• Zware thematiek in een monument van licht

    Als van lucht is het levensverhaal van de met borstkanker gediagnosticeerde ex-balletdanseres Ada d’Adamo, geschreven aan haar zwaar gehandicapte dochter Daria. Kort na het uitkomen van de roman in 2023 overleed d’Adamo aan de gevolgen van borstkanker. De koude constatering van de ziekte vormt de proloog van de roman: ‘Invasief carcinoom. Rechterborst, bovenkwadrant. Botmetastase in th6.’ Je wordt meteen bij de lurven gegrepen en in de hoofdstukken erna, komt daar de diagnose van het HPE-syndroom van de pasgeboren dochter Daria nog bij. Het HPE-syndroom, ofwel holoprosencephalie, is een aangeboren hersenafwijking en Daria heeft de meest ernstige vorm. Ze is slechtziend, kan niet praten of bewegen en heeft epileptische aanvallen. Niet bepaald lichte kost, toch is ‘lichtheid’ wel degelijk wat deze roman kenmerkt.

    Zwaartekracht en inlijving

    Het boek is opgebouwd uit dertig hoofdstukken, een proloog, acht observaties van kinderen en twee korte verkenningen van de begrippen zwaartekracht en inlijving. Twee belangrijke termen in de studie van de dans, maar ook centrale begrippen in de relatie tussen moeder en dochter. Het openingscitaat is van de experimentele danser en choreograaf Steve Paxton: ‘Birth is not so much a beginning as it is an abrupt change in which suddenly there are different factors than those in the womb, and there is gravity.’ De zwaartekracht, een vanzelfsprekend thema voor d’Adamo — hoe vaak zweefde zij als danseres niet door de lucht om daarna weer terug op het podium te belanden —, maar een immer blijvend mysterie voor Daria, die vastgekluisterd zit aan haar rolstoel. Zwaar is de handicap, maar lichtheid wenst d’Adamo haar dochter toe: ‘Je bent Daria, je zult D’aria (come d’aria red.) zijn, van lucht.’ 

    Waar Ada in het begin van de roman de beperkingen van haar ziekte, zoals het ijzeren korset dat ze moet dragen, als een fysiek obstakel ervaart tussen haar lichaam en dat van haar dochter, komt daar aan het einde van het boek een andere ervaring voor in de plaats, namelijk die van de inlijving. ‘Zo blijf ik me verder en verder met jou vereenzelvigen. Mijn lichaam ervaart, zij het in mindere mate, de beperkingen van het jouwe. Eerst kende ik ze, voelde ik ze, betastte ik ze via jou; toen begon ik ze geleidelijk in te lijven. (…) Ik ben Ada. Ik word D’aria… Van lucht…’ Waar de lichamen door de geboorte, via de zwaartekracht werden gescheiden, komen ze nu via de inlijving weer tot elkaar. 

    Antiabortuswetgeving

    Had d’Adamo destijds de keuze gehad, dan had ze ‘abortus op medisch indicatie gekozen’, zo schrijft ze in februari 2008 in een ingezonden stuk in La Repubblica. ‘Ik schreef dat ik graag had kunnen kiezen. En een dergelijke, niet theoretische, maar uitgesproken stelling in bijzijn van een levend, florerend kind klonk sommigen onverdraaglijk in de oren.’ De abortuswetgeving is sinds 2008 onder de rechtse regering van Meloni alleen maar verder onder druk komen te staan, met als nieuw dieptepunt een voorstel om antiabortusactivisten toe te laten in abortusklinieken. Als van lucht kan gelezen worden als een aanklacht tegen die beweging: ‘Wie kan besluiten of een leven de moeite waard is om geleefd te worden?’ Als lezer word je geconfronteerd met het lijden van Daria, de epilepsieaanvallen als ze nog een baby is, het lijden van Ada, die door haar eigen ziekte geconfronteerd wordt met een nieuwe angst. Wie zorgt er voor Daria als Ada er niet meer is? D’Adamo werpt deze zware vraagstukken op, zonder pathos, droog bijna, in korte hoofdstukken waar geen woord te veel in staat.

    Rauwe realiteit

    Dat deze roman vooral lichtheid verschaft, komt door de korte dagboekachtige observaties van kinderen die met Daria in contact komen. Daria is een bron van verbeelding en licht voor hen: ‘Dialoog aan zee tussen je papa en Viola van vijf. Viola: “Ze kan niet zien, hè?” Papa: “Nee.” Viola: “Maar praat ze wel?” Papa: “Nee.” Viola: “Kan ze lopen?” Papa: “Nee.” Viola: “Maar dan is ze betoverd!”’

    De rauwe realiteit van het aardse leven wordt prachtig afgewisseld met de dromerige fantasiewereld van kinderen. De nuchtere schrijfstijl in combinatie met de poëtische observaties zorgen ervoor dat deze roman, die bolstaat van de heftige emoties, nergens melodramatisch of sentimenteel wordt. Als van lucht in de soepel leesbare vertaling van Jan van der Haar is een prachtig monument van licht, tegen de achtergrond van een loodzware thematiek. Het boek werd bekroond met de Premio Strega 2023, de belangrijkste literaire prijs van Italië.

     

     

  • Met een varkenspak in de sloot

    Stel je voor: een ijskoude oudejaarsavond met veel vuurwerk en een vieze sloot met een man die er niet meer uitkomt. Niet zomaar een man, maar eentje in een varkenspak, met op de achtergrond een brandend slachthuis dat langzaam maar zeker totaal wordt vernietigd. Dit is de opening van De instructies van Carolina Trujillo. Hoe is het mogelijk dat iemand in zo’n bizarre situatie terechtkomt? Heeft hij de brand gesticht? Waarom dat varkenspak? De toon is gezet en het boek grijpt je bij de keel.

    Het verhaal springt heen en weer tussen heden en verleden, maar als je bereid bent mee te springen, doorgrond je al snel dat het gaat om een reeks gebeurtenissen die Mol, de man in het varkenspak, onvermijdelijk naar zijn ondergang leiden. De scène in de sloot is slechts het begin. Trujillo’s personages werken zichzelf wel meer in de nesten, zoals in de roman De terugkeer van Lupe García (2009). Waarin een viertal wraak probeert te nemen om wat hun ouders is aangedaan. Maar in haar nieuwe roman gaat hoofdpersonage Mol wel heel ver om zichzelf te bewijzen.

    Conflict tussen de liefde en een ideaal

    Na jaren komt Mol zijn geliefde jeugdvriendin Nora weer tegen die een gedreven dierenrechtenactivist blijkt te zijn geworden. Ze pakken hun vriendschap moeiteloos op. Nora probeert Mol te overtuigen van haar activistische idealen, maar hij twijfelt of haar radicale plannen wel zinvol zijn en of ze zich daardoor niet in de problemen zal werken. Voor haar liefde en erkenning wil hij echter alles doen: ‘Het maakte niet uit welk kooltje ze uit het complimentenvuur trok, ik zou me er zolang het gloeide aan warmen, maar diep van binnen wist ik wel hoe het zat.’ Nora gebruikt Mol louter als hulp voor haar doelen, als chauffeur of iemand die haar plannen uitvoert als ze dat zelf niet kan.

    Naast de vraag hoe ver je voor een liefde gaat, behandelt de roman ook hoe ver je kunt gaan voor een ideaal, in dit geval dierenrechten. Trujillo is, na jarenlang vleeseter te zijn geweest, zelf veganist geworden en het is duidelijk dat ze grondig onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de vlees- en melkindustrie. Op indringende toon beschrijft ze gedetailleerd de misstanden die dagelijks op grote schaal plaatsvinden: van de vreselijke en bloederige activiteiten vóórdat een stuk vlees op ons bord ligt, tot het transport van gewonde dieren naar hun laatste bestemming, het slachthuis. Pijnlijk en confronterend. Zonder dat de roman een pamflet wordt, raken Trujillo’s woorden haar lezers: ‘De varkens in de laadbakken zaten onder de schrammen. Drie sterren humane slacht, biologisch, scharrel en ambachtelijk. Als ze op transport zijn, maakte het geen donder uit.’ Of Trujillo nu een liefdesverhaal wilde schrijven of een activistische roman: het is haar beide gelukt.

    Herhaling van thrillerachtige acties

    Het verhaal wisselt voortdurend van periode, wat de lezer meer inzicht en emotionele diepgang biedt. Deze tijdswisselingen ondermijnen echter wel het hoge tempo van de roman. Zoals in het hoofdstuk over de bezetting van een stal door Mol en zijn vrienden, dat in een thrillerachtige stijl met korte zinnen uur na uur beschrijft. Dit wordt abrupt afgewisseld met een hoofdstuk over het moment waarop Mol uit een sloot wordt gehaald tijdens nieuwjaarsnacht. Hoewel beide gebeurtenissen spannend zijn in Mols activistenleven, voelt de sprong tussen deze hoofdstukken te groot. Er gebeurt namelijk nog veel meer belangrijks in Mols bestaan tussen deze momenten.

    Ook de instructies die Mol voor Nora uitschrijft, verstoren het leesritme. De ene keer beschrijft hij zijn eigen pad en hoe hij langzaam de grip op de realiteit verloor. De volgende keer, soms nog op dezelfde pagina, kunnen we midden in een scène zitten die toekomstige activisten meedeelt wat ze wel of juist niet moeten doen tijdens een protestactie. Om verwarring te voorkomen moet je goed in de gaten houden waar je je in het verhaal bevindt.

