• Het Stille Kind

    De grote verandering. De omslag. Het leven ontmoeten. Zoveel over geschreven, zoveel over gezongen en zo vaak al beleefd. Met ‘Het Stille Kind’ als compagnon, het terras en een biertje, en dan mijmerend de mensenmassa bekijken. De zon voelen op je hoofd omdat je je met Vollard goddank niet kan identificeren.

    Vollard, loodzwaar en eenzaam. Boekverkoper. Niemand. Dagelijks rijdt hij van antiquariaat naar boekhandel en weer terug, zijn wagen overvol geladen met het werk van grote geesten. Plichtsgetrouw en niet meer dan dat, robot en geen mens.

    Tot op een regenachtige namiddag de orde van zijn leven ruw verstoord wordt. Vanuit het niets doemt er een meisje voor zijn bestelwagen op. Ontwijken gaat niet; een doffe, harde klap, bloed op de voorruit en dan wordt alles anders. Het meisje, Eva, raakt in een coma en Vollard raakt in de knoop met zichzelf.

    De lezer wordt meegesleept in de achtbaan van het gevoelsleven van Etienne Vollard. De aanblik van de kleine Eva in dat grote ziekenhuisbed, haar achtergrond en haar toekomst doen hem reageren met alles wat binnen zijn beperkte mogelijkheden ligt. Hij gaat door met het uitvoeren van zijn plicht, het brengen van het evangelie der geletterdheid.

    Dagenlang, wekenlang zit hij aan de rand van haar bed en leest, citeert en mijmert. Om tot de ontdekking te komen dat hij niet langer slechts de boodschapper is, maar ook de toehoorder. Het verziekte leven van Eva doet hem nadenken over zijn eigen verziekte bestaan. Hij wringt zich in moeilijke bochten om te ontkomen aan de confrontatie, maar er is geen redden aan. Als het golft, dan golft het. En als uiteindelijk ook nog zijn boekhandel uitbrandt, lijkt alles wat hij was verdwenen. Wat blijft er over?

    Pejú weet het gevecht van Vollard met overtuiging te brengen. De leegte, de storm, het benauwende van wakker worden uit een zoete droom en belanden in een bizarre zelfgecreëerde nachtmerrie, je beleeft het mee.

    Noem het leedvermaak, je laat je meeslepen in andermans ellende om vervolgens het boek dicht te slaan en terug te keren in de wereld van terrassen, koud bier en zonneschijn. Het duister maakt het lichte lichter.

    Pierre Péju, Het Stille Kind
    ISBN 9029074655/ NUR 302
    Meulenhoff Amsterdam, 2004
    159 pagina’s
    17,50

     

    Judith

    (judith@literairnederland.nl)

  • Gesignaleerde vergankelijkheid

    Recensie door Thomas Mölhman

    In de 45 gedichten uit de bundel De Grote Vakantie neemt dichter, schrijver, beeldend kunstenaar, fotograaf, zanger F. Starik zijn lezer mee op een persoonlijke gang langs vakantieadressen als de camping, de volkstuin, de stadswoning, het platteland en het graf.
    Onderweg is hem niets kleins te klein, niets groots te groot. Een kwijnende appelslak, Prins Claus, een lege fietsband en een verloren geliefde, ze zijn al even welkom in Stariks gedichten van alledag als de koe die moet kalven, de ‘spreker van éénletterwoorden’, de ‘kleine filosoof van wereldraadsels’ en ‘de vermaarde kunstcritica A.T.’

    We beginnen schijnbaar onbekommerd met een strandtafereeltje in het titelgedicht: ‘Zo op het oog hier alles/ welvaart en gemoedsrust./ Waar de Noordzee loom/ haar brede zandstrand kust’, maar al na enkele regels wordt een schaduw over het vakantievierende gezelschap aan zee geworpen: ‘Eén van hen zal volgend jaar/ niet langer bij ze zijn’.

    Na vier afdelingen waarin de dichter talloze tekenen van vergankelijkheid signaleert, beschrijft of overdenkt, en twee afdelingen vol In Memoriams en uitvaartgedichten leidt De Grote Vakantie niet tot de dood, maar tot een actieve daad in het slotgedicht ‘Een man steekt zijn huis in brand’. De lezer heeft tegen die tijd de indruk zijn dichter aardig te hebben leren kennen. Hij is bij hem op de fiets en over de vloer geweest, heeft zijn zoon, zijn lief en enkele vrienden leren kennen, is langs geweest bij zijn Egyptische sigarenman en meneer Scussi, van wie hij zijn voordeelkostuums betrok tot de aanleg van een nieuwe metrolijn hem de winkel deed sluiten. Ook is er intussen een dure lepel gekocht, een roze honkbalknuppel weggegeven, een boek in de winkel blijven liggen en afscheid genomen van vele bekenden en onbekenden.

    Dit alles en meer wordt de lezer doorgaans medegedeeld op Stariks haastloze toon, die zowel ruimte laat voor lyrische zwiepers als voor flauwe grappen. Voor baanbrekend taalspel hoeft men De Grote Vakantie niet te lezen, evenmin voor duizelingwekkende nieuwe inzichten of ideeën. Men schuift simpelweg aan bij een aangename verteller, die de moeite neemt ongeveer alles wat hem voor de voeten komt eens goed te bekijken en te beschrijven wat dat zoal voor hemzelf of de mensheid betekenen mag. De bundel bevat meer dan voldoende materiaal om hem af te kraken en meer dan voldoende om hem te prijzen. Maar uiteindelijk is het eenvoudig gesteld met het werk van deze dichter van levenslied en dodenzang: je leest en beluistert het en je houdt ervan of je vindt het helemaal niks. Ik houd ervan.

