• De kunst van rake zinnen  

    ‘Bij Zwarte meisjes voel ik me ongemakkelijk.’ Met de eerste zin van haar debuutroman Lotgenoten laat Sabrine Ingabire, een jonge Rwandees-Belgische schrijver, zien dat ze de kunst van rake zinnen beheerst. Het zit hem niet in de controverse, de lichte paniek die je als lezer voelt. Mag je zoiets zeggen? Of misschien vooral, wie mag zoiets zeggen en wie niet? Het sterke is dat Ingabire die zeven woorden niet inzet puur om te provoceren. Ze heeft ze nodig om het thema van Lotgenoten van het begin af aan ondubbelzinnig te verwoorden. Het is de dertigjarige Ajali, Ingabires hoofdpersoon en net als zij van Rwandees-Belgische afkomst, die spreekt, in een kort hoofdstuk, genaamd #0. Dat hoofdstuk fungeert als een inleiding voor een terugblik die het hele boek zal duren. ‘Als ik als tiener eerlijk met mezelf had kunnen zijn,’ gaat Ajali verder, ‘dan was dat de kern geweest van mijn wezen: dat ik me bij zij die het meest op me leken het ongemakkelijkst voelde.’

    Leven in het land van de kolonisator

    Tiener Ajali woont met haar vader en moeder in het Belgische Gent. Haar broer, die een stevig aantal jaar ouder is, komt een jaar na het afronden van zijn studie weer thuiswonen. ‘Het ging niet goed met hem. Dat zag ik. Dat zag iedereen. Maar niemand zei er wat van. En wat moest ik zeggen als zelfs zijn eigen ouders — de ouders die hem zo graag hadden gewild — niets zeiden?’

    Wat volgt is een pijnlijk eerlijke bespreking van Ajali’s leven in het laatste jaar van de middelbare school en haar worsteling zich te verhouden tot de mensen om haar heen en het land waarin ze woont. Niet toevallig vervult het enige hoofdstuk dat zich twee jaar eerder afspeelt, als Ajali veertien en vijftien jaar is, een sleutelrol in het verhaal. Een makkelijk hoofdstuk is dat niet. Ajali’s vertwijfeling is onmiskenbaar in de hoeveelheid onbeantwoorde vragen die ze zichzelf stelt, maar het hoofdstuk leest daardoor wel minder vlot dan de rest van het boek.

    Dat Ajali opgroeit in België doet ertoe. Na de Eerste Wereldoorlog werd Rwanda, dat eind negentiende eeuw door Duitsland was geannexeerd, aan België toegewezen. Waar de Duitsers het bij een kleine aanwezigheid hadden gehouden, waren de Belgen actieve kolonisators, die grote winsten onttrokken ten koste van de lokale bevolking. Daarnaast gebruikten en versterkten zij bestaande machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen voor hun eigen doeleinden, en consolideerden deze onder andere door vanaf 1931 op Rwandese identiteitskaarten te vermelden tot welke groep iemand behoorde, Tutsi’s, Hutu’s of Twa. Het meest verschrikkelijk gevolg daarvan, de genocide van 1994, liet decennia op zich wachten, maar kan onmogelijk los gezien worden van de Belgische kolonisatie.

    Lotgenoten

    Hoewel het Belgische koloniale verleden en de impact van het sindsdien voortdurende racisme in de Belgische samenleving in het hele boek doorklinken, bespreekt Ingabire nergens de details van het verleden van Ajali’s ouders. Ajali is in België geboren, als enige van haar familie, en is geen onderdeel van de vanzelfsprekende vertrouwdheid die haar ouders en broer hebben met andere Rwandezen in België. ‘Deze vrienden, die geen vrienden waren, waren wel degelijk familie, hoewel ze geen familie waren.’ Dit is waar de titel terugkomt. Deze mensen zijn haar ouders’ lotgenoten. ‘En het maakte niet uit dat ze nooit diepe gesprekken voerden over hun diepste dromen of angsten, het maakte niet uit dat ze elkaars lievelingskleuren niet kenden, dat ze elkaar eigenlijk helemaal niet zo leuk of grappig vonden: het lot had hen samengebracht, en het lot had hen samengehouden, ondanks de kolonisatie, en de oorlogen, en het alomtegenwoordige racisme in hun ongastvrije gastland.’

    Ajali weet niet wat er is voorgevallen in de levens van haar ouders, niet werkelijk, en niemand vertelt het haar. Ze is geen onderdeel van het lotgenootschap. Toch slaat de titel van het boek ook op haar, want al is depressie een ‘witte mensen ziekte’, zowel Ajali als haar broer lijden eraan, ieder op hun eigen manier. Ook zij zijn lotgenoten, in een samenleving die hen beoordeelt op basis van kleur, waarin elke dag een strijd is tegen vooroordelen en discriminatie. Begrip, en vooral de vanzelfsprekendheid ervan, blijft vaak uit, zelfs tussen Ajali en haar broer. Pas als er iets verschrikkelijks gebeurt lukt het hen om elkaar te vinden. ‘Ik keek mijn broer voor het eerst in maanden aan. Echt, echt, aan. Alsof ik zijn ziel zou kunnen zien, zoals hij in staat bleek mijn ziel te zien.’

    Taal, saamhorigheid en uitsluiting

    Het meest opvallende aan Lotgenoten is misschien wel de manier waarop Ingabire taal gebruikt. Het zit hem in de treffende zinnen. Ingabire heeft de discipline te zorgen dat ieder woord klinkt als het juiste, dat haar zinnen precies lijken te zeggen wat ze wil zeggen. Daarnaast speelt ze met meertaligheid, en vooral de betekenis ervan. Naarmate het boek vordert wordt duidelijk met wie Ajali welke taal spreekt en welke woorden in die taal wel of niet kunnen worden gebruikt. Ajali spreekt Frans met haar familie en andere Rwandezen, Nederlands met haar Vlaamse vrienden en dan is er nog het Kinyarwanda, de taal van haar ouders en hun lotgenoten, die Ajali niet en haar broer wel beheerst. Ingabire weet tastbaar te maken dat taal meer is dan een manier om met elkaar te communiceren, het gaat om saamhorigheid en uitsluiting, om wie erbij hoort en wie niet, om de gedachteloze manier waarop Ajali’s Vlaamse vrienden het n-woord gebruiken, in 2011 nog! Ook Ajali zelf ziet zich genoodzaakt het te gebruiken, maar wel alleen als ze in het Nederlands én met hen praat.

    Geen college

    Ingabire slaagt erin een aangrijpend en geloofwaardig verhaal neer te zetten, dat ook nog eens prettig leest. Echt een boek om een paar uur in te verdwijnen, overigens niet alleen voor volwassenen, maar ook voor oudere tieners. Dat alleen is reden genoeg om Lotgenoten te lezen, maar Ingabire krijgt meer voor elkaar. De ingenieuze manier waarop zij de impact van racisme invoelbaar maakt en laat zien dat de gevolgen ervan doorsijpelen in ieder onderdeel van iemands leven is bewonderenswaardig. Dit maakt het boek niet alleen een aanrader voor mensen die deze gevolgen aan den lijve ondervinden, maar vooral ook voor mensen die zich hier niet of onvoldoende van bewust zijn en er mede daardoor aan bijdragen. Dat Ingabire dit voor elkaar krijgt zonder te verzanden in ellenlange uitleg of het geven van ‘colleges’ is een grote verdienste.

     

     

  • Een duivelspact

    ‘De woonkamer was volgestouwd met kleedjes, kussens, tafeltjes, vetplanten op de vensterbank, snuisterijtjes. Aan de muur prijkten een olieverfschilderijtje van een zeegezicht met aan de horizon op de baren een eenzaam zeil, en een schelpenschilderijtje met “groeten uit Katwijk”.’ Het is alsof Tsjechov of Toergenjev een huiskamer beschrijven, een raak getroffen voorbeeld van het beeldende schrijven van Lisette Lewin – in dit geval van een Nederlandse huiskamer uit de jaren twintig-dertig van de vorige eeuw. Het is de woonkamer van de grootouders van de ik-figuur uit de uit 1992 daterende en nu opnieuw uitgegeven roman Een hart van prikkeldraad van oud-journaliste en schrijfster Lisette Lewin.

    De ik-figuur beschrijft zichzelf als een alleenganger. Dat ‘kwam voor iedereen goed uit, want geliefd was ik niet’ zo aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Greetje heet ze. Greetje van der Plas. Haar eerste vriendje, een Pool, heet Mendel. Hij houdt haar ten onrechte voor joods, net als hijzelf, maar ze spuit alleen maar anti-joodse vooroordelen. Na een avondje is het dan ook alweer uit. En dat terwijl ze verre van anti-joods is opgevoed. Tegenover de buitenwereld blijft ze volhouden dat ‘Max’ (zoals ze hem is gaan noemen) naar de Verenigde Staten is vertrokken en hopelijk ooit terugkomt.

