• Poëtisch reisverslag van een moeder in wording

    Terwijl Europa zucht onder extreme wateroverlast, besluit de hoofdpersoon van De Stem van Sulina om samen met haar partner Leon de rivier de Donau te volgen met een tot camper omgebouwd busje. De bron in het Zwarte Woud is het startpunt van de reis, die via eindeloze ritten door de Hongaarse laagvlakte, overnachtingen in de Servische bossen en uitgestorven hotels in Roemenië leidt naar de vuurtoren van Sulina, waar de Donau uitmondt in de Zwarte Zee.

    Parallel aan deze reis volgen we de reis van een moeder in wording, waarbij de rivier dient als symbool voor de (zwangere) vrouw; ‘Ze is een bloedsomloop, een gesloten eenheid, een in zichzelf overlopend lichaam. Een vrouw, wild stromend in een waterbekken, met haar slingerende armen en aders vloeiend door Europa.’ De lichamelijke ontwikkelingen, die horen bij de zwangerschap, bevalling en het eerste jaar als moeder worden gedetailleerd en poëtisch beschreven, dit in schril contrast tot de ontmoeting en relatie met Leon, die in een enkele zin via ‘verhuisdozen, energiecontracten, de aanschaf van een draadloze stofzuiger’, leidt tot ‘twee roze streepjes op een plastic staafje.’ Dit contrast tussen het banale en het bijzondere, het geestelijke en het lichamelijke, het mannelijke en het vrouwelijke vormt een terugkerend thema.

    Waar Van Offel in het eerste hoofdstuk vergeten vrouwen als Irma Ohrlein (geologe) en Marija Gimbutas (archeologe), voor het voetlicht brengt is het in het tweede en derde hoofdstuk de schrijfster zelf die gezien wil worden. ‘Zie mij. Zie mij. Zie mij. Ik ben er nog’. Ze heeft een kind op de wereld gezet en is nu vastgeketend aan haar huis, aan de andere oever, waar enkel de harde realiteit van kolven en onthaalmoeders haar in staat stellen haar werk als schrijfster te kunnen voortzetten.

    Feministisch pamflet

    De stem van Sulina leest ook als feministisch pamflet, waarbij de overheersende rol van de man aan de kaak wordt gesteld. De rivier wordt net als de vrouw getemd; ‘Haar wilde stroming wordt in turbines geleid, met kracht in de rechte lijn gedwongen, in spaarbekkens en kanalen.’ Tegelijkertijd verbaast de hoofdpersoon zich over het feit dat de rivier in een Bulgaarse stad wordt afgebeeld als man, ‘(…) op een waterbekken dat omhooggehouden wordt door het gebogen hoofd van vrouwen, waarom we altijd dezelfde beelden maken: zodat we ze onthouden, zodat ze normaal worden?’. Van Offel maakt nieuwe beelden, een nieuw verhaal, waar niet de man, maar de vrouw de ruimte pakt, de centrale plek in de wereld vervult. Ook hier is het contrast groot ten opzichte van de hoofdpersoon zelf, die zich na het baren van haar kind steeds onzichtbaarder voelt.

    De transformatie van de hoofdpersoon van vrouw naar moeder bestaat niet enkel uit het feit dat ze een kind heeft voortgebracht, maar ze is ook iemand anders geworden en door die transformatie lijkt de persoon van voor de transformatie verdwenen. Met dit feministische reisverslag lijkt de schrijfster haar eigen onzichtbaarheid als jonge moeder te willen compenseren. ‘Ik ben er nog, schreeuwt ze ’s nachts – laat haar groeien, geef haar tijd, geef haar ruimte, vier haar, en niet als een maagdelijke Moeder Maria, maar in al haar vlekkerigheid, in haar moedermodder in haar dansende en wobbelige en bloedende lichaam, in de gesprongen aders op haar benen, de verwrongen polsen, de rode strepen en de tijgervlekken op haar buik, haar tepelkloven en de kringen onder haar ogen.’ De tot in detail beschreven lichamelijke veranderingen kunnen de lezer op den duur wat gaan vervelen, maar doordat deze in rap tempo worden afgewisseld met de reisnotities, blijft het verhaal in evenwicht.

    De stem van Sulina is een goed geschreven boek, dat opvalt door het poëtisch taalgebruik, waarbij alledaagse activiteiten door de woordkeuze en zinstructuur worden getransformeerd tot een op zichzelf staande schoonheid, waarbij het is aan te bevelen de zinnen langzaam te lezen, te proeven en te herlezen.

     

     

  • Een hart van goud

    Het boek Hout valt op door zijn frisse zachte veelkleurige tinten die goed de sfeer van het verhaal weergeven: een lieflijke sfeer vooral, want iedereen in het bos houdt van Boom. Mooi is ook dat in de tekeningen veel ruimte wordt gelaten voor de korte, poëtische teksten van Crabeels, die in grote scherpe letters veel lichte kleurvlakken om zich heen krijgen.

    […]

    Een zware storm in Hout is een metafoor voor wat de man overkwam die de inspiratie voor het boek leverde: Marc Herremans (1973), een Belgische triatleet die na een fietsongeluk in 2002 gedeeltelijk verlamd raakte en in een rolstoel terecht kwam. Hij bleef aan triatlons deelnemen door met een speciale constructie te lopen en te fietsen en met alleen zijn armen te zwemmen. Toen hij besloot te stoppen met sporten richtte hij To Walk Again op met als doel voorwaarden te scheppen om mensen met een fysieke beperking mee te laten doen in de maatschappij. Een doorzetter en een optimist dus.

    Hout opent met een bijdrage van Herremans waarin deze regels: ‘Er gebeuren dingen die we niet in de hand hebben. Maar onze glimlach blijven behouden…. dat is iets wat we zelf bepalen’.
    Zo is Hout een eerbetoon aan een bewonderd sportman door het verhaal van Boom:

    ‘Wist jij dat Boom ooit de allergrootste was?’
    ‘En nu niet meer?’
    ‘Toch wel, kleintje. Boom vond een manier.’
    ‘Het is zijn hart van hout. Dat krijgt geen storm ooit klein.’

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • De vrouwelijke correctie

    Achter de façades van de sprookjesachtige hoofdstad Wenen anno 1900 is niets wat het lijkt, schrijft vertaler Kris Lauwerys in zijn boek Van licht naar duisternis, met als ondertitel Drie vrouwen in Wenen (1900-1938). Die vrouwen zijn modeontwerpster Emilie Fröge, journaliste Milena Jesenská en schrijfster Veza Canetti. Zij hebben gemeen dat hun bekendheid overschaduwd werd door hun veel bekendere, mannelijke geliefden. Volgens Lauwerys heeft de geschiedschrijving ‘na een eeuwenlange focus op mannen ‘een vrouwelijke correctie’ nodig’.

    Van licht naar duisternis bestaat uit drie delen, elk gewijd aan één van de vrouwen. De bekendste van de drie is Milena Jesenskà, met name door haar intense briefwisseling met Franz Kafka. Emilie Fröge was de jarenlange geliefde van schilder Gustav Klimt en Veza Canetti was echtgenote van de latere Nobelprijswinnaar Elias Canetti. Lauwerys wil het clichébeeld rechtzetten dat zij ‘muze’ of ‘vriendin van’ waren. Hij doet dat door de geschiedenis van Wenen vanaf eind negentiende eeuw te beschrijven aan de hand van het leven van de drie vrouwen, ingebed in een ‘razend interessant, turbulent en in toenemende mate sinister tijdperk’. Het verhaal gaat daardoor zeker niet alleen over de vrouwen, maar vooral ook over hun mannen, hun tijdgenoten en de geschiedenis en gebeurtenissen in Wenen en het einde van het Habsburgse rijk. Het personenregister van het boek bevat dan ook veel namen, ruim vierhonderd, van wie één derde vrouwelijk.

    Emilie Flöge

    Het eerste deel Emilie Flöge gaat over de jongste van de drie zussen Flöge. Emilie Flöge (1874-1952) ging na de lagere school naar de Bürgerschule voor meisjes, daarna volgde ze een naaiopleiding. Volgens Lauwerys deden de meisjes iets wat wat ongewoon was: ‘ze streefden ernaar financieel onafhankelijk te worden.’ Emilie werd ‘een bekwaam naaister met een feilloos gevoel voor vorm en kleur’.

    Via vader Hermann Flöge ontstond contact met de broers Gustav (1862-1918) en Ernst Klimt. Na enige tijd vraagt Ernst om de hand van Helene Flöge, zij is zwanger en ‘de familie-eer moet gered’. Ruim een jaar later overlijdt Ernst echter onverwacht en Gustav Klimt en Emilie Flöge worden voogd van het dochtertje.

