Als Johannes, hoofdpersoon van Ochtend en avond van de Noorse Nobelprijslaureaat Jon Fosse, wordt geboren steunt zijn vader, de visser Olai, met zijn hoofd in zijn handen op de keukentafel. Hij mag niet bij de bevalling in de kamer ernaast zijn; de aanwezigheid van een man brengt ongeluk, weet vroedvrouw Anna: een man hoort niet aan een kraambed, zoals een vrouw niet in een vissersboot hoort.
Johannes zal zijn kind heten, denkt Olai, en hij zal visser worden, net als hij: ‘Terwijl zijn moeder Marta schreeuwt en pijn lijdt, zal hij zijn intrede doen in deze koude wereld en daar zal hij dan alleen zijn, gescheiden van Marta, gescheiden van alle anderen, daar zal hij alleen zijn, altijd alleen, en dan zal hij, als alles voorbij is, als zijn tijd is gekomen, vergaan en tot niets worden en weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam, uit het niets en naar het niets, dat is de loop van het leven’.
We zitten in het korte deel 1 van Ochtend en avond.
Mantra
In het tweede deel sterft Johannes. Het thema van de eenzaamheid keert terug: ‘alles is één en tegelijkertijd verschillend, het is één en toch dat wat het is, alles is gescheiden en niet gescheiden en alles is rustig’.
Dit tweede deel is nog meer dan het eerste geschreven als een vertelling uit een schimmenrijk. De zinnen hebben geen interpunctie. Er zijn slechts af en toe komma’s en vraagtekens als deel van een gedachte. Regels beginnen met een hoofdletter, maar verspringen en gaan dan zonder hoofdletter verder:
‘Ach jee, is het zo erg zegt Peter
en dan pakt Peter Johannes bij zijn arm’
In dialogen gaat de directe rede ineens over in de indirecte en verspringen perspectieven in één zin. Maar vooral: formules en gedachten worden alsmaar herhaald als een soort mantra. Deze repetitieve stijl werkt dromerig en meeslepend. Je kunt je als lezer niet onttrekken aan de hallucinatieve vertelstijl; je drijft erop mee, zoals een vissersboot op zee.
Krabben
De ochtend uit de titel staat voor de geboorte, de avond voor het sterven. Hoe dicht die intrede in de wereld en het verlaten ervan bij elkaar liggen wordt nog eens versterkt doordat het tweede deel juist op een morgen begint. Johannes ‘ontwaakt’ met een gevoel dat alles anders is: ‘Hij voelt zich opeens zo licht, alsof hij geen gewicht meer heeft, denkt Johannes’, die op zijn oude dag juist stijf was en kraakte in spieren en botten. Ineens hoeft hij ook niet meer over te geven, zoals hij sinds de dood van Erna elke morgen bij het opstaan moest.
Vanuit zijn huis stapt hij de dag in en gaat naar zijn boot waar hij zijn oude vissersmaat Peter ontmoet, die al lang dood is. Hij besluit samen met hem de zee op te gaan om krabben te vangen, zoals ze vaak deden. Daarna willen ze de beste vangst, zoals altijd, verkopen aan juffrouw Anna Petterson, die ook is overleden. Op hun gezamenlijke tocht zien ze ook Marta, Johannes’ moeder, en Erna, zijn vrouw: ‘Hoe is het mogelijk?’, vraagt hij zich af – ze leven toch allemaal niet meer. Niemand van Johannes’ leeftijd is meer over, zelfs schoenmaker Jakop is dood.
Met Peter deelt hij op de boot zijn herinneringen en twijfels, waaronder die bijzondere dat zijn collega-visser hem redde van de verdrinkingsdood toen de door Johannes uitgeworpen vishaak niet wilde zinken. Hij herbeleeft het opnieuw nu ze weer krabben willen vangen voor juffrouw Petterson. Terwijl Johannes zich erover blijft verbazen duidt Peter die scène met de vishaak: ‘De zee wil je niet meer’.
Beelden
Ochtend en avond zit vol met Bijbelse en mythologische beelden. Er zijn de gedachten over God bijvoorbeeld. Johannes was het wel eens met wat schoenmaker Jakop hem ooit vertelde: ‘De God van al die mensen die de waarheid erkenden, dat was geen God voor deze wereld, ook al was hij er ook, er waren nog andere goden’. En niet voor niets is Johannes visser, zoals de evangelist van die naam (lees de column van Jan Kloeze hierover). Er dringen zich daarnaast mythologische beelden op. Zo doet Peter die Johannes overvaart denken aan Charon, de veerman die de overledenen naar het dodenrijk voer. En nog zo’n scène: als Johannes in het tweede deel zijn huis verlaat om naar Peter te gaan ziet hij Erna in de deur staan (‘Ja, je moet nu voorzichtig zijn op zee, zegt ze’) en besluit hij niet meer om te kijken’. Wie moet hier niet denken aan de mythe van Orpheus en Eurydice?
Prachtig is de laatste dialoog van Peter en Johannes over hun bestemming. Johannes wil weten of de overtocht gevaarlijk is:
‘”Gevaarlijk is een woord, waar wij heen gaan bestaan geen woorden”, zegt Peter
“Doet het pijn?” Zegt Johannes
“Waar wij naartoe gaan bestaan geen lichamen, dus pijn bestaat ook niet”, zegt Peter
“Maar de ziel, doet het pijn in de ziel?” Zegt Johannes
“Er bestaat geen jij of ik waar wij heen gaan”, zegt Peter’ Ochtend en avond is een novelle om je op mee te laten drijven en stil in op te gaan, een overweldigende meditatieve leeservaring.
Wie het voorrecht heeft veel te kunnen reizen, voelt zich op den duur nergens meer thuis. Dat wordt pijnlijk duidelijk in de nieuwe essaybundel Onder een andere hemel van filosoof Joke J. Hermsen. De ondertitel luidt ‘Over heimwee en vertepijn’. Mensen kunnen namelijk enorme heimwee ervaren vanuit huis, en verlangen naar een elders, wanneer zij al elders zijn. Precies dit spanningsveld brengt Hermsen voortdurend in beweging, letterlijk.
Op haar landgoed in de Bourgogne bekruipt haar het eerste ongemak. Ze vlucht naar haar dubbele appartement in Amsterdam en kan zelfs terecht in Parijs, waar zij vroeger filosofie studeerde. Daarnaast gaat ze oude adressen langs van allerlei beroemde Duitse schrijvers, zoals Rainer Maria Rilke en Lou Salomé. Als ze verblijft in het kunstenaarsdorpje Bergen of op haar Drentse boerderij, komen wederom de muren op haar af. Ze maakt, kortom, nogal wat omzwervingen van de ene naar de andere idylle. Uiteraard zijn de Odysseus-verwijzingen niet van de lucht, want ook hij had last van hinausweh, zoals Hermsen dat noemt. De zucht om eropuit te gaan. Langzamerhand dringt zich echter de vraag op: gaat dit boek wel over wijsbegeerte, of over reisbegeerte?
Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg
Het boek laat zien hoe de westerse filosofie tegen de fenomenen ‘heimwee’ en ‘thuis’ aankijkt. Daarnaast komen andere, wat navelstaarderige motieven voorbij, zoals ‘het Zelf’, ‘het Onzegbare’ en ‘het Niets’. Onder een andere hemel overtuigt in de aardse passages dan ook het meest. Ondertussen vloeit de witte wijn rijkelijk.
Grotendeels spreekt een vrouw die duidelijk tot de happy few behoort van de Nederlandse maatschappij. Ze quoot keurig de complete westerse canon en doet vanuit een nostalgische opwelling, zo lijkt het, haar studietijd aan de Sorbonne nog eens dunnetjes over. Alsof het niets is, wisselt ze bovendien continu van uitvalsbasis, zonder enige financiële belemmering. Maar wanneer Hermsen vertelt over de harde realiteit waarin vrouwen moeten leven, inclusief een weerzinwekkende ervaring uit haar jeugd, wint Onder een andere hemel aan belang.
Met engagement engageert ze het lezerspubliek. Dat beseft ze zelf ook, wanneer ze Hannah Arendt aanhaalt: ‘Van haar had ik geleerd dat filosofie altijd op de politiek en de wereld betrokken moet zijn. (…) Arendt verweet de westerse filosofie politieke desinteresse en een obsessie met zichzelf.’ Helaas gaat dit soms ook op voor Onder een andere hemel. Op de momenten dat Hermsen als nuchtere Noord-Hollandse dame het gemijmer over het Zelf loslaat en gewoon aanwijst wat er beter kan in de maatschappij, wordt het pas echt interessant.
