ruys reisde verschillende keren samen met de mannen en kwam zo dichterbij hun rituelen, angsten en (bij)geloof. Hij ging heel ver om zich gelijkwaardig te kunnen voelen aan Djaman en zijn vrienden Hij deed mee aan séances, en organiseerde bierfeestjes waarna hij zich weer schuldig voelde, want een Javaan zal gratis bier niet afslaan en dus waren ze al snel ladderzat. Schuldgevoel, omdat hij een witte Nederlander was tegen wie zij altijd opzien en zich onderdanig gedragen.

    De auteur idealiseert Indonesië niet, soms is er haast sprake van een haat-liefdeverhouding, de hitte, de regens, de kakkerlakken en muggen, de armoede en de corruptie. Hoewel onder die corruptie en diepe armoede niemand echt lijkt te lijden, er is altijd weer hulp vanuit de gesloten gemeenschap.

    Leunstoelreizen

    Ruys verstaat de gave om zijn lezer mee te nemen op reis. Beelden, geuren, hitte, het zijn innemende, fraaie sfeerbeschrijvingen, nooit te zwaar, maar wel met diepgang. De boeiende Indonesische cultuur spat van de bladzijden. De Madurese vriend is een ode aan een vriendschap, een melancholiek en meeslepend reisverhaal, dat moeilijk weg te leggen is. ‘Als ik aan Pasir Putih denk (…) is het er nog steeds een rommeltje, en onverdraaglijk heet, en gebeurt er zo ontstellend weinig dat je er op doordeweekse dagen evengoed een foto als een video kunt maken.’

    Tegen de achtergrond van hedendaags Indonesië met herinneringen aan weleer meandert de auteur tussen de vele personages en hun levensverhalen en verkeert hij met hen tussen hitte, stof en armoede en probeert hij de kracht van de vriendschap te ontdekken, maar kan die uiteindelijk niet echt in woorden vangen. En misschien hoeft dat ook niet, als het een zuiver gevoel is.

    De Madurese vriend is deel vier in de serie De Randgebieden. Vier boeken over Indonesië die onafhankelijk van elkaar te lezen zijn. Het is een bundeling van sentimenten, hallucinerende ervaringen en prachtige portretten van gewone mensen, maar ook van sferen en impressies van steden en dorpen en belevenissen tijdens Ruys’ tochten.

     

  • Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Uit het hart is een vriendenboek. Het is samengesteld door de besties Jeroen Dera en Jos Joosten voor hun zeer gewaardeerde collega Jos Muijres die tot en met 2023 universitair docent Moderne Letterkunde was aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. Muijres heeft vanaf de jaren ’90 aan die universiteit de Vlaamse letterkunde op de kaart gezet, gevoed en gekoesterd. Hij heeft in zijn colleges, de organisatie van gastcolleges van Vlaamse schrijvers, postacademische cursussen en lezingen een op zichzelf staand specialisme vormgegeven met veel aandacht voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen. Uit de lezingenreeks kwamen de bundels Op de hielen (2014) en Tegen de schenen (2018) voort over recent verschenen Nederlandstalige romans. Bij zijn pensionering en daarmee vertrek van de Radboud Universiteit is nu Uit het hart verschenen, een verzameling ‘opstellen over moderne Vlaamse literatuur’ die een staalkaart wil zijn van wat in de 21e eeuw tot en met 2023 aan Vlaams proza is verschenen. Collega’s, sprekers, oud-studenten en studenten hebben de bijdragen geleverd voor in totaal 24 beschouwingen, waarmee voor elk jaar uit de nieuwe eeuw een boek is besproken. Uit het hart is bedoeld als tastbaar eerbetoon voor Muijres’ tomeloze inzet. Het levert een gevarieerde bundel op voor geïnteresseerde Neerlandici en andere leesliefhebbers.

    In de inleiding geven Dera en Joosten aan dat de bundel ‘bijdragen met een uiteenlopend karakter’ bevat. Dat is zeker waar en bepaalt mee de waarde van de verzameling. Wat passeert is werk van mastodonten als onder andere Hemmerechts, Verhelst, Verhulst en Verbeke, Stefan Hertmans, Elvis Peeters, Stefan Brijs’ Engelenmaker tot en met Carmien Michels Vaders die rouwen, maar ook de young adultroman Allemaal willen we de hemel van Els Beerten en Mazzel tov van Margot Vanderstraeten, dat over het algemeen als non-fictieboek is besproken. Een grote gemeenschappelijke deler is dat het werk bijna zonder uitzondering grondig door de interpretatiemolen wordt gehaald volgens de heilige wet van het ‘close readen’.

    Staalkaart Vlaamse literatuur

    Muijres zegt in een interview in de Vox, het ‘onafhankelijk magazine van de Radboud Universiteit’ bij zijn afscheid: ‘[…] ik ben ook erg toe aan rust. Als letterkundige sta je voortdurend – in het weekend en in vakanties – onder druk: ik moet dit nog lezen, ik moet dat nog bestuderen. Ik verlang ernaar om van die druk af te zijn.’ Voor de lezer die nog niet van die rust kan genieten en die dus meer mist dan hij of zij kan bijhouden, is deze bundel de bedoelde en waardevolle staalkaart van gekende Vlaamse schrijvers en hun werk. De meeste opstellen beginnen met een heldere uiteenzetting van de inhoud van het besproken werk, handig voor wie het nog niet kent of een opfriscursus kan gebruiken, gevolgd door een specifieke vraag of interpretatie met betrekking tot de inhoud van de roman. Die specifieke invalshoeken zijn zo nu en dan wel erg specialistisch, maar leveren interessante, leerzame en inspirerende opstellen op en bijzondere interpretaties en waarnemingen, bijvoorbeeld over de ‘meerstemmigheid’ in Beertens jeugdroman, ‘de provocatie van de normaliteit’ in Petry’s De maagd Marino, het ‘onderzoeksmatige aspect’ van Kamer in Oostende van Koen Peeters.

