• Eén kus, twee kussen, drie kussen

    ‘Alle goede literatuur is geestig,’ stelde schrijver Arie Storm toen hij in 2001 voor Nymph werd geïnterviewd. Onlangs verscheen Storms vierde roman, Afgunst. Was zijn debuut Hémans duik (1994) al een opvallend sterke, humoristische roman, de opvolgers Hemellicht (1997) en De ongeborene (2001) las ik met steeds meer plezier. Ook Afgunst is weer een onmiskenbare Storm: de hoofdpersoon is een weinig succesvol schrijver die het onderscheid tussen de werkelijkheid en zijn verbeelding niet meer zo helder ziet, het schrijverschapsthema en de verwijzingen naar literaire collega’s zijn wederom aanwezig, en: het is allemaal bijzonder geestig.
    De ikfiguur blikt terug op een periode van zijn leven waarin hij zich staande probeert te houden als schrijvende tandartsassistent, terwijl hij zijn vriendin verdenkt van overspel met een gezamenlijke kennis. Hoewel hij aanvankelijk nonchalant omgaat met deze vermoedens en hij veinst te werken aan ‘een autobiografische historische roman’, wordt hij langzaam meegesleurd in de al dan niet in zijn fantasie bestaande affaires van zijn vriendin. De aanwijzingen zijn er dan ook naar: ‘We namen afscheid van elkaar. Ik gaf de persoon in kwestie een hand, hij gaf mijn vriendin een kus. Eén kus, twee kussen, drie kussen en toen stonden ze opeens te tongzoenen. De persoon in kwestie stond te tongzoenen met mijn vriendin en ik stond erbij. Ik keek een beetje de andere kant op totdat ze klaar waren met afscheid nemen. Het duurde een minuut of tien.’ Dat de ikfiguur over een pistool en een vaak op hol slaand associatievermogen beschikt, maakt zijn leven er bepaald niet gemakkelijker op.
    Wat Afgunst in mijn ogen nog beter maakt dan Storms eerdere boeken, is de sterkere beheersing over een afgeronde plot. De lezer deelt de twijfels en onzekerheden van de schrijvende tandartsassistent, al is deze een onbetrouwbare verteller van het zuiverste water. Veroorloofde Storm zich in De ongeborene nogal eens uitstapjes van het eigenlijke verhaal – een beschouwing over Anna Enquists schrijfstijl, het citeren van flapteksten van sciencefictionfilms, et cetera -, in Afgunst maken zulke uitstapjes werkelijk deel uit van het verhaal. We vinden in Storms nieuwe roman eveneens het van De ongeborene bekende ‘web van zaken die op het eerste gezicht nauwelijks met elkaar te maken lijken te hebben’, maar hier valt werkelijk alles met alles samen. Een brand in de Haagse Schilderswijk in 1997 waarbij enkele Turkse gezinsleden omkwamen; de Hollywood-filmster James Stewart die de ikfiguur preoccupeert tijdens een vruchteloze poging tot masturberen; het weinig opwekkende werk bij de holistische tandartspraktijk The Smile Factory en allerhande vermoedens en gevolgen van overspel: Storm smeedt er een naadloos geheel van dat het eigenlijke thema nergens in de weg staat – wat doet een man die zijn vriendin van overspel verdenkt, terwijl de ‘persoon in kwestie’ een bekende is?
    Het is treurig dat Storms eerste boeken alleen nog antiquarisch verkrijgbaar zijn en dat de doorgaans lovende kritieken nog niet samengaan met duizelingwekkende verkoopcijfers. Kortom: het wordt allang tijd dat Arie Storm doorbreekt bij een groter publiek. Dat het een afgunstige zomer moge worden.

     

  • De laatste dagen

    Een aantal jaren geleden zag ik op televisie een documentaire over godsdienstwaanzin binnen de Oud-gereformeerde gemeenten. De makers gaven tekst en uitleg bij beelden van het Overijsselse landschap ten noorden van Zwolle. Ik herinner mij een klein dorpje, dat in de landerijen lag, omgeven door bomen, aan de voet van een donkere en dreigende kerktoren. Bij dit beeld was de dreunende stem te horen van een predikant. Hel en verdoemenis preekte hij; het leven was een ellendig smalle weg waarover zijn gemeenteleden als verdoemde insecten kropen, over de verstikkende aarde naar de verlossende eeuwigheid. In de loop der tijden zijn de zogenaamde ‘zwarte kousen gemeenten’ uitgegroeid tot boegbeelden der behoudendheid. De waanzin slaat menigmaal toe. Te ver doorgevoerde regels die, veelal door mensen, zijn gebaseerd op de meest onheilspellende teksten uit de bijbel.