    Gustav was ‘een charmeur, een verleider, een vriend van de familie’ en hij bracht vakanties met hen door. Emilie ontmoet Gustav regelmatig, zoekt hem op in zijn atelier en er ontstaat een verborgen relatie. Emilie heeft ‘er alles aan gedaan om haar sporen uit te wissen’, maar er zijn ondertussen vierhonderd poststukken en zeven brieven opgedoken die ‘indirect licht werpen op het leven van de jonge Emilie’ en op de relatie met Gustav Klimt. Die speelde zich af tussen 1895 en 1899. ‘Hun relatie zal zich kenmerken door wederzijdse artistieke bevruchting. Zij worden elkaars muze.’ In die tijd zette Emilie ‘haar eerste stappen als modeontwerpster’ en zij zet zich af tegen de conservatieve mode voor vrouwen waarbij ze door het korset werden ingesnoerd.

    Wenen
    In het eerste deel schrijft Lauwerys naast het leven van Emilie, veel over de ontwikkeling van het politieke en culturele leven in Wenen, met de opkomst van het anti-semitisme en vroege nationalisme – mede als gevolg van de massale immigratie. Meer dan de helft van de bewoners is immigrant, afkomstig uit alle hoeken van het Habsburgse rijk en Duitsland. ‘Het nationaliteitenprobleem zal onopgelost blijven tot de Eerste Wereldoorlog en tot die tijd de politiek van Oostenrijk-Hongarije domineren.’ Net als de groeiende aanwezigheid van de uit het Oosten gevluchte Joden, oplopend van 100 duizend tot 175 duizend. Doordat de Joden eeuwenlang ‘landbouwer noch ambachtsman mochten zijn, legden ze zich traditioneel op de handel, het bankwezen, industrie en intellectuele beroepen toe.’  Lauwerys geeft daarvan voorbeelden uit het culturele leven en de financiële en industriële en handelswereld in Wenen en concludeert: ‘Dat alles wekte afgunst en zou het antisemitisme aanwakkeren.’

    Milena Jezenská

    Het tweede deel Milena Jezenská is het kortste, de relatie en de briefwisseling met Franz Kafka duurden ook niet zo lang.  Veel van wat is beschreven in het eerste deel geldt bovendien ook voor de tijd dat hun intensiefste briefwisseling duurde, van december 1919 tot najaar 1920.

    Milena Jesenskà (1896-1944) groeide op in ‘een beschermde, burgerlijke omgeving’ in Praag.  Haar vader was hoogleraar en de familie woonde in het centrum van Praag.   Op haar elfde ging zij naar het eerste meisjesgymnasium in Oostenrijk-Hongarije. Helaas kreeg haar moeder een ongeneeslijke ziekte en twee jaar lang moest zij na schooltijd de zorg voor haar moeder op zich nemen. Na de dood van haar moeder is ze ‘het ankerpunt in haar leven kwijt.’ Milena dwaalt af van het pad dat haar vader voor haar heeft uitgestippeld: zij laat overal in de stad onbetaalde rekeningen achter, ze steelt bloemen uit een park en verdovende middelen uit de apotheek van haar vader. ‘Frustraties, onbegrip en woede, van beide kanten.’ Van haar vader krijgt ze ook te horen wat zich in zijn behandelkamer afspeelt om de verminkte soldaten weer toonbaar te maken. Ze breekt haar intussen begonnen medicijnstudie af, en krijgt een relatie met een tien jaar oudere man. Milena wordt zwanger, haar vader zorgt voor een abortus, ze trouwen en ‘het jonge paar vertrekt in ballingschap naar Wenen.’

    Journalist
    Via haar man maakt ze in het Weense café Herrenhof kennis met literaire vrienden en intellectuele vriendinnen van haar man. Ze wordt echter slechts beschouwd als ‘de vrouw van’. Na veel problemen met haar (huwelijkse) leven, lukt het Milena een eerste artikel te schrijven voor het Praagse tijdschrift Tribuna. Ze krijgt daarna opdrachten voor meerdere stukken per week en gaat vervolgens ook voor een andere krant schrijven. In de jaren twintig zal ze zich ontwikkelen tot een ‘gerespecteerd journalist en vertaler’.  Als na de oorlog in Wenen grote hongersnood ontstaat, vindt de jonge journaliste haar onderwerp. Milena heeft een grote maatschappelijke betrokkenheid. Uit gehechtheid aan haar man blijft ze toch in de stad: ‘Wenen is haar broodwinning geworden.’

    Vertaler
    In 1919 ontdekt Milena het verhaal De stoker van Kafka en ze vraagt hem of ze het in het Tsjechisch mag vertalen. ‘Kafka was zichtbaar ingenomen met het idee.’ Het is een eerste vertaling van zijn werk. Kafka schrijft haar, als hij het tijdschrift met de vertaling heeft ontvangen, dat die ‘een bijna vanzelfsprekende waarheid’ bezit. De maanden erna volgt een steeds intensiever wordende briefwisseling, Kafka schrijft eerst om de paar dagen, dan dagelijks lange brieven. Al snel worden de brieven intiem en na een paar maanden wil Milena dat hij naar Wenen komt. Kafka is bang voor de eventuele gevolgen voor haar huwelijk, maar hij gaat wel. Ze ontmoeten elkaar later weer in een grensplaats tussen Oostenrijk en Tsjechoslowakije, maar ‘het is een catastrofe’. De briefwisseling hapert en Kafka wordt zieker. Ze zien elkaar nog een paar keer – het einde van Kafka nadert snel. Milena gaat een jaar later terug naar Praag en wordt een bekende journaliste.

    Veza Canetti

    Veza Canetti is deel III. Veza Taubner (1897-1962) is geboren in Wenen, haar ouders wonen in Leopoldstadt, waar de meeste Joden wonen. Ze groeide op in de Sefardische gemeenschap, maar was ‘een typische geassimileerde Weense Joodse vrouw.’  Haar vader sterft al als zij zeven jaar is, haar moeder hertrouwt als zij veertien is met een rijke Jood uit Sarajevo.  Deze man is ‘schatrijk, maar tegelijk is hij een ontzettende vrek … een huistiran, tegen wie Veza jarenlang een stellingoorlog heeft uitgevochten.’ Over haar jeugd en opleiding schrijft Lauwerys weinig, er is weinig bronnenmateriaal. Tot haar zestiende volgde Veza een meisjeslyceum. Voordat Veza jaren later kennismaakte met Elias, leerde ze eerder het gezin Canetti al kennen maar het contact met hem ‘bleef beperkt tot hoffelijkheden’. Veza en Elias ontmoeten elkaar in 1924 voor het eerst, na een lezing van Karl Kraus, die ‘een moreel kompas’ voor haar was en een inspiratiebron voor de beginnend schrijfster. In de jaren twintig schreef ze wel, maar er was nog niets gepubliceerd. Over haar werk in die tijd is weinig bekend, ze vertaalde en was lerares Engels. Publiceren gebeurde pas in de vroege jaren dertig met een reeks in één van de meest in aanzien staande kranten. Een eerste verhaal in boekvorm verscheen in 1932 bij een linkse uitgeverij, waarvoor Elias ook vertaalwerk deed. In 1935 zou Elias Canetti’s eerste roman Die Blendung verschijnen. Veza was socialiste en een van de eerste schrijfsters over macht en huiselijk geweld binnen het huwelijk. Volgens Lauwerys is ‘Veza net zozeer Elias’ muze’ als hij voor haar. Maar ’in de loop der jaren zijn de twee verstrikt geraakt in een kluwen van wederzijdse afhankelijkheid.’ Veza heeft besloten Elias zijn vrijheid te gunnen, waar het om vrouwen gaat. Zij ‘intussen verpietert in haar rol van huishoudster en secretaresse in dienst van de schrijver.’  Pas na de dood van Elias Canetti in 1994, die haar posthuum als mede-auteur van Massa en macht heeft verklaard, werden haar korte verhalen en haar roman gepubliceerd.

    De ‘vrouwelijke correctuur’ is Lauwerys gelukt met de ontsluiting van het leven en de betekenis van de drie vrouwen aan de hand van recente biografische bronnen.  De ondertitel zet de lezer wel wat op het verkeerde been, aangezien het grootste deel van het boek over de politieke en culturele context gaat, en een leerzame blik geeft op het Wenen van begin 20e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog.

     

     

  • Is het echt goed zo?