Het nomadische als leugen
‘Zet mij maar neer in de jungle, ik pas me wel aan.’ Je hoort dit soort dingen vaker op verjaardagen, nieuwjaarsborrels of recepties. Anders gezegd: een thuis is ook maar overschat. Ook Hermsen debiteert zulke wijsheden die druipen van privilege: ‘Thuisloosheid als thuis. Dat gold zeker voor Hannah Arendt, en in een bepaald opzicht ook voor mij.’ Je eigen odyssee vergelijken met die van een Holocaustvluchtelinge is ongelukkig, maar wat te denken van haar verwijzing naar dichter Robert Lowell: ‘Wat is thuis anders dan een gevoel van heimwee naar het verloren moment van fladderende angst tijdens de vlucht?’ Nou, misschien is thuis gewoon een ouderwets dak boven je hoofd? Misschien is thuis bijvoorbeeld dat je niet door je complete omgeving wordt gewantrouwd, omdat je er anders uitziet dan de rest? Een familie die nog leeft? Van de driehonderdtwaalf pagina’s besteedt Hermsen een schamele twee bladzijdes aan de vluchtelingen in de banlieus, waar ze vanuit haar universitaire bubbel in Parijs amper iets van meekreeg. En krijgt.
Over het noodlot van een Franse filosofe weidt Hermsen wel uit. Anne Dufourmantelle bleek vroeger een vurige pleitbezorger van vreemdelingen en schreef hierover in De kracht van tederheid en Een lofrede op het risico. Volgens de Française moest het Westen maar eens leren geen oneindige zekerheden in te bouwen ten koste van medemenselijkheid. Dufourmantelle stierf op 53-jarige leeftijd in zee, toen ze een jongetje redde van de verdrinkingsdood. Hermsen looft haar dubbele dapperheid: ‘Er is veel moed voor nodig om de wereld een andere kant op te duwen, en maar tegen de stroom in te blijven zwemmen.’ Exact zo lijkt Hermsen soms tegen de stroom in te zwemmen, om daarna toch weer op safe te spelen en vooral te herhalen wat andere filosofen gezegd hebben over thuiszijn. Hermsen citeert Kafka, die zich kritisch uitlaat over veilige teksten: ‘Als een boek dat wij lezen ons niet met een vuistslag op de schedel wakker maakt, waarom lezen wij dan dat boek? Een boek moet een bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’ Onbewust stipt Hermsen het gebrek aan urgentie aan in haar eigen boek. Onder een andere hemel aait ons meer over de bol dan dat het onze schedel openklieft. Totdat…
De voorheen verstomde stem klinkt het helderst
De titel Onder een andere hemel ontleent Hermsen aan Hannah Arendt. ‘Mogelijk dat haar ziel onder een andere hemel de kans ziet om zich uit te spreken.’ Gelukkig spreekt Hermsen zich uit, al doet ze dat – geheel in de meanderende stijl van de essayistiek – met een omtrekkende beweging. Op een congres treft Hermsen een oude bekende. Onverwacht en ongewenst. Ze verstijft, krijgt geen druppel door haar keel en kan niets anders doen dan wachten tot ‘hij’ de ruimte verlaat. Hij heeft overigens een dikke pens gekregen en herkent haar niet eens. Eenmaal achter haar schrijftafel keert Joke terug naar haar 14-jarige ik en verschuift ze het perspectief van eerste naar derde persoon. Trauma’s bespreek je makkelijker met een beetje afstand.
De vader van haar oppaskinderen rijdt haar, zoals altijd, naar huis. Althans, dat denkt Joke: ‘Ze trekt aan de hendel van het portier om de deur open te gooien. Weggaan, denkt ze, nu meteen. Maar hij pakt haar hardhandiger beet, duwt haar terug in de stoel en vergrendelt het portier. “Ik weet zeker dat jij dit ook wilt”, hijgt hij in haar oor.’ Een paar minuten later, hooguit, is ze terug: ‘“Ik ben thuis!” roept ze naar haar ouders en schiet meteen de trap op naar boven. Ze kleedt zich uit, gaat onder de douche staan en wrijft langdurig met haar handen over haar lichaam, totdat haar huid roodgloeiend is. (…) Ze doet snel het licht uit in de badkamer, gaat in bed liggen en trekt de dekens over zich heen.’ Toch doet de gebeurtenis haar het meeste pijn vanwege het besef ‘dat er zelfs van mijn ouders geen hulp te verwachten viel’. Dat komt binnen.
Schrijver en moeder
In de door mannen gedomineerde filosofie- en literatuurkringen wordt van de vrouw verwacht heel haar leven op te offeren aan kinderen. En mannen maar geniaal zijn… Daar doet Hermsen gelukkig niet aan mee. Hoewel drie van haar vrouwelijke rolmodellen (Lou Salomé, Simone de Beauvoir en Virginia Woolf) bewust kinderloos bleven, combineert ze zelf moederschap en schrijverschap met succes. De band met haar beide kinderen is warm en haar werk is indrukwekkend. Juist in het licht van haar oeuvre blijft Onder een andere hemel toch te gewoontjes. Een van haar conclusies doet erg denken aan het cliché ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’: ‘Elke plek van de wereld, hoe vreemd ook, kan een thuis zijn.’ Dit klopt, zolang je tenminste beschikt over de drie g’s: geld, geluk en een goed paspoort.
Op een dag richt een vos een slachting aan in de kippenren waar Vera woont, terwijl Vera verscholen in het struikgewas zat te broeden op haar eieren. Als ze ten slotte weer tevoorschijn komt, is er geen levende ziel meer te bespeuren, behalve een eenzaam vossenjong. Wat nu? ‘Geen hart smelt zo snel als dat van een moeder’ en ‘Het huilde zich een plek in haar warme moederhart.’ Dus adopteert moederkloek Vera het vossenjong. Die adoptie loopt niet van een leien dakje. Vera weet dat een vos adopteren niet verstandig is. Maar als ze het zielige vossenjong ziet, zegt haar gevoel iets héél anders en kiest Vera voor haar hart.
Miet de Bruyn had ook een uitgebreid gesprek met Jef Aerts, de auteur van Roversjong, en een van de meest bekende Vlaamse schrijvers van kinderboeken. Lees het interview hier!
Toen Salman Rushdie door zijn aantekeningen voor een nieuwe roman na Victoriestad bladerde, merkte hij dat hij er niet mee verder kon: ‘Tot ik de aanslag had behandeld, zou ik niet in staat zijn iets anders te schrijven (…) Schrijven zou mijn manier zijn om bezit te nemen van wat er was gebeurd, de controle erover te nemen, het me toe te eigenen, te weigeren louter een slachtoffer te zijn. Ik zou geweld beantwoorden met kunst’. Die behandeling van de aanslag heeft geresulteerd in Mes. Gedachten na een poging tot moord. De aanslag op Rushdie vond plaats op 12 augustus 2022 om 10:45 uur in het amfitheater van Chautauqua in de staat New York waar hij een lezing zou geven. Rushdie liep vijftien messteken op die hem op het randje van de dood brachten en waardoor hij blijvend een gehandicapte linkerhand heeft en zijn rechteroog is kwijtgeraakt. De dader van de aanslag was een fundamentalistische moslim die Rushdie in zijn boek slechts als ‘de A.’ aanduidt (‘Aanvaller, would-be-Assassino, Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had’).
Mes bestaat uit twee delen. In het eerste, ‘De engel des doods’, blikt Rushdie vooral feitelijk terug op de aanslag, zijn tijd in het ziekenhuis en zijn revalidatie. ‘De engel des levens’ is het tweede deel waarin de auteur tracht de aanslag mentaal te verwerken en zijn (schrijvers)leven opnieuw in te richten. Als een rode draad loopt door beide delen de aanwezigheid van zijn vrouw, de dichteres en fotografe Eliza Griffiths, die je als een derde ‘engel’ zou kunnen zien. In Rushdies eigen woorden: ‘(…) het verhaal dat ik hier wil vertellen, is dat het een verhaal is waarin haat – het mes als metafoor voor haat – wordt beantwoord, en uiteindelijk overwonnen, door liefde’.
‘Foreshadowing’
Dit verslag van een aanslag en de verwerking ervan kent – hoe kan het ook anders bij iemand als Rushdie – tal van reflecties op literatuur en kunst. Zo staat hij op de avond voor de aanslag voor zijn hotel naar de maan te kijken die spiegelt in het meer. Die doet hem onder andere denken aan het beroemde beeld van een ruimteschip dat op het rechteroog van de maan botst in de stomme film Le voyage dans la lune van Georges Méliès’. Het is een voorbeeld (Rushdie noemt er later meer) van foreshadowing van het verlies van zijn eigen rechteroog bij de aanslag van de dag erna.
Op een gegeven moment neemt Rushdie zich voor de aanslagpleger te ontmoeten om die met de gevolgen van zijn daad (het uitgestoken oog, maar ook het overleven van het slachtoffer en dus de mislukking van wat ‘de A.’ beoogde) te confronteren, maar daar ziet hij op advies van Eliza van af. Het wordt, als we inmiddels in het tweede deel van Mes zijn beland, een fictieve ontmoeting met ‘de A.’ waarin Rushdie probeert te achterhalen wat hem gedreven kan hebben. Er volgen vier sessies van een vraag- en antwoordspel waarin Rushdie zijn eigen vermoedens ontvouwt en zijn fantasie moet aanspreken om geloofwaardige antwoorden van ‘de A.’ te bedenken.
