• Met stomheid geslagen

    P.F. Thomese schreef een over het overlijden van zijn dochtertje Isa. Mag je daarover schrijven? Mag je dat lezen? Die vragen blijven bij me hangen, hoe prachtig en aangrijpend Thoméses zoektocht naar wat hij heeft verloren heeft is. Of misschien juist daarom. Zo stom geslagen als hij is, zo wanhopig en nauwgezet als hij probeert zijn verlies en de verlorene te beschrijven, haar op te roepen, tastend, zoekend met woorden, zo wanhopig voel je je ook terwijl je zijn woorden leest. Zijn beelden, zijn bedes maken je deelgenoot van iets waarvan je geen deelgenoot zou mogen zijn. Daarom ook leg je het boek telkens weer even weg om het vervolgens toch weer op te pakken, omdat het zo ongelooflijk mooi en dicht op de huid geschreven is.

    Tegelijkertijd doe je Schaduwkind onrecht wanneer je het alleen leest als een boek over, een verslag van verlies. Het stijgt daar ver bovenuit en toch kun je het er niet los van zien. Omdat het onderwerp nu eenmaal een gegeven is. De wisselwerking tussen die twee kanten van het boek is echter juist wat het boek zijn geladenheid geeft.

    “Schrijven is zinnen uitproberen om te zien wat ze kunnen betekenen. Nieuwkomer zijn in het taaleigen, beginneling worden en vragen naar de onbekende weg. Het is vinden wat niet kon worden gezocht, omdat het pas bestond op het moment dat het gevonden werd.”

    Met dit uitproberen tracht Thomése steeds weer zijn dochtertje te vinden. Hij heeft er een klein, wit en ijl monument mee opgericht, dat vervliegt en toch weer niet.

    “En weer vind ik je, en weer ben je er niet. De herinnering heeft steeds weer nieuwe woorden nodig, dat was ik even vergeten, ze moeten kunnen blijven bewegen. Niet verstarren, geen foto’s please. Een herinnering heeft de ruimte nodig om te kunnen blijven ontstaan. Ze moet zich kunnen verstoppen op plekken waar niemand kijkt. In woorden waar ze niet wordt verwacht. (…) Niet iets proberen vast te houden dus, ook het mooiste niet, juist het mooiste niet. Het steeds proberen los te laten, steeds bijtijds de verwijdering onder ogen zien. Altijd met lege handen durven staan, dan kun je beter vangen als het nodig is.”

  • De laatste keer van Kristien Hemmerechts

    Door Eva Gerrits

    ‘Ik had mijn dertigste levensjaar zien komen en gaan zonder in de openbaarheid te zijn geslingerd. Een jaar en negen maanden geleden was ik samen met mijn man uit onze auto – een grijze Opel Vectra – op het wegdek geslingerd. Toen ik bijkwam was ik een rijke weduwe, die als ze het verstandig aanpakte nooit meer hoefde te werken. (…) Helaas zag ik voorlopig niet hoe ik mijn leven opnieuw aan het slingeren kon krijgen en of slingerbewegingen überhaupt wenselijk waren.’

    Hier spreekt Yoko Debondt, de hoofdpersoon uit de nieuwste roman van Kristien Hemmerechts: De laatste keer. In deze roman gaat het opnieuw over de dood, voor Hemmerechts geen onbekend thema. Ze schrijft over een vrouw, Yoko, die voor het eerst de werkelijkheid in geslingerd wordt. En die is hard: ze is niet gewend voor zichzelf te zorgen en haar man is dood. De stad waarin ze woont wordt bovendien geteisterd door een enorme stank.
    Met films en performances van kunstenaars waarin de dagelijkse, stinkende realiteit wordt omzeild en naar een esthetisch niveau getild, kan Yoko dan ook beter uit de voeten. Voortdurend associeert Yoko haar situatie met filmscènes. Wanneer ze Hichi ontmoet, een jonge zwerver, gedraagt ze zich als een goede fee, geïnspireerd door Amélie Poulain in de gelijknamige film. Ze neemt hem mee naar huis. ‘Amélie Poulain toverde een glimlach op mijn lippen. ‘Ik woon hier,’ zei ik, zei zij’. Hichi heeft niets esthetisch, is wars van uiterlijk vertoon en alles wat hij zegt moet letterlijk genomen worden. Een scherpe tegenstelling met de kunstmatige wereld die Yoko vertrouwd is. Door een computerfout tijdens de millenniumwisseling is Hichi officieel dood verklaard, wat aan zijn leven een vreemde dubbelzinnigheid verleent. Uiteindelijk heft hij die op, door zichzelf van het leven te benemen. De relatie die hij met Yoko had, is dan al verbroken en Yoko’s wereldbeeld is een stuk realistischer geworden. ‘De gebeurtenissen waren geen film die kon worden teruggespoeld of anders gemonteerd. Ik wilde ook geen films meer zien. En zeker niet die verdomde Amélie Poulain. Ik had voor de rest van mijn leven genoeg films gezien.’
    Het is Yoko’s zoektocht naar een plek in de wereld die als een sterke rode draad door het boek loopt. Hoewel de stijl overtuigt, met name in het begin, blijft De laatste keer als verhaal niet overeind. De talloze wendingen, plotlijntjes en personages die zijn verwerkt, trekken het geheel eerder uit elkaar dan dat ze het bijeen houden. Het begint ? letterlijk ? met de openingszin: ‘De dag die met Geraldine Chaplin beloftevol was begonnen, voerde me kort nadat ik Annelore het journaal van elf uur had horen voorlezen naar de jongen die ik in fantasieën de jongen zou blijven noemen, al kwam ik vrij snel zijn naam te weten.’ Met enige voorkennis van het verhaal kun je zeggen dat het filmelement (Geraldine Chaplin was actrice) en Hichi (de jongen) mooi in één zin gecombineerd worden. Bij een onwetende lezer schept de zin voornamelijk verwarring. Langzaam wordt duidelijk hoe Geraldine Chaplin en Hichi in het verhaal passen, en wie Annelore is. De laatste blijkt een lesbische journaliste, maar als personage voegt ze niet veel toe. Wel meer personages in het boek blijven van bordkarton.
    Het onophoudelijk heen en weer springen tussen de gecultiveerde werkelijkheid in films en de echte (althans, die in het boek) heeft weliswaar een duidelijke functie, maar sommige passages zijn wel erg gedetailleerd en uitleggerig. Het verhaal wordt daardoor clichématig en verliest vaart.
    In het laatste deel van het boek slaat Hemmerechts lichtelijk op hol. Naar de oorzaak van de stank wordt gezocht maar hij wordt niet gevonden, er wordt wel een oplossing voor bedacht waarbij Hichi de dood vindt. Stilistisch is dit deel zwakker dan het eerste en inhoudelijk overtuigt het nog minder. Yoko duikt met de Nederlandse verslaggever het stadsriool in, wordt geconfronteerd met de vader van Hichi die uit de gevangenis is ontslagen (of was hij ontsnapt?) en enorm grote ventilatoren moeten de stank de stad uitblazen. Dat laatste heeft meer iets van een scène uit het kinderboek De koning van Katoren (‘Vind een oplossing voor de Stinkstad’) dan uit een breed opgezette en meeslepend bedoelde roman die zou moeten luisteren naar zijn eigen wetten en logica.

