• Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Niet alleen Britten zijn dol op hun ‘knusse’ detectiveverhalen, die toevalligerwijze vaak rond de kerst of oud en nieuw spelen. Historische periode vaak het interbellum of de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog. Locatie meestal een lieflijk dorpje, omringd door weelderige natuur, plus een kasteel met een heuse lord. En laten we de dominee niet vergeten, in de oude pastorie naast het nog oudere kerkje. Onmisbaar zijn de rustieke winkeltjes en tearooms met de roddelende dames, de authentieke pubs met de roddelende heren. Dan is er een moord! Liefst in of nabij het kasteel, dan wel de kerk. Favoriet hierbij is een gesloten kamer (de moordenaar kon er in noch uit en toch…), verborgen gangen of trappen. En het wemelt van rode haringen.

    Steevast wordt de moord onderzocht door een excentrieke speurder die toevallig in de buurt is, of door een locale politieman die meestal slimmer is dan degenen die hij ondervraagt. Wanneer het verhaal zich ontwikkelt, blijken dikwijls personages anders te zijn dan wie wij dachten dat ze waren. Uiteindelijk is de dader iemand van wie de lezer het in het geheel niet heeft verwacht, maar door de uitleg van de slimme speurneus wordt die onmiddellijk overtuigd. 

    Steeds dezelfde misdaadformule

    Bovenstaande formule is duizenden malen gehanteerd, in boeken, toneelstukken en films. Tot de laatste categorie behoort de ondraaglijke tv-serie Midsomer Murders. Een schoolvoorbeeld. Honderdtweeënveertig afleveringen sinds 1997 en de opnames voor de tweehondervijfentwintigste zijn bezig. Kennelijk kunnen de kijkers daarvan geen genoeg krijgen of zijn ongeneeslijke masochisten. Voor hen bestaat een hele serie boekjes als Your Guide to Not Getting Murdered in a Quaint English Village, waarin de lezer zelf een moord moet oplossen. Tips hierin: kijk niet in de vijver, blijf uit het doolhof en vertrouw de dominee niet. Alleen al over Midsomer Murders verschenen twee van dit soort boekjes.

    Daarom is het hoogst interessant dat een belangrijke auteur als Jonathan Coe zich op het genre lijkt te hebben geworpen met The Proof of My InnocenceDe Nederlandse vertaling van de titel, Het bewijs van mijn onschuld, mist de dubbelzinnigheid van de originele. ‘Proof’ betekent namelijk eveneens ‘drukproef’ en die laatste vormt een belangrijk motief in het boek. Het bewijs van mijn onschuld begint met een raadselachtig tekstje van twee bladzijden over een witharige speurder in een trein die op het punt staat een medepassagier te arresteren. Wie is zij en wie is de arrestant?  Wanneer vindt dit plaats en wat is de misdaad precies? Pas daarna begint de roman met een ‘Proloog’ over Phyl, die net is afgestudeerd. 

    Vriendschap en ‘Friends’

    Ze woont bij haar ouders Andrew en Joanna in een dorpje bij Heathrow. Op dat vliegveld heeft ze een lullig baantje in een Japans fastfoodrestaurant. Haar moeder is dominee en haar vader een gepensioneerde landmeter met veel te veel boeken. Begrijpelijk dat ze zich ongelukkig voelt en zelfs dat ze als troost altijd kijkt naar de tv-serie FriendsDan komt Christopher Swann, een interessante studievriend van haar moeder op bezoek, vergezeld van zijn dochter Rashida. Een wetenschapper die al decennia de radicalisering van de Britse conservatieven volgt op zijn blog. Een aantal conservatieve sleutelfiguren hadden hij en Joanna decennia geleden al in Cambridge ontmoet, onder wie ene Roger Wagstaff. Dat vindt Phyl allemaal interessant.

    Het klikt tussen de twee dochters, ook omdat Rashida evenzeer verslaafd is aan Friends. Phyl vertrouwt haar toe dat ze ervan droomt een roman te schrijven. Ze twijfelt tussen drie genres: ‘cosy crime’, ‘dark academia’ en autofictie. Eigenlijk een gewone Coe, denkt de lezer tijdens deze ‘Proloog’, want de actuele politiek speelt weer een belangrijke rol – Liz Truss wordt premier – en dit soort personages kennen we uit eerder werk van Coe. In Deel 1 wordt het dan toch echt een ‘cosy crime’, zelfs ‘voorzien’ van een passend, beduimeld omslag. Swann is aanwezig op een congres van een conservatieve denktank in een kasteel met een echte lord (de elfde van die naam). In een liefelijk dorpje bovendien. Voor de keynote speech was Kwasi Kwarteng aangetrokken, maar die is zojuist door Truss tot minister benoemd. Hij wordt vervanger door een professor gespecialiseerd in een literaire auteur die een paar decennia geleden een eind aan zijn leven maakte, en mede door hem populair werd als een conservatieve voorloper. Swann raakt geïntrigeerd door deze schrijver Peter Cockerill en diens laatste roman, Mijn onschuld.

    De Britse koningin sterft

    Tussen de bedrijven door heersen er spanningen tussen Swann en de al genoemde Wagstaff. Het congres moet echter stoppen door een ‘Nationale Ramp’: de Britse vorstin overlijdt. Dan is er opeens een moord, plus een geheime gang en een – excentrieke – lokale inspecteur die de zaak moet oplossen: Pru Freeborne (lees de naam hardop!). Authentiek ‘dark academia’ – inclusief omslag – is Coe’s tweede deel. Brian, een studievriend van Joanna en Christopher, heeft zijn herinneringen aan die jaren geboekstaafd. Daarin is meer informatie te vinden over genoemde sleutelfiguren. Wagstaff bijvoorbeeld bleek al in 1980 te pleiten voor het afbouwen van de ‘National Health Service’ en andere publieke voorzieningen. Brian staat ook stil bij Cockerill. Met name bij diens obsessie met een zeventiende-eeuws volksliedje, dat ook al in de twee vorige delen een rol speelt. Een rode haring?

    Het genre is bekend geworden met Donna Tartts De verborgen geschiedenis (1992) en ook het Cambridge van Coe biedt de lezer statige oude zalen, bruine pubs en een heus geheim genootschap, de Processus Group. Maar bij hem is dat uiteraard politiek en met de Brexit is dit aartsreactionaire gezelschap in het centrum van de macht belandt.
    Wat zou Coe doen met autofictie, het derde deel, waarmee hij als auteur in het geheel geen ervaring heeft? Hij laat de vriendinnen Phyl en Rashida afwisselend vertellen over hun speurtocht naar het verband tussen de nieuwe moord en de oude zelfmoord. Die brengt hen achtereenvolgens bij een Londens antiquariaat, een stokoude voormalige redactrice van Cockerills uitgeverij plus een steenrijke Britse miljonair die om fiscale redenen in Monaco woon, en…de drukproef van de roman Mijn onschuld bezit. Hun autofictionele wegen kruisen die van inspecteur Freeborne, met wie ze enthousiast gaan samenwerken. 

    Politieke ontwikkelingen

    Heeft Cockerill werkelijk zelfmoord gepleegd? Het antwoord op die vraag zou het plezier voor de lezer bederven. Idem bij Coe’s ‘Epiloog’, die de recente misdaad oplost. Wel exit Liz Truss. Zelf heeft hij een cameo à la Alfred Hitchcock als een onopvallende student die nooit enig blijkt heeft gegeven van een politieke interesse, maar later als auteur van verhalen en romans ‘een bescheiden succes heeft’. Maar Het bewijs van mijn onschuld blijft, ook ondanks de soms hilarische en aanstekelijke humor, een bloedserieus boek over een tragische politieke ontwikkeling waarbij giftig ultra-conservatisme en het grote geld de macht overnemen. Terwijl de genoemde genres just druipen van de nostalgie naar de tijden dat Engeland nog gezellig was en de universiteit een bolwerk van conservatieve tradities. 

    Als illustratie van het groeiende complot verwijst Coe naar de werkelijkheid: het pamflet Brittania Unchained uit 2012. Een pamflet dat niet overal bekend is, maar alle usual suspects droegen eraan bij: onder anderen Truss, Kwarteng, Patel en Raab. Desondanks heeft Coe overduidelijk veel plezier gehad in het zich eigen maken van de verschillende genres, die hij superieur onder de knie blijkt te hebben. Wat een genoegen om te lezen!



  • Zestig jaar schrijverschap Ton van Reen

    Een rijke oogst, Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen is een kleurrijk uitgegeven vriendenboek voor de 83-jarige Limburger Van Reen. Het eerste deel behandelt leven, werk en opvattingen van Van Reen, deel twee bespreekt zijn werk in Afrika, de inspanningen voor het uitgeven van oorspronkelijk Afrikaanse literatuur en vertelt over zoon David. David zette zich ook zeer in voor de Afrikaanse zaak maar overleed tien jaar geleden op 45-jarige leeftijd. Het derde deel is met zeven hoofdstukken het omvangrijkst en bevat beschouwingen over Van Reens werk. Tien meer of minder bevriende collega’s, de meeste net als Van Reen zuiderlingen, hebben de bijdragen aan dit liber amicorum geleverd. Het resultaat is een mooi overzichtswerk voor ingewijden en een volledige en zeer gevarieerde kennismaking voor lezers die Van Reen en zijn werk (nog) niet zo goed kennen.

    In de eerste drie hoofdstukken wordt Van Reen zelf regelmatig aan het woord gelaten. Er wordt teruggeblikt op zijn zeventigjarige loopbaan en op zijn getormenteerde jeugd. De jonge schrijver houdt van verhalen (vertellen), groeit op in een Rijk Rooms leven en zijn tot dan toe vrij onbezorgde jeugd wordt op zijn tiende wreed verstoord door het overlijden van zijn vader en het feit dat zijn moeder daarna niet meer in staat is goed voor de kinderen te zorgen. De sociale cohesie in het dorp of om precies te zijn het vangnet dat sommige oplettende volwassenen om hem heen bieden legt de kiem voor zijn later zeer geëngageerde instelling. Na de basisschool had hij als oudste zoon van het gezin naar het klein-seminarie gemoeten, maar hij is al op zijn tiende van z’n geloof gevallen. Afkeer van missionarissen heeft hij niet: hij ziet ze als ‘avonturiers’ en ze maken hem nieuwsgierig naar het continent Afrika.

