• Verslag van een kleurrijk leven

    Van haar vader leert de kleine Bep uit Waar kleur is, is leven al op zesjarige leeftijd dat met de drie primaire kleuren rood, blauw en geel alle kleuren te maken zijn die je wilt. Tineke Hendriks heeft in deze roman over leven en werk van kunstenares Bep Rietveld kleur gegeven aan ‘de dochter van’ en haar daarmee een podium gegeven dat ze meer dan verdient. Hendriks volgt de feiten van Bep Rietvelds turbulente leven nauwgezet tegen de achtergrond van de twintigste-eeuwse politieke en culturele context met wereldoorlogen en modernistische vernieuwingen.

    Bep Rietveld is geboren in 1913. In de gefictionaliseerde beschrijving van haar leven tekent ze van jongs af graag en veel. Als klein meisje mag ze af en toe haar vader ‘helpen’, droomt ze ervan net zo’n ‘tovenaar’ als hij te worden en maakt ze zelf tekeningen in kantlijnen en op achterkanten van enveloppen. Op de lagere school blijkt de invloed van nieuwe kunstenaars als Bart van der Lek als Bep tot afschuw van haar juf poppetjes tekent met rechthoekige ogen en ‘haren (…) als vakjes’. Eenmaal op de middelbare school heeft de eigenzinnige scholiere nog maar één interesse: ‘tekenen en dénken aan tekenen’. Dat is wat haar verlost van ‘het afstompende schoolbestaan’. De schoolse tekenles kan haar gestolen worden, zij oefent zich in het natekenen van foto’s van filmsterren uit tijdschriften en in het bestuderen van gezichten, waarmee ze de kiem legt voor haar latere portrettenoeuvre. En als ze na de derde klas de school wil verlaten flapt ze er tot haar eigen verbazing uit: ik ga schilderen, ‘portretten en zo’. Ze realiseert zich dan dat deze beslissing ‘richting geeft aan haar onvrede’. Bij de gratie Gods mag ze van haar vader lessen gaan volgen bij Charley Toorop.

    Opvallende keuzes

    Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. Als het aan vader Gerrit Rietveld had gelegen, was dat niet gebeurd. Hij vindt dat schilderen zijn tijd heeft gehad: ‘Na Mondriaan is de schilderkunst overbodig geworden.’ Bovendien ziet hij niet dat zijn dochter talent heeft. Charley Toorop neemt Bep en haar werk wel serieus. ‘Er zullen altijd talenten opstaan die nieuwe dingen maken, (…) die iets toevoegen aan wat er al is’ zegt zij in reactie op de afwijzing van Beps beroemde vader. De jonge Bep leert veel van Charley, niet alleen wat betreft het schilderen. Ze ziet ook dat Toorop een zelfbewuste kunstenares is die boven alles voor haar werk kiest.

    De keuzes van Bep Rietveld maken dat de roman van het begin tot het eind blijft boeien. In het gezin waarin ze opgroeit voert ze een ingewikkelde strijd met haar vader met name vanwege zijn ontrouw. Ook zelf leidt ze een veelbewogen leven. Ze laat zich op jonge leeftijd inpalmen door de aandacht van de veel oudere pianist Guus Seyler, eerder minnaar van Charley Toorop, en raakt zwanger van hem. Ze besluit vol overtuiging en eigenzinnig dat eerste kindje te houden en moet dus trouwen. Niet lang daarna volgt de scheiding van Guus, haar strijd met hem om de voogdij, de beslissing naar Nederlands-Indië te gaan voor Dennis Coolwijk, die haar op afstand ten huwelijk vraagt, en een volgende scheiding.

    Wennen in Nederlands-Indië betekent voor Bep ook dat ze eerst niet aan het schilderen raakt. Ze mist ‘de nuances en kleuren van het diffuse Hollandse licht’. Als ze korte tijd later vat krijgt op het tropische licht, haar penselen weer oppakt en langzaam maar zeker tevredener wordt over haar schilderresultaten ‘[weet] ze weer wie ze [is]: Schilder én moeder’ – anders dan haar leermeesteres Toorop dus, voor wie de kinderen vaak hinderen waren. Inmiddels is het 1945. In Nederlands-Indië is Dennis opgepakt en niet lang daarna worden ook Bep en haar (dan) drie kinderen geïnterneerd en in steeds erbarmelijker omstandigheden ondergebracht. In het kamp houdt het schilderen en tekenen van portretten van met name kinderen Bep letterlijk en figuurlijk overeind. Haar werk is ruilmateriaal voor eten en het schilderen is voor haar een manier om zich af te sluiten voor de ellende en zo mentaal overeind te blijven.

    Tijdsbeeld

    Het kampleven is een van de vele actuele gebeurtenissen die een rol spelen in de roman. Het boek beslaat bijna de hele twintigste eeuw en geeft een tijdsbeeld door de ogen van Bep Rietveld. De Olympische Spelen komen naar Amsterdam, ze wordt zich door demonstraties in Amsterdam bewust van ‘mot in Palestina’, bevindt zich midden in de modernistische vernieuwingsbewegingen in de beeldende kunstwereld met onder andere haar vader en Mondriaan en een kleurrijk Dadaoptreden bij Charley Toorop thuis, maakt kennis met koloniaal Nederlands-Indië en ondergaat aan den lijve de verschrikkingen van de Pacifistische Oorlog, zoals de Tweede Wereldoorlog in Azië wel wordt genoemd.

    Tineke Hendriks zegt in haar nawoord dat ze ervoor heeft gekozen Bep Rietveld in een roman ‘tot leven’ te wekken onder andere omdat er ‘nauwelijks persoonlijke bronnen’ zijn overgeleverd en er dus te weinig materiaal is voor het schrijven van een biografie. Helaas is de beschrijving van de binnenwereld van de hoofdpersoon en zijn haar dilemma’s, beslissingen, twijfels, verdriet en kracht soms summier beschreven, waardoor de roman meer naar creatieve of geromantiseerde non-fictie neigt, dan naar fictie die de lezer meesleept en inzicht geeft in diepe zielenroerselen.

    De grote Gerrit Rietveld ziet niet direct dat zijn dochter talent heeft. Hij bevindt zich met die instelling in goed gezelschap. Als we de geschiedschrijving moeten geloven zijn er millennia lang bijzonder weinig getalenteerde vrouwen geweest. De laatste decennia is er meer en meer aandacht gekomen voor tot dan toe vrij onbekende vrouwelijke kunstenaressen zoals Suze Robertson (de ‘vrouwelijke Van Gogh’) en Jeanne Bieruma Oosting, beiden met exposities in 2022. Bep Rietveld is ook zo’n kunstenares. Van haar vader leert ze al jong over namen en herkomst van ‘exotische’ kleuren als sienna, oker en scharlaken, dankzij de lessen van Charley Toorop onderzoekt ze ‘turkoois, magenta, ultramarijn, cadmium’. Ze ontwikkelt zich tot een (portret)schilder die het ‘wezen van de dingen’ kan vangen. Haar werk was in 2020 geëxposeerd in Amersfoort en tot en met 12 mei van dit jaar is er een vervolg op die tentoonstelling in hetzelfde museum Flehite. De roman Waar kleur is, is leven is een waardevolle aanvulling bij de aandacht voor het werk van deze getalenteerde kunstenaar.

     

  • Woutertje Pieterse Prijs voor De jongen die van de wereld hield

    Adem kan niet wachten om geboren te worden. Maar dan echt. Want in het prachtige, sfeervolle De jongen die van de wereld hield van Tjibbe Veldkamp, verschijnt Adem als een mogelijk kind, dat hoopt later écht te leven. Hij is ontstaan uit de eerste blik die zijn potentiële ouders op elkaar wierpen. De vraag die centraal staat in het hele boek is echter: zullen die twee elkaar weerzien en gaat het dan ook echt wat worden? Kortom: zal Adem wel leven? Dat maakt het boek spannend. Het wordt een zoektocht vol avonturen, tegenslagen en vreemde wendingen.