    Dat Maarten Moll een moeizame relatie had met zijn vader bleek eerder al uit zijn vorig werk. De journalist en columnist van Het Parool debuteerde in 2011 met de dichtbundel Lichaam waarin het vooral gaat over de onbereikbare vader. Ook in zijn debuutroman Oberhausen (2016) stond de moelijke relatie tussen vader en zoon centraal. In de nieuwe roman De man op de foto, of zoals de ondertitel zegt Memoir over een afscheid,  staat de auteur stil bij de laatste weken en de dood van zijn vader die in 2022 overleed.

    Antwoorden
    Uitgangspunt van het boek is een foto waarin Molls vader in een zwembad staat, tot boven zijn knieën, starend naar een punt in de verte. Vermoedelijk dateert de foto uit 1980 en is hij genomen ergens op een camping in Luxemburg. Maarten Moll kan maar niet loskomen van de foto en vraagt zich af wie de man op de foto werkelijk was. In de soms ontroerende, maar vaak ook geestige zoektocht die het boek is, slaagt de auteur er niet in een eenduidig antwoord te vinden op die vraag. Moll gaat ook zijn eigen verantwoordelijkheid in de moeilijke relatie niet uit de weg. Het feit dat hij niet close was met zijn vader, daaraan kan hij ook zelf schuld hebben. Wie heeft wie verwaarloosd, lijkt een vraag te zijn die hij zich vaak stelt. In het werk verwijst hij ook naar zijn twee vorige literaire werken waarin hij op zoek ging naar zijn vader en die hem evenmin dichterbij brachten. Als hij hoort dat het leven van vader op zijn einde loopt, probeert de auteur toch nog het ultieme gesprek aan te gaan. Hij tracht antwoorden te krijgen op grote levensvragen, maar de dialogen eindigen steevast met ontwijkende antwoorden of faits divers over de tuin of vogels. De echte gesprekken worden uit de weg gegaan en de ware gevoelens blijven achterwege. Zelfs een laatste gesprek op het doodsbed dat Moll stiekem opneemt met zijn smartphone, levert niets veelzeggends op. De auteur heeft er zelf ook geen sterke gevoelens bij. Als zijn vader uiteindelijk sterft, heeft hij er vrede mee. De dood van zijn kat Puk, toen hij twaalf was, deed hem meer verdriet.

    Afscheid
    Maarten Moll schrijft direct en vlot. Hij weet de juiste woorden te vinden en wordt nergens pathetisch. Hij worstelt met de manier waarop hij zijn werk moet presenteren. Stukken uit het boek verschenen eerder als columns in Het Parool. Daarin merk je ook de taalvirtuositeit van de auteur. Door ze samen te brengen in een boek was hij ook verplicht er een rode draad in aan te brengen. Daarin is hij zeker geslaagd, maar af en toe stoort de herhaling wel. Hij probeert de zaken af te wisselen met wat hij Illusoire conversaties noemt met zijn vriend H. Wellicht zijn dit elementen uit echt gebeurde conversaties die hij had met verschillende vrienden naar aanleiding van de nakende dood van zijn vader. Daarin gaat het vaak over het feit of het geen goed idee zou zijn om fictie van zijn vader te maken. In zijn zoektocht naar de ware vader stootte hij immers op weinig verrassingen of uitspattingen. Vader was een grijze muis die postzegels verzamelde, fotografeerde en in de tuin werkte. Iets spectaculairs zou hem mooier, groter maken. Maar dan komt Moll ook tot het besef dat je de werkelijkheid nooit helemaal kunt vatten, dus ook zijn relaas is een verdraaiing van de werkelijkheid. De onkenbaarheid staat duidelijk centraal en bij het afscheid van zijn vader legt Moll daar zich ook bij neer. Zonder grote emoties, mijmerend over het voorbije en afgelopen leven. Zelfs het opruimen van de spullen van zijn vader maakt weinig bij hem los. Ook zijn moeder lijkt het afscheid goed te kunnen verteren en dat stelt hem enigszins gerust.

    Er zijn al heel wat afscheidsromans verschenen in de Nederlandse literatuur. Denken we maar aan Sprakeloos van Tom Lanoye of Gestameld Liedboek van Erwin Mortier, waarin ze afscheid nemen van hun moeder. Denken we maar aan Tonio van A.F.Th. of aan Schaduwkind van P.F. Thomèse die aan de hand van een roman de dood van hun kind trachten te verwerken. Er zijn echter weinig auteurs die zoveel aandacht schenken aan de relatie met en dood van hun vader als Maarten Moll. En hoewel hij zegt er vrede mee te hebben, laat het feit dat hij al zijn derde werk wijdt aan de relatie met zijn vader, toch het tegendeel vermoeden. De man op de foto is een zoektocht naar het waarom van de afstandelijkheid tussen vader en zoon, weliswaar zonder antwoorden te vinden, maar wat wellicht een belangrijk aandeel vormt in een rouwverwerkingsproces.

     

  • Detective die geen detective is

    Vleugels van Doeke Sijens is de derde van de novellen die de Groningse uitgever kleine Uil onder de noemer Regenboognovellen uitgeeft. Coen Peppelenbos en Eric de Rooy schreven met respectievelijk Onfatsoenlijk en luxueus en Nul meter afstand, de andere twee, ter ere van Roze Zaterdag. Alle drie bevatten spannende hedendaagse queer thematiek, zoals online dating en museumcultuur en in Vleugels speelt een verdwijning. Kleine Uil richt zich met deze novellen, de Regenboogreeks en Regenboogessays op queer literatuur. Een opmerkelijk initiatief dat aandacht verdient om vooroordelen jegens homo- en meer variaties van seksualiteit weg te nemen. Of Sijens daar met Vleugels in slaagt blijft de vraag.

    Paul is notaris en heeft een affaire met de jongere Eric-Jan. Op het moment dat de relatie serieus lijkt te worden, verdwijnt Eric-Jan spoorloos. De politie stelt een onderzoek in. Paul, de verteller van het verhaal, is als laatste ge-appt door Eric-Jan met de mededeling dat ‘hij wat later komt’. Eric-Jan heeft alles achtergelaten, ook zijn telefoon, en zodoende wordt Paul aan de tand gevoeld door twee politieagenten. ‘”We willen graag meer over hem te weten komen, daar gaat het ons om. Meer niet.” Waarschijnlijk zei hij dat om mij gerust te stellen. Ze verdachten mij er dus niet van dat ik hem vermoord had. “Was hij hier nooit eerder geweest?” “Nee, dit zou de eerste keer zijn geweest.” Dat was niet helemaal waar, maar ik hoefde toch ook niet meteen alles te vertellen.’ Met dergelijk commentaar van de verteller op de dialoog, wat hij zegt en waarom hij zo handelt, wordt de suggestie gewekt dat Paul meer zou weten over Eric-Jans verdwijning.

    Twee verdachten

    Marcel is een ex en collega van Eric-Jan. Samen met Paul wordt hij in het politiebureau ondervraagd. Door de laconieke houding die Marcel toont over de verdwijning maakt ook hij zich verdacht. ‘”Heel gezellig is het hier,” zei Marcel. ‘Hebben jullie ook felle lampen om op onze gezichten te kunnen zetten?” Hij was duidelijk niet onder de indruk van de situatie en leek zich ook geen zorgen te maken.’
    Met twee mogelijke verdachten wordt een subtiele spanning opgeroepen omdat zij de spoorloos verdwenen Eric-Jan gemeen hebben. Nog dezelfde dag belanden ze samen in bed en vervolgens gaan ze ook samen verder, al willen ze geen van beiden een vaste relatie. Wanneer John, de ene politieman, ‘bevriend’ raakt met Paul – om voor de hand liggende redenen – vloeit ineens alle opgebouwde spanning weg. De focus ligt niet meer op de verdwijning van Eric-Jan, maar gaat over de huiselijke sores van John, die te pas en te onpas in Pauls leven opduikt. ‘Het fietspak was erg afleidend. Het gaf hem iets seksueels, dat ik nog nooit eerder bij hem had gevoeld. Als ze op de fiets zitten merk je dat zo niet maar gewoon tussen de mensen heeft iemand in zo’n fietspak iets exotisch, in elk geval iets vreemds waar je je ogen niet vanaf kan houden. Ik moest opeens denken aan die rare aalscholvers die ik laatst had gezien.’

    Vleugels lijkt haast te bevestigen dat homomannen gaan voor seks. ‘Ik begin altijd eerst met seks en dan zie ik wel welke kant het opgaat,’ zegt Marcel tegen Paul. Eric-Jan is dan al geen gesprekstof meer. Jaloezie en andere primaire gevoelens gaan een rol spelen.