     

  • Verzamelde verzen van Jean Pierre Rawie

    Ter ere van het 25-jarig dichterschap van Jean Pierre Rawie verscheen in april van dit jaar een bundeling van diens werk onder de noemer Verzamelde verzen. Verzamelde verzen bevat de bundels Het meisje en de dood, Intensive Care, Kwade trouw, Woelig stof, Onmogelijk geluk, Geleende tijd als ook een aantal Liederen in opdracht en Vertalingen. Om het geheel een feestelijk tintje te geven gaat de bundel vergezeld van een CD waarop de dichter zelf voordraagt.

    Wat te zeggen over deze verzamelbundel? Het schijnt mij toe dat er al genoeg kritiek geleverd is op Rawies werk. Omdat ik er niet voor voel om de al zo vaak geuite kritiek op Rawie’s werk hier te gaan herhalen (de lezer die daar belangstelling voor heeft verwijs ik naar onderstaande site) beperk ik me hier tot een bespreking van de omslag van de feestbundel en de bijbehorende CD.

    Welnu: De omslag is donkerblauw met een motief van gouden blaadjes. Het heeft iets weg van een 19de eeuws behang, ware het niet dat ik vermoed dat het ook toentertijd iets te veel van het goede zou zijn geweest. Een ander zou misschien zeggen: de kaft is van een kitscherigheid die pijn doet aan de ogen. Maar dat zeg ik niet.

    Voor het afluisteren van de CD hield ik mijn hart vast. Het is altijd even schrikken om iemand voor te horen lezen, omdat een stem in werkelijkheid altijd anders klinkt dan je verwachtte. Toch schrok ik nog zo erg dat ik na het uitzetten van de CD om me heen keek of iemand anders dit per ongeluk ook gehoord had. De stem van de dichter was namelijk precíes zoals je had kunnen verwachten: gedragen, geaffecteerd en ironisch zwelgend in romantisch lijden.

    En dus moet ik ere geven aan wie ere toekomt, te weten aan de vormgevers en natuurlijk ook aan de vertolker zelf, want zowel de omslag als de CD (de voordracht) kleuren uitstekend bij Rawie’s werk.

    Voor Rawie en de kritiek kijk op:
    www.kb.nl/kb/kichters/rawie/rawie-04.html

    Katelijn Pompe

  • Spoetnikliefde, Haruki Murakami

    Haruki Murakami, Spoetnikliefde, geschreven door Elisabeth, lid sinds 18 juni 2003

    Spoetnikliefde draait om drie mensen: de ikfiguur, K., leraar; Sumire, een naïeve jonge vrouw die haar studie heeft afgebroken en schrijfster wil worden; en Mioe, de werkgeefster van Sumire. K. is verliefd op Sumire, een verliefdheid die onbeantwoord blijft, want Sumire is verliefd op Mioe ? die getrouwd is. Vriendschap en liefde tussen hen blijken uiteindelijk maar schijn.
    K. is de verteller in Spoetnikliefde. Sumire vertelt hem op zekere dag dat zij verliefd is op Mioe, een Koreaanse vrouw die zij op een bruiloft heeft ontmoet. Kort daarna treed Sumire bij Mioe in dienst en ze vertrekken samen op zakenreis. Mioe importeert Europese wijnen en regelmatig brengt zij een bezoek aan wijnboeren in Frankrijk en Italië. Aan het einde van hun reis zullen Mioe en Sumire nog een paar weken vakantie houden op een Grieks eiland. Daar verdwijnt Sumire van de ene op de andere dag spoorloos. K. vertrekt naar het eiland zodra hij van Sumires verdwijning op de hoogte is gebracht, maar na een week intensief zoeken moet hij onverrichter zake terugkeren naar Japan ? het nieuwe semester begint en hij kan in Griekenland niets meer doen: Sumire blijft onvindbaar.
    Boeken met een fantastisch, magisch-realistisch element kunnen nogal eens ongeloofwaardig uitpakken. Tenzij er een echte schrijver aan het werk is. Dan accepteer je de waanzinnigste gebeurtenissen zonder enig voorbehoud. Zo ook in Spoetnikliefde.
    Mioe vertelt Sumire op een zeker moment hoe op een nacht haar ‘ik’ in tweeën is gesplitst en die ene helft haar heeft verlaten. Dit element komt nog een paar keer terug in het boek. Er is ‘een andere wereld’, een wereld ‘aan de andere kant’.
    Aan het einde van het boek lijkt Sumire plotseling te zijn teruggekomen. Ze belt haar vriend K. op vanuit een telefooncel. Murakami gebruikt allerlei woorden om te benadrukken dat dit echt, werkelijk, in de echte wereld gebeurt. Ze zien immers beiden dezelfde maan. Maar natuurlijk blijft in het ongewisse of hun gesprek wel werkelijk heeft plaatsgevonden, of dat het zich alleen maar in K.’s hoofd heeft afgespeeld.
    De personages in Spoetnikliefde staan allen aan de zijlijn. K. schrikt ervoor terug uitspraken over zichzelf te doen, omdat hij inziet dat een mens nooit op een objectieve manier naar zichzelf kan kijken. Bewust trekt hij een scheidslijn tussen de wereld en hemzelf. Sumire is (door de ogen van K. gezien) ‘een onverbetelijke romanticus, ze was koppig en cynisch, of, vriendelijk geformuleerd, nogal naïef. […] Ze kon zo door haar gedachten in beslag worden genomen dat ze vergat te eten. Ze was zo mager als een oorlogswees in een oude Italiaanse film en haar ogen puilden uit.’ Mioe, ten slotte, laat zich al helemaal niet kennen. Ze is niet in staat banden met anderen aan te gaan ? of het nu om vriendschap gaat of om liefde. Mioe blijft in het boek een ongrijpbare figuur.
    Het boek ademt een dromerige sfeer uit. Maar het zijn bepaald geen zoete dromen die de lezer  voorgeschoteld krijgt. K., Sumire en Mioe zijn en blijven eenzaam. ‘Ik vroeg me af waarom iedereen zo ontzettend eenzaam moest worden. Wat was daar de noodzaak van? Er zijn zoveel mensen op deze wereld en ze willen allemaal iets van een ander. Waarom moeten we dan in zo’n isolement verkeren? Waarvoor? Zou deze planeet soms draaien op onze desolaatheid?’ Dat is in wezen het hoofdthema in het boek. Uiteindelijk staat iedereen er alleen voor, moet iedereen het helemaal zelf doen. Ook de onderlinge relaties tussen de drie hoofdpersonen in het boek blijken uiteindelijk maar schijn. K., Sumire en Mioe zijn drie eenzame zielen die om elkaar heen draaien als satellieten in de ruimte, zonder echt bij elkaar te kunnen komen.
    Het indrukwekkende aan Spoetnikliefde is dat Murakami aan ruim 200 pagina’s genoeg heeft om zijn personages, met hun karakter, hun drijfveren en hun gedragingen meer dan overtuigend te schilderen. Spoetnikliefde is prachtig en treurig. Het is een boek dat je bijblijft.

