• Veel gespeeld maar weinig gevoeld

    Voordrachtskunst, dat riekt naar fijnzinnig gezegde muffe verzen, of oude mensen luisterend naar een balkende en loeiende orator op het gammele podium van het dorpshuis dat is ingericht voor culturele evenementen. Rederijkerij. Begin vorige eeuw werd voordrachtskunst ook al met een scheef oog bekeken. Wat was dit voor eigenaardig bastaardgenre en was het eigenlijk wel kunst? En als je het dan al deed: was het dan de bedoeling dat je wel of niet gesticuleerde, waren kostuum, grime en decor nu wel of niet gewenst?

    Albert Vogel wordt geboren in een familie waarvan de mannen generatie na generatie in het leger loopbaan maken. Ook de jonge Albert begint in het leger, maar zeer vroeg ontluikt in hem de wens te spreken in het openbaar. Alhoewel hij later wel enkele malen toneel zal spelen, lijkt dit nooit zijn grote ambitie te zijn geweest.
    Door onvermoeibare en gedisciplineerde studie maakt hij zich het ambacht eigen. Hij verdiept zich in Jelgerhuis’ Theoretische lessen over de gesticulatie en mimiek (1830), en leert Sophocles’ Oedipus uit het hoofd. Alhoewel er flink gesnoeid werd in de tekst, bleef er nog genoeg over om 2 uur onafgebroken aan het woord te zijn. Vogel zelf noemde zich dramatisch romanticus (maar dan de zuivere romantiek, zonder pathos), maar gezien zijn methodes, gebaseerd op klassieke tractaten, moet hij eerder classicistisch genoemd worden.

    Vanaf 1899, hij is dan vijfentwintig, geeft Vogel voordrachten bij de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De kritiek die hij daarop krijgt zal zich de rest van zijn leven herhalen. Afgezien van de loftuitingen voor de stem van Vogel, vindt men dat er wel emotie wordt gespeeld (met grootse gebaren grijpen naar hoofd, keel of borst zoals Sarah Bernhardt), maar weinig gevoeld. Verder heeft Vogel de neiging zich teveel te laten gaan, met name in sterfscènes. Waarschijnlijk bootst Vogel zijn grote voorbeeld Louis Bouwmeester teveel na. Ook is er, zoals gezegd, kritiek op het genre: een hele tragedie verbeelden is dan wel virtuoos, maar nog geen kunst. Ook de vrouwenstemmen klinken wat eigenaardig uit de mond van de man met de Caesar-kaak. Tenslotte: aangezien er geen tegenspelers zijn, moet Vogel soms ook toneelaanwijzingen uitspreken. Zo moet hij, nèt nadat hij Oedipus wanhoopsscène heeft vertolkt, ineens met de stem van de inleider zeggen ‘Oedipus ijlt zijn paleis binnen.’

    In de ruim 34 jaar dat Vogel op de planken staat, treedt hij overal ter wereld op. Van Nederland gaat het naar Indië en Japan (in 1911 verschijnt zijn boek over Japans toneel, waar hij zeer van onder de indruk was), hij toert in Duitsland, neemt lessen bij Max Reinhardt en de Weense professor Alexander Strakosch, komt meerdere malen aan het hof van Koningin Elisavetha van Roemenië, en zit zelfs aan tafel bij de Amerikaanse president Wilson. Afgezien van zijn kwaliteiten ligt dit ook aan Vogels uitgekiende PR: hij vervaardigde zelf brochures met pakkende citaten uit recensies, en vroeg her en der om aanbevelingsbrieven. Zijn imposante verschijning en doortastende optreden doen de rest.

    Als Vogel in 1906 voor de kunst kiest, gesteund door zijn moeder, springt hij gelijk in het diepe. Hij gaat acteren, naast Théo Mann-Bouwmeester in, hoe kan het anders, Oedipus. Het is typerend voor Vogels bravoure dat hij niet met een klein rolletje begint, maar gelijk de hoofdrol aanneemt. Het werd matig ontvangen, en afgezien van drie voorstellingen met zijn eigen gezelschap Het Klassieke Toneel (1920-1922), zou hij niet meer acteren.

