• Het stille geweld van dromen

    Op 19 januari jongstleden pleegde K. Sello Duiker  (30) zelfmoord. Duiker – een veelbelovend Zuid-Afrikaans auteur – verwerkte veel autobiografische elementen in zijn werk. Drugs, geweld, homoseksualiteit en de zoektocht naar identiteit spelen een grote rol in zijn romans. 

    In Het stille geweld van dromen de tweede roman van Duiker  zien we het hedendaagse Kaapstad door de ogen van verschillende personages, onder andere een jonge, zwarte vrouw die door veel zelfreflectie haar relaties met mannen probeert te doorgronden; een aantal blanke en mannelijke prostituees, die voornamelijk bezig zijn met zichzelf, het dragen van de juiste kleding en het ontlopen van alle risico’s die hun vak met zich meebrengt; en enkele psychiatrisch patiënten, die het hoofd boven water proberen te houden.

    Hoofdpersoon in Het stille geweld van dromen is echter Tshepo, een intelligente, zwarte jongen die – op zijn zachts gezegd – al een hele geschiedenis heeft: zijn vader heeft zich omhooggewerkt in de maffia en liet zijn moeder, voor de ogen van de jonge Tshepo, verkrachten en vermoorden.

    Tshepo is – net als het Afrika dat Duiker schetst – voornamelijk op zoek naar zijn eigen identiteit. Net afgestudeerd aan de universiteit vindt hij – nadat hij een tijdje opgenomen is in een psychiatrische inrichting – werk in een restaurant in Kaapstad. Terwijl hij bezig is een eigen leven op te bouwen, wordt hij afgeperst door zijn huisgenoot, die er voor zorgt dat hij zijn baan verliest. Wanhopig in geldnood, besluit hij bij een luxe massagesalon te gaan werken en onder de naam Angelo begint hij als ‘zwarte dekhengst’ te werken. Hij verdient goed, besteedt veel geld aan zijn uiterlijk en het lijkt hem voor de wind te gaan.

    Hoe beter het op materieel gebied met Tshepo/Angelo gaat, des te slechter gaat het mentaal met hem. Hij wordt zich meer en meer bewust van zijn seksuele geaardheid en de maatschappelijke gevolgen van zijn huidskleur.

    In een directe stijl met korte zinnen en korte hoofdstukken lukte het Duiker een overtuigend beeld neer te zetten van zijn verschillende personages en hun maatschappelijke ideeën. De moderne stadscultuur wordt – met al haar onzekerheden, rellen en geweld –  blootgelegd. Duiker verwerkte flarden van talen als het Sesotho, het Xhosa en het Afrikaans in zijn verhaal, wat het verhaal extra sterk maakt.

    K. Sello Duiker (Zuid-Afrika, 1974 – 2005) debuteerde in 2000 met Thirteen Cents, waarvoor hij de Commonwealth Prize,  African Region ontving. Het stille geweld van dromen werd bekroond met de Herman Charles Bosman Prize 2001 en werd genomineerd voor de Impact Dublin Literary Award 2002.
     
    Het stille geweld van dromen
    K. Sello Duiker
    Oorspronkelijke titel: The Quiet Violence of Dreams
    Vertaald uit het Engels door Robert Dorsman
    De Geus/Novib 2003
    ISBN 9044503324

    AMvdP

    Foto: overgenomen van http://www.nb.co.za/Kwela/kAuthorCV.asp?iAuthor_id=5246

  • Pfeijffer meets Van Wissen

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Een van de leukste gebeurtenissen van de afgelopen weken was de verkiezing van de Dichter des Vaderlands. Driek van Wissen, hij woont bij mij om de hoek en fietst regelmatig langs, vriendelijk zwaaiend, gaf de hele moderne dichterskliek het nakijken. Van Wissen is immers niet hot, hij is niet de grote taalvernieuwer: Van Wissen schrijft ambachtelijke verzen en het volk waardeert dat. De andere deelnemers keken beteuterd bij de bekendmaking van de nieuwe Dichter des Vaderlands, alsof een ietwat onwelriekende, niet welkome oom opeens opduikt bij het familiediner. Wacht eerst maar af wat Van Wissen gaat doen.

    Een van de grootste criticasters van Van Wissen was Joost Zwagerman. Zijn nieuwe bundel (met cd, ingesproken door Hans Teeuwen) Roeshoofd hemelt zag onlangs het licht. De bundel is eigenlijk een lang verhaal in versvorm over de hoofdpersoon Roeshoofd, die zijn naam zegt het wel heel erg duidelijk verward raakt in een enorme supermarkt, de T-markt. In de T-markt kun je alles kopen, van producten tot gevoelens: alles is er. Roeshoofd raakt verward, draait door komt in een gesticht terecht, draait verder door, komt voor de rechter en sterft uiteindelijk.

    Een mooi uitgangspunt voor een groot episch vers. Met een citaat uit De Aleph van Borges zet Zwagerman dan ook hoog in. In de vorm weet hij uiteindelijk niet te kiezen (dat blijft ook in het prozawerk zijn constante makke). Groots uitwaaierende verzen als het de T-markt betreft, Lucebert geklutst met Pfeijffer en strakke kwartijnen en zelfs sonnetten als hij de wereld in de inrichting beschrijft. Chaos tegenover orde, zowel in het brein van Roeshoofd als in de vorm van het gedicht. Of:

    …sluipend, dieselend, in vertraagde ganzenpas,
    bloem in knoops, niet-voor-één-gat-te-vangenslangachtig,
    ogen hemelwaarts (van alle ciderhemels de meest linkse,
    die in de schaduw van humhumliedjes populieren van thuis)
    en gedragen door ouders vrienden onderwijzers monkelaars,
    etc. etc.

    tegenover

    halfbange gezichten tijdens bezoek
    vragen me roeshoofd wat mis je het meest
    is het soort lulvraag dat ik vervloek
    als antwoord doek ik mij op in mijn geest

    Beide vormen overtuigen niet. Het spel dat Pfeijffer nu en Lucebert vroeger speelt met taal, levert poëzie op die danst en zingt, ook al snap je er af en toe geen jota van. Bij Zwagerman proef je dat hij het kunstje nadoet, maar je komt als lezer niet onder de indruk van de taal. Zwagerman gebruikt veel moeilijke woorden, veel nieuwe woorden, hij verwijst naar de hele Nederlandse poëziewereld (‘Boeldaghallen annex schedelveld plus koeler maan./ Erg grote uitsterfdieren. Melkwegstelsels van appels die graag blozen.’ ‘alleen in mijn verkalking kan ik wonen’), maar zijn regels blijven starre bedenksels.