    Muijres (1957) is een babyboomer die van een dubbeltje tóch een kwartje werd. Zijn sociale achtergrond heeft hem ‘nederig’ gemaakt, zegt hij in het eerdergenoemde afscheidsinterview, maar zeker en vast ook maatschappelijk geëngageerd. Sociale omstandigheden van personages in romans en de manier waarop die omstandigheden en de personages de lezer voorgeschoteld worden, hebben zijn bijzondere belangstelling. In de opstellen in de bundel is ook ruimschoots aandacht voor allerlei maatschappelijke thema’s en voor betrokkenheid. Het engagement van Verhulst in Problemski hotel krijgt ruimschoots aandacht, het rumoer rond Ruth Lasters’ stadsdichterschap van Antwerpen en haar vermeend ‘niet-verbindende’ gedicht passeert de revue in een opstel over haar roman Poolijs uit 2005, de ‘diversiteitshype’ en het al dan niet bestaan van ‘allochtonenliteratuur’ en ‘migrantenliteratuur’ wordt genoemd in de besprekingen van De lammeren van Mustafa Kör – naar eigen zeggen geen Vlaamse of Turkse schrijver maar ‘auteur’- en Vertel het iemand van Rachida Lamrabats. Bij het opstel over Wil van Jeroen Olyslaegers worden de noties ‘ethische subjectiviteit’ en ‘morele ambiguïteit’ besproken en tot tweemaal toe komt het frisse feministische Fixditcollectief langs, namelijk bij de Fixditschrijfsters Margot Vanderstraeten en Gaea Schoeters, de laatste bij de bespreking van haar Trofee.

    Breed publiek?

    Of de opstellen zoals de redacteuren in het inleidende hoofdstuk beweren ‘steevast toegankelijk geschreven’ zijn, daar valt over te twisten. Een niet-academisch geschoolde lezer zal de hersens stevig moeten laten kraken bij een zin als deze, ook als er geen fout in zou staan: ‘(Jeroen Dera en Jos Joosten wezen me op het feit dat deze functie, op zijn minst in de gedaante van ‘zelfrepresentatie’, centraal staat in modern letterkundig onderzoek – een onontgonnen manier waarop literatuurwetenschappelijke denken taalkundige theorievorming over de functie van taal zou kunnen beïnvloeden.)’ Dit citaat komt nota bene uit het hoofdstukje ‘Taal om te imponeren’ over Lanoyes Sprakeloos! Daarnaast wordt geregeld wetenschappelijk literair-theoretisch of taalkundig jargon gebruikt, wat de bundel niet per se ‘toegankelijk’ maakt voor een breed publiek.

    De naar de Rijksuniversiteit Groningen ‘overgelopen’ hoogleraar Mathijs Sanders schrijft over De maagd Marino van Yves Petry, de roman die in 2011 de Libris literatuurprijs won (en, onvermeld, in 2012 de Inktaapprijs). Die gruwelijke roman is gebaseerd op het waargebeurde voorval van een hoofdpersoon die zijn vriend na diens dood in de vriezer bewaart en stukje bij beetje opeet volgens een vooraf door hen beiden schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Protagonist Bruno doceert ‘Hoogtepunten uit de Literatuur van de Twintigste Eeuw’ aan de meest katholieke universiteit van het land. Buiten zijn werkwereld kan Bruno zich nauwelijks staande houden en zonder geloof in literatuur als iets heiligs blijft er voor hem niet veel over. Volgens Sanders laat de roman zelf juist zien dat er hoop is. ‘Nog altijd is de roman in staat lezers te betoveren en te verontrusten. Deze roman markeert niet het einde van de literatuur, maar viert haar triomf.’ Dit geldt voor veel van de in deze bundel besproken romans.

    Jos Muijres kan in 2023 nog niet zeggen wat hij na zijn pensionering gaat doen. Gelukkig is er nog meer dan genoeg te lezen. Om te beginnen dit liber amicorum dat voor de geïnteresseerde literatuurliefhebber een rijk overzicht van de 21e eeuwse Vlaamse literatuur biedt en voor hem ook een waardevol bewijs van vriendschap en waardering is, dat laat zien dat uit het oog zeker niet uit het hart betekent.

     

     

  • Voetbal en poëzie

    Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit  het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen. 

    Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’,  Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’ 

    De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’.
    Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.

    Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop.
    ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.

    Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).

    Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.



  • Bijzondere beesten binnenstebuiten

    Met een titel als Het beestenbinnenstebuitenboek kun je niet anders dan nieuwsgierig worden. Er zijn genoeg boeken over dieren en over de skeletten van dieren. Maar met dit boek heeft Merel toch iets extra’s toegevoegd aan het bestaande aanbod informatieve boeken. Het beestenbinnenstebuitenboek geeft je een letterlijk kijkje in twaalf verschillende dieren: van de slak in je achtertuin tot aan de gigantische potvis. 

    […]

    Het beestenbinnenstebuitenboek is een fijn informatief kinderboek dat de nieuwsgierigheid van kinderen niet alleen stilt door de antwoorden die het geeft, maar ook zeker verder zal aanwakkeren. Een boek waarin kinderen zelf heerlijk kunnen bladeren of wat in de klas goed ingezet kan worden.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Sombere boodschap in prachtig proza

    De Franse titel Crépuscule van de roman Schemering van Philippe Claudel drukt iets nauwkeuriger de essentie uit. Crépuscule betekent schemering als overgang tussen dag en nacht (of nacht en dag), maar betekent ook datgene wat op het punt staat te verdwijnen. En deze betekenis is helemaal van toepassing op het verhaal dat Claudel in deze roman vertelt. Claudel neemt de lezer mee naar een uithoek van een fictief keizerrijk, naar een klein dorpje, waar een moord heeft plaatsgevonden op de pastoor, vlak voor het invallen van de duisternis. Politieman Nourio en zijn Plaatsvervanger Baraj (overheidsfuncties en belangrijke begrippen in het boek worden met een hoofdletter geschreven) zetten alles op alles om de moord op te lossen. Nourio wordt gezien als de slimme vreemdeling in het dorpje, terwijl Baraj de autochtoon doorgaat voor dom. Samen bemannen ze de politiepost van het dorp.