    Verteller en Afrikaan

    Van Reen is van jongs af aan gefascineerd door ‘verhalen’ zoals die van zijn grootmoeder, die een echte vertelster is. Hij komt uit een schrijversfamilie, is ‘geboren met de gave van vertellen’ en heeft volgens zijn moeder van Onze-Lieve-Heer twee porties taal gekregen in plaats van een portie rekenen en een portie taal. Dit blijkt overduidelijk uit het indrukwekkende oeuvre dat hij heeft opgebouwd. In 1965 debuteerde Van Reen met de poëziebundel Vogels en inmiddels heeft hij honderd titels op zijn naam staan: poëziebundels en vele volwassenen- en jeugdromans. Daarnaast hobbyden hij en zijn vrouw al vanaf 1970 met een eigen uitgeverij die in 1976 professioneel werd. Later splitste deze in een uitgeverij voor Afrikaanse titels (uitgeverij Lijster) en een voor Limburgensia en Brabantia (uitgeverij Corrie Zeelen).

    Het tweede deel van het boek beschrijft Van Reens liefde voor Afrika. Voor deze liefde lag er al een fundament door een missionaris-familielid en door de vele boeken over Afrika die hij heeft gelezen. Nadat de eigen uitgeverij vanaf de jaren ’70 titels van Afrikaanse auteurs is gaan uitgeven duurt het niet lang meer voor Van Reen zelf naar Afrika gaat. In Ethiopië en Kenia wordt hij gegrepen door de verpletterende armoede en gaat hij zich met een eigen stichting en projecten inzetten voor kansarme kinderen en betere leefomstandigheden. Van Reen ‘voelt zich Afrikaan’, zegt hij zelf. Hij kan zich erg boos maken over de kolonisatie en erfenissen daarvan, het westerse kapitalisme dat Afrika nog altijd leegzuigt, paternalisme en de vernietigende rol van de westerse religie in Afrika door de eeuwen heen. Ton van Reens zoon David wordt aangeraakt door zijn vaders betrokkenheid bij en liefde voor Afrika en hij gaat zich ook inzetten voor de stichting. Het drama van zijn ongeluk en overlijden krijgt een waardig eigen hoofdstuk in het Afrikagedeelte van het boek.

    De schrijver Ton van Reen

    In het derde deel wordt Van Reens werk besproken. Het wordt in de literaire context geplaatst, Wiel Kusters bespreekt Van Reens poëzie, en de thematiek in zijn romans wordt uitgebreid beschreven in een artikel van Rob Molin dat eerder in de essaybundel Terzijde van de vulkaan (2012) is verschenen. Ben van Melik wijdt een doorwrocht hoofdstuk aan de ‘surrealistische realist’ Van Reen en de jeugdromans krijgen aandacht in een al even overtuigend hoofdstuk geschreven door Adri Gorissen. Van Reens prozadebuut is de roman Geen oorlog die in 1966 verschijnt, volop aandacht van critici trekt en ‘heel veel deuren’ voor hem opent. Hij zit bij uitgeverij Meulenhoff en maakt even deel uit van de literaire wereld van Nederland. Hij werkt eind jaren ’60 korte tijd mee aan radioprogramma’s in Hilversum en komt bij literatuurfestivals, boekpresentaties en recepties. Van Reen voelt zich echter niet thuis in deze wereld, ze ‘was en is mijn wereld niet’, zegt hij. Hij vindt dat veel auteurs ‘alleen maar over zichzelf praten’, heeft niets met de gekkigheid van Reve die de bladen van zijn voorgelezen gedichten als propjes het publiek ingooit ‘en dat soort onzin’, en noemt zich ‘de enige Nederlandse schrijver die nooit bij Café Eijlders en Café De Zwart is geweest’.

    Het is jammer dat deze weerzin van Van Reen tegen de gevestigde literaire wereld in Nederland enkele malen verongelijkt terugkomt. ‘Grote prijzen krijg ik toch niet’, stelt Van Reen in het eerste hoofdstuk van de bundel, in gesprek met Adri Gorissen, ‘die worden verdeeld door de redacties van literaire tijdschriften en de recensenten van de grote kranten en bladen.’ De uitverkiezing voor Rijke levens (2018) tot beste katholieke roman ooit vindt hij ‘belachelijk’. ‘Ik had liever de P.C. Hooftprijs gehad, maar die krijg ik toch niet, want die wordt altijd door literaire vrienden onder elkaar verdeeld.’ Als de bundel Een rijke oogst iets laat zien is het wel de rijkdom en kwaliteit van de schrijver. Kusters noemt hem ‘primair een dichter’. Hij ‘ontwikkelt zich nog altijd’ stelt publicist Ben van Melick in zijn bijdrage over ‘de verteller’ Van Reen; ook nu zijn er alweer drie nieuwe titels in voorbereiding. En in 2003 is Ton van Reen benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw vanwege zijn verdiensten voor de Nederlandse literatuur.

    Een rijke oogst is uitgegeven in vele kleuren en rijkelijk voorzien van foto’s van de schrijver, zijn familie, Afrika en tientallen boekomslagen op glad, gesatineerd papier door de kleine, sympathieke uitgeverij In de Knipscheer. Deze is opgericht in 1976 en heeft vooral naam gemaakt als kleurrijke uitgever van multiculturele literatuur uit Suriname, de Nederlandse Antillen, Indonesië en Afrika en van de Rainbowpockets. Op haar vijftigste verjaardag op 26 maart 2026 zal In de Knipscheer helaas ophouden te bestaan.

     

  • Angst, vlucht, noodlot

    De schrijver van Native son — in het Nederlands Een van ons — is Richard Wright, een Afro-Amerikaanse schrijver en essayist die leefde van 1908 tot 1960. Zijn hoofdpersoon is Bigger Thomas, een zwarte jongen uit het Chicago van 1939, middenin de tijd van de Amerikaanse rassensegratie. Zwart en wit leefden strikt gescheiden. Afro-Amerikanen mochten alleen in voor hen bestemde treinen en bussen reizen, mochten enkel naar Zwarte scholen. Er waren gescheiden openbare toiletten, drinkwatervoorzieningen, restaurants en bedrijven. Witten beheersten de woningmarkt. Zwarten (de auteur schrijft Zwarten met een hoofdletter), mochten alleen wonen in door witten vastgestelde en afgezette woonwijken en betaalden voor dezelfde eenkamerwoning twee keer zoveel huur als witte mensen. Zwarten mochten niet stemmen, leefden onder het juk van witte wetten, werden niet geacht zelfstandig te denken en te voelen. 

    Een van ons is ingedeeld in drie boeken. Boek een heet Angst. Bigger Thomas woont met zijn moeder, zusje en broertje in zo’n wijk waar mensen nauwelijks werk en geld hebben en voelt zich totaal onmachtig om iets aan zijn situatie te veranderen. Zijn gevoelens bestaan uit — veelal overschreeuwde — angst, schaamte en haat, ‘een haat die hij niet wilde maar er desondanks was’. Om de wanhoop niet te voelen gedraagt hij zich grof en harteloos tegen zijn moeder, zusje, broertje en vrienden. 

    Biggers leven is al in de knop gebroken. Zijn ‘smeulende’ gevoelens kan hij niet plaatsen, het is Wright die vertelt dat zijn angst, onmacht, minderwaardigheidsgevoel en schuldgevoel zich vertalen in woede en haat. Bigger voelt pas dat iets in zijn binnenste de gelegenheid krijgt naar buiten te komen als hij geweld pleegt. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen zich onderwerpen en eigen initiatief, weet niet waarom hij ‘iets wil bereiken wat er toch niet is’, begrijpt de aandrang niet waarmee hij zich op iets wil richten, weet niet waarop of waarom. Als een blinde tast hij rond in zijn leven. 

    De moord

    Bigger krijgt een baantje als chauffeur en een kamer bij de rijke witte familie Dalton. Meneer en mevrouw Dalton zijn ‘erg begaan met Zwarte mensen’, net als hun dochter Mary. Op de eerste avond moet Bigger Mary naar college brengen, maar Mary heeft andere plannen. Ze laat zich afzetten bij een gebouw waar ‘de rooien’ huizen. Bigger weet niet wat communisme inhoudt, alleen dat het een door de witten verafschuwd gevaar vormt. Mary komt weer buiten met haar vriend Jan die Bigger een hand wil geven. ‘Bigger verkrampte van spanning en angst (…) vroeg zich af of hij die witte man een hand moest geven.’ 

    Schrijnend is dat Mary en Jan niets maar dan ook niets begrijpen van Biggers geestesgesteldheid. Zij beseffen niet hoe groot de kloof  is tussen hoe Bigger voelt en denkt en wat voor hen normaal is. Ze zeggen de verkeerde dingen; Mary wil ‘al heel lang eens kijken hoe jouw soort mensen woont’. Ze dringen zich op. Ze maken een ritje met Jan achter het stuur, Bigger ernaast en Mary komt ook voorin zitten. ‘Hij zat ingeklemd tussen twee witte mensen, tussen twee enorme wit opdoemende wanden.’ Ze dwingen hem — althans ze dringen zo aan dat Bigger niet durft te weigeren — in een restaurant met hen aan tafel te eten. Provocerend en triomfantelijk. Hij wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen verbazing, onbegrip en haat. ‘Hij werd witheet. Laat ze naar de hel lopen! (…) Wat wilden die lui? Waarom lieten ze hem niet met rust? Hij was ze toch niet tot last?’ 

