• Twee afgesloten hoofdstukken

    De hoofdpersoon van Kairos. is Katharina. In de roman reconstrueert ze de liefdesgeschiedenis die ze vele jaren geleden had met schrijver en radiomaker Hans in Oost-Berlijn. Hans is overleden. Van zijn zoon heeft ze twee kartonnen dozen thuisbezorgd gekregen, met daarin brieven, agenda’s, foto’s en negatieven uit de periode 1986-1992 in Oost-Berlijn. Katharina heeft zelf nog een koffer met brieven en doorslagen uit die tijd. Uit de Proloog: ‘Lang geleden voerden de papieren, die uit zijn dozen en die uit haar koffer, een dialoog met elkaar. Nu voeren ze een dialoog met de tijd. In zo’n koffer, in zo’n doos, liggen het einde, het begin en het midden onverschillig door elkaar in het stof van decennia, ligt alles wat werd geschreven om te misleiden en alles wat was bedoeld als waarheid, alles wat werd verzwegen en alles wat werd opgetekend, of het nu wil of niet dicht bijeen, zitten het tegenstrijdige, de verstomde woede en de verstomde liefde samen in een envelop, in een en dezelfde map, is wat je bent vergeten net zo vergeeld en verkreukeld als wat je je nog vaag of duidelijk herinnert.’

    Een gelukkige tijd

    In de volgende hoofstukken (Doos I, Intermezzo, Doos II, Epiloog) ontvouwt zich de liefdesgeschiedenis van studente Katharina en Hans. Zij is 19, hij 34 jaar ouder. Zij is van 1967 en hij van 1933. Ze ontmoeten elkaar in Oost-Berlijn voor het eerst in bus 57 vanaf de Marx-Engels-Platz. Ze besluiten een kop koffie te gaan drinken. Dat Hans getrouwd is en een zoon heeft en nog een verhouding heeft met een vrouw bij de radio is voor Katharina geen bezwaar: ‘Al had je duizend vrouwen, zegt ze, van belang is alleen de tijd die wij samen hebben.’ Tijdens hun samenzijn speelt muziek een grote rol. Klassieke muziek zoals het Requiem van Mozart, maar ook hedendaagse muziek van Wolf Biermann. (Op Spotify is van de muziek uit het boek een playlist te vinden.) De eerste fase van hun relatie verloopt rooskleurig met veel restaurant- en theaterbezoek en wandelingen door Oost-Berlijn.

    Het kost Katharina veel tijd om doos I door te spitten. Ze herleest de boeken van Hans en zoekt ook haar oude notitieboekjes op. ‘Ze houdt negatieven van dertig jaar geleden tegen het licht om te kijken of het de moeite waard is om er afdrukken van te laten maken.’ Volledigheidshave dient ze het verzoek in om zijn Stasi-dossier te mogen inzien.

    Omslag

    Uit de reconstructie van de brieven en aantekeningen uit Doos II komt naar voren dat de liefdesrelatie van Katharina en Hans verandert als zij met leeftijdsgenoot Vadim naar bed gaat tijdens een stage in Frankfurt. Hans wil niet meer de door straten lopen waardoor ze samen wandelden toen alles nog goed was, niet meer naar de muziek luisteren die zij met Vadim heeft geluisterd. ‘In je hals wil ik je niet meer kussen, die heb je aan iemand anders geschonken.’ Hij merkt op: ‘Voortaan is dus alles wat eruit ziet als geluk alleen nog maar façade.’ En: ‘Vanaf nu, zegt hij, had ik graag dat je je brieven aan mij typte. Ik kan niet meer tegen dat handschrift van jou.’ Hij spreekt een cassette in ‘Kant A, Kant B, zestig minuten’. Zij moet daarop schriftelijk reageren. Het is steeds dezelfde cassette; hij neemt die weer mee en spreekt die opnieuw in, ‘alsof hij voor haar alleen met krijt schrijft, de spons pakt, uitwist, weer schrijft, opnieuw uitwist. Als de blaadjes met haar aantekeningen er niet waren, zou ze soms denken dat ze alles droomde.’ Zo moddert de relatie maar door; noch Katharina, noch Hans kan er een punt achter zetten. Als lezer krijg je steeds meer een hekel aan Hans met zijn autoritaire en perverse gedrag. Waarom gaat Katharina niet bij hem weg? Uiteindelijk strandt dan toch hun relatie.