Afgewezen
Het is twijfelachtig of Rushdie erin geslaagd is een helder beeld van de aanslagpleger te bereiken. De ondervrager gaat op zoek naar de werkelijke voedingsbodem van de would-be-moordenaar. Hoe kon hij zo haatdragend worden dat hij ervan overtuigd was dat hij de schrijver van een boek (De duivelsverzen) dat hij niet eens had gelezen, moest vermoorden? ‘Jij bent een boze jongen’ zegt ondervrager Rushdie: ‘Zes miljard vijanden, nul vrienden, nog minder geliefden. Woedend. Zoveel wrok. Ik vraag me alleen af wie je eigenlijk wilde vermoorden. Een meisje dat je afwees? Een jongen op de sportschool of aan de Israëlische grens? Je moeder misschien? (…) Wiens gezicht zag je voor me toen je me stak?’
Het is een psychologie die Rushdie ontleent aan schrijfster Jodi Picoult. Zij vertelt in haar roman De tweede dochter dat eenlingen er niet voor kiezen eenzaam te zijn, maar voortdurend zijn teleurgesteld in hun pogingen om in harmonie met de wereld te leven.
Leert de lezer daardoor ‘de A.’ echt kennen? Diens drijfveren zien we natuurlijk zoals Rushdie ze zich probeert voor te stellen. Veel overtuigender is de les die Rushdie voor zichzelf trekt over zijn schrijverschap na deze hypothetische ontmoeting: ‘Kunst is geen luxe. Ze is de essentie van onze menselijkheid en vraagt geen speciale bescherming, afgezien van het recht om te bestaan. Ze accepteert discussie, kritiek, zelfs afwijzing. Maar ze accepteert geen geweld. En uiteindelijk overleeft ze degenen die haar onderdrukken’.
Rushdie hoefde nadat hij dat inzicht had verwoord zijn aanvaller niet meer in levende lijve te ontmoeten. De tragedie is mede door het schrijven van Mes tot een ‘afsluiting’ gekomen. Maar ook realiseert hij zich de grootste schade: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven’.
‘Laten we proosten op … alles wat jij bent. Ze lachte. “Op alles wat ik ben.”’ Wat en wie hoofdpersonage Ellen is, is de vraag in de gelijknamige roman Op alles wat ik ben van Peter WJ Brouwer. Ook in deze derde roman zijn identiteit, verwantschap, vriendschap en verbinding belangrijke thema’s. In een katholieke familie waarin Mariaverering en heiligverklaring leidend is moet de jonge Ellen haar leven richting en vorm zien te geven. Dat valt niet mee, zeker niet omdat met name haar moeder manipulatief en dominant is. Het maakt Ellen opstandig én onzeker, bij tijden angstig en cynisch.
De roman is overzichtelijk opgebouwd uit vier delen die zich afspelen in 1985, 1986, 1997 en 2015. In de eerste twee delen is Ellen tiener en scholier en met name in deze delen blijkt de ware aard van haar moeder. Als Ellen een vriendin meeneemt naar huis is het commentaar achteraf niet van de lucht en deugt er niets van vriendin Milja, haar ouders en hun leven. Moeder uit zich net zo makkelijk racistisch over een onbekende nieuwslezeres als onverdraagzaam tegen buurtkinderen die op de stoep krijten. Ze heeft de nodige bijzondere en soms hilarische ‘wijsheden’ in pacht onder andere over nicht Hillegonde Hoefnagel, die volgens haar heilig verklaard moet, en over Turks Fruit van Jan Wolkers: ‘Hij schrijft zijn boeken niet eens zelf, dat kan hij niet. Hij laat ze schrijven door drie schrijvers, die niet bekend zijn bij het grote publiek.’ Verder is er een beknellende aanwezigheid van pater oom Marius, moeders broer, en zijn vage vaste metgezel Norbert.
Waarheen leidt de weg
Ellen is een zoekende in dit milieu van katholicisme en idolatrie. Haar worsteling en verwarring is voelbaar. Ze is geïntrigeerd door de titel van een boek dat ze op haar moeders kamer ziet liggen met de titel Die Welt der geheimen Mächte en realiseert zich dat ze meer logica ziet in haar geschiedenisboek Mensen en machten. Ze ontdekt dat de wereld groter is dan moeder haar wil doen geloven. Zeker nadat ze Julian heeft leren kennen, durft ze dapper afwijkende keuzes te maken. ‘Julian week af van de mensen die Ellen ervoor had gekend, hij had één gezicht en sprak met één mond. Hij was haar bondgenoot.’ Julian is overtuigd PSP’er en bij en door hem gaat er een wereld voor Ellen open. Als ze wat van zijn ‘subversieve’ tijdschriften mee naar huis neemt en moeder deze vindt, is de boot aan. Even lijkt het erop dat Ellen de strijd aangaat en haar eigen weg gaat kiezen, maar dan blijkt hoe dodelijk de indoctrinatie en haar afhankelijkheid is. ‘Doe het niet, kind, doe het niet’, zegt oom Marius tegen Ellen en vlak daarna sterft hij. Hoewel niet gezegd is dat hij op haar kersverse verkering doelt, maakt ze de verkering uit en verbreekt tot haar eigen verdriet het contact met Julian.
Ruim tien jaar later lijkt alles redelijk goed gekomen. Ellen heeft zich losgemaakt van het katholicisme, woont samen met Marc en werkt hard aan zwanger worden en als journaliste. Als ze op een avond de oude huisvriend Norbert Leenders op tv zien blijkt echter dat er nog een mijnenveld aan gevoeligheden ligt door haar fanatiek-katholieke jeugd en het feit dat er ‘dingen’ voor moesten wijken. Ze gaat naar een interview met Norbert over cultuur en religie in onze samenleving. Hij debiteert daarin de haar bekende oneliners over religie als bakermat van de cultuur en plaatst kanttekeningen bij de vrijheid van meningsuiting en de volgens hem valse aannames over ‘gelijkheid’ van man en vrouw – als feiten, valt haar op. Even later krijgt ze een aantal conflicten op haar werk, onder andere over een artikel waarin ze kritisch is over de – in haar ogen – overdreven aandacht voor het overlijden van prinses Diana vergeleken met de voetnootvermeldingen die het overlijden van moeder Theresa krijgt. Ellen stelt dat de laatste de echte heldin is. Het is duidelijk dat je het meisje wel uit een katholiek milieu kunt halen, maar het katholicisme niet zomaar uit het meisje.
Godsdienstwaanzin gerelativeerd?
In het laatste hoofdstuk (2015) is Ellen nog altijd journaliste, maar ze werkt nu als zzp’er. Een oude bekende uit de PSP-kring van Julian die een politieke draai heeft gemaakt wekt haar aandacht en later ook een uitgesproken politicus á la Baudet. Haar zoektocht naar ‘wat er onder het tapijt ligt’ van intense katholieke belijders, naar een kern dus, of een waarheid, verbreedt zich zo naar anders-dan-religieussoortige fanatiekelingen. Daarnaast is ze in haar ‘worsteling met waarheid en waan’, zoals de schrijver het in zijn verantwoording noemt, op zoek naar een antwoord op de vraag of het echt zo erg was, haar jeugd in een ‘van idolatrie doordesemd milieu’. In diezelfde periode voert ze in haar gezin met de twee puberdochters Ilse en Dorothee twistgesprekken die veel lijken op die uit haar eigen jeugd – waardoor het bijna lijkt alsof de schrijver hiermee de benauwde jeugd van Ellen relativeert. Zo noemt ze de krant die bij het vriendje van Dorothee thuis gelezen wordt een ‘kutkrant’, ziet ze de verkering helemaal niet zitten en krijgt ze van haar dochters het verwijt dat er vooral volgens de regels van de ouders geleefd moet worden. En ondertussen is ze zelf achter de schermen ‘van God los’: haar freelancevrijheid biedt haar alle ruimte er minnaars op na te houden en ze zoekt zelfs weer contact met jeugdliefde Julian. Deze fase, bespiegelingen en keuzes zijn verrassend en minder invoelbaar.
Of Ellen antwoorden krijgt is de vraag. Wie of wat zij is, blijkt niet eenduidig. In haar afscheidsbrief aan Julian schreef ze toentertijd dat het ‘[…] niet mogelijk [was] je familie te overwinnen en achter je te laten.’ Wellicht gelden deze bijna profetische woorden ook voor de schrijver, die een eigen geschiedenis als inspiratiebron heeft gebruikt. Albert van der Weide heeft naast de omslag van het boek voorafgaand aan elk hoofdstuk vier prachtige tekeningen gemaakt waarin pijn, groei, gebroken geloof en een gebroken mens worden verbeeld.