  • Die dag aan zee van Peter van Gestel

    “Mijn broer Cham verdronk terwijl ik lag te slapen. Dat gebeurde voor de grote vakantie. Na weken van storm en regen was het de eerste mooie zomerdag. Ik was twaalf, hij zeventien. Pas ‘s avonds wierp de zee Cham zijn dode lichaam op het strand.”

    Met deze mededeling begint Die dag aan zee. Sip is aan het woord. Ze vertelt van haar leven tot op die dag, van de gebeurtenissen op de dag zelf en in de maand erna, als Cham er niet meer is. Ze probeert te begrijpen wat er gebeurd is. Hadden ze het kunnen zien aankomen, kunnen voorkomen? Wilde Cham dood? Was het een ongeluk? Met die vragen blijven Sip, haar vader en haar moeder achter. En ondertussen kunnen ze niet met elkaar praten, drijven ze verder uit elkaar of slaan op de vlucht.

    “‘Vond je het niet erg dat Cham dood was?’ vroeg ik zacht.
    ‘Een landschap zonder tijd,’ zei pa, ‘als je dat zegt is het dwaas, je kunt het alleen schilderen.’
    Hij keek nu naar me.
    ‘Wat zei je?’ zei hij.
    ‘Cham,’ zei ik.”

    Die dag aan zee is het verhaal van de liefde van een zusje voor haar eigenaardige en wilde oudere broer, maar ook van een familie met een naar binnen gekeerde kunstenaar als vader, een moeder die vooral oog voor haar man heeft en van kinderen die hunkeren naar liefde en aandacht van hun onbenaderbare vader.

    Die dag aan zee is een kinderboek. De regels voor kinderboeken zijn grofweg als volgt: Het boek is geschreven vanuit het perspectief van een kind, het verhaal wordt verteld in duidelijke en eenvoudige taal, er worden geen al te gruwelijke dingen in beschreven en het einde is zo niet geruststellend, dan toch tenminste hoopvol.

    Peter van Gestel houdt zich in Die dag aan zee (2003) alleen zonder meer aan de eerste regel. Het verhaal wordt verteld door de ogen van Sip, een twaalfjarig meisje. De andere regels weet Van Gestel zo’n beetje te omzeilen. Zonder in verheven taalgebruik te vervallen, roept Van Gestel – vooral door dingen weg te laten en niet te verklaren – een dromerige en tegelijk grimmige sfeer op. Het verhaal begint met de dood van Cham, maar de toon is weerbarstig, zonder sentiment, maar ook zonder overdadig realistische details. Van Gestel vermijdt daarmee zowel Alleen-op-de-wereld-drama als ook het hoe-gruwelijker-hoe-beter van sommige boeken voor volwassenen. Het verhaal kent geen hoopvol einde. Cham blijft even dood als aan het begin, Sips vader leeft nog steeds in zijn eigen wereldje en Sips moeder is het huis tijdelijk ontvlucht. Nadat Sip gehoord heeft hoe haar vader Cham destijds gevonden heeft, besluit ze enigszins cynisch met:

    “Cham was weg, ik was alleen met pa. Op het strand had pa Cham eindelijk gekust. Ik moest er de hele tijd aan denken. Van alles maken we tenslotte een mooi verhaal.”