    Eva Gerrits

  • Zwarte ogen Ernst Timmer

    Recensie door Martien, lid sinds 29 juni 2003,br>

    Dit boek gaat over een Louis, een zwakbegaafde jongen en Maya, een Colombiaans meisje dat werd geadopteerd door een Noordwijkerhoutse bollenboer. Verder gaat het over pedofilie. dood, over eenzaamheid, redding, zelfopoffering en over geheimen Een uitermate ingewikkelde thematiek, maar toch leest het vlot, er gebeurt van alles.
    Het begin gaat over de kindertijd van de beide hoofdpersonen en over hun relatie, die een hoogtepunt bereikt in een bezoek aan het naaktstrand, waar Louis genoeg stof opdoet voor jaren seksuele fantasieën. Een belangrijke rol is weggelegd voor de pedofiele grafkistenmaker Jacob,. Dat hij pedofiel was blijkt pas later, na zijn dood. Het was een geheim dat je zelfs als lezer niet te weten was gekomen.
    Later raken de hoofdpersonen elkaar kwijt, Louis groeit op als buitenbeentje, hij werd gepest op de basisschool, op de speciale middelbare school en later in de plaats waar hij woont, als hij door een aantal brave en bezorgde vaders (pedorammers) in elkaar wordt geslagen. Hij weet zijn rijbewijs te halen en een serieuze baan als chauffeur van rouwauto’s te krijgen.
    Maya is intussen in Colombia, zij werkt in vluchtelingenkampen, wordt gevangengenomen door de Farc, wordt regelmatig verkracht en keert, een paar illusies armer, terug naar Nederland.
    Er zijn talloze verwijzingen naar het werk van Louis Paul Boon. De vader van Louis, een taalgeleerde die alles wist over Boon, maar toch de geheimen niet doorgrondde, wilde met alle boeken van Boon begraven worden. Dat ging uiteindelijk niet door en de tweepersoons lijkkist/boekenkast blijft in het verhaal een rol spelen, aan het eind zelfs een dramatische rol. In een prachtig intermezzo laat de schrijver het clubje havelozen uit De vergeten straat in zijn roman binnenmarcheren, hoe ? Ze nemen gewoon de bus naar De Zilk.
    Ook naar het uiteindelijk vrij plotselinge en dramatische einde zijn verwijzingen. Ik zal het einde niet verklappen, maar ik denk dat schijn bedriegt, er zijn genoeg schaduwen vooruit gevallen.
    Waar gaat het boek uiteindelijk over ? Over teveel, maar misschien het meest over mensen die opgesloten zitten in hun eigen verhaal. Die van de vergeten straat lijken even te ontsnappen, maar het is tijdelijk, ook zij gaan weer terug.

  • Een stoel

    Een stoel, Willem van Zadelhoff

    Door tim peeters ©, 2003. (lid sinds 15-11-2003)

    [zie ook op forum debutanten]

    Doorheen de geschiedenis kunnen we gemakkelijk creaties aanduiden die als uitingen van keerpunten in ons westers menselijk denken en kunnen beschouwd worden. Naast de pyramides, Jezus’ Leer, Boccacio’s oeuvre, de negende symfonie van Van Beethoven, de Meesters van de Verdachtmaking, de elektriciteit, de vlucht van gebroeders Wright, Picasso’s Dames van Avignon en het internet mogen we de Freischwingers, de achterpootloze stoelen uit het begin van de vorige eeuw, zeker als één van die iconen beschouwen. Naast de vaak ellenlange en meestal ook droge wetenschappelijke uitzettingen steekt af en toe ook een minder prozaïsche beschrijving de kop op. De vermenging van feit en fictie is echter vaak gedoemd tot het vervallen in extremen: een mager verhaal rond droge feiten of een verhaal waarbij er een al te grote loop met de werkelijkheid wordt genomen waardoor het geheel uiterst ongeloofwaardig wordt. Het boek van van Zadelhoff toont aan dat er nog een derde categorie bestaat, die van de juiste evenwichtsoefening.

    Door de karige cover springt het boek al dadelijk in het oog: lijnen,vlakken en slechts enkele kleuren. Nog voor men het boek heeft geopend straalt de sfeer van Bauhaus en de eerste helft van de twintigste eeuw van het boek af. De lay-out nodigt uit. Maar er is meer van dit alles: de schrijfstijl van de roman ligt in dezelfde sfeer. Het is alsof de auteur met zijn karig en strak woordgebruik zo veel mogelijk het denken van het Bauhaus wou respecteren.