    Onlangs verscheen De laatste dagen van Arjan Visser. In deze debuutroman komt het thema godsdienstwaanzin onontkoombaar naar voren. Visser is onder andere bekend als journalist. Hij interviewde bekende persoonlijkheden aan de hand van de tien geboden. Religie is iets wat hem eindeloos interesseert en inspireert. En nu laat hij zien wat hij er zelf over te schrijven heeft.

    De roman bestaat uit drie delen. In het vooraf lezen we een psychiatrisch rapport, dat de roman inleidt. Daarna begint deel één met het verhaal over een huisarts, dokter Boon, die alles doet wat God verboden heeft. In het eerste hoofdstuk, dat opent met de veelzeggende zin ‘Dokter Boon maakt zelden mensen beter’, beschrijft Visser hoe de arts met zijn patiënten omgaat en zichzelf na een lange werkdag trakteert op een flinke dosis verslavende middelen. Zijn omgang met patiënten gaat verder dan zakelijk: vrouwen, mannen en kinderen worden het slachtoffer voor zijn ongeremde seksuele drang. Ondanks, of misschien dankzij dit gegeven bezoeken zijn patiënten graag zijn praktijk.

    Na kennismaking met de dokter wordt het licht al snel op zijn echtgenote gericht. Een statiegevoelige vrouw die, zoals het eerst lijkt, onderdanig is aan haar echtbrekende man maar later een fikse streek uithaalt door met de onechte zoon van haar man te corresponderen. Een eigen bloedverwant is haar nooit gegeven.

    In het tweede deel lezen we over een jongeman die solliciteert naar een vacature als boerenknecht. Hij komt terecht in het gezin Kapteyn. Een strenggelovige boer met zijn vrouw en twee kinderen: een zoon en een dochter. De zoon en de knecht zijn als water en vuur, de dochter is voorzien van een schoonheid die de knecht vervult van liefde.

    De boer, de hoofdpersonage in dit tweede deel van de roman, ziet zijn gezondheid langzamerhand aftakelen en denkt na over het lot van zijn boerenbedrijf. Hij moet het redden, voordat zijn onmenselijk harde zoon er een zooitje van maakt. Het lot van de boer verandert echter wanneer hij een zwervende predikant tegenkomt. Deze man, met de betekenisvolle naam Peregrino, kondigt zich aan door over het water – in de vaste vorm van ijs – naar hem toe te wandelen. De boer wordt getroffen door zijn persoonlijkheid, al snel ziet hij hem als een verlosser. Door gesprekken met en preken van de predikant treedt de waanzin echter in. Het loopt uit in een ware catastrofe waarin de waanzin zijn hoogtepunt bereikt.

    Het derde deel sluit de roman af. De laatste loodjes worden gelegd, om het zo te zeggen. We zien daar nog eenmaal dokter Boon en zijn vrouw terug. De arts wacht op zijn zoon, maar sterft op het station ‘aan de gevolgen van zoveel aandoeningen dat de lijkschouwer het in zijn rapportage hield op een eenvoudige ‘hartstilstand’.’ De roman sluit met de volgende woorden: ‘Levi Hingst zorgde ervoor dat het uitgemergelde lichaam (…) naar W. werd gebracht, waar het onder grote belangstelling van voorheen ontevreden, maar desondanks verdrietige patiënten op een prachtige dag in november ter aarde werd besteld.’

    Tijdens het lezen van Vissers debuut zag ik telkens het beeld voor me van het dorp uit de documentaire. Het dorp en haar toren; de burcht van geloof, vanaf een afstand bekeken. Deze afstand wordt ook gecreëerd in De laatste dagen. Ten eerste kenmerkt het zich door een verfijnd beschouwende en kritisch ironische stijl. Ten tweede maakt de schrijver weinig gebruik van dialogen. In wezen kijk je tegen een aantal haast stilzwijgende personages aan. De afstand voel je des te meer omdat je geen vat kan krijgen op de waanzin. Het is enerzijds bezwaarlijk dat je niet zozeer meegesleept wordt in het verhaal, maar meer als alwetende het gebeuren beziet. Anderzijds geeft de afstand ruimte tot bezinning, een kritische vorm van visie scheppen op het besproken thema.

    De kracht van deze roman is de originaliteit. Zowel in thematiek als in stijl. Menig literatuur van moderne schrijvers wordt door zowel critici als lezers te licht bevonden. Visser maakt hier een niet geringe uitzondering en debuteert met een overtuigende roman waarin hij het thema ‘godsdienstwaanzin’ objectief kritisch en zonder enige rancune of afkeer beschrijft. De laatste dagen geeft een uitstekend beeld van de gevaren maar ook van de bescherming die godsdienst met zich mee kan brengen.