    Dat blijkt misschien het meest uit de gedichten die een vaste vorm hebben. Je mag dan kritiek hebben op Van Wissen die alleen maar gebruik maakt van eindrijm, als je het zelf als vorm inzet moet je toch iets originelers neerzetten. Dat gebeurt niet, kijk maar naar de volgende reeks rijmwoorden uit twee gedichten: aan-kleuren-aan-gebeuren-trillen-erbij-gillen-slagzij-bed-afgepakt-gezet-verzet-verzwakt-sonnet (blz. 29) kont-kwijl-opwond-geil-spoot-verlaten-dood-praten-bevond-macht-rond-dromen-verkracht-fantomen (blz. 97). Ik denk niet dat Driek van Wissen afgunstig zal zijn.

     

  • Grote Jiddische roman, Arnon Grunberg

    Grote Jiddische roman, Arnon Grunberg

    Weldenkende mensen, overal ter wereld, waren het erover eens: Hitlers oorlog was niet netjes geweest maar wel preventief. En wie hem met een onbevooroordeeld oog bekeek moest toegeven: hij had zijn mindere kantjes gehad, maar hij was een ziener geweest.

    (uit: Grote Jiddische Roman, p 482) 

    De Grote Jiddische Roman verteld het verhaal van de ambitieuze Xavier Radek die zichzelf ten doel heeft gesteld, een verloren volk te troosten. Hij woont thuis bij zijn ouders in Basel en bezoekt in het geheim synagogen. Zijn synagogenbezoeken houden op een onnavolgbare wijze verband met zijn opa.
    Zijn grootvader had met veel enthousiasme bij de SS gediend. Hij was iemand die niet bij de pakken neer ging zitten maar er van hield om flink de mouwen uit de handen te steken, kortom, iemand die het handwerk van de dood verstond. Tegelijkertijd hield zijn prille synagogenbezoek verband met een levensfase. Nadat zijn interesse in de wetenschap was geblust, werd hij nieuwsgierig naar het echte leven en het lijden van de mens.
    Om meer over het lijden te weten te komen, sluit  Xavier Radek onder valse voorwendselen aan bij een joodse jeugdvereniging en leert Awromele kennen. Awromele is een joodse jongen met blonde krullen die voornamelijk geïnteresseerd is in schuine moppen. Xavier kan het goed met Awromele vinden en verzwijgt zijn afkomst. Awromele helpt hem zijn weg vinden in de joodse gemeenschap en samen geloven ze dat de tijd rijp is om Mein Kampf naar het Jiddisch te vertalen. Omdat Xavier nog onbesneden door het leven gaat, zoekt Awromele een goedkope arts voor Xavier. Meneer Schwartz. Meneer Schwartz blijkt alleen praktisch blind te zijn maar: ‘Om een Jood te besnijden hoef je niet goed te kunnen zien. Om een jood te besnijden moet je nesjomme hebben.’
    De ogenschijnlijk simpele ingreep loopt uit op een drama waarbij Xavier levensgevaarlijk gewond raakt en een van zijn teelballen verliest. Na zijn ziekenhuisopname krijgt hij zijn teelbal in een potje mee naar huis wat een nieuwe fase inluidt. Xavier blijkt niet onverdienstelijk te kunnen schilderen en zeker de portretten van zijn moeder met teelbal in de hand baren veel opzien. Samen met Awromele vertrekt hij daarom naar Amsterdam om zich aan te melden voor de Rietveld academie. De relatie tussen Xavier en Awromele gaat dan inmiddels al veel verder dan alleen een vriendschap. Ze zoenen en ze vrijen, zijn jaloers en maken ruzie. De jongens houden van elkaar maar spreken af niets voor elkaar te voelen. Als de Rietveld op een deceptie uitdraait, besluit Xavier zijn geluk te beproeven in Israël. Hij wordt adviseur, niet lang daarna minister president en verklaart vanuit deze positie de rest van de wereld de oorlog. 
    Met Grote Jiddische Roman lukt het Arnon Grunberg niet het niveau van boeken als Fantoompijn of De Asielzoeker te evenaren.. Grote Jiddische Roman lijkt in alle opzichten (behalve de omvang) op een literair tussendoortje. 
    Het is een wat trage en ongeconcentreerde roman. In tegenstelling tot eerder werk zit er veel ruis in de dialogen en neemt het verhaal een haast onacceptabele wending. Je zou bijna gaan denken dat er in de redactiefase op de uitgeverij onzorgvuldig met het materiaal is omgesprongen. Misschien is het toeval, maar Grote Jiddische Roman is de eerste roman van Grunberg die niet bij Nijgh&Van Ditmar is uitgegeven, maar  bij Vassallucci.

    AV

  • Onder Professoren

    Venetië is al heel lang een decorstad voor de literatuur en de film. De associaties die de stad oproept zijn dood en verval. In Nederland is dat het laatst gedaan door Rosita Steenbeek in Ballets Russes. Maar Gerrit Krol is een andere romanschrijver dan Rosita Steenbeek.

    Hoofdpersoon van de roman is Pipper, die uitgenodigd is bij het Rorricelli-colloquium in Padua en Venetië. Opvallend is dat hij de enige deelnemer op de lijst is zonder prof. of dr. voor zijn naam. Nog opvallender is dat er collega’s aanwezig zijn die al lang dood zijn, zoals Brodsky en Dijksterhuis. Dat zijn namen die je kent. Later in het boek blijkt dat alleen de doden onder hun eigen naam voorkomen, de nog levende professoren krijgen een schuilnaam. Zo herkennen we in Prof. dr. B. H. Mitla een versie van Bette Midler en herkennen we in Dr. M. Welbeke de franse auteur Houellebecq.

    Pipper is in gezelschap van de jongere Vicky. Zij bewondert en fotografeert de steden en hij woont meestal een lezing bij, want elke professor moet een lezing afleveren. Je ziet dus soms een paar bladzijden uit een lezing, die vaak in de wiskundige of de natuurkundige hoek zitten, afgewisseld worden met ‘gewone’ passages waarin Pipper vertelt wat hem overkomt. Ook kom je te weten waarom hij nooit een echte professor is geweest. Ooit heeft hij gefraudeerd met zijn bul. Nog steeds is hij bang dat hij ontmaskerd wordt, maar de professoren die hem omringen zijn juist uiterst blij met hem.