    De avond draait erop uit dat ze door toedoen van Mary en Jan alle drie te veel drinken. Vooral Mary is erg dronken als Bigger haar thuis voor de deur wil afzetten, ze kan niet op haar benen staan. Uit verantwoordelijkheidsgevoel helpt hij haar naar haar bed. Daar gaat het, met mevrouw Dalton onverwacht in de buurt, faliekant mis. Bigger wordt ‘overmand door een hysterische angst’, want Zwarten worden, ook als er geen sprake van is, gepakt of gelyncht voor verkrachting. Hij doodt Mary en bedenkt in paniek hoe hij van het lichaam af kan komen. We zijn dan nog niet op een kwart van het boek. 

    Wright jaagt de lezer voort

    Pagina’s lang beschrijft de auteur Biggers paniekerige beslissingen, handelingen en gedachten als hij Mary’s lichaam laat verdwijnen. Hij bedenkt een plan waardoor hij met geld weg kan komen en een ander de schuld zal krijgen en betrekt zijn vriendin erin. Deze Bessie stribbelt tegen, maar legt het lot van haar armzalige leven toch in handen van Bigger. Inmiddels zitten we in boek twee: Vlucht. 

    Zintuiglijk verhaalt Wright wat Bigger doet, denkt en voelt, en wat hij niet voelt en niet begrijpt. Er is hitte en rode gloed van de kolen in de verwarmingsketel in het huis van de Daltons, wind beukt tegen ramen, sneeuw jaagt in het licht van de zaklantaarn, er is de geur van rottend hout, gehuil van de nachtwind en een krakend, leegstaand oud huis. Als Bigger een steen opheft met de bedoeling zijn vriendin te doden probeert ‘zijn hart zich uit zijn borst te wurmen’. Hij raakt in paniek, zijn armen zijn verlamd. Wright jaagt de lezer met het ene detail na het andere door het boek, hij neemt hem mee op Biggers vlucht, laat hem voelen wat Bigger voelt en laat hem begrijpen waarom Bigger handelt zoals hij handelt.

    De politie drijft Bigger op met felle lichten over besneeuwde daken. Als ze hem hebben wordt hij aan zijn voeten over de grond gesleept. In de gevangenis overkomt een andere Zwarte hetzelfde. Na Biggers arrestatie begint boek drie: Noodlot. Een van de kranten schrijft: ‘in woord en gebaar ontbeert hij de charme van het gemiddelde, ongevaarlijke, vriendelijk glimlachende zuidelijke Zwartje dat zo geliefd is bij het Amerikaanse volk.’ Enig cynisme is Wright niet vreemd. De journalist ziet Bigger als ‘rimboebeest’, ‘Zwarte beul’, als ‘een ontbrekende schakel in de evolutie van aap tot mens’. Hij pleit voor rassenscheiding en voor het beperken van ‘kennisoverdracht aan negers’. ‘Wij hier in het zuiden zijn van mening dat het Noorden negers aanmoedigt om meer kennis te vergaren dan ze biologisch aankunnen.’

    Basale onveiligheid

    Een witte advocaat — die we nu een mensenrechtenadvocaat zouden noemen — werpt zich op als Biggers verdediger. Bigger zelf begrijpt niet dat hij door de witte bewaker, zijn advocaat en door Jan die hem niets kwalijk neemt, ‘netjes en normaal’ wordt behandeld. In de vragen van zijn advocaat voelt hij een erkenning van zíjn persoon en bestaan, ‘een erkenning die hij nooit eerder had ervaren’. Hoofdaanklager Buckley hitst de haat van de witten tegenover de zwarte bevolking via de kranten op en eist de doodstraf voor Bigger. Zijn advocaat probeert dat te voorkomen. 

    Bigger probeerde voor zichzelf ‘een wereld te scheppen om in te leven’, wat steeds mislukt maar wat hij in de gevangenis nog steeds wil. Hij vraagt zich af: ‘Had die stem van de haat al niet lang voor zijn geboorte geklonken, en zou die na zijn dood niet nog steeds klinken?’ Tijdens het proces voelt hij de ‘weerloze schaamte’ van zijn familie ‘in het bijzijn van witte mensen’. Hoe groot de tragiek en onrechtvaardigheid is van de maatschappij waarin Bigger leeft toont Richard Wright als hij zijn hoofdpersoon laat denken: ‘Witte mensen vervolgden geen Zwarte die een andere Zwarte had vermoord.’

    De auteur legt achterin het boek de totstandkoming ervan uit, zijn twijfel over een boek met een Zwarte als misdadiger. Hij laat zien hoe de benauwde visie die bij zowel wit als Zwart heerste, de beperkingen die Zwarten werden opgelegd, hun basale onveiligheid, de uitsluiting, hoe dat alles wel moest leiden tot psychische problemen die geregeld een uitweg vonden in ‘een wereld die bestond op het niveau van dierlijke driften’. Wright ‘kende vele Bigger Thomassen’, in verschillende gradaties. Niet alleen in eigen land zag hij een ‘modderpoel van menselijk leven’, hij signaleerde die ook in Nazi-Duitsland en Rusland. In Amerika voorzag hij de revolte die niet kon uitblijven. Zelf verruilde hij, het racisme zat, in 1947 Amerika voor Parijs, waar hij zich aansloot bij existentialistische kringen. 

    De aanklacht tegen Bigger is terecht, maar nog meer terecht is Wrights aanklacht tegen het onvermijdelijke resultaat van de racistische omstandigheden. Een van ons zou door iedereen, wit en gekleurd, moeten worden gelezen.

     

     

  • Rughaar en onuitgepakte dozen

    Op de cover van Avondmensen, het romandebuut van Caroline van Keeken (1988) prijkt een fraai stilleven van Louise te Poele. Het is een afbeelding waar je naar kunt blijven kijken, omdat je in verwarring gebracht wordt door de combinatie van een klassieke compositie en allerlei voorwerpen die je daarin eigenlijk niet verwacht. De schrijfster van het boek, Caroline van Keeken, volgde de bachelor Europese studies en de master journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Ze schrijft onder andere voor Het Parool, NRC en Trouw en publiceerde eerder de verhalenbundel Zo worden wij niet.

    In Avondmensen maken we kennis met de negenentwintigjarige Boris, die sinds kort weer thuis woont omdat er in het huis waar hij eigenlijk hoort te wonen een luchtvochtigheidsprobleem zou zijn. Met het huwelijk van zijn ouders Simon en Heleen gaat het niet zo goed. Heleen heeft haar intrek genomen op de zolderverdieping van het huis en Simon, een van de twee ik-vertellers, doet aandoenlijk zijn best om haar voor zich terug te winnen. Hun vijfentwintigjarige dochter Alice woont al twee jaar op zichzelf. Hun zestienjarige dochter Noor woont nog thuis. Ze leidt een vrij geïsoleerd leven, omdat haar broer door zijn gedrag haar beste vriendin heeft verjaagd. Noor heeft zoals het een echte tiener betaamt kritiek op alles en iedereen, maar mogelijk heeft zij als enige in het boek een heldere blik op de onderlinge verhoudingen tussen de gezinsleden: ‘Noor gaat verzitten, pakt mijn hoofd met beide handen vast. “Weet je wat het is, pap, jij neemt helemaal geen ruimte in.”’

    Medium

    Die verhoudingen zijn namelijk behoorlijk gecompliceerd. Boris blijkt al zo’n zestien jaar een zware wissel op het gezin te trekken. Toen hij dertien was kaartte een mentor van school zijn opvallende gedrag aan bij zijn ouders, maar moeder Heleen stond er vanaf het eerste moment al niet voor open om nader onderzoek te laten doen. Haar vertrouwen in ‘de instanties’ was en blijft ook in de rest van het boek bijzonder laag. Haar vader was jarenlang opgenomen in een gesticht en ze wil Boris tegen elke prijs buiten de reguliere zorg houden, ook al gaat hij niet meer naar de universiteit, is hij bij vlagen behoorlijk gewelddadig en bepaalt hij sinds hij weer thuis woont hun hele gezinsleven. Liever zoekt ze haar toevlucht bij Kelda, een medium dat Boris bij Heleen op zolder energetisch komt reinigen.

    Vader Simon laat het allemaal oogluikend (maar ondertussen knarsetandend) gebeuren. Hij is geobsedeerd door zijn rughaar waaraan hij zich plotseling heel erg gaat storen. Hij schaft bij de drogist een nogal agressief middeltje aan dat zijn ‘probleem’ niet bepaald verhelpt. Simon is een wat sullige man die zich laat ondersneeuwen door zijn vrouw. Op zijn manier probeert hij Boris te helpen door een baantje voor hem te regelen op de afdeling waar hij werkt en doet hij een poging om hun kelder in een liefdesnestje te transformeren, in de hoop Heleen weer voor zich te winnen.

    Onuitgepakte dozen

    Dochter Alice is de tweede verteller, ook weer in een ik-perspectief. Net zoals alle andere gezinsleden is ook zij een beetje bijzonder. Ze woont al twee jaar op zichzelf, maar heeft symbolisch genoeg haar verhuisdozen nog steeds niet uitgepakt. Ze heeft een nogal ongezonde relatie met Frits, die ook haar scriptiebegeleider is. Ze stelt haar eigen toekomst steeds uit, omdat ze zich erg loyaal toont aan haar ouders en broer en zus. Ze vindt dat haar vader meer voor zichzelf moet opkomen en is er een voorstander van dat Boris professionele hulp krijgt. Om zichzelf te beschermen bedenkt ze regelmatig ‘het betere verhaal’, een andere versie van hoe de werkelijkheid ook had kunnen zijn.