    Kairos. is een vol boek met veel verwijzingen naar DDR-schrijvers en hun werk, zoals dat van Hanns Eisler, de componist van het DDR-volkslied. Hij werkte nauw samen met Bertolt Brecht, voor Hans een groot voorbeeld als schrijver.

    Val van de Muur

    In de jaren van hun liefdesrelatie wordt de politieke situatie in de DDR onstabieler. ‘Opkomende veranderingen die tot voor kort nog in tegenspraak waren met de bestaande orde in het Oosten, zullen binnenkort in tegenspraak zijn met de orde van het Westen die gaat komen.’

    De liefdesgeschiedenis van Katharina en Hans is ingebed in de gebeurtenissen in de laatste jaren van het bestaan van de DDR, leidend tot de val van de Muur op 9 november 1989 en opheffing van de staat in 1990. Hans verliest, net als veel anderen, zijn baan. Symbool voor het stuklopen van hun relatie staat het bijna onttakelde café waar zij de enige gasten zijn.

    Epiloog

    In de Epiloog bezoekt Katharina het Stasi-archief, de staatsveiligheidsdienst van de DDR. ‘In alle stilte wordt hier bij alle mogelijke burgers van een land dat niet meer bestaat, de schedel gelicht en mag je naar binnen kijken. Hans blijkt ook jarenlang voor de Stasi te hebben gewerkt. Onder de naam Galilei (schuilnaam gekozen naar een stuk van Brecht) heeft hij mensen bespioneerd.  Maar na vijftien jaar kreeg hij genoeg van het verklikkerswerk. Katharina vindt een aantekening van Hans: ‘Er bestaan bedenkingen tegen details van de cultuurpolitiek van onze staat. Vooral tijdens de ‘affaire Biermann’ treden er aarzelingen op.’ De Stasi-autoriteiten archiveren zijn dossier, omdat ze geen perspectief zien in verdere samenwerking.

    Voor jonge lezers zou een lijst met noten en een personenregister wellicht nuttig zijn. Want wie kent nog Wolf Biermann met zijn kritische teksten over de DDR, leidend tot zijn Berufsverbot en Ausbürgerung? Hij is vooral bekend door de Ballade vom preußischen Ikarus. Na een optreden in Keulen in 1976 mocht hij niet terugkeren naar de DDR en werd hem het staatsburgerschap ontnomen. Verwijzingen naar die ballade duiken telkens op in het boek. Alleen als een Ikaros kun je ontsnappen uit een land dat zijn burgers gevangen houdt.

    Kairos is de god van het gunstige moment. Het enige waaraan je hem kunt vastpakken, is de lok op zijn voorhoofd. Uit de proloog: ‘Was het een gunstig moment toen ze, als meisje van negentien, Hans leerde kennen?’ Dat Kairos een anagram is van Ikaros, lijkt geen toeval. Achter de titel van de roman staat een punt. In het boek is daarvoor geen verklaring te vinden. Wellicht staat die punt daar om te benadrukken dat de liefdesrelatie en het bestaan van de DDR voorgoed voorbij zijn.

    Boeiend boek

    In mei 2024 ontvingen schrijver Jenny Erpenbeck (1967) en haar vertaler Michael Hofmann de International Booker Prize 2024 van 50 duizend pond voor de beste naar het Engels vertaalde roman van dat jaar, Kairos.  Erpenbeck is de eerste Duitse auteur die de prijs wint. De roman verscheen oorspronkelijk in het Duits in 2021. In 2024 verzorgde Elly Schippers de Nederlandse vertaling. Uit het juryrapport van de Booker Prize: ‘It starts with love and passion, but it’s at least as much about power, art and culture. The self-absorption of the lovers, their descent into a destructive vortex, remains connected to the larger history of East Germany during this period, often meeting history at odd angles /…/ What makes Kairos so unusual is that it is both beautiful and uncomfortable, personal and political.’