    Kinderboeken zijn te vaak óf boeken om in te vluchten óf boeken waarin de realistische boodschap de vorm overschaduwt. Een bekende uitzondering hierop zijn natuurlijk de boeken van Guus Kuijer, al is zijn toon vele malen lichter dan die van Van Gestel. Waar we van Kuijer mogen grinniken, is Van Gestels humor voornamelijk wrang en maakt het zijn verhalen doorgaans alleen maar grimmiger. En van al zijn boeken is Die dag aan zee zijn grimmigste, maar ook zijn meest poëtische en ontroerende boek. Niet alleen vanwege de beschrijving van de drinkende Cham, clown, losbol, zwerver, die uit liefde voor de zee zijn hoed voor haar afneemt, haar het hof maakt als een vrouw, al honderd jaar niet geslapen heeft en die keer op keer tevergeefs door zijn gedrag zijn vader tracht uit te lokken tot iets – wat dan ook. Maar ook vanwege de beschrijving van de vader die er allemaal niks van begrijpt, niet weet hóe hij dan moet handelen en als hij het al wist, daar gewoonweg niet toe in staat is.

    Peter van Gestel (Amsterdam, 1937) begon zijn carrière als acteur en dramaturg. In 1961 debuteerde hij met een bundel verhalen voor volwassenen. Eind jaren zeventig begon hij op verzoek van Karel Eykman voor de jongerenkrant van Vrij Nederland jeugdverhalen te schrijven. Dat resulteerde in zijn eerste kinderboek. Hij schreef sindsdien veel bekroonde boeken, de bekendste waarvan zijn Mariken (1997) en Winterijs (2001). Op www.queridokind.nl staat een interview met Peter van Gestel naar aanleiding van het verschijnen (in 2003) van Die dag aan zee.

    KP

  • Een schitterende maar ook onmogelijke verliefdheid

    Sommige oeuvres leer je in retrospectief kennen. Een uitgever durft het aan een boek van een in Nederland onbekende italiaan te laten vertalen, en kiest het meest bekroonde. Dat boek blijkt aan te slaan en de uitgever meent dat er een markt is en probeert er nog maar een, de op twee na bekendste misschien, en dan gaat het voort, op naar het debuut. Dat is de wijze waarop het werk van de Italiaan Sandro Veronesi tot de Nederlandse lezer komt.
    Het boek met de titel Gli Sfiorati of Nauwelijks geraakt van Veronesi stamt uit 1990. Een beetje jammer is dat wel want de boeken van Veronesi staan niet helemaal uit de wind als het om de adem van de tijd gaat.

    Mète is een jonge, zeer getalenteerde grafoloog met de beschikking over een huis in Rome, voldoende middelen om zich nergens druk over te maken en een leven dat naar zijn hand staat. Hij staat op het punt een grote ontdekking op het gebied van de grafologie wereldkundig te maken. Het betreft een ‘kernmerk’, een in handschriften bewijsbaar en meetbaar fenomeen dat een karaktertrek aanduidt. Het is nieuw, komt alleen voor bij jonge mensen en hij noemt het met een niet-bestaand woord schuimvalligheid een soort passieve luchtige gelatenheid, onverantwoordelijkheid met een sympathiek karakter. Hij constateerde het onder meer bij zijn halfzusje van zeventien Belinda, een meisje dat in alle opzichten blond is en heel mooi. De roman speelt in de twee weken dat zijn halfzusje bij hem logeert, omdat zijn vader en haar moeder op reis gaan.

    Veronesi is een zeer creatief romancier, die met lenigheid een groot arsenaal van vondsten inzet om het verhaal te vertellen. Mète’s vader vraagt hem op zijn halfzusje te passen op de dag van zijn huwelijk met Belinda’s moeder. Het gesprek vindt plaats in de sauna en is vormgegeven als een boxwedstrijd. Er zijn veel zaken uit te vechten en vader en zoon bekampen elkaar met de extra handicap van de hoge temperatuur en vochtigheidsgraad. Op het moment dat iemand in het nauw zit doet de aanvaller er letterlijk nog een schepje bovenop door water op de kachel te gooien en zo de ruimte en het gesprek nog verstikkender te maken. Het gesprek eindigt na drie rondes en twee pauzes met een knock-out. Mète gaat letterlijk onderuit, misschien omdat hij te lang durfde blijven zitten, misschien ook omdat hij hoort dat hij twee weken op zijn halfzusje moet passen.

    De eerste dagen tracht Mète hett meisje, naar wie hij een intens verlangen voelt, te ontwijken. De bloedband weerhoudt hem en in één huis zijn met een bekoorlijke wat indolente – en naar het zich laat aanzien volstrekt onschuldige nimf – durft hij niet aan.
    In dit deel toont Veronesi zich het sterkst. In een van hot naar her door Rome trekken, van feest naar vriend, naar huis als het even kan en weer weg wordt Mète’s liefde zo prachtig ontweken dat het zich aan de lezer, zoals aan hem door al die bijkomende onbelangrijkheden steeds pregnanter on onontkoombaarder opdringt. Belinda wordt door haar betrekkelijke afwezigheid in de eerste helft van het boek een verpersoonlijking van het verlangen; de pogingen haar te ontwijken een schitterende, onmogelijke verliefdheid.