    Greta en Heinz

    Mendel wordt opgevolgd door een Duitser in uniform, Heinz Leinweber. Zelf noemt ze zich inmiddels Greta. Of, zoals Heinz haar noemt: Gretchen. ‘”Greta!” verbeterde ik zwakjes’. Greta leest Nietzsche, Heinz (Hein noemt zij hem tegen haar ouders) speelt Wagner, waarmee Lewin twee sjablonen van stal haalt van mannen die in de tijd van nazisympathieën al dan niet terecht in dat kamp worden getrokken.
    Lewin geeft Greetje/Greta/Gretchen als 17-jarige ouwelijke trekjes mee. Niet alleen omdat ze Nietzsche leest, maar ook omdat ze de sjans van Heinz ‘nogal vermoeiend’ vindt en zich ‘een hoog kapsel, met kammetjes en sierspelden’ laat aanmeten. Heinz worden wat minder nazi-welgevallige uitspraken in de mond gelegd, zoals zijn bewondering voor dirigent Bruno Walter en de violist Yehudi Menuhin. En de terechte wetenschap dat Nietzsche absoluut geen antisemiet was.
    Raak is het motto uit Bizets opera Carmen voorin het boek, temeer daar Nietzsche zijn voorliefde voor Wagner op een gegeven moment inruilt voor Bizet: Si tu ne m’aimes pas, je t’aime / Si je t’aime, prends garde à toi!. Het tweede motto verwijst, behalve naar Greetjes hart, naar de titel van het boek en is ontleend aan een soldatenliedje uit de mobilisatietijd: Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad / Blijf maar thuis… / Prikkeldraad!!

    Ingenieus maar niet zo strak

    Alles wat Heinz over Nietzsche en Wagner vertelt, schrijft Greta na de oorlog, in de jaren vijftig op in haar dagboek, waaruit ze regelmatig citeert. Hierin vermeldt ze ook dat Heinz haar een hoertje noemt en dat haar ouders erachter komen dat ze met een veel oudere Duitser heult. Ze verlaat daarop het ouderlijk huis. Ze moet van Heinz naar Strauss’ opera Salomé luisteren, een opera over een vrouw die de man moet behagen. Dit libretto rijmt met haar leven, net zoals het verhaal over oom Arie, die tegen het eind van de oorlog opeens ‘goed’ wordt, rijmt met de houding van de ik-figuur die opeens gaat twijfelen of haar ideologie, ontleend aan die van de nazi’s, wel de juiste is. De een uit opportunisme, de ander meer gemeend. Zulke voorbeelden geven aan hoe ingenieus Lewin deze omvangrijke roman heeft opgebouwd en uitgewerkt.

    Hetzelfde geldt voor de verhaallijn, die steeds zwartere randen begint te vertonen. Op een gegeven moment beveelt ze een vriend van Heinz, Dietrich, aan dat hij maar eens bij haar tante en oom in ‘Het Kaashuisje’ moet gaan kijken, ‘want daar is het niet pluis’ (lees: zij haten de nazi’s). Pure rancune omdat ze daar ooit de winkel werd uitgeschopt vanwege haar nazisympathieën. Zoals Heinz haar het in bezit genomen huis uitzet als ‘Mutti’ (zijn vrouw) komt en Greta even moet verkassen naar een pension.

    Behalve ingenieus is de roman een enkele keer ook op het randje van sentimenteel. Als de ik-figuur bijvoorbeeld na de oorlog op een stormachtige dag in een restaurant het verhaal aanhoort van een vrouw wier zoon in het laatste oorlogsjaar op straat is vermoord, staat er dat ‘het raam huilt’. Niet de vrouw zelf huilt, het is de regen die langs het raam druipt. Schijnheilig kijkt ze toe en liegt er tegenover de vrouw – die net als destijds Mendel in haar een joodse meent te zien – lustig op los. Tot haar naam, haar identiteit aan toe. Ze noemt zich Jessica, variant op de joodse naam Jiska: hij ziet uit naar God. Een duidelijk voorbeeld van toe-eigening. In dit geval misschien omdat de hoofdpersoon zich een slachtofferrol wil aanmeten.

    Dit neemt tussen haakjes niet weg dat de opbouw van het boek met terugblikken, dagboekfragmenten en met elkaar rijmende verhaallijnen, misschien wat strakker en meer uitgedund had mogen zijn, waardoor het ongetwijfeld aan kracht had gewonnen.

    Medicijnen en destructie

    Als Jessica Carvalho schrijft de ik-figuur zich na de oorlog in voor een studie medicijnen aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Ze raakt wederom verliefd op een joodse jongen, Eli, wiens eerste meisje in de oorlog spoorloos is verdwenen. Haar studie medicijnen staat haaks op de destructieve kracht die ze steeds meer tentoonspreidt. Ook Eli laat haar vallen. Ze heeft onenightstands en een verhouding met een docent, dr. Bonebakker, die bij de Joodse Raad en in Westerbork heeft gezeten. Het is overigens uitgerekend in zijn huis dat Heinz en zij hebben gewoond. Als lezer denk je inmiddels: hoe krijgt Jessica het weer voor elkaar! En Lisette Lewin. Ze neemt wraak op Bonebakker, die voor zijn vrouw kiest en maakt zijn carrière en huwelijk kapot.

    Vervolgens gaat ze in Spandau op zoek naar Heinz. En – o toeval – op straat komt ze hem, zijn vrouw, kleinzoon en diens wanstaltige hond tegen. Een beschrijving die de lezer weer terugvoert naar Russische romans waarin zulke beschrijvingen bon ton zijn. Het boek verliest door dit toeval nog meer aan geloofwaardigheid, of het moet zijn dat de auteur al dan niet terecht wil benadrukken dat je nooit van je verleden los kunt komen, al speel je een rol en verander je je naam.
    Ook op Heinz neemt ze wraak, en uiteindelijk ook op Eli. ‘O God, dat ik mij met één wrake wreke!’ schrijft ze in haar dagboek, de Bijbel citerend. Al ziet ze het zelf niet als wraak, want berouw kent ze niet.

     

  • Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • Wat staat mij als dichter te doen

    Schrijver en muzikant Bart Koubaa is een politiek-maatschappelijk betrokken dichter die zich in zijn woonplaats Gent al langer bezighoudt met het lot en leven van emigranten en vluchtelingen. Zijn ervaringen en inzichten heeft hij daarover vastgelegd in zijn essaybundel Dansen in tijden van droogte (2021). Koubaa debuteerde in 1988 met de bundel In de wolken. Dit is zijn tweede poëziebundel. Ook schreef hij enkele romans, waaronder het opzienbarende De leraar (2009).

    De verliefde engel
    bestaat uit drie afdelingen met vrije verzen. Elke epische afdeling van elf strofen eindigt met een lyrisch slotgedicht. Het getal elf wijst op een toekomstig gewenste verandering. De alwetende hij-verteller beweegt zich voortdurend tussen de hij en de dichter. De verhaallijn kent concrete, magische en religieuze momenten, met de engel als meest expliciete vertegenwoordiger. Op beslissende ogenblikken kiert de autobiografie van de dichter door de verzen heen. De nieuwe bundel vormt een aaneenschakeling van verrassende metaforen, spiritueel-mythische scènes met als ‘vurige’ scheppingsbron ‘de blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan. ‘De blauwe steen’ als metafoor manifesteert in New York en Gent zijn dwingende aanwezigheid met transcenderende uitwerking op het doen en denken van de hij en de dichter. 

    Bewustwordingsmoment

    In de eerste afdeling, ‘Manhattan of de ontdekking van de werkelijkheid, zomer’, weet de hij zich gedreven door de liefde die hem in staat stelt zichzelf te overstijgen. ‘De blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan, hem bij toeval in handen gekomen, vuurt hem aan het zekere pad te verlaten. Op aanraden van zijn Tunesische vrouw Laïla Koubaa opent de dichter met een scheppingsproces als ooit in het Afghaanse hooggebergte. Daar is in een ver verleden, ‘de ondoorzichtige lapis lazuli, / bezongen en bejubeld / om zijn oogverblindende schoonheid / en zijn vermogen diepe vrede / en heldere inzichten /met zich mee te brengen’. 