De ‘grensreportages’ van journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) zijn weliswaar zo’n honderd jaar geleden geschreven door de nog maar net beginnende ‘Roter Joseph’ – zoals hij later bekend werd – maar hebben door de oorlog van Rusland tegen Oekraïne bijzondere actualiteitswaarde gekregen. Ze spelen zich deels af rond het toenmalig oorlogsfront tussen Rusland en Polen, langs de grenzen die aan het eind van WO I niet zo nauwkeurig waren vastgesteld en een bron van conflicten bleken te zijn.
Roth kwam na zijn vlucht voor de nazi’s in 1933 regelmatig naar Nederland. Zijn eerste bezoek was in 1933 om onder anderen kennis te maken met uitgever Allert de Lange, die een aantal boeken van Roth als Exil-literatuur zou uitgeven. Zijn eerste roman Hotel Savoy verscheen honderd jaar geleden in Berlijn, de eerste vertaling in het Nederlands was zijn roman Job in 1931, daarna volgden er nog vele. De laatste jaren werd zijn werk vertaald door Els Snick, die ook de drijvende kracht is achter het Nederlands Joseph Roth Genootschap.
Journalistieke reportages
De journalistieke reportages zijn weliswaar minder bekend dan zijn romans, maar omvatten zeker de helft van zijn verzameld werk. Deze bundel ‘grensreportages’ heeft een Vlaams tintje: naast de vertalingen door Els Snick (en anderen), is de inleiding verzorgd door auteur Erik Vlaminck en de illustraties zijn van Koen Broecke, allemaal Vlamingen. De verhalen zijn van 1919 tot en met 1924 gepubliceerd in de Oostenrijkse krant Der neue Tag, de Neue Berliner Zeitung en de Frankfurter Zeitung. De reportages in de Frankfurter Zeitung zijn bijzonder actueel omdat ze zich in Lemberg – het huidige Lviv – en omgeving afspelen. Roth zelf is in 1894 geboren in het Oekraïense stadje Brody, dat honderd kilometer ten oosten van Lviv ligt, indertijd op de grens van de Habsburgse dubbelmonarchie met Rusland. Nu in West-Oekraïne.
De eerste reportages in de bundel schreef Roth tijdens een van zijn eerste journalistieke opdrachten in 1919. Een reis naar Heanzenland, het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije dat na de Eerste Wereldoorlog aan Oostenrijk werd toegewezen. Het zijn meteen al de persoonlijke reportages waarmee Roth beroemd zou worden. In de eerste persoon en met milde spot in zijn waarnemingen. Een anekdote, die zijn stijl laat zien. Roth probeert een hotelkamer te krijgen met een inschrijfformulier van een ander: “Er kwam een kamermeisje, ze las het inschrijfformulier en keek me aan. Toen zei ze met spontane hartelijkheid in haar stem: ‘Ik geef u kamer 52. Maar alleen omdat u uit Matterdorf komt.’ Waarop ik zweeg en met het kamermeisje naar kamer 52 ging. Toen ik mijn spullen had neergelegd en de kamersleutel in mijn zak had gestoken, trok ik mijn revolver en zei heel vriendelijk: ‘Juffrouw, ik kom helemaal niet uit Mattersdorf. Het inschrijformulier is van een andere man.’ ‘ Nou,’ zei ze, ‘dan had ik u de kamer niet gegeven’. ‘U zult er geen spijt van krijgen, antwoordde ik, stak de revolver in mijn zak en gaf haar een briefje van tien kronen.’ Of het zo echt is gebeurd? Hij maakt er verder geen woorden aan vuil.
Reportages Pools- Russische oorlog
In 1920 verhuist hij van Wenen naar Berlijn en maakt in de zomer reportages voor de Neue Berliner Zeitung tijdens de Pools-Russische oorlog. In de bundel is dit de tweede serie die het grootste deel van het boek beslaat. Net als het andere deel wordt deze ingeleid met een korte historische toelichting en een getekend kaartje van de omgeving waar alles zich afspeelt. Geillustreerd met sfeervolle water- en olieverf afbeeldingen van schilder en historicus Koen Broucke, die militairen, oorlogshandelingen en bijna abstracte landschappen laten zien in heldere en sombere kleuren.
Roth trekt rond met openbaar vervoer, liftend en lopend, en hij beweegt zich aan beide kanten van de grens. Hij schrijft ooggetuigeverslagen die doen denken aan sommige van de recente berichten uit Oekraïene. Nu geen spot, ook geen milde, maar eerder mededogen. Hij praat met Poolse en Russische soldaten en Kozakken. ‘Ik kon vaststellen dat Poolse troepen die zich op de terugtocht bevonden, volslagen dronken waren. Het viel me op dat de Russen soms geen mensen gevangen nemen en kleine groepjes laten lopen. Op straat zie je nu overall afgedankte voertuigen en uiteengevallen colonnes, die een troosteloze indruk maken. Vreemd genoeg zijn er bijna geen gewonden te zien. De vlucht lijkt dus zonder al te zware strijd te zijn verlopen.’
Er waren indertijd ook buitenlandse soldaten aan het front. Uit verhalen van grensbewoners tekent Roth op dat er Franse artillerieeenheden en Franse officieren in grote aantallen met het Poolse leger meevechten. En aan de andere kant is het ‘niet te bevatten hoeveel jonge mensen zich vrijwillig melden bij het Rode Leger.’ Niet alleen gevluchte, gedeserteerde Polen, maar ook Duitse arbeiders. Deze serie sluit af met een kort verhaal over Oleksa Solonenko, een Oekraïnse boer die in Berlijn overleed op de terugweg van Brazilië naar Oekraïne. Waarom Oleksa vertrok vertelt Roth niet, maar toen hij hoorde dat er een revolutie was in zijn land kreeg hij heimwee naar ‘Katharina, het varken en de jongens’ en wilde na tweeëntwintig jaar terug naar zijn vaderland. Roth schrijft een kort tragi-komisch portret dat zoals hij zegt een aanvulling is op het politieverslag.
Verhalen over geboortegrond
De laatste serie is een Reis door Galicië uit 1924 in opdracht van de Frankfurter Zeitung. Deze verhalen spelen zich af in de streek waar Roth is geboren en opgegroeid. In 1982 voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door uitgeverij Allert de Lange. De drie verhalen over zijn geboortegrond zijn met liefde geschreven: ‘Over het vlakke land waait onophoudelijk een eeuwig onveranderlijke wind, die nauwelijks waarneembaar is. Heuvels, beloftes van de Karpaten, kleuren blauw in de verte. Raven cirkelen boven de bossen. Ze voelen zich hier altijd al thuis. Sinds de oorlog zijn ze talrijk geworden. Geen enkele fabriek, geen reclame, geen roet. Op de markt worden primitieve houten marionetten verkocht, zoals in Europa tweehonderd jaar geleden. Is Europa hier geëindigd?’
Het zijn deze verhalen die me in de jaren tachtig verleid hebben naar Roth’s geboorteplaats Brody te reizen, dat indertijd nog onder de knoet van de Sovjet Unie leefde. In het verhaal over Lemberg/Lviv schrijft Roth over de ‘polyglotte kleurenpracht’ van de stad. Hij studeerde hier nog maar een paar jaar eerder en zijn toon is nu al weemoedig. Na 1924 is er nog zoveel vreselijks in Lemberg gebeurd dat het Roth nog weemoediger zou stemmen naar de buurt rond het theater waar de mensen Jiddisch spreken. ‘Dat hebben ze hier altijd gesproken, en waarschijnlijk zullen ze nooit iets anders spreken.’ Het is dat Roth in 1939 al is overleden, anders zou hij de moord op die Joden hebben meegemaakt.
Het laatste verhaal van de bundel is het indrukwekkendste. Roth schrijft hier over de rouwstoet voor een Poolse invalide die zichzelf na een toespraak voor zijn kameraden ‘een kogel door de kop schoot.’ De stoet bestond uit duizenden verminkten. ‘Ja, de mensen bleven staan en keken en verroerden zich niet.’ Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op. Eric Vlaminck noemt het boek in zijn inleiding ‘een zegen’, omdat zowel Roth als Broucke ook voor ‘mededogen, troost en hoop zorgen.’ Tussen de legers is een prachtige bundel met literair-journalistieke verhalen van de beroemde romancier die de vroege aanloop naar de crisisjaren en WO II laten zien.
In 1937 tekende Salvador Dali L’arc hystériqye, de Hysterische boog. Een gedetailleerde pentekening van een vrouw in een ongemakkelijk positie, steunend op handen en voeten met haar buik hoog in de lucht. Ze is strak ingebakerd in doeken, die haar nauw omsluiten. Bij Dali en andere surrealisten was hysterie een terugkerend thema. Voor hen was het een verheven middel van expressie. Dat deze voorliefde van de culturele elite in de jaren dertig geen gemeengoed was, blijkt duidelijk uit Het luik van sneeuw, de eerste en enige roman van Emily Holmes Coleman (1899-1974, geboren in Californië). In deze roman beschrijft Coleman hoe Marthe Gail in het Gorestown State Hospital, een psychiatrische kliniek voor vrouwen, wordt behandeld aan de gevolgen van kraamkoorts. Een behandeling die door de ogen van tegenwoordig bezien, ontluisterend wreed is.