    Lees hier de hele recensie op Jong Literair Nederland.

    Op 6 april 2024 ontvingen auteur Tjibbe Veldkamp en illustrator Mark Janssen de Woutertje Pieterse Prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige kinder- of jeugdboek.

  • Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Susan Sellers schreef in 2009 de historische roman Vanessa & Virginia, een roman over de zusters Vanessa Bell en Virginia Woolf. Het boek verscheen vorig jaar in Nederland in een vertaling van Lucie van Rooijen. Het is een prachtig geconstrueerde roman waarin Sellers Vanessa na de zelfmoord van haar zuster Virginia een boek laat schrijven aan haar, waardoor de lezer inzicht krijgt in beider levens.  

    Het boek toont vanuit het perspectief van Vanessa hoe belangrijk de zusters voor elkaar zijn geweest, al was het niet altijd pais en vree. Hun relatie doorloopt alle schakeringen van afgunst, troost, mededogen, liefde, haat, trots, verdriet, verlangen en bewondering. Ze geven elkaar warmte en laten elkaar soms in de kou staan. Warmte bijvoorbeeld als Vanessa haar zuster bezoekt in het rusthuis waar ze vanwege overspanning verblijft en ze naast elkaar in bed kruipen: ‘De muren van het rusthuis verdwijnen en we keren terug naar de tijd dat wij tweeën de meisjesslaapkamer deelden. Jij bent mijn geitje, mijn wombat, mijn muis, Ik streel je zijdezachte vacht en voel je neus over mijn wang wrijven.’ Kou bijvoorbeeld als blijkt dat Virginia flirt met Vanessa’s man Clive Bell als Vanessa een kind gebaard heeft. Vanessa is vaak jaloers op haar zus die als kunstenaar meer succes heeft. Maar uiteindelijk kunnen ze niet zonder elkaar, in ieder geval niet voor lange tijd. 

    Ontstaan Bloomsburygroep

    Virginia en Vanessa leefden in een periode van enorme sociale verandering. Ze maakten het einde van het Victoriaanse Tijdperk mee, Eerste Wereldoorlog, de opkomst van de nazi’s en behoorden tot de eerste generatie vrouwen die mochten stemmen. In deze context speelde hun leven zich af. Het boek bestaat uit korte hoofdstukjes: scènes uit een zusterschap. Zusters die samen ontsnappen uit een laat-Victoriaans gezinsreservaat met alle conventies en seksuele geremdheid van dien. Vanessa is de oudste, de minst bekende, de serieuze en meest conventionele, niet intellectuele. Virginia (koosnaam Billy) is de extreme en briljante schrijfster die tot op de dag van vandaag gelezen wordt. Virginia heeft diepe depressies gekend, had een groot gevoel voor humor en deed baanbrekend werk als vrouwelijke auteur. 

    Samen kopen ze, na het overlijden van hun ouders, een huis in Bloomsbury (Londen). Dat huis wordt de pleisterplaats van een groep geleerden en kunstenaars die bekend is gebleven als de Bloomsburygroep. Bekenden in deze groep zijn de econoom John Maynard Keynes, schrijver en criticus Lytton Strachey en de schrijfster Vita Sackville West. Relativerend is hoe Sellers Vanessa in deze roman laat terugkijken op de aankoop van dat huis. Het huis was voor hen betaalbaar en lag ver genoeg af van hun tantes die na het overlijden van hun ouders toezicht op hen wilden houden. Achteraf was het huis een keerpunt in Vanessa’s leven. In de roman zegt ze: ‘Hier kan ik zeggen en doen wat ik wil. Het hele bouwwerk van conventies is met de grond gelijkgemaakt. Ik zal de grenzen van mijn kunst opzoeken.’ De inzet is veelbelovend, maar in de loop van haar leven wordt het Vanessa vaak onmogelijk gemaakt zich volledig aan de schilderkunst te wijden.

    Schilderen versus schrijven

    Schilderen is voor Vanessa even belangrijk als schrijven voor Virginia. Als ze een dag niet geschilderd heeft voelt ze zich ontevreden. Het is echter niet altijd bevredigend, af en toe, zoals alle kunstbeoefening, is het ook een hel. De herinnering aan het samen schrijven en schilderen in hun jeugd geeft haar dan de kracht om door te gaan. De herinnering aan hun jeugd, samen met hun jongere broertje Thoby, is in het boek een vast punt van terugkeer voor Vanessa. 

    Ze ergert zich aan haar man Clive Bell, – van wie ze overigens nooit zal scheiden – een slapjanus die geen zitvlees heeft en op kunstzinnig gebied nergens toe komt terwijl hij zo talentvol is. Na hun eerste kind verliest Clive zijn belangstelling voor Vanessa. Ze geeft het schilderen er een tijdje aan en troost zich met de gedachte dat haar zus Virginia als schrijfster wel succesvol is. Ze beseft dat ze Clive niet mag verstikken als ze hem wil behouden. De schilder en kunstcriticus Roger Fry dingt naar haar liefde en trekt haar bij de afgrond weg als ze een miskraam heeft, maar ze geeft hem niet echt een kans.

    Een eigen huis

    Als ze twee kinderen hebben, onttrekt ze zich wat meer aan haar man Clive en koopt ze Charleston. Een prachtig huis in de provincie waar ze volgens haar eigen ritme gaat leven. Ze beschildert alle vertrekken van het huis. Het bestaat nog steeds en is een bezoek meer dan waard. Het huis werd een nieuw centrum voor de leden van de Bloomsburygroep. Maar een eigen ritme is ook hier moeilijk te vinden voor Vanessa. Ze raakt namelijk hevig verliefd op de schilder Duncan Grant, de geliefde van haar broer Adrian. Duncan voeltt zich aangetrokken tot mannen. Dat misgunt ze hem niet, maar ze is halfdood van verlangen naar hem. De vrijheid die ze hem wil geven gaat ten koste van haar eigen vrijheid en kunstbeoefening.

    Ze is verantwoordelijk voor de opvoeding van Angelica, het meisje dat uit haar verhouding met Duncan wordt geboren. Ze wil Duncan niet al te veel op zijn verantwoordelijkheden wijzen: ‘Ik ben bang dat als Duncan het gevoel krijgt dat er iets van hem wordt verwacht als vader, hij helemaal niet meer komt.’ De angst om hem te verliezen, maakt haar tot een sloof. Ze is niet in staat om de conventionaliteit van haar jeugd volledig overboord te gooien. Virginia troost haar dan vaak en roept haar op zich niet in te graven in haar rol als moeder.

    Kloof tussen kunst en biografie 

    Vanessa wordt door Sellers in deze roman beschreven als een vrouw die in staat is om tegenslag en pijn zo te verwoorden dat het navoelbaar is voor de lezer. In deze roman spreekt ze alles uit: haar angst om alleen te komen staan, om afgewezen te worden. Ze is bang als schilderes niets voor te stellen. Vanessa’s angsten zijn in dit boek invoelbaar door de prachtige schrijfstijl die Susan Sellers imiteert van Virginia Woolf. Alsof Sellers daarmee wil laten zien hoezeer Vanessa zich inleefde in haar zuster, na haar zelfmoord.