    Een kwade bijwerking van ‘ retrovertalen’ van een oeuvre is dat de lezer geneigd is de meerlagigheid van het prachtige In de ban van mijn Vader -het eerste boek van Veronesi in het Nederlands – in het onderhavige wel wat te missen. Nauwelijks geraakt is een tamelijk recht-toe-recht-aan vertelling, waarbij het drama zich afspeelt in de onthouding. Maar daarvoor trekt Veronesi wel veel uit de kast. Mète verliest alles in dit bijna klassieke drama, in een zeer modern jasje. Maar de schrijver heeft zijn val erg goed aannemelijk gemaakt, de verleidingen in deze roman zijn groot.

     

     

  • De zelfmoordclub

    Twee mannen ontmoeten elkaar in een Finse schuur en die ontmoeting verandert hun leven. De twee mannen staan beide op het punt om zelfmoord te plegen en door een bizarre draai van het lot kiezen ze allebei dezelfde schuur uit: de één om zich te verhangen, de ander om zich een kogel door het hoofd te schieten. Als ze elkaar ontmoeten lijkt zelfmoord ? in ieder geval die dag ? uitgesloten: ‘De mannen concludeerden dat ze hun doodsverlangen voor die dag wel verloren hadden. Hun stervenswens was een stuk minder geworden. Zelfmoord is een dermate individuele bezigheid dat je er volledige rust bij nodig had. Sommige buitenlanders mochten zichzelf dan in het openbaar in brand steken, demonstratief en om politieke of religieuze redenen, maar een Fin heeft geen publiek nodig bij zijn wanhoopsdaad. Daar waren de heren het over eens.’

    In de dagen na hun mislukte poging krijgen de mannen het idee dat het goed zou zijn om nog meer lotgenoten bij elkaar te brengen. De potentiële zelfmoordenaars zouden kunnen praten over hun lot en praktisch gezien zouden er veel voordelen zitten aan een collectieve zelfmoord: korting op de overlijdensadvertenties, een gemeenschappelijke notaris om de nalatenschappen af te wikkelen en bij de daad zelf zou amateurisme vermeden kunnen worden. Enthousiast plaatsen de mannen een oproep: ‘Heb je zelfmoordplannen? Geen  nood, je staat niet alleen.’  Tot hun verbijstering reageren er honderden mensen op de oproep en al enkele dagen later ? ‘(…) hoe langer de bijeenkomst werd uitgesteld, des te meer zelfmoordenaars de kans zouden zien om een eind aan hun leven te maken voordat ze in contact waren gekomen met hun levensreddende lotgenoten’ ? komt de groep bij elkaar.

    De bijeenkomst is een groot succes en blij dat ze er niet meer alleen voor staan, besluiten de zelfmoordenaars het er de laatste dagen van hun leven ? het doel is uiteindelijk toch om collectief zelfmoord te plegen ? nog even goed van te nemen. Dit is het startpunt voor een bizarre, humoristische reeks gebeurtenissen en een massale flirt met de dood.

    De zelfmoordclub is een in hoog tempo geschreven zwarte komedie met diep-menselijke verhalen over het in de fles, in de sauna, of bij elkaar naar zielenrust zoekende Finse volk. Paasilinna slaagt erin om tragische gebeurtenissen droogkomisch op te schrijven, zonder de originaliteit te verliezen. Schrijnende verhalen worden hilarisch en bizarre gebeurtenissen lijken heel geloofwaardig. Paasilinna heeft de kracht om van niet al te vrolijke zaken als alcoholisme, depressiviteit, zelfmoord en het zoeken naar evenwicht in een wankel bestaan een literaire slapstick te maken.

    De zelfmoordclub is geschreven in een kundige, ingetogen en ironische stijl, maar had hier en daar nog iets korter en sneller gekund, misschien had dat de kracht van de roman nog meer versterkt, maar een kniesoor die daar over valt: De zelfmoordclub is origineel en Paasilinna is niet voor niets een van de populairste schrijvers van Finland, die gelukkig ook in de rest van Europa steeds meer bekendheid verwerft.

    De zelfmoordclub
    Oorspronkelijk titel Hurmaava joukkoitsemurha
    Arto Paasilinna ,1990
    Nederlandse vertaling 2004
    Wereldbibliotheek
    ISBN 90 284 2045 2
    € 17,90

    AmvdP

     

     