    Het einde is een verrassing

    Wat Sijens nou eigenlijk wil zeggen met deze novelle, blijft vaag. Is het een luchtige Groningse whodunnit over queer mannen? Misschien. Een kluchtige whodunnit is het ook niet echt. Met zelfspot was het nog aardig geweest, maar Vleugels ontbeert iedere humor. Sowieso zijn de dialogen nogal vlak en vult de vertellende Paul alles zover in dat de lezer geen moment hoeft na te denken.

    Maatschappelijke thema’s die oppervlakkig worden aangeraakt zijn zelfacceptatie, ouders die hun homoseksuele zoon wel of juist niet accepteren, christelijke vooroordelen, jaloezie en uiteindelijk de getrouwde man die homo blijkt, waarbij zijn vrouw zich verraden voelt. Dat er homoseksuele politieagenten in het politiecorps zijn is vast geen verrassing. Echter, zoals ze in Vleugels worden afgeschilderd komt wat ongeloofwaardig over.

    De twist op het einde is de enige verrassing in dit verhaal, en dan wordt de premisse ook duidelijk: eens een homo, altijd een homo. Vleugels is een vlotlezend niemendalletje en daardoor eigenlijk een gemiste kans om de homowereld met wat meer diepgang dan dit stereotype beeld neer te zetten.

    Doeke Sijens schrijft in het Fries en in het Nederlands; naast fictie biografieën en monografieën over schrijvers en kunstenaars.

     

  • Een boeiend familieverhaal met bijzondere details uit de geschiedenis

    Cabaretier Jeffrey Spalburg heeft zijn plaats veroverd in de Nederlandse letteren met zijn autobiografische roman Ik ben jullie meester. De laatste jaren is er al een aantal romans verschenen van Surinaamse Nederlanders, waarin zij hun verhaal vertellen over familieleden, verhuizingen naar Nederland voor een betere toekomst en de impact hiervan, of bijvoorbeeld hun vroege kinderjaren in Suriname. Het beginpunt van Ik ben jullie meester is bij zijn vader James, die rond 1940 in Paramaribo opgroeide, maar als jongvolwassene naar Nederland verhuisde voor een baan als onderwijzer.

    Hoewel hij erin slaagt een baan te verwerven, een gezin te stichten en zich met succes te ontplooien, voelt James zich niet op zijn gemak in Nederland. Het gaat hierbij niet alleen om de ‘kou die alle voorstelling te boven ging’, maar vooral om de wijze waarop hij zich in een kleine gemeenschap een positie dient te bemachtigen: ‘Dat ik steeds ergens het ijs moet breken om vooroordelen weg te nemen.’ Daarom besluit hij met zijn hele gezin terug te keren naar Suriname. Toch houden de problemen hier niet op, want in Paramaribo voelt zijn vrouw zich niet thuis. James kiest uiteindelijk voor het geluk van zijn gezin en keert terug naar Hengelo, waar Jeffrey wordt geboren, de verteller van het verhaal.

    Een blik op racisme in de geschiedenis

    In het tweede deel van het boek worden meer details beschreven over de drie generaties, waarbij het belangrijkste thema van het verhaal, racisme, naar voren komt. Hoewel de auteur het woord ‘racisme’ niet expliciet benoemt, draait het gehele verhaal eromheen. De personages krijgen bijvoorbeeld discriminerende opmerkingen naar hun hoofd geslingerd en hebben het gevoel dat ‘zwarte mensen nooit normaal zijn’. Daarnaast wordt er ook zogenaamde lichamelijke discriminatie ervaren, zoals een kind dat de haren van James wil aanraken omdat deze er anders uitzien dan zijn blonde haren. Dit alles gebeurt eerst bij James, later bij Jeffrey en ook bij (klein)zoon Jaïr.

    Naast de ontroerende gebeurtenissen binnen de familie gaat het boek ook dieper in op de historische context. Het leven van de vrijheidsstrijder Anton de Kom wordt meerdere malen beschreven en hij blijkt een voorbeeld voor de familie te zijn. De moeilijke periode vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin Nederland in wederopbouw verkeerde, sluit aan bij de persoonlijke problemen waarmee James worstelde. Hij moest namelijk, zoals in vele andere gezinnen, hard werken om eten op tafel te krijgen. Voor James was het nog belangrijker om zijn positie, als Surinamer, in de Nederlandse maatschappij te bemachtigen en te behouden. Dit deed hij bijvoorbeeld door tot zeer laat in de avond op zijn werk te blijven om aan te tonen dat Surinamers ook weten wat hard werken is. Hij kwam dus vaak doodmoe thuis en wist soms niet de balans tussen werken en zijn gezin te behouden.

    Andere historische gebeurtenissen krijgen ook een plek in de roman en worden vanuit een verassende kant belicht. De waternoodsramp van 1953 wordt bijvoorbeeld vanuit het perspectief van de Surinamers verteld. Zij waren toentertijd gul met het sturen van geld naar Nederland en het maakte dan niet uit of het voor hen het laatste beetje geld van de maand was. Ook wordt de discussie over de rol van Nederland in het voormalige koloniale gebied Suriname vanuit het perspectief van Jeffrey besproken. Gruwelijke details komen voort uit de ontdekkingstocht die hij begint omdat hij meer over zijn eigen achtergrond wil weten. Op vloeiende wijze wordt de geschiedenis dus verweven met het verloop van het leven van de familie.

    Grote tijdsprongen

    Spalburg schrijft in een sobere stijl met korte zinnen. Hij herhaalt zichzelf soms, maar dit heeft tevens een voordeel. De focus ligt namelijk op het vertellen van het verhaal, gedetailleerd en zonder opgesmukte taal die kan afleiden. Het draait erom dat het verhaal van de drie generaties zo goed mogelijk wordt gepresenteerd, waarbij vooral de onderlinge relatie tussen hen centraal staat. Het verhaal raakt de lezer als de jonge Jeffrey zich niet begrepen voelt door zijn vader James, die al zoveel heeft meegemaakt, maar desondanks alles blijft doen voor zijn gezin en blijft geloven in het lot, ondanks dat het leven hem soms zwaar valt.

    In de roman zijn er momenten waarin de auteur zodanig grote tijdsprongen maakt, dat bepaalde gebeurtenissen en ontwikkelingen onvoldoende worden belicht. Zo vindt er tussen hoofdstuk twee en drie een aanzienlijke tijdsprong plaats, waarbij een ingrijpende gebeurtenis in het leven van grootvader James in 1936 wordt beschreven, maar het verhaal direct doorschiet naar 1950. Hierdoor blijft onduidelijk wat er in de tussenliggende periode is voorgevallen en hoe deze gebeurtenis zijn verdere ontwikkeling heeft beïnvloed. Een ander cruciaal moment, namelijk de terugkeer van James’ gezin naar Nederland, wordt eveneens erg summier behandeld. Deze aspecten hadden een meer uitgebreide beschrijving verdiend om de lezer beter inzicht te geven in die gebeurtenissen en hun impact op de personages.

    Desalniettemin blijft Ik ben jullie meester een ontroerend persoonlijk verhaal dat benadrukt hoe cruciaal het vertellen van (familie)verhalen is voor het begrijpen van de geschiedenis en het vooruitzien op de toekomst.

     

     

  • Nostalgische lofzang op het voorbije boerenleven

    De auteur Patrick Joyce is Brit van Ierse afkomst, en ja uit een boerenfamilie. Hij is emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Manchester, met als specialisatie sociale geschiedenis. Zijn familieachtergrond inspireerde hem het lijvige Boerencultuur – Hoe het platteland verdwijnt uit onze herinnering te schrijven over de geschiedenis en cultuur van het Europese boerenleven. Boeren zijn al vele duizenden jaren aanwezig. Ze belandden vanuit wat tegenwoordig Turkije is zo’n 6000 jaar geleden in West- en Noord-Europa. Nog niet zo lang terug was de meerderheid van de wereldbevolking boer, of werkte op het land. Die erfenis is snel aan het verdwijnen door industrialisatie en een nog steeds toenemende bevolking, maar ook door andere claims op ruimte zoals die van de natuur.

    Joyce wilde, bij wijze van spreken voor het te laat is, die cultuur en plattelandsgeschiedenis in kaart brengen. Het is een ietwat nostalgische lofzang op het boerenleven in al zijn uiteenlopende facetten: tradities, verhalen, religie, vieringen, opstanden, de omgang met dieren, de inrichting van de boerenwoning, de plaats en (gebrek aan) waardering in de maatschappij. Daarin is de schrijver geslaagd, het is een hommage geworden meer dan een sociaaleconomische analyse van de toekomst van de agrarische sector. Nu zijn boeken in die hoek wijd gezaaid, maar zo’n breed historisch-cultureel eerbetoon aan deze beroepssector was er nog niet. Of boeren ‘altijd het fundament zijn geweest waarop het hele bouwwerk van de beschaving rust‘ is de vraag. Immers, ook andere onderdelen van de maatschappij, van adel tot burgerij, van geestelijkheid tot legers, van heersers tot onderdanen buiten de boerenstand bepaalden de samenleving.