     

  • Strikt – Minke Douwesz

    Gisteravond kreeg ik het koud van al dat water. Alsof ik opeens zag hoe het eigenlijk is. Een verzameling moleculen, blind, stom, willoos, die domweg voorbijtrekt. Al die druppeltjes, koud, helder, afgerond, bij elkaar vormen een stroom, die er doelgericht uitziet, gerustellend. Maar dat is alleen zo als je er vluchtig naar kijkt.

    Het debuut van Minke Douwesz, Strikt, verscheen bij Uitgeverij Van Oorschot. Een debuutroman van Van Oorschot is meestal de moeite van het proberen waard, al is het maar om het lef van de uitgever te belonen: een debuut van 837 pagina’s geef je niet zomaar uit, dan moet je toch wel in een schrijver geloven.

    De hoofdpersoon in Strikt heet Idske Wolters, zij volgt een opleiding tot psychotherapeute en woont met haar twee katten in een idyllisch dijkhuisje in het Grote Rivierengebied. De roman begint op de dag dat Idske op het Centraal Station van Amsterdam de chaotische, maar charismatische celliste Judith Verster ontmoet. Ze wordt verliefd, alleen vraagt ze zich af of het niet tegen beter weten in is. Judith heeft namelijk net besloten dat ze een man en kinderen wil en het liefst zo snel mogelijk. Toch ontspint zich een ingewikkelde en niet van erotiek gevrijwaarde relatie tussen de twee vrouwen, waarbij een complex spel van aantrekken en afstoten een steeds grotere wissel op Idskes geestesgesteldheid trekt.

    Een groot deel van het verhaal gaat over deze meerduidige relatie, een ander groot deel gaat over Idskes ervaringen in de wereld van de psychotherapie waarbij niet alleen uitgebreid verslag wordt gedaan van de sessies en noodtoestanden die ze met haar eigen cliënte meemaakt, maar ook van de verplichte psychotherapie die ze vanwege haar opleiding zelf dagelijks moet ondergaan.

    Als lezer word je door de nauwgezette verhaaltrant, die zo hyperrealistisch is dat je je moeilijk aan het idee kunt onttrekken dat hier een vrijwel autobiografisch relaas wordt gedaan, verplicht je in de huid van de hoofdpersoon te verplaatsen. Je moet iets met Idske hebben, anders zal het verhaal niet aan je besteed zijn. Het is een inderdaad strikt persoonlijk verhaal over een inderdaad strikt en nauwgezet iemand en beslaat inderdaad strikt een jaar. Ze is niet per se sympathiek en niet per se onsympathiek, al te menselijk eerder, soms zo menselijk dat je plaatsvervangend geneert. En wellicht is dat de grote verdienste van het boek: je laat je, ondanks de particuliere liefdes- en levensgeschiedenis die wordt verteld terdege meeslepen en leeft Idskes leven mee. Her en der is de compositie van de roman nog wat onevenwichtig, waardoor de spanningsboog af en toe wat verslapt, maar dan gebeurt er toch weer iets waardoor je verder wilt lezen. De vele dialogen houden de vaart er goed in, hoewel Douwesz’ stijl af en toe erg plechtstatig is.

    Dit debuut past goed in de traditie die Van Oorschot de laatste jaren voor zijn eigen fonds heeft geschapen: een gedetailleerd verslag van een dagelijks bestaan waarin genoeg ruimte overblijft voor de lezer om er iets in te herkennen. Of het strikte literatuur is weet ik niet, daarvoor mist het verhaal wellicht wat verbeeldingskracht; het is wel vakwerk en meeslepend in zijn soort.

    DdH

     

     

  • Suez: een roman

    Welkom in de wanhopige draaikolk van de liefde, die vreemde ziekte van herinneringen. Cornelis Zeylmaker zit op een boot. Een mailboot, welteverstaan, een postboot op weg naar Indië. Zeylmaker is op weg naar zijn broer en gevlucht uit Holland. Gevlucht voor zijn vrouw, zijn dode vrouw, zij die hij vermoord heeft. In Suez volgen we hem één dag. Een mens is zichzelf niet op zee. Afgesloten van een ontsnappingsweg is er noodzakelijke opsluiting met mensen waar je twee weken of meer mee omgaat en daarna nooit meer. Maar tegelijkertijd kunnen er in die twee weken veel dingen gebeuren als toeval je noodlot is. Zoals die vier maanden zwangere vrouw, op weg naar haar geliefde in Indië, die tijdens een stopplaats van de boot in Egypte uitgenodigd werd door een man. Zij ging mee- waarom wist ze niet- en na een treinreis en kameelrit kwamen ze aan bij de piramide van Cheops. Ze waren de enige twee en ineens vroeg de vrouw zich af: waarom ben ik hier? Een zandstorm stak op en voordat ze het wist was ze bijna geheel ingezand. De man moest kiezen tussen haar redden en ook sterven of zijn eigen hachje redden. De vrouw bleef achter in het zand.