    Nourio beschouwt het leven als een stompzinnig spel waaruit geen winst of verlies te behalen is. Hij heeft een zekere intellectuele nieuwsgierigheid, maar graaft niet erg diep. Hij maakt er het beste van, al valt dat niet mee met een altijd zwangere vrouw, een huis vol kleine kinderen en een immer opspelende seksuele drift. Zijn vrouw ondergaat de toenaderingen door haar man gelaten. ‘Als een uitgehongerd varken drong hij in haar binnen, hijgend en grommend, en zij liet hem begaan, zwijgend, onderdanig en vreugdeloos, ging verder met het snijden van de groente als ze daarmee bezig was.’ 

    Moord een uitdaging

    Baraj is tevreden met zijn bestaan. Hij is als kind enorm gepest en heeft zich min of meer genesteld in een solitair bestaan met twee honden in een huisje buiten het dorp. Hij denkt dieper na dan de mensen op het dorp weten, krijgt flarden van gedichten door en is in zijn eentje domweg gelukkig. De moord op de pastoor is voor de Politieman een uitdaging, een kans om te laten zien wat hij waard is en een kans op promotie. Baraj ziet in de moord een aankondiging van het einde der tijden, maar Nourio ziet het als een begin van ‘een weg, geplaveid met hoogachting en eerbetoon.’ Maar dan moet hij wel de moordenaar vinden en dat valt niet mee. Al zet hij zich volledig in, hij komt geen stap verder. Daarbij geplaagd door de angst dat het onderzoek hem uit handen zal worden genomen. 

    Het dorp bestaat voor het grootste deel uit christenen en een kleine moslimgemeenschap. Achter de grens, waar het dorp vlakbij ligt, zijn de moslims wel in de meerderheid, een bedreiging voor het keizerrijk. Door behoedzaamheid en discretie in combinatie met het talent om onzichtbaar te zijn, kunnen de moslims in het dorp overleven. Ze worden getolereerd als ze niet al te nadrukkelijk tonen dat ze moslims zijn. Zij zijn de buitenstaanders, de christenen de gevestigden.

    De wijze imam van het dorp beseft meteen de mogelijke explosiviteit van de moord. Hij laat in een gesprek met de Politieagent doorschemeren dat de moord een potentiële bedreiging is voor ‘zijn’ gelovigen. ‘Mensen die anders zijn, worden getolereerd zolang de wereld soepel loopt als touw door een katrol,’ zegt hij beeldend. Maar er hoeft maar iets mis te gaan en dan beginnen de vingers al te wijzen. Nourio zegt dat het hem om gerechtigheid gaat. ‘De dader zal gevonden en bestraft worden, dat beloof ik u. Of het nu een christen of een moslim is. Zijn daad valt alleen hem aan te rekenen, niet zijn geloofsgemeenschap. (…) stelt u uw gelovigen gerust en laat mij mijn werk doen.’ De imam is hiervan onder de indruk. ‘U spreekt als een heilige, en dat verbaast me niet van u, want u hebt het gezicht en de ziel van een goed en rechtvaardig mens.’

    Een wenselijke waarheid

    Na de moord wordt er in het dorp een processie georganiseerd waarin met de vinger naar de moslimgemeenschap als schuldige wordt gewezen. Er wordt een varken gekeeld en bij de deur van de moskee opgehangen. De autoriteiten weten niet wat ze moeten doen. De Rapporteur van het Keizerlijk Gezag stelt voor om een waarheid te zoeken die voor het grootste deel van de dorpsgemeenschap acceptabel is. Nourio stemt hiermee in. Al kan hij de gevolgen van deze positiebepaling niet onder ogen zien. Hij is minder heilig dan de imam gehoopt had. Hij lijdt onder wat Sartre ‘mauvaise foi’ noemde. Hij durft geen eigen keuze te maken omdat hij bang is voor de consequenties voor zichzelf.

    Politieagent Nuorio is niet zo heilig als hij zou willen zijn. Door zijn ijdelheid valt hij ten prooi aan de mensen bij wie hij in loondienst is. Hij haalt vreemde strapatsen uit om in het gevlei te komen, het is om te lachen en te huilen. Als Nourio op een dag bij de Rapporteur wordt uitgenodigd, voelt hij zich gestreeld, al heeft hij een lage dunk van de man. Hij gaat mee in de strategie van de Rapporteur en zegt heel gewichtig dat hij en de Rapporteur deel uitmaken van het grandioze mechaniek van het Keizerrijk. Aangemoedigd door de Rapporteur komt hij tot de formulering dat het niet om de werkelijke waarheid gaat in deze kwestie, maar om de werkbare waarheid. Een waarheid die wenselijk is om de bedreigde stabiliteit van het dorp, en daarmee van het keizerrijk, te handhaven. De Rapporteur is het daarmee eens.

    Schemering is geen whodunnit, maar een verhaal over de manier waarop in alle tijden en plaatsen van de geschiedenis wordt omgegaan met buitenstaanders. Zij worden ontmenselijkt omwille van de breekbare sociale eenheid. En dat allemaal verguld met een term die mooi klinkt, ‘werkbare waarheid’. Populisme in de hoogste graad. Van de Jodenvervolging tot het bij voorbaat als verdacht beschouwen van een bepaalde etnische of religieuze groeperingen dat leidt tot toeslagenschandalen, tot het ‘minder-minder’. Alle gezagsdragers creëren geverfde vogels die vervolgens worden doodgepikt. En de waarheid komt bij het oud vuil te staan. De ambtenaar is degene die het beleid, nolens volens, uitvoert. In deze roman is dat Nourio, een lachwekkende ijdeltuit die langzaam meedrijft met de populistische stroom. Kan je hem dat kwalijk nemen? Zijn ogenschijnlijk domme en eenzame Plaatsvervanger Baraj komt er veel sympathieker vanaf. Hij doorziet alles, maar trekt zich terug in wat de Duitsers noemen een ‘innere Emigration’. 

    Sombere boodschap 

    De roman eindigt somber. Het Keizerrijk is ten dode opgeschreven en is in staat van ontbinding. ‘de Grens zal week worden, er zullen gaten en scheuren in komen en dan zal hij de honderdduizenden op elkaar geplakte mensen doorlaten die het Rijk uiteen zullen doen spatten als een notendop onder de hak van een schoen. Uit die natuurramp zullen allerlei Staten geboren worden (…) waarin men elkaar zal doden in naam van God of de Profeet, en op de bestaande haat zal nieuwe haat worden gelegd, en samen zal dat een onuitputtelijke, vruchtbare voedingsbodem zijn voor het kwaad dat nog moet komen.’   