    Gelukkig wordt het aan het einde van de roman duidelijk waarom Mol deze instructies heeft geschreven: ze zijn er niet om te vertellen hoe je moet handelen voor het beste resultaat tijdens bijvoorbeeld een protestactie. Ze laten juist zien dat het onmogelijk is om te zeggen wat de juiste manier van protesteren en het laten horen van je eigen stem is. De roman beschrijft de pijnlijke confrontatie die Mol moest ondergaan om in te zien dat je machteloos staat als je de vraag stelt of iets goed of juist niet goed is. Draait radicaliseren om jezelf te bewijzen of gaat alles om een groter doel waar je als individu toch weinig invloed op hebt? Is het belangrijker om in iets te geloven dan de manier waarop je dit wil bereiken? De instructies is een knap geconstrueerde roman die deze belangrijke vragen aan de orde stelt.

     

     

  • Op wolken lopen

    Het oorspronkelijk in het Duits geschreven boek Boven aarde, beneden hemel van de Duits/Japanse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980) heeft een aangename nonchalante toon. Deze is ongetwijfeld het resultaat van juist niet nonchalant schrijven. Er zit zes jaar tussen de publicatie van haar vorige roman — Meneer Katõ speelt familie — en deze. Haar debuut, Een bijna volmaakte vriendschap, verscheen in 2015.

    Boven aarde, beneden hemel wortelt ondanks de half-Duitse achtergrond van de schrijfster in de Japanse cultuur. Het boek speelt zich bijna geheel af in Tokio. Flašar kiest in de 25-jarige juffrouw Suzu een hoofdpersonage dat haar dagen het liefst in volledige eenzaamheid slijt. Saai? Niet als het fijne pennetje van de schrijfster haar tot leven wekt. ‘Landschappelijk bekeken situeerde ik mezelf ergens tussen woestijn en steppe.’ Haar hamster Punsuke spiegelt haar leven. Punsuke kruipt weg in zijn holletje, weigert elk contact, maar als juffrouw Suzu noodgedwongen haar zieke collega Takada een tijdje in huis opneemt, leeft de hamster helemaal op. Hij komt uit zijn holletje en laat zich zelfs weer een beetje aaien.

    Kodokusha

    Juffrouw Suzu komt vooral goed tot haar recht in het contrast met de energieke meneer Sakai. Hij is de uitbater van een hoogst merkwaardig bedrijf waarvoor juffrouw Suzu als schoonmaakster gaat werken. Het bedrijf, met nog een aantal grappige en bijzondere werknemers, is gespecialiseerd in het opruimen en schoonmaken van huizen waarin lijken langere tijd onopgemerkt hebben gelegen. In het Japans worden dat soort overledenen kodokusha genoemd. ‘Het gaat erom dat je iets voor een dode doet wat je anders alleen voor een levende doet’, zegt meneer Sakai om uit te drukken dat elke dode, ook al is hij of zij nog zo eenzaam en verlaten gestorven, respect verdient.

    Via meneer Sakai en juffrouw Suzu brengt de schrijfster in een aantal adembenemende portretten de zo tragisch gestorvenen tot leven. ‘Samen met de bewoners waren ook de spullen blijven liggen, en hoewel het dode, onbeweeglijke voorwerpen waren, weerspiegelde hun toevallige groepering iets van het moment waarop een mens een lijk was geworden’, bedenkt juffrouw Suzu bijvoorbeeld. Zodoende houdt elke dode de levenden een spiegel voor. Als juffrouw Suzu steeds geconfronteerd wordt met haar eigen tamelijk levenloze bestaan, begint er iets te veranderen. De vraag is of ze uiteindelijk het lef heeft haar leven op de kop te zetten. Want, zo bedenkt ze, als de aarde boven en de hemel beneden was, zouden we op wolken lopen.

     

     

  • Peultjes, prei en schorseneren

    De onlangs overleden Albanese schrijver Ismail Kadare wordt algemeen beschouwd als een van de grootste schrijvers van zijn tijd. In het communistische Albanië van diktator Enver Hoxha heeft hij getracht een modus te vinden om als kritisch schrijver actief te blijven zonder zich al te veel te vereenzelvigen met het regime. Hij deed dit door zijn politieke boodschappen te verpakken in legendes, volksverhalen, parabels, allegorieën, satiren en insinuaties. Hoewel hij op deze manier hoopte buiten schot te blijven van de censuur, is hem dit niet altijd gelukt.

    De geheime dienst

    Hoewel Kadare zijn boek Het Dromenpaleis situeert in het 17e eeuwse Istanbul, de hoofdstad van het multiculturele Ottomaanse Rijk, waar Albanië indertijd deel van uitmaakte, gaat het in werkelijkheid om het Albanië van Hoxha. De hoofdpersoon in het verhaal is Mark-Alem, een telg uit een aanzienlijke familie met Albanese roots. Het Dromenpaleis is een uiterst geheime en geheimzinnige instelling en een broeinest van politieke intriges. Daar worden de dromen van alle mensen in het rijk verzameld, geselecteerd, geanalyseerd en geïnterpreteerd, een soort geheime dienst avant la lettre. Elke dag worden de dromen met speciale bodes uit het hele rijk verzameld en afgeleverd bij het paleis. Zo komt de regering te weten wat er zoal leeft onder de bevolking. Elke vrijdag wordt er op de afdeling Meesterdromen één droom uitgekozen als meesterdroom. Deze wordt plechtig overhandigd aan de sultan. De meesterdroom kan, zoals overigens ook andere dromen, grote gevolgen hebben voor de situatie in het rijk. Dromen worden niet alleen beoordeeld op particulier niveau om te zien of iemand een mogelijk gevaar kan opleveren voor de sultan en zijn coterie, maar ook op meer algemeen niveau. Zo kan het zijn dat uit bepaalde gebieden in het rijk nogal wat nachtmerries en koortsdromen komen. Dit kan duiden op onrust onder de bevolking aldaar zodat er wat meer militaire aandacht nodig is.

    De droom van de groenteman

    Door zijn machtige familie wordt er op Mark-Alem druk uitgeoefend een baan te nemen bij het Dromenpaleis. Geheel tegen de gebruiken van het paleis in krijgt hij meteen een baan op de afdeling Selectie, een van de hoogste afdelingen in de bureaucratische hiërarchie. Men heeft ‘buitengewoon hoge verwachtingen’ van hem. Die ‘hoge verwachtingen’ zorgen er voor dat hij ook later pijlsnel carrière maakt in de organisatie en al spoedig doorstroomt naar de afdeling Interpretatie. Voor het interpreteren van dromen is een goede kennis van de symboliek in dromen van wezenlijk belang. Tijdens zijn werk stuit hij op een droom van een Albanese groenteman waar een brug in voorkomt. De symbolische betekenis van het woord ‘brug’ in deze droom doet hem denken aan zijn familienaam Qyprilli, die taalkundig ook gebaseerd is op het woord ‘brug’. Grappig, of toch niet?

    Tijdens zijn gang door de verschillende afdelingen raakt Mark-Alem voortdurend de weg kwijt en dwaalt hij, zonder iemand tegen te komen, door de schaars verlichte krochten van het immense bouwwerk. Telkens als hij de wanhoop nabij is, vindt hij weer een ingang naar de afdeling waarnaar hij op zoek is. Contact met andere ambtenaren op zijn afdeling heeft hij niet. Iedereen werkt stil voor zichzelf aan de stapel dromen op zijn bureau. Alleen tijdens de pauze kan hij in contact komen met anderen. Daar hoort hij van iemand van de afdeling Kopiëer dat er ook isoleercellen in het gebouw zijn en dat in één van die cellen iemand al veertig dagen lang dag en nacht wordt ondervraagd naar aanleiding van zijn droom. Zijn dossier bevat inmiddels honderden pagina’s. Mark-Alem krijgt steeds somberder en angstiger gevoelens, zeker als hij voor de tweede keer dezelfde droom op zijn bureau aantreft van de Albanese groenteman. De huiveringwekkende kant van het Dromenpaleis krijgt hem steeds meer in zijn greep.

    Als hij op een familiebijeenkomst hoort dat zijn oom Kurt hoog opgeeft van het feit dat de Albanese familie Qyprilli de enige familie in het Rijk is waarover een echt epos is geschreven, iets waarop zelfs de familie van de sultan niet kan bogen, ziet Mark-Alem dat zijn andere oom, de grootvizier, somber begint te kijken, zeker als oom Kurt belooft de volgende keer te zorgen voor een Albanese groep rapsoden om het epos muzikaal ten gehore te brengen. Na een privégesprek met zijn oom, de grootvizier, die hem vertelt dat er soms sprake is van het bewust in omloop brengen van valse dromen, voelt Mark-Alem zich steeds meer een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de macht. Hij hoort dat zijn directeur verwikkeld is een machtsstrijd met zijn familie en hij vermoedt dat de droom van de groenteman, over de brug, op zijn bureau een provocatie moet zijn. In de daarop volgende dagen is er onrust in de stad met veel militair vertoon en wordt zijn oom Kurt gearresteerd. Mark-Alem is totaal geschokt als hij hoort dat de droom van de groenteman inderdaad de meesterdroom is die de afgelopen dagen gezorgd heeft voor alle onrust. Op zoek naar het dossier van de Groenteman in het Archief stuit hij onverwacht op een stoet bewakers die een lijkkist torst. Zou daar de groenteman in liggen wiens dossier uit niets anders blijkt te bestaan dan uit honderden pagina’s lange opsommingen van zaken als de prijs van peultjes, prei en schorseneren op bepaalde dagen in bepaalde seizoenen?