    Toen de gravers hem zagen, keken ze onder de grond ‘naar de hemel’. In de steen stond ‘hun toekomst’ geschreven. Het lijkt wel alsof, ‘God of de duivel / een flitsend geschenk  / voor [de] voeten [van de dichter] had laten vallen: / een blauwe meteoriet / die sindsdien deel uitmaakte / van zijn bestaan

    Voortaan was de steen de ‘magische toetssteen’ ‘die de zin / van de onzin’ zou scheiden. De dichter voert ons met deze vondst een heden vol transcendente momenten binnen. Zoals de dichter zijn pen opneemt, zo zit eenieder die de steen opneemt voor de rest van zijn leven aan zijn werking vast. Eenmaal in New York leest de hij op de reclameborden zijn levensopdracht: ‘Discover reality’.

    De directe aanleiding voor het bezoek aan New York in juni 2022 is het aanbod van een jeugdvriend van zijn vrouw, vice-ambassadeur van België bij de VN, om achter het spreekgestoelte van de Algemene Vergadering te staan. De hij laat zich met de blauwe steen op zak in gedachten meedrijven boven Harlem in een vrijheid ‘die elke dichter dichter / bij zijn doel’ brengt. Hij weet zich teruggeblazen naar Afghanistan, ‘dansend op de vleugels / boven reusachtige bergketens’. De vraag die zich daarboven aan hem ontvouwt, is of het nodig is mensen te doden, zoals de taliban en de Amerikanen in Afghanistan hebben gedaan, om rechtvaardigheid te bewerkstelligen. 

    Na de regen van bankbiljetten uit de grijsgroene wolk boven het Riverside Park vraagt de hij zich af wat er met al die armoede in de wereld moet gebeuren, naast de overdadige rijkdom in de stad: ‘Het goede kun je niet in steen schrijven, / het is vloeibaar als het sap van de papaver.’ Terwijl hij achter het spreekgestoelte staat, herinnert de hij zich het verhaal van de Afghaanse Mir Nazit, die bankroet raakte en een beslissing moest nemen: ‘Ik heb ten einde raad mijn jongste dochter, / Sofia, aan mijn oom verkocht, voor net geen 300 dollar.’ Een zelfverwijt klinkt daaruit op: we zijn helaas ‘teruggeworpen op het eigen overleven’.

    Verlangen naar samenzijn

    De titel van de tweede afdeling ‘Gent of de ontdekking van het hinkelspel, herfst’ herinnert aan het grillige lot uit de roman Een hinkelspel van Julio Cortázar. Het motto van Joseph Brodsky wijst op het verlangen van ieder mens naar niets anders dan samenzijn. In New York had hij ervaren dat het ‘denkbeeld van vrijheid’ omvergeworpen was. Er trokken ‘Afghaanse rillingen’ over zijn lijf, denkend aan wat haar was overkomen. ‘Het gezicht van een kleine engel’ verscheen boven zijn stad Gent. In de oranjevlammenzee keek ze hem aan. Zijn kernvraag is: ‘Wat [is] het belangrijkste vraagstuk / van de filosofie?’ Hij weet het antwoord daarop eigenlijk niet, maar hij voelt zich te veel mens ‘om onbewogen te blijven / bij de prijs op haar hoofd.’ In zijn Gentse onderkomen reikt een engel hem het voorlopige antwoord aan: Safia vraagt om sereniteit. 

    Starend in het vuur bezon de hij zich op manieren om haar te kunnen teruggeven aan haar ouders. Hij beseft dat niet religie of traditie haar rechten schonden, maar de Afghaanse oorlogen. In zijn slaap ‘vliegt’ hij met haar over de oceaan van Afghanistan naar de VN en, ‘neuriëde zachtjes voor Safia Nazir / een slaapliedje waaruit alle poëzie / en vuur was ontstaan’.

    Hij vraagt zich af of hij zich niet vergist heeft. Maar fladderen vergissingen ‘niet altijd rond de waarheid / als engelen rond een licht?’ Een meisje, dat niet Safia heette, wijst hem op het hinkelpad. Het is aan de dichter om met woorden naar de toekomst te hinkelen.

    Schrijven over morele kwesties

    In de derde afdeling ‘Takoe-takoe-taan of de ontdekking van de dichter, winter’ geeft Koubaa aan hoe moeilijk het is een gedicht te schrijven over een morele kwestie: ‘Het is niet de taak van de dichter / om de ziel van Safia Nazir te redden, / maar om haar ziel / de moeite van het redden / waard te maken.’ Het blijft ambivalent om in het breugeliaans winterlandschap een gedicht voor Safia te schrijven: ‘Hoe dichter hij het absurde naderde, / hoe intenser het onmogelijke zich liet zien’. Even verkeert de hij in de waan om naar ‘het paradijs! – op te stijgen’, maar met een doffe klap belandt hij weer op het ijs en raakt zijn blauwe steen kwijt. Deze dichter, ‘Salvator Mundi’,  raakt het spoor bijster. 

    We raken verzeild in een vergelijkbaar sneeuwlandschap als in De sneeuwkoningin van Andersen, waar de kleine Kay de glassplinters in woorden legt. De hij vreest dat het gedicht in verkeerde handen terechtkomt. Daarom selecteert hij denkbeeldig een regenbui met geld boven Afghanistan, om zodoende met die dollars de ‘schulden af te lossen’, opdat de meisjes naar school kunnen. Misschien zou het goed zijn de werken van Voltaire boven Afghanistan af te werpen, opdat het land zou seculariseren. Maar ‘Discover reality’: we denken wel als de verlichte Voltaire, maar ‘doen als idioten’. De inheemse Amerikanen die Frankrijk bezochten, wezen er al op dat het geld de bron van alle kwaad is. In zijn slaap zocht de hij op de oceaan de ziel van Safia Nazir. Uit de zee steeg het koor op: ‘Ik ben Afghanistan waarvan ik verdreven ben, hier ben ik, morgen word ik geboren.’ De hij weet dat hij ‘parels voor de zwijnen / heeft gegooid, / [om] oprecht een ziel de moeite / van het redden waard [..] [te] maken.’

    Enkel in de stilte gebeuren echter de grootste wonderen. De dichter heeft geen keuze in wat in hem opkomt. Gelukkig of niet: ‘elk gedicht was uiteindelijk / de puinhoop van een volmaakt / een voortreffelijk idee’. Daarna pakte hij ‘de blauwe steen’ en gooide hem in de hoek waar de winter voorbijsnelde. Een peper-en-zoutvlinder bevrijdde zich uit een voeg en kondigde een eerst bloesem in zijn kroon van de bottende tak de lente aan. 

    In de laatste afdeling ‘De dichter spreekt de Verenigde Naties toe, lente’ beseft de hij de kracht van het transpersoonlijk bewustzijn dat werkzaam is in het leven. Dat laatste vindt zijn uitdrukking in het bemiddelend optreden van ‘de blauwe steen’ én de engel bij zijn dichterlijke werk. We worden omringd, en naast ons waakbewustzijn, mede gestuurd door een energie die ons verstand te boven gaat. Dit dichterlijk besef maakt deze bundel tot een bijzonder gelaagde leeservaring. In de transcendente liefdesverbinding tussen het meisje, de engel en de dichter ligt de zin van het dichterschap besloten: ‘een meisje, een verliefde engel // met een ziel, de moeite van het redden waard’.



     

  • Een vogel per maand

    Dit gaat nooit voorbij is een bundel persoonlijke verhalen over de wandelingen die Octavie Wolters maakt in de Limburgse natuur, in de buurt van haar huis. In twaalf maanden neemt ze ons mee op haar wandelingen doorheen de seizoenen. In elke maand praat ze met een andere vogel. Op elke spread vinden we links de tekst en rechts een pagina vullende linosnede van de desbetreffende vogel.

    […]

    Dit gaat nooit voorbij is een bijzonder boek. Bijzonder, omdat het een buitengewoon knap kunstwerk is en omdat het niet onder één hoedje te vangen is. Het is geen prentenboek voor kinderen; daarvoor zijn de teksten niet genoeg afgestemd op hun leefwereld en bovendien aan de lange kant. Ook de illustraties zijn niet meteen wat we verwachten in een kinderboek. Maar het is ook geen graphic novel voor volwassenen. Dit gaat nooit voorbij is wèl een prentenboek, voor iedereen vanaf een jaar of 16, die wijs en gevoelig genoeg is om te genieten van wat Octavie Wolters hier zo magistraal verwoordt en verbeeldt.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Liefde, cultuur en macht

    Met de openingszin van Het monster van Sint-Helena vat de Catalaanse Albert Sánchez Piñol zijn hele boek samen. ‘Wat zou er gebeuren als we de Liefde, de Cultuur en de Macht in één kamer bijeenbrachten? Ik geloof, Lief Dagboek, dat alles begon met deze overigens frivole en banale vraag, die ik mezelf op een dag stelde.’ Piñol vroeg zich af wat er zou gebeuren als deze drie denkbeelden samen zouden komen. Voor de Liefde koos hij de markiezin van Custine als personificatie; de schrijver en denker De Chateaubriand was Cultuur en Napoleon Bonaparte kan worden geïdentificeerd als de Macht. Plaats van delict: Sint-Helena. Hoewel hij historische figuren gebruikt tegen de achtergrond van het eiland met de villa Longwood, waarin Napoleon gevangenzat en bewaakt werd door een garnizoen van duizenden soldaten, is Het monster van Sint-Helena geen historische roman, maar fictie.