  • De onzichtbaren Karel Glastra van Loon

    Recensie van Martien, lid sinds 29 juni 2003

    Dit is een prachtige roman over een vluchteling uit Birma die in een Thais vluchtelingenkamp terecht komt. Het boek is geschreven op verzoek van de Stichting Vluchteling. Glastra van Loon is de eerste van een aantal schrijvers die drie maanden doorbrengen in verschillende vluchtelingenkampen en daarna de ervaringen verwerken in een boek. Ik denk niet dat dit boek door één van de andere schrijvers makkelijk geëvenaard zal worden.
    De hoofdpersoon,U Min Thein is een zachtmoedige man, lieveling van zijn moeder en genegeerd door zijn vader die militair is. Zijn eveneens zachtmoedige oom, die Boeddhistische taferelen schildert in tempels neemt hem vaak mee. Zijn moeder is Christelijk, zijn vader ongelovig, zijn oom Boeddhist. Hij groeit hiertussen op maar leert vooral van het Boeddhisme. Door de vele Boeddhistische bespiegelingen, maar ook door het taalgebruik is De onzichtbaren een erg poëtisch boek geworden.
    Het politieke verhaal is snel vertelt, na de onafhankelijkheid werd Birma een periode geleid door de “bevrijder”generaal Aung San. Zijn bewind werd omvergeworpen door de Generaal Ne Win, die zich ontpopt als een wrede dictator. Een zogenaamd socialistisch ideaal leidt ook hier tot onderdrukking en armoede. Er zijn protestbewegingen waarbij de hoofdpersoon betrokken is, er is de bijbehorende wreedheid, de angst en het militaire geweld tegen opstandelingen.
    De grote jeugdliefde van de hoofdpersoon loopt uit in een desillusie, zij blijkt een verraadster te zijn. Toch houdt hij ook later contact met haar. De hoofdpersoon wordt advocaat en leidt een betrekkelijk rustig leven, ondanks de dictatuur. Toch raakt hij meer betrokken bij verzet en is hij per definitie verdacht omdat zijn moeder Christelijk was en hoorde bij de Karen, een bevolkingsgroep die zich gewapend verzet tegen de regering. Uiteindelijk besluit hij te vluchten, samen met zijn vrouw en nog een aantal anderen. Ze raken verzeild in de jungle, het strijdtoneel van de Karen en de regeringstroepen. Tenslotte komt hij als enige van zijn groep, verminkt en blind terecht in een Thais vluchtelingenkamp.
    In het kamp wordt hij altijd vergezelt door Tommy, ook een vluchteling. Tommy zorgt voor hem, maar Tommy deugt op allerlei manieren niet. Als hij met een getrouwde vrouw, van wie de man zoek is, aanpapt wordt hij beschuldigt door de plotseling terugkerende man.
    Dit is een boek over liefde en wijsheid in een wereld waarin de idioten het voor het zeggen hebben en dat geeft moed.

  • Bernard Schlink De Voorlezer

    Recensie van Gakreel, lid sinds 13 mei 2004

    Bernard Schlink: “Der Vorleser“ uitgave van “Diogenes Taschenbuch” 1997 heb ik gelezen in april 2004. Op de omslag staat een detail van een schilderij van Ernst Ludwig Kirchner Nollendorfplatz uit 1912, dat een kruispunt in een stad weergeeft waar van alle vier de kanten trams aankomen.. Het eerste deel p5-81 wordt geschreven door de ik figuur een jongen Michael die dan 15 jaar is, die een verhouding krijgt met een oudere vrouw. Op een maandag in october krijgt hij het moeilijk, omdat hij na een ziekte misschien toch wat te vroeg al weer naar school was gegaan. Hij wankelt tegen een muur en geeft slijm op. Dan komt een vrouw naar hem toe die hem meeneemt en schoon maakt. Zo begint die relatie met Hanna. Het wordt met tederheid verteld, ook als hij merkt dat ze graag hoort voorlezen en hij doet zijn best om literatuur met haar door te nemen. Tenslotte neemt zij ontslag bij de tram waar ze als conductrice werkt.
    Hij mist Hanna in het twee deel p83-157 en ziet haar pas weer in een gerechtszaal, waar hij als student aan een verslag werkt. Daar wordt ze verdacht van de hoofdrol in een gevangenen groep die van het ene kamp naar een ander wordt getranspoteerd en die in een kerk zat opgesloten, een vrouwengroep. Er breekt brand uit en de deuren van de kerk worden bewaakt om te voorkomen dat de gevangenen ontsnappen, maar juist daardoor zijn velen in de brand omgekomen. De mede beklaagden beschuldigen Hanna er van dat zij de leiding had en een document had geschreven dat haar schuld bewees. Uiteindelijk bekent ze dat ze dat stuk heeft geschreven en ze krijgt jaren lang gevangenisstraf.
    Nu pas blijkt het de jongen dat zij analfabete is. In het derde deel leert hij een vrouw Gertrud kennen met wie hij skiet en een relatie begint, toch kan hij niet zoveel van haar houden als hij van zijn Hanna gehouden heeft. Na enkele jaren gaat hij haar gesproken bandjes met boeken toesturen in de gevangenis en uiteindelijk tegen dat ze vrij komt zoekt hij haar op. Hij huurt een huis voor haar en richt dat in. Op de dag van haar vrijlating heeft ze zich opgehangen.

    Dit is een boek dat je diep raakt en dus niet weer een boek waarin een duitser wil benadrukken dat ook de duitsers onder de oorlog hebben geleden. Het is een oprecht verhaal, dat heel kundig is geschreven. De kleine details doen er toe en vertellen eigenlijk het verhaal, dat nergens groots oplaait, maar steeds in opmerkelijke kleine dingen voortschrijdt.
    Een ‘literaire verworvenheid’ vond Der Spiegel het boek dat in 34 talen is vertaald. Een verdiend succes, mijns inziens.