    Het boerenleven van ooit

    Joye focust op Ierland waar zijn familie vandaan komt, op Polen en Italië. Andere landen worden niet of nauwelijks genoemd. Zijn toevallige kennis van en betrokkenheid bij die drie landen bepaalden die keuze. Daarmee is het boek ook minder representatief voor het totaal van de agrarische populatie. Er zijn landen die, hoewel in elkaars nabijheid, totaal anders van karakter zijn: Ierland met de hongersnood in de19e eeuw, Engeland met een vroege industriële revolutie. Verwacht geen analyse van de toekomst van de landbouw, van natuurbeheer-boer tot bio-boer, of van de ecologische- en klimaataspecten van landbouw. Geen verhaal over stikstof maar vooral leerstof over de rijke geschiedenis van het boerenbestaan, compleet met de bittere armoede die daaraan vaak was gekoppeld. Het is daarmee een romantisch boek geworden vol van heimwee. De uitwassen van de agro-industrie en de soms absurd grote ecologische voetafdruk van sommige producten, zoals avocado’s en kiwi’s, komen niet aan de orde. Wel is de historische blik uiterst breed, ook letterlijk waar aan de hand van foto’s talloze aspecten van het boerenleven van ooit, van kleding tot huwelijksrituelen, worden geanalyseerd. Soms gaat het boek wel erg in op details, bijvoorbeeld waar het de collecties van musea betreft. Maar een duik in de rijke historie van de Europese boerencultuur is leerzaam, en geeft weer eens een ander perspectief dan de verpolitiseerde discussie over de toekomst van de landbouw. De rijkdom van die geschiedenis is de moeite van het lezen waard. Het is een schatkamer die tot nu toe niet als zodanig is beschreven.

    Kloek historisch werk

    Resteert Joyces vraag of het bijna verdwijnen van het traditionele boerenleven nu de meest fundamentele maatschappelijke verandering in de tweede helft van de twintigste eeuw was. De auteur richt zich uitsluitend op de kleine traditionele boerenbedrijven. Hij kijkt alleen terug en niet vooruit. Dat is zijn goed recht, maar het is jammer dat hij daarmee voorbijgaat aan de huidige grote industriële agrarische bedrijven en de daarmee samenhangende problemen. De landbouwsector bezit in Nederland nog altijd tegen de 50 procent van de grondoppervlakte. Dat er steeds minder mensen op het land werken qua percentage van de beroepsbevolking doet daaraan niets af.

    Joyce levert een kloek historisch werk af met veel nostalgie en soms vergaande conclusies, zoals dat ‘een deel van onszelf is verloren gegaan’. Zijn we, zoals Joyce zegt, losgezongen van een verleden dat nog heel recent is? Hiermee romantiseert en verabsoluteert hij het agrarische verleden wel heel erg. Misschien leeft het minder in Ierland, maar in Nederland is er een tendens om meer dan vroeger te eten van de boer uit de buurt, van kleine winkels tot restaurants. Veel mensen zijn trots op lokale en streekproducten. Kamperen bij de boer en andere vormen van een combinatie van agrarisch bedrijf en recreatie zijn niet weg te denken uit onze samenleving. De leefwijze van onze voorouders zijn we verloren, is de teneur van het boek. Wie zich in die warme nostalgie wil verdiepen, leze dit boek. Wie mee wil praten over het Nederlandse landbouwbeleid anno 2024 heeft er minder aan.

     

  • En ik ben nu eenmaal een graver

    In 1954 verscheen een boek van de Amerikaan Darrel Huff, How to Lie with Statistics (in Nederlandse vertaling in 2019 als Liegen met cijfers). Daarin laat de auteur zien hoe je de grootst mogelijke onzin kunt ‘staven’ met geraffineerd getekende grafieken die op zich niet onjuist zijn. Iets vergelijkbaars is How to Lie with Maps van Huffs landgenoot Mark Monmonier uit 1991, dat iets dergelijks uitlegt over het misbruik van (land)kaarten.
    Het nu onlangs verschenen Friezen in Rome van Atte Jongstra doet aan die boeken denken. Net als eerder werk van hem. Deze nieuweling roept ook veel reminiscenties op aan zijn De avonturen van Henry Fix II uit 2007, over een vergeten Zwolse burger met grote verdiensten. Net als in die roman breit Jongstra in Friezen in Rome over een fictief figuur een fantastisch verhaal dat volledig gestaafd wordt door feiten. Dat Friezen in Rome het in tegenstelling tot Fix II zonder illustraties moet doen is jammer – het zal mogelijk een kostenkwestie geweest zijn.

    Bouwstoffen
    Jongstra staat met zijn schrijversvoeten stevig in de 19de-eeuwse klei en buit die uit als bouwstof voor zijn absurdistische humor, mystificaties en hilarische verwikkelingen. ‘Bouwstof’ inderdaad. In Friezen in Rome zijn 96 in kleine letters dichtbedrukte pagina’s bronvermeldingen opgenomen die in de woorden van Jongstra bouwstoffen zijn. Door ze geen ‘Notenapparaat’ te noemen, maar ‘Deel III’ van zijn boek benadrukt hij nog eens dat ze er een essentieel onderdeel van zijn. Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar bestaande bronnen, ook al ben je wel eens geneigd aan de echtheid te twijfelen. Maar dat is juist de absurde kracht ervan.

    Jongstra voert in Friezen in Rome de onderzoeker Atte Sixma op die een spiegel is van de auteur zelf. Hij deelt niet alleen zijn voornaam met Jongstra, maar ook zijn geboortejaar (1956) en -plaats (Wispolia, het huidige Terwispel). Bovendien is Sixma aanhanger van de patafysica (de wetenschap van denkbeeldige problemen), waarvan Jongstra ook vertegenwoordiger is.

    Friese koeien
    Sixma heeft het voor elkaar gekregen dat hij zijn saaie baan bij de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden tijdelijk mag verlaten voor een fellowship bij het Academisch Instituut in Rome. Hij mag er zich namens het Fries Historisch Verbond volledig wijden aan het onderzoek naar Friese huurlingen in dienst van de paus van 750 – 1870. Hij presenteert zich in Rome als professor bij dat Verbond. In zijn koffer heeft hij een boek meegenomen waarvan maar één exemplaar bestaat en dat hij eigenlijk had moeten invoeren in de bibliotheek: een in bruinleren band gebonden verhandeling van Leeuwarder Johannes Buma uit 1767.
    Op grond van archiefonderzoek is hij, als hij in Rome aanbelandt, overtuigd van de grote invloed van de Friezen in de wereld. Hij slaat zijn medefellows aan het Instituut om de oren met Friese wortels in Punjab, Venetië, Chili, Zwitserland en Brooklyn. Zijn collega’s worden er bijkans gek van: ze kunnen het nergens met hem over hebben of Sixma weet wel een Friese link te debiteren. Hij herkent Friese koeien op een schilderij in Trastevere en begint over de kwaliteit van de Friese ‘Dokkumer Nije’ en de ‘Zoete van der Schoot‘(appelsoorten) nadat de directeur van het Instituut zich heeft laten ontvallen dat hij niet van appels houdt.
    Langzaamaan wordt Sixma versleten voor een halve gare (een ‘mad professor’) waartegen hij zich verdedigt door te zeggen dat hij nu eenmaal een graver is.

    Domheid
    De lezer wordt intussen duidelijk dat aan de collega’s van Sixma ook een steekje los zit. Zij zijn – in tegenstelling tot Sixma die zich zijn professoraat bij het Fries Historisch Verbond wederrechtelijk heeft opgeplakt – wel bevoegd, maar zijn evenzeer druk met achter waandenkbeelden aanhollen. Het levert kolderieke dialogen op tussen de fellows. Sixma verliest zich in die ontmoetingen nogal eens in de drank en slaat de plank regelmatig mis. Een gesprek met een collega die hij aan haar laptop ziet werken, gaat zo:
    ‘”Hi”, zeg ik, “Open for conversation?”
    “Even een zin afmaken, ogenblik.” Niet veel later: “So, what’s on your mind?”
    “Niets bijzonders. Human intercourse, meer niet.”
    “Je bedoelt human interaction mag ik aannemen”, zegt ze lachend.
    Ik bloos: “Oeps, slip of the tongue”’.