    Sellers is de editor van het werk van Virginia Woolf bij Cambridge University Press. In deze roman geeft zij aan Vanessa de aandacht die zij verdient. Deze historisch roman is een poging de kloof tussen kunst en biografie te overbruggen. Sellers zegt: ‘As a novelist I want to do justice to the real-life figures I am writing about, but I am also telling a story, with all that this implies in terms of world and character building, drama, a sense of puzzles solved or mysteries unravelled.’ Een biografie geeft haar niet de mogelijkheden die een roman haar wel geeft, namelijk vragen niet alleen te stellen, maar ook te beantwoorden door te speculeren en in te vullen. Daardoor kan zij lijn aanbrengen in het leven van beide zusters. Hiermee wil ze laten zien dat de relaties tussen kinderen onderling vaak belangrijker is dan die van ouders met hun kinderen. Waarmee zij haar twijfel over de psychologie van Freud kenbaar maakt.

    Vanessa beweert in de roman een paar keer dat haar zuster veel mooier schrijft dan zij. Maar Sellers laat Vanessa na Virginia’s dood de schrijfstijl van haar zuster gebruiken. Het is haar manier om verbinding te zoeken, waardoor ze definitief afscheid van haar kan nemen.



  • Literatuur in dienst van de strijd

    Drie Palestijnse mannen, drie generaties, één doel: een nieuw bestaan in Koeweit. Ze vinden elkaar in de verzengende hitte van een watertank, achterop een roestige vrachtwagen. In 1963 schreef Ghassan Kanafani (1936-1972) zijn beroemde roman Mannen in de zon. We zijn zestig jaar ‘verder’, en nog altijd – misschien wel meer dan ooit – kreperen overal in de wereld vluchtelingen bij hun zoektocht naar een beter, menswaardig bestaan.

    Ghassan Kanafani werd in 1936 geboren in het toenmalige Palestina. In 1948, na de ‘Nakba’, de ‘catastrofe’ – de verdrijving uit hun land na de stichting van de staat Israël – vluchtte zijn familie naar Libanon en vervolgens naar Syrië waar hij leraar werd in Koeweit. In 1960 keerde hij als journalist, schrijver en politiek activist terug naar Libanon. Hij schreef essays, korte verhalen en romans over de situatie van de Palestijnen in de jaren vijftig en zestig. Tot zijn dood in 1972 (vermoord door de Israelische geheime dienst) was Kanafani woordvoerder van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina. 

    Geëngageerd

    In haar nawoord schrijft vertaalster Djûke Poppinga dat volgens Kanafani literatuur in dienst moest staan van de strijd van de Palestijnen, ‘enerzijds om de gemeenschappelijke culturele identiteit te behouden en anderzijds om de geest van verzet onder de bevolking te verspreiden’. Die geëngageerde signatuur zien we beslist ook in Mannen in de zon. Het is een prachtig, compact verhaal over drie Palestijnen die vanuit Irak een illegale, levensgevaarlijke en kostbare sluipreis naar Koeweit ondernemen. De jongste is Marwaan, een adolescent die is opgegroeid in een vluchtelingenkamp en in Koeweit geld voor zijn familie wil verdienen. As’ad is qua leeftijd de middelste van de drie. Hij heeft de Nakba als kind bewust meegemaakt en zit vol opgekropte woede. Anders dan de oudste vluchteling, Aboe Kais, die zich bij de situatie heeft neergelegd en gelaten probeert er het beste van te maken. 

    Onafhankelijk van elkaar benaderen ze in Basra (Irak) ‘de dikke man’, een sluwe, cynische, sinistere vluchtelingenmakelaar met dollartekens in de ogen. En telkens is het diens graatmagere tegenpool, Aboe al-Khaizoeraan, die het vertrouwen weet te winnen van de vluchtelingen. Of hij dat vertrouwen waard is, komen we nooit te weten. Maar zijn prijs is beter en zijn verhaal klinkt goed: met een lege watertankwagen de grens over, waarbij ze alleen maar van een paar honderd meter vóór, tot een eindje na de grens in de tank hoeven te kruipen. In de smorende hitte van de Iraakse woestijn natuurlijk, dat wel. Maar dat is te overzien. Totdat de formaliteiten bij de grensovergang meer tijd in beslag blijken te nemen dan de smokkelaar had gehoopt. 

    Virtuoos

    Kanafani jongleert virtuoos met flashbacks en -forwards, waardoor de roman veel meer wordt dan een eenvoudige constructie van drie verhaallijnen, samenkomend in het gezamenlijke relaas van de smokkeltocht in de tankwagen. We leren de drie mannen kennen vanuit hun tragische verleden en uiteenlopende ambities. De naïeve Marwaan, die zich verantwoordelijk voelt voor zijn familie en zijn oudere broer wil navolgen, van wie zijn familie evenwel al tijden niets meer heeft gehoord. De strijdbare As’ad, die zich vernederd voelt. Niet alleen als Palestijn door de zionisten, maar ook door zijn familie, die hem tot een ongewenst huwelijk wil verplichten. En ten slotte de bedaagde, passieve Aboe Kais, die zich tegen wil en dank heeft laten opstoken door zijn vriend Saad ‘die als chauffeur in Koeweit had gewerkt en was teruggekomen met zakken vol geld’. Die hem verwijt dat hij ‘de afgelopen tien jaar niets anders heeft gedaan dan wachten’. 

    Je zou kunnen zeggen dat Kanafani in de gedaante van de drie mannen verschillende sentimenten symboliseert die kenmerkend zijn voor de Palestijnse diaspora. Als politiek activist zal hij zich het meest verwant voelen met de weerspannige generatiegenoot As’ad. Maar hij zal ook sympathie koesteren voor, en hoop vestigen op de optimistische veerkracht van de jonge Marwaan. En misschien zelfs begrip hebben voor de lusteloosheid van de door het leven murw gebeukte Aboe Kais. Volgens de vertaalster lijkt het erop dat Kanafani zijn lezers wilde voorhouden ‘dat het Palestijnse volk moest beseffen dat het alleen stond en daarnaar handelen’. Volgens Poppinga is de roman ook bedoeld als kritiek op ‘de gelatenheid waarmee de Palestijnen hun lot ondergaan’. Na de verschijning van Mannen in de zon in 1963 is het conflict tussen Israël en de Palestijnen alleen maar groter, grimmiger en uitzichtlozer geworden. Na de verschijning van deze nieuwe vertaling was de aanslag van Hamas, oktober 2023, op Israël het begin van een tragedie die alle voorgaande ellende lijkt te overschaduwen. 



  • Maksie wil een stoere baas

    Maksie is een hondje. Hij woont bij meneer Koos in de dierenwinkel en wacht al tijden op een nieuwe, stoere baas.

    ‘Oud dametje.
    Foute boel.
    Oud dametje met tas.
    Very foute boel.
    Oud dametje met tas,
    dat RECHT op de dierenwinkel afkoerst…
    Echt mega-super-giga-verschrikkelijk foute boel.’

    […]

    Wanneer zijn ideale baas niet naar de winkel komt besluit Maksie zelf op zoek te gaan naar Droombaas.

    […]

    Als geen ander weet Mathilde Stein lezers te trakteren op spannende verhalen vol humor. In korte tijd bracht ze meerdere boeken voor de beginnende, maar iets gevorderde lezer uit. Na Pluk en Pluis — De weg naar terug was daar Vuurtorenbeer en nu doet Stein opnieuw wat ze zo goed kan met Maksie: geen dunne boekjes met korte woordjes maar dikkere boeken met een origineel, afgerond verhaal en oog voor rijke taal.

    Maksie is een van de genomineerden voor de Woutertje Pieterse Prijs 2024.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Zoektocht naar herinneringen

    Judith Herzberg wordt dit jaar 90 jaar. Voor haar werd het tijd om aandacht aan Jo te besteden met dit gelijknamig, prachtig uitgegeven boekje. Jo Bakx was het kindermeisje dat kort voor Herzbergs geboorte bij de familie in huis kwam. Voor Judith een zegen, haar oudere broer en zus hadden Jo al minder nodig.