    Bij Ambo is de vertaling te koop “De Voorlezer”
    Gerhard Kirchner

  • Notulen door Herman Franke

    Notulen van Herman Franke wordt aangeprezen als een proeve van zijn meesterschap op de korte baan. “Met hooguit vierhonderd woorden opent hij emotionele vergezichten en afgronden, soms absurdistisch maar meestal ook zeer herkenbaar”, aldus de uitgever. “Korte, zeer scherpe observaties van menselijke contacten” volgens de redactie van het radioprogramma Knetterende Letteren. Nu moet je je niet te veel laten leiden door dit soort kreten, maar mijn nieuwsgierigheid was toch gewekt.

    Het eerste dat opvalt bij het openslaan van Notulen is dat het soort boekje is dat je middenin kunt openslaan. Geen taai begin, geen middenstuk waar je met ongeduld doorheen moet worstelen om maar bij het langverwachte eind te komen. Lekker een hapje hier en een hapje daar nemen voor tussen de bedrijven door.

    Het eerste verhaaltje dat ik vervolgens lees, doet me hardop lachen. Het is lekker gemeen geschreven. Om te grinniken. De verhaaltjes die ik daarna in willekeurige volgorde lees, hebben hetzelfde effect. Met dit verschil dat het effect steeds minder wordt. Minder verrassend en meer van hetzelfde.

    Het is met Notulen als met een pak koekjes. Niet om achter elkaar op te lezen, want dan word je een beetje misselijk. Dan gaan de veelvuldig gebruikte bij- en bijvoeglijk naamwoorden, waarmee mensen en situaties steeds snel worden geschetst je de keel uithangen. Dan wordt het eentonig. Heeft de schrijver nog iets meer te vertellen dan deze “scherpe observaties”, vraag je je af. Het komt me voor dat de observaties alhoewel scherp van toon niet erg diep gaan. En hoe zit het eigenlijk met die herkenbaarheid? Dat is natuurlijk erg persoonlijk. Maar het feit dat ik erom moest grinniken, dwingt me te bekennen dat die er wel is. Helaas zet het grinniken zich al snel om in ergernis. Ik erger me omdat het allemaal typetjes zijn die Franke snel neerzet, snelle mannen en vrouwen die licht door het leven fietsen in snelle broeken. Maar misschien is dat wel wat we allemaal steeds meer aan het worden zijn. En in minder dan 400 woorden kun je ook niet verwachten dat er mensen van vlees en bloed opstaan.

    Daarmee lijkt dit genre nog het meest geschikt voor de achterpagina van de krant. Alleen zou je in een column iets meer afwisseling mogen verwachten. Frankes verhaaltjes zijn misschien nog het best te vergelijken met de Camera Obscura van Hildebrand. Frankes typetjes blijven je echter minder bij. Ze schitteren klein als eendagsvliegen, lekker gemene eendagsvliegen. Conclusie: Geniet, maar gebruik met mate.

    Voor meer Herman Franke zie: http://www.hermanfranke.nl/

    KP

  • Andreas Burnier De trein naar Tarascon

    recensie door KEV, lid sinds 23-12-2003

    Het is ongelooflijk dat het werk van Andreas Burnier zo uit de aandacht verdwenen is. “De trein naar Tarascon” wordt door Cyriel Offermans een religieuze keukenmeidenroman genoemd. Dat is even ongelooflijk, want de gedachten van hoofdpersoon William Baston die tijdens de oorlog tewerkgesteld was in Duitsland, waardoor zijn geest voor het leven beschadigd is geraakt, mogen toch niet verward worden met de gedachtenwereld van Andreas Burnier.
    Een fragment uit een brief van Van Gogh gebruikt ze als motto. Tarascon was voor de schilder tijdens de reis naar Arles het laatste station voor deze plaats. De periode in Arles voerde hem uiteindelijk naar de dood. Misschien is de parallel met Van Gogh door Burnier te ver doorgevoerd in de roman. Ook William belandt in een psychotische situatie en wordt opgenomen in een inrichting, maar dat vormt te weinig grond voor de keuze van de genoemde samenhang. Toch overtuigt de Amsterdamse geschiedenis van William Baston. In de inrichting had hij gesprekken met pater Antonius, hoewel hij niet gelovig was. Soms schrijft hij zijn gedachten op:”Waarom heeft God toegestaan dat de mensen gingen denken en het weten dat zij al hadden vergaten? Dat kan ik niet be-denken en niemand op aarde, want het gevolg was Auschwitz en Dachau en de moord op Marie-Jo en alles wat er verder gebeurt tegenwoordig.” De pater leest het keer op keer, Andreas Burnier ook.

  • De koude slijtplek van je dromen

    ‘Die hangt weer voor een jaar’ , moet Aafje Heynis vaak verzucht hebben na het wegsterven van de laatste klanken van de Matthäus Passion op Goede Vrijdag. Het slotkoor heeft dan net geklonken:
    Wir setzen uns mit Tränen nieder
    Und rufen dir im Grabe zu: Ruhe sanfte ! sanfte Ruh’.
    Ruht ihr ausgesog’nen Glieder,
    Ruhet sanfte, ruhet Wohl!
    Eur Grab und Leichenstein
    Soll dem ängstlichen Gewissen
    Ein bequemes Ruhekissen
    Und der Seele Ruhstatt sein.
    Höchst vergnügt schlummern da die Augen ein.
    Wir setzen uns mit Tränen nieder
    Und rufen dir im Grabe zu:
    Ruhe sanfte ! sanfte Ruh’.