    Een diagnose heeft Boris nooit gekregen. Hij gamet in het boek veel, zo veel dat hij niet eens tijd heeft om te eten. Heleen praat zijn gedrag altijd goed: ‘Hij is een avondmens. (…) Boris heeft niets met de middag. (…) Boris houdt niet van de ochtend en de middag, die slaat hij dan ook het liefst over. (…) Avondmensen zijn heel bijzondere mensen. Die moet je overdag niet lastig vallen.’

    Hypochondrische klachten

    Hoe bijzonder Boris is, blijkt bijvoorbeeld ook uit de cadeaus die hij krijgt. Op zijn veertiende wilde hij heel graag een bladblazer voor zijn verjaardag krijgen. De hygrometer die hij voor Kerst krijgt wanneer hij op zichzelf woont, vormt de basis voor allerlei hypochondrische klachten waardoor hij weer thuis komt wonen. Hij drukt onmiskenbaar een stempel op alle gezinsleden, maar we zien hem vanwege het gekozen perspectief uitsluitend door de ogen van Simon en Alice. Daarom blijft Boris als personage wat vlak. Datzelfde geldt voor Heleen en Noor, waarbij met name Heleen steeds meer een karikatuur wordt. Dat is jammer, want haar onvoorwaardelijke liefde voor haar zoon en de redenen waarom ze hem tegen elke prijs wil beschermen tegen invloeden van buitenaf raken daardoor ondergesneeuwd.

    Avondmensen is geschreven in een vlotte rechttoe rechtaan stijl. Het gaat vooral om de inhoud, niet om fraaie zinnen die je zou willen herlezen vanwege hun schoonheid. Ondanks de tragiek van het gezinsleven is er op diverse momenten sprake van min of meer komische situaties of gesprekken, die soms wat pijnlijk of enigszins geforceerd aanvoelen. Het gegeven van een gezin dat lijdt onder een gezinslid dat niet lijkt te passen in de maatschappij is interessant, maar er had meer in kunnen zitten, zeker in de diepgang van de personages.

     

     

  • Boeiende verhalen over een mislukte revolutie

    Lang doet Wouter Linmans er niet over om de afloop van Revolutiekoorts, Onrust en oproer in november 1918 te verklappen. ‘Wat begon als een revolutionaire mars door Amsterdam, werd het bloedig einde van een links-radicale en anarchistische onderneming,’ schrijft hij al op bladzijde 11. Geen probleem, die spoiler. Het boek is immers niet bedoeld als een spannende historische roman. Revolutiekoorts is het onorthodoxe verslag van een vergeten episode in de vaderlandse geschiedenis.

    Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog broeiden op diverse plaatsen in Europa links-radicale sentimenten en ambities. In Rusland was de revolutie uitgebroken. In Duitsland werd massaal gestaakt door arbeiders en soldaten. Ook in Wenen, Boedapest en andere steden was er sociale onrust. In Nederland hield de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra begin november 1918 in de Tweede Kamer een vlammende, uren durende speech over zijn revolutionaire plannen. Afgelopen moest het zijn met de onderdrukking van het proletariaat. Weg met het kapitaal, tijd voor een beter leven voor de arbeider in een socialitische samenleving! Zijn vurige pleidooi kreeg weinig weerklank. Zelfs Troelstra’s sociaaldemocratische tijdgenoten moesten niets hebben van zijn oproep tot revolutie. De grote socialistenleider had zijn kruit verschoten. 

    Brede maatschappelijke onvrede

    Maar links Nederland bestond uit meer dan alleen terughoudende sociaaldemocraten. De bevolking had het in de oorlogsjaren, ondanks Nederlands neutraliteit, voor de kiezen gehad. Er was tekort aan alles. Voedsel en brandstof waren onbetaalbaar geworden; kinderen stierven van honger, ziekte en kou. En dat terwijl een kleine groep uitbuiters, oplichters, smokkelaars en louche handelaren zich schatrijk scharrelde. Dit alles leidde tot brede maatschappelijke onvrede. De in de negentiende eeuw ontstane arbeidersbeweging bewoog onder aanvoering van Ferdinand Domela Nieuwenhuis steeds meer in de richting van het anarchisme. Andere radicaal-linkse prominenten waren David Wijnkoop en Henriëtte Roland Holst. In Rotterdam, Leiden en vooral Amsterdam groeide eind 1918 de onrust.

    Na de ‘vergissing van Troelstra’ in de Tweede Kamer ontstond het besef dat het anders moest. Anarchisten en marxisten organiseerden op 13 november een massabijeenkomst in de Amsterdamse Diamantbeurs, een groot gebouw aan het Weesperplein. Wijnkoop en Domela Nieuwenhuis riepen op tot revolutie. Er hing een opgewonden sfeer, een gevoel van ‘nu of nooit’, schrijft Linmans: ‘De geestdrift stond op de gezichten geschreven.’ Na toespraken van de anarchistische dominee N.J.C. Schermerhorn en Henriëtte Roland Holst besloot men de straat op te gaan. Waarom precies is volgens Linmans nooit helemaal duidelijk geworden. Maar over de route was iedereen het eens: langs de Oranje-Nassaukazerne en de cavalariekazerne aan de Sarphatistraat. Daar stonden militairen te popelen om zich aan te sluiten, zo ging het gerucht. Bovendien viel er wat te plunderen: wapens en munitie. Drieduizend anarchisten, vakbondslieden en andere radicale Amsterdammers gingen luidkeels op pad, Wijnkoop en Roland Holst voorop. Linmans: ‘Voor de ramen van de woonhuizen langs de route verschenen silhouetten van bezorgde burgers. Zij zullen zich bij het zien van de demonstranten wel hebben afgevraagd waar deze avond toe zou leiden.’ Tot dodelijk geweld, bleek even later. 

    Kortstondig oproer

    Het ging mis bij de cavaleriekazerne. Een van de betogers, halverwege in de optocht, zwaaide met een bijl. Het toegangshek werd geforceerd, de militairen voelden zich bedreigd en grepen hun karabijnen. Na een waarschuwingsschot in de lucht volgde een tweede salvo, gericht op de aanvallers. Die schoten terug. Uiteindelijk kwamen bij de schermutseling vier arbeiders om het leven. Ondanks alles ging de demonstratie door. Op het Beursplein sprak Wijnkoop de betogers nog eens toe: morgen begint de revolutie, komt allen naar het Damrak! Maar het arbeidersvolk had z’n lesje geleerd: nog geen twintig man kwam de volgende dag opdagen. Linmans: ‘De revolutie ging eigenlijk nog voordat die goed en wel begonnen was uit als een nachtkaars.’

    De beschrijving van het kortstondige oproer beslaat in Revolutiekoorts maar een bladzijde of vijftien. Dat is nog heel wat meer dan Geert Mak erover schrijft in zijn ‘kleine geschiedenis van Amsterdam’, namelijk: ‘Op de 13de november kwam de revolutie in Amsterdam, en ging er direct ook weer ten onder.’ Linmans vindt dat die beperkte aandacht ‘geen recht [doet] aan de gewelddadige aard van de gebeurtenissen en de schok die dat teweegbracht’. In navolging van de Britse historicus George Rudé kiest Linmans voor een aanpak die verder gaat en dieper graaft dan het traditionele historische onderzoek naar collectieve protesten en politieke gedragingen. In plaats van containerbegrippen als ‘de massa’ en ‘het volk’ te gebruiken en de demonstranten als een homogene groep te beschouwen ‘probeer ik in dit boek het oproer van 1918 te reconstrueren en de betrokken personen beter te begrijpen. Het is de bedoeling om nu eens niet te blijven hangen in versimpelde voorstellingen van zaken, maar tot in detail weer te geven wat er gebeurde en wie daarbij betrokken waren. De ambities, ideeën en gevoelens van de oproermakers staan centraal. Wie waren zij, wat deden ze en vooral: wat waren hun drijfveren?’

    Dit lijkt een hachelijke onderneming. Van maar zo’n veertig betogers zijn de namen bekend. Het zijn degenen die zich uitten in artikelen, boeken of ingezonden brieven, genoemd worden in krantenartikelen of processen verbaal of de aandacht trokken bij vergaderingen of openbare bijeenkomsten. Op die manier verzamelt Linmans informatie over een aantal vooraanstaande (ook letterlijk) deelnemers. Zo komen we van alles te weten over aanvoerders als Domela Nieuwenhuis, Wijnkoop en Roland Holst, en over een aantal revolutionairen uit de tweede lijn. 

    Verhalen uit archieven en toevallige bronnen

    Maar om ‘de massa’ een gezicht te geven, moest Linmans ‘de archieven in’. Dat kunnen gemeentelijke registers zijn (geboorte, huwelijk, adressen, verhuizingen, boetes, veroordelingen), maar ook toevallige andere bronnen. Zo liepen op 13 november 1918 twee typografen mee, vader en zoon Hippe. Johan Hippe, de zoon, komt in 1977 aan het woord in de VARA-serie Voorwaarts en niet vergeten. Hij vertelt over de schietpartij, waar ze vlakbij stonden. Linmans gaat vervolgens dieper in op de rol die Hippe na de oorlog speelde in de arbeidersbeweging. Bijvoorbeeld over Hippes strijd tegen alcoholgebruik onder de arbeiders: ‘Schaart u onder de banier der onthouding, zoodat deze als een hoogen dijk, de alles met zich meesleurende stroom alcohol kan sluiten, dit tot verheffing der geheele menschheid.’ 

    De verhalen die Linmans uit de archieven opdiept, hebben – in diverse varianten – vaak een vergelijkbare strekking. Het gaat meestal om arbeiders met grote gezinnen, wonend in beroerde omstandigheden (weinig ruimte, veel vocht en kou) en dan ook regelmatig verhuizend (van twee hoog voor hier naar drie hoog achter daar). Vaak zijn ze opgegroeid in een links-radicale familietraditie, met ouders die ook al actief waren in de arbeidersbeweging.