    Over van zadelhoff is weinig meer bekend dan dat ie een debutant is en dat ie in 1958 als zoon van een uitgetreden priester en een stukadoorsdochter in Arnhem geboren is. Na een erg verscheidene loopbaan achter de rug gehad te hebben (werkzaam in de zwakzinnigenzorg, het bankwezen, de porseleinhandel,het theater en in een kunstgalerie), waagt hij zich nu succesvol aan een schrijverscarrière. Hij leeft in Antwerpen met vrouw en dochter. Het zou me niets verbazen mocht van Zadelhoff reeds een meer gevestigde auteur zijn. Bij het vernoemen van de naam Willem van Zadelhoff zullen we misschien in de toekomst bijna natuurlijk aan de gschiedenis van Arnon Grunberg te denken. Dit vermoeden, noem het maar een zijsprongetje in het biografische aspect van het boek, wordt nog versterkt door het ophemelende citaat van de even onbekende Bernhard Mörtenböck op de achterflap van het boek.
    Is de auteur ons stilletjes van achter zijn pen of scherm aan het uitlachen? Bernhard Mörtenböck is immers ook een weinig fraai personage uit de roman. Het doet ons al stilletjes dromen van een nieuwe hetse….

    van zadelhoff voert de lezer in een sneltempo mee naar Berlijn waar de meest recente telg van de familie Kats uit Arnhem, kleinzoon Robert, een bezoek brengt aan het Bauhaus Archiv. Robert, die op zoek is naar een familiestuk dat ooit gedonneerd is aan het Archiv, vertelt zijn verhaal aan Frau Doktor Karoline Kwatta, hoofd van de prestigieuze instelling. Vanaf dit moment wordt de lezer, samen met Frau Doktor, in de fascinerende geschiedenis van de familie Kats gesleurd. Maar geleidelijk blijkt dat -ondertussen al gewoon – Karoline meer weet dan dat ze aan Robert of aan de lezer wil loslaten. Door de steeds korter wordende hoofdstukken schetst de auteur met toenemende snelheid het verloop. Er gaat iets gebeuren. Het kan gewoonweg niet anders.
    Geleidelijk maken we kennis met drie generaties Kats en hun gezamelijke droom om een huis van licht, glas en staal te bouwen. Via de zoon, Frederik Kats, worden we in de voorgeschiedenis ingeleid. Frederik vertelt over zijn koppige en progressieve vader Gerrit die, tegen de mainstream van een stoffig en muffig bourgeoisie in, gebeten werd door het virus van het moderne denken en … doen. Gerrit heeft de twee jonge Bauhausarchitecten Marcel Breuer en Mart Stam uitgenodigd om zijn droomvilla te bouwen. Alvorens het huis te kunnen tekenen, besluiten de twee jongelingen de kleinste bouwsteen onder handen te nemen: een ideale stoel voor het ideale huis. Door de economische recessie wordt het plan van zowel het huis als de stoel opgeborgen en worden de twee architecten huiswaarts gestuurd. Maar de droom wordt in de familie Kats naar de volgende generaties doorgegeven. De twee architecten zelf gaan na een bittere strijd in de rechtzaal ieder zijn eigen weg. De ene al wat succesvoller dan de andere.
    De zoon Frederik weet zich op te werken tot gekend advocaat met als specialisatie octrooirecht. Wanneer hij overlijdt, geeft zijn vrouw de geliefde stoel van haar man aan het reeds vernoemde archief. Enkele jaren later wordt één van zijn zonen, kleinzoon Robert, na het lezen van de cahiers van zijn vader gebeten door het stoelvirus. Robert gaat op zoek naar het enige prototype van de stoel van Breuer en Stam. Hij heeft immers ontdekt dat aan verschillende elkaar beconcurrerende versies van de Freischwinger één prototype aan de grondslag ligt. En deze versie behoorde toe aan zijn familie.

    In het boek wordt de lezer in Roberts Odyssee meegesleept en ontdekt die met hem dat de geschiedenis soms anders uitdraait dan dat aanvankelijk vermoed werd. Tijdsgeest en persoonlijke motieven blijken verzachtende omstandigheden te zijn. Hoewel niet alle vragen aan het eind van het verhaal beantwoord zijn, kan onder sommige zaken een definitieve lijn getrokken worden en … kan worden verder geleefd. Want dat is waar het boek in hoofdzaak over gaat, het leven achter gekende en minder gekende feiten.

    Het boek is keurig opgedeeld in hoofdstukken die afwisselend verteld worden door de verteller en door één van de hoofdfiguren uit het boek. Dit laatste gebeurt in de hoofdstukken met de subtitel ‘cahier’, wat zou kunnen verklaren waarom plots het vertelstandpunt verandert naar een reeds in tijd overleden hoofdfiguur, Frederik. Frederik komt als het ware weer tot leven doordat zijn zoon Robert de ‘cahiers’ leest. De slingerbeweging van deze vertelstandpunten zou wel eens de overerving van de plannen en dromen van grootvader Gerrit Krats kunnen symboliseren. Ondanks aanvankelijke desinteresse in deze droom wordt ze onbewust van vader op zoon doorgegeven. Het laatste hoofdstuk echter doorbreekt deze cyclische beweging: de overgeërfde droom is werkelijkheid geworden.

    Althans … in dit boek. Droom en werkelijkheid sluiten het boek af, waardoor de cirkel alsnog gesloten wordt.

    © Tim Peeters, 2004.
    Tim Peeters
    Het boek is in oktober 2003 bij Meulenhoff/Manteau uitgegeven.

  • Eric de Kuyper

    Als kind al komt Erik de Kuyper (Brussel, 2 september 1942) in contact met zijn latere passies film, opera en ballet. Na zijn humaniora-opleiding bij de Jezuïeten, studeert hij in Brussel eerst aan het Institut des Arts de Diffusion en later aan het Rijksinstituut voor Toneel- en Cultuurspreiding. In die tijd blijkt hij al een fervent bezoeker van Europese film-, opera- en theaterfestivals , zodat hij veelvuldig in Berlijn, Oberhausen, Keulen, Londen en Edinburgh te vinden is. Na zijn studie werkt hij een tiental jaren (1965-1977) bij de BRT als producer filmaankoop en presenteert hij daar De andere film, een eigen programma waarin experimentele films aan bod komen. Tegelijkertijd volgt hij in die jaren nog de kandidaturen filosofie en het licentiaat massacommunicatie aan de Vrije Universiteit te Brussel.

    In de periode 1974-1977 is hij student van Roland Barthes en A.J.Greimas aan de Parijse Ecole des Hautes Etudes et Sciences. Bij de laatste promoveert hij met een dissertatie over semiotiek, Pour une Sémiothique Spectaculaire. Van 1976 tot 1978 woont hij in Parijs waar hij meewerkt aan een onderzoeksproject van het Centre Pompidou.

    Na zijn Parijse periode richt hij terug in Nijmegen aan de universiteit het bijvak Dramatologie op, dat later zou uitgroeien tot de volwaardige richting Film- en Opvoeringskunsten. In de jaren tachtig draait hij zelf vier speelfilms: Casta Diva (1981), Naughty boys (1982), A Strange Love-Affair (1985) en Pink Ulysses (1990). In 1988 wordt hij benoemd tot adjunct-directeur van het Amsterdamse filmmuseum. Tevens debuteert hij dat jaar als schrijver met Aan zee.