    Oude en nieuwe wetenschappelijke theorieën komen in hoog tempo voorbij en het is alsof Krol ons een staalkaart wil laten zien van genieën die de wereld echt veranderd hebben. Tegelijkertijd zorgen de gewone stukken ervoor dat een alfa-lezer, zoals ik, niet te snel verveeld raakt. Overigens staan er ook in de ‘wetenschappelijke’ delen passages die met humor geschreven zijn. Zoals in de Bijbel af en toe een hele opsomming gegeven wordt van een geslachtslijn (en die gewon die, en die gewon weer die en die etc.) zo beschrijft een geleerde de kennislijn ‘En Descartes, Bacon en Galilei, zij alle drie leerden Boyle. En Galilei leerde Torricelli. Torricelli leerde Pascal. En Boyle leerde Hooke, en zij beiden leerden Papin.’ Etc. etc.

    Maar Rondo Veneziano is ook een boek over de liefde. Zowel Pipper als Vicky beleven avontuurtjes. Als ze echter op de terugweg zijn spreken ze uiteindelijk ook de liefde voor elkaar uit. Kijk, daar hebben wij alfa’s weer houvast.

    Coen Peppelenbos

    GERRIT KROL ? Rondo Veneziano, Querido, Amsterdam, 257 blz. €16,95

     

     

  • Zigzaggend door de kunst

    De meeste kunsthistorici kunnen niet schrijven over hun vak. Echte schrijvers doen dat werk vaak beter: K. Schippers bijvoorbeeld, maar ook iemand als W.F. Hermans kon erg aanstekelijk schrijven over de kunstenaars die hij bewonderde. Pam Emmerik hoort ook in dat rijtje thuis. Door haar ‘verhalen’, ze mogen blijkbaar geen essays genoemd worden, krijg je zin om weer naar het museum te gaan.

    In het laatste verhaal van haar bundel Het wonder werkt, dat dit jaar voor de AKO-prijs genomineerd werd, verklaart ze haar manier van schrijven: ‘Maar al kan ik het niet ontraadselen, ik kan het spoor van het mysterie een stuk terug volgen.
    En dat is wat ik de zigzagbenadering zou willen noemen, als van een speurhond, en waarbij alle middelen ingezet kunnen worden: kunstgeschiedenis, gedichten, spreektaal, psychologie, film, dromen, observaties, herinneringen, filosofie, persoonlijke verhalen, doctrines, latrines, stadservaringen, politiek en meer.’

    Die methode moet je als lezer wel liggen. Je krijgt geen mooi afgerond stuk met een snufje historie en een vleugje beschouwing. Emmerik kan een verhaal begin met de ochtend waarbij ze bij het ontwaken bemerkt dat ze de lettervermicellisoep van de vorige avond heeft uitgekotst, zien dat de naam FRNSHLS te vinden is, naar het Frans Hals-museum gaan, uitweiden over de erotiek van een kous in de kunst, vertellen over die keer dat ze aangesproken wordt door Marokkanen die een opmerking maken (“Lekkere lichamen, hè schatje”) bij een schuttersstuk waarna het gaat over hun manier van kijken naar mensen die gekleed zijn om vervolgens over te springen naar andere kunstenaars. Het verhaal is dan nog niet eens afgelopen, maar je ziet dat Emmerik nogal wat overhoop haalt. Je moet als lezer wel volgen omdat al die overgangen zo natuurlijk lijken te zijn, aansluiten bij de wijze waarop je zelf met kunst omgaat.

    Niets is erger dan in een museum rondlopen en bij een echtpaar staan waarbij de man (het is altijd de man) geduldig uitlegt hoe een werk kunsthistorisch te verklaren is. Dan is de wijze waarop Emmerik kijkt verreweg te prefereren. Wat ik knap vind, en wat tegelijk de achilleshiel is van het boek, is de persoonlijke invalshoek van Emmerik. Die zie je niet terug in het werk van Schippers of Hermans. De beginzinnen van haar verhalen zetten je meteen op scherp: ‘Ik droomde dat ik anaal verkracht werd door mijn vader’,  ‘Ik haat leugens… en eierwekkers haat ik ook.’

    Het wonder werkt is een recalcitrant boek over kunst. Emmerik heeft een voorkeur voor ontregelende kunst, kunst die haar aan het werk zet. Ze schroomt niet om het denkproces dat volgt helemaal te delen. Ik zou het boek willen verplichten bij alle kunstgeschiedenisopleidingen.

    Coen Peppelenbos

    PAM EMMERIK: Het wonder werkt ? Verhalen over kunst. Querido, Amsterdam, 216 blz. €21,95.

  • Play that funky music, white boy

    Dylan Ebdus groeit als een van de weinige blanken op in Dean Street, Brooklyn. Het hippie idealisme van zijn ouders komt hem duur te staan: Dylan moet dagelijks pesterijen, afpersingen en geweld doorstaan, maar een vriendschap met Mingus, zoon van een verlopen soulzanger die teert op een paar hitjes, is zijn redding. Graffiti, muziek, stripboeken, drugs en overleven bepalend de jeugd van de twee jongens.

    De burcht van eenzaamheid, de tweede roman van Jonathan Lethem, is een moderne bildungsroman doorspekt met soul. Niet alleen geeft Lethem en passant een muziekgeschiedenis, ook het taalgebruik is sterk geënt op populaire muziek: op bijna iedere pagina kom je wel een citaat of een verwijzing naar een liedje, band of stroming tegen. Bovendien gebruikt Lethem een soort taal waaraan je je ? als aan muziek ? helemaal moet over geven. Originele en indringende sfeertekeningen, waarachtige observaties en een tikkeltje magisch realisme maken De burcht van eenzaamheid een boek waar je als lezer ‘mee gaat leven’ en dat nog lang bij je blijft als het uit is.

    De vriendschap tussen de twee jongens en een ode aan Brooklyn lijken de twee hoofdthema’s van het boek. Maar er is nog een derde, minstens even belangrijk onderdeel in de roman: de Ring van de Vliegende Man. Dit element brengt een beetje magie in het anders zo scherp realistische verhaal. Rechtstreeks uit een stripverhaal getrokken bepalen de Ring en de Vliegende Man niet alleen Mingus’ jeugd, ze bepalen de hele roman. Het verhaal is zo opgebouwd om Mingus uiteindelijk vrede te laten sluiten met zijn verleden, en de ring is daarbij van cruciaal belang.