    Deze sombere boodschap wordt in de roman op een prachtige manier en in mooi proza verteld. Het boek is fraai vertaald en leest als een trein. De zoektocht naar de dader stuwt de lezer verder. Claudel weet de lezer hoofdstuk na hoofdstuk mee te trekken in een universeel thema. Volgens hem is de gang van zaken een natuurwet waar individuen weinig aan kunnen veranderen. De lezer bepaalt of hij het daarmee eens is. Knap aan dit boek is dat het als historische vertelling geheel geloofwaardig is en zomaar in de huidige tijd geplaatst kan worden. Claudel is een groot schrijver die zich met deze roman weer overtroffen heeft. Een meer dan actueel boek dat blijft nasmeulen in het bewuste en onderbewuste en dat tot de huidige werkelijkheid is geworden.



  • De stroom van de rivier

    ‘Het meisje is op de rivier geboren.
    Haar thuis is hier en daar,
    en alles ertussenin.’

     Zo begint Kind van de Rivier van Tiny Fisscher met illustraties van Pyhai. Met veel gevoel en verbeelding wordt het verhaal verteld over een meisje dat alleen op een bootje woont. Ze laat zich leiden door de stroom van de rivier. Ze is er geboren, de rivier is haar thuis.

    […]

    Tiny Fisscher en Pyhai bewerkten in 2022 voor kinderen De profeet van Khalil Gibrans. Voor Kind van de rivier hebben  zij opnieuw de handen ineen geslagen, met dit prachtige verhaal als resultaat.

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Een leven in het bos als metafoor

    Bambi. Iedereen kent de naam van het reebokje. Veel mensen zagen de Disneyfilm uit 1942, die nog steeds via streamingsdiensten valt te bekijken. Maar weinigen zullen weten dat het verhaal erachter (1923), dat oorspronkelijk als feuilleton in een Weense krant verscheen, is geschreven door de Oostenrijks-Hongaarse Felix Salten (1869-1945). Eigenlijk heette hij Siegmund Salzmann en was theatercriticus, redacteur, schrijver, jager én dierenbeschermer. Het verhaal is niet – zoals vaak wordt gedacht – als kinderverhaal bedoeld, al verscheen het ook als Gouden Boekje.

    Nu is er bij De Geus een herdruk (als Salamander klassieker) verschenen van de Rainbowuitgave (2017) in de soepel lopende Nederlandse vertaling van Jet Quadekker. Aangevuld met een voorwoord van Arnon Grunberg en een nawoord van de vertaalster. Geschikt voor mensen die de film maar niet het originele verhaal kennen. En voor lezers die geen van beide kennen en er nieuwsgierig naar zijn. Of voor mensen die zonder meer een boek willen lezen dat volgens Grunberg ‘uiteindelijk over eenzaamheid en de dood gaat’. De vreugde over de hernieuwde kennismaking met het origineel wordt alleen wel een beetje (te?) ver doorgevoerd: ‘Salten (…) doet daarbij niet onder voor bijvoorbeeld Tolstoj in De dood van Ivan Iljits’, meent Grunberg. De novelle uit 1886 gaat over het stervensproces van gerechtsdienaar Iljitsj Golowin na een eenzaam leven. Thematiek die inderdaad overeenkomt met Bambi, maar verder lijkt Tolstoj toch een maatje groter.

    Zien, voelen en ruiken

    Laten we daarom Bambi van Salten zelf bekijken en op zijn eigen waarde schatten. Het gelijknamige reetje wordt diep in het struikgewas van het bos geboren en wil al jong van het gebaande pad afwijken. Hij schrikt van de eerste ‘moord’ die hij ziet: een bunzing die een muis vangt. Dat zou híj nooit doen! Net zomin als ruzie maken over eten, zoals twee Vlaamse gaaien. Nee, hij, Bambi zal genieten van ‘de hoge, wijde, blauwe hemel’, de gloed van de zon ‘en het weidse groen’. Zien, voelen en ruiken.

    Maar zijn moeder is altijd op haar hoede. Op klaarlichte dag zullen ze bijvoorbeeld nooit naar het veld gaan. Dat is te gevaarlijk. De grote herten boezemen de reetjes ontzag in. Familie en toch ook weer niet. Van je familie, die grote herten, moet je het hebben! Een bosuil adviseert dat ze zich niet met dat volk moeten bemoeien. Moeder ree heeft het tot twee keer toe over ‘Dat … was … Hij!’; een vertegenwoordiger van de mensensoort, een jager, begrijpt de lezer. Al gaat het verhaal ‘dat Hij op een dag bij ons [de dieren, vS] zal komen en goed zal zijn als wij. Hij zal met ons spelen, het hele bos zal gelukkig zijn en we zullen vrede sluiten’.

    De (volwassen) lezer begrijpt meer. Bijvoorbeeld over bladeren aan de bomen die op een gegeven moment doodgaan en naar beneden vallen. Vraagt het ene blad aan het andere: ‘”Wat is daar beneden?” Het eerste blad antwoordde: “Dat weet ik niet. De een zegt dit, de ander dat (…). Van degenen die beneden zijn is er nog nooit iemand teruggekomen”.’ Bambi beleeft de wisseling van de seizoenen. Een zware wintertijd breekt aan. Voedsel vinden wordt steeds moeilijker en Hij waart rond, de roep van de reeën imiterend. Tot overmaat van ramp sterft Bambi’s moeder. ‘Verdwijnt’ zegt Bambi eufemistisch. Bambi geeft op dat moment niets meer om de ontluikende natuur.