    Het voordrachtsrepertoire van Vogel evolueerde wel, maar veel favorieten bleven lang op het programma staan. Naast Oedipus droeg Vogel Coriolanus voor, Loki van Emants dat net als De Maecenas (Johan de Meester) en Seideravond (Carry van Bruggen) voor hem geschreven werd, maar ook Poe’s The Raven en later in zijn leven Vondels Lucifer. Hij heeft nog geprobeerd dit voor de Paus te spelen, maar dit is voor zover bekend niet gelukt.
    Als de eerste wereldoorlog uitbreekt moet hij weer onder de wapenen. In deze tijd scheidt hij van zijn eerste vrouw, Anna de Lorm, nadat hij Ellen Buwalda tegen het lijf is gelopen. Vader Buwalda verbiedt zijn dochter onder haar naam op het podium te staan, dus kiest zij de artiestennaam Ellen Vareno (i.e. ‘vogel’ in het Roemeens, wat vreemd genoeg niet door Westenholz gemeld wordt).

    Langzamerhand wordt voor Vogel onderwijs in de voordrachtskunst belangrijker. Hij richt de Maatschappij tot bevordering van de woordkunst (1926) op, en schrijft zijn magnum opus Rhetorica. Aan het eind van zijn leven is hij nog een aantal jaren voorzitter van de Haagsche Kunstkring, totdat conflicten met jongere, progressievere leden hem nopen afstand te nemen. In het boek staat een foto van een feestavond in de Kunstkring afgebeeld: de dan 56-jarige Vogel in travestie en zwaar opgemaakt, heft het glas. Twee jaar later overlijdt hij aan een hartaanval.
    Drie jaar na de dood van Albert Vogel wordt een mozaïekfonteintje, ontworpen door Antoon Molkenboer, onthuld als gedenkteken. ‘Het is,’ verzucht de Westenholz, ‘hevig aan restauratie toe’ deze ‘enige tastbare herinnering in Den Haag aan het levenswerk van een uitzonderlijk kunstenaar.’
    Vogel was zeker een uitzonderlijk man. Hij blaast hoog van de toren, treedt graag op voor hooggeplaatste personen, leeft zich soms iets teveel uit in sterfscènes, en lijkt weinig aan eigen kunnen en doel te twijfelen. Door deze persoonlijkheid geeft hij ook menigmaal aanleiding tot karikaturen. Hij verzamelde deze echter zelf, dus het ontbrak het hem niet aan zelfspot. Na het lezen van de biografie vraag ik mij echter af of hij kunstenaar of een bijzonder getalenteerd retoricus genoemd moet worden, wat mij iets anders lijkt.

    Het boek is, alhoewel wat stijf, goed geschreven en geeft een helder overzicht van Vogels loopbaan en het toneellandschap in de eerste decennia van de vorige eeuw. Zijn persoonlijk leven komt er wel bekaaid vanaf, en het had allemaal wel wat sappiger gemogen. (Hoe zit het nu eigenlijk precies met Koningin Elisabeth uit Roemenië? Vogel draagt zijn eerste boek aan haar op, zijn tweede vrouw krijgt een Roemeense bijnaam, en het huis waar Vogel aan het eind van zijn leven in woont heet “Elisavetha”.) Uit een van de voetnoten blijkt dat de schrijfster al als zesjarig kind bij de familie Vogel-Buwalda over de vloer kwam. Misschien verklaart dit het gebrek aan distantie en ruimte om wat vrijmoediger te spreken.
    Maandag 13 november jongstleden werd het boek ten doop gehouden, en het eerste exemplaar werd overhandigd aan actrice Ellen Vogel, dochter van de voordrachtskunstenaar. Dat doet je beseffen hoe kort geleden dit allemaal gespeeld heeft, en dat het nu al allemaal verzonken is.

  • Een web van verhalen rondom de dood

    Kristien Hemmerechts spint in Donderdagmiddag. Halfvier een web van personages en verhalen rondom een gebeurtenis: de dood van Karen Vyncke, een meisje van twaalf jaar. Ze sterft op een nogal onzinnige manier: overreden door een geparkeerd bestelbusje omdat een van haar vriendjes het van de handrem afhaalde. Rondom haar dood lees je verhalen van een aantal volwassenen die op de een of andere manier met (de dood van) Karen te maken hebben. Ze wonen allemaal in het Vlaamse dorp dat net als de personages ook zijn verhaal krijgt in het boek. Vooral het portret van Damien, de typeleraar wiens busje Karen fataal wordt, is prachtig: een getormenteerd man die op domme vrouwen valt. Ook het vriendje van Karen, Hassan, mag zijn verhaal doen, maar dat doet hij door verhalen te vertellen, verzonnen door Hemmerechts, in een prachtig sprookjesachtige duizend-en-een-nacht-stijl. Een van die sprookjes gaat over een man die zijn gestorven vrouw in leven probeert te houden door haar verhalen te vertellen. Hij geeft het pas op als hij een nieuwe vrouw gevonden heeft en zijn vorige geliefde inmiddels aan het wegrotten is.