    De ander, dat ben jezelf

    Ismaïl Kadare heeft een indringend boek geschreven over het Albanië van Enver Hoxha, waar de angst te worden opgepakt door de geheime politie regeert en waar niemand veilig is. De situering in het labyrintachtige Dromenpaleis heeft sterke Kafkaëske trekken. De staat die het menselijk individu wil controleren door te regeren over zijn meest geheime gedachten, krijgt in dit boek gestalte in het Dromenpaleis. In onze huidige wereld zien wij deze controledwang vooral terug in dictatoriale landen als China. Maar ook in onze eigen Westerse wereld worden wij steeds meer beheerst door de angst voor de ander en neemt de invloed van geheime diensten sterk toe. Het boek van Kadare bevat een uiterst actuele boodschap en heeft een tijdloos karakter.

     

     

  • Wat is waargebeurd

    Boreling. Echo’s van een gebroken jeugd is het verhaal van Martin Koot, noem het een autobiografie. Of zoals hij het zelf verwoordt in het begin: ‘Dit boek is gebaseerd op echte levens, waargebeurd zou je kunnen zeggen.’ De schrijver vraagt zich af wat waar is. Hij wil een verhaal vertellen dat universeler is dan zijn eigen getuigenis. Koot geeft te kennen dat hij de namen bijna allemaal heeft veranderd, behalve die van hemzelf. Later in het verhaal, vlak voor zijn scheiding, duikt er opnieuw twijfel op over het waarheidsgehalte van wat hij vertelt, alsof hij zich wil verantwoorden. De schrijver tast naar de vorm van het boek, laat het aan de lezer over om die te benoemen. ‘Memoir of verhalende of literaire non-fictie of een roman gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen?’ Die twijfel is op zich niet fout, het openlaten biedt mogelijkheden. In deze tijd is ‘waargebeurd’ een label, alsof literaire fictie niet echt kan zijn.

    Demonen

    Martin komt uit een doorsnee gezin met drie oudere broers en een vader die werkt in de tuinderij. Thuis wordt er met een conflictvermijdende moeder maar met mate gecommuniceerd. De jongen is redelijk teruggetrokken. In het begin van het verhaal beschrijft Koot een scène met een oom die grof uithaalt op een feestje en het effect dat dat heeft op de kleine Martin. Martin wordt wel getroost maar tegen de grove oom wordt niets gezegd. De scène typeert hoe zijn familie omgaat met iemands gedrag. Het beïnvloedt ook Martins verdere leven. In dit boek tracht hij dit soort patronen te doorbreken.
    Martin is een eenling, voelt zich niet goed in zijn vel. Zo wordt hij het ideale slachtoffer van een leraar, en vriend van de familie. In een sfeer van heimelijkheid is inbreuk op intimiteit en integriteit zo gefikst. De omstandigheden zijn perfect voor een pedofiel.

    Martin krijgt depressies, wisselt in zijn puberteit muziek af met suïcidale neigingen. De hulpverlening laat vaak te wensen over. Zo suggereert een dokter Martins aandeel in het gebeuren met de leraar. Waardoor hij worstelt met spijt dat hij niet veel eerder ‘stop’ heeft geschreeuwd. Regelmatig heeft hij het over ‘de waarheid’ en het kost hem moeite zichzelf te verdedigen, wat typisch is voor een slachtoffer. Hij gaat in therapie en trekt in bij de moeder van een vriendin die gastvrij is en hem begrijpt. Niet lang daarna wordt hij opgenomen in de psychiatrie.

    Wat volgt is het relaas van de therapie. Er komt een confrontatie met zijn familie, die de reden van Martins moeilijkheden nog steeds niet kent maar dan te horen krijgt, en een confrontatie met de pedofiele leraar. Ondertussen studeren klasgenoten af. Een poos nadien tracht Martin via de avondschool alsnog zijn diploma te halen.
    Nog niet halfweg het boek sterft Lies, de vrouw bij wie hij heeft gewoond. Ze pleegt zelfmoord. Zij bleek ook een geschiedenis in de psychiatrie te hebben. Dat ze zichzelf beschadigde heeft Martin nooit geweten. Hij vraagt zich af of demonen blijven sluimeren. Maar de dingen schijnen ook te slijten. Er komen vriendschappen, er is muziek, het jeugdhuis, scouting. Hij leert zijn vrouw kennen, wordt verzekeraar, er komt een gezin.

    De demonen ontwaken weer als blijkt dat de leraar nog steeds kinderen uitnodigt bij hem thuis. Martin wordt geconfronteerd met de vraag waarom hij bij het misbruik niet is weggelopen en waarom hij achteraf conflicten heeft vermeden, zoals de gewoonte in het gezin waarin hij is opgegroeid. Er werd nooit een melding gedaan bij de politie van de pedofiel die nog steeds zijn gang kan gaan.
    Later is er sprake van een faillissement. In de hoofdstukken daarna gaat het over zijn stukgelopen relatie en hoe hij stiekem verliefd wordt. Hij ontmoet een vrouw die hem beter lijkt te begrijpen. Maar na de scheiding raakt Martin de kinderen kwijt. Een zoon belandt bij jeugdzorg. De echtscheiding wordt een vechtscheiding. Een hervonden vriend praat met Martins dochter, de vriend wordt door Koots ex-vrouw beschuldigd van misbruik. Nu is het aan Martin om niet te twijfelen aan de waarheid. Dit is een sterk moment in het boek. Zijn vriend heeft Koots dochter helemaal niet misbruikt.

    Hoe trauma doorwerkt

    Koots verhaal zoekt om verteld te worden, vraagt wanhopig om te ankeren. Het is aardig hoe Koot de werking van het systeem in de sociale sector en de hulpverlening hier en daar aanstipt, al doet hij dat soms wel oppervlakkig. Hij toont hoe foute patronen en trauma’s kunnen doorwerken in een mensenleven. Tenslotte is het niet onbelangrijk dat hij ook eens de kant van een man en vader laat horen in een vechtscheiding. Daarin worden mannen en vaders immers snel buitenstaanders, losgescheurd van hun kinderen. Als jongeling werd Koot al eens losgescheurd van het kind in zichzelf door iemand die hem misbruikte.

    Het verhaal van Koot wordt echter weleens een opeenhoping van alles wat de schrijver heeft meegemaakt, zodat de rode draad verloren gaat. De auteur verliest het overzicht in plaats van zijn ervaringen te verwerken tot een literair geheel met vormbeheersing en scherpte. Hij heeft alles wat hem is overkomen willen verbinden en dat doet soms naïef aan. Voor een transformatie naar literatuur is meer nodig dan je waargebeurde verhaal te uiten. De rode draad ligt af en toe even bloot maar vaak weet je niet waar het naartoe moet. Stilistisch is Koot niet altijd sterk. Gedachten worden niet altijd volgehouden. Op andere momenten ontsnapt er dan weer iets kras’ uit de pen van Koot. Die essentie laat hij helaas af en toe ondersneeuwen, alsof hij nog steeds bang is om conflicten uit te diepen. Boreling gaat soms niet verder dan een getuigenis, krijgt weleens het niveau van een weekendfilm en wordt dan wat vormeloos.

     

     

     

  • Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Ruim een half jaar voor de Russische inval in Oekraïne namen schrijver Jonathan Littell en Antoine d’Agata in Kiev de metro naar Babi Jar, de plek waar in de Tweede Wereldoorlog rond de honderdduizend slachtoffers door de nazi’s zijn vermoord. Zij deden onderzoek voor een boek, geïllustreerd met zwart-wit foto’s. Als de Russen  Oekraïne binnenvallen is het manuscript af, maar door de gruwelijke werkelijkheid achterhaald. Littell begint opnieuw, vanuit ‘een heel ander perspectief’. Het vorig jaar verschenen boek is onlangs uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek, die meerdere boeken van Littell heeft vertaald.
    Jonathan Littell schreef eerder een boek over de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa. De roman Les Bienveillantes (De Welwillenden) (2008) kreeg onder meer de Prix Goncourt. Een ongemakkelijke plek is geen roman, maar een duizelingwekkend boek samengesteld uit 222 genummerde, caleidoscopische prozateksten en zo’n tachtig indrukwekkende zwart-wit foto’s.

    Plattegrond van slachtingen

    Jonathan Littell ging met fotograaf Antoine d’Agata op zoek naar de overblijfselen van Babi Jar. Kort na het bloedbad in september 1941, toen in twee dagen tijd meer dan 33.000 joden werden gefusilleerd, lieten de nazi’s de lijken met zand bedekken door Sovjet gevangenen. In het boek staat een foto die er indertijd van is gemaakt. En twee jaar later, vlak voor de komst van het Rode Leger, werden gevangenen uit het nabijgelegen concentratiekamp Syrets gedwongen de overblijfselen van de slachtoffers op te graven en te verbranden. ‘De Sovjetmacht zette het karwei voort en bracht het tot een einde. In 1950 besloot een commissie tot een volledige nivellering van Babi Jar.’ Daarna ging het dichtgooien van de ravijnen door. ‘De herinnering aan Babi Jar ligt ondergronds, net als de resten van de lichamen.’