Coleman beschrijft op indringende wijze hoe bij Marthe alle houvast wordt weggenomen. Net als de andere patiënten wordt Marthe gestaag ontmenselijkt. Als ze in bad gaan worden de patiënten strak ingezwachteld in stroken stof, van elke bewegingsvrijheid beroofd. En als ze gaan slapen worden ze vastgebonden onder een strakgespannen canvaslaken, beroofd van elke identiteit. Voor Marthe is het alsof ze in een ‘spiraalkist’ in bad moet. Maar ze is er de vrouw niet naar zich te laten kisten en bevrijdt zich als het strakke windsel haar onder water te warm wordt. Als de verpleegster terugkomt vertelt ze dat ze zich bevrijd heeft. ‘Het is hemels zonder dat ding.’ De verpleegster snapt er niets van. Geen van de patiënten had zich ooit los weten te maken.
Onmondig zieke vrouw
Het is Marte te voeten uit. Van het begin af aan probeert ze zich te bevrijden. Ze kan niet accepteren dat ze behandeld wordt als onmondige zieke vrouw. Door de verpleegsters, de artsen, maar uiteindelijk ook door haar man. Alhoewel die zijn best doet om het haar wat aangenamer te maken. Bijvoorbeeld door haar potlood en papier te bezorgen, zodat ze haar ervaringen kan boekstaven. Coleman’s beschrijving van hoe Marte dat doet is kenmerkend voor haar schrijfstijl. Rijke zinnen, vol beeldend taalgebruik, die om elkaar heen dansen als de losgetrokken windsels in een warm bad. ‘De woorden ontvouwden zich en ontstonden op het papier. Ze gleden omhoog en zweefden en landden en stonden op een rij. Zij vormde ze, ze zei dingen met een potlood op een klein vel geel papier. Het was een brief aan haar vader en daar waren de woorden, woorden die ze uit het rode licht plukte en vastprikte onder haar potlood als wriemelende motten. De motten hadden gele staarten en probeerden wanhopig aan het potlood te ontkomen.’
Het luik van sneeuw is geen plezierig boek om te lezen. Daarvoor is de situatie waarin Marthe zich bevindt te triest, te onmenselijk. Maar het is wel een goed geschreven boek, dat in zijn grillig proza het denken van een psychotische vrouw perfect weergeeft. Coleman kon zich daar ook als geen ander in inleven. Zelf was zij gedurende twee maanden, kort na de geboorte van haar zoontje ook op vergelijkbare, choquerende wijze behandeld. Het luik van sneeuw is dan ook een autobiografische roman te noemen en het schrijven ervan was voor Coleman naar alle waarschijnlijkheid een therapeutische daad. En een aanklacht.
Niet menswaardige behandelingen
Alhoewel Marthe deels duidelijk psychotisch is (zo denkt ze dat ze God is), probeert ze zich voortdurend te onttrekken aan de behandelingen die volgens haar niet menswaardig zijn. ‘Dr. Brainerd’ zei Marthe ernstig, ‘dat ik toevallig een toxische uitputtingspsychose heb is dat de enige reden om me als een hond te behandelen?’ Het is een discussie met haar behandelaren (of haar man) die ze niet wint. Ze realiseert zich dat. ‘Vanavond zal er sneeuw op mijn glazige vingers liggen … en een luik van sneeuw op mijn graf’, zegt ze tegen haar man, terwijl ze met haar neus tegen de ruit gedrukt naar buiten kijkt.
Coleman zelf zou uiteindelijk het ziekenhuis verlaten en met haar man en zoon naar Parijs vertrekken. Ze zou er een succesvolle carrière als editor opbouwen, met een rijk sociaal leven, onder andere in de kringen van de anarchiste Emma Goldman en kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. Ze zou nog vele artikelen, gedichten en korte verhalen schrijven. Maar nooit meer een roman. Dat luik was blijkbaar echt dicht.
Een tocht rond de Middellandse Zee in een cruiseschip. Voor velen staat dat gelijk aan een gedwongen verblijf in een vervuilende gevangenis, maar voor gemakzuchtige consumenten schijnt het de hemel op zee te zijn. In Die Erweiterung, door Wil Boesten vertaald als De uitbreiding – de tweede Europa-roman van de Weense auteur Robert Menasse – vaart een Europees topgezelschap mee in het luxe deel van zo’n cruiseschip. Alle regeringsleiders van de Balkanstaten, de EU-ministers van buitenlandse zaken en andere vertegenwoordigers, plus hun ambtenaren. Dit op uitnodiging van de regering van Albanië, die de onderhandelingen wil beginnen over toetreding tot de EU en het gezelschap gunstig wil stemmen voor een aan de uitbreiding gewijde conferentie drie weken later in Poznań. Menasse baseert zich in De uitbreiding op een historische gebeurtenis, en wel het veto van Macron (en Rutte) in 2019 op de toetreding van Albanië. De spanning zal niet bedorven worden door te vertellen hoe de cruise afloopt.
Zo er een Dichter des Vaderlands is, zou Menasse Schrijver van Europa kunnen zijn. Al decennia geldt hij als een warm pleitbezorger van een verenigd Europa. Verschillende essays en twee dikke romans heeft hij daaraan gewijd. En zojuist verscheen het essay, Die Welt von morgen. Menasses Europa-project begon meer dan dertig jaar geleden, in 1992. Toen publiceerde hij de lange beschouwing over de Oostenrijkse identiteit, Das Land ohne Eigenschaften. Over het verleden van zijn land, de onprettige erfenis van het austrofascisme en de enthousiaste ‘Anschluss’ bij het Derde Rijk, plus de incompetenties van hedendaagse Oostenrijkse politici. Dat het land beter kon opgaan in een post-nationaal Europa was daarin vrijwel de automatische conclusie.
De titel verwees uiteraard naar Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (1930-1933), vertaald door Ingeborg Lesener als De manzondereigenschappen, (1988-1991). Aan deze voor Oostenrijkers iconische roman ontleende Menasse ook het thema voor Die Hauptstad (2017, door Paul Beers vertaald als De hoofdstad (2018).Bij Musil moet aan de vooravond van de Grote Oorlog het jubileum van de Oostenrijkse en Duitse keizers worden gevierd. Menasses ‘Big Jubilee Project’ moet dat van de Europese Commissie voorbereiden.
Tweede Wereldoorlog nooit ver weg
De hoofdstad werd bevolkt door verschillende EU-ambtenaren. Via het jubileum-project jagen zij hun ambities, dan wel hun ondergeschikten die de plannen moeten ontwikkelen en de boven hen gestelden die kunnen dwarsliggen, na. Het belangrijkste personage is de sympathieke Nederlandstalige Brusselaar die Auschwitz overleefde. Deze oude Joodse man, die telkens opduikt tussen de ambtelijke machinaties, overlijdt bij een islamistische aanslag. Hij was de beoogde overlevende die het EU-jubileum in Auschwitz moest symboliseren. Volgens een Oostenrijkse professor zou het voormalige kamp zelfs de hoofdstad van de EU moeten worden. Opmerkelijk is dat de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is bij Menasse. Ook in De uitbreiding komen veel verschillende personages voor – net als Balzac, waar Menasse in vaak naar verwijst – maar hij weet zijn verhaal wederom overzichtelijk te houden. Ten eerste omdat hij veel ruimte aan hun voorgeschiedenis besteedt, ten tweede omdat hij zijn scheppingen met elkaar verbindt via collegiale-, familiale- of liefdesrelaties.
Ging De hoofdstad over Brussel, in De uitbreiding zoekt Menasse de periferie op. Polen en Albanië. De Poolse EU-ambtenaar Adam Prawdower was in de katholieke strijd tegen de communistische dictatuur de bloedbroeder van de huidige premier van zijn land, de conservatieve PiS-nationalist Mateusz. Adam is geschokt dat een andere bloedbroeder zich uit protest tegen het PiS-beleid in brand heeft gestoken. Wanneer hij Mateusz opzoekt in Warschau reageert deze cynisch en – Adam is Joods – antisemitisch. De premier heeft hun eed verraden en de consequentie daarvan is dat zijn bloedbroeder hem zou moeten doden. Overigens is het katholieke Polen tegen de toetreding van Albanië omdat het een islamitisch land is.
Verbeelding aan de macht
Een belangrijk personage is de premier van Albanië, voormalig kunstschilder en sportheld die een dichter heeft benoemd tot cultuurhoofd. De verbeelding aan de macht bij Menasse. De dichter bedenkt na het veto van Macron en c.s. een zeer creatieve vlucht naar voren. Wanneer Albanië geen toegang krijgt tot de EU, streeft het naar een Groot-Albanië zoals dat zeshonderd jaar geleden bestond onder de vorst Skanderbeg. Het gegeven dat Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht, kan in hun voordeel zijn. Ismail Fati, hoofd voorlichting heeft moeite met het feit dat de premier de helm van Skanderbeg daarbij op zijn eigen hoofd moet zetten. Hij heeft ook individuele problemen. Zijn ouders behoorden tot de ‘inner circle’ van dictator Enver Hoxha, waardoor hij een soort prinsje was en daardoor onder het nieuwe bewind enigszins verdacht. Daarenboven lijkt zijn verliefdheid voor een journaliste niet enthousiast te worden beantwoord.