    Het verhaal speelt rond 1819. Delphine Sabran, markiezin van Custine, leeft voor en van de liefde. Ze is de minnares van de grote Franse schrijver en denker Francois René de Chateaubriand. Ze houdt veel van hem en vraagt zich af of hij ook wel zoveel van haar houdt want hij spreekt de woorden nooit uit. Om hem uit te dagen en misschien ook uit pure verveling, verzint ze een plan. Samen met hem maakt ze de reis naar Sint-Helena om aldaar Napoleon Bonaparte te verleiden, zodat Chateaubriand, als hij echt verliefd is op Delphine, wel jaloers moet worden.

    Allegorie

    Tamelijk humoristisch en naïef is dit het begin van de allegorie Het monster van Sint-Helena. Een allegorie die staat voor de verheerlijking van de macht (momenteel actueler dan ooit); de onontkoombare liefde, en de teloorgang van de cultuur of beschaving. Delphine is intelligent, goed van de tongriem gesneden en heeft bovendien zelfspot. Ze vertrouwt haar zielenroerselen toe aan haar ‘Lief Dagboek’, dat ze te pas en te onpas als zodanig aanspreekt, wat aanvankelijk irriteert, tot het grappig wordt. In feite is ook het dagboek een personage in het verhaal.

    Chateaubriand en Delphine zijn beiden verwend en arrogant en denken de wijsheid in pacht te hebben. Na maanden op het zeilschip naar Sint-Helena, met veel citroenen tegen scheurbuik en vitaminegebrek en diepe verveling, komen ze eindelijk op het desolate grijze, lelijke Sint-Helena aan. Een eiland dat vergeven is van ratten. ‘Lief Dagboek, die geluiden, dat alomtegenwoordige krikrak in de herberg, in het huis van de gouverneur, in het huis van Umbé, zijn geen houtwormen maar ratten. Achter elke wand, over elk plafond, onder de houten vloeren, en hier is alles van hout. Ratten. Het hele eiland is ervan vergeven. Ratten.’

    Monsters

    De grote Napoleon krijgen ze vooralsnog niet te zien. Ze verkassen van de herberg naar het huis van Umbé, die als slavin en voormalige minnares van Bonaparte een slachtoffer is van de macht. Ze is doof en blind, maar overleeft met een groentetuin en haar kippen. Eén kip is bijzonder, mismaakt maar reuze slim. Delphine heeft een zwak voor deze kip, die Trophy wordt genoemd en de beste eieren legt. Umbé en iedereen op het eiland waarschuwt Delphine voor ‘Boney’. Hij is een monster, toch ziet Delphine uit naar de ontmoeting, er nog steeds van overtuigd dat alles zal veranderen als hij haar ziet. De teleurstelling is groot.

    Behalve Napoleon is er volgens sommige bewoners en Umbé nog een monster in aantocht. Er wordt veelvuldig gesproken over de Bigcripi en langzaamaan krijgt het verhaal sterke fantasy-elementen. De Bigcripi is een watermonster van ongekende afmetingen dat aan land komt en alles om zich heen verwoest.

    In een interview met Publico zegt Piñol dat hij begon met een kort verhaal, maar zoveel plezier in het schrijven kreeg dat het steeds langer werd. Bovendien zat hij net als iedereen in de covidpandemie gevangen. Het is makkelijk om de Bigcripi, het watermonster, als een metafoor van het coronavirus te zien. ‘Ik had een slechte tijd, de maatregelen volgden elkaar op. Een optelsom van Bigcripi’s, de een bijt in de staart van de ander.’

    Wanneer de macht, de liefde en de cultuur in een kamer zijn, lijkt er een soort balans te ontstaan van hypocrisie. Tot de macht de liefde verkracht en de cultuur ten onder gaat en zodra de Bigcripi’s op het eiland verschijnen worden dankzij hun ingrijpende destructie alle pionnen verzet; de karakters van de hoofdpersonages veranderen. Macht wordt verzwolgen, Cultuur komt tot inkeer en Liefde herpakt zichzelf. ‘Het is nu niet langer een poëtisch steekspel tussen Bonaparte en Chateaubriand, tussen de literatuur en de politiek, maar een strijd om te overleven, en ik zal er alles aan doen om ons hier levend uit te laten komen. Soms is de verhevenste uiting van liefde het waarborgen van de veiligheid van de geliefde.’

    Vrouwelijke veerkracht

    Dat Delphine als vrouw het dagboek schrijft en haar visie op de gebeurtenissen geeft is een sterk gegeven. De rol van de vrouw krijgt een duidelijke plaats in het hele machtsverhaal. Net als Umbé en het watermonster, dat uiteindelijk ook vrouwelijk blijkt te zijn, tonen zij veerkracht. ‘Voor een ogenblik stonden wij drie vrouwen, de drie ongelijksoortigste wijfjes van het heelal, met elkaar in verbinding, zoals de drie punten van een driehoek onvermijdelijk verenigd zijn.’

    Een boek dat als een tamelijk naïef liefdesverhaal begint eindigt met een gewelddadige veldslag, waarin de gekte van mannen die oorlog voeren overheerst. Piñol is een geëngageerd schrijver met een ongebreidelde fantasie die zorgt voor een paar uur leesgenot, maar uiteindelijk is Het monster van Sint-Helena een klucht die niet echt zal beklijven.

     

  • Gynaecologisch verzet op de plantage

    In een interview met The Center for Fiction wordt schrijfster Tracey Rose Peyton gevraagd naar de aanleiding voor de thematiek in haar debuut Waar we gaan is nacht, dat genomineerd is voor de Amerikaanse First Novel Prize 2023. Ze vertelt in het interview dat ze geraakt is door een boek van historica Paula Giddings, Where and When I Enter. In dat boek worden verschillende manieren beschreven waarop tot slaaf gemaakte mensen op plantages in de Verenigde Staten indertijd verzet boden, bijvoorbeeld door expres traag te werken, door hun werk te saboteren, maar ook door hun eigenaren op gynaecologisch gebied tegen te werken, met andere woorden: door niet zwanger te worden of door ervoor te zorgen dat zwangerschappen vroegtijdig tot een einde kwamen. Deze laatste vorm van verzet inspireerde Tracey Rose Peyton (pas afgestudeerd aan het Michener Center for Writers aan de universiteit van Texas-Austin) tot het schrijven van haar eerste roman.

    De hoofdpersonages in het boek zijn zes vrouwelijke slaven, die in een niet heel gebruikelijk maar wel effectief wij-perspectief een collectieve stem vormen. Hun eigenaren, Lizzie en Charles Harlow (de zwarte vrouwen noemen hen de Lucy’s, naar Lucifer), hebben hun noodlijdende plantage in Georgia verlaten om hun geluk opnieuw te beproeven in Texas. Junie is de enige slavin die uit Georgia is meegekomen, waarbij ze haar man en kinderen moest achterlaten. Dat laatste neemt ze Lizzie erg kwalijk. Charles heeft in Texas een aantal nieuwe en uitsluitend vrouwelijke slaven gekocht, Patience, Lulu, Alice, Serah en de oudere Nan. Pas achteraf bedenkt hij dat het met het oog op nageslacht handiger zou zijn geweest om ook mannelijke slaven aan te schaffen, maar die waren duurder. De zes vrouwen wonen noodgedwongen bij elkaar en voelen een verbondenheid in hun gezamenlijke vijand, de Lucy’s. ‘We waren met elkaar verbonden door wat vrouwen zoals wij met elkaar verbindt. Dat maakt mensen nog geen familie. Het maakt dat ze zich opgesloten voelen. En dat kan ze haatdragend maken naar elkaar, tenzij die haat wordt omgebogen en ingezet voor iets heel anders.’