    Hemmerechts probeert in Donderdagmiddag. Halfvier ook Karen zo lang mogelijk in leven te houden, door verhalen rondom haar dood te vertellen, maar uiteindelijk is Karen ook gedoemd ‘echt’ te sterven, als het boek uit is. Zoals altijd in de boeken van Hemmerechts is de sfeer raak getroffen. Dat komt doordat Hemmerechts precies de juiste beelden kiest maar ook door haar heldere stijl, die zo’n prettig ritme heeft, dat je het boek snel uitleest.

  • Bidden wij voor Owen Meany

    Het verhaal wordt verteld door John de beste vriend van Owen Meany. Beiden groeien zij op in Gravesend. Owen is klein en heeft een bizarre, hoge stem. Zijn ouders zijn vreemde mensen. De moeder van Owen komt nooit buiten, zijn vader, een stugge man, bezit een steengroeve. Owen heeft een uitgesproken hekel aan katholieken want: “Zij hebben zijn ouders iets heel ergs aangedaan.” John woont samen met zijn moeder en grootmoeder in een oud, mooi huis. De moeder is een knappe, vriendelijke vrouw. Wie de vader van John is, is onbekend. John verwacht dat zijn moeder het zal vertellen als hij daar oud genoeg voor is. Helaas gebeurt dit niet want tijdens een honkbalwedstrijd slaat Owen voor het eerst de bal raak en doodt met zijn slag de moeder van John. Gehonkbalt wordt er daarna niet meer door beiden maar ze oefenen wel vaak “de worp”. Later zal “de worp” heel belangrijk worden in het boek.

    Tijdens een uitvoering van A Christmas Caroll, die overigens zeer komisch beschreven wordt, krijgt Owen een visioen van een grafsteen met daarop zijn eigen naam en sterfdag. Dit zal de leidraad in zijn leven worden. Later jaagt Owen zijn ouders de zaal uit. Verderop in het boek kom je er achter waarom hij dit deed, een zeer trieste verklaring waardoor ook duidelijk wordt waarom Owen zo’n hekel aan katholieken heeft. Gek? Owen is zeer intelligent, hij helpt John veel zodat hij ook naar de universiteit kan. Voor John gaat hij ook studeren in Gravesend terwijl hij, als hij zou willen, op de beste Universiteiten toegelaten zou kunnen worden. John blijkt dyslectisch en Owen leert hem manieren om toch te kunnen lezen. In feite helpt Owen John met alles. Hij helpt met zoeken naar de vader van John, zorgt ervoor dat hij niet naar Vietnam hoeft op een wel heel bijzondere manier. Zorgt ervoor dat John na gaat denken wat hij verder met zijn leven moet gaan doen en beslissingen gaat nemen, wat John vaak zeer slecht afgaat. Omdat Owen het visioen zeer serieus neemt bepaalt dat ook zijn leven. Hij droomt steeds opnieuw over zijn eigen dood. Hij weet hoe die zal zijn: in Vietnam met veel kinderen om zich heen. Mede door deze droom gaat hij het leger in. Hij weet zeker dat hij naar Vietnam zal gaan maar gezien zijn lengte krijgt hij keer op keer geen goedkeuring. Tegen de tijd dat hij volgens hem nog enkele dagen te leven heeft wijst ook niets erop dat hij naar Vietnam zal gaan. Owen begint aan zichzelf te twijfelen, is hij gek? Heeft hij teveel belang gehecht aan zijn visioen en aan zijn droom?

    Mijn indruk: Het boek is ontroerend en vaak ook erg komisch. Heel bijzonder is dat alles wat Owen zegt in hoofdletters wordt geschreven om zijn aparte stem te benadrukken. Als je er in bezig bent wil je steeds weten hoe het verder gaat. Het enige minpuntje vind ik het gedeelte waarin John en Owen van elkaar gescheiden zijn. Je bent benieuwd naar Owen, niet naar John. In dit gedeelte komt Owen weinig voor, wat het verhaal gelijk doodser maakt. Het is onzettend knap hoe dit boek in elkaar is gezet. Aan het eind valt alles als een legpuzzel in elkaar. Alles blijkt achteraf een functie te hebben. Toch blijven er genoeg vragen over…

  • Zelf God Worden

    Hans den Hartog Jager (1968) is journalist bij NRC Handelsblad. Hij schrijft voor de cultuursectie en publiceerde onder anderen over Menno ter Braak, Gerhard Richter, Lucian Freud en Vincent van Gogh. Zijn debuutroman Zelf God worden gaat over kunst, God en over de tijdloze leegte.Thomas Locher, een galeriehouder, vertrekt naar Aix-en-Provence. Daar heeft hij een mysterieuze afspraak met Lucas Thorvaldsen, een succesvolle kunstenaar die in zijn galerij exposeert. Lucas wou hem niet inlichten over de reden van de reis dus vertrekt Thomas met een hoofd vol vraagtekens naar het zuiden van Frankrijk.