    Het is een vreemde wens: rust zacht, waar gevoeglijk aangenomen mag worden dat de opstanding niet ver meer is. En ook Aafje Heynis acht de status quo wat al te duurzaam.

    Zacht te rusten is hier wellicht misplaatst, bij doden die geen onmiddellijke opstanding hoeven te verwachten is de wens nog vreemder, meent ook Gerrit Achterberg:

    […]

    En bij het graf besteed
    geen woord aan zijnen vree.
    Hij neemt ons nu voor eeuwig beet.
    ’t Is water in de zee.

    (Uit: ‘Graflegging van een oud vriend’ in: Verzamelde gedichten, Querido, 1984)

    Nu is het werk van Achterberg, heel anders dan in dit betrekkelijk luchtige vers, een bijna voortdurend aan de ingang van het graf staan. Voor een goed begrip van wat bijvoorbeeld Mattheus gedacht en gevoeld zou kunnen hebben na de kruisafname, en tot het moment van opstanding, volstaat al bijna om door het verzameld werk van Achterberg te bladeren, en haast voortdurend daar precies verwoord te zien: Wir setzen uns mit Tränen nieder, Und rufen dir im Grabe zu.

    Om de secularisatie tegen te gaan had men dus een liederencyclus moeten componeren op enkele gedichten van Achterberg. Is dat al gebeurd? Het is wat koeler en wanhopiger dan

    Hij leed meer dan waar men om schreidt of gilt.
    Daarom heb ik het vers kalm willen schrijven,
    Maar met een hart dat van zijn wonden bloedt ?

    Want ik zie zijn gestalte en zijn verstild
    Gelaat, als hij onder de donkere olijven
    Den beker neemt, zweetend druppelen bloed -.

    Waar Nijhoff zijn ‘Het groote lijden’ mee besluit. De druppels die hier heel Melgibsoniaans van de bladzijden druipen heeft J.H. Leopold meer weggepoetst in tranen:

    Daar was weening in mijn beî oogen
    en in mijn ziel een bleek verwelken
    en in de leegte hing getogen
    treuren, een droefheid…
    Welke, welke?

    Het zal wel wezen het zelfde weenen,
    dat heeft geknakt al de blijzijns kelken,
    bangheid om een verloren ééne
    dier zielslievelingen.
    Welke, welke?

    (uit: ‘Zes Christusverzen’ in: Verzameld Werk, G.A. van Oorschot, 1985))

    Net als bij Achterberg wordt achter de dood, in het verdriet naar een geliefde gezocht, bij Leopold nog wat nondescripter dan bij Achterberg. Goede Vrijdag in de poëzie als het beeld bij uitstek van de verloren geliefde. Maar ook hier en daar enige wrevel in de Nederlandse letteren over het bovenmenselijk lijden dat alle lijden bij voorbaat overbodig maakt:

    […]

    Je wonden waren de ogen waardoor ik de wereld bekeek,
    Want ik, een ongelovige, geloofde dat onmenselijk gebaar,
    Die open armen vastgespijkerd om me los te maken.
    je dood pakte mijn schreeuwen af, en stal mijn dood.

    (uit: ‘Goede Vrijdag’ in: Hart tegen hart Leonard Nolens, Querido, 1991)

    Een terugkerende wrevel ook nog, want Jezus is de Persephone van de Christelijke mythologie, met zijn ontwaken begon gisteren gewoon weer een heel nieuw jaar -een lente bovendien. Een ontwaken, een letterlijke wederopstanding -op het moment van terugkeer zelf- waar ik geen gedicht van ken, al vermoed ik dat ze er zijn, maar in de donkere grot, waarvoor de steen geschoven was (Und Joseph nahm den Leib und wickelde ihn in ein’ rein’ Leinwand. Und legte ihn in sein eigen neu’ Grab, welches er hatt lassen in einen Fels hauen, und Wälzete einen grossen Stein vor die Tür des Grabes und ging davon). Er moet tenslotte een exact moment van ontwaken zijn, een eerste voelen van terugkeer in het hart van Jezus, het bewijs dat hij de tempel zijns lichaams in drie dagen wederopbouwen kon. Een moment dat het bloed hem in de aderen terugvloeide, het ogenblik dat het welgemeende ‘rust zacht’ van de achterblijvers alleen maar een ‘goedenacht’ had blijken te zijn, ja, dat moment, dat op deze tweede paasmorgen nog maar even geleden is:

    Ochtendpijn

    Ochtendpijn. De terugkeer
    in het eigen lijf, bang
    uit de foetushouding rollend
    retour van nacht- en moederwarmte

    Vergeet dit moment niet.

    Drink hete koffie,
    hartmassage op de koude
    slijtplek van je dromen
    en uiteindelijk besef.

    Loop maar en lach. Val
    soms in blind vertrouwen terug
    in kinderdromen.

    Ruimte en tijd voorgoed dichtbij
    en schaduwrijk.
    Verbijt met mij de ochtendpijn.

    Dan rennen wij hand in hand
    en trots nadenkend rond
    op de rots van ons geluk.

    Uit: Blauwe plekken Hilbrand Rozema, Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003

    Levi Entfield