    Daar kunnen we het helemaal mee eens zijn. Kairos. boeit van begin tot eind. Op een knappe manier heeft Erpenbeck de destructieve liefdesgeschiedenis van haar hoofdpersonen gecombineerd met de ineenstorting van het politieke systeem van de DDR.  Achter beide hoofdstukken is een punt gezet. Voorgoed voorbij.

     

     

  • Verslag van een uitroeiing

    Na een min of meer gedwongen verblijf van vijftien jaar in België ziet de Belgisch-Palestijnse schrijfster Fatena Al Ghorra (1974) in oktober 2023 eindelijk kans een bezoek te brengen aan haar familie in Gaza. Drie dagen later is het 7 oktober. Drie maanden lang zit ze vervolgens gevangen in een hel. In Uittocht naar Gaza – Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis bericht ze van binnenuit hoe het is om een van de zwaarste vergeldingsacties in de recente geschiedenis mee te maken. Het is een ‘verslag van een uitroeiing’, volgens (de niet nader omschreven) Rachida Lambaret in het voorwoord.

    Naast het voorwoord en een hoofdstuk ‘Wat voorafging aan de terugkeer’ bestaat Uittocht naar Gaza uit 23 brieven aan Lamar, het elfjarige nichtje van de schrijfster. Lamar is ook afkomstig uit Gaza, maar is daar pas veel later dan Fatena uit vertrokken. De brieven zijn voor het grootste deel geschreven vanuit het Al-Quds-ziekenhuis, waarheen de familie al gauw na aankomst van Fatena haar toevlucht moest nemen. Opvallend genoeg wordt er maar weinig gezegd over de politiek-actuele context. De naam Hamas valt bijvoorbeeld nergens in de brieven en er wordt niet expliciet gerefereerd aan de terreuraanslag van 7 okober 2023. Hoewel het oorlogsgeweld en de vernietiging van land en volk op elke pagina aanwezig zijn, lezen we nergens de naam Israël. Zo krijgt Uittocht naar Gaza een universele geldigheid, die veel verder strekt dan de concrete situatie van nu. Pregnant in dat verband is dat de oude moeder van Fatena blootsvoets het familiehuis verlaat, op weg naar het ziekenhuis; precies zoals ze tachtig jaar daarvoor tijdens de Nakba als kind op blote voeten de straat op werd gejaagd tijdens de etnische zuivering bij de vorming van de staat Israël. 

    Zonder opsmuk

    Het voorwoord door Lambaret geeft helder weer wat we gaan lezen: ‘Ze schrijft zonder opsmuk over die angst in de ogen van volwassen mannen en kleine kinderen. Ze beschrijft de vuiligheid, de harde ziekenhuisvloer waarop ze wekenlang zonder matras op (sic) sliepen. Ze beschrijft hoe kinderen haar geduld op de proef stelden door luidruchtig door de gangen en kamers van het ziekenhuis te rennen. Ze schrijft hoe zij en de haren tussen hoop en wanhoop laveerden, tussen het verleden en het heden, tussen verbeelding en harde realiteit, tussen zingen en huilen.’ Op die manier wordt de lezer, bekend met de beelden en verslagen van buitenaf, haast lijfelijk gewaar wat zich afspeelt áchter die nieuwsberichten. Hoe families (nooit is er sprake van gezinnen, de familiale infrastructuur van ooms, tantes, neven en nichten is voor de lezer niet te doorgronden) op de gangen hun ‘huis’ claimen en markeren met een plastic vloerkleed en iets wat op een primitief keukentje lijkt.