Net als bij De hoofdstad heeft De uitbreiding een thriller-laag. De helm van Skanderbeg met geitenkop bevindt zich in de Weense Hofburg en wordt gestolen. Omdat het hoofd van de premier groter is dan dat van zijn ‘voorganger’, laat hij in Tirana een passende kopie maken. Ook die wordt gestolen, wat leidt tot allerlei komische verwikkelingen. Al heeft de Albanese maffia weinig om te lachen. Een EU-collega van Adam Prawdower is de Oostenrijker Karl Auer, belast met de portefeuille Albanië. De Wener commissaris Franz Starek die de gestolen helm moet opsporen, blijkt zijn neef.
Dan zijn er de moeizame liefdesrelaties van Ismail Fati en de journaliste Ylbere Lenz, en die van Karl Auer en de Albanese ambtenaar Baja Muniq Kongoli. De laatste relatie kent het gebruikelijke, aanvankelijke ongemak van mensen uit verschillende culturen. Een gering Bouquet-reeks gehalte dus.
Sluier als hommage Moeder Theresa
De beschrijvingen van het dagelijks leven in Albanië zijn bijzonder boeiend. De inwoners blijken bijvoorbeeld geen bewonderaars te zijn van de VS, maar juist van de Bondsrepubliek. De voornaam Baja Muniq betekent bijvoorbeeld Bayern München. Grappig is de scene waarin Baja haar Oostenrijkse minnaar Karl Auer, Iraanse moslims laat zien die na het vrijdaggebed op een terras aan de overkant van de moskee een biertje drinken. De enige vrouwen met een hoofddoek die Karl tegenkomt zijn christelijk, als hommage aan de ultraconservatieve Moeder Theresa die oorspronkelijk uit Albanië kwam.
Indrukwekkend is de Albanese ‘kanun’. ‘O ja, bloedwraak’, zegt Karl, maar het blijkt een erecode die ook gasten onder alle omstandigheden beschermt. Hierdoor lieten islamitische Albanezen tijdens de Duitse bezetting (gevluchte) Joden massaal onderduiken, (jammer dat Mona Keizer geen boeken leest). Zoals de Joodse grootvader van Yberle die als jongeman bij een boer was ondergedoken. De bezetters klopten aan de deur, maar zijn gastheer had de ‘Besa’ (belofte van eer, een Albanees cultureel gebod) gezworen en gaf de bezetter zijn zoon die later in een kamp overlijdt. Yberle viert nog elk jaar met haar familie de sterfdag van de boerenzoon. Zij wil meer weten over de toedracht en gaat vergezeld van Ismail naar het dorpje aan de grens waar ooit de gastvrije boer met zijn familie woonde. Onderweg horen ze gruwelijke verhalen over Servische ‘ordetroepen’ die daar aan het eind van de vorige eeuw op zoek naar gevluchte Kosovaren, het vee doodden en vrouwen verkracht hebben. In het dorp waren veel vluchtelingen uit Kosovo die samen met de dorpelingen door Servische mijnen invalide werden.
Hoe alles mislukt
Menasse laat impliciet de eed van de bloedbroeders uit het katholieke Poolse verzet echoën met de ‘Besa’ die de overgrootvader heeft gezworen over zijn gastvrijheid. Bij overtreding daarvan zou hij bloedwraak over zijn familie kunnen afroepen. Het einde van De uitbreiding is even somber als dat van De hoofdstad.Ylbere heeft niets naders over haar voorouders gevonden. Adam Prawdower wilde zijn bloedbroeder op het schip in de internationale schijnwerpers aanklagen. Lukt niet. Commissaris Franz Starek wist zeker dat hij daar het geheim van de gestolen helm zou ontraadselen. Neen. De Albanese premier en zijn helm? Mislukt. Over de belangrijkste oorzaak van die mislukkingen kan weinig gezegd worden, dat zou een spoiler betekenen. Tip: bewaar het kaartje met de vaarroute voor het allerlaatst.
Op 6 juni kiezen de EU-landen een nieuw parlement en velen houden hun hart vast voor de uitslag. Meer radicaal rechts en nationalisme, precies waarvoor Menasse al jaren waarschuwt. Daarom lijken zijn boeken onder een zeer ongunstig gesternte te verschijnen. Zeker als het om de uitbreiding van de EU gaat. Dat Albanese cruiseschip, weliswaar ‘state of the art’ als het om duurzaamheid gaat, illustreert ook het onvermogen van landen die tot de EU willen toetreden en om zich in te leven in de publieke opinie. Cruiseschepen gelden voor steeds meer Europeanen als uiterst vervuilend en eerder als last voor de plaatsen die ze bezoeken – Amsterdam, Venetië, Barcelona, Mallorca – dan een lust. Albanië zelf pakt de toeristenindustrie ouderwets aan. De kust volstampen met betonnen kolossen en goedkope eettentjes, met als belangrijkste attracties de duizenden kleine bunkers die de paranoïde dictator Enver Hoxha ooit liet bouwen.
De wereld van morgen
Albanië neemt sinds kort vluchtelingen op uit het Italië dat de onafhankelijke omroepjournalistiek wurgt. De politieke verhoudingen van het land lijken niet erg stabiel en de persvrijheid laat te wensen over. Albanië zou bovendien een ‘Erdoğannetje’ kunnen doen: wetten en maatregelen invoeren, zogenaamd om aan de EU-eisen te voldoen, maar die de facto de oppositie uitschakelen. In Georgië kiest de regering uiteindelijk voor een pro-Russische koers. Het door Poetin geteisterde Oekraïne wordt er niet democratischer onder. Illiberale regeringen zijn de baas in Hongarije en Slowakije. Polen leek bevrijdt te zijn van PiS, maar die partij werd opnieuw de grootste bij recente gemeenteraadsverkiezingen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in Slovenië.
In de Baltische landen en Kroatië dreigt al jaren radicaal-rechts met rechts te gaan regeren. In Zweden, waar de rechtspopulisten zelfs de grootste regeringspartij vormen, is dat al de praktijk, net als recent in Finland. En nu is Nederland aan de beurt. Als het grootste gevaar beschouwt Menasse in zijn recente essay Die Welt von morgen dan ook niet de groei van radicaal-rechts, maar de keuzes van rechts om uit opportunistische, machtspolitieke motieven met radicaal-rechts samen te werken. Zoals tegenwoordig Ursula von der Leyen met Marine Le Pen. Maar nog steeds wil Menasse dat de mensen in het Europa van de regio’s een ‘demos’ gaan vormen. Een gemeenschappelijke democratie en rechtsstaat, op basis van mensenrechten, gelijke randvoorwaarden en kansen voor allen die in Europa wonen en hun geluk proberen te vinden. We blijven met hem mee hopen.
De dichter Jan Jacob Slauerhoff stierf in 1936, maar zijn werk en persoon blijven onverminderd populair. In de afgelopen jaren verschenen nieuwe edities van zowel zijn Verzameld Proza als zijn Verzamelde Gedichten, en onlangs verscheen bij Nijgh & Van Ditmar Logboek Slauerhoff, Dagboeken & Reisverslagen, samengesteld door Hein Aalders en Menno Voskuil in een zeer fraaie uitgave. De populariteit van Slauerhoff ligt natuurlijk naast de kwaliteit van zijn werk in de thematiek van de eeuwige reiziger, de scheepsarts die de wereldzeeën bevoer en verre continenten aandeed zonder ooit rust te vinden. Uit alle documenten blijkt de rusteloze geest van Slauerhoff.
Rusteloze reiziger
Als hij op zee was verlangde hij vaak naar de wal, maar zodra hij aan wal was wilde hij weer weg de zee op. Het is opvallend hoe vaak hij een nieuwe plaats teleurstellend vindt. Bijna altijd wil hij weer verder. ‘Nergens voel ik mij zo levend als op zee’, zo zegt hij in 1922 in een brief aan schrijver en dichter Roel Houwink. Het leven als scheepsarts bleek echter ook niet zijn ultieme droom, maar verschillende pogingen het op het vasteland te proberen mislukten eveneens. Toen hij eindelijk had besloten dat hij een beschikbare baan als assistent bij een kliniek in Rotterdam toch wel wilde, was de positie al vergeven. Een poging zich te vestigen als huisarts in Marokko liep uiteindelijk op een teleurstelling uit. Gelukkig bood het schrijven hem altijd weer troost, het was zijn eeuwige uitvlucht. Niet voor niets luidt zijn misschien wel beroemdste zin ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’. En ondanks de vriendschappen, liefdes en collega’s bleef Slauerhoff ook een einzelgänger. ‘Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’, zo schreef hij al op jonge leeftijd in zijn dagboek. Toch was dit ook een vloek want op zee ervoer hij vaak een ‘verpletterende eenzaamheid’, aldus de samenstellers.