    Littell somt een lijst van monumenten op die tegenwoordig op de plek van Babi Yar staan. Daterend van 1976 tot 2022, daarna is de bouw van nieuwe monumenten stilgelegd door de inval van Rusland. ‘Een warboel van monumenten’, noemt Littell het. ‘De herinnering aan Babi Jar (blijkt) volledig gefragmenteerd, als een caleidoscoop waarin iedereen zijn of haar eigen doden waarneemt.’ Littell beschrijft hoe ze door de omgeving wandelen, ze bezoeken de pope van een kerk, ontmoeten wat pubers in een bos en bezoeken een psychiatrisch ziekenhuis met bijbehorend mortuarium en kerk. De teksten vormen geen doorlopend verhaal, maar springen heen en weer.
    Littell en D’Agata bezoeken Boetsja aan de hand van een plattegrond van de slachtingen uit de New York Times van 11 april 2022. Het resultaat is zo’n vijftig pagina’s van hun eigen onderzoek op die plekken, gesprekken van ooggetuigen als een soort ‘evidence-based journalism’ of ‘oral history’. De gruwelijke verhalen zijn per huisnummer in de Vokzalna- en Iabloenskastraat opgeschreven. De slachtoffers zijn maar een deel van de ruim 600 vermoorde inwoners. Het verschil tussen Babi Jar en Boetsja is volgens Littell dat in Boetsja ‘de hele stad was getransformeerd tot lijkenhuis.’

    Systeem van strategisch geweld

    Na Boetsja ‘zoomen ze uit’ en bezoeken het dorpje Motyzjyn, waar dominee Oleh Bondarenko de leiding had over een centrum voor alcohol- en drugsverslaafden. Hij werd gemarteld door Russische troepen omdat ze door een misverstand bij de Russische militaire inlichtingendienst dachten dat hij wist waar Oekraïense commando’s zich verborgen hielden. Een actie die  deel uitmaakt van het systeem van strategisch geweld om tegenstanders uit te schakelen. De Russische soldaten kregen opdracht ‘niemand gevangen te nemen maar ze meteen neer te schieten’ en ‘het maakt niet uit of het burgers zijn of niet, schiet iedereen dood.’ Het geweld door de Russen in de bevrijde Oekraïense steden was volgens Littell gebaseerd op deze logica.

    De inwoners van Boetsja geven de schuld van deze wreedheden aan de Boerjaten, een berooide Siberische bevolkingsgroepen die zijn gerekruteerd voor de brigade in de Kiev regio en uit klassenrancune hun woede zouden uiten. Een Russische soldaat vertelt aan zijn moeder in een telefoongesprek: ‘Niet te geloven! Ze hebben hier warm water, wc-potten van porselein.’
    Op een muur in de buurt van Kiev staat een Russische grafitto: ‘Wie heeft jullie toestemming gegeven het er zo goed van te nemen?’ Duizenden computers, televisies, fietsen en huishoudelijke apparaten werden in vrachtwagens van het leger getransporteerd naar Belarus en vervolgens naar Rusland. Bij de plunderingen en andere wreedheden wordt Littell bevangen door een ‘een zwart gat in zijn denken’, maar ook weet hij, ‘het zijn normale mensen die dit hebben gedaan.’ Om te kunnen bevatten wat er is gebeurd, leest en citeert hij John Steinbeck en Paul Celan die over de Tweede Wereldoorlog schreven.

    In het fragment ‘Geschiedenisles’ laat Littell zien dat eind 19e eeuw iedere Oekraïenstalige publicatie in het Russische rijk al was verboden. En Poetin hield drie dagen voor de inval een tv-toespraak waarin hij beweerde: ‘Oekraïne is niet gewoon een aangrenzend land, het is een onvervreemdbaar deel van onze eigen geschiedenis, cultuur en spirituele ruimte.’ Ook noemde hij ‘denazificering’ als doel van zijn ‘speciale operatie’. Littell haalt hier de woorden aan van historicus Timothy Snyder: ‘In het denken van Poetin  en zijn regime is een nazi een Oekraïener die weigert toe te geven dat hij een Rus is.’

    Tweede Wereldoorlog en de huidige oorlog

    Bij ‘Nr 134’ staat weer een korte tekst:’We waren nog niet klaar met Babi Jar, we moesten opnieuw. Niet alles kan in één dag.’ In 2002 was Littell hier al geweest voor een ander boek en hij ontmoette Roevin Sjteyn, een overlevende van Babi Jar. Sjteyn is intussen overleden, maar zijn verhaal is te zien in een film in het Spielberg Project van de Shoah Foundation. Als vijftienjarige wist hij te ontsnappen aan zijn groep door een buis in te glippen die onder de weg doorgaat. Door dat verhaal komen Littell en D’Agata terecht bij een restant van een Joodse begraafplaats en Mortuarium nr 1, de hoofdvestiging voor gerechtelijke-geneeskundige expertise van de stad Kiev. Na de inval van Rusland zat de kelder vol mensen met langs de muren opgestapelde lijken. Na een lijkenruil met Rusland kwamen er 120 lijken binnen van de Azovstalfabriek die geïdentificeerd moesten worden. Hier lopen de verhalen van de Tweede wereldoorlog en de huidige weer door elkaar.

    In de laatste prozastukken veel verhalen over bijvoorbeeld Russisch en Oekraïens antisemitisme. Over de OOeN (Organisatie van Oekraïense Nationalisten), een ‘racistische, antisemitische en weldra fascistoïde groep’ schrijft Littel. De OOeN wilde weliswaar een onafhankelijk Oekraïne, maar voerden pogroms uit tegen de Joden waarbij zo’n twintigduizend slachtoffers vielen. Verhalen over Olena Teliha, een bekende dichteres die een vurig bewonderaar van Mussolini en Hitler was, over een andere nationalistengroep, de Oekrajinska Povstanska Armia (OePA) die in Volhynië tussen de veertig- en zestigduizend Polen heeft vermoord en in Galicië nog eens vijfentwintigduizend. Over Stepan Bandera, één van de leiders van de OePA (Oekraïense Opstandelingenleger 1942-1956), wordt in Oekraïne nog steeds een cultus gewijd. Veel Oekraïeners kennen de geschiedenis van Bandera en zijn organisatie slecht. Littell ontmoette voormalig ultra-nationalist Dmytro Reznitsjenko voor de Russische inval. Reznitsjenko vertelt over zijn bizarre ervaringen vanaf de Oranje revolutie (2004) met nationalistische groeperingen, maar heeft uiteindelijk ‘de progressieve waarden erkend’.

    Littell sprak ook met een priester van een buurtkerk die hem vertelde dat het zelfmoordcijfer in de wijk het hoogste in de stad is. Hij denkt dat het komt doordat de tragedie van Babi Jar niet is verwerkt. ‘We dachten niet dat er een oorlog zou komen… de landen van de Sovjet-Unie zijn niet door een fase van berouw gegaan. En dus moest het vroeg of laat tot een uitbarsting komen.’ Op het laatst geeft Littell aan de hand van wandelingen in de omgeving een beeld van het ravijnengebied van Babi Jar en schrijft als een variant op een de werken van Heraclites, over de betonnen afvoerbuizen die door de gemeente zijn geplaatst om het water onder controle te houden: ‘De afvoerbuizen bestaan nog steeds, de beek van Babi Jar stroomt nog steeds: het is nooit hetzelfde water , maar nog altijd dezelfde beek’.

  • Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Kees van Domselaar (1954) publiceerde onlangs zijn vierde bundel, Fabrieksinstellingen. Eerder verschenen van hem Postfris (2005), Een vrouw op het Zuiden (2009) en De stille fanfare (2019). Domselaar groeide op in Zeist en woont er nog steeds. Het deftige dorp en de omgeving vormen het landschap van zijn ziel. Het motto van Fabrieksinstellingen is een citaat uit het werk van J.C. Bloem: ‘Ten einde is dit wellicht nog ’t meest: / te kunnen zeggen: het is even / tussen twee stilten luid geweest.’ Waarbij de afbeelding op de voorkant van de bundel – van een geluidsfrequentie, door Steven van der Gaauw – beginnend en eindigend met nul, mooi aansluit.

    Van Domselaar staat als dichter in de klassieke traditie van Bloem en Nijhoff en zijn werk doet denken aan dat van Herzberg en Kopland. Hij schrijft geen ingewikkelde, abstracte gedichten, maar neemt concrete gebeurtenissen en herinneringen, voorwerpen en plaatsen en mensen als uitgangspunt. Zijn werk wordt gekenmerkt door een besef dat alles vergankelijk en niets blijvend is. IJdelheid der ijdelheden, zou de Prediker zeggen. En de dood blijkt nooit ver weg, zoals in een gedicht uit zijn eerste bundel Postfris. Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt / die de dag breekt en de hoop een slappe hand is / en het luistert niet meer nauw’.

    Spel en werkelijkheid

    Wat in zijn leven tot voor enkele jaren terug een spel was, over alles wat een mens kon overkomen of werd waargenomen bij familieleden of vrienden, is in de nieuwe bundel Fabrieksinstellingen realiteit voor de dichter geworden. En is ‘Luistert niet meer nauw’ – ‘niets luistert meer’ geworden. In het voorjaar van 2023 werd Van Domselaar ernstig ziek en dicht hierover. ‘Hoe het geheel / buiten je om gebeurt / wat je lichaam bekokstooft’. In deze situatie maakte de dichter haast met het schrijven van de bundel die hij onder handen had. Deze gedichten zijn, om het zo maar eens te zeggen – positieve bijwerkingen, een zegen – van de ziekte. Vandaar de titel ‘Bijwerkingen’ van de eerste sectie gedichten in deze bundel. In zijn gedichten kan de dichter overleven. ‘voortvluchtig als we zijn waren we vergeten / waar we woonden / behalve dan / in het gedicht’.