    De hoofdpersoon uit Bas Heijnes roman is een dichter van het geluk. Eenmaal aan boord van het schip valt het oog van de dichter op Anna, het nichtje van een hoge dame. Maar ook merkt hij dat zij op haar beurt in de gaten gehouden wordt door Robert. Cornelis denkt Robert nog te herinneren van een concert:
    ‘Het achterhoofd is een veronachtzaamd deel van het menselijk lichaam. Wij zoeken alles in ogen, in de vorm van een mond, in haardracht, in handen. Hoor je ooit iets over een nek en wat daarboven zit? Niemand kijkt ooit naar een achterhoofd. Dat is dom. Het zegt veel over een mens, heel veel. Dat leer ik tijdens die laatste, wanhopige avond in het Concertgebouw. Mensen kijken alleen naar dat deel van hun lichaam in de spiegel van hun kapper. Op die plek zijn ze kwetsbaar. Op die plek tonen ze hun ware aard.’

    Als lezer zul je je aan dit soort details moeten vasthouden want in de rest van de roman loopt alles door elkaar heen. Heijne mengt de gedachtestromen van de drie personen vaakdwars door elkaar heen en je moet uit het zinsverband opmaken welke gedachtestroom overheerst. Of is het slechts de gedachtestroom van één persoon, die de andere twee observeert en er daarna op los fantaseert? Is dat wat we lezen? Ach, de waarheid is een verzonnen verhaal.
    In dat nauwe kanaal, dat technische wonder waar Oost en West elkaar ontmoeten, is het nacht geworden. We hebben de herinneringen en gedachten van Cornelis Zeylmaker één dag gevolgd. Hij staat op uit zijn leunstoel. Zijn bekentenis aan ons, de lezers, is afgerond. Of hij van zijn vreemde ziekte genezen is blijft de vraag.

    Bas Heijne is tegenwoordig vooral bekend als essayist en columnist. Suez is zijn tweede roman, eerder schreef hij de laatste woorden. Zijn columns zijn gebundeld in De Wijde Wereld en Het verloren Land. Onlangs ging het theaterstuk Van Gogh in premiere, Heijne’s debuut als toneelschrijver.

    Mike Naafs

  • Brieven aan Doornroosje

    Eén kus maakte hem op slag beroemd en zorgde ervoor dat men eeuwen later nog steeds van zijn heldendaad verhaalt. Maar hoe bracht hij het jaar vooráfgaand aan zijn treffen met Doornroosje door?

    Daarvan doet de prins zelf minutieus verslag in Toon Tellegens Brieven aan Doornroosje. Op 1 januari, precies een jaar voor het ontwaken van de prinses, gaat hij op weg naar haar kasteel, en vanaf de eerste dag van zijn reis schrijft hij haar dagelijks een brief. Het zijn brieven vol vragen, onzekerheid en twijfel. De prins is zich ter dege bewust van de rol die hem door het sprookje voorgeschreven is, maar toch maakt hij al vanaf zijn eerste brief duidelijk sterk te twijfelen aan het heil van zijn onderneming:

    Doornroosje,

    Je kent me niet.
    Ik ben een prins – de prins – die jou wakker zal kussen.
    Ik kom naar je toe.
    Je slaapt negenennegentig jaar. Je moet, volgens het sprookje waarin je slaapt, nog één jaar slapen. (Maar je sprookje kan het heel goed mis hebben.)
    Ik weet niet waar je woont en ik weet helemaal niet waarom ik je wil wakker kussen. Als je wakker bent zal ik, volgens de wetten van sprookjes en legendes, met je moeten trouwen, en wil ik dat wel, wil jij dat wel?
    Ik vermoed dat ik je wakker móét kussen. Mijn wil staat daarbuiten. (Ik weet trouwens van niets zo weinig als van mijn wil.)
    Je slaapt, dus je kunt deze brief niet lezen.
    Ik schrijf alsof je hem wel kunt lezen.