    Horen, zien en ruiken

    Die natuurbeschrijvingen zijn prachtig, bijvoorbeeld over het ontwaken van de vogels. Zodanig dat je het hoort en ziet: ‘De vinken sloegen en ook de roodborstjes en puttertjes lieten zich horen. Met veel vleugelgeklapper vlogen de duiven van de ene plek naar de andere. De fazanten gaven een luide schreeuw (…). De zon was opgekomen (…). Het veld fonkelde van de dauw, rook naar gras, naar bloemen en natte aarde’. Horen, zien en ruiken. Ook de angst voor een groot hert wordt invoelbaar beschreven: ‘Niet ver van hen’ [de kudde] ‘was er geritsel. Ze stonden meteen stil en tuurden naar die kant. Daar schreed langzaam een enorm hert door de bosjes op de open plek af. In de kleurloze schemering leek hij op een reusachtige grijze schaduw.’

    Toen het boek uitkwam was de ontvangst redelijk koel. Disney kwam in 1942 met zijn film, die een groot succes werd en het originele verhaal overschaduwde. Vond de Weense uitgever nog dat Salten de ziel van het Duitse woud had opgeroepen, Disney toonde een beeld van een lieflijker natuur.

    Metafoor voor het interbellum

    Toch is het niet moeilijk om Bambi als een metafoor te lezen voor wat er in het interbellum tussen de Eerste- en Tweede Wereldoorlog in de Europese politiek gebeurde. Het bos staat voor nationalisme, zoals dat vanaf de vroeg-romantiek in Duitstalige kunstuitingen het geval is. Het veld (of de wei, in andere vertalingen) voor het beloofde land en de reeën zou je als vervolgden kunnen zien, ten prooi aan de pogroms die plaatsvonden. ‘Uiteindelijk gaat boek over eenzaamheid en de dood’, schrijft Grunberg terecht. En niet primair over liefde, zoals de Disneyfilm ons wil doen geloven: ‘Liefde is als de zon’ klinkt het meermalen in de film. Het is een mooie boodschap, maar wel wat ver van het originele verhaal verwijderd.

     

     

  • Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    ‘Ruim twintig jaar al duikt Paul van Ostaijen met enige regelmaat op in mijn bestaan.’ Aldus begint Matthijs de Ridder het nawoord van zijn biografie over de Vlaamse dichter, die als ondertitel ‘De dichter die de wereld wilde veranderen’ heeft meegekregen. Die tijdsspanne toont aan hoe grondig De Ridder te werk is gegaan. Het resultaat is ernaar, want hij geeft de lezer een zeer gedetailleerd beeld van het leven van de grote vernieuwer van de Vlaamse poëzie.

    Het verhaal begint in het Antwerpen van vlak voor de eeuwwisseling, bij de geboorte van Pol van Ostaijen in 1896. De wijze waarop Matthijs de Ridder het Antwerpen van deze tijd tot leven brengt is een waar genot voor de lezer. We volgen Pol in zijn jeugd en schooljaren. Een begaafd leerling is hij bepaald niet en op jonge leeftijd wisselt hij het schoolleven al in voor een baan als klerk bij de gemeente. De drang om een grote rol te gaan spelen in de Vlaamse letteren manifesteert zich echter al vroeg. Pol wil de dichter van zijn generatie worden. Het duurt na deze vroege jaren van Pol (zijn originele naam, ‘per ongeluk’ vernoemd naar Koning Leopold I zo valt ergens te lezen, dus veranderde hij zijn naam in Paul), nog enkele honderden bladzijden voor we aankomen bij Music-Hall, zijn debuut uit 1916, waarmee hij de gangbare begrippen van de kunst aan het wankelen brengt. De oorlog had duidelijk een nieuwe tijd ingeleid, en Music-Hall is daarvan een manifestatie.

    In het eerste deel worden veel vrienden en medeoprichters van literaire tijdschriften aangehaald, tijdschriften die vaak een kort leven beschoren zijn. Het grote aantal namen maakt het verhaal soms moeilijk te volgen. Daarnaast zijn er veel passages die niet direct relevant zijn. Dat Paul van Ostaijen mogelijk bij een bokswedstrijd aanwezig was en daar misschien een bespreking aan heeft gewijd hoeft geen drie bladzijden te kosten. Zo zijn er meer passages die korter of in een voetnoot afgehandeld hadden kunnen worden.

    Eerste Wereldoorlog

    Van Ostaijen heeft duidelijk het heilige vuur om de literatuur een flinke optater te geven, maar hij mist nog de juiste structuur om dat echt waar te maken. Natuurlijk breekt ook de Eerste Wereldoorlog uit in 1914, en na een korte maar hevige strijd valt Antwerpen. De oorlog wordt slechts sporadisch genoemd, maar op de achtergrond is deze altijd aanwezig. Door de taalstrijd krijgt de oorlog nog extra betekenis. Het Frans voert op alle gebieden de boventoon zodat de positie van het Vlaams nog bevochten moet worden. Er zijn elementen binnen de Vlaamse beweging die voor hun strijd steun hopen te krijgen van de Duitse bezetter. De rol van Van Ostaijen hierin is onduidelijk, maar zijn medewerking aan de Duitsgezinde Vlaamsche Gazet is er wel mede de oorzaak van dat hij na de oorlog wordt veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf. Uiteindelijk zal hij nooit in de gevangenis belanden. Aan het eind van de oorlog verschijnt zijn tweede bundel Het Sienjaal (1918).

    Berlijn

    Na de oorlog gaat Paul naar Berlijn met zijn nieuwe vriendin Emma Clément, beter bekend als Emmeken. De stad zelf lonkt, maar Paul is ook op de vlucht voor het gerecht vanwege zijn veroordeling. In Berlijn komt hij in aanraking met het nachtleven in de grote stad, de jazz, de clubs. Het zal zijn weerslag vinden in bundels als Bezette Stad (1921) en Feesten van Angst en Pijn (1921, maar postuum gepubliceerd). Om zijn hectische leven en zijn complete toewijding aan de poëzie vol te houden raakt hij steeds meer afhankelijk van de cocaïne. In 1921 keert hij terug naar Antwerpen, korte tijd later gevolgd door Emmeken. Hun knipperlichtrelatie is dan al een aflopende zaak en eindigt definitief als zij met iemand anders trouwt.