    Jongstra stopt heel wat humor in zijn boek: ‘Er zou eens een lijst van mooie Shakespearecitaten moeten worden gemaakt’, zegt Sixma, waarop de directeur van het Instituut repliceert: ‘Die lijst bestaat al. Shakespeares Verzamelde werken’.
    En in een ander gesprek verzucht Sixma: ‘De domheid. Daar valt zoveel wijsheid uit te putten. Er zou een encyclopedie van moeten komen’. Een leuke grap, als je als lezer tenminste weet dat die encyclopedie al in 2007 is geschreven door Matthijs van Boxsel, medepatafysicus van Jongstra.

    Verstand kopen
    Het kan niet anders of het onderzoek van Sixma moet helemaal fout lopen. Eerst komt het Friese Verbond er achter dat Sixma zich ten onrechte een professoraat aanmeet ‘terwijl je weet dat ons Verbond geen hoogleraren kent, nog geen halfvolle’, vervolgens werkt hij zich in de nesten door zijn gedraai over de vermissing van het vermiste boek van Buma uit 1767 en tenslotte wordt hij door het Verbond ook nog eens overladen met kritiek op het verslag van zijn onderzoek.
    Intussen heeft hij zelf al zijn hypotheses over de wereldwijde invloed van Friezen onder zich zien wegvallen doordat hij is gestuit op een geschrift van de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye die beweert dat Friesland oorspronkelijk niet eens heeft bestaan. Veiligheidshalve besluit Sixma zijn verslag daarom maar liever een ‘historische roman’ te noemen.

    Dat we met zijn allen beter ons gezonde verstand kunnen gebruiken vervat Jongstra mooi in het korte tweede deel van Friezen in Rome, waarin hij het prachtige verhaal vertelt van de inwoners van het Kroatische eiland Brač die er ooit op uit trokken om elders verstand te kopen.

    Friezen in Rome is een op en top ‘Jongstra’. Smullen voor de liefhebbers, maar met de voortdurende verleiding om alle bronnen die in ‘Bouwstoffen’ vermeld staan te gaan checken. Nodeloos werk. Ze kloppen allemaal, inclusief het weetje dat Jongstra de naam Atte Sixma al eens als pseudoniem gebruikte in een artikel over Bonifatius’ dood in het periodiek Plompeblêden uit 2001.

  • Schoolreisje en missie ineen

    Tussen de regels door is het klip en klaar: ‘De vrijheid van Oekraïne is nog niet gestorven.’ In deze eerste regel van het Oekraïense volkslied, en dan vooral in het woordje ‘nog’, schuilt volgens Jelle Brandt Corstius ‘een berg doden, drama, verdriet. Opnieuw vechten Oekraïners voor hun voortbestaan, in wat een lange oorlog lijkt te worden, met ongewisse uitkomst.’
    De oorlog verscheurt Brandt Corstius. Tweeëntwintig jaar geleden bezocht hij Lviv voor het eerst en viel als een blok voor Oekraïne en voor de cultuur – en de absurditeiten – van het oosten. Hij leerde Russisch en zou als correspondent voor  dagblad Trouw van 2005 tot 2010 in Moskou wonen. Hij voelde zich er als een vis in het water en noemt Rusland ‘de liefde van zijn leven’. Een liefde waar hij mee moet breken nu Rusland Oekraïne is binnengevallen. ‘We kunnen niet neutraal toekijken, de vrijheid en veiligheid van Europa is in het geding. Ook wij zijn in oorlog met Rusland.’ 

    Hij sluit zich aan bij Jaap Scholten, schrijver en oprichter van ‘Protect Ukraine’. Zijn stichting levert spullen die Oekraïense soldaten in leven moeten houden, zoals terreinauto’s, maar ook kogelvrije vesten, helmen en tourniquets. Brandt Corstius twijfel geen moment en gaat met een groep van veertien mannen op weg naar het Oosten. ‘Het is oorlog, en wij komen de spullen brengen voor de goeden zodat die van de kwaden kunnen winnen.’ Het is voor hem een persoonlijke afrekening met zijn oude liefde Rusland waar hij naar smacht. 

    Jongensachtige branie

    Spullen brengen is het relaas van deze tocht. ‘Een bont reisverslag en een afscheid van een oude liefde ineen’, aldus het omslag. Schoolreisje en missie ineen had er ook kunnen staan, want als iets het boek karakteriseert is het wel de bonte mengeling van kwajongensachtige branie zo kenmerkend voor schoolreisjes maar dan met de ernst van het slagveld.

    Bij vertrek uit Bloemendaal wordt de toon meteen gezet. ‘Af en toe geeft de correspondent zonder enige reden anders dan kinderlijk plezier een flinke dot gas en dan gillen we het uit van de pret. Over snelheidsboetes hoeven we ons niet veel zorgen te maken, over een paar dagen wordt de nummerplaat – een Zweedse – er in Oekraïne afgehaald en rijdt hij zonder plaat met soldaten aan het front.’ De reis gaat via Drenthe naar Lientzen in de Duitse deelstaat Brandenburg, waar ze overnachten bij een bevriende graaf van Scholten. Deze graaf Carl-Han Graf von Hardenberg blijkt af te stammen van een van de weinige militairen die zich tegen Hitler keerde, en draagt in deze nieuwe oorlog graag zijn steentje bij met een uitgebreid banket voor de groep (met bijpassende dranken). Brandt Corstius en zijn kompanen laten het zich met plezier welgevallen.

    Maar als het konvooi de grens met Oekraïne bereikt wordt de sfeer vanzelfsprekend meer gespannen. Het is duidelijk dat het nu serieus wordt. ‘Veertien Nederlandse simkaarten bij elkaar kan een juicy target zijn.’ Ze verwijderen ze voor de zekerheid, omdat ze toch een oorlogsgebied binnenrijden. Ver van het front, maar overal kan een raket inslaan.

    Toch verdwijnt de kwajongenssfeer niet helemaal. En Brandt Corstius houdt ook gedurende de laatste etappes de humor vanuit overtuiging overeind. Ook in zijn wekelijke podcasts, zo schrijft hij, probeert hij altijd iets raars te stoppen. ‘Want wat heeft het leven nou voor zin zonder humor?’ En het zijn toch vooral ook de absurditeiten van zijn geliefde Rusland die hem tijdens deze wrange oorlog op de been houden. Zoals de militaire salades die Russen altijd blijken te eten op 9 mei, om de overwinning op de Nazi’s te vieren. Of het schaap dat ouders uit de arme regio Boerjatië van de Russische staat krijgen als compensatie voor hun gesneuvelde zoon. 

    Van schoolreisje naar missie

    Naast de lichtvoetige Brandt Corstius, is er ook de didactische. Hij deelt zijn kennis over Rusland en de Russische ziel met graagte, waardoor je als lezer het een en ander opsteekt. Over dat niet Poetin het probleem is, maar het in Rusland diepgeworteld imperialisme. En over waarom Oekraïners zich in de Tweede Wereldoorlog in groten getale bij nazi’s aansloten, en tegen de Russen vochten, waardoor Poetin ze nu nazi’s noemt.

    Maar verwacht geen uitgebreide introductie in het hoe en waarom van de oorlog. Daarvoor blijft de luchtigheid waarmee Brandt Corstius de missie en het conflict beschrijft te groot. Altijd met een knipoog, zo lijkt het. Een knipoog die alomtegenwoordig lijkt, zo blijkt uit de waarschuwingen die hij via zijn telefoon over luchtaanvallen krijgt. Als het gevaar is geweken klinkt steevast de vertrouwde stem van Mark Hamill, Luke Skywalker uit Star Wars. ‘The air alert is over. May the force be with you.’ 

    Ondanks de lichtvoetigheid is het duidelijk dat wat voor sommigen begon als een schoolreisje is uitgegroeid tot een missie. Alsof hij daar nog over twijfelt, vraagt Brandt Corstius aan Mychajlo, die in Kyiv een auto komt ophalen, naar de romantiek van oorlog, naar de verbroedering en de intensiteit van het leven aan het front. Mychajlo is vrijwilliger en chauffeur van een ambulance die gewonden en doden vervoert. Voor hem geen schoolreisjes. Geen kwajongens branie. Als Brandt Corstius vraagt of er ook mooie momenten in de oorlog zijn, maakt zijn dofheid plaats voor felheid. ‘Er is helemaal niets moois aan man. Domme oorlogsromantiek. Ik wil dat deze kutoorlog voorbij is en weer iets leuks doen.’