    In zijn eenvoudige en open stijl vertelt de prins aan zijn prinses over elke gedachte die hem invalt, elke droom die hem dwarszit, iedere hobbel op de weg naar haar bed. Het zijn geen fantastische avonturen die hij onderweg beleeft; de draken die hij bevecht bevinden zich voornamelijk in zijn hoofd, en nemen de vorm aan van ongastvrije lakeien, kurkdroge lippen of een bejaarde prinses. In 365 brieven schildert de prins het openhartige zelfportret van een tobber, maar een tobber met een rijke verbeelding en een goed gevoel voor de absurditeiten van het sprookjesleven. Deze eigenschappen voorkomen dat de brieven gaan vervelen, al is het waarschijnlijk geen goed idee om ze allemaal achter elkaar te lezen. De prins schreef zijn Brieven aan Doornroosje beetje bij beetje, en het resultaat laat zich ook het prettigst beetje bij beetje lezen. Wie vanaf vandaag één brief per dag leest, heeft over een jaar de bladzijde bereikt waarop de prins eindelijk zelf eens post krijgt.

    Toon Tellegen
    Brieven aan Doornroosje
    Querido, 2002, € 22,50, 371 pagina’s.

    tm

  • Zoekend naar eenheid

    ‘Minuut na minuut, uur na uur, dag in dag uit was ik de juiste persoon op de juiste plaatsen de tijd vloog en ook ik kreeg vleugels en minuut na minuut, uur na uur, dag na dag voelde de leugen, mijn zwendel, aan als een gevleugelde waarheid. Niet geschapen voor het moederschap was ik, niet voor het dochterschap, niet voor het eegaschap, ik was geschapen voor het lijfartsschap.’

    Het sterke aan de roman De lijfarts van Maria Stahlie is dat het zich ergens onttrekt aan de typisch Nederlandse verwachtingen ten aanzien van de roman: een hecht gecomponeerde tekst die voortdurend naar zichzelf verwijst en grote verhalen en bewegingen schuwt, omdat er gezocht wordt naar eenheid. Muriel Wijnings, de hoofdpersoon, wordt niet van stond af aan in een situatie geplaatst die vervolgens goed literair uit te werken valt: geen hydrograaf die in een impasse in zijn leven op een bootje zit, geen vioolbouwer die de nieuwe eeuw weigert te omarmen en in zijn huisje ingesloten wordt door een groots hotel; om de ‘nieuwe wereld’ te symboliseren. Muriel Wijnings is in die zin geen literair personage en dat is zo’n enorme opluchting dat je uiteindelijk liever haar koestert in je herinnering, en je afvraagt hoe het haar gaat, dan dat je de mooi afgesloten levens van voornoemde Nederlandse romanhelden nog eens de revue laat passeren.

    Muriel vlucht zich een weg door de roman heen: na de dood van haar ouders, waaraan ze schuld denkt te hebben, naar de VS, alwaar ze een man ontmoet en een zoon krijgt waarvan ze in paniek weer naar Nederland vlucht, van haar familie en vrienden vlucht ze vervolgens in het beroep van lijfarts, waarvoor ze de papieren niet heeft, om ook daar steeds te willen vluchten. Maar waarheen dan nog? Voor vrijwel alle personages die in dit verhaal een rol spelen geldt dat ze vlees en bloed hebben, dat niets geconstrueerds ze nog door het papieren vel heen steekt.

    En dan de zinnen. Eigenlijk is dit boek te dik om ook nog op de zinnen te kunnen letten, maar ze staan er: zinnen die hoekig door je hoofd blijven rollen: “De grootste opdracht die een mens heeft is ontvankelijk te raken door de drang van het lot om genereus te zijn”, en meer van dit soort aforismen.
    Muriel wordt min of meer heen en weer gesjord tussen de wijsheden van anderen, tegelwijsheden soms. Door het boek heen ondergaat zij mede daardoor toch een zekere katharsis, zonder dat deze nu zo goed symbolisch weer te geven valt. Het is meer dat je na het lezen van dit boek, niet de ‘literaire hoofdfiguur’ mooi uit ziet komen in het ‘literaire verhaal’, maar dat je ziet dat de mens Muriel, misschien zelfs zonder het zelf helemaal te doorzien, een klassieke levensgang gegaan is. Zodat de lezer na de laatste bladzijde het boek gelouterd dichtslaat.

    Lees ook het interview in de NRC van Elsbeth Etty met Stahlie, als je wilt weten hoe het navolgende citaat is ingebed: ‘Er bestaat een vrijwel algemeen geaccepteerd negatief wereldbeeld waarin de mens onvolkomen is en het leven zinloos. Ik vind dat een te gemakzuchtige visie van mensen die te snel zijn opgehouden met nadenken, nadat ze eenmaal de zogeheten ontnuchterende waarheid onder ogen hebben gezien.’