    De burcht van eenzaamheid
    is indringend, rijk, swingend, liefdevol. Lethem heeft een universeel verhaal geschreven dat feit en fictie verbindt en het resultaat is indrukwekkend.

    AMvdP

     

  • Herman de Coninck: Een aangename postumiteit ? Brieven 1965-1997

    Schrijven in de nacht

    Na de dood van Herman de Coninck in 1997 schreef Kristien Hemmerechts Taal zonder mij, waarin zij aan de hand van zijn gedichten een beeld van de dichter en echtgenoot gaf. De gedichten en het proza van De Coninck is al uitgegeven en daar is nu een kloek boek bijgekomen: Een aangename postumiteit ? Brieven 1965 – 1997. Gelukkig maar, want het is een van de mooiste brievenboeken die ik ken. 

    De Coninck schreef duizenden brieven en heeft in een van die brieven al aangegeven dat er later een strenge selectie uit gemaakt moet worden. Dat heeft Annick Schreuder, samen met Kristien Hemmerechts en zijn literaire vrienden Piet Piryns en Benno Barnard, dan ook gedaan. Ze hebben alles teruggesnoeid tot een dikke 800 bladzijden. In de verantwoording legt Schreuder uit dat er sommige passages uit brieven gehaald zijn, dat sommige ontvangers beschermd zijn door hun namen weg te laten en dat al te intieme stukken die nogal confronterend kunnen zijn voor mensen die nog leven vervangen zijn door vierkante haken. Je zou dan al snel het idee krijgen dat je te maken hebt met een slap aftreksel van wat het had kunnen zijn, want de scherpe kantjes zijn immers weggepoetst, maar niets is minder waar. Je leest Een aangename postumiteit en je krijgt een totaalbeeld van de dichter Herman de Coninck, de kwade, de lieve, de twijfelende, de berouwvolle, de ironische en de hardvochtige.

    Zijn persoonlijke leven is voor De Coninck altijd een inspiratiebron geweest. Een niet erg makkelijk leven: zijn eerste vrouw kwam om bij een auto-ongeluk, waarna hij zijn zoon alleen moest opvoeden, zijn tweede vrouw liep bij hem weg waarna hij in een crisis terechtkomt en bij zijn derde vrouw, Hemmerechts, vindt hij uiteindelijk rust en berusting ondanks opflakkerende meningsverschillen. Dat vind je allemaal in de brieven terug: soms stort hij zijn hart uit, soms troost hij vrienden die iets soortgelijks meemaken.

    Als dichter werd De Coninck steeds bekender, meer in België dan in Nederland. Alhoewel hij door Van Oorschot en De Arbeiderspers wordt uitgegeven heeft hij toch sterk het gevoel dat men hem in Nederland niet waardeert. Hier draait het om taalspelletjes en ingewikkelde constructies die niemand snapt, terwijl De Coninck meer de man was van de begrijpelijke poëzie. 

    De Coninck komt in zijn element als hij overstapt van de Humo waar hij journalist is, naar het Nieuw Wereld Tijdschrift het literaire blad waarvan hij de ziel werd. Van dat blad wil hij het beste blad maken in de Nederlandse taal, een blad dat ook essays wil plaatsen van grote schrijvers uit de hele wereld. Hij correspondeert met Josef Brodsky, V.S. Naipaul en Antjie Krog en bedelt hen stukken af. Hij zegt er vaak bij dat hij niet het honorarium van Playboy kan betalen, maar dat zijn blad de vergelijking met het Britse Granta ruimschoots kan doorstaan.

    Komisch zijn ook de afwijsbrieven die hij schrijft aan would be-dichters die pogen hun verzen aan het NWT te slijten. ‘U schrijft adembenemend slechte poëzie. Ik ben nochtans heel wat gewend op dat gebied. U moet maar eens een andere hobby nemen.’ En als hoofdredacteur poogt hij af en toe om grote adverteerders binnen te halen. Zo stelt hij de directie van de Waterman-pennen een reclamecampagne voor in ruil voor gedichten. Als voorbeeldgedicht stuurt hij alvast het volgende:

    ‘Ik doe ’t wel eens met Bic. Kater van.
    Mij concentreren zoals alleen een pater kan,
    lukt mij slechts met mijn Waterman.
    O, inspiratie, klater dan!’

    De directie gaat niet in op zijn voorstel.

    Een aangename postumiteit is een allesomvattend zelfportret in brieven. Elegant geschreven en daarom aangenaam om te lezen. Zo aangenaam dat ik er af en toe laat door op bed kwam. Het werd een paar keer ongemerkt drie uur ’s nachts. Een mooie tijd om De Coninck te lezen, want ook hij leefde pas op in de nacht.

    Van een totaal andere orde zijn de brieven die W.F. Hermans schreef aan zijn uitgever Geert van Oorschot. Eerder verschenen al de brieven van Van Oorschot aan de schrijver (Hierbij de hele god in proef) en die waren op een paar enthousiaste brieven van Van Oorschot niet om door te komen, omdat Hermans zijn uitgever dwong om alleen maar in te gaan op de verkoopcijfers, foutieve drukproeven, slordige afrekeningen, onregelmatigheden in de tekst en geknoei met de buitenlandse rechten voor zijn boek. Nu lezen we alles van de andere kant. Kruideniersproza van de bovenste plank met als dieptepunt een ruzie over een zoekgeraakte foto van Hermans, waarvoor die dan 50 gulden in rekening brengt, die Van Oorschot natuurlijk niet wil betalen, waarop Hermans begint te stoken bij vrienden, enzovoort enzovoort.  De enige persoonlijke en intieme brief die hij aan Van Oorschot schrijft, het is begin 1954 en de relaties zijn nog relatief goed, gaat over zijn doodgeboren kind. ‘Toen zij naar de kliniek gebracht was en daar in de verloskamer lag, zei ze nog: “Hoe moet dat nu, we hebben vergeten de kleertjes voor het kindje mee te nemen.” Ik wist toen al dat dit kindje ook mèt kleertjes niet meer warm zou worden.’
    Zaten er maar meer van dat soort brieven in, maar helaas is dat niet het geval: de rest is voer voor literatuursociologen.