    Eric de Kuyper begon met Aan zee aan een groots opgezette autobiografie, die tot op dit moment vijf delen bevat. Door minutieuze observaties laat hij je een langvervlogen tijd zien, ruiken en voelen. De balatum (zeil voor nederlanders) in de kamers, de kolenkachel die ‘poef’ zei (poefte, gepoeft), weinig contacten met de ouders, geen echte schoolkameraden, het op afstand geschokt waarnemen van de seksuele relaties (toen flirts geheten) van medestudenten, de muziek van de jaren vijftig, de vreemde gevoelens die niet te catalogeren waren, de jeugd van zijn eigen jeugd in de derde persoon. Kortom: je wordt ondergedompeld in de culturele sfeer van de jaren ’50 en volgenden. De Belgische Proust met een ietsje meer.

    Daarnaast schreef De Kuyper ook nog detectives, essaybundels en ?uiteraard- scenario’s, zoals voor de Proust verfilming La Captive (2000) van Chantal Akerman. Ook in 2004 verschijnt er weer een film van Akerman Demain on déménage waar hij het scenario voor schreef. Veel van zijn werk is in de ramsj te vinden.

    Werken:
    Filmische hartstochten (1984)
    Aan zee (1988)
    De hoed van tante Jeannot (1989)
    Een tafel voor een (1990)
    Mowgli’s tranen (1990)
    Dag stoel naast de tafel (1991)
    Grand Hotel Solitude (1991)
    Aantekeningen van een voyeur (1992)
    Als een dief in de nacht (1992)
    Bruxelles, here I come (1993)
    De verbeelding van het mannelijk lichaam (1993)
    Ma, Weduwe, Veuve Dekuyper (1993)
    Te vroeg… te laat… (1994)
    Een passie voor Brussel (1995)
    Drie zusters in Londen (1996)
    Met zicht op zee (1997)
    Kinders (1998)
    Met gemengde gevoelens (2000)
    Een vis verdrinken: een niet-Nederlander tussen de Nederlanders (2001)

    mn

  • Engelbewaarder

    ‘Guy de Maupassant heeft al in 1886 gepleit voor een ‘roman objectif’. Hij bedoelde een roman waarin niets beschreven wordt dan, zoals naderhand is gebleken, wat een geluidscamera kan horen en zien. Er wordt dus niet ín de mens gekeken.’ Dit lijkt een radicale methode, die W.F. Hermans hier aanhaalt, zelfs voor hem. Oké, dat het afgelopen moet zijn met proustiaans geneuzel, ellenlange verhandelingen over wat iemand ruikt en vooral waar hem dat aan doet denken, alas, maar het andere uiterste, geen enkel innerlijk leven?

    Veel van Hermans boeken drijven op (taal)handelingen. Hij besteedde uitermate veel aandacht aan de constructie van zijn verhalen en was van mening dat uit de basale constructie de ideeën van de lezer moesten komen en dus niet andersom: dat hij de ideeën aanreikte en de lezer ze verbond en nakauwde. Nu weten mensen die al langere tijd aan de geluidscamera zijn gewend dat er veel aan de fantasie kan worden overgelaten.

    Maar nergens heeft hij de gevolgtrekkingen van bovenstaand citaat beter uitgewerkt dan in Herinneringen van een engelbewaarder. Dit boek leest als een scenario en dit is voor een groot gedeelte te danken aan een verblindend filmische constructietruc: de ogen van de engelbewaarder (en alterego: de duivel) zijn de camera van de lezer. Met een extra kenmerk, uiteraard, want zoals iedereen sinds Wim Wenders weet, is een engel in staat om gedachtes te horen. Deze engelbewaarder, met hinderlijke onderbrekingen van zijn donkere kant, vertelt in de ik-vorm over zijn hemelse occupaties én over de man die bekeken wordt, officier van justitie Alberegt (lees die naam hardop). Wat de Engel van Alberegt hoort en ziet dat krijgen wij als lezer ook te horen. De blik van de Engel stuurt de blik van de lezer en als hij bepaalde dingen niet hoort of bepaalde handelingen niet ziet omdat hij op een te grote afstand is, dan weten we het niet.

    Dit geld ook voor gedachtes. (zie dat er in deze constructie wel in de mens gekeken kan worden! Tenminste, binnen het kader). Uit het oogpunt van begrijpelijk heb ik er één scène uitgehaald, bladzijde 32 tot en met 35, waarin Alberegt het kind aanrijdt.

    Vanaf ‘Er bonsde…’ volgt een beschrijving, door de voorruit van de auto, wat er gebeurde in de auto ten tijde van het ongeluk. Feitelijke waarnemingen. Dan zwenkt de engel omhoog en neemt plaats op het dak. Hij ziet het kind liggen en concentreert zich op de daaruit opstijgende gouden zwaluw. ‘En daarna sloten de wolken zich en mijn ogen vestigden zich op Alberegt, die het rechterportier van de auto openduwde en zijn been naar buiten stak.’

    Vervolgens zien we hem op afstand naar het meisje lopen ?cut- we zien hoe het meisje erbij ligt ?cut- hoe hij haar wegens het gevaar van bloedspatten ‘als een jonge hond aan zijn rugvel’ in de struikjes legt ?cut- hoe hij ziet dat er verder helemaal niemand in de buurt is ?cut- Alhoewel… wat is dat voor een boerderij? ?cut-.

    Want ook al kan een engel in het innerlijk kijken, ook zijn herinneringen zijn beperkt, ook hij wordt begrensd door de geluidscamera.

    Mike Naafs

  • Hans Andreus

    Johan Willem van der Zant (Amsterdam 21 februari 1926 – Putten 9 juni 1977) was de werkelijke naam van Hans Andreus. Hij wist, zoals veel kunstenaars dat hij later als hij groot was iets artistieks wilde gaan doen. Hij werd dichter. Dat op de eerste plaats, maar daarnaast schreef hij ook enkele romans, waaronder het lieflijke Valentijn, dat bovendien een leuk, maar fictief, kijkje geeft in de keuken van de vijftigers. Het meest beroemd werd hij echter met zijn kinderboeken.

    In zijn jeugd zwierf Hans graag door de natuur en deed daar veel indrukken voor zijn latere poëzie op. Hij bezocht van 1930 tot 1937 de openbare lagere school in Scheveningen en keerde toen terug naar Amsterdam, waar hij korte tijd naar de école Wallone ging.