    In het eerste gedicht maakt de dichter meteen duidelijk waar de bundel over gaat en staat de titel al genoemd. Een man ‘van top tot teen met tijd besmet’ die de ‘voortgang van zijn dagen uitziekt’ staat voor het raam. Hij ziet zichzelf weerkaatst en maakt de balans op van zijn bestaan. De laatste strofe: ‘Verlaat mij niet, zei hij, staande / voor zijn spiegel en keek zijn profiel / voor altijd aan, terug, zei hij, zie hier dan / de fabrieksinstellingen van mijn bestaan.’

    Fabrieksinstellingen is een woord uit een gebruiksaanwijzing. Als een apparaat het niet meer doet, bestaat de optie om het via die instellingen te resetten. De zieke man in Van Domselaars gedichten probeert uit noodzaak zijn leven in fabrieksinstellingen te plaatsen, een romantisch terug naar het begin. Wat voor een apparaat mogelijk is, is dat voor een mens niet, maar wel voor een dichter. Ieder gedicht is een nieuw begin waarin het leven een nieuwe vorm krijgt. Ieder gedicht is een terugkeer naar hoe het begon en wat van betekenis was, naar de kern. Wat voor de dichter de kern is, blijkt uit zijn gedichten. Die gaan over zijn geliefden, zijn ouders, zijn (kinds)kinderen, zijn vrienden, de muziek die hij luisterde, de poëzie die hij las, de omgeving van het dorp Zeist waar hij opgroeide en de taaltraditie waarin hij werd opgevoed. Die van de Statenvertaling, van Johannes de Heer en van de psalmen, die hem beelden verstrekte voor wat hij dacht, voelde en beleefde. Hij kan en wil die taal niet verloochenen in zijn gedichten al spot hij er anderzijds ook volop mee. Die christelijke taaltraditie is voor hem een rijk bezit zoals blijkt in ‘Hoog Beek en Royen’, dat sterke herinnert aan het werk van Rutger Kopland.

    ‘Al wandelend onder de oude bomen
    van het landgoed Hoog Beek en Royen
    bespraken we de eeuwige gang van zaken
    terwijl er iets ruischte langs de wolken

    we droegen rugzakjes met oude verhalen
    verzamelden restjes van een bezield verband
    hoorden in de verte een orgel vol hele noten
    en zongen balorig een lied van genade’
    (…)

    Relativering van een dichter

    De bundel bevat enkele gedichten over zijn familie, zijn ouders, zijn vrouw en (kinds)kinderen. Het gedicht ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige spreekt over het toevallige en achteloze van het bestaan van een mens. ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige / en volop deelgenomen aan de tijd / angst, plezier, verdriet, geluk en woede / en lang geleden liefde, die hem spijt’. Van Domselaar spot ook met zijn familie. Zijn moeder waarschuwde hem ooit dat hij zichzelf nog wel eens tegen zou komen als hij zo door zou gaan. Hij schrijft hierover, ‘Je komt jezelf / nog weleens tegen / zei mijn moeder / lang geleden / in een boze bui // vandaag was het zover.’ De vader komt in de bundel voor als de man die aan tafel bidt in een gedicht waarin de leraar in Van Domselaar om de hoek komt kijken en hij de verleden tijd ‘geschiedde’ en de aanvoegende wijs ‘geschiede’ naast elkaar gebruikt.

    ‘Uw wil geschiede
    gelijk in de hemel
    alzoo ook op de aarde

    ik was een kind
    aan tafel en wist niet
    wat het betekende

    maar zo mooi klonk het
    uit de mond van mijn vader
    dag in, dag uit, na het eten

    voorbij en leeg geworden
    die oude woorden
    Uw wil geschiedde.

    Hoe urgent zijn levenssituatie tijdens het schrijven van deze gedichten ook was, Van Domselaar kan ook dan nog relativeren. ‘Nooit is er zekerheid / wat er precies gebeurt / zelden sterft een mens / tijdens zijn diagnose’.

    Ontroering en vertedering

    In de tweede sectie gedichten, ‘Twaalf intieme gesprekken uit de nalatenschap van Jeroen Dageraath’, is Van Domselaar ronduit geestig. Jeroen Dageraath is een pseudoniem van de dichter uit vroeger tijden. De gedichten gaan over een merel-echtpaartje dat op een tak zit. De vrouwtjesmerel is nuchter en praktisch, het mannetje doet allerlei quasifilosofische uitspraken die door het vrouwtje gerelativeerd worden. De lol die de dichter bij het schrijven ervan moet hebben gehad, spat ervan af. Ontroering en vertedering vechten om voorrang. ‘Heb je wel gehoord / vroeg de merel aan zijn vrouw / hoe mooi ik gisteravond floot? // ach lieverd, zei zijn vrouw / het geeft niet / maar juist als je fluit / hoor ik / dat je ouder wordt.’

    De bundel sluit af met een serie luchthartige gedichten met grote levensthema’s geformuleerd in een heldere en directe taal. Zijn vakmanschap bewaart de gedichten voor al te oppervlakkige sentimentaliteit. In zijn werk breekt ook af en toe een glimp van hoop door, naast het ‘basso continuo’ van de dood.

    ‘We moesten maar niet denken
    aan de dood
    dat kon altijd nog

    we moesten maar denken
    aan groeien en bloeien
    en aan de kleinkinderen
    en aan al het leven
    dat nog kwam

    aan al die foto’s
    en filmpjes
    die nog moesten.’

    In Fabrieksinstellingen toont Domselaar zich, in de woorden van de dichter K. Michel, ‘Naakt als de stenen’.

  • Als een lichtflits op het water

    Walvistij, de debuutroman van de Engelse auteur Elizabeth O’Conner, speelt zich af in 1938. Manod is een slimme, jonge vrouw die met haar vader en zusje op een eilandje voor de kust van Zuid-Wales woont. Ze heeft op school meer opgestoken dan de meeste andere eilanders. Als één van de weinigen spreekt ze Engels en fantaseert ze over een studie op het vasteland. Een droom waarin weinigen haar steunen. Zelfs haar vader niet.
    Manod is achttien jaar en net van school af als ze er alleen voorstaat en niet zo goed weet hoe het verder moet. ‘Ik wist dat de meeste meisjes aan hun moeder vroegen wat ze moesten gaan doen als ze van school af waren, wat ze met mannen moesten doen, maar ik had geen moeder om dat aan te vragen. Bij elke beslissing die ik nam had ik het gevoel dat ik een vis probeerde te vangen die pas bestond als ik hem gevangen had.’

    Als twee antropologen van het vasteland het eiland aandoen om de plaatselijke gebruiken te onderzoeken, lijkt het tij te keren. Manod gaat voor ze werken. Ze vertaalt liedjes, tolkt bij gesprekken en geeft uitleg over de gebruiken en legendes van het eiland. Als de vriendschap tussen Manod en Joan en Edward lijkt te groeien, denkt en praat ze er steeds openlijker over om het eiland te verlaten en te gaan studeren. Maar net als de walvissen uit een oude eilandlegende lijkt ook haar hoop op een ander leven sneller dan snel uit beeld te verdwijnen. 

    Walvislegendes en botsende waarden

    In de oude eilandlegendes verbeelden walvissen verdronken dochters die voor even zijn teruggekeerd, verloren dochters ‘die soms aan de oppervlakte kwamen, maar altijd weer in de diepte verdwenen’. Dus toen er een walvis aanspoelde op het eiland was dat tegelijkertijd de thuiskomst van een vertrouwd familielid én een nakend verlies. Een verlies dat de walvis ook Manod zou laten voelen, alhoewel het bij haar niet het verlies van een dochter betrof, maar van haar moeder.

    Voordat dat verlies zich echter aandient schetst O’Conner een schril contrast tussen botsende waarden. Een contrast dat teruggaat op de werkelijkheid. Want alhoewel Walvistij zich op een fictief eiland afspeelt, zijn de gebeurtenissen die O’Conner beschrijft gebaseerd op de recente geschiedenis van kleine Brits-Ierse eilanden, waar leegloop regel was en waar vastelanders veelal karikaturaal over dachten.

    Zo ook Joan en Edward. Ondanks hun gewichtig aandoend onderzoek, vinden zij het eiland vooral amusant en charmant. Het gaat hun niet zozeer om hoe het echte eilandleven is, maar om hun eigen idee erover. Zo vragen ze een visser bijvoorbeeld om het water in te gaan terwijl geen eilander dat ooit zou doen. Niemand op het eiland kan immers zwemmen. Het is één van de vele beelden die verraden dat de antropologen en bewoners een totaal verschillende blik op het leven op het eiland hebben. Manod realiseert zich dat ook ‘met een steek in haar borst’ als ze de studie-aantekeningen leest. Ze herkent de eilanders niet waarover Joan schrijft.  