    Coen Peppelenbos

    Herman de Coninck: Een aangename postumiteit ? Brieven 1965-1997
    Samengesteld en geëditeerd door Annick Schreuder. Arbeiderspers, Amsterdam, 862 blz. €24,95

    Willem Frederik Hermans: Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar ? Brieven aan Geert van Oorschot. Bezorgd door Nop Maas. De Bezige Bij, Amsterdam, 325 blz. € 29,50

     

  • Patrick Modiano Nachtelijk ongeval

    Zowel de herinnering als het vergeten
    Op een brug in Parijs, bij nacht, de mist speelt om de lantaarns, staart een man in de Seine. De foto is gedrukt in nachtblauw en zou een still uit de film Les amants du Pont-neuf kunnen zijn, een film in mistflarden, bij nacht opgenomen over twee geliefden die door Parijs zwerven. Het beeld is echter de omslagfoto van Patrick Modiano’s laatste roman Nachtelijk ongeval (Accident Nocturne). Mist wordt in Franse film veelvuldig gebruikt om een sfeer op te roepen waarin ook dat wat er gebeurt niet vastomlijnd en helder omschreven meer kan worden. De 'nocturne uit de Franse titel is ook een door onder meer Chopin ontwikkelde discipline van een wat onomschreven, de nacht evocerend pianostuk. Modiano past in de roman een literair procédé toe waarbij ongewisheid ten dienst staat van het uitmeten van een groot literair thema: dat van de verloren jeugd, de verloren geliefde of de onbenaderbare herinnering.

    Op een nacht wordt de hoofdpersoon in Parijs aangereden door een dame in een zeepgroene Fiat, hij raakt gewond en zij raakt gewond. Ze brengen samen enige tijd door, zwijgend bij een politiebureau en een eerste hulppost. In het ziekenhuis waarin de hoofdpersoon belandt begint een hallicunante tocht naar een door de schok terugkerend verleden. Hij herinnert zich allereerst dat ooit een hond werd doodgereden, op net zo’n nacht, net zo’n weg. De geur van de kliniek brengt hem een ander ongeval in het geheugen, waarbij net zo’n dame betrokken was. “Toen ik die middag de kliniek verliet, volgde ik de Seinekade in de richting van de Pont Grenelle. Ik probeerde me te herinneren wat er indertijd was gebeurd nadat ik bij de zusters was ontwaakt. De kamer met de witte muren waar ik toen lag leek op de kamer in de Mirabeau-kliniek. En de geur van ether was dezelfde als die in het Hôtel-Dieu. Dat kon me helpen bij mijn naspeuringen. Men zegt dat de geuren het verleden het sterkst doen herleven, en die van de ether heeft altijd een merkwaardige uitwerking op me gehad. Voor mij was het bij uitstek de geur van mijn kindertijd, maar doordat hij was verbonden met slapen, terwijl ook de pijn erdoor werd uitgewist, liepen de beelden die hij opriep meteen weer door elkaar. Waarschijnlijk had ik daarom zulke vage herinneringen aan mijn kindertijd. De ether stimuleerde zowel de herinnering als het vergeten.”

    Dit is meteen een cruciale beschrijving van wat Modiano zorgvuldig blijft doen in deze roman, de herinnering even tonen en meteen weer verhullen. De dame werd gechapponeerd door een ‘forsgebouwde vent’ die hem een verklaring laat tekenen en hem nadien een flink bedrag in handen drukt. De hoofdpersoon is juist in die periode in de ban van ene Bouvière, een café-goeroe van wie hij later aan de Seine in een boekenstal de omineuze titels: Het verhullende geheugen vindt, en De leugen en de bekentenis vindt. Tijdens die bijeenkomsten leert hij een meisje kennen waarmee hij spreekt over Bouvière en later gaan ze samen naar hotels waar ze steeds ander namen opgeven. Ze is pianodocente, en laat alle studenten hetzelfde stuk instuderen, De Bolero van Hummel. – – Bolero, muziekstuk waarin een eenvoudige melodie eindeloos herhaald wordt. J. N. Hummel beïnvloede Chopin.- In de nocturne die dit boek is worden ‘de nacht evocerende’ delen aaneengesmeed. “Ik vraag me af of ik vlak voor het ongeval soms net Hélène Navachine naar de trein in het Gare du Nord had gebracht. Op den duur knaagt de vergetelheid grote delen van ons leven weg, en soms ook piepkleine tussenliggende stukjes. En door de schimmel op die oude filmrol ontstaan er sprongen in de tijd, zodat gebeurtenissen waar eigenlijk maanden tussen lagen vlak na elkaar of zelfs gelijkertijd lijken te hebben plaatsgevonden.”
    Dit is de essentie van een bepaald soort literatuur: door ons mankerend geheugen gaan zaken verband met elkaar houden, dingen van nu lijken op dingen van vroeger. Je vraagt je af waar je een vrouw van kent (Een liefde in Parijs, Remco Campert) Je blijft op zoek naar een meisje waar je ooit verliefd op werd (Le grande Meaulnes, Alain Fournier).

    De roman Nachtelijk ongeval is een sfeervolle uiting van dit thema: wat verloren lijkt is er nog. En voor wie gevoelig is voor de fascinerende werking van het geheugen biedt het boek veel. Voor wie het na een paar keer wel een klein beetje zat wordt wellicht iets te veel: ‘Ik heb [in het aquarium] heel lang naar de vissen achter het glas gekeken. Hun lichtgevende kleuren deden me ergens aan denken. Ik was hier ooit mee naar toegenomen maar ik zou niet hebben kunnen zeggen wanneer dat precies was.’

    Modiano werd voor zover ik weet in Nederland door Rudy Kousbroek ontdekt. Over zijn debuut La Place de l’Étoile schreef hij in zijn Anathema’s I (1969) ‘Het lezen van La Place de l’Étoile is het best te vergelijken met de belevenis om in een ton, die aan de binnenkant van spijkers wordt voorzien, van een berg af te worden gerold.’
    Modiano heeft een ander uitwerking gekregen, de ton is met warme dekens bekleed, je hebt een flesje rum bij de hand en dobbert lekker mijmerend over de Seine.

    Patrick Modiano Nachtelijk ongeval Meulenhoff 2004. Vertaling: Maarten Elzinga

    mh

  • Broer aan het oostfront

    Karl-Heinz Timm stierf in 1943 op negentienjarige leeftijd aan het oostfront, in de Oekraïne. Een jaar daarvoor had hij zich als vrijwilliger aangemeld bij de Waffen-SS.

    De Duitse schrijver Uwe Timm voelde zich pas vrij om over zijn oudere broer te schrijven, nadat zijn beide ouders en zijn zus overleden waren. ‘Vrij betekent,’ schrijft hij, ‘alle vragen kunnen stellen, met niets en niemand rekening hoeven houden.’ Over zijn broer schrijven betekent ook over zijn familie schrijven, over zijn vader, zijn moeder en zijn zus en uiteindelijk ook over zichzelf. ‘Hen schrijvend benaderen is proberen om te zetten wat in de herinnering bewaard gebleven is, proberen mezelf te vinden.’