    Waarschijnlijk was Hans Andreus reeds in 1939 begonnen met dichten. Hij was betrokken bij allerlei jongensclubjes, waardoor hij onder anderen met Bertus Swaanswijk, die zich later Lucebert ging noemen, bevriend raakte. Zij stimuleerden elkaar in hun poëtische ontwikkeling en liepen de bibliotheek plat om alle moderne poëzie die ze in handen konden krijgen te lezen.

    In 1940 ging Hans naar de hbs. Daar raakte hij bevriend met John Plemp. Plemp was een bewonderaar van Andreus’ werk en schreef veel van zijn gedichten over, waardoor er nog wel wat jeugdwerk van Andreus bewaard is gebleven. Hij maakte de hbs niet af, conflicten thuis schijnen daar een rol bij gespeeld te hebben. In 1945 werd hij als leerling ingeschreven aan de Toneelschool in Amsterdam, maar deze opleiding maakte hij niet af. Hij verzuimde te veel lessen en bleef zitten. Hij werkte daarna korte tijd als corrector voor de Volkskrant, wat trouwens zijn enige betaalde baantje ooit is geweest. Hij ging toen ook zelfstandig wonen en kwam in 1949 terecht in een souterrain aan de Stadhouderskade, waarvan hij in zijn novelle Bezoek een impressie gaf.

    Hans Andreus ontleende zijn pseudoniem aan een medeleerlinge aan de Toneelschool, Yda Andrea. Eerst publiceerde hij onder exact die naam en in 1946 lukte het hem één gedicht geplaatst te krijgen in het tijdschrift Centaur. Het was een keurig sonnet over een fluitspeler. Andreus schreef toen ook al kinderboeken en korte prozastukken en ging voor de Vara hoorspelen schrijven. Hij probeerde intussen nog meer poëzie geplaatst te krijgen, maar pas in 1949 leverde dat iets van betekenis op toen Podium besloot drie gedichten van hem te plaatsen. De verzenreeks heette Raffia en was duidelijk experimenteler van opzet, geïnspireerd door Paul van Ostaijen.

    Andreus’ rol binnen Podium werd steeds groter. Nog voor hij in 1951 toetrad tot de redactie zorgde hij ervoor dat het tijdschrift zijn positie als vooruitstrevend poëzietijdschrift kon verstevigen door werk aan te leveren van zijn jeugdvriend Lucebert, en van Jan Elburg, Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar.

    Hij ging in Parijs wonen, op uitnodiging van Simon Vinkenoog. Toen hij in 1951 vertrok stond zijn eerste gedichtenbundel op het punt te verschijnen, Muziek voor kijkdieren. Hij ontmoette in Parijs Odile Liénard en ging met haar samenwonen. Hij schreef achter elkaar poëzie en ontwikkelde zijn vrije stijl steeds meer. Hij deed veel met metaforen en associeerde er vrij op los. In zijn derde Parijse bundel Schilderkunst, keerde hij naar een wat strakkere vorm terug.

    Hans maakte met Odile een aantal reizen naar Italië en deed daar veel inspiratie op voor zijn ‘licht’-thema, dat in al zijn werk een rol speelt. Ze gingen er ook langere tijd wonen en Andreus hield een enorme productie op peil. In 1954 besloot hij zich in Rome te vestigen.

    Toen ging het echter mis met Andreus. Hij raakte in een psychische crisis waardoor hij terug moest naar Nederland. Oververmoeidheid en spanningen waren de aanleiding, maar de oorzaken lagen dieper en Andreus schakelde een psychiater in. Andreus kampte met schuld- en identiteitsproblemen en dat had volgens zijn psychiater te maken met de prenatale scheiding van de tweelinghelft, deze zou gestorven zijn in de baarmoeder, terwijl Hans had overleefd. Het gaf hem een nieuw houvast en een nieuwe thematiek in zijn poëzie.

    In 1955 verliet Andreus de kliniek waarin hij opgenomen was geweest en ging terug naar Parijs, waar hij de relatie met Odile verbrak. Hij was nog steeds bij Podium betrokken al droeg hij minder bij. Hij trok in bij Gerrit Borgers, de redactiesecretaris van het tijdschrift. Daar schreef hij een van zijn beroemdste werken De sonnetten van de kleine waanzin (1957). Al zijn thema’s komen in deze bundel uit de verf op een indringende en soms schrijnende manier.

    Andreus verhuisde weer naar Amsterdam en leerde daar Ina Bouman kennen, met wie hij trouwde en twee kinderen kreeg. Dat was in 1958. In 1961 scheidden ze weer. Andreus had Lucretia Paulides ontmoet en met haar trouwde hij in 1962. En kreeg nog drie kinderen. Hij kwam uiteindelijk in Putten te wonen met zijn gezin en leidde daar een teruggetrokken bestaan. Hij vertaalde veel en schreef veel kinderboeken. Ook schreef hij nog gedichten, in 1970 verscheen de bundel Natuurgedichten en andere, waarvoor hij de Jan Campertprijs ontving.

    De psychische crisis die hij had doorgemaakt en zijn identiteitsprobleem bleven hem in zijn gedichten bezighouden, maar ook de rust en het geluk in zijn gezin. Blijvend fascineerde hem het licht en hij plaatste het in zijn latere bundels in het kader van de moderne fysica die hij graag bestudeerde. In zijn liefdesgedichten kreeg het licht een erotische dimensie. In 1975 verscheen een dikke verzamelbundel, waarin Andreus een keus uit zijn poëzie presenteerde. Het boek laat zien hoe duidelijk er in dit werk, ondanks de ontwikkeling die de dichter doormaakte, een eenheid is gebleven.

    In 1977 werd Hans Andreus ziek. Hij bleek kanker te hebben en werd opgenomen in het Academisch Ziekenhuis te Leiden. Na enkele maanden keerde hij naar huis terug en daar is hij op 9 juni gestorven.