    Gestrande walvis

    Het verschil tussen het Engelse en het eiland-denken komt het meest pregnant naar voren in de omgang met de gestrande walvis. Waar eilanders de walvis bij de eerste tekenen van verrotting als een overleden familielid met bloemen sieren en vereren, hebben vastelanders het vooral over de gebruikswaarde. En terwijl de Engelsen olie en blubber van de rottende walvis als brandstof afvoeren, en organen en huid als hondenvoer en kunstmest, ontfermen de eilanders zich liefdevol over het achtergelaten skelet. Die stoffelijke resten van de walvis bieden de eilanders troost. Zo ook Manod, die terwijl haar hart bloedt, in de schedel van de walvis een herinnering aan vroeger vindt. En er vertrouwen uit put voor de toekomst.

    Walvistij is een knap gestileerd boek over een zoekende maar zelfbewuste jonge vrouw. De beknopte stijl verraadt O’Conner’s ervaring met het korte verhaal, waar ze er al vele van schreef. Ze won er in 2020 de White Review Short Story Prize mee. Walvistij is haar debuutroman, waarmee ze laat zien ook het langere verhaal aan te kunnen. Een verhaal waarin Manod weliswaar de hoofdpersoon is, maar de hoofdrol is voorbehouden aan het eiland zelf. Een eiland dat, als alle mensen als walvissen in de diepte zijn verdwenen, pas volledig zichzelf zal zijn, ‘als een lichtflits op het water’.

     

     

  • Fietsen langs taalfossielen

    Het is een aandoenlijk tafereel dat Philip Dröge beschrijft in één van de laatste hoofdstukken van De Tawl. Hij staat bij het graf van de Amerikaan John Storms in het dorpje Pascack. Deze John overleed op 8 april 1962; je zou kunnen zeggen dat het tevens de sterfdag van een taal was, omdat hij de laatste spreker van het oorspronkelijke Nederlands was in Amerika. Wat het nog dramatischer maakt is dat de sterfdag van dit Neder-Amerikaans eigenlijk al dertien jaar eerder lag. John en zijn broer James gebruikten namelijk als laatsten hun oude taal nog, en dus alleen onderling. Maar James was in 1949 al gestorven. John had toen niemand meer die hem in die taal verstond; zelfs zijn vrouw niet, want zij sprak die niet.

    De Tawl heet het residu van de taal die in 1642 aanmeerde, samen met de eerste Nederlandse kolonisten, aan weerszijden van wat later de rivier de Hudson zou gaan heten en waar de vesting Nieuw-Amsterdam werd gesticht. De Tawl is ook de titel van de afgelopen september met de Taalboekenprijs bekroonde speurtocht naar restanten van die oorspronkelijke taal, ‘taalfossielen’ noemt auteur Dröge ze zelfs een keer wat oneerbiedig.

    Het boek is een mengeling van een road trip per fiets door een deel van New Jersey en een onderzoek via gesprekken en archiefstudies naar wat er nog van het 17de-eeuwse Nederlands is terug te vinden. De fietstocht, soms over de vluchtstrook langs autowegen of lastige hellingen, wordt daarmee een metafoor voor de moeizame, maar zeer meeslepende naspeuringen. De beschrijving van de teloorgang van een inmiddels verdwenen taal is bij Dröge in goede handen. Hij schreef eerder al eens een boeiende geschiedenis van een verdwenen land, het ministaatje Moresnet.

    Van Buren

    Iedereen heeft wel eens gehoord dat er tal van plaatsnamen zijn in New Jersey die aan de eerste Nederlanders herinneren. Brooklyn en Harlem (naar Breukelen en Haarlem) zijn de bekendste maar er zijn er meer. Dröge speurt echter vooral naar Nederlandse restanten in de geleidelijk door het Engels vervangen taal en legt bloot hoe dat oorspronkelijke Nederlands in de loop van drie eeuwen volkomen verdween.
    Minder mensen zullen weten dat het woordje OK (okay) voor ‘goed’ een Nederlandse connectie heeft. Dat heeft te maken met de enige president die Amerika heeft gehad die naast Engels ook Nederlands sprak. We hebben het dan over de achtste president (van 1837-1841) Martin van Buren. Hij was een nazaat van ene Maessen die in 1631 in Amerika aanlandde maar daar de naam Van Buren aannam naar zijn Gelderse geboorteplaats. De president woonde in het plaatsje Old Kinderhook (het zal de naam te danken hebben gehad aan het grote aantal kinderen dat het ooit bevolkte). De presidentskandidaat kreeg de bijnaam ‘Old Kinderhook’, afgekort tot ‘OK’, waarvan hij zelf een soort strijdkreet maakte: ‘OK is dik in orde’.

    Van Loon

    Opvallend is dat in de VS de belangstelling voor de Tawl opkwam toen hij vrijwel niet meer gesproken werd: ‘De Verenigde Staten hebben alle gebruikelijke kinderziektes doorgemaakt en gaan vanaf 1900 als ontluikende wereldmacht omkijken’, schrijft Dröge. Tot die introspectie hoorde ook de ontdekking van verdrongen minderheden en verdwenen of verdwijnende talen, zoals wat dan het ‘Jersey Dutch’ wordt genoemd. Het levert een detectiveachtig verhaal op dat Dröge als een thriller serveert over de taalonderzoeker Lawrence Gwyn van Loon (1903-1985) die er prat op gaat dat hij allerlei historische documenten die opgesteld zijn in de Tawl heeft ontdekt. Hij beweert zelfs dat hij zelf de Tawl nog spreekt. Wat hij boven tafel krijgt is te curieus om waar te kunnen zijn, maar zijn vondsten kunnen niet worden weerlegd. Tot de linguïst Charles Gehring – Dröge spreekt hem zeer uitvoerig – een frappante ontdekking doet. Alleen deze verwikkeling al maakt De Tawl tot een boek dat een veel breder publiek dan geïnteresseerden in taal boeiende leesuren verschaft.

    Aan het eind is er nog de vraag: waarom heeft dat 17de -eeuwse Nederlands niet overleefd? Waarschijnlijk ligt het antwoord, zo concludeert Gehring tegenover Dröge, in de aard van de Nederlanders die zich vestigden in Amerika. Ze waren te individualistisch: ‘Ze stelden zich niet op als groep met een gesloten taal en cultuur, maar ze gingen als eenlingen op zoek naar succes in nieuwe Amerikaanse maatschappij. Ze wilden hun dromen najagen. Daar hoorde bij dat ze Engels gingen spreken’.

     

  • Lees het of leg het weg

    Bijna driekwart van alle Nederlandse vrouwen wordt ooit slachtoffer van seksuele intimidatie. Dit blijkt uit onderzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ook staat er dat seksueel geweld binnen huiselijke kring het meest voorkomt. Geen gezellige data. De één vraagt zich af hoe dit in ’s hemelsnaam kan, de ander verbaast het allang niet meer. De één een gemiddelde man, de ander massa’s Nederlandse vrouwen, onder wie Alma Mathijsen. Zij schreef Onderland, een roman over traumaverwerking na seksueel misbruik. Hiervoor sprak ze daadwerkelijk met negen andere slachtoffers en ontdekte hoe elk heeft leren omgaan met een pijnlijk verleden. ’Ze zijn vreselijk gul geweest. Zij hebben me alles gegeven, hun levens en hun gereedschappen, zonder hen was ik ten onder gegaan in alle mogelijke werelden,’ zegt hoofdpersoon Harper over haar medeslachtoffers.

    Ongemak

    Onderland is geen lekkere lectuur. Het bevat kunstgrepen die afstotend werken, maar gaandeweg wordt duidelijk dat Mathijsen dit bewust doet. Lezen over trauma hoort namelijk geen plezierige ervaring of een traktatie te zijn. Geldt dat immers niet ook voor praten en schrijven over trauma? Het helpt niet, het heelt niet, het behaagt al helemaal niet. Mathijsen laat geen ruimte voor relativering en luchtigheid. Trauma is een eeuwig etterende wond, humor een handvol zout dat je er niet in moet wrijven. Niet-misbruikten kunnen er beter hun empathie mee op smaak brengen.

    Geen moment pleaset Mathijsen. Ook qua tempo en souplesse zet ze de lezer flink aan het werk: ze vertelt nu eens traag en stroef, dan weer gehaast en associatief. Een koortsdroom die nuchter beschouwd nergens op slaat en geen samenhang vertoont. Onbegrijpelijk, kortom, voor wie nooit misbruik meegemaakt heeft. Bovendien vult Mathijsen haar roman met groteske afbeeldingen die de gruwel nog eens benadrukken. Dan is literatuur maar een keer geen lolletje of een esthetische hobby, maar een onverteerbare brok stinkende waarheid… de statistieken geven Mathijsen gelijk.

    Trauma om te lachen

    ’Een druppel bloed rolt over de binnenkant van mijn been het doucheputje in,’ begint hoofdpersoon Harper. Terug in bed herbeleeft ze haar verkrachting. Ze zakt door haar matras heen en landt op de zachtste bodem die ze ooit zal bereiken, Onderland: ’Hier durven we de gruwelijkheden van vroeger recht aan te kijken, alle monsters leven samen met hun prooi, niemand is meer bang voor wat ons is overkomen. De mensen die gebroken zijn, die zelf van brokstukken, huid en bloed een nieuwe persoon moesten bouwen, hebben zich verzameld in een land dat verborgen blijft voor ieder die niet hetzelfde heeft meegemaakt. (…) Ik ben hier en ga nooit meer weg.’ Want terug naar Bovenland, waar ze de niet-misbruikten telkens weer moet uitleggen hoe misbruik vóélt, wil Harper niet. Ze doorleeft, vecht terug en barst.