    ‘Proberen zichzelf te vinden.’ Met die woorden stelt hij – indirect weliswaar, maar toch – de vraag: In hoeverre lijk ik op hen? En: Wat had ik gedaan als ik in hun positie was geweest? Het is in ieder geval de vraag die zich als lezer aan je opdringt, bijvoorbeeld wanneer je leest hoe Timm als vijfjarig jongetje al rondliep in een soldatenjasje, hoe hij geleerd had zijn hakken tegen elkaar te slaan, een buiging te maken en de Hitlergroet te brengen. Wat als? Wat als de oorlog langer had geduurd? Wat als ik in die situatie, in dat land, in zo’n overigens vrij gewone Duitse familie was opgegroeid?

    Zoals gezegd, stelt Timm die vraag niet met zoveel woorden. Misschien omdat die vraag stellen al gauw de schijn wekt dat je iets goed probeert te praten. Wat hij wel doet is het bevragen van zijn ouders: Wie waren zij en wat bewoog hen?

    Timms vader was een selfmade man van arme komaf, iemand die graag bij de betere kringen wilde horen. Iemand die in zijn jeugd opkeek naar en zich later spiegelde aan de vooroorlogse adel. Iemand die daarom termen als moed, eer en plichtsvervulling centraal stelde. Het soort moed, eer en plichtsvervulling dat het individu ontkent wel te verstaan. Iemand voor wie zijn oudste kind, een meisje, nauwelijks bestond. Iemand die alleen trots was op zijn zonen en alleen dan wanneer die zich een man betoonden, dat wil zeggen, niet bang waren en niet klaagden over pijn en bijvoorbeeld zonder aarzeling van een tien meter hoge duikplank afsprongen.

    Na de oorlog legde Timms vader de schuld bij anderen, bij de geallieerden die eerder hadden moeten ingrijpen, bij Hitler die de oorlog voor Duitsland verloren had, bij het gezag dat beter had moeten weten. Buiten zichzelf dus. Hij wilde en kon niet zien dat hij als gewoon militair (hij diende bij de Luftwaffe) ook een bijdrage had geleverd aan wat zich onder het Hitlerregime had voltrokken.

    Over zijn moeder schrijft Timm dat zij zichzelf na de oorlog wel de vraag durfde te stellen in hoeverre zij schuldig was. ‘Niet als tobberige zelfkwelling, maar wel zo dat ze uit zichzelf vroeg: Wat had ik kunnen doen, moeten doen?’ Haar conclusie was dat zij tenminste verzuimd had vragen te stellen, zoals: Waar zijn de twee joodse gezinnen uit de buurt gebleven?

    Tijdens zijn onderzoek was Timm voortdurend bevreesd dat hij op gegevens zou stuiten waaruit zou blijken dat zijn broer betrokken was geweest bij het fusilleren van burgers, van joden, van gijzelaars. Maar voor zover hij heeft kunnen nagaan, schrijft hij, was dat niet het geval.

    Uit de dagboekaantekeningen en brieven van Timms broer, uit de door hem bewaarde anecdotes en verhalen rijst een beeld op van een als kind wat dromerige jongen die de hoop en trots is van zijn vader, een jongen die daarom graag flink wil zijn, een jongen die zich groot houdt – zoals het hoort. Maar wie zijn broer echt was, blijft een raadsel, misschien ook voor hemzelf. Zijn dagboekaantekeningen van het front bevatten weinig tot niets persoonlijks. Wat hij noteerde waren wachttijden, afgevuurde salvo’s, aantallen gewonden en doden. Uit zijn aantekeningen spreekt voornamelijk de plichtsbetrachting van een gedrild soldaat. Zijn brieven naar huis uitten alleen de zorg van de oudste zoon om zijn familie en zijn vaderland.

    Een drietal zinnen licht Timm eruit.
    Uit het dagboek: ’75 m. rookt Ivan sigaretten, voer voor mijn MG.’ De vijand als object, ontdaan van vlees en bloed, ontdaan van menselijkheid. Het was de zin waarbij Timm vroeger altijd ophield te lezen, bang als hij was voor wat hij verder in het dagboek zou aantreffen.
    De tweede zin waarachter Timm blijft haken komt uit één van zijn broers brieven naar huis, waarin deze zijn zorg en verontwaardiging uit vanwege de bombardementen op Hamburg. ‘Dat is toch geen oorlog meer,’ schrijft hij, ‘dat is moord op vrouwen en kinderen – en dat is niet humaan.’ Waarom ziet hij dit wel, vraagt Timm zich af, maar niet wat er zich onder zijn neus afspeelt? Waarom staat er nergens iets in zijn aantekeningen over gevangenen, over de slachtoffers en vernielingen daar?
    De laatste zin is de zin waarmee zijn aantekeningen eindigen: ‘Hiermee sluit ik mijn dagboek af, omdat ik het onzinnig vind om zulke wrede dingen die soms gebeuren, bij te houden.’ In de context van de summiere, droge aantekeningen waarmee het dagboek gevuld is, is dit een raadselachtige zin. Welke wrede dingen bedoelt hij? Doelt hij alleen op het vallen van zijn makkers, de doden en gewonden aan eigen zijde, of doelt hij ook op de slachtoffers aan andere zijde en onder de burgerbevolking? Die vraag blijft onbeantwoord. Je zou willen, met Timm, dat hij ook dat laatste bedoelde. Niet alleen voor Uwe Timm of voor zijn broer, maar ook voor jezelf. Zijn broer is ‘slechts’ een voorbeeld.