     

     

  • Filosofische en empatische avonturen roman

    Recensie door Fred Lens

    Jean-Baptiste Andrea (1971) is een recent literair fenomeen. Hij begon in 2017 met romans te schrijven en elk boek dat er van hem verscheen werd gelauwerd en bekroond. Zijn vierde roman, Waak over haar uit 2023 werd bekroond met de prestigieuze Prix Goncourt. Dat Andrea eigenlijk copywriter en regisseur is, voelt de lezer ook in het instant verfilmbare Duivels en heiligen, een jongensboek voor alle leeftijden, met alle ingrediënten die een jongensziel kunnen beroeren. Hij voert de lezer naar stations, luchthavens, de maan en een  luguber bergklooster.

    Het is ontroerend hoe het hoofdpersonage, Joe (van Joseph) als oudere man terugblikt op zijn Oliver Twist-achtige ervaring in een colditzklooster, maar ook op de pianolessen van zijn veeleisende privéleraar en gewezen virtuoos Rothenberg.

    Einde van een jeugd

    ‘Je moet niet proberen te spelen zoals ik, maar zoals jezelf’, of: ‘Eindelijk beginnen je handen te beven’ en ‘In muziek (van Beethoven) is ritme het belangrijkst’ zijn enkele van Rothenbergs instructies. Dat ritme ontdekt Joe ook bij zijn vriendje Henri in ‘Sympathy for the Devil’.  En jaren later feliciteert Thelonious Monk in New York Joe met zijn pianospel. Maar muziek verzacht niet alles. ‘Een musicus is in staat de zachtste muziek te spelen nadat hij zijn vrouw en kinderen heeft geslagen’ aldus Eerwaarde Sénac over zijn vader, die hem verbood de piano in het weeshuis aan te raken.

    Joe’s beide ouders en zijn ‘onverdraagbare’ zusje stierven op 2 mei 1969 om 18.14 uur in een vliegtuigcrash. Hij is dan bijna 16 en noemt dat het uur waarop zijn jeugd eindigde en een ongeneeslijke ziekte van ‘wees zijn’ hem trof. ‘Wees ben je voor altijd’. En inderdaad, de moeder van zijn beste vriend Henri laat hem zelfs niet meer binnen. ‘Een wees is ongeneesbaar’. Ook onder de wezen zelf, ‘De grote natie van de Vereenzaamden’ bestaat een hiërarchie. De belangrijkste zijn de wezen van zeer rijke gezinnen die een geprivilegieerde opvang krijgen. Alle andere wezen gaan naar afgelegen locaties waar ze niemand storen. Zo belandt Joe in ‘De Grens’, een gewezen priorij in de Pyreneeën, gescheiden door een honderd meter hoge flank van Spanje. Daar beleeft hij ‘jaren van zwarte regen’, en merkt dat ‘Alle wezen’ bevende handen hebben en ondervindt hij dat ‘De beste manier om te overleven, is te verdwijnen’.

    Geen duivels en heiligen

    Neen, dit is geen aanklacht tegen door katholieke religieuzen bestuurde internaten. Het blijft een avonturenroman waarin de psychische en fysieke terreur gelukkig nooit voor blijvend letsel zorgt. Het sadisme van surveillant ‘Kikker’ die de kleine bedplassers met een ‘pismantel’  terroriseert en de perfide sancties van eerwaarde Senac vormen slechts het decor van een jongensboek met gewaagde ontsnappingspogingen. 

    De sadisten zijn toch het resultaat van ‘monsters die monsters maken’, geen duivels dus. En bij de jongens geen heiligen, maar haantjesgedrag, verraad, ‘Ieder voor zich’. Tegelijk beschermen ze de epileptische Momo en zijn ezelknuffel. Momo op zijn beurt waakt bij Joe wanneer hij dagenlang hoge koorts heeft. En het broederschap het Nest (La Vigie) met Vos, Edison en Sinatra doen voor de 9-jarige Alzix alsof ze voor Russische raketten op wacht staan. Alzix neemt dan weer de schuld op zich voor de verdwenen encyclopediebladzijde en pleit zo Joe vrij.

    Spannende pageturner

    Joe moet Rose, de dochter van meneer De Graaf, mecenas van het weeshuis, pianoles geven. Zij is een verwend kind en ze kunnen elkaar amper luchten of zien. ‘Haat voedt zich net zoals het gebed met stilte’. Maar geleidelijk krijgen ze gevoelens voor elkaar en besluiten samen uit te breken, zij uit haar burgerbestaan, hij uit het weeshuis. Joe’s gevaarlijke ontsnappingspoging langs zeer hoge en loshangende dakgoten mislukt echter. Hij wordt verraden en als straf voor twee maanden in afzondering opgesloten. Elk contact met Rose is dan verbroken, maar Joe zal heel zijn leven proberen haar terug te vinden. Dank zij de turnleraar Rachid en de klusjesman Etienne, maar vooral dankzij hun intense fysieke training slagen de leden van het Nest erin om op een ongemeen spannende manier uit het weeshuis te ontsnappen. Duivels en heiligen is een spannende pageturner, romantisch, humoristisch, en filosofisch.



  • Dat vluchten een mens niet echt gelukkig maakt

    ‘Mam, mijn familie was mijn therapie,’ zegt de Koerdisch-Syrische vluchteling Baran in Mam, ik ben geen crisis, het debuut van Ismaîl Mamo. Baran spreekt deze woorden uit bij haar grafsteen in zijn geboortedorp in Syrië. Als hij na acht jaar, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, terugkeert naar zijn geboortedorp in het Koerdische deel van deze verscheurde staat, voelt hij de behoefte zijn levensverhaal te vertellen aan zijn gestorven moeder. Zij begrijpt hem als geen ander. ‘Je was mijn veiligheid, je was mijn beschermer, je was een open boek voor mij waar ik alles in kon opschrijven, je was de beste mama ter wereld en je bent mijn alles.’

    De roman heeft een sterk autofictief karakter. Het verhaal van Baran is gebaseerd op Mamo’s eigen ervaringen als vluchteling. In Syrië is alles voor Baran vertrouwd en warm. Hij herkent er de geuren van weleer en eet de maaltijden die hij er als jongen at. Hij geniet van het leven in Nederland, maar mist de warmte van thuis. Hij leeft in twee werelden die van elkaar gescheiden zijn. Hij heeft twee harten. Het ene klopt voor zijn moeder en alles wat daartoe behoort. Het ander voor zijn bestaan in Nederland. 

    Levensverhaal aan graf van moeder

    Het verhaal aan het graf van zijn moeder duurt maar liefst veertien opeenvolgende dagen. Baran vertelt haar wat hem is overkomen, sinds haar overlijden ver voordat Syrië in een burgeroorlog raakte. Wat hem overkwam op de middelbare school, waarin hij als Koerd zijn taal niet mocht spreken. Hoe zijn geneeskundestudie in Aleppo werd onderbroken door het uitbreken van de oorlog. Hoe hij probeerde geld voor zijn studie te verdienen in het Koerdische deel van Irak. En hoe hij uiteindelijk vluchtte in de hoop in Europa zijn studie af te kunnen maken. Op de vlucht ook voor de dienstplicht in het Syrische leger waarin hij moest vechten tegen zijn eigen volk. Hij vlucht, tegen de wil van zijn vader, die hem bij zich wil houden. Uiteindelijk zegt zijn vader: ‘Je mag gaan, maar van mij hoeft het niet.’  

    In het langste en spannendste hoofdstuk vertelt Baran zijn moeder wat hij allemaal beleefd heeft tijdens zijn vlucht naar Europa en hoe hij uiteindelijk via Turkije, Griekenland, Servië, Hongarije en Duitsland in Nederland terecht kwam. In Nederland loopt niet alles volgens plan. Geneeskunde studeren vergt een heel voortraject, dat hij niet kan voltooien. Hij kiest uiteindelijk voor een andere studie. Onderweg naar en aangekomen in Europa houdt hij via allerlei sociale media en soms ook in levende lijve contact met zijn nichten, tantes, broers en zusjes. Dit contact is essentieel voor hem. Bij zijn familie, en zeer in het bijzonder bij zijn moeder, kan hij zijn verhaal kwijt.

    De korte zinnen waarin het boek geschreven is, geven een enorme snelheid aan de roman, het leest als een trein. Baran heeft zoveel te vertellen aan zijn moeder, dat hij geen tijd voor lange zinnen heeft, laat staan voor uitgebreide beschouwingen. Hij moet zijn verhaal kwijt en gaat recht op de kern van de gebeurtenissen af, zonder al te veel omhaal van woorden. De korte zinnen zijn wellicht ook verklaarbaar doordat het Nederlands Mamo’s tweede taal is. Hoe dan ook, Mamo schrijft niet om de lezer te laten genieten van de taal. Wel is de redactie van DasMAg hier en daar wat slordig geweest. Op enkele plaatsen wordt het woordje ‘mijn’ toegevoegd aan vader of broer of zus, terwijl hij zijn moeder toch niet hoeft uit te leggen wie hij bedoelt als het over een van haar kinderen of over haar man gaat.  