    ‘De allergrootste liefde van mijn hele leven, dat weet ik nu zo langzamerhand wel zeker, was de liefde voor Jo,’ schrijft Judith Herzberg op 25 mei 2020, de dag dat ze begint met haar zoektocht naar herinneringen aan haar kinderjaren in een voor Joden steeds grimmiger wordend Amsterdam. Aanleiding voor dit portret is ook de envelop met ‘fliedertjes’ die Jo bewaard had en later aan Herzberg heeft gegeven. Fliedertjes van kindertekeningen, rekensommetjes en schrijfsels die ieder kind op de lagere school maakt. Herzberg geneert zich er bijna voor, maar ze is ook diep ontroerd. ‘Zou zo’n fliedertje met 2+2=4 een waardevolle voorbode blijken te zijn als zich een Einstein in de dop ontpopt? Je weet maar nooit wat ‘er al in zat,’ aan geniale schilder, componist of uitvinder, toch? Zo dacht Jo niet.’ Maar in Herzbergs geval is het zeker waardevol gebleken. Samen met enkele foto’s, zijn de tekeningetjes afgedrukt in de bundel en gebruikt op de omslag, wat van Jo een teer kleinood en een hebbeboekje maakt.

    Gevaarlijk

    Tijdens het graven naar haar slordige herinneringen, realiseert Herzberg zich dat Jo haar leven vele malen heeft gered, maar ook dat ze nog sterk in haar vertegenwoordigd is, in haar handelingen en gedachten. Jo had inmiddels een nieuwe betrekking, maar bezocht het gezin Herzberg wekelijks in Barneveld waar de familie in De Biezen opgesloten zat. Misschien was dat wel op dinsdag, denkt Herzberg nu, vandaar de titel van het opgenomen gedicht Dinsdag. Na 1943 werden de ouders Abel en Thea naar Westerbork getransporteerd. Jo zorgde ervoor dat Judith vervolgens kon onderduiken op verschillende adressen. Zij dacht aan alles maar het moet hoe dan ook heel gevaarlijk voor haar zijn geweest. Zoals te lezen in Dinsdag, waarin Herzberg letterlijk Jo’s woorden gebruikt. ‘(…) en als er gevraagd werd of dat reizen per trein niet gevaarlijk was, dan weet ik nog wat ik in ‘Dinsdag’ opgeschreven heb. Haar woorden waren: “Gevaarlijk? Welnee, zei je, bombardementen / trotserend / ik zit net zo lief in de laatste coupé / als ze schieten, schieten ze toch op de / locomotief “ Zoiets zou ik, achteraf, nooit verzonnen hebben.’

    Judith Herzberg schrijft haar ‘memoires’, al voelt ze schroom bij dat woord, het moet immers over Jo gaan, maar er komen ontegenzeggelijk ook herinneringen aan andere mensen boven die een belangrijke rol hebben gespeeld, of aan onderduikadressen en benarde situaties. Wiardi Beckman bijvoorbeeld, bij wie Jo ook diende en waar Judith mocht logeren en mevrouw tante Dientje noemde. Of Mien Ruys, ‘de onvolprezen tuinarchitect en gastvrije, vrijgevige reuzin’ bij wie Judiths ouders na de oorlog na hun terugkeer uit Bergen-Belsen in haar appartement aan de Amstel mochten wonen. Mien leende haar garderobe uit aan Thea, die hetzelfde postuur had en geen draad meer aan haar lijf.

    Gemist gesprek

    Nu, zoveel jaren later, vraagt Herzberg zich af wat ze eigenlijk over Jo wist, en waarom had ze niet meer aan haar gevraagd. Er was standsverschil, Jo kwam uit Brabant en zei pieterselie, in plaats van peterselie wat Judiths moeder zei. Er zijn meer voorbeelden van het standsverschil, ook van Jo’s familie in Brabant waar Judith mee naartoe mocht. Maar in Judiths ogen was Jo een heilige.

    De ‘fliedertjes’ houden Herzberg bezig, al kan ze er niet goed naar kijken omdat ze haar zo ontroeren. Ze eindigt haar ‘memoires’ op ‘1 maart 2023 “Ach bewaard, voor geval dat. Zo omvangrijk was het nou ook weer niet. Het was nou ook weer niet zo dat het veel plaats innam in de kast. En wegdoen dat was wel weer het andere uiterste geweest, niet dan.” Zo stel ik me een uitleg voor, die ik nooit van haar gekregen heb, en waar ik ook nooit om gevraagd heb. Het soort gesprek dat ik gemist heb. Nu mis.’

    De laatste jaren mocht Herzberg niet meer op bezoek komen. Ze dacht dat Jo een huidaandoening had en haar om die reden niet meer wilde zien. Dat stemt haar verdrietig en ze neemt het zich ook kwalijk dat ze er niet meer werk van heeft gemaakt.

    Jo is een lieflijke en openhartige herinnering aan het kindermeisje dat ook huishoudelijke taken deed in een Joods gezin in oorlogstijd. Judith Herzberg springt associatief door de tijd, waarmee Jo haast leest als een prozagedicht.

     

     

  • Brieven vol treffende uitspraken, ontboezemingen en observaties

    In 1939 bezorgde de letterkundige dr Garmt Stuiveling De briefwisseling Vosmaer-Kloos (Groningen, Wolters; 257 p.). Deze literair-historische publicatie handelt in hoofdzaak over de totstandkoming en eerste uitgave van de bundel Gedichten van Jacques Perk in 1882. De schrijver E. du Perron, die bevriend was met Stuiveling, vatte zijn waardering voor De briefwisseling Vosmaer-Kloos prachtig samen. In een brief aan Stuiveling van 13 januari 1940 schreef hij: ‘Ik ken wel mooiere, maar geen prettiger lectuur dan deze’. Hetzelfde kan worden gezegd van het boek Willem Witsen (1860-1923). Een kunstenaarsportret in brieven. 

    In 2023 was het precies honderd jaar geleden dat de schilder, tekenaar, fotograaf en graficus Willem Witsen overleed. Reden voor de Stichting Willem Witsen om middels publicatie van een afgewogen keuze van een 140-tal brieven uit Witsens uitgebreide correspondentie de aandacht te vestigen op deze interessante en veelzijdige figuur. Het boek bevat brieven van Witsen zelf en van collega’s en vrienden áán hem. Met schilders wisselt hij gedurig van gedachten over allerlei aspecten van de beoefening van het kunstenaarsvak. En en passant komen namen voorbij van lieden met wie Witsen daarnaast nog meer verkeerde, onder wie schrijvers en dichters als Frederik van Eeden, Willem Kloos en Albert Verwey.     

    Ongepolijst schrijven

    In verschillende opzichten is dit boek onweerstaanbaar. Wat de lezer direct treft is de geweldige levendigheid van de brieven. De allereerste lange brief die is afgedrukt schrijft Witsen op 16-jarige leeftijd. Letterlijk staat dan halverwege: ‘Ik zal wel veel fouten hierin hebben, maar ik heb geen lust deze brief geheel over te lezen, ’t zijn allemaal fouten van ’t gauwe schrijven.’ Ook in ander opzicht treft de grote levendigheid van het ongepolijste schrijven. Dat bijvoorbeeld in 1885 een woord als ‘verneukeratief’ al werd gebruikt in het Nederlands is iets dat onomstotelijk uit deze uitgave blijkt.  