    Zo wordt het ziekenhuis een wereld op zich, een minisamenleving met alle verworven- en gevoeligheden vandien. Tot ook díe wijkplaats ten onder gaat aan het nietsontziende, meedogenloze oorlogsgeweld en de familie gedwongen is weer verder te vluchten, kilometers te voet over kapotgebombardeerde straten en langs huizen die nauwelijks als zodanig te herkennen zijn, voortdurend op de hoede voor scherpschutters en uitgeleverd aan de sadistische grillen van wachtposten en onberekenbare bezetters. 

    Wie is Lamar?

    Probematisch is de identiteit van de geadresseerde van de brieven. Zo blijft de precieze aard van de relatie van de schrijfster met haar nichtje Lamar in het ongewisse. De vraag dringt zich zelfs op of Lamar wel echt bestaat. Soms is ze een ingewijde en gaat het over ‘je vader’, ‘je oom’ of ‘je neef’. Dan weer schrijft haar tante: ‘Het is traditie in Gaza om het seizoen van de rode peper, dat half juni begint en tot oktober duurt, te vieren.’ Als kind van Gaza weet Lamar dit heus wel; de informatie is bedoeld voor de lezer. En is het logisch om in een brief aan een elfjarige het woord ‘alluderen’ te gebruiken? En te schrijven: ‘Ik weet dat angst en ongerustheid je jonge ziel opvreten, hoewel je al zo bewust en groot bent’? En gedetailleerd melding te maken van afgeschoten benen, door kogels doorboorde ogen, het blaasprobleem van de schrijfster en de ‘moeite die ik heb om het onder controle te houden’? Zo wordt de keuze van een elfjarig nichtje als geadresseerde van de brieven een krampachtige literaire ingreep, die ertoe leidt dat ook de lezer van het boek zich niet altijd raad weet met zijn positie. 

    Wat niet wegneemt dat Uittocht naar Gaza / Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis een overtuigend oog- en oorgetuigeverslag is van wat een getormenteerd volk doormaakt onder het buitenproportionele geweld van een wraakzuchtige vijand. In tachtig jaar is de Palestijnse bevolking geen stap verder gekomen; nog steeds op blote voeten. 

     

     

  • Een belangrijke nieuwe schakel in De tandeloze tijd

    Eindelijk is ook voor de gewone lezer Kastanje a/d Zee, dat in 2016 in een zeer kleine, bibliofiele oplaag verscheen, beschikbaar. Deze keer met een prachtig klassieke omslag van J. Tapperwijn in de stijl van het begin van de cyclus De tandeloze tijd. Plus een uitgebreider nawoord van de auteur, waarin hij Kastanje a/d Zee kwalificeert als ‘een erotische studie van de jaloezie in al haar facetten en verschijningsvormen.’

    Het grootste deel van deze roman is letterlijk een ‘Kammerspiel’, met als locatie het Nijmeegse zolderkamertje van Marike de Swart. Zij is een belangrijk personage in De tandeloze tijd, soms staat ze centraal, dan weer duikt ze via een korte passage in een nieuw deel op. Maar daarover later. We zoomen met Kastanje a/d Zee letterlijk in op de relatie van Albert en Marike in het Nijmegen van 1975, afgewisseld met passages uit het Geldrop van de jaren zestig. Misschien ook vanwege het aantal pagina’s, (231) maakt het geheel een strakker gecomponeerde indruk dan de lijviger delen van de cyclus.

    In de jaren zestig maken we de kennis met rivaliteit tussen de scholieren Albert Egberts en Hans Krop. De laatste is een knappe atleet, afkomstig uit de lokale goudkust, de wijk Skandia, vol hoogopgeleide ingenieurs die bij Philips in Eindhoven werken. Albert is intelligent en verbaal begaafd, maar woonachtig aan de verkeerde kant van het riviertje de Dommel, met een vader die drinkt en familieleden die in de oorlog aan de verkeerde kant stonden. Krop is ook de leider van een troepje jongens uit Skandia, waarin Albert zowaar wordt toegelaten. Onder de groepsdreiging dwingt Krop hem om zijn huiswerk te maken en ‘steelt’ hij Alberts bijzondere uitspraken om indruk te maken op meisjes als de schoonheid Wilma Allebrandi. Wanneer Albert De deur van Simenon leest, beseft hij wat voor een gecompliceerde wederzijdse rivaliteit er tussen hem en Krop bestaat. En dan blijkt tien jaar later in Nijmegen Alberts vriendin Marike enigszins verliefd op Krop te zijn en laait zijn jaloezie weer op, heviger dan ooit.