  • De kracht van het woord

    Door Coen Peppelenbos

    Wie tegenwoordig een boekhandel binnenloopt, verbaast zich over de dikke pillen die liggen te wachten op leeshongerige klanten. Vooral jonge Amerikaanse schrijvers houden van dik, dikker, dikst. Als je de moeite neemt om eens zo’n boek te lezen dan zie je al snel de hand van een scriptdokter of een behendige literaire agent die bloedeloze verhalen langs de gebaande paden van een plotontwikkeling jagen. Het zijn de B-boeken van de literatuur, van Glen David Gold tot Donna Tartt. Op verhaalniveau doodge-edit, op zinsniveau niets te beleven.
    Bij de Vlaamse auteur Erwin Mortier zie je het tegendeel gebeuren. Zijn boeken lees je niet per strekkende meter, zijn zinnen wil je herlezen. In Alle dagen samen, een novelle die hij bij zijn nieuwe uitgeverij de Bezige Bij uitbracht, is Mortier op vertrouwd terrein: het leven van een jongen. Een jongen die de taal nog moet leren ontdekken. In de prachtige roman Mijn tweede huid voert hij ook al zo’n jongen op. De eerste zinnen luidden daar: ‘Het was in de tijd voor ik echt kon spreken. Bijna niets had een naam, alles was lichaam.’ In Alle dagen samen is de kleine hoofdpersoon ook alleen maar lichaam in het begin, want hij is zwaar ziek. Tot hij beter wordt, is hij niet meer dan een vat zintuigen dat kijkt en luistert. Maar hij komt er langzaam weer bovenop. ‘In zijn binnenste sluimert nog altijd de slapte die hem wekenlang in de dagen heeft opgeborgen als een vogeltje in een vuist, tot weinig meer in staat dan de hals te rekken en zich te laten voeren.’
    Als een jaar later plotseling de overgrootvader onwel wordt en binnen niet al te lange tijd komt te overlijden is de aandacht in huis alleen nog maar gericht op het sterfgeval. Met de dood komt ook het woord in het leven van de kleine jongen. In het tien hoofdstukken tellende boek, komt slechts één hoofdstuk voor dat vanuit een ik-perspectief wordt verteld. Je leest er eerst overheen, maar als het boek daarna weer terugspringt naar een personale verteller, dan weet je dat hier iets belangrijks wordt gezegd. Dat hoofdstuk gaat helemaal over de woorden die het brein van de jongen bezighouden.

    ‘Alleen de moeilijkste woorden zijn sterk genoeg om de slaap uit mijn ogen te houden.

    Vat van gerechtigheid
    Koningin zonder erfsmet
    Moeder der martelaren’

    Uit het hoofdstuk erna blijkt dat hij de woorden nog niet altijd goed gebruikt. Hij verwart huilen met lachen bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe zijn grootvader en grootmama bij het sterfbed vandaan komen: ‘Wanneer ze weer naar buiten komen, hebben ze zakdoekjes bij en houden hun lach in. Grootvader ook, hij heeft nog nooit zoveel gelachen.’
    Nog geen honderd bladzijden telt Alle dagen samen en er gebeurt niet veel in op het eerste oog. Een redacteur van een Amerikaanse uitgeverij had het al lang teruggestuurd. Toch krijg je bij Mortier in weinig woorden voorgeschoteld waar een ander een heel oeuvre voor nodig heeft. Een jongen beseft dat de dood een onderdeel van het leven vormt. Een ingrijpende gebeurtenis die zijn blik op zijn ouders en de mensen die hem omringen zal veranderen. Dat blijkt onder meer uit het slothoofdstuk waar de verteller en zijn moeder in het gras liggen en spelen dat ze dood zijn. ‘Dood jeukt na een tijdje. Dood zijn kriebelt in zijn neus, loopt op pootjes over zijn voorhoofd, zoemt in zijn oor.’ Het is een spel, maar het is ook een poging om te behouden wat is, een poging die bij voorbaat gedoemd is te mislukken. En daarom ontroerend is.

     

  • Philippe Besson, Zijn broer

    Meer dan een gewone ziektegeschiedenis

    ‘Thomas gaat dood.’ De eerste zin in Zijn broer van de Franse schrijver Philippe Besson verraadt al meteen waar het boek over gaat. Je wordt als lezer ook wel een beetje opstandig, want hoeveel ziektegeschiedenissen met een noodlottige afloop heb je al niet gelezen? Dode vaders en moeders, dode broers en zussen om maar te zwijgen van de dode kinderen. Je stelt je de lijdensweg al voor voordat je begonnen bent met lezen. Zijn broer voldoet ook precies aan het stramien dat je verwacht en toch is het Besson gelukt om er een eigenzinnig boek van te maken.
    Thomas gaat dood en Lucas, zijn broer doet daarvan verslag. Dat verslag lijkt autobiografisch te zijn, maar zeker weten doe ik dat niet. Lucas heeft net als Besson succes gehad met zijn eerste roman, Lucas is net als Besson homoseksueel. De vorm van de roman, een dagboek dat heen en weer springt in de tijd, maakt het geheel authentieker. Het doet er ook niet zoveel toe. Thomas lijdt aan een ziekte waardoor zijn afweermechanisme uitgeschakeld wordt. Hij wordt in het ziekenhuis van onderzoek naar onderzoek gesleept. Dokters proberen telkens iets nieuws uit en telkens tevergeefs. Eerst ondergaat Thomas die onderzoeken lijdzaam, maar langzamerhand wordt hij opstandig en wil hij die kille, steriele wereld achter zich laten.
    Lucas beschrijft het ziekenhuis en de afstandelijke medici met venijn. Tegelijkertijd ontmoet hij daar wel een jongeman, Manuel, die meteen verliefd op hem wordt. Manuel is patiënt en heeft kanker gehad en wacht op de uitslag van een nieuw onderzoek. Je verwacht een erotische lijn erbij in het boek, als tegenwicht voor het lijden, maar ook die uitvlucht timmert Besson voor je dicht. Manuels onderzoeksresultaten zijn negatief en hij pleegt zelfmoord door zich van het dak van het ziekenhuis te laten vallen. Het is duidelijk: het draait hier om de dood. De dood komt eraan en alles moet daarvoor wijken. De vaste vriend van Lucas vertrekt uit zichzelf omdat hij het niet kan hebben dat Lucas zo vaak bij zijn broer is.
    Een contrast met het ziekenhuis vormt het eilandje voor de Franse kust waar Lucas en zijn broer vroeger door hun ouders mee naar toegenomen werden op vakantie. Dat is de plek waar, tegen beter weten in, leven weer mogelijk lijkt. In ieder geval gaat het stervensproces daar op een natuurlijker manier. Er is geen arts die meer die operaties wil uitvoeren die bedreigender zijn dan de kwaal zelf. De twee broers zijn in die geïsoleerde omgeving aangewezen op elkaar.
    Tot op dit punt in het verhaal is er sprake van een ‘normaal’ verhaal. Dat verandert als de beide broers op een van hun moeizame wandelingen (Thomas loopt al als een bejaarde) op een bankje in de zon een oude man tegenkomen die hen een verhaal begint te vertellen. Een verhaal dat hij niet afmaakt, maar elke volgende dag op het bankje aanvult, totdat het helemaal uit is. Het verhaal verandert Thomas. ‘Thomas’ gezicht staat rustig, verbazingwekkend rustig, het is tot rust gekomen. De zon schijnt in zijn gezicht.’ Wat de oude man vertelt, laat ik in het midden omdat het een verrassende wending in het verhaal geeft, maar het heeft alles te maken met een geheime geschiedenis waarin Thomas een rol speelt. Het verrassende is dat je opeens van een boek dat je voor waar en authentiek had aangenomen in een roman zit die fictief is. Het gebeurt haast ongemerkt. Het is die subtiliteit en deze wending die Zijn broer uittilt boven de gemiddelde ziektegeschiedenis.
    En daarna gaat Thomas toch dood. 