     De brieven zelf krioelen van treffende uitspraken, ontboezemingen en observaties. Prachtig hoe schilder en schrijver Jacobus van Looy vanuit Venetië zijn indrukken van de stad in een brief aan Witsen verwoordt: ‘Venetië is zulk een (vooral ’s avonds) geruischlooze stad, dat men alles hoort, en zelfs de stilte een geluid is.’ En als Van Looy dan zoiets typisch prozaïsch beschrijft als het toeristisch voeren van Venetiaanse duiven, verbluft hij de lezer met een uitgebreide omschrijving van kleuren, vormen en beweging, zoals alleen een zeer scherp waarnemer die maken kan. Natuurlijk behoren de meeste lieden die in dit boek aan het woord komen tot de financieel meer bevoorrechten. Niettemin getuigt menige brief van geldzorgen. En de roeping van het artiestenbestaan wordt met wisselend enthousiasme ondergaan: “Waarom moeten wij toch zoo veel meer tobben dan anderen?”, verzucht Witsen in een brief aan Van Looy.  

    Volheid van leven weerspiegeld in brieven

    Het kunstenaarsbestaan heeft dus zo zijn zorgelijke kanten. En ook liefde en vriendschap gaan niet altijd over rozen. Willem Witsen trouwde met Betsy van Vloten; haar zussen Kitty en Martha waren getrouwd met resp. de dichter Albert Verwey en de schrijver-arts Frederik van Eeden. Kunstzinnigheid alom dus, in de familie. Helaas: Witsens huwelijk met Betsy liep op de klippen – ondanks dat zij binnen enkele jaren aan drie zoons het leven schonk. Een scheiding betekende ook lange tijd minder omgang met die jongens, maar een nieuwe liefde brengt nieuwe lichtheid. Sommige vriendschappen lopen door misverstand, onzekerheid en wantrouwen forse deuken op, waarover soms uitvoerig in de brieven wordt gedelibereerd. Na al die jaren is de urgentie daar wel van af natuurlijk; toch vormt ook zo’n vriendenruzie een onmisbaar aspect van de volheid van het leven die deze brieven onopzettelijk zo treffend weerspiegelen.   

    Details over het dagelijkse leven

    In 1918 feliciteert Witsen zijn vriend de dichter Willem Kloos met diens verjaardag. Kloos bedankt nog op de dag zelf (6 mei) voor deze attentie. Terloops vermeldt hij in zijn briefje details over de gevolgen van de oorlogsomstandigheden voor het dagelijks leven (ondanks dat Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal was). Kloos schrijft: ‘Toch hebben wij (zonder bluf) in het geheel nog geen honger geleden: met erwten, boonen, maizena, aardappelen, kaas, wat visch en een enkel ei zijn ware wonderen te doen, ook wat voedzaamheid betreft. Er is een tentoonstelling geweest van de Haagsche huishoudschool van basisgerechten, waar croquetten, taarten, puddingen, salades etc. waren geëtaleerd, waarin geen spiertje vleesch zat, en die toch zeer smakelijk waren.’           

    Deze uitgave kan niet genoeg worden aangeprezen, al was het alleen al om het feit dat gekozen is voor voetnoten in plaats van eindnoten, wat het gebruik zeer bevordert. Ondanks dat die noten in zo’n kleine letter gedrukt zijn dat dat het lezen wel wat bemoeilijkt. Het boek stemt ook weemoedig, want het staat vast dat over honderd jaar er geen uitgave te maken zal zijn van brieven die schilders en dichters elkaar heden ten dage nog schrijven – ‘if any’. En of tegen die tijd alle emails of uitingen en epistels op sociale media bewaard zijn gebleven? Het staat te bezien. Dat dit boek met brieven van en aan Willem Witsen dan nog gewoon voor geïnteresseerden te lezen zal zijn, is een inspirerende en geruststellende gedachte.     

     

     

  • In cartoons kan alles

    ‘Snap je elke tekening tot nu toe?’ Dit vraagt Robert Schuit middenin zijn tekeningenbundel Er komt altijd een ei uit. Antwoordt de lezer met ‘ja’, dan moet hij alles opnieuw lezen. Luidt zijn antwoord ‘nee’, dan mag de lezer lekker verdergaan en heeft hij het blijkbaar begrepen: het gáát niet om snappen. Sterker nog, wie het snapt, snapt het juist helemaal niet. Absurdisme speelt vaker met onmogelijke interpretaties, waarmee het onder meer hoogdravende kunst en literatuur bekritiseert. Ook Schuit heeft kritiek op van alles en nog wat. Althans, als je zijn afbeeldingen denkt te begrijpen. Foei! Dus vooruit, ondergetekende volgt het gebod en heeft het boek inderdaad opnieuw gelezen.

    Het dilemma waarmee Schuit ons opzadelt (of je snapt mijn cartoons wel of je snapt ze niet), is een vals: sommige zijn hartstikke duidelijk, andere zijn totaal willekeurig en onpeilbaar. Daarmee houdt de cartoonverzameling het midden tussen vervreemdende illustraties en humoristische schetsen. Echt controversieel of ‘alles-of-niets’ wordt Er komt altijd een ei uit geen moment. Absurdisme verliest namelijk al snel zijn verrassingselement. Als alles kan, verbaast niets meer. Vooral wanneer de begrijpelijke cartoons tussendoor de ronkende belofte op een ‘naïef, onbevangen Universum’ niet inlossen. Met andere woorden: voor zover Schuit wel te volgen valt, deelt hij op zijn best buitenissige hersenspinsels en aardige grappen. Grappen die we bovendien al kennen van andere kunstenaars, tekstdragers en vervreemders. Leuk, maar voor buikpijn en lachsalvo’s is zwaarder geschut nodig.

    De cartoons die we snappen: leuk

    Er komt altijd een ei uit roept herinneringen op aan Gummbah, Kakhiel en Wim T. Schippers. Een groot glas pindakaas, je moet er maar op komen. Maar ook gezelschapsspellen inspireren Schuits pen en potlood. In het spel Cards against humanity moeten spelers een zin waar een lege plek staat, afmaken. Degene die de lege plek met de grappigste woordgroep invult, wint de ronde. Een absolute kanshebber bij dit spel zijn dode baby’s. Schuit tekent een zwart vlak en laat een onzichtbaar personage uitbrengen: ‘Doe maar even een lichtje aan. Het ligt hier bezaaid met babylijkjes. krak krak krak.’ Van kinderen moet de cartoonist überhaupt weinig hebben. ‘De ouders: Wij zijn dolblij met de geboorte van Milan. De buren: Wij niet.’ En waarom zou je Disney niet wat zwartgalliger maken? Overreden door een raceauto betreurt Donald Duck dat zijn handen en voeten bloedend naast zijn romp liggen. Hij zegt: ‘Naast het ravotten met de neefjes ga ik rukken denk ik het meest missen.’

    Nee, Schuit bedrijft bepaald geen kinderhumor. Maar is kindonvriendelijk – en dus grof – per se grappig? Soms wel. Grotendeels voelt Er komt altijd een ei uit als schieten met hagel. Gewoon zo gek en absurd mogelijk uit de hoek komen in de hoop bij iemand een lach te ontlokken. Hetgeen dan ook sporadisch lukt. Zo heeft Ieniemienie in een dronken bui de naam Paula op haar onderlip laten tatoeëren, stuurt Schuit in een officieel bericht de letter P op ‘zwangerschasverlof’ en maakt hij een ‘groesfoto’ van alle 25 overgebleven letters. Mannen met grote inhammen of een lelijke haargrens adviseert hij: ga heel dicht tegen anderen aanstaan, dan zien ze niet dat je kalend bent. Met de ‘WC-borstelsapdrinkers’ knipoogt Schuit naar Vincent van Gogh en zijn Aardappeleters. Waarom? Geen idee. En – waarschijnlijk – wederom de verkeerde vraag van een recensent die doodvermoeiend hermeneutisch te werk wil gaan. Schuit doet het gewoon. Waarna de lezer zijn schouders ophaalt.