    Prachtige zinnen en bijzondere metaforen

    Van der Heijden gebruikt allerlei varianten van het begrip – minnenijd, ijverzucht, afgunst – en vertrouwt zijn rivaal toe dat hij alle passages uit Othello over jaloezie uit zijn hoofd heeft geleerd. Gezien de thematiek wemelt het in Kastanje a/d Zee van de seksscènes die door Albert van bloemrijk, soms grappig commentaar worden voorzien. Met name bij een NVSH-lezing over ‘vrouwelijke ejaculeren’, waarbij een assistente van de wetenschapper dit ook daadwerkelijk demonstreert.
    De roman staat ook weer vol met prachtige zinnen en bijzondere metaforen, waarvoor Van der Heijden nu eenmaal garant staat. Zo blikt de verteller vanuit het Amsterdam van eind jaren negentig terug op dat oude ‘dramma delle gelosia’: ‘Er waren mooiere vrouwen in zijn leven geweest dan Marike de Swart – vrouwen ook aan wie Albert op middelbare leeftijd betere herinneringen bewaarde dan aan haar.

    En toch… ‘als hij heel eerlijk was, vooral tegenover zichzelf, moest Albert toegeven dat geen van die vrouwen, ook zijn gouden Zwanet niet, hem fysiek zo diep geraakt had als de op het oog onaanzienlijke Marike. (…) Alleen met Marike de Swart was het in de kaalgeslagen Tuin der Lusten goed verboden vruchten plukken. Buitengewone uiterlijke schoonheid zou haar alleen maar op afstand geplaatst hebben.’ Albert zou er misschien net zo door verlamd zijn als in de tijd van Corinne, die aan de vooravond van haar carrière als fotomodel ‘zijn impotentie ontmaskerd’ had. De verteller besluit met de mededeling dat de oudere Albert op de drempel van de slaap geregeld Marike seks ziet hebben met een rivaal, waarbij ze hem een schuldbewuste blik toewerpt.

    En dan de kastanjeboom

    Terug naar 1975: De seks in Kastanje a/d Zee is niet altijd lief en aardig, want Albert wil doorgaan tot ‘het hele erge’, het weerzinwekkende. Merkwaardig dat sommige critici Van der Heijden verweten dat hij hierin opereerde als een relict uit de jaren zestig-zeventig. Ten eerste speelt de roman in die tijd en ten tweede verzet de verteller zich expliciet met zoveel woorden tegen de ‘vrijheid-blijheid’ uit die jaren. Ten derde is Alberts voorkeur voor het weerzinwekkende debet aan de enige remedie die hij kan bedenken voor zijn ondraaglijke obsessie met Krop. Namelijk een trio is, waarbij hij zijn rivaal met Marike ziet vrijen. Op Hemelvaartsdag, maar het zou voor Albert een ‘Hellevaartsdag’ worden.

    Dan gaat de boom uit de titel een rol spelen. ‘Ergens aan de Noordzeekust (…) In een van de duingebieden (…) In de voorste regionen. Vlak aan het strand’ bevindt zich een paardenkastanje. Albert werd daar in april 1973 met Marike bedwelmd door de zware geur van kastanjebloesem, vermengd met zilte zeelucht. Spermalucht, denkt Albert. Vooruitziend, want later meent hij te ruiken dat zijn rivaal Krop de geur van ‘Kastanje a/d Zee no 5’ bij Marike heeft veroorzaakt. Op een halfslachtige manier revancheert hij zich tenslotte voor de ‘Hellevaartsdag’, gevolgd door een vechtpartij met Krop op straat die door de politie wordt beslecht.