    Zoals mensen soms kunnen huilen van geluk, zo kunnen ze ook lachen van woede en verdriet. Harper doorleeft haar trauma opnieuw en slaat haar verkrachter uit het verleden van zich af. Met lotgenoot Mieke ontsteekt ze in een sardonische lach, die echter weinig met humor te maken heeft: ‘Ik flapte mijn polsen wild heen en weer om hem na te doen en barstte nog harder uit elkaar. Nu was Mieke helemaal mee. We gierden. Ik geloof niet dat twee mensen, in de bovenwereld en in dit land, ooit eerder zo hard om een verkrachting hadden gelachen. Ik rolde.’ Eenmaal tot bedaren voelt Harper zich uitgeput als na een huilbui: ‘“Ik ben doodmoe’’, zei ik en woog elk woord, “doodmoe, en niet bang.’’’

    Herstel nou maar

    Of het nu gaat om Teun, Texas, Mieke, Levi, Sanna of Mandy, iedereen in Onderland heeft met het eigen misbruikverleden leren leven. Niemand wil er meer weg, want in Bovenland – de wereld die hun het misbruik aandeed – stuiten ze op onbegrip en afstand. Buitenstaanders verwachten daar dat slachtoffers met een quick fix over hun pijn heen groeien. Gewoon een paar keer met een professional sparren en weer lekker meedraaien in het systeem. Mieke zegt hierover tegen Harper: ‘Soms ben ik bang dat al die therapie vooral daders ten goede komt. (…) Dat mannen vrolijk door kunnen gaan met kinderen verkrachten. Het kan toch allemaal weggehaald worden. Paf! Opgelost.’ En die ‘oplossing’ steekt zelfs in het veilige Onderland de kop op.

    Er paradeert een knuffelploeg door de omgeving, ook op zoek naar Harper: ‘Het had een ritme. Ik herkende het ergens van. Gesynchroniseerde voetstappen, gepaard met gesynchroniseerde mannenstemmen op lage toon. (…) ”Hé, het is oké!” Hun voetstappen kwamen dichterbij. Het soppende geluid dat alleen legerkisten voortbrengen. “‘Zit je ergens mee? Praat erover! Laat ons doen waar we het beste in zijn. Wij staan altijd voor je klaar.”’ Harper wil geen therapie: ’Ik wilde bij de anderen blijven, de mensen die ik niets hoefde uit te leggen, de lieverds. Waar niemand ooit zou zeggen: ik kan het me zo goed voorstellen.’ Precies die lege claim – ik kan het me zo goed voorstellen – stelt Mathijsen ter discussie.

    Onvoorstelbaar

    De auteur maakt identificatie met haast ieder personage uit Onderland onmogelijk. Bewust, want je inleven in een slachtoffer van seksueel misbruik, dat gáát niet. Niet echt. Ook niet als je denkt over buitengewoon veel fantasie te beschikken. De personages spreken regelmatig in raadsels over wat ze is overkomen en de omgevingen binnen Onderland veranderen sneller van gedaante dan in de wildste dromen. Er is zelfs een eufemismetuin vol bloemen, die stuk voor stuk misbruik bagatelliseren. Dan beginnen ze vanuit hun ‘genuanceerde midden’ Harper uit te schelden: ‘“Hoe moet ik je dan noemen? #MeToo-miepje? Is dat beter? #MeToo-aanjaagster? Verspreider van vage beschuldigingen van veertig jaar geleden die kant noch wal raken?’’ Ineens wist ik wat ik moest doen. “Ik kan jullie plukken.” Alle bloemen waren meteen stil. “Ik kan jullie allemaal een voor een plukken.” Ze bewogen niet meer.’

    In Onderland zijn deze boze stemmen wat lullige chrysantjes die je met wortel en al uit de grond rukt. In Bovenland, de ‘echte’ wereld, zijn ze dominante stemmen die nog altijd de definitie van misbruik bepalen. Het is te hopen dat deze dominantie op den duur terechtkomt bij mensen als Alma Mathijsen, die met Onderland het effect van misbruik laat zien. Zonder tranentrekkerij, een geruststellende lach of een bemoedigend knikje schotelt ze het ons voor: dit is het. Lees het of leg het weg, maar zeg nooit meer dat je iemand begrijpt. Want wat je niet kunt beloven, kun je ook niet menen.

     

     

  • De hersenschimmen van een dichter

    Willem Jan Otten gebruikt in zijn nieuwe bundel Septemberzee een citaat uit het essay To Poetry van de Amerikaanse dichter en essayist Edward Hirsch. ‘Ik heb je een leven lang bemind / zonder te weten wat je bent / of hoe ik – help me alsjeblieft – je vind.’ Daarmee raakt hij aan een belangrijk thema uit Septemberzee, de ambiguïteit van onze ‘zwevende’ identiteit. Otten zoekt in zijn poëzie als een fenomenoloog naar de betekenis van zijn liefde voor beminden en vrienden, maar ook naar wie hij daarin zelf is.
    In ‘Nagekomen gericht gedicht’, over de poppenspeler en kluizenaar Jozef van den Berg formuleert hij die thematiek nog wat preciezer, ‘Er is in hem / en door hem heen gespeeld, / of moet je zeggen / dat hij met zich spelen liet’.
    Otten beseft hoezeer de taal hem beweegt, bespeelt en overmeestert. In deze versregels is hij tegelijk de dichter die blijk geeft van het ‘beyond’. Van het boven, onder, langs en voorbij aan wat wij werkelijkheid noemen. 

    Septemberzee is een verzameling van overwegend korte gedichten, alleenstaand of samengesteld en in diverse dichtvormen. Waarbij de haiku’s  verwondering oproepen. ‘Geloof je het heus – / dat ook maar één adem door / je zelf is gehaald?’ De eigentijdse ‘Rei van pas bevallen moeders’. ‘O Kerstnacht, / het is nu / het uur van / bevallen’, valt op door haar trapsgewijze notatie, op weg naar de dood en opstanding van het ‘kind’.

    Creatieve proces

    Als opmaat begint Otten met het vers ‘Tot een gestorven toneelregisseur’, opgedragen aan de overleden toneelregisseur Ger Thijs. Dit eerbetoon gaat zowel over de gestorvene als over de dichter die zich herkent in alles wat hij in de ander als waardevol ervaart. ‘Zeg precies wat er staat / en zoek de gaten in de zin.’ Pas dan kan wat er staat ontstaan, en kan er bij de lezer een eeuwigheidservaring worden gewekt. In het gedicht ‘Oevertekst’ komt de zee ons al tegemoet. En in ‘Vlinder van zee’ dwarrelt de vlinder, ‘vlak boven mij van ver voorbij’ als de geest over de wateren. Over het zeewater bereikt hij het droge.

    ‘Zelfs in de septemberzee, in dit
     onmerkbaar deinend ochtenduur,
     kon ik het niet laten, en vroeg ik
     waarom – alsof zij richting google
     dwarrelde, naar Darwins daarom,
     alsof zij niet net als geroepen kwam.’

    Het toeval van de langs dwarrelende vlinder als inspiratiemoment laat zich niet verklaren. In ‘Struik’ wentelt zich de gekromde struik met zijn aan de keerzijde krijtwitte bladeren zodanig dat de ik ‘het zwijgen, / in de wemeling van twijgen’ hoorde. Binnen ‘naast haar ademend lichaam’ hoorde de ik ‘met bonzend hart ik ben / te horen en ik word.’ In de stilte van de morgen ondervindt hij deze existentiële ervaring aan de ander van het ‘er zijn’. Dit moment van beminnen roept ‘in […] [haar] schoonheid’ zinnen in hem op. 

    Zijn adem een eeuwigheid

    Het gedicht ‘Alt’ is het begin van een fraaie en intense reeks, gewijd aan het overlijden van de vader van de dichter, de blokfluitist Kees Otten. In de herinnering leek zijn adem een eeuwigheid te duren, alsof ‘er geen adem meer in kwam’, te vergelijken met het zwijgen waartoe de man op zijn sterfbed vervalt. De herinnering aan de klanken omarmen de ik in zijn doorleving van diens sterven. De luitenbouwer krijgt nergens het ‘niets’ te zien, alleen ‘achter de snaren, onder het rozet.’ Zo weet de dichter zwijgend zich geroepen door de stem die hem roept. Op het moment dat de vader zich niet meer kon herinneren, bemerkte hij dat ‘zijn oude dag stond aan te breken’. Het ‘zelf’ had hem tot dan toe door menig dal getrokken. 

    ‘Dat zijn oude dag stond aan te breken
     bemerkte hij toen hij, ontwakende,
     zich niet meer lijfelijk herinneren kon
     wie hij gehoopt had eens te zullen zijn. 

     Waar was hij heen, de beraamde wijze
     die, bij alle graflegging en krakkemik,
     gedichten richtende, door geen opwarming
     opgejaagd, nader tot u zou zijn geraakt?

     Waar was de zelf die hem vooruit zou zijn gegaan?
     Die had hem toch door menig dal gewenkt,
     pientere gelatene, met zijn volgepeinsde brein?