    Bibliografie:

    Vierendelen (met Remco Campert, Hugo Claus en Simon Vinkenoog) (1951)
    Muziek voor kijkdieren (1951)
    De ronde kant van de aarde (gedichten bij tekeningen van Karel Appel) (1952)
    Italië (tekeningen van Lucebert) (1952)
    De taal der dieren (1952)
    Schilderkunst (1954)
    Het explosieve uur (1955)
    Empedocles de Ander (1955)
    Tweespraak (met Simon Vinkenoog) (1956)
    Misschien (1956)
    Variaties op een afscheid (1956)
    De sonnetten van de kleine waanzin (1957)
    Het land van horen en zien (1957)
    Gedichten I (verzamelbundel) (1958)
    Zoon van Eros (1958)
    Al ben ik een reiziger (1959)
    Gedichten II (verzamelbundel) (1959)
    Luisteren met het lichaam (1960)
    Groen land (1961)
    Aarde (1962)
    Drie staat tot een (gedichten bij tekeningen van Martin van Veen, met Simon Vinkenoog en Nico Verhoeven) (1962)
    Klein boek om het licht heen (1964)
    Syntropisch (1965)
    Een keuze uit zijn gedichten (1965)
    Liggen in de zon (1968)
    De ruimtevaarder (1968)
    Natuurgedichten en andere (1970)
    Jubal (1971)
    Vehikel (1972)
    Om de mond van het licht: een kleine case history (1973)
    De witte netten van zon en maan (1974)
    Gedichten 1968-1974 (1975)
    Holte van licht (1976)
    Laatste gedichten (1977)
    Dat licht van mij (1978)
    Verzamelde gedichten (onder redactie van Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen) (1983)
    Raffia (1984)
    Vertel hoeveel ik van je hou. Vijfendertig liefdesgedichten (Gekozen door Menno Wigman) (1998)

    Proza:

    Empedocles, de ander (1955)
    Bezoek (1959)
    Valentijn (1960)
    Denise (1962)
    Uit het jeugdige leven van Melchior Blovoet (1986)
    Verzameld proza (1990)

    DdH

  • Pas op! Te goed: Mercedes-Benz van Pawel Huelle

    ‘ De inhoud van deze uitgave geeft niet per definitie de standpunten van de Europese Unie weer, noch is de Europese Unie betrokken geweest bij de totstandkoming ervan.’ Zo staat dat voorin het colofon van het boek Mercedes-Benz. Uit de Brieven aan Hrabal, van de Pool Pawel Huelle. Veiligheid voor alles, zo gaat dat met grote onbestuurbare organen.
    Nee, dan het zeer kleine, zeer bestuurbare fiatje waarin de hoofdpersoon van deze lange brief les krijgt van de oogverblindende juffrouw Ciwle, een sjekkies rokende kuise schoonheid die meer dan geïnteresserd de aanhoudende monoloog van haar leerling over de plaats van ‘het automobiel’ in zijn familie gaande houdt. En veiligheid, ach, het is Polen…

    Wat is dit voor een boek, behalve één dat ik ademloos heb uitgelezen, bij elke pagina nieuwe mensen bedenkend die ik het per se cadeau wil doen? Op de achterflap staat helder vermeld dat het een ‘autobiografische roman’ is, maar dat riekt teveel naar een intimiteit waar je, indien slecht geschreven, allerminst op zit te wachten. Het is meer een familiegeschiedenis in een kleine eeuw Polen, waarin de ontwikkelingen in het staatsbestel, die in Polen zoals bekend niet gering zijn geweest, beschreven worden door middel van de zijdelingse en soms zeer rechtstreekse wijze waarop ze het leven van met name de opa en oma en de beginnend automobilist en zijn familie raken. Centraal staat daarbij de ontwikkeling van de automobilie in Polen. Oma krijgt in 1925 rijles in een Citroën, die het helaas begeeft midden op de spoorbaan, waarna een gietijzeren locomotief zich begerig in haar flanken boort. Gelukkig had oma de tijd gevonden het tafereel van veilige afstand te bezien. Zo begint dan een lang relaas over steeds nieuwe verwikkelingen, met steeds andere auto’s. De vader van de hoofdpersoon hecht in zijn tijd, waarin de mens door het heersend communistisch regime verder alle eigenheid ontzegd wordt, zozeer aan zíjn Mercedes 170 dat tenslotte 1 uur rijden hem 39 uur ploeteren in de garage kost.

    De brief, dit boek is een hommage aan de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal en meer specifiek aansluitend op zijn verhaal ‘Avondrijles’. Het epistel is dan ook gelardeerd met wendingen als ‘ ach beste mijnheer Bohumil, toen…’ waarna het verhaal waarmee de bestuurder bezig is weer een aanvang neemt. Het verhaal? Een grabbelton van verhalen, van de luchtballonvossenjacht op een mooie dag in 1935, met de Mercedes 170 van opa Karol, tot de geheel nieuwe kunstvorm die de zelfverklaard kunstenaar Fizyk in New York tevoorschijntovert in een hotte galery onder het oog van de gehele kunstwereld terplaatse, van Lech Walesa tot de openingstijden van kroegen onder het generaalsregime van Jaruzelski, van een ratelende motor over kinderkopjes in romantisch Praag, tot de Mengele-achtige praktijken van een foute arts in Gdansk. Dat alles verteld in lange, sprekende zinnen in zeer vloeiend Nederlands vertaald door Karol Lesman, en onderwijl een pijnlijk mooie liefdesgeschiedenis opdissend tussen de leerling en zijn instructrice, van Ciwle en haar invalide broer, liefde tussen zijn opa en oma, liefde van de schrijver voor Hrabal, voor zijn land, zijn geschiedenis… voor ik in totale bewondering dreig te ontsporen meld ik maar dat de inhoud van deze uitgave niet per definitie mijn standpunten weergeeft, noch dat ik betrokken geweest ben bij de totstandkoming ervan… Misschien vond de Europese Unie het boek gewoon te mooi. Of te Pools.

    menno hartman

    Pawel Huelle Mercedes-Benz. Uit de brieven aan Hrabal. Uitgeverij De Geus, 2003. Vertaling Karol Lesman.

  • Mensen die verschimmen

    Door Andreas Vonder

    “De Chronologie van een leven is net zoiets als een weerbericht: ze lijken feitelijk, zakelijk. Zo en niet anders. Van daar naar daar, eerst dit, toen dat. Maar mijn herinneringen eraan lijken meer op die grillige winden die in de stratosfeer tegen elkaar in draaien. Alleen zo kan ik vertellen, alleen op deze manier kan ik voeling met mijn leven houden, het gevoel dat dit mij overkomen is en niet iemand anders, die ander die in dat zwarte gat huist.”