    Aangezien hun gemeenschappelijke interesse kunst is, vermoedt Thomas dat kunst het uitgangspunt van de trip is. Wat kan de Aix-en-Provence bieden? Er zijn daar geen noemenswaardige galerijen of musea. Het enige dat die streek te bieden heeft is Cézanne. De Mont Sainte-Victoire is een berg die Cézanne vaak geschilderd heeft. Vooral de zuidkant van de berg heeft de beroemde schilder vaak op doek gezet. Als Thomas naar de noordzijde van Mont Sainte-Victoire kijkt, maakt Hans den Hartog Jager een duidelijke allusie op ‘ceci n’est pas une pipe’, een werk van Magritte. ‘Hier sta ik dan: geparkeerd in de marge van de kunstwereld, turend naar de achterkant van een Cézanne-schilderij’. Net zoals Magritte bedoelde dat het niet om een echte pijp ging, maar een afbeelding van een pijp, bedoelt Jager dat Thomas niet echt kijkt naar de achterkant van het schilderij, maar naar de achterkant van de berg die op een schilderij staat afgebeeld.

    God is een stokpaardje voor Hans den Hartog Jager. Doorheen het hele boek vind je namen van heiligen terug. Zo vergelijkt hij zijn assistente Laura met Maria Magdalena of moeder Gods. ‘De enigen die echt beroemd zijn, zijn diegenen die over de deelwerelden heen weten te reiken. Die ergens voor staan. Merken of grote sterren. Coca-Cola, Madonna, Hitler, Nike, McDonalds. Iedereen kent ze omdat ze ieders leven hebben geraakt. Je kunt niet om ze heen, net zoals je vijf eeuwen geleden niet om de kerk heen kon, omdat die het monopolie had op God – God, de beste marketingmanager uit de geschiedenis!’

    Kunstenaars horen niet in deze categorie, ook al kunnen ze zoveel werelden creëren als ze willen. De greep van kunstenaars is te klein, te weinig omvattend. Het werk van een kunstenaar kan niet concurreren met computers of sportschoenen.Niet alleen God is een centraal thema in Zelf God worden. Kunst neemt nog een belangrijkere positie in. Met ‘De Val van Icarus’ begon de kunstinteresse voor Thomas Locher. Dit schilderij krijgt verschillende interpretaties in het boek en de geheimen ervan worden stilaan ontrafeld. Toch is beeldende kunst niet voldoende voor de twee hoofdpersonages. Volgens Lucas is vooral ‘verdwijnen’ een kunst. Enkele kunstenaars gingen hem al voor in de verdwijnkunst.

    Bas Jan Ader heeft als kunstenaar zijn eigen verdwijning uitgevoerd met ‘In search of the miraculous’. Lucas wil een soort zwart gat creëren waarin kunstwerken verdwijnen, maar dat er ook af en toe terug uitspuwt. Het ultieme doel van Lucas is ‘Operatie Onzichtbaarheid’. Het boek is opgebouwd met een uitzonderlijk gevoel voor spanning en emoties. De gedachten van Thomas zijn tot in de detail beschreven zonder dat de lezer het als langdradig ervaart. Zonder twijfel is Zelf God worden één van de beste debuten van 2003. Hans den Hartog Jager beschikt over een grote kunstvakkennis die hij met zijn schrijftalent overbrengt op de leek.

     

  • SLAMmers

    Vrijdagavond 26 september ging de film SLAMmers in premiere. Een film van Wilko Bello, waarin de dichters Sven Ariaans, Eus, Erik Jan Harmens en Sieger M. Geertsma over een periode van vijf jaar worden gevolgd. Uit de film komt naar voren hoe Slammen in praktijk werkt en hoe vier verschillende karakters daar mee omgaan. De film draait tijdens de filmdagen in Utrecht.