    Bundels

    Ondanks de vele details verliest Matthijs de Ridder de grote lijn niet uit het oog. Deze is opgebouwd rond drie belangrijke pijlers: de biografische levensloop van Paul van Ostaijen, zijn liefdesleven en vooral de dichtbundels waar hij zijn faam aan dankt. Opvallend is hoezeer het verhaal vaart en structuur krijgt zodra er een bundel in zicht komt; dat zijn dan ook de beste passages van de biografie. Door een duidelijk beeld te schetsen van de ontstaansgeschiedenis van elke bundel maakt De Ridder ook duidelijk hoe deze allen op zichzelf staan. De poëtische ontwikkeling van Paul van Ostaijen is niet eenlijnig. Music-Hall was vooral qua inhoud revolutionair, wat stijl betreft lag het nog altijd in het verlengde van de traditionele poëzie. In zijn tweede bundel Het Sienjaal kiest hij steeds meer voor het woord als bouwsteen. Daarna gaat de typografie een grote rol spelen, zoals in Bezette Stad. En dan zijn er natuurlijk zijn nagelaten gedichten. Heel mooi beschrijft De Ridder de wordingsgeschiedenis van klassiekers als ‘Melopee’ en ‘Marc groet ’s morgens de dingen’: ‘De ‘dingen’ uit de titel van dit laatste gedicht worden in een totaal ander licht gesteld door de blik van een kleine jongen die ’s ochtends door het huis loopt en ze tot leven wekt. […] Voor de duur van het gedicht wordt zelfs de meest cynische lezer ontwapend door dit onweerstaanbaar naïeve perspectief en verleid om het leven van een totaal andere kant te zien.’

    De Ridder geeft de parameters van de tijd zodanig weer dat deze automatisch leiden tot het vernieuwende dichterschap van Paul van Ostaijen. Maar ondanks de herhaalde drang een ‘revolutionaire’ poëzie te schrijven, moet dat vernieuwende toch vooral worden gezocht in vorm en stijl. Inhoudelijk en maatschappelijk blijft de revolutie ver verwijderd.

    Waardering

    Na de publicatie van Bezette Stad lijkt het er steeds meer op dat Van Ostaijen geen aansluiting meer kan vinden in het artistieke milieu van Antwerpen. De bundel wordt matig tot negatief gerecenseerd. Hij voelt zich onbegrepen als kunstenaar en daardoor eenzaam. Zijn plaats tussen de Vlaamse poëzie blijft moeizaam. ‘Iedere keer dat hij zelf zijn nek uitstak om een beweging op te richten, mislukte dit jammerlijk.’ Daarin kunnen we natuurlijk ook de oorzaak zien van het feit dat zijn poëzie, hoe origineel ook, hoezeer aansluitend bij de tijdgeest en hoezeer ook een eeuw later nog steeds aansprekend, toch nooit echt school heeft gemaakt. Het stak Van Ostaijen dat hem nooit een grote literaire prijs ten deel viel. Het zegt ook alles over zijn plek in de Vlaamse poëzie: ondanks al zijn pogingen en de waarde die wij nu in zijn werk zien, bleef hij tijdens zijn leven toch meer een buitenstaander, niettegenstaande zijn vriendschappen met dichters als Gaston Burssens en Wies Moens, en later Eddy du Perron.

    Als langzaamaan de lof voor zijn poëzie begint te groeien en Van Ostaijen de erkenning krijgt dat dankzij hem de moderne poëzie voet aan de grond kreeg, is het al te laat. In 1925 wordt bij hem TBC geconstateerd. Uiteindelijk sterft Paul van Ostaijen op 18 maart 1928 in Sanatorium Miavoye-Le Vallon. Een half jaar later overlijdt ook zijn broer Stan aan TBC, het vierde kind van de ouders Van Ostaijen dat als jongvolwassene sterft aan TBC en het zevende in totaal.

    Ondanks de genoemde tekortkomingen verdient Matthijs de Ridder vooral lof voor deze groots opgezette biografie, een waardevol bezit voor alle fans van Paul van Ostaijen. Een laatste woord verdient de uitgave op zich, want wat is deze biografie voorbeeldig uitgegeven. Alles klopt: het ontwerp, de kleuren, de foto’s, de besproken kunstwerken in de bijlage, het lettertype, het is werkelijk allemaal even prachtig.

     

     

  • Een enorme puinhoop

    We zijn met zijn acht miljarden op aarde, inmiddels. Een niet te bevatten aantal. En we hebben er met zijn allen ook een niet te bevatten rotzooi van gemaakt. In De grootste voetafdruk drukken Rob (auteur) en Tom (illustrator) Sears ons op geestige maar niet mis te verstane wijze met de neus op de feiten.

    […]

    De duidelijke opbouw van het boek voert ons moeiteloos mee naar de boodschap van de schrijvers. Die wordt dankzij het grote lettertype, de vele illustraties en de beknopte, luchtige teksten zeer toegankelijk gebracht. Maar terwijl de toon onverminderd geestig blijft, gaat het boek daarbij steeds meer schuren – een heel mooi contrast.

    […]

    Dat de mens er een puinhoop van gemaakt heeft en daar nu iets aan moet doen, die boodschap komt goed uit de verf. Een geestig boek met een serieuze boodschap; De grootste voetafdruk zal je gegarandeerd bijblijven.

     

    Lees de hele recensie opJong Literair Nederland.

     

     

  • Getikte voorouders

    ‘Maar u bent anders; ook wel een beetje getikt, maar toch goed,’ zegt het herderinnetje Pamela tegen burggraaf Menardo. Een beetje getikt zijn eigenlijk alle personages in het werk van Italo Calvino (1923-1985). Of in elk geval in de drie verhalen die samen de bundel Onze voorouders vormen, onlangs heruitgegeven in de mooie vertaling van Henny Vlot, uit 1986.

    In ‘De gespleten burggraaf’ gaat het over de jonge edelman Menardo van Terralba, die in de strijd tegen de Turken precies doormidden wordt gekliefd, en zijn leven vervolgt als twee helften, de ene slecht, de andere goed. ‘De baron in de bomen’ doet het leven uit de doeken van Cosimo Piovasca van Rondò, die op twaalfjarige leeftijd weigert nog langer thuis de verplichte slakken te eten en uit boosheid in een boom klimt, om de rest van zijn leven geen voet meer op de grond te zetten. Het derde verhaal, ‘De ridder die niet bestond’, speelt in de tijd van Karel de Grote en vertelt over het bijzondere optreden van de paladijn Agilulf, wiens verschijning uitsluitend uit een leeg harnas bestaat.