    Na een ernstig auto-ongeluk ontwaakt Stijn Bekkering in het ziekenhuis uit een coma en wordt geconfronteerd met het verlies van zijn vrouw Geesje. Hij heeft haar niet zien sterven nog begraven zien worden, wat het verlies en het verdriet een abstracte lading geeft. Het is alsof hij te laat is met zijn verdriet, alsof hij geen gebruik heeft mogen maken van de tijd die er voor rouwen staat. Zijn omgeving lijkt hem te willen adviseren de rouwfase maar te laten voor wat het is en een begin te maken met het nieuwe leven dat in zijn afwezigheid maar alvast zonder hem begonnen is.

    In dat nieuwe leven van Stijn Bekkering verdwijnt bijna meteen het volgende familielid: zijn zoon Harry blijkt van de ene op de andere dag onvindbaar. Aanvankelijk wordt er gedacht aan een misdrijf, maar als blijkt dat Harry voor zijn miraculeuze verdwijning dertigduizend gulden heeft opgenomen wordt er door de politie uitgegaan van ‘een midlife crisis’. De man is vast en zeker met een jong ding naar een warmer oord vertrokken, zijn vrouw Sandra met kind in het ongewisse achterlatend.

    Stijn probeert ondanks alle tegenslagen zijn leven toch weer op de rails te krijgen. Hij bezoekt veelvuldig zijn schoondochter Sandra (waar hij een bijzondere band mee heeft) en zijn kleinzoon Martijn die op school in de problemen raakt door het plotselinge verdwijnen van zijn vader. In Obdam staat het bedrijfje van Stijn, een grote schuur waarin tweedehands spullen staan opgeslagen. Spullen die voor een groot deel afkomstig zijn uit de inboedel van gestorven mensen, of mensen die uit het polderlandschap zijn weggetrokken. De tweedehands meubelzaak luistert naar de naam De Oorsprong waarmee Bernlef nog maar eens ten overvloede de thematiek onder de aandacht brengt.

    Samen met Sandra blijft Stijn er alles aan doen om zijn verloren zoon terug te vinden. Naast de reguliere opsporingsmethodes wordt er ook een oproep geplaatst op een internationale site van zoekgeraakte personen Missing Link. Tegen beter weten in kijkt Sandra iedere dag op de site om te zien of er al iemand op de oproep met foto heeft gereageerd. Dit blijkt na ongeveer een half jaar inderdaad het geval. Een Canadees afkomstig uit Lenfield, Nova Scotia heeft de foto van Harry herkend.

    Om Sandra voor een teleurstelling te behoeden besluit Stijn voor haar in de plaats naar Nova Scotia af te reizen om aldaar poolshoogte te nemen. Zoals voorspelt treft Stijn zijn zoon Harry met een veel jongere vrouw aan. Harry was tot over zijn oren verliefd geworden op het jonge meisje en wist zich niet anders uit de situatie te redden dan naar Canada te vluchten. Nu de verliefdheid aan intensiteit afneemt en plaats maakt voor schaamte besluit Harry met de staart tussen zijn benen naar Sandra terug te keren.

    In plaats van dat Stijn met zijn zoon mee terug gaat, blijft hij om compleet onduidelijke redenen in Canada achter. Samen met zijn nieuwe kameraad Bruce Grady zet hij weer een tweedehands handeltje op en wordt verliefd op het jonge ding van zijn zoon. Maar die verdwijnt ook. Tja.

    Bernlef heeft over zichzelf wel eens gezegd dat hij meer een schrijver van kamermuziek is dan van grote symfonieën. Met Buiten is het maandag onderstreept Bernlef deze typering van zijn eigen werk. Het kabbelt, het knispert ja soms een zacht schuren maar voor alles blijft het net als in zijn andere werk, een compositie van grijstinten: mensen die verschimmen en herinneringen die vervagen.

     

  • besproken door Joppe, lid sinds 23 december 2003

    Een prachtige, caleidoscopische roman van monumentale proporties. De roman verhaalt over de sociale klim van een hoer, en over vele andere personages om haar heen. Het verhaal geeft een fascinerend beeld van het Engeland van rond 1875: een kantelpunt van ouderwetse klassemaatschappij naar een moderne, industriële samenleving. Vele aspecten komen via de belevenissen van de hoofdpersonen aan bod: het Victoriaanse keurslijf, het begin van de vrouwenstrijd, de gigantische verschillen tussen de diverse bevolkingsgroepen, het opkomst van de burgerij, onder veel meer. Maar daarnaast is het ook een roman die op een 'ouderwetse' meeslepende manier het verhaal van de hoofdpersonen vertelt in al hun belevenissen en zieleroerselen. Een boek dat makkelijke 'wegleest', dat je de hele dag met je meedraagt en waar je je op verheugt om opnieuw aan te beginnen. Een absolute aanrader. Je moet wel tijd hebben! (bijna 900 pagina's).

    Crimson Petal and the White
    Michael Faber
    Canongate Books Ltd.
    894 pagina's
    Gebonden
    isbn 1841954314

    Lelieblank, scharlakenrood
    Vertaald uit het Engels door Harm Damsma en Niek Miedema
    960 pagina's
    Paperback 
    isbn 90 5759 145 6
    € 25,00

  • De dood en het rouwproces

    In de film Sous le sable van de Franse regisseur François Ozon, blijft een weduwe praten tegen haar in zee verdronken man, alsof hij er nog steeds is. Pas als deze fase van praten voorbij is, realiseert ze zich dat haar man dood is en kan ze aan het rouwproces beginnen.
    In de tweede roman van de Amsterdamse schrijver Arnout ter Haar, Lichtjaar, gebeurt iets vergelijkbaars, maar dan omgekeerd. Hier gaat Derk, wiens vriend Paul al vijftien jaar verdwenen is, weer praten met Paul alsof hij nog leeft. Hij sluit zichzelf volledig af van het normale leven en brengt zijn dagen in eenzaamheid door in een (vakantie)huis op Texel. Ter Haar debuteerde in 2000 met de roman Brak, waarin de 18-jarige hoofdpersoon René, seks heeft met zijn vader als ultieme vraag om aandacht, wat uiteindelijk tot een crisis en eenzaamheid leidt. Brak werd redelijk ontvangen maar tot veel interesse voor zijn opvolger heeft dat niet geleid: Lichtjaar is amper opgemerkt. Misschien is het adagium dat goede literatuur vooral te herkennen is aan de originele stijl daar debet aan: Ter Haars stijl is weinig bijzonder. Zijn zinnen zijn vaak slechts registrerend en zijn dialogen hebben af en toe iets onbeholpens en ongeloofwaardigs. Toch maken verhaal, structuur en betekenis het boek zeer de moeite waard.