    De mannen, allen dertigers, zijn te zien tijdens optredens, maar ook in het leven thuis. Er ontstaat een beeld van vier totaal verschillende personen die een liefde delen. De liefde om op het podium te staan, onder de aandacht van liefst duizenden mensen hun poezie voor te dragen. Zo zien we optredens in cafe’s in Amsterdam, Breda en Tilburg maar ook op Lowlands en Poetry International. We zijn getuige van de momenten van opgetogenheid bij winnen, maar ook van ontmoediging als het schrijven niet lukt. De film is zorgvuldig gemaakt met schitterende opnamen. En af en toe valt er ook te lachen. Vooral om Eus, die als Jan Wolkers door de beelden raast. Die ‘altijd met de winnaar meegaat’ als het om een pilsje pakken gaat. De tekst en de performance, waar het uiteindelijk om draait in een dergelijke film, zijn goed verstaanbaar en meeleefbaar. Een prima tribuut aan deze vier mannen die hun passie volgen. Mensen die inzicht willen krijgen in de praktijk van de SLAM moeten deze film zeker gaan zien. Wat mij betreft een aanrader. Ik heb er enorm van genoten.

  • Een geslaagde spagaat tussen tederheid en cynisme

    Met De Asielzoeker lijkt Grunberg voorzichtig een nieuwe weg in te zijn geslagen. Kampten de personages in Blauwe Maandagen, Figuranten en Fantoompijn met een adolescenten- problematiek en was het verhaal ondergeschikt gemaakt aan de anekdote, in De Asielzoeker verkent Grunberg het domein van het “volwassen lijden” en schrijft een heus verhaal. In De Asielzoeker wordt een ex- schrijver geconfronteerd met het overlijden van zijn partner en wegens een opnieuw gepubliceerd verhaal door de media verantwoordelijk gehouden voor een terroristische aanslag. De Asielzoeker is een roman over het subjectieve karakter van verantwoordelijkheid en lijden.

    Christian Beck woont samen met zijn partner “de Vogel” in Götingen. Zij werkt op de universiteit en doet onderzoek naar beesten. Zelf werkt hij als vertaler bij een klein vertaalbureau waar hij gebruiksaanwijzingen uit het Engels naar het Duits vertaalt. Christian Beck noemt zichzelf een  onschuldzoeker, een verzamelaar van onschuld die zich voedt met de onschuld van anderen. Een zwartkijker die zijn levensbron ziet slinken naargelang hij er zelf meer en meer uit drinkt.

    Als op een ochtend “de vogel” verklaart dat ze ziek is en Christian haar naar het ziekenhuis brengt, blijkt al snel dat zij kanker heeft en binnen afzienbare tijd zal komen te overlijden. Om haar laatste maanden een zinvolle invulling te geven, schuift Christian Beck zijn vertaalwerk aan de kant en probeert zo goed en kwaad als het gaat zijn partner in haar laatste levensfase te begeleiden.

    Toegegeven, de hierboven genoemde ingrediënten doen eerder denken aan een telefilm uitgezonden door de EO of NCRV, dan aan de slapstickliteratuur van Arnon Grunberg. In De Asielzoeker wordt dan ook niet de gebruikelijke, hartverscheurende aftakeling van een mensenleven beschreven, maar een surreële lijdensweg vol vreemde haken en ogen. Zo heeft de terminale kankerpatiënte twee opvallende laatste wensen. Op de eerste plaats wil “De Vogel” op de valreep nog met een jonge, goeduitziende asielzoeker trouwen en op de tweede plaats zou ze dolgraag geitenkaas willen leren maken.

    In deze absurde gegevens herkennen we het universum van Grunberg die, al is het ditmaal minder, de anekdote laat prevaleren boven de verhaallijn. Christian Beck wil zijn partner in alles ter wille zijn en staat toe dat zij met een asielzoeker trouwt en neemt ’s nachts zelf plaats onder de kapstok en haalt iedere dag Thai. Met de komst van de asielzoeker (Grunberg geeft hem geen naam) transformeert het stel in een van elkaar afhankelijke drie-eenheid. Met z’n drieën reizen ze af naar een boerderij in Frankrijk om zich te bekwamen in het vervaardigen van geitenkaas. Deze opofferingsgezindheid van Christan Beck naar zijn vrouw toe kent geen grenzen. De motivatie hierachter kan misschien gevonden worden in het verleden van hun relatie die alles behalve harmonieus verliep.