    Fantasie is leidend

    Overtuigend aan de drie verhalen is het speelse gemak waarmee Calvino ons door zijn toverachtige fantasiewereld voert, een wereld die nochtans in sommige opzichten best wat wegheeft van de onze. Zo belichaamt de scherpe schizofrenie van Menardo de drift naar extremisme die onze tijd kenmerkt en die diepe kloven in de samenleving trekt. Ook de boombewoner Cosimo vertoont een modern soort dubbelhartigheid: enerzijds het verlangen zich terug te trekken uit de maatschappij, en zelfs de illusie te koesteren daarbóven te staan, anderzijds alle moeite doen om de sociale binding met het aardse bestaan in stand te houden, tot en met het ontvangen van bezoekers in een comfortabele boomhut, inclusief de grote keizer Napoleon, die Cosimo komt bedanken voor diens loyale politieke activisme. En ja, ook de niet bestaande ridder is een kind van onze tijd, met zijn praatjes en pretenties die uiteindelijk gebakken lucht in een lege huls blijken te zijn. 

    Het verhaal ‘De ridder die niet bestond’ wordt zogenaamd geschreven door een kloosterzuster, Theodora geheten, die deze taak van haar abdis heeft gekregen om de output van de congregatie wat meer allure te geven dan alleen die van de opbrengst van de moestuin en de devotie van de gebeden. Soms reflecteert Theodora op het schrijverschap: ‘De kunst van verhalen schrijven bestaat eruit dat je in staat bent met behulp van dat kleine beetje dat je van het leven begrepen hebt heel de rest op te roepen; maar als de bladzijde is volgeschreven begint het echte leven weer en merk je dat datgene wat je wist inderdaad maar een heel klein beetje was.’ Het ligt voor de hand deze overpeinzing mede toe te schrijven aan de schrijver zelf. Aan alles is te merken dat Calvino niets liever doet dan met het kleine beetje dat hij van het leven begrepen heeft, een hele wereld tot verbeelding te brengen, waarin het zijn fantasie is die aan de touwtjes trekt.

    Met zichtbaar genoegen introduceert hij in ‘De gespleten burggraaf’ het bijdehandte herderinnetje Pamela. De slechte helft van de burggraaf heeft zijn zinnen op haar gezet. Pamela moet echter niets van hem weten, want ze is juist verliefd op de goede helft van de burggraaf. Maar ook die krijgt te maken met de pragmatische nuchterheid van Pamela. Als hij voorstelt een bezoek te brengen aan haar ouders (die haar graag hadden uitgehuwelijkt aan de slechte helft van de burggraaf), houdt ze de boot af. ‘Ga jij maar als je daar zin in hebt,’ zei Pamela. ‘Ja, daar heb ik zin in, liefste,’ zei de burggraaf. ‘En ik blijf hier,’ zei Pamela en ze bleef staan met haar eend en haar geit. ‘Samen goede daden doen is de enige manier om van elkaar te houden.’
    ‘Jammer. Ik dacht dat er andere manieren waren.’

    Vaart en humor

    Eenzelfde laconieke houding zien we in ‘De ridder die niet bestond’ bij Karel de Grote, die in de aanloop naar een grote veldslag tegen de Moren zijn paladijnen monstert. Als Agilulf aan de beurt is, houdt die niet bestaande ridder zijn vizier wijselijk gesloten. ‘Hé, paladijn, ik heb het tegen u!’ hield Karel de Grote aan. ‘Waarom toont u uw gezicht niet aan uw vorst?’ De stem klonk helder van achter de mondbeschermer: ‘Omdat ik niet besta, sire.’ ‘Wat krijgen we nu!’ riep de keizer uit. ‘Nu hebben we bij onze troepenmacht ook al een ridder die niet bestaat. Laat eens zien.’ Agfilulf leek nog even te aarzelen, maar opende toen met een ferm doch traag gebaar het vizier. De helm was leeg. In het witte harnas met de helmbos in de kleuren van de regenboog zat helemaal niemand. “Wel! Wel! Wat een mens allemaal niet meemaakt,’ zei Karel de Grote. 

    Helaas is van dat schrijfplezier minder te merken in ‘De baron in de bomen’. Verhaaltechnisch kent het nauwelijks een ontwikkeling, behalve in het zich accommoderen van de jonge edelman aan het leven op de takken. Allengs lukt het hem om, springend van boom tot boom, het hele land te bestrijken. Hij verwent zichzelf met een luxe bivak, inclusief houtkachel en boekenkast. Maar het verhaal blijft hangen op de uitwerking van dat ene idee en mist de spanning, vaart en humor van beide andere vertellingen. 

    Je zou Calvino een magisch-realist kunnen noemen. Eenmaal akkoord met zijn wonderlijke voorstelling van zaken kost het de lezer weinig moeite mee te gaan in de gefantaseerde logica van de drie verhalen, ook natuurlijk omdat de medemensen van de drie getikte hoofdpersonen ook zonder morren hun bijzondere hoedanigheid voor waar aannemen. Zo wordt het magische realistisch, en kunnen we ons inleven in de onderlinge strijd die de beide helften van de burggraaf voeren, in het geanimeerde boomleven van de vindingrijke jonge baron en het geestrijke bestaan van de ridder die niet bestaat. 

     

  • Een kwellend vraagteken

    Een ‘armzalig leraartje wiskunde op het Frans Lyceum’ wordt ontboden bij de Franse consul in Grianta, de hoofdstad van een niet nader genoemd Afrikaans land dat vroeger een kolonie was van Frankrijk. Hij krijgt van hem de opdracht te achterhalen wat er gebeurd is met de spoorloos verdwenen detectiveschrijver Robert Serval, pseudoniem van Stéphane Réal. Het ‘leraartje’ (wiens naam Veyraud veel later maar één keer terloops wordt genoemd) zou hem moeten kennen van de middelbare school in Étampes. De consul geeft Veyraud een envelop met een manuscript mee van Serval, waarin volgens die schrijver zelf de oplossing van zijn mysterieuze verdwijning te vinden zou zijn. Alsof dat niet raadselachtig genoeg is blijkt Veyraud zich bovendien niemand te herinneren met de naam Stéphane Réal. Met die gegevens in amper veertien pagina’s wordt de lezer door Georges Perec zijn onvoltooide laatste roman “53 dagen” (de aanhalingstekens zijn essentieel) in getrokken.