    Geschiedenis van vele vluchtelingen

    Het boeiende van dit boek is dat Mamo in detail beschrijft wat Baran overkomen is. Wat hij ervoor over heeft gehad om hier te komen. Bedonderd door smokkelaars, uitgeput door barre weersomstandigheden op lange tochten over land en zee om zijn doel te bereiken. En dan komt hij uiteindelijk terecht in een land waar hij bepaald niet met open armen wordt ontvangen. Waar hij alles in het werk stelt om geaccepteerd te worden als Nederlander. Hij doet zelfs mee aan Holland’s got talent. Hij wil aan zijn familie en aan de Nederlanders bewijzen dat hij geen crisis is. Dat hij geen loser is. Dat hij niet de verkeerde keuze heeft gemaakt. Uit zijn verhalen blijkt ook dat hij niet de testosteronbom is, die volgens Wilders, onder meer uit Syrië, naar ons land vluchtten. Hij is een romantische, verlegen geheelonthouder die heel erg moet wennen aan de vrije omgangsvormen tussen mannen en vrouwen in zijn nieuwe vaderland.

    Barans geschiedenis is die van vele vluchtelingen, exemplarisch en illustratief voor de lange en moeilijke weg die zij moeten gaan. Vluchten is een daad van hoop en verlangen. Het verhaal van Baran maakt duidelijk dat het geen weg van de minste weerstand is. Het maakt ook duidelijk dat vluchten een mens niet echt gelukkig maakt. Barans ziel zweeft heen en weer tussen Nederland dat hij dankbaar is voor de geboden kansen en voor zijn familie in Syrië en in andere landen, waaraan hij met alle vezels verbonden is. Die vezels geven hem kracht en hoop om te overleven.



  • Geen kinderachtige gedichten voor kinderen

    Wat boffen de kinderen van nu! Speciaal voor hen brengt Stichting Plint vier keer per jaar een tijdschrift uit waarin beeldende kunst en poëzie worden samengebracht, Dichter getiteld. Dichter in de betekenis van poëzieschrijver, maar zeker ook van ‘dichterbij’, omdat op deze laagdrempelige manier elk kind kan kennismaken met kunst en poëzie. En ook ‘dichter’, omdat door het lezen van poëzie je wereld intenser en intiemer wordt.

    Elk nummer heeft een thema, waarover zo’n vijftig dichters een splinternieuw gedicht schreven, een enkeling zelfs twee. Onder deze ‘dichters van dienst’ zijn heel bekende, zelfs beroemde namen van mensen die heus niet alleen voor kinderen schrijven. De gedichten zijn dan ook bedoeld voor ‘kinderen van 6 tot 106’, zoals op de voorkant te lezen staat. Een sympathieke actie van Plint is ook dat de nummers betaalbaar worden gehouden, zodat iedereen een exemplaar kan kopen. Ook geeft Plint gratis exemplaren aan de Stichting Jarige Job, voor kinderen bij wie er thuis geen geld is om een verjaardagsfeestje te vieren. Deze kinderen krijgen dan een ‘Dichter’ in hun verjaardagspakket. Zo wordt poëzie voor alle kinderen toegankelijk.

    Schooltuintjes en dierentuinen

    Het thema van dit nummer is de tuin. Je vraagt je misschien af hoe interessant een tuin kan zijn om er zo veel gedichten over te schrijven, maar alle facetten van de natuur in afgeperkte vorm worden in de gedichten belicht: van schooltuintjes, dierentuinen, verdwaaltuinen, wenstuinen tot geheime tuinen en zelfs de tuinen op een schilderij van Monet en van Jacobus van Looy. Ook de bewoners van die tuinen worden bezongen: duiven, bloemen, bijen, vlinders, naaktslakken (die in de soep gaan!), bomen en kapot gevallen tuinkabouters. Misschien zou je verwachten dat er in deze tijden van klimaatcrisis extra aandacht zou worden geschonken aan wat ons te wachten staat als we er met z’n allen niet gauw voor zorgen dat er een natuurramp afgewend wordt, maar dat valt reuze mee. Geen doemdenken over het einde van de wereld, geen apocalyptische taferelen worden aangedragen; klimaatactiviste Greta Thunberg heeft aan deze bundel niet meegewerkt. Het zijn juist bijna allemaal heel positieve en vrolijke gedichten, waarin woestijnen worden omgetoverd in bloeiende oerwouden en waarin mens en dier in harmonie samenleven met de natuur. 

    Een gedicht dat wel refereert aan de zorgwekkende toestand van onze aarde is ‘Tegelwippen’ van Margriet van Bebber, maar de oplossing ligt in de titel besloten. Ook het gedicht ‘je tuin’ van Diet Groothuis, waarin de zee met grof geweld het gewonnen land weer terugneemt, wijst op wat er gebeuren kan, net als het gedicht ‘Flevoland’ van Greetje Kruidhof, maar dat is niet alleen van deze tijd. En het gedicht ‘Zeg het de bijen’ van Hans Kuyper is ook niet zo vrolijk, maar wel van belang omdat het vertelt over een oeroude gewoonte, waarbij iemand ging aanzeggen aan de bijen dat de baas gestorven was. Er werd drie keer tegen de korf geklopt en verteld dat de baas dood was. Ook werd er vaak een zwarte strik op de korf geplaatst. Deed men dat niet, dan zouden de bijen gaan zwermen en verdwijnen. 

    ‘Ooit was het de gewoonte om te praten
     met het bijenvolk, dat alles kreeg te horen
     van wie ging trouwen en wie daaruit werd geboren.

     Het zoemde rond tussen de honingzoete raten
     die dropen van voorspelling en herinnering.

     Ook als een dierbaar iemand was gestorven
     ging altijd wel een bode naar de korven
     en zong het zachtjes voor de koningin.

     Maar nu het volkje van tuinen zelf moet sterven,
     de lege zomerlucht nooit meer zal gonzen – 

     wie wil er in paniek nog op de korven bonzen,
     vertwijfeld zoekend over barre akkers zwerven,
     wie gaat het zeggen aan de bijen deze keer?

     De korf is leeg, er zijn geen bijen meer.

    Geen kinderachtige poëzie

    Mooie gedichten, maar geen echte ‘kindergedichten’. Wel voor kinderen bedoeld, maar niet kinderachtig. De dichters die aan deze bundel hebben meegewerkt, maken geen onderscheid tussen volwassenen en kinderen als het hun dichtkunst betreft. Hooguit zijn de onderwerpen enigszins aangepast en zijn de gedichten in toegankelijke taal geschreven. Kinderen worden in deze bundel serieus genomen en toegesproken door volwassenen die niet op hun hurken gaan zitten. Zo hoort het ook. Kinderen zijn immers de poëzieliefhebbers van de toekomst. Maar ook voor volwassen lezers zijn deze gedichten een plezier om te lezen. De variatie in tuinen en bijbehorende gedichten is veel groter dan je voor mogelijk had gehouden. 

    De beeldende kunst werd in dit nummer verzorgd door Anne ten Donkelaar. Zij bewaarde beschadigde dode vlinders die ze vond om ze daarna te repareren op een manier die hun schoonheid het beste tot haar recht laat komen in haar tentoonstelling ‘Broken Butterflies’. Ook maakt zij landschappen van bloemen die ze droogt, in combinatie met plaatjes van bloemen uit tweedehands boeken. Haar werk is tussen de gedichten geplaatst als een bonte bloementuin, wat nog versterkt wordt door het kleurige papier waarop de gedichten zijn afgedrukt. 

    Achter in de bundel zijn zes schrijftips van de dichter Jos van Hest opgenomen met voorstellen en opdrachten over een aantal gedichten uit de bundel, die je in je eentje kunt maken of met de hele klas samen tijdens een poëzieles op school. Ze zorgen voor verdieping van de gedichten en voor een andere manier van kijken en dat is goed. Zoals de dichter Kasper Peeters zijn gedicht ‘Tuin van de wensen’ afsluit: ‘[…] een goed land is misschien gewoon een grote tuin.’
    Een vrolijke en mooie bundel voor alle kinderen en volwassenen. Voor wie nog steeds denkt dat het thema ‘De tuin’ niet opwindend genoeg is, is het volgende nummer van Dichter misschien een aanrader. Dat gaat over fabeldieren.