    Fokslaaf

    De plantage in Texas is evenmin een succes voor Charles en Lizzie. Ze hebben grote schulden en proberen manieren te bedenken om toch aan geld te komen. Lizzie krijgt het ene na het andere kind en heeft steeds opnieuw grote moeite om een geschikte min te vinden. Op een dag heeft Charles een ‘fokslaaf’ gehuurd, waarmee hij ervoor wil zorgen dat er baby’s geboren gaan worden bij de zwarte vrouwen. Deze toekomstige kinderen zouden op de plantage kunnen gaan werken of zelfs verkocht kunnen worden. Het probleem van de min zou ook opgelost zijn. Uiteraard voelen de vrouwen er collectief niets voor dat er op deze manier misbruik van hen gemaakt wordt. Ze doen hun best om zo onaantrekkelijk mogelijk te zijn voor de fokslaaf. De oudste van de zes vrouwen, Nan, is de vruchtbare leeftijd al gepasseerd. Zij is vroedvrouw en weet veel van planten en kruiden. Met haar middeltjes weet ze de fokslaaf ziek te maken. Om te voorkomen dat ze zwanger worden, kauwen de vrouwen op wortels van de katoenplant. Charles krijgt argwaan wanneer niemand van de jonge vrouwen zwanger blijkt te zijn maar heeft nog een plan B achter de hand.

    Er breekt voor iedereen een andere fase aan wanneer er buren komen die ook een plantage met slaven hebben. Charles ziet vooral concurrentie, maar de vrouwen genieten van de geheime bijeenkomsten die ze ’s avonds en ’s nachts in het bos hebben met de andere slaven. Wanneer Serah betrapt wordt, moet ze een tijdlang een soort harnas met een bel erin dragen, zodat hoorbaar is waar ze zich bevindt. De sfeer in Texas en op de plantage wordt dreigender en grimmiger doordat er op een gegeven moment verhalen rondgaan over slaven die zich  tegen hun meesters keren. Er zijn bijvoorbeeld geruchten over slaven die moorden plegen of waterputten vergiftigen. Charles neemt steeds strengere maatregelen om zijn gezin te beschermen tegen die toenemende dreiging.

    Vragen

    De verhaallijn van de vrouwen die maar niet zwanger worden is interessant en de angst van de vrouwen dat hun plan en de maatregelen die ze treffen om zwangerschappen te voorkomen aan het licht komen is voelbaar. Het wij-perspectief, op zich echt een vondst in deze context, wordt helaas niet consequent gehanteerd en dat maakt het boek toch wat rommelig. Via een alwetende verteller wordt bijvoorbeeld duidelijk dat ook Lizzie haar leven niet altijd gemakkelijk vindt. De roman zou krachtiger geweest zijn wanneer die verhaallijn van Lizzie achterwege was gelaten of toch ook alleen via het wij-perspectief was gedeeld. Nergens voel je als lezer namelijk enige sympathie voor haar (of voor haar man). Daarnaast zijn er aan het eind van het boek wat brieven aan Serah te lezen van een mannelijke slaaf van een buurplantage. Deze brieven vormen niet alleen opnieuw een onderbreking van het perspectief, maar roepen vooral vragen op. Hoe is het mogelijk dat Serah kon lezen en dat haar gevluchte geliefde zulke volzinnen kon schrijven in een tijd dat het vooral als gevaarlijk werd beschouwd om slaven te leren lezen en schrijven? Ten slotte zorgen grote tijdsprongen aan het eind van het boek ervoor dat er veel vragen overblijven.

    Schrijnend

    Het is belangrijk dat het verhaal van het slavernijverleden van de Verenigde Staten verteld blijft worden. Tracey Rose Peyton heeft daar een nieuwe dimensie aan toegevoegd met de invalshoek van het gynaecologisch verzet. In dat opzicht is het een bijzonder debuut, waarin het lijden van tot slaaf gemaakte mensen schrijnend en invoelbaar aanwezig is, al kun je je afvragen wat het boek verder toevoegt aan de al bestaande literatuur. Waar we gaan is nacht is een donker en somber boek, zonder enige hoop en er zijn wat rafelrandjes waar het gaat om het perspectief, de geloofwaardigheid en wat losse eindjes die onvoldoende afgehecht worden. Maar desalniettemin is het een opvallend en vlot leesbaar verhaal.

     

     

  • Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Babi Jar heeft als ondertitel ‘een document in de vorm van een roman’. De Oekraïens-Russische schrijver Anatoli Koeznetsov (1929-1979) schreef de eerste versie van Babi Jar als veertienjarige in een dik schrift tijdens de Tweede Wereldoorlog nadat hij de gruwelijkheden rond het ravijn Babi Jar bij Kiev had meegemaakt. In 1966 werd het zwaar gecensureerde boek in twee miljoen exemplaren in de Sovjet Unie gepubliceerd en in Nederland verscheen de vertaling ervan in 1967. Na zijn vlucht uit de Sovjet Unie kon Koeznetsov de ongecensureerde versie met aanvullingen in 1970 in Londen publiceren. 

    Hoe het mogelijk is dat die laatste versie van het boek nu pas in het Nederlands is vertaald, vermelden de flaptekst en inleider Arnold Grunberg niet, maar vorig jaar verscheen ook een Amerikaanse herdruk ter gelegenheid van één jaar Russische inval in Oekraïne. In zijn voorwoord schrijft Grünberg dat een voorwoordschrijver ‘angstaanjagend veel op de recensent’ lijkt, omdat er van hem wordt verwacht dat hij veel in eigen woorden samenvat, maar hij laat Koezetsov zelf aan het woord als deze cynisch schrijft over het Duits humanisme van de moordenaars: ‘(…) er zijn evenveel humanismes op de wereld als moordenaars. En elke moordenaar heeft zijn eigen, edelste humanisme, en zijn eigen culturele vernieuwing.’ 

    Catastrofale goedgelovigheid

    In het ravijn Babi Jar bij Kiev werden door de nazi’s meer dan 100.000 mensen vermoord, te beginnen met ruim 33 duizend Joodse burgers op twee dagen in september 1941; zij waren een dag eerder opgeroepen voor een gedwongen verhuizing onder bedreiging van executie voor het niet opvolgen van de oproep. Opvolgen of niet, het maakte in feite niet uit wat je deed, maar goedgelovigheid deed de meeste Joden het bevel opvolgen. Koeznetzsov schrijft daarover: ‘De systemen gebaseerd op leugen en geweld hebben handig een zwakke plek in de mens ontdekt en tot eigen nut aangewend: zijn goedgelovigheid.’ Ook dit maakt het boek bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen, nepnieuws en desinformatie.     

    Volgens Grünberg heeft ‘wie meent alles over de Tweede Wereldoorlog te weten (…) geen recht van spreken’ als hij niet dit boek van Koezetsov heeft gelezen. En terecht, dit boek laat door de dagboeken van de jonge Russische Koeznetsov zien wat in Kiev is gebeurd en de nazi’s aan het eind van de oorlog geprobeerd hebben te verbergen. Net als dit na de oorlog door de Sovjet Unie onder leiding van Stalin nogmaals is geprobeerd, omdat de dood van de Joden niet belangrijk genoeg werd geacht en bovendien in het verlengde lag van het antisemitisme en de moord op Joden in de Sovjet Unie in de vooroorlogse jaren. 

    In de uitgave van het boek in 1970 zijn, net als in deze vertaling, drie verschillende soorten tekst te onderscheiden: de eerste uitgegeven tekst uit 1967 – in normaal lettertype – , de door de censuur geschrapte tekst – in vet lettertype – en wat Koeznetsov na 1967 heeft toegevoegd – tussen vierkante haakjes.  

    Gecensureerde bladzijden

    De vet gedrukte, gecensureeerde  tekst komt  op iedere bladzijde voor, soms bladzijden achter elkaar en bevat volgens Koeznetsov  in zijn voorwoord ‘Aan de lezers’, ‘de belangrijkste betekenis waarvoor het boek geschreven werd’. Het begint al in het inleidende hoofdstuk waar hij schrijft: ‘Ik ben vaak begonnen met het schrijven van een gewone documentaire roman, maar zonder enige hoop die ooit gepubliceerd te zien.’ En even verder: ‘Ik schrijf alsof ik onder ede voor het hoogste gerecht een getuigenverklaring afleg en ik sta in voor elk woord. Dit boek vertelt alleen de waarheid.’ Een onvoorstelbare waarheid waarin mensen niet alleen werden neergemaaid door machinegeweren, maar ook tot worst werden vermalen door een Oekraïense slachter in deze tijd van onvoorstelbare hongersnood.

    De roman begint in september 1941 als het Rode Leger zich heeft teruggetrokken uit Kiev, de Duitsers binnentrekken en het plunderen begint, door de Duitsers … en door de inwoners. Voor een groot deel bestaat het boek uit de observaties die de jonge Anatoli in een dik schrift heeft geschreven dat hij later had verstopt. Zijn moeder vond het schrift na de oorlog en moest erom huilen. ‘Zij was de eerste die zei dat ik er een boek over moest schrijven.’ Koeznetsov woonde in een buitenwijk in de buurt van het ravijn dat een van de speelplekken in zijn jeugd was. Het werd een verboden zone, met prikkeldraad onder hoogspanning. Hij hoorde er ‘machinegeweren ratelen, met verschilende tussenpozen: ratata,rata…Twee jaar lang heb ik dat gehoord, dag in, dag uit, en ik hoor het nog steeds. Tegen het eind steeg uit het ravijn een dikke, vette rook op. Dat duurde drie weken.’