    Wie niets van Perec weet zal snel verzanden in de complexe verhaallijnen. Voor liefhebbers van zijn werk is diens zwanenzang een ware lusthof. Om er ten volle van te kunnen genieten zijn kennis van de belangrijkste autobiografische gegevens van de schrijver en van zijn liefde voor het onderuithalen van verwachtingen en zijn ingenieuze spel met taal en intertekstuele verwijzingen onontbeerlijk. Door zijn longkanker kon Perec die in 1982 stierf de roman niet afmaken. Twee van zijn beste vrienden, Harry Mathews en Jacques Roubaud, bezorgden zeven jaar later echter een uitgave die vanaf de plek waar Perec de pen moest neerleggen is aangevuld met aantekeningen die in allerlei nagelaten mappen, cahiers en kladvelletjes werden aangetroffen. De twee waren net als Perec lid van OuLiPo, de werkplaats voor potentiële literatuur, die zich toelegde op het schrijven van teksten waarbij de auteur zich vooraf allerlei contraintes (strenge verboden en schema’s) oplegde.

    Stendhal

    Eén van de vele contraintes was dat Perec de roman wilde schrijven in 53 dagen, de tijd die Stendhal nodig had gehad voor zijn De Kartuize van Parma. Stendhal, pseudoniem van Marie-Henri Beyle, schreef die roman in 1839. Hij bestaat uit achtentwintig hoofdstukken.
    Naast de – niet gehaalde – opzet om zijn roman in 53 dagen te voltooien volgt Perec in “53 dagen” ook de indeling van Stendals roman in achtentwintig hoofdstukken, verdeeld in twee delen en begint hij de zinnen van elk hoofdstuk met een echo van de beginzinnen van het gelijkgenummerde hoofdstuk van De Kartuize van Parma. Hoofdstuk V bijvoorbeeld van Stendhals werk begint (in de Nederlandse vertaling van Theo Kars) met ‘Het hele avontuur had nog geen minuut geduurd’ en dat van Perec met ‘Dit hele avontuur eindigt met een kwellend vraagteken’.

    Het eerste deel is bij Perec getiteld 53 dagen (een titel die op het omslag een citaat is van de naam van dat deel en daarom als romantitel tussen aanhalingstekens staat) en het tweede deel Un R est un M qui se P de L de la R. In het Nederlands is die Franse titel intact gebleven omdat het een code is die de speurder dient te ontcijferen. Die blijkt te moeten worden gelezen als ‘Un Roman est un Miroir qui se Promène le Long de la Route’ (een roman is een spiegel waarmee men langs de weg wandelt). Dat is weer een parafrase van het motto van hoofdstuk XIII van Het Rood en het Zwart van Stendhal. Dat motto stond voor diens credo dat de roman de werkelijkheid dient te weerspiegelen. Ook die spiegeling is in Perecs roman voortdurend aanwezig, zij het dat die bij hem lang niet altijd de werkelijkheid betreft. Perec spiegelt voortdurend woorden en romans van anderen in “53 dagen.

    Paspoort

    Dat zijn nog maar de meest opvallende verwijzingen. Het is voor de Perecliefhebber een heerlijke puzzel om er nog veel meer te ontdekken. Er zijn er legio. Zo komt in het tweede deel een professor Shetland voor, een anagram van Stendhal; Veyraud is wiskundeleraar in de stad Grianta, wat waarschijnlijk weer een letterkeer is van de Romeinse naam van Stendhals geboortestad Grenoble, Gratian(opolis); er is een verwijzing naar het (fictieve) Marhenbey-schandaal, waarvan de naam is samengesteld uit de letters MAR(ie) HEN(ri) BEY(le), Stendhals burgerlijke naam.
    Dergelijke verborgen hints zitten ook in cijfers. Het paspoort van één van de personages heeft nummer 233184259, wat te lezen is als 23-3-1842 (de geboortedatum van Stendhal) en 59 (de leeftijd waarop hij stierf.

    Namen en nummers verwijzen een aantal keren naar figuren uit romans van anderen, maar vooral ook naar Perecs eigen leven en werk. De meest uitgebreide zien we in het tweede hoofdstuk waarin Veyraud aan de hand van een foto van klas 4B in Étampes probeert te ontdekken of er ene Stéphane Réal bij was. Perec zelf zat enkele jaren op het lyceum in Étampes en de beschrijving van de foto die Veyraud geeft doet erg denken aan die van klas 3B van Perec zelf die voorkomt in de biografie A Life in Words van David Bellos.
    Uit de nagelaten aantekeningen die Mathews en Roubaud vonden, blijkt verder dat Perec aan het slot van de roman ook weer het verlies van zijn moeder in de oorlog had willen verwerken.

    “53 dagen” is nu eindelijk in het Nederlands vertaald. Ook Perecs boekuitgave bij de film Récits d’Ellis Island en Je me souviens gaan in het Nederlands verschijnen. Edu Borger, die ook Het leven een gebruiksaanwijzing vertaalde, moet aan “53 dagen”´ een helse klus gehad hebben. Toch zijn zijn zinnen in het Nederlands soepel. En voor de grapjes van Perec, die soms moeilijk om te zetten zijn, heeft hij mooie equivalenten gevonden: ‘Maximien avait d’autres feles à fustigare’ in de originele tekst is een latinisering van het Franse gezegde ‘avoir d’autres chats à fouetter’ (letterlijk: andere katten te meppen hebben; ofwel: iets anders aan zijn hoofd hebben). Borger vertaalt de zegswijze met behoud van de latinisering zo: ‘Maximianus had nog wel alia aan zijn caput’.

    En dan hebben we het nog niet gehad over de Droste-effecten van allerlei fictieve romans die Perec in de speurtocht van Veyraud opneemt. Wie van Perec houdt mag “53 dagen” niet ongelezen laten.