Kritisch proza
Naast dagboekfragmenten en reisverslagen bevat dit logboek passages uit brieven en verspreide documenten, zoals een lezing voor de Volksuniversiteit. De dagboekpassages gaan soms mank aan een staccatostijl, maar zelfs dan blijft het voor de Slauerhoff fan boeiend. De reispassages die hij voor verschillende tijdschriften schreef vormen het hoogtepunt van dit Logboek. Vaak nuchter en feitelijk, maar ze laten soms ook bloemrijk taalgebruik zien. Slauerhoff spaart de benepen Hollandse – of in bredere zin de Westerse – burgerman niet, en opvallend is ook hoezeer hij oog heeft voor – en kritiek uit op – het opkomend toerisme, dat natuurlijk nog in de verste verte niet lijkt op het massatoerisme van onze tijd. ‘Is het weer ironie van het noodlot dat ik, die altijd naar het barbaarse hunkerde en de stilte en het zwijgen en de vrijheid, steeds moet leven in een schijnbeschaving, iedere avond mij kleed, allerlei gepraat zonder zin moet aanhoren en flauwe scherts, niet kan zwijgen naar mijn zin en in plaats van over steppen te zwerven, in oerwouden om te tasten, op een schip leef dat 150 meter lang is, en in smalle gangen tussen luxehutten loop en op wandeldekken voor gelede dekstoelen met luie verwende cultuurmensen en parvenuen.’
Ook de lokale bevolking spaart hij niet, al is hij daarbij vaak wel wat milder. Hierdoor, en door de mix van nuchtere feiten en bloemrijke taal doet hij soms denken aan een vroege versie van V.S. Naipaul, al gaat zijn antropologische kijk niet zo diep als bij Naipaul. ‘Het is een eeuwig misverstand dat de zeeman vreemde landen kent. Hij komt er wel, maar hij ziet ze niet, tenzij ’s nachts wanneer alle katjes grauw en alle danshuizen verlicht zijn.’
Liever fictie dan feit
De reisverslagen zijn stilistisch hoogstaand en inhoudelijk altijd boeiend. Hoogtepunt is zijn reisverslag van Hong Kong en Macau. Natuurlijk is er in zijn beschrijving van de voormalige Portugese kolonie aandacht voor de voor hem zo belangrijke grote Portugese dichter van het epos De Lusiaden, Luís de Camões, die hij de hoofdrol zou geven in zijn beroemdste roman Het Verboden Rijk. ‘Als een oude gravure zo scherp afgetekend ligt Macau tegen het zwaar azuur van de middaglucht.’ Onthullend is hoe Slauerhoff blijk geeft de verbeelding te verkiezen boven de – teleurstellende – realiteit. ‘En toch, het ware bekoorlijker geweest hier niemand te leren kennen. ’t Is waar, ik zag even in het familieleven der oude Macause geslachten. Maar de stad was meer zijn eigen legende gebleven, zou meer geheimen achter zijn muren bewaard hebben die ik later in verbeelding had kunnen ontdekken.’ – De waarheid is heel wat minder exotisch dan hij had gedacht en doet hem zelfs aan de benepen Hollandse sfeer van Hildebrand denken. Mooi zijn ook de uitgebreide ‘Indrukken van een reis naar de Golf van Guinee’ – inclusief een uiterst negatief verslag van de tussenstop in Bordeaux, ‘Zomerhel. Nergens schaduw. Schroeiend gras./ ’t Water is niet meer vloeibaar, gloeiend glas.’ En ‘Wat de naam Bordeaux in het meervoud betekent, dàt zijn de brave burgers die allen in het enkelvoud leven, vergeten. Vandaar dat de stad ondanks dat meervoud van Bordel zo burgerlijk en solide aandoet.’
Poëzie
Het Logboek bevat ook veel gedichten, soms alleen een aanzet (waartussen ook de nodige rijmelarij), soms een half voltooid gedicht, maar ook klassiekers als zijn beroemde gedicht over het geïsoleerde eiland Fernando de Noronha, zo’n 1.000 km voor de Braziliaanse kust.
Soms vertoont de stijl van Slauerhoff de invloed van de Tachtigers, zoals in zijn beschrijving van de Borobudur op Java, ‘Hoe geheimzinnig duisteren de Boeddha’s in de stupa’s op het plateau dat de zeven gaanderijen dekt.’ Verder is de taal niet geheel vrij van wat wij nu wellicht als racistisch zouden zien, al blijft dat beperkt. Zo op het oog is dat nergens aangepast en dat siert de samenstellers. Opvallend is de communistische bevlogenheid van Slauerhoff, al stamt dit uit de jaren twintig, toen van de wreedheid onder Stalin nog nauwelijks iets bekend was. “En toch moet vóor alles stelling genomen worden tegen bezit. […] Alle bezitters in Indië en Oost-Azië zijn van een stompzinnige arrogantie die doet wensen dat de Russische sikkel eenmaal door deze rotte aren varen zal, dat de Russische hamer eenmaal deze merendeels kale schedels zal verbrijzelen.”
Malaria
Het Logboek sluit af met een zeereis westwaarts, met in het eerste hoofdstuk een weinig positief verslag van Barbados, ‘naargeestig en stoffig’. Maar nadat hij onder andere ook een deel aan Curaçao heeft gewijd, eindigt het met Costa Rica, ‘een vredig welvarend land’. Dat positieve beeld komt niet in de laatste plaats omdat hij in het kleine Centraal-Amerikaanse land zijn nieuwe liefde Caridad Rodriguez ontmoet. Slauerhoff zit na deze reis nog vol nieuwe plannen, maar de werkelijkheid haalt hem in. Een nieuwe reis naar Costa Rica, of zich als arts aansluiten bij de internationale brigade van de republikeinen in de Spaanse Burgeroorlog, daar moet hij uiteindelijk van afzien. De malaria die hij heeft opgelopen op zijn laatste reis naar Zuid- en Oost-Afrika noopt hem op weg terug naar huis in Genua doodziek van boord te gaan. De verdere reis gaat over land. Terug in Nederland eindigt hij uiteindelijk in Villa Carla in Hilversum, waar hij op 5 oktober overlijdt. Gelukkig is er een enorm arsenaal aan egodocumenten van Slauerhoff, en dit Logboek, een waar genot voor de vele Slauerhoff fans.
Maria gaat haar hele leven met grote regelmaat naar de kapel in de de Kapelstraat, waar ze ook woont, om een kaarsje te branden bij het beeld van haar naamgenote. In de loop van de tijd maakt ze het zichzelf op twee manieren gemakkelijk: ze leert zichzelf fietsen in een tijd dat het voor vrouwen zeer ongebruikelijk is om dat te doen en ze schaft kaarsen aan die een langere brandduur hebben. Deze innovaties zijn klein bier vergeleken bij de veranderingen die plaatsvinden in het fictieve Vlaamse dorp aan het riviertje de Nete, waar Iemand moest het doen, de tweede roman van Sanne Huysmans, zich afspeelt. De huizen worden aangesloten op elektriciteit, water en gas. Er worden nieuwe huizen gebouwd, het verkeer neemt toe, er woedt een oorlog en uiteindelijk wordt Maria gevraagd of ze haar huis van een aansluitpunt voor internet wil laten voorzien. Daar moet ze niets van hebben, er liggen volgens haar al genoeg kabels.
Sanne Huysmans (1988) is al net zo veelzijdig als haar roman. Ze studeerde politieke wetenschappen en filosofie, is bestuurder van een intiem filosofiehuis, medeoprichter van een platenlabel, gediplomeerd bakker en boswachter. Haar debuut Rafelen werd bekroond met de publieksprijs van de Confituur Boekhandels. Ook haar tweede roman Iemand moest het doen valt op door de bijzondere en liefdevolle manier waarop verteld wordt over een doodgewoon straatje in een klein dorpje. Dat alles in een prachtige stijl geschreven.
Als een zieke struisvogel
Het boek is als een Grieks drama opgebouwd uit vijf delen waarin de stemmen van de bewoners van de Kapelstraat te horen zijn. Maria is een personage dat regelmatig terugkomt en bij naam genoemd wordt. Dat geldt ook voor Pol, een zachtaardige gepensioneerde vuilnisman, die op zijn oude dag heel verlegen op zoek gaat naar wat gezelschap. Hij is dol op planten en vindt dat er niets op de wereld zo levenslustig is als een plant. ‘Ze wilden altijd iets van de dag maken. Zonder gezeur of gezaag, recht omhoog als het even kon. Als het echt moest, stierven ze staande.’ De andere personages hebben vaak geen naam. Ze worden opgevoerd aan de hand van hun huisnummer, waardoor je soms even moet terugbladeren om te weten met wie je te doen hebt.