    Lichtjaar gaat over een jaar waarin cruciale gebeurtenissen plaatsvinden voor de hoofdpersonen Derk en Paul. De actuele verhaallijn volgt Derk en zijn vrienden, vijftien jaar na de verdwijning van Paul, tijdens hun vakanties op Texel. Daartussendoor staan in cursief de dagboekaantekeningen van Paul, het jaar tot zijn verdwijning. Pauls gedachten over weg willen, verlangen naar een ander leven, op zoek naar passie en creativiteit worden authentiek en krachtig weergegeven. Het zou kunnen dat die onbeholpen dialogen in de actuele verhaallijn juist bedoeld zijn om te verduidelijken hoe veel moeite het de andere personages kost te leven met het gemis. Als lezer ben je de enige die ziet hoe tegengesteld Derk en Paul eigenlijk waren. Derk heeft dat in hun relatie nooit echt gemerkt maar Paul cultiveert die tegenstelling in zijn dagboek. Ze raken, om met de titel te spreken, lichtjaren verwijderd van elkaar. Het is pijnlijk te lezen dat Paul steeds verder afdrijft van Derk, terwijl Derk vijftien jaar later een tegengestelde beweging maakt en zich bijna vereenzelvigt met Paul. Het blijkt dat Derks rouwproces eigenlijk nooit heeft plaatsgevonden: hij groeit in dat jaar meer en meer naar de dode Paul toe.

    Lichtjaar
    heeft als motto een citaat uit To the Lighthouse van Virginia Woolf. Ook de symbolische betekenis van de vuurtoren verwijst naar Woolfs roman, in Lichtjaar vaak ‘Licht van Troost’ genoemd. Er wordt gezegd dat Woolf met To the Lighthouse afscheid probeerde te nemen van haar ouders, wier dood zij door haar onvermogen tot rouwen niet goed had kunnen verwerken. Lichtjaar toont op een prachtig beklemmende manier aan hoe zoiets kan gaan.

     

  • besproken door Siebren Kuipers, lid sinds 5 december 2003

    Ik heb het boek “Violist van de duivel” gedurende een treinreis vrij snel uitgelezen. Het boek leest als een trein omdat het vlot geschreven is en vol zit met sappige erotische details. Het verhaal speelt zich af in verschillende steden van Europa omstreeks de jaren 1830 tot ong. 1880. Het is een woelige tijd vol revoluties en machtswisselingen. Het is het einde van de aristocratie en de komst van de bourgeoisie. De hoofdfiguur is een lichamelijk gehandicapte die door zijn ouders wordt opgesloten en verwaarloosd totdat ze zijn talent om viool te spelen ontdekken en dit ten gelde proberen te maken door langs de vorstenhuizen van Europa te trekken. Na de dood van zijn vader komt hij in Parijs in contact met de beau monde. Hij bezoekt de salons waar allerlei bohémiens en adellijke dames zich verpozen. Hij treedt voor ze op en weet zich mede door contacten met andere musici en een rijke mecenas op te werken tot een beroemd violist. De schrijver weet de scènes in de salons en de sfeer tussen de rivaliserende muzikanten smeuïg te vertellen. Janos, de hoofdfiguur krijgt de bescherming van een Russische dame die salons houdt waar de beau monde elkaar treft. Hij moet hiervoor wel naast het geven van concerten allerlei seksuele wederdiensten verrichten. In die salons ontmoet hij ook een dame die in het bezit is van een bijzondere viool. Deze viool is gebouwd naar de vorm van een mooie vrouw en Janos’ vioolspel stijgt naar grote hoogte als hij op deze viool speelt. Hij kan bijna niet meer zonder. Om in het bezit te komen van deze viool trouwt hij en krijgt hij een dochter. Hij is echter niet trouw en heeft vele losbandige avontuurtjes. Het meest trouw is hij echter aan z’n beschermvrouw. Door de revoluties en zijn muzikale ambitie is Janos en zijn mecenas gedwongen voortdurend te verhuizen naar allerlei Europese steden (Wenen, Weimar, Boedapest). Dit is in het kort het verhaal. Toen ik het boek uitgelezen had bleef ik met een onvoldaan gevoel zitten. Het einde was teleurstellend. Het leek alsof de schrijver zich er maar wat vanaf had gemaakt of niet wist hoe hij een passend slot moest bedenken. Verder had ik het idee dat de schrijver veel te veel thema’s in één boek had gestopt en er geen één goed had uitgewerkt. De relatie met zijn ouders, de relatie met zijn vrouw, de relatie met zijn maîtresse, de relatie met zijn dochter, de relatie met zijn muziekcollegas worden oppervlakkig behandeld. Ook het thema van de revolutie, de strijd tussen de aristocratie en de bourgeoisie, de rivaliteit op muziekgebied, de genialiteit in de muziek, het talent, de seksualiteit etc komen allemaal aan bod maar worden niet uitgediept. Het is allemaal te veel. Ook laat de schrijver de lezer zwemmen door mondjesmaat informatie over tijd en plaats te geven. Summier geeft hij bijvoorbeeld aan dat Karel X is afgetreden en Louis Philippe aan de macht is waaruit je af kunt leiden in welke tijd het verhaal zich afspeelt. Niet iedereen kent zijn geschiedenis nog uit zijn hoofd. Waarom geeft hij niet gewoon het jaartal aan? Je komt ook weinig te weten over de leeftijd van de hoofdfiguur en over de tijd die is verstreken. Zo krijgt hij een dochter waar je weinig van hoort maar ineens tevoorschijn komt als ze zestien is. Het verhaal wordt hoofdzakelijk verteld vanuit het perspectief van de hoofdfiguur maar na driekwart van het boek is het in één keer de dochter die die in de schijnwerpers staat. Het is jammer dat de schrijver zich niet wat heeft beperkt en wat minder hooi op zijn vork heeft genomen waardoor het boek wat rommelig is geworden. Ik ben wel van mening dat het boek heel vlot is geschreven en makkelijk leest. Dit debuut had beter kunnen zijn maar mislukt is het niet.

    Siebren Kuipers