    Voor het eerst in de verhalen van Grunberg lijkt er dan ook sprake te zijn van een dwingende psychologische ontwikkeling van de protagonist. Het verhaal wordt niet chronologisch verteld maar aan het einde van het verhaal blijkt alle informatie wel in een groter verband te passen. In De Asielzoeker gebeuren dingen niet zomaar. Dingen hebben een rede (hoe absurd soms ook). Voor het stel in Götingen woonde, woonde het in Eilat (Israël) alwaar “De Vogel” onderzoek deed naar dieren in de woestijn. Christian was “De Vogel” meer uit gemakzucht dan uit passie naar Eilat gevolgd en verdeed zijn tijd met niets meer of minder dan het brengen van bordeelbezoeken. Van intimiteit was tussen Christian en De Vogel op dat moment al vier jaar geen sprake meer. Christian Beck had niet lang voor zijn vertrek naar Eilat het schrijversschap (korte verhalen over de zelfkant van de maatschappij) aan de wilgen gehangen. Het stoppen met schrijven had niet zozeer met zijn vrouw of Eilat te maken maar eerder met de bron van zijn creativiteit.

    “Daarom had hij besloten het schrijven te laten voor wat het was. Christian Beck was intelligent genoeg om gevaarlijk te kunnen zijn, dat wist hij van zich zelf […] ook getalenteerde duisternis blijft duisternis, ik wil niemand met die duisternis vergiftigen.”

    Ondanks dat Christian Beck een punt achter zijn schrijvers carrière heeft gezet, blijft de duisternis hem achtervolgen. Tijdens een van zijn vele bordeelbezoeken raakt hij de controle over zichzelf kwijt en steekt een prostituee een oog uit. Als Beck bij de politie zijn straf opeist, wordt hem vriendelijk doch dringend verzocht het land te verlaten in plaats van de “verdiende” gevangenisstraf uit te zitten. Dit is waarom “De Vogel” en Christan Beck in Götenberg zijn gaan wonen. Dit is waarom Christian Beck als vertaler van gebruiksaanwijzingen werkt. Dit is waarom Christan Beck (naar aanleiding van een opnieuw gepubliceerd kort verhaal) door de media in een kwaad daglicht wordt gesteld.

    In De Asielzoeker beschrijft Arnold Grunberg een ex- schrijver die zijn vriendin aan kanker verliest en zichzelf daarvan de schuld geeft. Een van het begin tot het eind boeiende roman die naast vele komische aspecten ook ontroert. De grote kracht van het boek is gelegen in de tedere manier waarop Grunberg de liefde van de cynische Christian Beck voor zijn aftakelende vrouw beschrijft zonder zijn gevoel voor slapstick te verliezen. Een geslaagde spagaat al vond ik het plot waarin een terroristische aanslag en de oververhitte discussie in de media er aan de haren bij gesleept wordt wat mager.

  • Brief aan de auteur

    Uit mijn brief aan Cor Gout, de auteur:

    Ik moet je zeggen: je hebt een bijzonder boek geschreven. Allereerst de fraaie uitgave: papier, grootte, de tekeningen; het ziet er allemaal even verzorgd uit. Ik vermoed dat mensen het ook wel zullen aanzien voor kinderboek.
    Maar dan zullen ze toch even opkijken.

    Ik kreeg het gevoel alsof een scherp zoeklicht ronddwaalt in een wereld – jouw wereld – vol herinneringen. Felgekleurde en scherp beschreven beelden, soms scenes, flitsen op vanuit het niets. Soms houden ze lang genoeg aan om een afgerond verhaal te vertellen (het Carmiggelt-achtige Vrolijk & Dood), maar vaker flitst het zoeklicht van de ene situatie naar de andere, waarbij het verband tussen beide soms niet meer lijkt dan de opeenvolging.

    Het verhaal heeft dan de logica van een droom. Juist dat contrast tussen de heldere en feitelijke beschrijvingen (de vele straatnamen dragen daartoe bij) en de duistere logica maken Noirette tot een boeiend geheel.
    Het doet vermoeden dat er nog meer verhalen en herinneringen huizen in dat hoofd van jou. Ik ben benieuwd.

    Met de muziek kan ik minder uit de voeten; het idee van zo’n multimedia produkt spreekt me aan, maar de muziek kan me niet echt boeien.
    Voor een ongeoefend oor als het mijne is de muziek niet echt toegankelijk en krijgt daardoor iets monotoons, wat juist bij de verhalen absoluut niet het geval is; daar is volop variatie en rijkdom in onderwerp en vorm.

    Tenslotte mijn favouriete zin:
    ‘Vrolijk, Vrolijk, Vrolijk, Dood.’