     Ik ben niet mijn eigen werk, weer moest hij er aan,
     Als een jongste dag brak zo de oude aan –

    Ingevlochten religieuze betrokkenheid

    Otten vlecht in de daaropvolgende gedichten zijn religieuze betrokkenheid steeds meer in. Nu componist en dirigent Reinbert de Leeuw er niet meer is, staat hij voor een ‘muisstil / orkest van levenslang vermisten / alle maten van de leeggeschreven partituur.’ Een voltooide missie in hoorbare stilte. Op ‘Beloken Pasen’ is de jij bedroefd na de begrafenis van een beminde, als ware het Christus zelve, ‘gissend op huis / en Galilea aan gegaan.’  Ondanks de dood van Hans Holbein blijft het meesterstuk Maria Magdalena vitaal in zijn zeggingskracht: ‘buiten bereik / de poëzie van / in het graf geen lijk.’ In ‘Overgave’ spreekt de ik zijn twijfel uit over de overgave aan ‘uw wil’: ‘Van twijfel is mijn hoop verstekeling’. 

    De ik spreekt in ‘Echo van het hart’ de ‘U’, God, erop aan. Wie maakt er nu ‘zijn schepsel / tot een ontdane holte waarin niets weergalmt’. De schrik slaat hem om het hart. Nooit eerder besefte hij dat er ‘een laatste slag’ kan zijn. Het ‘faalhart’ is vastgesteld. Nu je aambeeld, je lichaam, ‘veertje onder hamer wordt, – nooit / heb jij meer de tijd gehad dan nu.’ Het euvel geeft de ik innerlijk ruimte, ‘Geef je dus mee, ga op’, nu de situatie is zoals ze is. 

    De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ vormt het kloppend hart van de bundelen en bestaat uit korte, vrije verzen. Otten zet van meet af aan in met vertrouwen. Nu een ‘stent’ in de bloedbaan moet worden geplaatst, op een proces dat voor hem overeenstemt met Christus’ verlatenheid, kruisdood en verrijzenis. ‘Wij zetten in op uw verrijzen, maar boeken eerst uw dood.’ De ik weet, zonder artsen ben je nergens. Voor even zal hij ‘in het donker fluiten’, woord voor woord en ‘met zonder mij van boord’ gaan. Wat nog te doen in de toegemeten tijd? Misschien de Rozenkapel van Matisse in Vence bezoeken, gebouwd aan het eind van zijn leven toen de schilder aan kanker leed.

    Tocht der verlatenheid

    De operatie roept bij de ik de vraag op naar de dood van God. ‘Of kan een mens / dat pas als hij van God / (die dan bestaat) aanvaardt / dat Hij hem tot en met zijn dood in leven laat?’ Dan schiet hem Psalm 46 te binnen: ‘God is ons een toevlucht en sterkte.’  Met een beetje geluk zing je ‘te Zijner tijd’ dat God met me is, ‘vrees niet’ voor het einde. De ik die altijd ‘proestende van taal’ was, ervaart onder deze omstandigheid de moeite van het vinden van dichterlijke woorden om zijn einde, zijn oorsprong te achterhalen.

    De beproeving van deze operatie herinnert aan Jezus’ verlatenheid in Getsemane. Maar waarom dit alles? God, ‘U schenkt de mensen de remedie eerst, / en daarna pas de kwaal. /[…] / Vertel mij, / Rabboeni, over de ziekte / die volgt op uw geschenk de poëzie – / is zij de pijn van niet te durven geloven in genezen?’

    Dan begint de tocht der verlatenheid: ‘Morgen wordt vanuit mijn lies de beloofde reis / aanvaard dwars door het lauwe / labyrint dat door mij stroomt’. De ik vraagt zich af of God daarbij, daarin aanwezig zal zijn. ‘Daar binnen, waar naar u de bloedlijn / afgesloten wordt, ballend speenvarkenhart, / daar in de wee met zonder mij, zult u daar bestaan.’  Daags voor de ingreep hoorde de ik nog in de Nicolaaskerk de engelen ‘hemelwaarts’ zingen. Daags na de ingreep in tranen, omringd door tongen van vuur, ervoer de ik Gods bestaan. De opkijkende vrouw in de stiltecoupé die hem niet aankijkt, vertegenwoordigt ten slotte de lezer die deze verrijzenis tot zich neemt.

    Otten kent in een postchristelijke samenleving een richtinggevende waarde toe aan spiritualiteit en religie. De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ getuigt daar op een intense en lofwaardige manier van. Zijn hersenschimmen rondom en gedurende zijn operatie tonen aan dat voor hem God niet dood is. Hij aanvaardt in Hem degene die in Christus de autoriteit is die aan het begin en einde van ons leven staat. Hij is de horizon waarop deze dichter zich in al zijn tegenstrijdige ervaringen subtiel maar onontkoombaar oriënteert.



  • Faust in een eigentijdse variant

    Goethes Faust blijft een onuitputtelijke inspiratiebron voor tal van kunstenaars. De strijd tussen goed en kwaad, het pact met de duivel en de strijd om de ziel van de mens spreken tot de verbeelding en zijn dankbare stof om mee te werken. In de toxische tijdsgeest van vandaag waarin onverdraagzaamheid en eigenbelang overal terrein aan het winnen zijn, is het af en toe nodig om na te denken over wat er werkelijk toe doet. Moet de mens niet op een andere manier naar elkaar kijken? Op een onbevangen en directe manier biedt Joris van der Geest de lezer een inkijk in de verdorven geest van onze naasten. Hij doet de lezer naar adem happen en legt hem dilemma’s voor die niet altijd eenduidig te beantwoorden zijn.

    Spanningsveld tussen man en vrouw

    Joris van der Geest is schrijver, investment banker en tantraleraar. Zijn eerste roman De oneindige marshmallow test (2019) en zijn korte verhalen in Hollands Maandblad gingen niet onopgemerkt voorbij. Met Iedereen is Faust brengt hij een roman die actueel is, blijft nazinderen en uitnodigt tot zelfreflectie.

    De eenvoudige cover van het boek intrigeert al onmiddellijk. Er is een ‘trigger warning’  waarin een aantal begrippen tegenover elkaar worden geplaatst: misogyn versus feministisch, aanranding versus Gutmensch, homofoob versus LGBTQ+ friendly. De lezer weet wat hij mag verwachten. De subtiele duivelsstaart op de achterflap is naast de titel al een serieuze knipoog naar Goethe. Van der Geest gebruikt de klassieke Fauststof, maar draait het verhaal om. In de proloog wordt een bizarre weddenschap gesloten tussen ‘man’ en ‘vrouw’ (lees: God en de duivel) en het spanningsveld tussen de beide geslachten is de premisse van het hele boek.

    Hoofpersoon Raphaël is een egocentrische, maar bloedmooie man die in de reclamewereld werkt en zich beweegt tussen de beau monde van Amsterdam. Hij neemt het ervan en beschouwt vrouwen als lust- en gebruiksobject. Nadat hij de vriendin van zijn beste vriend Vincent seksueel vernederd heeft, krijgt hij een koekje van eigen deeg. Hij wordt in de val gelokt, zelf vernederd en daarna gechanteerd. Op zoek naar loutering ontmoet hij de mysterieuze Nagissa. Na seks met haar lijkt hij gehypnotiseerd en wordt hij een echte Gutmensch die zich inzet voor alles en iedereen. Hij behandelt vrouwen met respect en moet de ultieme uitdaging aangaan in het vrouwonvriendelijke Teheran.

    Inzicht door hilariteit

    Iedereen is Faust is een roman geworden met heel veel lagen waarin de auteur in een niets verhullende en expliciete stijl de dingen durft te benoemen. Hoewel het hoofdthema consent lijkt te zijn, komt veel meer aan bod dan enkel dat. De gendergap, grensoverschrijdend gedrag, LGBTQ+ en het algemene goed versus kwaad zijn prominent aanwezig. Van der Geest schrijft ook zeer beeldend en doorspekt het geheel met heel veel humor, sarcasme en veel giftigheid. De personages zijn zeer goed uitgewerkt. Raphaël maakt een hele ontwikkeling door en moet daarvoor door het stof kruipen en doordringen tot zijn diepste zielenroerselen. Noodgedwongen gaat hij die confrontatie aan en komt hij tot inkeer. Hij wordt hierbij geholpen door de hypnose (zoals hij het zelf benoemt) van Nagissa. De vele hallucinaties die ze hem bezorgt, leiden tot revelaties die hem doen inzien wat het juiste is. De lezer moet door de onverwachte en surreële gebeurtenissen wel af en toe de wenkbrauwen fronsen, maar komt tot het besef dat ze een hoger doel dienen. De onderliggende boodschap is duidelijk: een uitnodiging om elkaar beter te leren kennen, begrijpen en respecteren ongeacht ras, geslacht, cultuur of seksuele voorkeur.

    Joris van der Geest maakt handig gebruik van het klassieke Faustverhaal, maar stopt alles in een modern jasje en vertaalt het naar de hedendaagse context van de woke- en cancelcultuur. Bijzonder daarbij is dat hij alles omdraait. Net zoals bij Goethe bestaat het verhaal uit twee delen, goed en kwaad (lees hier: hedonistisch), maar dus in de andere volgorde. Af en toe maakt de auteur ook gebruik van poëtische mijmeringen, gedichten die opeens verschijnen. Wellicht is dit een knipoog naar de engelenkoren in Goethes werk.

    Iedereen is Faust mag gerust een kind van zijn tijd genoemd worden. Tegelijkertijd toont het de lezer dat de bizarre manier waarop mensen zich gedragen en hoe ze handelen van alle tijden is. Dat maakt Van der Geest nog eens pijnlijk duidelijk in zijn eigen brutale, maar duidelijke stijl.