    Ooggetuigenverslagen

    Nadat hij met een vriend in het ravijn had rondgelopen en zij er geen grof zand vonden zoals vroeger maar witte steentjes die restanten van botten bleken te zijn in grijze mensenas, besloot hij dat hij alles moest opschrijven zoals het echt gebeurd was. Naast zijn eigen dagboeken gebruikt Koeznetsov documenten, onder meer bekendmakingen in het Oekraïens  Parool, later het Nieuw Oekraïens Parool toen het bestaande werd verboden wegens ‘verraderlijke doelen’ en de hoofdredacteur in Babi Jar werd gefusilleerd.  En hij citeert uit Sovjetpublicaties uit de jaren zestig over de nazi-Duitse bezetting. Koeznetsov beschrijft zijn eigen observaties, die van vrienden en familie en de verhalen die hij hoorde van overlevenden die hij na de bezetting opspoorde.  Eerst zijn de Okraïeners opgelucht dat ze van de Sovjets af zijn na jaren uithongering en onderdrukking, en hebben ze sympathie voor de bezetter, maar dat verandert als ze er al snel achter komen dat ook zij gebruikt worden voor de Duits oorlogsindustrie en met razzia’s opgepakt konden worden.  

    De ooggetuigenverslagen van de explosies in de binnenstad van Kiev, van de executies in Babi Jar en over de arbeiderswijk Darnitsa, die was afgesloten met prikkeldraad om zo’n 60 duizend gevangenen vast te houden, behoren tot de gruwelijkste over de Tweede Wereldoorlog. Evenals de bekende verhalen over concentratie- en of vernietigingskampen in Oost Europa. Deze tragische gebeurtenissen zijn nog schrijnender met de huidige oorlog van Rusland in het nu zelfstandige Oekraïne. Het boek eindigt met de lafhartige pogingen van de Duitsers om voor hun terugtocht de moord op ruim honderdduizend slachtoffers in Babi Jar te verbergen en de latere ontkenning door de Sovjet Unie van wat er zich heeft afgespeeld. Op de plek van het ravijn van Babi Jar werd een woonwijk gebouwd en er was lang – tot 2001 – geen aandenken of monument. 

    Koeznetsov bespiegelt tussen zijn ervaringen door zijn eigen lot en dat van de mensheid. Zijn toon is niet alleen dramatisch. Hij vindt dat hij mazzel heeft gehad: ‘ik hoefde door mijn leeftijd niet naar Duitsland, bommen en kogels raakten me niet, patrouilles vingen me niet (…)’. Maar hij is ook geschokt, misselijk en wanhopig. ‘Waarvoor ben ik geboren, waartoe kruip ik rond in deze wereld als in een gevangenis?’ Hij vraagt zich af wat er morgen zal gebeuren. ‘Staat ons meer barbarij te wachten?’ Zijn boek is een onmisbaar pleidooi voor de vrijheid van de mens als kostbaarste bezit. 

     

     

  • Soms valt alles op zijn plek

    Yorick Goldewijk heeft, samen met illustratrice Jeska Verstegen, een pareltje toegevoegd aan zijn oeuvre en aan de Nederlandse (jeugd)literatuur. De boom die een wereld was is een prachtig boek met wonderschone taal en illustraties die je helemaal meezuigen in de licht filosofische verhalen van dieren die in en om een oude boom wonen en allemaal net even anders zijn.

    […]

    Op het eerste gezicht lijkt De boom die een wereld was een Toon Tellegen-achtig boek, maar dan voor kinderen. Dat doet het boek echter tekort, hoe complimenteus ook bedoeld: het is wonderlijk hoe diepgaand de verhalen zijn en tegelijkertijd zo eenvoudig en simpel zijn. Aangegeven wordt dat dit boek voor 8+ is, maar je kunt het ook prima voorlezen aan jongere kinderen. En elke volwassen lezer zal er zeker ook volop van genieten.

  • Overleven in een wereld die tegen je is

    Van de jonge Deense schrijver Thomas Korsgaard (1995) – in eigen land veel gelezen – verscheen zijn eerste roman uit 2016 in vertaling onder de titel Mocht er iemand langskomen. Het is het eerste deel van een trilogie waarin de belevenissen van de jongen Tue, opgroeiend in een dysfunctioneel boerengezin in het gehucht Nørre Ørum op het platteland van Jutland, centraal staan. Volgens Tue een voorstad van de duisternis. Korsgaard zegt dat hij zichzelf herkende – maar dan zonder de religieuze context – in De avond is ongemak van Lucas Rijneveld dat hij in Deense vertaling las.

    Hoofdpersoon Tue kijkt in afgeronde hoofdstukken terug op zijn kindertijd tot aan het behalen van zijn diploma aan de Folkeskole. In Denemarken zitten alle leerlingen van hun zesde tot en met hun zestiende jaar bij elkaar en kiezen dan pas voor een vervolgopleiding op gymnasium (vergelijkbaar met bovenbouw Nederlandse scholen) of voor een technische opleiding. Tue is volgens schoolhoofd Inga ‘bepaald niet dom’, dus wordt het gymnasium.

    Vanaf zijn vroegste jeugd is Tuevertrouwd met de dood. Die zit als het ware in hem, zoals hij zelf zegt. Zijn moeder krijgt een doodgeboren kind, hij moet zijn oom helpen met de bevalling van een dood biggetje dat vastzit in het geboortekanaal, waar hij met zijn kleine vingertjes bij kan en zijn vader doodt met een spa de ratten die in de keuken achter houten panelen verblijven. Het is voor een deel herkenbaar voor iemand die op het platteland is opgegroeid, maar daarom niet minder morbide. 

    Gemankeerde ouders

    Tue wordt omringd door gemankeerde ouders. Zijn moeder is na de doodgeboorte van haar kind depressief. Ze brengt haar leven door achter een laptop waarop ze kaartspelletjes doet en er een kapitaal doorheen jaagt. Ze houdt zich min of meer op de been door het slikken van ‘gelukspillen’. Als ze een zelfmoordpoging doet, wast Tue zijn moeders bloed af. Zijn vader Lars is een stoere, maar ook gevoelige man. Hij vecht met alle middelen tegen de financiële ondergang van zijn bedrijf en schuwt daarbij onoorbare praktijken niet. Vader komt min of meer onder curatele te staan van zijn broer die hem financieel overeind houdt. 

    Zijn ouders kunnen hem niet met zorg en liefde omringen. Zijn moeder vindt dat heel erg, maar kan niet uit haar eigen lethargie loskomen. Zijn ruige vader laat zich af en toe verleiden tot een uitje met zijn zoon, maar wordt langzamerhand ook wanhopig van zijn vrouw, zijn bedrijf en zijn kinderen. Tue voelt zich meer de opvoeder van zijn ouders, hij accepteert hun onberekenbaarheid en zombiegedrag. Op school is hij tegendraads, gaat zoveel mogelijk zijn eigen gang of brengt tijd door met vriendjes en vriendinnetjes. Ook die vrienden geven te denken. Hij wordt door hen vaak behandeld als oud vuil. School en dorp zijn een jungle, waarin hij moet overleven, bepaald geen veilige omgeving. Alleen met zijn zelfbewuste vriendin Iben, die uit een ander milieu komt, ontwikkelt hij een zekere vertrouwdheid. Zij verleidt hem tot de plaatsing van een oorbel, die hij thuis snel weer uitdoet als zijn moeder blijk van afkeuring geeft.

    Zo groeit Tue op in een wereld, waarin niemand zijn diepste gevoelens uitspreekt maar ze verpakt in stilzwijgen of in cliché’s. Niemand in deze roman komt bij zijn of haar gevoel. De onmacht op dit punt is groot, ook bij Tue zelf. Een mooi voorbeeld is een dialoog tussen Tue en zijn moeder voorafgaande aan de diploma-uitreiking van Tue. In de auto op weg naar de school vraagt Tue zijn moeder of ze wel blij is dat hij het diploma behaald heeft. Ze zegt ja. Tue vraagt hoe ze dat weet dat ze blij is. Moeder Lonny antwoordt ‘Dat weet ik omdat een moeder op een dag als vandaag blij hoort te zijn.’ 