     

  • Vertrekken

    Opvallend is de schijnbare ‘lichtvoetigheid ‘ waarmee de Antwerpse auteur Suzanne Binnemans een toch redelijk ernstige problematiek (= alcoholverslaving) in haar recentste boek Vertrekken presenteert. In een knap uitgewerkte ‘dagboekvorm’ laat ze de protagonisten van haar roman (Axel, Lynn, Glenn en Ilse) tot interactie overgaan. Suzanne B. zet de lezer duidelijk op het verkeerde been: in luchtige, vrouwelijke ‘stijl’ wordt de argeloze lezer binnengeleid in de verwoestende wereld van een alcoholverslaafde (= Axel). Met mondjesmaat komt hij dan te weten welke ravage is aangericht: de relatie van Axel en Lynn is een complete emotionele puinhoop, de wonden zijn zo diep dat niets meer baat. Het verhaal eindigt dan ook op dramatische wijze met de dood van Lynn en de letterlijk onuitsprekelijke wanhoop van Axel, die duidelijk zijn gevoelens tegenover Lynn nooit op de juiste wijze heeft kunnen onder woorden brengen.
    De roman Vertrekken leest als een trein en is duidelijk door een vrouwelijke auteur geschreven. Alleen een vrouw schrijft over een man zoals Suzanne Binnenmans het doet: als in een demonische droom neemt de zij lezer rechtstreeks mee op reis naar de hel. Inderdaad, Suzanne B. bewijst dat het bestaan ‘ondraaglijk licht’ is: licht, omdat het leven op schijnbaar vloeiende wijze voorbijgaat, ondraaglijk, omdat dit ‘ogenschijnlijk vloeibare’ dikwijls een kolkende oceaan van menselijk leed verbergt.

  • Biefstuk en benzine

    Het boek deed me vluchtig denken aan de Anton Wachter cyclus van Vestdijk, maar dan sneller, in telegramstijl, en zonder moeilijke woorden. Het eerste deel van het boek doet je haast verlangen naar de tijd van grote gezinnen. Het tweede deel ontroert en je proeft het verdriet van de oorlog. De deportage van de vrouw en het wegkwijnen van de vader die plots niet meer voor zijn gezin kan zorgen. Het laatste deel doet je verlangen naar de moderne geneeskunde. Het verhaal is doorspekt met een verhelderende kijk op het geloof. En dat allemaal in een snel leesbaar en voor ieder toegankelijk boek. Wat is literatuur anders dan dat het voor iedereen leesbaar is en niet zoals Youp van’t Hek onlangs in de Vara gids schreef, dat hij bij de boeken van Rosenboom soms een woordenboek moest gebruiken. Biefstuk en benzine een heerlijk boek een tien met een griffel.

  • Omwille van de troon

    Zeer matige roman over de Greet Hofmans-affaire die eind jaren veertig en begin jaren vijftig bijna tot een constitutionele crisis leidde. Ross beschrijft allerlei intriges tussen politici, journalisten, BVD-mensen en andere ongure types, maar wat hun drijfveren zijn wordt niet bepaald duidelijk. Bovendien barst het verhaal van de non-informatie. Bijna alles wat de hoofdpersonen bedenken wordt beargumenteerd; een doodvermoeiend stijlmiddel om de figuren menselijker te laten lijken.

    De stijl van Ross is uitermate zwak. Het boek bevat ook een enorme hoeveelheid taalfouten, inconsequent woordgebruik en zetfouten. Het werd op een gegeven moment zo bont, dat ik ze in het boek ben gaan aantekenen. Een beetje goede schrijver zou nooit een zin schrijven als deze (blz. 474): Reinder Kampman. Een man met een meteoorachtige carrière in de bouwwereld en met relaties binnen de politiek die tot binnen de muren van het Binnenhof reikten. Bovendien: over de ware aard van de Greet Hofmans-affaire maakt het boek niet echt meer duidelijk.
    Van blz. 506 tot 509 vat Ross de hele zaak nog even snel samen.
    Ik vind het een slecht boek.

  • Wie scheep gaat

    Recensie door Nienke B.

    Zeeblauwe badeendjes van onverwoestbaar plastic, met al even onverwoestbare glimlachjes, omringen de nieuwe roman van Rascha Peper. Niet alleen als aandachtstrekker in de boekhandel: Wie scheep gaat begint en eindigt met de diepzinnige overpeinzingen van zo’n badeendje. Dit wijsgerige kinderspeelgoed komt misschien wat al te gemaakt over, maar speelt desalniettemin een niet te verwaarlozen rol in Pepers sublieme vertelling.