     Coen Peppelenbos

    Philippe Besson: Zijn broer. Vertaald door Théo Buckinx. Ambo, Amsterdam, 149 blz. €16,95.

     

  • Roman in de traditie van de negentiende-eeuwse realistische en naturalistische roman

    Recensie door Dehairs

    Hokwerda’s kind van Oek de Jong is een vuistdikke terugkeer naar het naturalisme. ‘Die avond wierp Hokwerda keer op keer zijn dochtertje over de rietkraag in de Ee.’ Met deze zin opent de romann en daarin schuilt meteen de essentie van het verdere verhaal, dat hoofdstuk na hoofdstuk een variatie is op eenzelfde thema: liefde is een vergeefse poging tot verzoening van twee radicaal verschillende lichamen. Meer nog, de liefde in Hokwerda’s kind draait niet rond verenigen, maar rond verstoten. Niet in het minst van een dochter door haar vader.

    Lin Hokwerda, het kind uit de titel, is een knappe, jonge vrouw van 24, op zoek naar liefde. En misschien meer nog dan liefde, hunkert ze naar geborgenheid, bescherming, veiligheid. Omdat haar moeder haar en haar oudere zus al op jonge leeftijd van hun vader heeft weggenomen, heeft Lin de liefde en bescherming van een vader nooit echt gekend. In Amsterdam, waar haar moeder haar twee dochtertjes na haar vlucht van het Friese platteland heeft gebracht, hoopt Lin die liefde te vinden in drie opeenvolgende relaties: eerst met de drugsverslaafde Marcus, dan met de vele jaren oudere lasser Henri en tenslotte met de evenwichtige en zachtmoedige advocaat Jelmer. Drie keer vergist ze zich. Ontrouw en overspel, zowel van haar minnaars als van haarzelf, beheersen haar relaties en dwingen haar uiteindelijk onvermijdelijk in de richting van een, zoals het laatste hoofdstuk aankondigt, buitenste duisternis.

    Met deze roman heeft Oek de Jong, na een stilte van acht jaar, zich bewust ingeschreven in de traditie van de negentiende-eeuwse realistische en naturalistische roman. Vooral de naturalistische drie-eenheid van determinatie door race (erfelijke eigenschappen), milieu (de omgeving waarin iemand opgroeit) en moment (de concrete tijdsomstandigheden waarin iemand opgroeit) hangt voortdurend als een zwaard van Damocles boven het hoofd van het hoofdpersonage. Omdat Lin nooit de liefde van een vader heeft gekend, zoekt ze die liefde in haar partners. De man die het beste in deze rol past, is Henri: “Nu lag ze als een kind tussen zijn benen. […] Hij herinnerde zich hoe hij op haar arm in slaap was gevallen, die avond van de oesters, en de rust die hij toen had gevoeld. Eenzelfde rust daalde nu op hem neer, terwijl ze tussen zijn benen lag, haar haren warm op zijn buik. Ze was zijn kind.” Henri blijkt echter onbetrouwbaar te zijn en Lin verlaat hem. Net als voor haar vader, die ze verwijt nooit meer contact met haar gezocht te hebben, koestert ze voor Henri zowel liefde als haat- en angstgevoelens.

    In de eerste bedscène tussen Lin en Henri komen deze tegenstrijdige gevoelens het best tot uiting. Lin wil geen seks, Henri wel en hij verkracht haar. Desondanks keert Lin terug naar hem en relativeert ze wat gebeurd is. Aantrekken en afstoten. Dat is het patroon dat zich telkens weer herhaalt in deze roman. In de beschrijvingen van de veelvuldig voorkomende bedscènes toont de Jong zich overigens een meester. Maar seks in Hokwerda’s kind is nooit vrijblijvend. In een interview met De Volkskrant (18.10.2002) verklaart de auteur dat hij seks beschouwt ‘als een van de grote mogelijkheden van romanschrijvers van nu om te kunnen doordringen in wat er echt tussen mensen gebeurt.’ En wat er echt tussen mensen gebeurt, is dat ze met elkaar slapen, elkaar bedriegen. De liefde bij de Jong is dan ook meestal pure lust. En net als bij die andere grote ‘lustschrijver’, Sigmund Freud, flirt deze lust voortdurend met datgene wat zich Jenseits des Lustprinzips bevindt, de onlust en de dood. Net als elke ‘grote’ roman gaat dus ook Hokwerda’s kind over het leven, de liefde en de dood.

    Aan de hand van een ijzersterke structuur en spanningsopbouw toont de Jong hoe het ene steeds weer onvermijdelijk naar het andere leidt. Alles hangt samen in deze uiterst strakke literaire compositie, waarin de auteur zijn personages ongenadig op het hakblok van de psychoanalyse legt, zonder ooit te theoretisch of uitleggerig te worden. Als ik dan toch een negatievere opmerking zou moeten maken, betrof het de stijl. Af en toe laat de Jong zich, naar mijn mening, verleiden tot een ietwat droge, zakelijke taal. Beschrijvingen zijn analytisch en soms koel. Poëtisch proza, zoals in bijvoorbeeld,de romans van Hugo Claus of Stefan Hertmans, moet je bij de Jong niet zoeken. Toch kan je hem zijn taal niet kwalijk nemen. Net zoals de taal van de Franse grootmeester van het naturalisme, Emile Zola, zo klaar en duidelijk mogelijk was, om zo de impact van zijn literatuur op de maatschappij te verhogen, is de literatuur van de Jong bedoeld om zijn publiek ‘een geweten te schoppen’. De Jongs slot ontreddert, schokt en verdwaast. Volgens Sartre is de prozaliteratuur een revolver en elk woord een schot. Met Hokwerda’s kind heeft Oek de Jong de Nederlandse literatuur op een salvo getrakteerd.