    Overlevingsstrategie

    Door niet al te veel op te vallen en zich aan te passen aan de omstandigheden, kan Tue overleven in deze onherbergzame wereld. Hij komt erachter dat hij op jongens valt, wat hem nog geïsoleerder maakt. De enige bij wie hij zich echt op zijn gemak voelt is oma Ruth, bij wie hij graag logeert. Deze kettingrokende oma sterft echter nog voordat Tue zestien is. Zijn verdriet hierover kan hij niet uiten. Zijn moeder reageert hysterisch als zij sterft en sluit zich op in de badkamer. Tue krijgt slaande ruzie met zijn vader. Tijdens de koffie na de begrafenis gedraagt hij zich in de geest van oma en steekt een sigaret op. Terwijl hij zijn vader beloofde rookvrij te blijven zodat deze zijn rijbewijs wil betalen. Roken is trouwens erg dominant in dit boek. Iedereen doet het, terwijl het verhaal speelt in de jaren negentig, toen het al op zijn retour was. Roken biedt de onmachtigen troost en houvast.

    Het boek eindigt met een twee pagina’s vullende gedachtestroom van Tue. Het is een soort inleiding op deel twee. Zijn moeder is van huis weggelopen. Tue voorspelt dat ze terug zal keren om de kinderen met zich mee te nemen. Tue is ook van plan uit huis te gaan nu hij zijn diploma heeft, hij fantaseert erover hoe zijn vader op de boerderij zal overleven. Maar zijn vader is nog niet dood, daarom kan hij nu nog niet alles zeggen.
    Dat belooft nog wat voor het vervolg, waarop hij met deze monologue intérieur vooruitloopt. Korsgaard schreef dat vervolg al, nog twee delen liggen op vertaling te wachten, waarvan het eerste in november in Nederland verschijnt.

    Korsgaard heeft een rechttoe rechtaan, droevig stemmende roman geschreven die chronologisch verloopt. Hij heeft zijn eigen leven ervoor als grondstof genomen. Dat gegeven is verder niet van zoveel belang, behalve voor biografen. De roman bevat veel komische, bizarre en vermakelijke momenten. Korsgaards dialogen zijn erg goed en vol onverwachte wendingen. Dat maakt het lezen plezierig en interessant. Door het ontbreken van zelfreflectie bij de hoofdpersonen is het echter geen roman die tot inleving uitnodigt. Het is te veel en-toen-en-toen-en-toen. Niet het waarom, maar het wat en hoe wordt verteld. 

    Het stilzwijgen van zijn ouders is voor de jonge Tue bepalend, maar niet desastreus. Hij ontwikkelt zich mede daardoor tot een op zichzelfstaande jongen die zich leert te redden. In het nawoord bedankt de schrijver zijn moeder, omdat zij – toen hij nog klein was – hem verhaaltjes vertelde waarvan hij veel heeft geleerd. Zij is ook een slachtoffer geworden van de dood die in haar wortelschoot. 



  • De kracht van fictie

    ‘Maar deze nacht, in de Moezelvallei, met de trein die fluit en mijn kameraad uit Semur, ben ik twintig jaar en lap ik het verleden aan mijn reet.’ Deze verzuchting slaakt de twintigjarige Jorge Semprun in 1943 tijdens de vierde nacht in de treinwagon waarin hij met 120 mensen zit opgesloten met, wat pas later zal blijken, bestemming Buchenwald. In De grote reis legt de Spaanse schrijver Jorge Semprun in een autobiografisch memoir over zijn ‘reis’ verantwoording af van wat hij gezien en ervaren heeft. In de wagon beseft hij dat hij dit niet nu, maar pas later, na vijftien jaar misschien, kan doen. Semprun vertelt zijn verhaal vooral via gesprekken, die hij in de treinwagon heeft met een Franse jongen uit Semur, die tegen hem aangeklampt staat in de opeengepakte wagon en die hij heeft leren kennen in het kamp in Compiègne.

    Zijn boek, De grote reis, zal pas in 1962 in druk verschijnen. Hij heeft er dan wel al jaren aan gewerkt. Uit zijn beschrijving van het overlijden van een oude man onderweg in de treinwagon blijkt hoezeer zijn denken over leven en dood zich tijdens de reis heeft ontwikkeld. De oude man komt te overlijden ondanks pogingen van de jongen uit Semur hem te helpen. ‘“Het zal wel iets met het hart zijn”, zegt de jongen uit Semur. “Het is een heel gewone gebeurtenis, een hartaanval, het had hem ook aan de oever van de Marne kunnen overkomen, terwijl hij zat te hengelen.”’ Deze geruststellende gedachte over de dood werpt Semprun in een indrukwekkende vertelling verre van zich af. Door de oude man in een laatste opflakkering van levenskracht te laten zeggen: ‘Geven jullie je er wel rekenschap van?’, laat hij zien dat de oude man natuurlijk niet is gestorven aan een hartaanval, maar is vermoord en dat het zijn plicht is dit verhaal te vertellen aan het nageslacht. Fictie geeft Semprun de vrijheid om datgene wat hij wil vertellen zo sterk mogelijk te laten overkomen. Hij heeft immers een boodschap.

    Wie is Jorge Semprun

    Semprun komt uit een familie die zich tijdens de Spaanse Burgeroorlog schaart aan de kant van de Republikeinse regering in haar verzet tegen de fascistische generaal Franco. Zijn vader is ambassadeur van de Spaanse Republiek in Den Haag. Na de overwinning van Franco en de erkenning van zijn regime door de Nederlandse regering keert het tij en gaat de familie Semprun in maart 1939 in ballingschap in Parijs. Als de Duitsers in 1941 Parijs bezetten, sluit de achttienjarige Jorge zich aan bij het communistische verzet. In januari 1943 wordt hij in de buurt van Auxerre gearresteerd door de Gestapo en, na een kort verblijf in een doorgangskamp in Compiègne, op transport gesteld naar, wat later blijkt, kamp Buchenwald.

    Leren om te begrijpen en begrijpen om te leren

    In De grote reis doet Semprun in zijn gesprekken niet alleen verslag van zijn reiservaringen in de wagon, zijn activiteiten in het verzet, zijn arrestatie en zijn ervaringen in de kampen in Auxerre en Compiègne, maar ook van de intens gevoelde kameraadschap met zijn medeverzetsstijders en zijn filosofische inzichten gebaseerd op intensieve studie van de geschriften van de grote marxistische denkers. Semprun is in die tijd nog een echte marxist. Dit blijkt heel duidelijk in zijn weergave van het prachtige en principiële gesprek met de Franse gevangenenbewaker in Auxerre over het begrip ‘vrijheid’. Semprun wil de lezer meenemen in zijn denken, hij wil hem iets leren. De roman geeft hem de vrijheid zijn getuigenis vorm te geven. Het opvoeren van, wat hij later zelf zal erkennen, de gefingeerde jongen uit Semur is een stilistische truc. Hij doet dienst als praatpaal, kameraad en leerling. Bepaald indrukwekkend is het te zien hoe Semprun oog heeft voor zowel het grote lijden van de mens als het kleine, individuele lijden.

    Een voorbeeld van het grote lijden is zijn huiveringwekkende verslag van de aankomst in Buchenwald van het kindertransport uit Polen aan het einde van de oorlog. Een prachtig voorbeeld van het individuele lijden geeft hij in zijn verhaal over de Joodse vrouw, die hij in 1941/42 ontmoet in Parijs, als zij verweest zoekend om zich heen kijkt en hij haar aanklampt met de vraag of hij haar misschien ergens mee kan helpen. Hij ziet als het ware de dood in haar ogen, die ver aan hem voorbij kijken, in haar verleden, lijkt het wel. Als hij haar na de oorlog opnieuw tegenkomt ontdekt hij, wat hij eigenlijk al weet, dat zij een kampnummer heeft en een overlevende is van Auschwitz. Op zijn vraag of zij zich nog iets herinnert van hun ontmoeting eertijds, reageert zij zeer afhoudend, terwijl je eigenlijk zou denken dat zij inmiddels een band hebben door hun gemeenschappelijke kampervaringen. Echter, hij kan haar niet begrijpen, omdat hij geen Jood is en vrienden heeft.

    Een meesterwerk

    Het onlangs bij uitgeverij Schokland in de serie Kritische Klassieken opnieuw uitgegeven boek De grote reis van Jorge Semprun is maatschappelijk en literair gezien een meesterwerk. Maatschappelijk gezien omdat Semprun als getuige een beeld schetst van het verbijsterende en mensonterende kwaad dat fascisme heet, wat de gevolgen van wegkijken kunnen zijn en waarvan wij weten dat de uitwassen daarvan, ook wat ons betreft, niet ver weg zijn. Literair gezien omdat Semprun een hoogst originele verteltechtniek toepast, kenmerkend voor zijn hele oeuvre. Zo schrijft hij niet alleen over zijn gesprekken met de jongen uit Semur, die natuurlijk gaan over zijn verleden in het verzet en hun belevenissen in de trein, maar houdt hij ook bespiegelingen over de bevrijding en de jaren daarna. Het boek is immers pas in 1962 gepubliceerd.