    Belangrijke rol Marike Swart

    Marike de Swart speelt met name in de delen Vallende ouders en De gevarendriehoek, waarin gebeurtenissen uit Alberts jeugd in Geldrop afwisselen met zijn dagelijks leven in Amsterdam en Nijmegen, een belangrijk rol. Het is in de ‘Keizerstad’ waar hij Marike leert kennen, ze helpt hem van zijn impotentie af en neemt een paar jaar later in Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras met haar partner Gidion Schwantje deel aan seksuele groepsspelletjes waarbij ook Albert aanwezig is.
    De verteller van Kastanje a/d Zee, die hierboven terugkijkt vanuit het Amsterdam van eind jaren negentig, ‘verzwijgt’ hier dat Albert in De helleveeg (2013) wederom aan impotentie leed en naar eigen zeggen op bezoek ging bij het meisje dat ‘me vier jaar eerder zo geduldig van dienst was geweest bij het herstel van mijn krachten.’ Maar Marike stuurde hem weg.

    Er is nog meer. Decennia later – volgens de tijdrekening van de cyclus – speelt ze als Marique met haar Gidion een hoofdrol in de novelle Schwantjes’s Fijne Vleeschwaren (2019), waarin sprake is van een moord. In Stemvorken (2021) vertelt Alberts echtgenote Zwanet hoe ze ooit getuige was van het seksuele ongemak van Marike, die zij gefascineerd ‘Het Onaanzienlijke Meisje’ noemt. Tijdens haar liefdesspel met Corinne Suwijn voert ze dit verhaal geregeld op. Pas in Zogkoorts (2023) geeft Zwanet de gedetailleerde beschrijving van Marikes lesbische ontmaagding. Een jaar later, in 1975, ziet zij haar weer, in Nijmegen, bij de bovengenoemde NVSH-lezing. Overigens, voor het eerst ook Albert Egberts.

    Belangrijke nieuwe schakel

    Een complicatie voor sommige lezers van Kastanje a/d Zee is dat ze het personage Krop kennen uit deze twee romans, waarin Zwanet haar overrompelende relatie beschrijft met diens echtgenote Corinne. Ze bevatten daarnaast vooral via Krop, enige sporadische verwijzingen naar Kastanje a/d Zee, onder andere de homo-erotische spelletjes in 1965, Hemelvaartsdag 1975 en de vechtpartij op straat. Die verwijzingen vallen pas op bij herlezing. Voor degenen die nog moeten beginnen aan Stemvorken en Zogkoorts is Kastanje a/d Zee niet alleen een belangrijke nieuwe schakel in de De tandeloze tijd-geschiedenis uit de jaren zeventig. Dit boek bereidt hen ook, op een zodanige manier voor op de twee romans, dat die op hun beurt ook sterker verankerd worden in de cyclus. Het negende deel daarvan, De IJzeren Man verschijnt hopelijk nog dit jaar.

    Een voorproefje daarvan verscheen met de novelle Ik zou van de hoge, ik zou in het diepe (2020), over de mooie Geldropse zomer van de jonge Albert met zijn Duits vriendje Stefan. Een schaduw daarover wordt geworpen door een verzetsdaad van Stefans ooms Allebrandi twintig jaar eerder, waarover de waarheid pas weer een halve eeuw later wordt onthuld. De boerderij van de Allebrandi’s kennen we ook uit Stemvorken. In het Geldropse zwembad zien we bovendien een vijandige, jonge Krop, maar ook Alberts allereerste ontmoeting met Corinne Suwijn. En weer een boom – deze keer een grote eik – staat centraal in Ik zou van de hoge, ik zou in het diepe. Hoe Van der Heijden een en ander in de wederom omvangrijke roman De IJzeren Man gaat vormgeven? We zijn benieuwd.