Niet dat dat erg is, de zinnen in dit boek zijn vaak de moeite van het herlezen waard. Zelfs iets heel alledaags als een langdurig opengebroken straat wordt fraai en beeldend beschreven: ‘De straat lag open. Hij kon haar darmen zien, waarin het vieze water en de stront passeerden. De geul begon aan nummer 28 en liep tot voorbij zijn oprit. De kraan die het buizenwerk op de juiste plaats moest leggen, stond al zeven dagen stil op het rechterbaanvak. Als een zieke struisvogel met de bek op de grond. ‘
Af en toe is er zelfs ook een boom aan het woord, een oude notelaar. Hij houdt van kinderen en geniet ervan wanneer ze schommelen aan zijn dwarse tak. Als oudste boom in de omgeving maakt hij zich echter ook zorgen over zijn toekomst. Hij is ‘gemaakt om vijf eeuwen te blijven staan’, maar: ‘Mensen rekenen niet in eeuwen. Dat ging blijkbaar niet. Ze rekenden in dagen en maanden, een enkele keer in jaren. Maar nog meer waren ze bezig met nu, nu, nu.’ Die waarneming is een schot in de roos. De mensen leven inderdaad in het nu en ze passen zich min of meer geruisloos aan aan de veranderingen die in hun levens plaatsvinden, zoals het krijgen van kinderen of het feit dat jonge mannen hun militaire dienstplicht moeten gaan vervullen, ook al waren ‘de bottines […] zwaarder geworden, door de schrik die aankoekte.’
Liefde voor de natuur
Uit het boek spreekt een enorme liefde voor de natuur in al haar verscheidenheid. De manier waarop verteld wordt dat Pol zijn eigen groente zaait, doet je verlangen naar een moestuin. De variëteit aan vogelsoorten die voorbijkomt en gebruikt wordt in beeldspraak, zorgt ervoor dat je onbekende soorten direct wilt opzoeken. Boswachter Sanne Huysmans is duidelijk aanwezig in de roman. Als lezer ben je geneigd om de bewoners van de Kapelstraat te vertrouwen in hun waarnemingen. Je begrijpt waarom Maria geen internet wil en waarom Pol zijn huis en tuin laat overwoekeren met planten. De bewoners doen geen van allen bijzondere of wereld veranderende dingen en hebben geen van allen een opmerkelijk talent, maar ze worden in hun eenvoud allemaal bijna liefdevol en in ieder geval zonder enig dedain geportretteerd.
De kracht van Iemand moest het doen is onder meer dat het boek gaat over heel alledaagse dingen die gebeuren in een doodgewoon dorpsstraatje in een Vlaams dorpje, waar onder de oppervlakte soms ook het een en ander smeult. Het boek is doorspekt met Vlaamse woorden, met zinnen die je wilt herlezen omdat ze zo mooi zijn. En door haar originele beeldspraak is het boek een feest om te lezen. Zelfs al zijn het plot en de personages duidelijk ondergeschikt aan de tijd die net als de rivier de Nete niet te stoppen is.
Het grote wielrenboek is ingedeeld als een grote meerdaagse koers zoals de Giro of de Tour de France. Die bestaat doorgaans uit 21 etappes. Zo komt het boek aan 21 hoofdstukken met een proloog en twee rustdagen. De thema’s van elk hoofdstuk houden voor zover mogelijk een verband met die etappes.
[…]
De luchtigheid wordt bevorderd door de vele gesprekjes met renners die in het boek staan. Dat zijn er ruim twintig, met mecaniciens, sportverslaggevers, trainers, begeleiders en vooral fietsers zelf als Van Baarle, Ten Dam, Mollema, Jakobsen, Vollerin enzovoort. Ze hebben allemaal wel een anekdote te vertellen. Het grote wielrenboek is niet zozeer geschikt om van kaft tot kaft te lezen. Het is leuker om kriskras onderwerpen op te zoeken voor wie wil weten wat er bij een grote wielerkoers allemaal komt kijken.
[…]
De jeugdige lezers van pakweg 6 tot 12 kunnen met het boek het hele jaar meeleven, want achterin staat de complete kalender van alle meerdaagse wielerkoersen van januari tot oktober.
De frisse vormgeving en illustraties werden verzorgd door Jelle F. Post.
De essaybundel Hij/hem eindigt met een onjuistheid. ‘Herinneringen veranderen niet, maar mensen gelukkig wel,’ staat er. Als er iets echter veranderlijk is, dan is het de herinnering wel. Deze is allerminst stabiel en verandert keer op keer wanneer we iets proberen terug te roepen in de geest. Wat schrijver Klaus La Roi vooral wil zeggen is dat mensen kunnen veranderen, ten positieve. Dat kan inderdaad. Mensen kunnen komen tot grotere acceptatie van hetgeen men eerst negatief beoordeelde, daarmee hun intolerantie voor een deel achter zich latend. Tegelijkertijd gaat het boek, met persoonlijke stukken over auteurs van alle letters van het alfabet, ook over iets wat, zo is de (ook wetenschappelijke onderbouwde) communis opinio, niet te veranderen is: iemands geaardheid.
In dit ‘abc van regenboogboeken’ verdiepen zestien schrijvers zich in korte essays in de kwestie wat een bepaald boek met een expliciete of impliciete homo-thematiek voor hen persoonlijk betekent of heeft betekend en ook wat de functie van het besproken boek voor homo’s in het algemeen is. Zo komen tal van thema’s langs: van de achterhaalde homo-conversie therapie tot de gruwel van aids in de jaren tachtig en van homoseks tot mannenvriendschap.
Spijker op de kop
Doeke Sijens slaat de spijker op de kop in zijn stuk over Gore Vidals The city and the pillar: ‘Vidal had met zijn boek willen laten zien hoe normaal homoseksualiteit was, maar ook dat dé homoseksueel niet bestaat- het woord was volgens hem een beschrijving van een seksuele handeling, niet van een zelfstandig naamwoord voor een vaststaand type.’ Omwille van deze waarschijnlijk juiste constatering wringt het samenbrengen van deze stukken in de bundel een beetje; het is in zekere zin een allegaartje van auteurs die een bepaalde toevalligheid delen: hun geaardheid. Het is de vraag in hoeverre deze geaardheid hen zou verbinden, of dat deze groep zo divers is dat er van een overkoepelende term nauwelijks sprake kan zijn. Alle kleuren van de regenboog komen voorbij. De mens, ongeacht geslacht, geaardheid of etniciteit is om zijn diversiteit interessant en de leesherinneringen van de auteurs tonen dat binnen hun toevallige groep mensen net zo’n diversiteit bestaat als binnen de mensheid als geheel. Het is de vraag of het zinvol is om mensen tot een bepaalde essentie terug te brengen.
Voor alle beschouwende auteurs in deze bundeling geldt echter dat hun geaardheid een belangrijk onderdeel van hun identiteit uitmaakt. Looi van Kessel maakt duidelijk waarom literatuur voor homo’s bij het vormen van deze identiteit een belangrijke functie vervult: ‘Omdat de meesten van hen in een heteroseksuele gezinssituatie geboren worden, krijgen LHBT’ers niet vanzelfsprekend de geschiedenis en culturele referenties van hun eigen seksuele subcultuur van huis uit mee. Ze zijn aangewezen op generaties die voor hen kwamen om te vertellen over de strijd die zij hebben moeten leveren voor gelijke rechten en om te leren over de kunst en cultuur waarmee vele homoseksuelen, lesbiennes en transpersonen hun eigen taal ontwikkelden.’
Geschreven taal en zelfontdekking
Voor hun vorming zijn boeken van belang geweest, die ze in tijden voor het internet, raadpleegden in de bibliotheek of kochten in de boekhandel. Het is de functie binnen de ontwikkeling van een ‘zelf’ die literatuur kan hebben, die duidelijk uit de verf komt in deze bundeling. In de meestal goed geschreven essays laten de auteurs zien dat neergeschreven taal een rol kan spelen bij zelfontdekking.
Hierbij doen de essayisten zich niet beter of slechter voor dan heteroseksuele mensen. Zo citeert Coen Peppelenbos instemmend een passage uit een gesprek tussen mannen uit de oudheid dat wordt weergegeven door Xenophon: ‘Ik zou zeggen: geef mooie jongens hoge militaire functies-ik zou zelf voor Kleinías [blijkbaar een mooie jongen] – door het vuur gaan, en jullie ook, ontken het maar niet.’ Peppelenbos voegt eraan toe: ‘Je verlangt echt terug naar de tijd waarin de Griekse beginselen werden uitgevonden, als je deze passages leest.’ Nou nee. Mensen beoordelen en belonen op basis van uiterlijke eigenschappen is iets dat van alle tijden is, van alle geaardheden ook, maar dat heeft weinig met ethiek te maken. Er gaat geen voorbeeldfunctie vanuit. De auteurs tonen stuk voor stuk aan waarom literatuur in algemene zin belangrijk kan zijn voor iemands ontwikkeling en zelfontdekking en de beste stukken weten de homoseksuele ervaring goed invoelbaar te maken voor heterogene lezers.