     

     

  • Iedereen en niemand in het bijzonder

    Het poëziedebuut van Maaike de Wolf De dansvloer is van iedereen,  leest als een ensemblefilm; een mozaïekverhaal samengesteld uit meerdere kleine verhalen. Denk aan Love Actually, Alles is liefde, The Family Stone, Notting Hill. En dan vooral die scène waar Hugh Grant met zijn ziel onder de arm door vier seizoenen loopt. In dit geval is het geen man, maar een jonge vrouw in een grote stad, en wie ze daar zoal tegenkomt. Voor liefhebbers van dit soort vertellingen is het een genoegen om te lezen, om mee te dwalen door die stad, de straat met de döner kebab-tent, biologische groenteboer, Starbucks op de hoek.
    ‘Ze waarschuwt me voor de middelmaat, drukt me op het hart scherp te blijven en niet te / verdwijnen tussen de juwelier met wansmaak en de failliete platenzaak.’

    De Wolfs poëzie dwaalt zo ver naar haar buitengrenzen dat het raakt aan verhalend proza. En zo leest het ook, als miniatuurverhalen, met een begin, en einde en daarin een minuscuul klein plot. Niettemin een verhaal. Maar wel met de vrije interpunctie en opmaak die poëzie eigen is. Vier blokken van ongeveer gelijke lengte, voorafgegaan door twee losse gedichten waarvan niet duidelijk is waarom ze niet in een van die blokken zijn ondergebracht. De meeste titels bestaan uit slechts een woord: Plek, Vis, Idee, Woensdag, We, Party, Prognose. Afgewisseld met titels zoals gedichten ze verdienen. Speels, origineel, cryptisch: Logboek tropisch eiland, De dirty dancer en ik, De nacht ft. Harry Mens.

    Dwalen door een dichtbevolkte stad

    Niet enkel de dansvloer is van iedereen, ook de straat, de bankjes in tram en metro. Een bevolkte stad is het, anoniem in de uitgestrektheid, de diversiteit, de veelheid van naamloze mensen. Intiem in de ontmoetingen, in de namen en eigenaardigheden die gekend zijn. Of die men te weten komt, omdat de ander – al dan niet met naam – een openheid aan de dag legt die door weer anderen als schaamteloos kan worden ervaren.

    ‘Maria

     Ik zei nog: ik ben Maria niet,
     maar het eerste waar ik aan dacht (zijn vrouw)
     was het laatste waar hij aan dacht en voor ik het wist
     stond ik tegen een afwasmachine die nog warm was.

     Uit angst voor bewijzen betaalde hij niets en dus was ik degene
     die het eten kocht en beloofde – om argwaan te voorkomen –
     me exact zo te bewegen als voorheen.

     Af en toe moest ik even kijken als hij boven op me lag,
     omdat ik de kleur van zijn ogen vergat. Als ik klunzig deed, zei hij:
     een echte roker krijgt hem onder alle omstandigheden aan.

     Er zijn mannen, zo blijkt, die nauwelijks bloeden en steeds vaker
     twijfelde ik of ik überhaupt een roker was.’

    In deze urban jungle legt de hoofdpersoon – bijna alle gedichten zijn vanuit eenzelfde ik-figuur geschreven – de laatste meters af van adolescentie naar volwassenheid. In een setting waar die stappen door veel jonge mensen gezet worden, met alles wat daarbij hoort. Het verloren lopen in half gekende systemen, onhandige afspraakjes, uit de hand gelopen feestjes en het bij gelegenheid wakker worden in een onbekend bed.

    Gewoon mensen

    ‘Er is ook liefde

     Mijn eerste nachten in een nieuwe stad
     waar ik wakker onder de balken lig
     en een storm over mijn dak trekt.

     Op de verdieping onder mij bestiert een narcist
     zijn harem van drie, waar hij ‘hond’ tegen schreeuwt
     wanneer ze zich als dieren gedragen.
     Een huwelijk

     met een verlamde kunstenaar die – elke dag
     naar buiten gereden – als uithangbord fungeert

     met de zwakste van hem, die binnenkort
     de wereld af gaat vallen – het duurt.

     Er is ook liefde
     niet voor mens, maar voor wollen truien,
     een obsessieve pas, naderend gerinkel.

     De derde zegt: er stond een zwarte man
     in de gang vannacht we dachten
     dat het een inbreker was.’

    Ontmoetingen vormen de rode draad. Ontmoetingen met echte mensen, of niet; met echte lijven, of niet; in echte kamers, of niet. Met op de vloer een landschap van kapotte huisraad, gereedschap en losse onderdelen, uitgetrokken kleding; het allergewoonste, dagelijkse: boerenkool, gehaktballen, dubbelvla. Dat alles beschenen door flikkerend blauw computerlicht van chatboxen, met ook daar ontmoetingen, en allemaal zijn ze zo rafelig als het leven zelf. Het gaat steeds om identiteit die lang niet zo helder en eenduidig is als we vaak hopen. En als we zelf niet eens weten of we af zijn, hoe moeten we dan onze zinnen afmaken.’
    Wat ik doe: / kijken naar de ander / één hand voor mijn oog, één hand op mijn rug. // Ze laat zich in delen bij me achter / in de hoop er na een tijdje helemaal te zijn. // Soms ademen we samen, we denken: / niet te vaak voorlezen, samen liggen, kruipen, / sinaasappels persen, gehakt rullen, rustig aan, / het hout aftasten.’

    Dan is het maar goed dat De Wolf, anders dan veel dichters van haar generatie en evengoed nog vrijblijvend, wel kiest voor interpunctie. Dan staat er in ieder geval een punt aan het eind van al die niet afgemaakte gedachten.

    Onbevredigende onvoltooidheid

    Van veel situaties die worden beschreven, krijgen we als lezer niet te weten hoe het afloopt. Maar precies in die onvoltooidheid – die gepaard gaat met een prettig soort ongenoegen – raken de gedichten aan het leven zoals het is. Immers, als we vanuit de tram kijken naar een burenruzie, een kroegbaas die een dronken klant de deur uitwerkt, een moeder die haar kleuter overeind helpt en troost, dan weten we ook niet hoe het verder gaat zodra de tram zich weer in beweging zet.
    Of in het echt, of in computerbeelden, fragmentarisch en flikkerend, als een lampje dat bijna de geest geeft, zó zien wij het merendeel van mensenlevens gebeuren. En in die weerspiegeling zien we vaak ook ons eigen leven.

    Tegelijk schuilt in dat gratuite, in dat niet-afgemaakte het risico dat de dichter de aandacht van de lezer niet overal consequent kan vasthouden. Bij het woord ‘iedereen’ laat zich al gauw ‘niemand in het bijzonder’ aanvullen. Uiteraard ligt daarin de ruimte waarin onbeperkt kan worden ontmoet, gekeken, geobserveerd, gesproken, gedacht en gedicht. Tegelijk mist – juist door dat ongedefinieerde, die onbegrensde anonimiteit – de bundel hier en daar urgentie en ligt onverschilligheid op de loer. Vooral waar de vertellende ik-figuur zich overgeeft aan een niet mis te verstane indolentie, verkeert die lokkende, nieuwsgierig makende ruimte gemakkelijk in haar tegendeel, en raakt ook de lezer met deze desinteresse, met deze onverschilligheid geïnfecteerd. De dwaaltocht die zo verwachtingsvol werd aangevangen, blijft dientengevolge niet van begin tot eind boeien en lijkt bij tijd en wijle te verzanden in een dwaalspoor.

    Uiteindelijk weet De Wolf het allemaal wel weer vlot te trekken en tot een goed einde te brengen. Maar ondertussen heeft zij meermaals het risico genomen van lezers die afhaken. Daarbij komt nog dat op geen enkel moment duidelijk wordt of die toon van ‘ach nou ja, wat doet het er ook toe’ een bewuste keuze is die hoort bij het karakter van haar gedichten, of dat het haar werkelijk niet kan schelen. En de afgehaakte lezers bijgevolg ook niet. Voor een debuutbundel nogal een risico, maar daarover mag men van mening verschillen.
    ‘Waarom niet meegaan. / Voor wie de vlag mag voeren is de reis zo vreemd nog niet / misschien heeft mijn rol in deze samenhang betekenis. // Op pad met vintage leren handschoenen stel ik me voor / een zwarte hoed, voor als ik straks die ander ben. / Boeken, die me op het juiste moment verzwaren.’