     

     

  • Al dwalende het spoor vinden

    In IJsvogel, de debuutroman van beeldend kunstenares Lotta Blokker, raken drie verhaallijnen langzaam maar zeker met elkaar verweven. De eerste verhaallijn volgt Lieke en Vincent. Lieke wordt overweldigd door een bijna obsessieve liefde voor Vincent, terwijl hij zijn gevoelens voor haar probeert te plaatsen als een zijweg naast zijn huwelijk. De tweede verhaallijn volgt Erik, een vader die diep rouwt om zijn zoon en door een mysterieuze ontdekking herinneringen aan het verleden ophaalt. In de laatste verhaallijn volgen we Max, die een jonge vrouw en haar dochtertje vanuit zijn raam bespiedt en filmt—gevangen in een wereld van voyeurisme en geheimen.

    De verhalen raken elkaar zijdelings door enkele ogenschijnlijk toevallige gebeurtenissen. Zo vindt vader Erik een boek dat een belangrijke rol speelde in de relatie tussen Lieke en Vincent, en ontdekt Max al snel dat de vrouw die hij observeert niemand minder dan Lieke is. Gaandeweg wordt duidelijk dat de roman vooral om Lieke draait en dat haar innerlijk leven sterk in het verhaal doorklinkt. Ze beschrijft hoe ze mannen aantrekt, hoe ze sociale media verafschuwt en waarom ze zo bezig is met hoe ze op anderen overkomt. Blokker schetst dit alles op een beeldende manier, met lange zinnen die als een ononderbroken stroom voortdenderen: ‘Wat zou ze graag die hond willen zijn, zodat ze op elk gewenst moment onder het bureau van Vincent kan kruipen, om schaamteloos naar zijn aantrekkelijke gezicht te loeren, naar zijn prettige stem te luisteren en likjes te geven aan zijn ruige werkershanden aan die sterke, behaarde onderarmen.’

    Wankelende verhaallijnen

    Terwijl Liekes verhaal goed is uitgewerkt, blijven de andere verhaallijnen achter in ontwikkeling. Vincents perspectief is minder beeldend, wat de indruk wekt dat Blokker er minder nadruk op heeft gelegd. Bovendien vervalt het verhaal in verschillende clichés: een getrouwde man die verliefd wordt op een ander maar zich op het moment dat hij de sprong wil wagen toch terugtrekt, biedt weinig nieuws. Ook de manier waarop zijn vrouw, Emma, wordt neergezet, is stereotiep. Ze is ontrouw, maar het wordt niet duidelijk waarom ze vreemdgaat. Zonder nuance of diepgang wordt zij neergezet als de ‘boosdoener’ terwijl Vincent, die zich in weet te houden, de ‘goede’ man blijft. Dit is een te simplistische en weinig geloofwaardige weergave.

    Die ongeloofwaardigheid zet zich voort in de verhaallijnen van vader Erik en Max. Beiden krijgen te weinig ruimte om echt tot leven te komen. De complexe relatie tussen vader en zoon wordt pas op de laatste pagina’s aangestipt, wanneer blijkt dat de afwezige moeder hierin een grote rol speelde. Net op het moment dat je begint te begrijpen wat er met de zoon is gebeurd, eindigt de verhaallijn abrupt. Max’ verhaallijn blijft even oppervlakkig: hoewel we weten dat hij een voormalig alcoholist is, wordt er verder weinig over hem onthuld. Zijn verhaal lijkt vooral een middel om Liekes lot te verklaren, zodat zijn karakter onderbelicht blijft.

    Raakvlakken in thematiek

    De verhalen zijn wél met elkaar verbonden door de thematiek: ze draaien allemaal om mensen die door moeilijke tijden gaan. Blokker maakt hiervoor gebruik van een citaat van Vincent van Gogh: ‘Wat de rui is voor de vogels, de tijd waarin ze hun veren verliezen, dat zijn de tegenslag of het ongeluk, de moeilijke tijden voor ons mensen.’ In elk verhaal speelt rouw een belangrijke rol, en de personages gaan daar ieder op hun manier mee om. Voor Lieke uit rouw zich in obsessiviteit, zowel in haar werk als in de liefde. Vincent verwerkt zijn rouw door uiteindelijk voor de ‘juiste’ keuze te gaan. Vader Erik worstelt met zijn verlies door vast te blijven zitten in oude denkbeelden over zijn zoon.