    De cartoons die we niet snappen: die snappen we niet

    Bestond het woord ‘random’ nog niet, dan was het speciaal voor Schuits schetsen bedacht. De zee verdient geen medaille. Wat heeft zij ooit gepresteerd? En soep… is dat nou je vriend of je vijand? Handig trouwens, dat wolken, waterkranen, peren en duiven een berenpak kunnen aantrekken. Kijk bovendien uit met je natte boterham. Plak die nooit op je buik, maar altijd op je voorhoofd, zoals iedereen. ‘We leven van stoel naar stoel en ergens onderweg sterven we.’ Bindt Schuit hier nu de strijd aan met de oprukkende zitziekte? Het zou kunnen. Het zou ook niet kunnen. Naarmate de absurde tekeningen zich opstapelen, verliezen ze aan verrassingseffect. ‘Kleur de patat in alsof het friet is’, aldus een plaatje met witte patat. Schuit lijkt zich het meest te ergeren aan de veronderstelde tegenhanger van absurdisme: pretentie. ‘Op internet gevonden quotes als eigen wijsheid presenteren is als een dikmaakpak voor de ziel.’ Want dikdoenerij, daar houdt Schuit niet van. Toch?

    Eén valkuil van het absurdisme ligt echter voortdurend op de loer. Ook Er komt altijd een ei uit trapt erin. Wie zijn onbegrepenheid cultiveert en sublimeert, maakt zijn werk onbedoeld dweepzuchtig, navelstaarderig en richtingloos. Wie continu afgeeft op alledaagse kunst en literatuur, wekt de indruk hier geen feeling voor te hebben. Of, waarschijnlijker, er niet door te zijn erkend. De makkelijke remedie? Erop afgeven met ironische, absurdistische sneren die het publiek natuurlijk ab-so-luut niet serieus moet nemen. ‘De kunstenaar heeft aan de ene kant van de lijn een ei geplaatst en aan de andere kant de afwezigheid van iets. Een fascinerend werk.’ Dan zijn Schuits tragische tekeningen toch geslaagder, omdat ze het menselijk tekort vangen. Zo zegt een hondenbezitter tegen een ander: ‘Lijkt me echt niks om in de gevangenis te zitten. Dan maar geen mensen vermoorden, denk ik dan.’ Simpel, kort en veelzeggend, in plaats van complex, vaag en nietszeggend.

    Scharrel of legbatterij?

    Er komt altijd een ei uit, die titel verwoordt perfect de scheppingsdrang van Schuit. Linksom of rechtsom, hij moet en zal iets maken. Daarom maakt de bundel geen onderscheid tussen doordachte en ondoordachte tekeningen. Aangezien Robert Schuit te boek staat als een nihilistische en zelfs anarchistische schrijver, is dat volkomen logisch. Toch maken sommige tekeningen veel meer los dan andere. En het zijn niet de absurdistische die het meest blijven hangen. Absurdisme wordt nu eenmaal al heel gauw een onnodig ingewikkelde zoektocht naar waanzin, terwijl echte waanzin iemand gewoonweg overvalt. En dat maakt absurdisme dus per definitie gekunsteld. Onecht. Schuit excelleert in zijn eenvoudige tekeningen, met droge humor. De droogste grap speelt zich af, hoe kan het ook anders, op de oceaan. De laatste zonnestraaltjes verdwijnen nog net achter het opkomende water: ‘De stijgende zeespiegel had nu ook de zon te pakken.’

    Er komt altijd een ei uit. Het ene ei wordt een prachtig kuikentje, het andere eindigt in de pan met een klontje boter, reepjes bacon en een schijfje tomaat.

     

     

  • Een prentenboek met hoopvolle boodschap

    Bij de naam Amanda Gorman denk je waarschijnlijk niet meteen aan kinderboeken. De Amerikaanse dichter is vooral bekend door haar activisme en de krachtige taal die ze gebruikt om ongelijkheid te bestrijden. En dat is precies wat het doel is van haar prentenboek Ooit, ergens, een ontroerend boek met een sterke boodschap: een verhaal over hoop en over hoeveel je kunt bereiken met een kleine daad.

    […]

    Het tonen van moed
    Gormans prentenboek Ooit, ergens kun je zien als een verlenging van het gepassioneerde gedicht The Hill We Climb. De boodschap uit het gedicht — moed door samen te werken aan verandering — is volop aanwezig in het prentenboek. 

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland

  • Klein bier

    Een Algerijnse schrijver die vermoord werd omdat hij volgens een van zijn moordenaars zo’n angstaanjagend goede pen had dat moslims erdoor van hun geloof zouden kunnen vallen, verdient diep respect. Tahar Djaout is die schrijver. Op 2 mei 1993 werd hij voor zijn deur in zijn auto door fundamentalisten tweemaal door het hoofd geschoten. Tien dagen later overleed hij op 39-jarige leeftijd aan zijn verwondingen. Djaout was een van de eerste intellectuele slachtoffers in de strijd die woedde tussen de Algerijnse staat en de islamisten in het laatste decennium van de vorige eeuw. De islamisten hadden de verkiezingen gewonnen, maar de westers georiënteerde regering weigerde plaats te maken waarna de rebellie begon.

    Ruim dertig jaar na zijn dood publiceert uitgeverij Jurgen Maas Djaouts roman De wachters, vertaald door Hester Tollenaar. Het oorspronkelijke werk verscheen in 1991 onder de titel Les vigiles en gaat niet over de burgeroorlog maar over de nasleep van wat de vuile oorlog werd genoemd; de onafhankelijkheidsoorlog die van 1954 tot 1962 duurde en het land bevrijdde van de Franse koloniale bezetter. Volgens het naschrift van schrijver Asis Aynan, tevens docent aan de opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening van de Hogeschool van Amsterdam, gaat al het bij leven gepubliceerde werk van Djaout over die oorlog en niet over de latere burgeroorlog. Pas na zijn dood verscheen De laatste zomer van de rede, over een boekhandelaar die weigert zich te onderwerpen aan het dictaat van de fundamentalisten.

    Macht en onmacht

    Zijn werk over de onafhankelijkheidsstrijd moet de fundamentalistische opstandelingen in het verkeerde keelgat zijn geschoten, om het eufemistisch uit te drukken. Volgens de achterflap is de roman een politieke, morele fabel over kwaadaardige bureaucratie, gedachteloos extremisme en het opschorten van vrijheden uit naam van vaderlandslievendheid. Maar vreemd genoeg wordt in dit boek juist de machthebber aan de kaak gesteld, de macht waartegen de islamitische fundamentalisten de wapens hebben opgenomen.

    De uitvinder Mahfoudh Lemdjad probeert een innovatief weefgetouw gepatenteerd te krijgen en stuit op bureaucratie. Door regeringsgezinde, ex-onafhankelijkheidsstrijders wordt hij bovendien gewantrouwd, want hij lijkt geheimzinnige dingen te doen. Zij – de wachters uit de titel – beramen een inbraak, proberen Lemdjad in een kwaad daglicht te stellen en zijn zelfs bereid hem fysiek te intimideren. Aanstichter is Menouar Ziada, een veteraan van de onafhankelijkheidsstrijd die indertijd ‘per ongeluk aan de goede kant heeft meegevochten’. Maar dan wint de uitvinder met zijn weefgetouw zomaar een internationale prijs. De uitstraling daarvan op de staat is zeer welkom voor de zittende, opportunistische machthebbers en plotseling draait alles om. De veteraan Ziada is een verrader die zich moet verantwoorden voor de tegenwerking en de verdachtmaking van de uitvinder Lemdjad.

    Schaken

    Het boek is net zo schetsmatig opgezet als de korte samenvatting hierboven. De auteur laat het verhaal nauwelijks tot leven komen. De personages zijn als schaakstukken die door Djaout naar hartenlust worden verplaatst in een spel dat zich onvermijdbaar aankondigt. Enigszins verrassend is de omkering van het slachtofferschap, maar omdat de auteur nauwelijks heeft geïnvesteerd in het vlees en bloed van de personages, laat de lezer dat koud.