    Zo weet Linmans heel wat boven water te krijgen en schetst hij op die manier een fascinerend beeld van de revolutionaire maatschappelijke context in de eerste helft van de vorige eeuw – en van het leven überhaupt in die periode, met name dat in Amsterdam. Zo verhaalt hij over de moeder van een van de demonstranten, die in 1916 in Amsterdam een leidende rol speelde bij een protestactie van honderden vrouwen tegen het voedseltekort: ‘De meesten waren nog in schort gekleed. Ze droegen een kind op de ene arm, en in de andere een paraplu tegen de regen. Op de punten van de paraplu’s waren  rotte aardappelen en ‘regeeringsbrood’ gestoken.’ Soms schiet Linmans wat door in zijn fact-finding. Ene Dirk Dech was ‘1 meter 62 lang, had blauwe ogen en bruin haar (net als zijn broer), zijn gezicht was ‘ovaal’ en zijn neus en voorhoofd waren door de keurmeester (van de militaire dienst/rl) als ‘gewoon’ beoordeeld.’ 

    ‘Het leidde tot niets’, is de conclusie van de auteur over de mislukte revolutie van november 1918. Maar daarmee doet hij zichzelf te kort. De gebeurtenis leidde op z’n minst tot een boeiend, goed geschreven persoonlijk feitenrelaas over een ten onrechte vergeten of gebagatelliseerd kantelpunt in de Nederlandse geschiedenis. 

     

     

  • Intense waardering van twee mannen

    Het gewicht van woorden. Brieven aan mijn uitgever van Geerten Meijsing is een zeer rijk boek. Vóór alles biedt het wat de titel belooft: brieven van Meijsing aan zijn uitgever Theo Sontrop, uit de periode 1973-2017. In zijn verbluffend originele, soepele en elegante Nederlands neemt Meijsing de lezer mee langs toppen en dalen, obsessies, zorgen en genoegens uit de halve eeuw die zijn literaire loopbaan nu omspant. Maar het boek is méér. Het documenteert ook vijftig jaar letterkundig leven van de Lage Landen. Weliswaar vanuit een zeer persoonlijk standpunt, eenzijdig wellicht – maar toch. Het boek behandelt op minstens zo particuliere wijze de geschiedenis van uitgeverij De Arbeiderspers, die met name in de jaren zeventig, tachtig en negentig, onder de bezielende leiding van Theo Sontrop en Martin Ros, toonaangevend was in literair Nederland.

    Bloemrijk proza

    De uitgeverij was als een thuishaven voor schrijvers als Jeroen Brouwers, Maarten ‘t Hart, Mensje van Keulen en Gerrit Komrij. En ten slotte is dit boek een must voor liefhebbers van de befaamde reeks Privé-domein, waarin (sinds 1966 al) egodocumenten van schrijvers uit binnen- en buitenland zo plezierig uniform en schitterend vormgegeven zijn ondergebracht. Het gewicht van woorden is Meijsings eerste boek onder zijn eigen naam in deze reeks. Eerder publiceerde hij onder zijn schuilnaam Joyce & Co. in Privé-domein, en verzorgde hij talrijke vertalingen van verschillende delen in de reeks. Daarnaast bevat het boek ook brieven áán Geerten Meijsing, geschreven door Theo Sontrop en door tal van andere medewerkers van uitgeverij De Arbeiderspers.  

    Het boek is nóg meer. Op dit alles namelijk levert Meijsing ook nog eens uitvoerig commentaar. Ook dat gebeurt in bloemrijk proza, soms opgewekt en bevlogen, soms ironisch en gelaten, soms feitelijk, met af en toe een bitterzoete scheut scepsis erdoorheen. Het is lastig citeren uit het overvloedige, eloquente geroddel over collega’s, vormgevers, medewerkers van de uitgeverij, familieleden. Op elke bladzijde is wel iets smakelijks, treffends of amusants te vinden – en dat Meijsing af en toe ook zichzelf te kijk zet maakt het alleen maar beter. Zo schrijft hij over Martin Ros:

    Ros was een bangelijke man, die permanent op alle paarden tegelijk wedde om zich in te dekken tegen alle eventualiteiten: hij was zowel katholiek als calvinist, én socialist én communist én anarchist én liberaal. Hij zag zichzelf als een Jood in oorlogstijd die mocht en moest collaboreren om te overleven. Elke collega door wie hij zich ook maar enigszins gekwetst of bedreigd voelde, kreeg een anoniem getypte brief onder de deur doorgeschoven.’ 

    Hoop op enige vorm van welstand

    Een onderstroom in dit geheel wordt gevormd door de verzoeken om betalingen, wat de geldzorgen weerspiegelt waar de schrijver vrijwel permanent mee kampte. Zelfs na het winnen van die ene grote prijs – de AKO literatuurprijs in 1988 voor Veranderlijk en wisselvallig – is de toon, wanneer geld ter sprake komt, er een van bezorgdheid. Daarentegen vertegenwoordigt uitgever Theo Sontrop de zakelijkheid. Wat niet wegneemt dat ook zijn brieven elegant en ter zake zijn, en doorgaans zeer puntig geformuleerd. Sontrop belichaamt  natuurlijk de verhoopte belofte van enige vorm van welstand, of in elk geval van een situatie zonder acute zorgen. Deze tegenstrijdigheid of ongelijkwaardigheid bepaalt de ontwikkeling van de vriendschap tussen schrijver en uitgever in hoge mate, zeker in het begin.

    Maar het allerbelangrijkste van deze prachtige verzameling brieven, beschouwingen en boutades is de liefde die eruit spreekt voor de troost en de kracht van literatuur. En de intense waardering van twee mannen die – hoe verschillend hun positie aanvankelijk ook is – heel geleidelijk innige gevoelens van respect en vriendschap ontwikkelen, ja: een vorm van liefde, die hun samenwerking beter, groter en mooier maakte dan de som der delen ooit zou zijn geweest.    



  • Verfrummeld en alleen

    Het prentenboek Propje, van schrijfster en illustrator Marit Kok, valt op tussen de andere boeken. Op de kaft van het boek zien we een schattig stadje opgetrokken uit papier en de titel van het boek ziet er wat verkreukeld uit. Op het zebrapad ligt een propje papier met wat zwerfvuil eromheen. Op de achterkant van het boek lezen we dat Propje zijn leven begon als een idee op een stukje papier. Maar nu is Propje verfrommeld en uit het raam gegooid. Daarna begint het avontuur van Propje pas echt.

    […]

    Creativiteit
    Het verhaal van Propje laat je nadenken over het hergebruik van spullen, daarmee zet het aan tot creativiteit. De illustraties zijn gemaakt van papier en tonen een driedimensionaal beeld. Per spread wordt een scene uitgebeeld. De achtergrond is wat vervaagd om de blik naar de voorgrond te leiden. Zoek ook de kleine grapjes in de illustraties zoals: het zingen van ‘Come together’ op het zebrapad en de graffiti Trash boven de vuilnis in de goot. Ook deze verrijken het boek.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Ernst Jansz bezingt de liefde

    In Een liefdeslied vertelt de Nederlandse zanger/schrijver Ernst Jansz over de liefdesgeschiedenis van zijn ouders, waarin zowel het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland als het onafhankelijkheidsstreven van Nederlands-Indië zijn verweven. Meestal verschijnen dit soort familiegeschiedenissen in eigen beheer, vol met namen en geboortedata, soms geïllustreerd met talrijke foto’s uit de oude doos, trouw de chronologische lijn volgend met een vaak verspringend decor van verhuizingen, waar dan weer nieuwe loten aan de stamboom worden gepresenteerd. Een liefdeslied volgt dit patroon, maar is niet in eigen beheer verschenen. Het boek is uitgegeven door In de Knipscheer dat ook Jansz’ eerdere zes boeken het licht liet zien. 

    Op de proef gesteld

    Wat dit boek onderscheidt van doorgaans voor buitenstaanders nauwelijks interessante familieverhalen is natuurlijk de persoon van de inmiddels 76-jarige Ernst Jansz. Een bekende Nederlander, oprichter van Doe Maar, de man die (samen met de in 2022 overleden Hennie Vrienten) in het geheugen is gegrift van iedereen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw volwassen probeerde te worden. Wie wil er niet weten hoe zijn persoonlijke geschiedenis in elkaar zit? Maar Jansz stelt de lezer in de eerste alinea al danig op de proef: ‘Jeanne werd geboren op 16 september 1892. Haar vader was Martinus Reep, geboren op 4 januari 1831 te Madoera. Jeanne’s (sic) moeder, Caroline Evangeline Strüwer, was diens tweede vrouw. Martinus was eerder getrouwd met Djembrang, een inlands meisje zonder achternaam (…).’

    Dit soort opsommingen van namen en data kenmerkt het boek. In zijn voorwoord verontschuldigt Jansz zich min of meer als hij schrijft dat hij een romanschrijver van het kaliber van een Reggie Bay zou willen zijn. ‘Maar dat ben ik niet. Ik kan slechts optekenen wat op mijn pad komt. Ooit heb ik een van mijn boeken omschreven als een documentaire roman. Nou, laat dat roman in dit geval maar achterwege (…).’ Toch doet hij zichzelf daarmee tekort. Hij gebruikt wel degelijk literaire fictietechnieken. Alle hoofdstukken die Jopie zijn getiteld — de naam van zijn moeder — schrijft hij bijvoorbeeld in de ik-vorm. Zo kruipt hij in de huid van zijn moeder. Dat doet Jansz verdienstelijk. Vooral als zijn moeder Jopie en zijn vader Rudi in de wilde oorlogsjaren plotseling een voor die tijd bijzonder modern open huwelijk aangaan en Jopie beschrijft hoe zij stapelverliefd werd op een andere man, ook een Indo, net als Rudi. Raden Saleh Sadeli is zijn naam en hij verwekt een kind bij Jopie, een meisje dat Ati wordt genoemd. Zij is dus de (half)zus van Ernst. De waarheid over haar verwekker wordt lang voor het meisje verzwegen.