    Wie scheep gaat verhaalt over de verlangens, angsten en herinneringen van een oude Haagse kleermaker, een Lolita-achtig pubermeisje, een vereenzaamde oceanograaf in New York en een stoere duiker. Hun levens zijn verbonden door het verlies van een jonge vrouw die, scheep gegaan op weg naar een nieuw leven, met schip en al is verdronken voor de kust van Marokko. Op trefzekere wijze, bijna als een modern naturalist, schetst Peper de karakters van deze personages. De jonge, maar vroegrijpe Emma overtuigt in haar ontwapende kalverliefde voor de veel oudere Robin. Zijn plan om het lichaam van zijn vroegere geliefde op te duiken vormt de voortstuwende kracht in Pepers karakterschetsen en leidt tot een teleurstellende anti-climax. Althans, voor Robin, want de oplettende lezer weet inmiddels meer dan de personages. In de beklemmende diepzeeduik naar het wrak komen alle verhaallijnen samen in een ontknoping die, meer nog dan een sluitend einde, een nieuw begin betekent.

    Ook dan nog dobberen de blauwe badeendjes vrolijk tussen de laatste regels van de roman.

    Rascha Peper is een verhalenvertelster. Haar stijl is direct, zonder veel tierelantijnen, maar heeft daardoor des te meer vertelkracht. De helderheid van de bondige zinnen noopt tot een gestaag doorlezen, wat ook wel nodig is gezien de omvang van de roman.  Het is bewonderenswaardig hoe Peper al die tijd de aandacht weet vast te houden. Ze past hierbij een aloude truc toe: de lezer wordt in kleine porties bediend. Opvallend is dat de laatste lege plekken in de legpuzzel niet worden opgevuld door de ontknoping, maar met losse stukjes die op onopvallende wijze her en der zijn verspreid. Het laatste stukje ligt in de glibberige handen van een keurige heer met een afwijking, wiens aanwezigheid in het verhaal tot dan toe een raadsel was. Als je niet oppast, ontglipt dit stukje je, zo weinig opvallend is het tussen schijnbaar belangrijke gebeurtenissen verweven.

    Deze bijna-afwezigheid bevindt zich niet alleen op structureel niveau: Alle gedachten en handelingen in Wie scheep gaat richten zich op de vrouw die schittert door afwezigheid. Toch wordt haar verhaal verteld; haar lot is weerspiegeld in dat van het blauwe, onverwoestbare badeendje, dat door mensenhanden uit de woelige baren wordt gered en zijn bestemming heeft gevonden.  Zo hebben ook de gedachten van dit filosofische badspeeltje een plek in Pepers prachtige vertelling gekregen.

     

     

  • Knijp nu je ogen dicht

    Met veel plezier en nieuwsgierig naar het slot heb ik het boek gelezen. Met veel plezier, want het is heel vlot geschreven en in een behoorlijk ‘plastische’ stijl : je ziet de beelden zo voor je. ‘Plezant’ , in de letterlijke zin van het woord, was dat natuurlijk niet altijd, vooral bij de oorlogsscènes, die haarscherp de gruwelijke realiteit van de Eerste Wereldoorlog beschrijven. Tegelijkertijd ook interessant om weten hoe het er echt aan toe ging. Ik vind dat Marc er zeer goed in geslaagd is om de ‘psychologie’ van het hoofdpersonage Bert weer te geven : zijn motivatie om naar Canada te vertrekken, zijn ervaringen en gevoelens tijdens de overseese reis en zijn verblijf in het verre vreemde land ; Berts ontmoetingen met de Russische vrouw tijdens de overtocht, met het West-Vlaamse meisje Lisa in Montréal en later met de ‘doodgraver’ zijn stuk voor stuk scènes (en personages) die bijblijven. Structureel goed gevonden vind ik de sporadische brieven van Paul (Van Ostayen) die vanuit de thuishaven (en later vanuit Berlijn) een totaal andere kijk op de Grote Oorlog geven. Het verhaal maakt nu en dan een tijdssprong en is helemaal niet voorspelbaar : je blijft benieuwd of Bert Anna zal terugvinden en hoe hun relatie (vooral na het onverwachte voorval) verder zal evolueren. Alleen wat het open einde betreft ben ik wat op m’n honger blijven zitten. Maar alles welbeschouwd is dat eigenlijk het enig passende slot. Uiteindelijk is het leven zélf helemaal onvoorspelbaar en beschikken we (gelukkig maar) niet over een glazen bol om te zien wat de toekomst brengen zal. Misschien kan Marc in een volgende roman vertellen hoe het Bert en Anna, en Paul en Emma verder vergaan is…