    Als het boek dus nauwelijks tot leven komt omdat de auteur niet een roman maar een politiek pamflet schreef, is het de vraag waarom Jurgen Maas dan toch juist nu dit boek heeft willen uitgeven. Is het omdat ook nu overal intellectuelen stelselmatig worden gewantrouwd door zelfbenoemde ‘wachters’? Voorbeelden daarvan buitelen dagelijks over elkaar. Wetenschappers die vaccins ontwikkelen worden verketterd. Een politicus die wikt en weegt en zijn woorden zorgvuldig kiest legt het genadeloos af tegen het gebral van de populist. Een agressieveling noemt een vredelievende regering neonazistisch, een president hitst zijn eigen volk op tot een (ternauwernood mislukte) staatsgreep en komt daar moeiteloos mee weg. Tegen deze achtergrond moet de uitgever gedacht hebben dat een geëngageerde schrijver als Tahar Djaout iets aan het discours heeft toe te voegen. En dat is ook zo, maar vooral vanwege de waarschuwing die zijn levensloop inhoudt, in veel mindere mate dankzij dit boek. Want wat er met Lemdjad en Ziada gebeurt, is in dit tijdsgewricht klein bier.

     

  • Het bordeel van Santa María

    Bij het Nederlandse lezerspubliek is de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) wellicht niet zo bekend, maar in het Spaanse taalgebied is hij een veelgelezen en gewaardeerd schrijver. De belangrijkste literaire prijs in dat taalgebied is de Cervantesprijs, de Premio Miguel de Cervantes, die jaarlijks wordt toegekend. Onetti ontving de prijs in 1980.

    De relatief jonge uitgeverij Kievenaar (begonnen in 2020) heeft het wederom aangedurfd een boek van Onetti uit te geven. Na Afscheid (Los adioses uit 1954) en De dood en het meisje (La muerte y la niña uit 1973) kwam vorig jaar de vertaling van Juntacadáveres uit 1964 onder de titel Lijkendrijver uit. Op stapel staat nog Voor een graf zonder naam (Para una tumba sin nombreuit 1959).
    Aangedurfd, omdat Kievenaar er niet voor schroomt ‘moeilijke boeken’ uit te geven. Van hun website: ‘We balanceren op het bekende koord op de bekende hoogte en dagen iedereen uit bij Kievenaar een dapper stapje extra te zetten. Een zin eens niet één, maar twee of zelfs drie keer te lezen. Onze boeken als moeilijk veroverbare geliefden te beschouwen. Tegemoet te komen aan dat vreemde verlangen jezelf beter te leren kennen aan de hand van degene die deze soms zelfs niet naar je uitsteekt. In de spiegel niet alleen jezelf te zien.’

    Lijkendrijver is zo’n ‘moeilijk veroverbare geliefde’. Frans Oosterholt tekende voor de prima vertaling. Dat moet een pittige klus zijn geweest; sommige zinnen in het boek moet je inderdaad vaker lezen om te snappen wat er staat.

    Kadavers en lijken

    De droom van de hoofdpersoon Larsen, die ook wel Drijver of Lijkendrijver wordt genoemd, is het opzetten van een bordeel in het stadje Santa María. Het heeft bijna twee jaar geduurd voordat er in de Raad een meerderheid voor het bordeel is. Het lukt apotheker Barthé conservatieve raadsleden te overtuigen om voor te stemmen. Hij moet dan wel plechtig beloven later het wetsvoorstel voor de kruiersconsessie in de haven te steunen. Drijver heeft in afwachting van de beslissing over het bordeel zo lang op de administratie van de krant El Liberal gewerkt. Namens de Raad wordt hem gevraagd of hij het bordeel wil runnen.
    Dat doet hij: ‘Hij was oud, ongelovig, sentimenteel; het bordeel oprichten was nu, in wezen, als trouwen in articulo mortis, als geloven in spoken, als optreden voor God.’ Barthé is slechts geïnteresseerd in een deel van de opbrengst van de exploitatie van het bordeel: ‘Ik heb niets te maken met die smeerlapperijen. U regelt alles zoals het u goeddunkt. En u geeft me elke maand vijfhonderd peso, vanaf de opening.’

    Het verhaal wordt niet chronologisch verteld. Het boek begint met een treinreis van El Rosario naar Santa María. Pooier Drijver haalt zijn drie prostituees, María Bonita, Irene en Nelly op. Het bordeel draait de eerste maanden prima.

    Anonieme brieven

    Maar het succes van het bordeel roept ook weerstand op. Al na enkele maanden circuleren er anonieme brieven. Elk onheil in het stadje wordt in verband gebracht met het bordeel. Er is een roeiboot omgeslagen in de rivier en er zijn mensen verdronken. ‘Waartoe de kerk als er een bordeel is (…) Wanneer een plaats haar zin voor eerbaarheid verliest, is het rechtvaardig dat ze ook Gods Bescherming verliest.’ Pastoor Bergner zegt in zijn preek dat hij een zondaar met de zondaren is geworden, omdat hij niet heeft kunnen voorkomen dat er een bordeel in het stadje is gevestigd: ‘Ik ben jullie priester niet meer, ik ben geen priester van Santa María. Omdat de duivel naar ons is gekomen en is opgenomen; jullie hebben hem opgenomen en ik heb dat niet weten te voorkomen.’ Hij vecht niet tegen Drijver en de vrouwen in het bordeel: ‘We vechten tegen niemand in het bijzonder; we vechten tegen het kwaad.’ Volgens hem moet Santa María ontwaken en zelf zijn zielen willen redden.

    Het blijkt dat de meisjes van de Hulpvaardige Daad de anonieme brieven aan de ‘zielen van wie jullie weten dat ze deze boodschap nodig kunnen hebben’ schrijven. Na een kerkdienst ontrollen zij een spandoek met de tekst ‘We willen kuise verloofden en gezonde echtgenoten.’ Ook de pastoor zet zich samen met de Bond van Ridders in voor het bewaken van de goede zeden. Uiteindelijk besluit de gouverneur dat het bordeel moet sluiten. De cirkel is rond: met de trein vertrekken de drie vrouwen met Drijver uit Santa María.

    Troosteloosheid

    Onetti roept in zijn werk een sombere wereld op. Hij schrijft over de beerput van ouderdom, over verrotting en angst. Zijn beeldspraak verwijst veelal naar de dood. Drijver beschouwt zijn dames als kadavers en lijken. Hij (schommelde) tussen ‘erbarmen en walging. Altijd hetzelfde met die doden. Hij zette een stap en keek nieuwsgierig naar de hand die vooruit bewoog om het rossige, verschroeide, en nog altijd geparfumeerde haar van het lijk aan te raken, dat onelegant op het bed zat.’

    Bijzonder taalgebruik

    De zinnen en de beeldspraak van Onetti zijn niet alledaags. Wat te denken van ‘de lijken die hij dreef’ en ‘En hoewel de dingen die hij dacht zich openbaarden in de wittige spuugdraad die in zijn glimlach verscheen (…)’. Nog een citaat: ‘Vergevingsgezind en grootmoedig snoof hij de verrotting van de schaarse kraakbeenderen op, keurde hij de overeenkomsten met de stank van de andere lijven die misschien net wakker waren geworden en die weldra zouden beginnen hem op te bellen.’
    Onetti schrijft lange zinnen met herhalingen, veel komma’s en puntkomma’s.  Santa María is een fictief stadje, maar Onetti heeft er een levensecht Zuid-Amerikaans stadje van gemaakt met de dorpsdokter, Díaz Grey, de apotheker Barthé, een krant, een conservenfabriek met anonieme arbeiders en een bordeel bij de rivier.