    Op zoek naar Indische wortels

    Een liefdeslied beschrijft vooral de liefde tussen Jansz’ ouders Jopie en Rudi, maar is het meest ontroerend in de passages waarin op latere leeftijd, als Rudi al is overleden, Ati op zoek gaat naar haar eigen Indische wortels en zich eindelijk verzoent met haar achtergrond. Het boek vertelt bovendien overtuigend het vaker vertelde verhaal over de enorme afstand tussen het leven in Nederlands-Indië en het bestaan van Indische Nederlanders in het koude kikkerlandje aan de Noordzee. Vader Rudi zag het als zijn levenswerk om die afstand voor zijn mede-Indo’s zoveel mogelijk te overbruggen. Maar tijdens en na de onafhankelijksoorlog bleek dat een onmogelijke opgave. Misschien dat zijn beroemde zoon, door veel in Indonesië op te treden, daar later alsnog een steentje aan heeft bijgedragen.

    Wie het boek koopt, krijgt de gelijknamige cd Een liefdeslied erbij, te beschouwen als de soundtrack van het boek. Het zijn fraaie, vaak verstilde en melancholische liedjes die belangrijke momenten in de levens van Jansz’ protagonisten onderstrepen. Het album zou op zichzelf kunnen staan, maar de combinatie met het boek is een mooie meerwaarde. Overigens is het album ook te vinden op Spotify, handig voor mensen die geen cd-speler meer bezitten.

     

     

  • Eén alinea!

    Slechts één alinea weet De Zieners te boeien. Dit klinkt negatief, maar is het grootste compliment dat de schrijver kan krijgen. De Zieners bestáát namelijk uit die ene alinea. Deze roman van Sulaiman Addonia lees je uit in een ademteug, een ruk, een avondje overgave aan de koortsdroom van Hannah uit Eritrea. Als vluchtelinge die moet wachten op een goedgekeurde asielaanvraag, doorkruist ze nachtelijk Londen. Altijd met het dagboek van haar jong gestorven moeder bij zich.

    Een verhaal, opgebouwd uit een enkele alinea… Iedere schrijver, kunstenaar, veellezer of literatuurwetenschapper zou dit van tevoren een onmogelijke opgave noemen. Addonia neemt niet eens de moeite deze monnikenklus op een degelijke typemachine of computer te doen: hij schreef De Zieners op een iPhone. Weg romantiek? Integendeel. De Zieners zindert van liefde, sensualiteit en gevoel. Tegelijk bezorgt het ons Europese lezers regelmatig het schaamrood op de kaken. Niet vanwege de expliciete seksscènes – we zijn allang murw gebeukt door de lichamelijkheid van types als Houellebecq – maar vanwege het besef: eigenlijk kijken we allemaal massaal weg van vluchtelingen.

    Kullu yihalif, fiqri yiterif

    Panta rhei, ouden menei. Alles stroomt, niets blijft, luidt de wet van Herakleitos. Eritreeërs hebben hun eigen variant: kullu yihalif, fiqri yiterif. Alles verandert, de liefde blijft. Bijna hetzelfde. Bijna. Aanvankelijk staat het motto er in het Tigrinya (de Eritrese taal) én in het Nederlands. Later in het boek wisselen de talen van plaats, en uiteindelijk verdwijnt de variant van het Tigrinya volledig. Zelf verloor Addonia zijn moedertaal, toen zijn moeder voor werk naar Saoedi-Arabië vertrok. Ook Hannah wordt Engelser en Engelser in haar ballingschap; waar ze eerst beledigingen naar het hoofd krijgt, omdat ze niet Brits genoeg klinkt, verdeftigt haar accent met rasse schreden. Maar echt gek wordt ze nooit op Engeland, waar haar tante haar heen stuurde: ‘Die avond werd ik vanuit Keren weggestuurd naar het land dat mijn vader een neger had genoemd. Het spijt me dat ik je naar dat land toestuur, zei mijn tante.’

    Hannah’s vader hielp het Engelse leger de Italiaanse bezetting beëindigen en werd hiervoor beloond met meer vernedering. Hij was een analfabeet die leerde lezen en zielsveel van boeken hield en stierf – net als zijn echtgenote – veel eerder dan Hannah lief was. Het liefst zou hij zijn hele boekenverzameling hebben ingescand in het brein van zijn slimme dochter. En die bibliotheek zeult ze in het Verenigd Koninkrijk figuurlijk met zich mee. Ook gebruikt ze het dagboek van haar moeder om zich staande te houden in de regen, kou en grauwigheid. ‘Ik keerde terug naar mijn boeken, en discussieerde met Neruda over het feit dat hij in zijn gedichten de liefde telkens liet terugkomen als troost. Liefde is net zo onbeduidend als lucht voor een lijk, zei ik tegen Neruda, een citaat uit mijn moeders dagboek, iets wat hem kennelijk met afkeer vervulde omdat ik daarna een tijdlang niets van hem hoorde.’ Even later merkt Hannah op: ‘Serieus, niets zo krachtig als dode, verwaten dichters die tegen je uitvaren.’ Want ze praat niet alleen met Pablo Neruda.

    Hampstead Heath, Fitzroy Square en Bloomsbury

    Hannah voert gesprekken met allerlei dichters die in Hampstead Heath gedenktekens hebben. Denk aan Keats, Coleridge, Shelley, Byron en Cummings: ‘Ik pakte zijn bundel, liep terug naar mijn boom en begon er leunend tegen de stam in te lezen. Dat boek bespoedigde de relatie tussen de boom en mij: ik las telkens een gedicht voor mezelf en dan een voor de boom. Doordat de boom waaronder ik sliep zich laafde aan de Londense regen en zich voedde met de wellustige poëzie die ik voorlas, werd het de meest doorvoede en vrije boom van heel Londen.’ De dode dichters genieten bovendien mee van haar vrijpartijen met land- en lotgenoot Bina Balozi: ‘Mijn hoofd klaarde op toen het genot zich aandiende in de armen van het donker. O B.B. De O die stond voor de roos tussen zijn zwarte billen die openbarstte in mijn slapeloze nachten en kleur gaf aan mijn avonden, de B die stond voor de balletdanser op de bodem van mijn schoot.’ De lovende kritieken die de roman kreeg, richten zich met name op deze lichamelijkheid. Volgens de critici is die fysieke realiteit het enige wat Hannah echt ‘heeft’. De seksualiteit wordt breeduit gevierd, inclusief orgasmes, squirts en voorbinddildo’s. Toch biedt De Zieners meer dan erotiek. En ergens is het ook kwalijk dat vluchtelingen en asielzoekers tot hun lichaam worden gereduceerd – verhalen waarin zij niets anders hebben dan hun lijf, zijn er al voldoende.

    Het boek is niet alleen opgebouwd uit één alinea, alle dialogen missen aanhalingstekens. Dit leidt tot onduidelijkheid over wie er precies spreekt. Hannah’s identiteit wordt tijdens een gesprek met Engelse douaniers zowel letterlijk als figuurlijk aan flarden gescheurd: ‘Maar de tolk ging verder: Hannah, ik moet je vragen naar je paspoort. Als het dan moet, zei ik, en ik masseerde mijn voorhoofd. Waar is je paspoort? Dat heb ik verscheurd en doorgespoeld in het vliegtuig. Waarom? Dat moest van de smokkelaar.’ Zo wordt het verhaal van Hannah langzaamaan het verhaal van meer vluchtelingen, lotgevallen die ambtenaren al of niet moeten verleiden tot een gehonoreerde asielaanvraag: ‘Hannah, zei ze. Dit is pas het begin. Let goed op jezelf. Wat een rare waarschuwing, zei ik. Als ik geen ruimte in mijn hoofd heb, heb ik geen ruimte in mijn hoofd. Je bent niet de eerste immigrant die dat tegen me zegt, zei ze. Laat je niet overweldigen door herinneringen. Maar het komt goed, je zult het verleden leren loslaten.’ Maar hoe lukt dat haar, als haar toegewijde, Engelse voogd juist in het verleden blijft hangen?

    Lady Diana

    Een personage dat verrassend weinig aandacht krijgt in de lovende kritieken, is Diana. Als tijdelijke voogd vangt zij Hannah op in een buitenwijk, stevig drinkend, rokend en mijmerend over wat achter haar ligt. Hannah, ondertussen, wacht tot Binnenlandse Zaken haar asielaanvraag goedkeurt: ‘Terwijl ik in afwachting van de volgende postbezorging terugliep naar mijn kamer, vroeg ik me af wat er zo dringend zou zijn in haar leven.’ Daarom vraagt Hannah op een druilerige, ijskoude avond in de walm van Diana’s sigarettenrook: ‘Diana, wat heb je gestudeerd toen je op de universiteit zat? Ze snoof achteloos en viel stil. Niets. Sorry dat ik het vroeg, zei ik na een poosje. Nee, nee, Hannah. Dat is het niet. Je deed me alleen denken aan… Nou, eens even denken… ze zweeg.’ Tijdens de avondwandeling probeert Hannah Diana nogmaals uit haar zwijgzaamheid te halen: ‘Haar ogen gaven toe aan de stilte van een zwak verlichte steeg, waar een man met een slaapzak om zijn schouders een kat aaide op de motorkap van een auto. Gaat het wel goed, Diana? Stilte. Haar ogen stonden vol gedachten die ik niet kon ontcijferen. Ik wilde net wegkijken toen ze zei: Het gaat zo wel weer. Het is allemaal niks vergeleken bij wat jij hebt doorstaan.’

    Anders dan in Addonia’s vorige roman, Stilte is mijn moedertaal, werkt stilte hier verstikkend. Dat laat De Zieners zien met een personage als Diana. Hannah vindt het leven in literatuur, taal, woord en geschrift, ondanks (en dankzij) haar verleden. De laatste scène, extatisch en speels, doet denken aan Het leven is vurrukkulluk. Alleen spreekt hier geen Vijftiger, maar een twintiger, in de bloei van haar leven.

     

  • Een roman die van kleur verschiet

    Christine Otten is auteur en journalist. Ze debuteerde in 1995 en daarna verscheen er een stapel geëngageerde boeken. Niet omdat het een hype is of omdat het moet, maar omdat Otten echt begaan is met de ander. In dit verband is zielsverbondenheid een begrip waar ze in elk van haar boeken invulling aan geeft. Bijvoorbeeld in haar grote roman De laatste dichters (2004) over een groep zwarte dichters, ‘The Last Poets’, in New Orleans. Een aantal andere titels illustreren dat ook: Als ik naar jou kijk, zie ik mezelf (2018), of De ander bestaat niet (2022). Acht jaar geleden besloot ze schrijfworkshops in de gevangenis te geven; ongetwijfeld hebben haar ervaringen een rol gespeeld bij het schrijven van haar laatste roman: Als ik je eenmaal mijn verhaal heb verteld.

    De roman vertelt het verhaal vanuit de ogen van de crimineel en ik-verteller Anir, die na twaalf jaar detentie weer naar buiten mag. Bij de reclassering ontmoet hij Emma, die een proefschrift gaat schrijven over de levensloop van langgestraften (de correlatie tussen maatschappelijke uitsluiting en criminaliteit) en daarvoor een ervaringsdeskundige nodig heeft. Overigens komen we niet te weten wat Anir precies heeft misdaan.

    Een verhaal is een vraag

    Op het reclasseringsbureau vindt Anir dat er met Emma niet zuiver omgegaan wordt: als vrouw wordt ze in zijn ogen niet gelijkwaardig behandeld. Dat geeft Anir het gevoel dat hij een klik met haar heeft. Ook hij wordt als crimineel (en later blijkt ook nog om een andere reden in zijn ogen) niet als gelijkwaardige bejegend. Anir wil wel meewerken, want als hij zijn verhaal vertelt, zal hij begrepen worden en daardoor eerder weer in de maatschappij opgenomen. Ook wil hij inzicht krijgen in zijn eigen handelen en de invloeden van de cultuur en zijn opvoeding die daarin een rol hebben gespeeld.

    Emma voert lange gesprekken met Anir in haar eigen appartement, opgenomen met haar telefoon. Anir neemt zich voor alles te vertellen en niets achter te houden. Hij vertelt, zoals in zijn cultuur gebruikelijk, verhalen. ‘Soms heb je verhalen nodig om je eigen verhaal te begrijpen. En dan begint het pas. Een verhaal is nooit een antwoord. Een verhaal is altijd een vraag.’ Hij vertelt over zijn familie in Marokko en Algerije, over zijn opvoeding, zijn broers, het spelen met zijn zussen en nichtjes, over de rol die zijn moeder daarin speelde. Op het moment dat ook Emma gaat vertellen over haar getroebleerde jeugd wordt de relatie tussen de twee steeds closer en erg broeierig. Emma vertelt dat ze haar vader en haar broer heeft verstoten. Niet alleen om Anir daardoor uit te lokken nog meer te vertellen, ook om haar eigen oud zeer een plaats te geven.

    Thriller

    En dan komt Anir bij zijn geheim: zijn fascinatie met vrouwenkleren. Hij verkleedt zich soms als vrouw en noemt zichzelf dan Assia Ook meldt hij een verwarrende seksuele ervaring met Anthony, een mannelijke medegevangene. Emma wisselt jurkjes, ondergoed en make-up met hem uit en daagt hem uit als Assia ook zijn verhaal te vertellen. Ze zijn steeds meer vriendinnen, drinken dure whisky. Emma koopt duur ondergoed voor Assia. Anir krijgt van haar te horen hoe zijn verlangens om vrouw te zijn in elkaar zitten. Anir/Assia en Emma worden een twee-eenheid als ze beiden ook nog menen de hulpverleners van de reclassering door te hebben. In hun gesprekken maken ze die belachelijk door alle trucs en de oppervlakkige belangstelling af te kraken. Op dit moment in de roman wisselt de sfeer naar die van een regelrechte thriller. Als lezer voel je de spanning: dit gaat niet goed komen. Anir verklaart Emma haar liefde, waarna zij heel koud afscheid van hem neemt. Hij was haar project, niet meer. Anir dondert in een gat. Niemand is dus te vertrouwen, hij is weer terug bij af.

    Vrouwenkleren

    De rest van het boek – we zijn nog niet op de helft – laat zien hoe Anir weer opkrabbelt. Hij gaat sporten om een goed lichaam te krijgen, begraaft zijn vrouwenkleren en keert terug naar zijn familie. En hij schrijft. Hij tekent de herinneringen aan zijn moeder op, die hem toestond met vrouwenkleren rond te lopen, de verhalen die ze hem vertelde, hij verhaalt over de docente die hem kennis liet maken met wereldliteratuur, over de criminele mannen, de Marokkaanse cultuur.
    Het mooiste verhaal van zijn moeder gaat over een rijke jongen en een arm meisje die een wedstrijd houden over wie het verst komt in het leven. Het arme meisje is slimmer en wint. Hij kan er geen genoeg van krijgen en laat het zijn moeder keer op keer vertellen. Het is het verhaal van zijn leven en zijn strijd. Hij voelt zich verbonden met dat arme meisje en haar ambities om te winnen. Assia komt weer tot leven.

    Op haar website schrijft Christine Otten: ‘Ik schrijf omdat ik niet opgesloten wil zijn in mijn eigen wereld, mijn eigen leven, mijn eigen lichaam. Door romans te schrijven kan ik iemand anders zijn, een man, of zwart, oud, of weer kind, een moslim, een crimineel, een muzikant, een psychiater. Ik schrijf omdat ik me wil verbinden met andere mensen.

    Het is prachtig om te lezen hoe de auteur zich inderdaad kan verplaatsen in een ander, in dit geval een mannelijke Marokkaanse ex-crimineel. Niet direct haar wereld. Toch is ze daarin heel geloofwaardig. Als lezer ga je direct mee in het verhaal van Anir en na enkele zinnen besef je al niet meer dat hier een blanke vrouwelijke schrijfster schrijft wat Anir vertelt. Als ik je eenmaal mijn verhaal heb verteld is een perfect staaltje inlevingsvermogen.

     

     

  • Pleidooi voor een gulden middenweg

    De bekende, prijswinnende historicus Martin Bossenbroek (twee keer de Libris Geschiedenisprijs) schreef een boek dat het midden houdt tussen een pamflet en een wetenschappelijke studie. Zijn eerdere, succesvolle boeken, De Zanzibardriehoek, De Boerenoorlog en De Wraak van Diponegoro, zijn in zekere zin een vooruitschaduwing van Bossenbroeks laatste (dunnere) boek: Kolonialisme! De vloek van de geschiedenis. Bossenbroek is, zo lijkt het, boos of op zijn minst geërgerd, over de zijns inziens te beperkte blik op de koloniale geschiedenis van ons land. Dat dit thema de laatste tijd zwaar bediscussieerd wordt en heeft geleid tot excuses, monumenten en musea in wording, geeft zijn boek urgentie. Het verklaart ook de drive waarmee Bossenbroek schrijft.

    Zijn hoofdthese is simpel. Hij bepleit een gulden middenweg tussen hen die ons verleden verheerlijken dan wel verguizen. Aan de ene kant Balkenende over de zo welkome VOC-mentaliteit in ons land tot Wilders met diens nationale trots en aan de andere kant pakweg Gloria Wekker en de achterban van het Slavernijmuseum in oprichting.

    Van alle tijden en continenten

    Bossenbroek heeft zeker royaal oog voor de gruwelijke uitwassen van ons slavernijverleden en praat daarover niets goed. Waar hij zich druk over maakt is de beperkte, te nationale blik op dat verleden. Er zijn immers veel andere landen met een slavernijverleden en niet alleen de ‘usual suspects’, de Westerse mogendheden. Vandaar zijn pleidooi voor die middenweg in een bredere, internationale context. Hij maakt zich bijvoorbeeld erg druk over het Amsterdamse Slavernijmuseum en het Rotterdamse migratie-/landverhuizersmuseum FENIX. Die zouden zich uitsluitend baseren op verhalen. ‘Van dat woord word ik altijd een beetje zenuwachtig,’ schrijft hij. ‘Als verhalen het enige inhoudelijke fundament vormen waarop beide iconische musea worden opgetrokken, dan zullen het wankele bouwwerken blijken te zijn.’ In Rotterdam wordt ‘met een vastberaden positief wereldbeeld’ de geschiedenis van de (vrijwillige) migratie getoond en de verrijking van de ‘superdiverse stad’ door inkomende migratie. Twee uiteenlopende benaderingen, maar zij hebben gemeen de nadruk op verhalen en het negeren van historische waarheidsvinding. Bossenbroeks irritatie slaat toe want hij raadt beide museumdirecties een ‘revolutionair idee’ aan. ‘Koop boeken’ en ‘Leg een serieuze bibliotheek aan’. Dat voorkomt ‘enormiteiten’, zoals dat ‘Afrika een groot, vredig Arcadië was totdat de Homo Batavus ten tonele verscheen en alles verpestte’.

    Die neiging tot overdrijven is jammer voor een op zichzelf interessant boek. Interessant omdat de koloniale geschiedenis van landen als Rusland en China uitvoerig aan bod komt met voor de gemiddelde krantenlezer vaak onbekende historische feiten. Zoals over een voorloper van het huidige Chinese Belt and Road Initiative middels een legendarische vlootvoogd die in de 16e eeuw met armada’s van schatschepen tot aan Afrika en het Arabisch Schiereiland voer. Maar ook over het Russische imperialisme geeft Bossenbroek interessante feiten die juist nu extra pijnlijk zijn om te lezen. Het boek opent de blik op de mondiale geschiedenis van kolonialisme en slavernij, die ‘van alle tijden en alle continenten’ is. Daar hoort ook bij de voortrekkersrol van het Britse Empire in de 19e eeuw bij de afschaffing van de slavernij. Niet zonder eigenbelang, maar de Britten liepen bepaald voor op landen als Nederland.