    De roman laat zich niet makkelijk lezen door de wisselende perspectieven en monologues intérieurs. De vele personen die aan het woord komen zijn niet altijd nodig voor de voortgang van het verhaal, maar wel interessant voor de sfeer en de onderlinge machtsverhoudingen in het stadje.
    Het werk van Onetti komt steeds meer in de belangstelling te staan. In Duitsland is zijn verzameld werk uitgegeven. Daar is de titel van dit boek trouwens Leichensammler. Voor de uitgever moet het commercieel een uitdaging zijn om een boek met een titel als Lijkendrijver te verkopen. Wellicht dat er daarom op de omslag een foto staat van een sensuele vrouw. En dat terwijl de vrouwen in het boek allesbehalve sensueel zijn. Verkooptechnisch zou een titel als Het bordeel van Santa María misschien beter zijn geweest. Hoe het ook zij, Onetti’s roman uit 1964 past goed in de categorie moeilijk veroverbare geliefden. De Nederlandse lezer kan dankzij uitgeverij Kievenaar (nader) kennismaken met deze interessante schrijver met een eigen signatuur.
    Advies: lees ook zijn eerdere boeken en kijk alvast uit naar de volgende vertaling!

     

  • Schilderes van stillevens in woorden

    Het beroemdste korte verhaal in de literatuur is waarschijnlijk dat van Ernest Hemingway: ‘For sale: baby shoes, never worn’. Zes woorden en in Nederlandse vertaling (‘Te koop: babyschoentjes. Nooit gedragen’) zelfs maar vijf. Het is de vraag of Hemingway het zelf bedacht heeft, want er bestaan vrijwel gelijkluidende advertenties uit oude kranten. In elk geval zág hij er het verhaal in.
    Eén van de verhalen uit het eind vorig jaar verschenen Onze vreemden van Lydia Davis is getiteld ‘Excuses voor het storen’. Het beslaat twintig pagina’s met zo’n tweehonderd van dergelijke zinnen uit oproepen in kranten, buurtapps of Facebook.  Ze zijn door Davis verzameld omdat ze steeds weer een verhaal doen vermoeden. De adverteerders beginnen hun vraag af en toe met een excuus voor de storing van de lezer – vandaar de titel van deze verzameling. Davis rangschikt de oproepen bovendien zo dat ze onderling samen lijken te hangen door een chronologie: ‘Mahoniehouten sopraan-ukelele van Ohana met koffer. In perfecte staat, nauwelijks aangeraakt’ wordt bijvoorbeeld gevolgd door ‘Ukelele weg! Dank u.’  Ook deze verbindingen doen weer verhalen vermoeden: waarom werd de ukele afgedankt? Wie nam hem over? Leerden de twee personen elkaar kennen?

    De Amerikaanse Lydia Davis (1947) is naast schrijver vertaler van Franse literatuur (onder andere Proust). Haar eigen werk omvat voornamelijk essays en korte verhalen. In die laatste categorie geldt zij min of meer als ‘the Queen of the short story’. Dat wordt bevestigd door de talloze prijzen die ze ontving. Ook in het Nederlands is veel werk van haar verkrijgbaar.

    Boekenlegger

    Onze vreemden is opnieuw een sterk staaltje van hoe ze met een paar woorden een hele wereld of een karakter weet neer te zetten. Bijvoorbeeld in ‘Smachtende oude vrijster’ dat er in zijn geheel zo uitziet:

    Wat is het
    dat haar heel licht aanraakt in het bad
    terwijl ze achterover ligt in het warme water?
    Ach,
    een drijvende boekenlegger…

    Dat lukt Davis ook in de wat langere stukken, zoals ‘Winterbrief’, met zijn veertien pagina’s het langste in de bundel. Het is een brief van een moeder aan haar ‘kinders’. Ze is met haar man op een vakantie en ze schrijft ‘wat we zoal hebben uitgevoerd’. De dagen brengen weinig opwinding met zich mee, maar onderhuids komt de lezer van alles te weten over de relatie tussen haar en de vader van haar kinderen zonder dat daar over wordt uitgewijd. Dat gebeurt hooguit in verzuchtingen als ‘Ik weet dat dit niet erg boeiend is, maar zo is ons leven.’

    Zoutkorrel

    Veel van de verhalen bevatten niet echt een pointe. Het zijn eerder sfeerschetsen of observaties, die vaak poëtisch zijn. Hoe sterk is bijvoorbeeld deze bijna-haiku (zowel in het Engels als in het Nederlands wordt niet strikt aan het aantal vereiste lettergrepen voldaan) ‘Achternamiddag’:

    Zo lang als de schaduw is,
    die over het aanrecht valt,
    van deze zoutkorrel.

    Davis beschrijft situaties die je aandacht vestigen op eigenaardigheden van de taal of van  intermenselijke contacten. In het titelverhaal ‘Onze vreemden’ lezen we onder andere (de verteller is verhuisd en heeft dus een nieuwe buurman): ‘door wat we met elkaar gemeen hebben worden we samen een soort familie. We lijken op een familie en niet op een familie, aangezien we als vreemden bij elkaar zijn gekomen en een tijdelijk verbond vormen, terwijl familieleden vaak vreemden voor elkaar worden en alleen nog verbonden blijven door bloed. Een buurman wordt een soort neef of ouder. En anders wordt een buurman een bittere vijand, een ondraaglijke aanwezigheid die je grondgebied belegert’. Waarna in dit verhaal nog eens tien andere schetsen van mogelijke verhoudingen tussen buren volgen.

    Commotie

    In enkele verhalen laat Davis zien hoe zij / haar personages betrokken zijn bij bijvoorbeeld het milieu. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het verhaal ‘Brief aan de Amerikaanse Posterijen inzake een affiche’ waarin de verteller zich druk maakt over verzending van bestellingen in te grote verpakkingen – zeer herkenbaar; en in ‘Best Who gives a C’, een brief die gaat over de opdruk van zo’n tekst op verpakking van WC-papier. Daarmee word je als koper liever niet gezien (‘Who gives a C’ betekent ‘Iedereen heeft er sch*** aan’), schrijft ze de fabrikant.

    Davis schrijft geen letter teveel. In haar verzameling beschouwingen De schoonheid van weerbarstig proza uit 2019 staat een essay waarin ze uitlegt hoe ze soms maanden kan doen over één zin. Aan de hand van een voorbeeld laat ze zien hoe die ene zin steeds weer werd bijgeslepen. Dat leidt tot een beknoptheid en kernachtigheid waarin alle overbodigheid is weggesneden. Een prachtig voorbeeld is het verhaal ‘Treinincident’. Daarin wordt met humor en zonder opgeklopte bewoordingen de commotie beschreven die de ik-figuur in een treincoupé veroorzaakt als ze naar het toilet moet en wil voorkomen dat haar spullen worden gestolen.

    Wellicht het mooiste stuk in Onze vreemden is ‘Hoe hij in de loop van de tijd is veranderd’. Het is de beschrijving van de teloorgang van een voormalige geleerde die steeds meer van de zinvolle invullingen van zijn leven verliest waar hij een grote waarde aan hechtte. Zonder dat Davis uit is op effectbejag voel je steeds meer compassie met de man.
    Een paar jaar geleden zei Davis in een interview met The Guardian dat ze in dit verhaal (toen nog alleen los gepubliceerd in een Amerikaans magazine) een fictieve gedaanteverandering van Thomas Jefferson in Donald Trump voor ogen had. Dat wetend wordt de beschrijving zoveel groter en tragischer: in nog geen acht pagina’s lezen we hier het mentale verval van de VS.

    Onze vreemden is meesterlijk en overrompelend.