    Overtrokken theses

    Het bezwaar is dat hij doorschiet in zijn pogingen die wijdere blik te contrasteren met de in zijn ogen te simpele keuze tussen verheerlijken en verafschuwen. Tussen de ‘borstkloppers’ die vooral trots op Nederland en zijn verleden zijn en ‘boetedoeners’ die onze vroegere ‘helden’ vooral als misdadigers zien. Het doel is goed: ‘vervang geen oude mythes door nieuwe sprookjes’ en ‘vecht geen oude oorlogen opnieuw uit met verbeterde oogkleppen’. Oogkleppen is ook het sleutelwoord van het boek en de titel van de Proloog. Sympathiek en van belang is zijn oproep om tot een ‘gezamenlijke geschiedenis’ te komen die ‘van ons allemaal’ zou moeten zijn en zou ‘moeten bijdragen aan een sterker gevoel van verbondenheid’. In een land waarin qua politieke opvattingen en uitlatingen de flanken groeien en het midden krimpt is dat geen onnodige luxe, om het zacht te zeggen.

    Een oproep tot objectiviteit en nuance is prima. De genoemde oproep aan de nieuwe musea om boeken te kopen (‘nu het nog kan met laag btw tarief’) is wat denigrerend. De theses dat in het huidige slavernijdebat mensen ‘denken hun eigen voorouders alleen te vereren door die van anderen te beschimpen’, en ‘wie zijn eigen heiligdommen alleen wil bouwen op de ruïnes van die van anderen’ zijn overtrokken. Er zijn zeker mensen of groepen die zo ongeveer elk minder prettig aspect aan ons verleden – en Nederland kon er wat van met de VOC en de WIC! – toeschrijven aan eeuwen van koloniale uitbuiting en slavernij, maar is dat niet een kleine minderheid?

    De woede klinkt ook door in de schrijfstijl met teksten als ‘je moet maar durven‘ of ‘als dat maar goed gaat’. Of ‘Ja, jammer’ over de ontwikkelingen in de samenwerking van de grote BRICS landen met nieuwe leden als Iran en Saoedie Arabië. Zeker over Zuid-Afrika is Bossenbroek teleurgesteld. Immers, daar is het donkere verleden (Boerenoorlog, apartheid) goed verwerkt via de Verzoenings- en Waarheidscommissie. Zo’n pad zou Nederland eigenlijk ook moeten bewandelen, waarbij de auteur als andere voorbeelden Indonesië en Brazilië noemt. Deze landen, aldus Bossenbroek, ‘laten zich niet verlammen door die eeuwenlange aaneenschakeling van pijnlijke geschiedenissen’. En: ‘verschillen worden verkleind, niet uitvergroot (…) Het gevoel van verbondenheid wordt versterkt, met een beroep op de helende kracht van de democratie.’

    Hier wordt Bossenbroek een beetje moeilijk te volgen. De drie landen in kwestie, Indonesië, Brazilië en Zuid-Afrika kennen een turbulente geschiedenis, met kolonialisme en slavernij, maar ze vandaag de dag zien als ‘voorbeelden voor Nederland’?

    Kleur narratief vervangt wit narratief

    Het pleidooi voor een internationale bril en het vermijden van extreme posities is sympathiek en nuttig, de uitwerking is te snel en te schetsmatig. Zouden we bijvoorbeeld niet meer gebaat zijn bij een vergelijkende studie naar het beleid van Europese landen zoals Frankrijk en Duitsland? Van Zuid-Afrika is best te leren, zoals door het ‘Freedom Park’ in Pretoria waar het ‘bonte Zuid-Afrikaanse verleden’ wordt gepresenteerd. Een idee voor Amsterdam-Zuidoost of Hoorn? Het zou mogelijk veel pijnlijk gehannes met beelden voorkomen.

    De Nederlandse koloniale- en slavernijgeschiedenis inpassen in de grote wereldhistorische context, prima. Nu is het ‘een wit narratief vervangen door een narratief van kleur’. Dat is een risico. Maar is het wel zo extreem? Bossenbroek voert een tweefrontenoorlog; tegen Wilders ‘met zijn benepen provincialisme’ maar ook tegen mensen die ‘zonder koloniale waas’ loeren naar oudvaderlandse helden zoals de Witte de Withs ‘om hen vol walging neer te sabelen’.

    Dit ‘Amerikaanse confrontatiemodel’ moet worden ingeruild voor een genuanceerde middenweg. Die verdient meer diepgang dan dit boekpamflet. Een tamelijk dun boek is een beetje een omgevallen boekenkast geworden. Bossenbroek zou met wat meer rust en reflectie het pamflet kunnen uitwerken tot die derde weg tussen verheerlijken en verguizen. Met minder polarisatie, meer nuance en een wenkend perspectief.

     

     

  • Verlangens hebben een prijs

    Nadia Terranova (Messina, 1978) is een vrij nieuwe naam in de Italiaanse literaire wereld. Haar twee eerste romans kregen alom lof, en haar tweede roman Afscheid van de geesten werd in 18 landen vertaald. In deze roman liet Terranova al zien dat haar kracht vooral ligt in haar herkenbare stijl, de sterke metaforen en de wijze waarop ze zich meester toont van haar materie. Haar stijl nestelt zich rond de lezer als een cocon; je begeeft je volledig in haar wereld, middels de sterke beelden en door de manier waarop je mede daardoor direct toegang hebt tot de karakters, wat het vermogen tot empathie versterkt.


    In De nacht beeft gaat Nadia Terranova terug naar 1908, toen de stad Messina op Sicilië en het aan de andere kant van de zee-engte gelegen Reggo Calabria werden getroffen door een aardbeving die de geschiedenis in zou gaan als de ergste die Europa ooit heeft getroffen. Van Messina werd twee derde verwoest, 80.000 mensen vonden de dood. De kracht was in Reggio iets minder, maar ook daar een en al dood en verwoesting. Een treffend decor voor veel drama.

    De grote ramp

    Hoofdpersonen in De nacht beeft zijn de jonge Nicola in Reggio, en de iets oudere Barbara (bijnaam Rina) in een plaatsje vlakbij Messina. Gemene deler in hun levens is de gevangenschap waarin zij zich bevinden binnen hun familiesituatie. Nicola wordt ’s nachts in zijn kelder aan bed vastgebonden door zijn waanzinnige moeder, Rina leeft na de dood van haar moeder alleen met haar vader, die alvast een echtgenoot voor haar heeft gereserveerd die zij absoluut niet wil. Om die situatie te ontvluchten gaat zij op bezoek bij haar grootmoeder, maar ook die houdt haar in het gareel. Samen bezoeken ze de opera; direct na dit bezoek vindt de grote ramp plaats. Eén Scylla en Charybdis samen, een zeskoppig monster, elke kop met drie rijen vlijmscherpe tanden, had zich vanuit het hart van de straat opgericht, met zijn drakenstaart gezwaaid en daarmee de Calabrische kust platgeveegd terwijl die op hetzelfde moment onder het gebulder van een ongekende donderslag explodeerde.’ Zowel Rina als Nicola verliezen alles en lopen na de shock als verdwaasd door de onherkenbare steden.

    Een ander leven

    Bij toeval kruisen de levens van Rina en Nicola elkaar kortstondig. De twee vluchten op een schip, waar een matroos Rina verkracht. Later blijkt zij zwanger te zijn, maar de aardbeving biedt de kans om de waarheid te verdraaien. Rina kan volhouden dat de vader van het kind dood is en aldus kan zij aan een nieuwe toekomst werken met haar dochter. Nicola verliest zijn beklemmende ouders en vindt de vrijheid middels een ongewild kinderloos echtpaar dat hem adopteert. Zo brengt de aardbeving hen beiden een nieuwe toekomst. De toekomst klopte aan, drong zich op en bracht alle kleuren van de wereld mee.’ Daarbij schudden ze hun eerdere levens voorgoed af: ‘Nicola’s verleden was een smalle, donkere plek, afgeschermd met barricades zonder openingen’. Rina keert niet terug naar haar vader.

    Uiteindelijk brengt de aardbeving de zo gewenste grote verandering in de levens van Nicola en Rina, zij het tegen een grote prijs. ‘Het leven had me al met genoeg onrechtvaardigheid opgezadeld, het was tijd om het tij te keren. De schande zou een bevestiging zijn van de vrijheid die ik had verlangd en van de aardbeving die ik had gekregen: dankzij de smet zou mijn vader me definitief verstoten en zou ik geen ketenen meer hebben. Verbitterd moest ik toegeven dat hij gelijk had gehad: verlangens hebben een prijs, zei hij altijd wanneer ik hem om iets vroeg.’

    Filosofie

    Het is te merken dat Nadia Terranova filosofie heeft gestudeerd; de wijze waarop zij filosofische ideeën op toegankelijke wijze met haar verhaal vervlecht doet denken aan Connie Palmen. Soms iets te nadrukkelijk, met de schok van de aardbeving als bevrijding, maar de roman bevat ook veel sterke existentiële ideeën over de vraag wie wij zijn en wat er van ons overblijft na de dood. Een thema dat mooi wordt behandeld en uiteraard zeer relevant is bij een aardbeving waarbij er vaak ook fysiek niets van ons overblijft. Zo resteert van de grootmoeder van Rina alleen de naam.

    De kracht van Nadia Terranova is dat zij meester blijft over een verhaal bij een stijl die makkelijk zouden kunnen ontsporen. Het zijn uiteindelijk de sterke beelden en ideeën die de boventoon voeren in deze mooie roman, soepel vertaald door Etta Maris. Daarmee onderstreept Nadia Terranova haar plaats als een van de belangrijkste hedendaagse Italiaanse schrijvers.