    Toch vinden alle personages, al dwalende, uiteindelijk hun spoor. Blokker laat hiermee zien dat zelfs in de meest penibele situaties iets goeds op je pad kan komen. Ondanks de zwaarte van het thema is de toon van de roman niet somber. Met kleine details belicht Blokker ook de schoonheid van het leven, zoals in de scène van een kind dat speelt met haar moeder, in Max’ verhaal. Niet alleen worden de kleine details in de schoenen van het kind beschreven — om het speelse van het leven te benadrukken —, maar ook hoe de herhaling van dagelijkse speelse momenten tussen moeder en dochter juist betekenis geeft aan het leven.

    De ijsvogel als symbool

    De titel IJsvogel verwijst naar een vogel die in de literatuur vaak symbool staat voor geluk en voorspoed die onverwachts op je pad kunnen komen. Hoewel de ijsvogel slechts één keer expliciet in de roman voorkomt — op een verrassend onbeduidend moment — is hij toch een krachtig symbool. Zoals de vogel na de rui een nieuw verendek krijgt, zo krijgen ook de personages in het boek een nieuwe kans. Hun tegenslagen maken hen kwetsbaar en openen de deur naar verandering en hoop.

     IJsvogel is een roman over verlies, rouw en de zoektocht naar betekenis. Blokker verweeft verschillende verhaallijnen en schetst op een beeldende manier de innerlijke wereld van haar personages. Hoewel sommige verhaallijnen sterker uit de verf komen dan andere, biedt het boek een blik op hoe mensen omgaan met tegenslagen. De ijsvogel, als symbool van onverwachte voorspoed en nieuwe kansen, vormt een verbindend element in deze verhalen over verandering en veerkracht.

     

  • Zoektocht naar identiteit

    Bijna vijftig jaar geleden verscheen En dan is er koffie van Hannes Meinkema (1944-2022), pseudoniem van Hannemieke Stamperius. Het boek deed nogal wat stof opwaaien vanwege de vele seksscènes, het roken van stickies en de losse levenswijze van personage Rosa. Voor jonge vrouwen die het lazen ging er een wereld open. Een wereld van feministische gedachten die nog nooit zo luid uitgesproken waren, hoewel de woorden emancipatie of feminisme nergens genoemd worden. In dit boek denkt iedereen, behalve protagoniste Rosa, juist stereotype en conservatief en precies dat is de spiegel die laat zien hoe bekrompen de denkwereld in die tijd was ten opzichte van seks en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. En dan is er koffie is opnieuw uitgegeven en het nu te herlezen is een verrassende herkenning. Het is niet gedateerd, maar ook niet meer van deze tijd, hoewel de liefdesperikelen van adolescenten, hun zoektocht naar eigen identiteit, rolpatronen, eenzaamheid en onbegrip, van alle tijden zijn.

    Vijftig jaar geleden brak Meinkema door met deze ‘familieroman Koffie’, zoals ze het boek noemde, aldus haar dochter Vita Stamperius in het voorwoord. Deze nieuwe uitgave bij Prometheus kreeg als ondertitel ‘De oerroman van het feminisme’ mee. Een belangrijke feministische roman is het zeker, net als De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt, dat in hetzelfde jaar verscheen.

    Familierelaties

    En dan is er Koffie is in een opmerkelijke vorm gegoten. Van maandag tot en met zondag lezen we over de gedachten en bezigheden van de verschillende familieleden. Iedereen leeft toe naar zondag, de dag waarop vader Jacques jarig is. Korte stukjes vanuit steeds een ander perspectief met een cliffhanger aan het einde, of het stukje stopt in media res, zonder dat daar echt op teruggekomen wordt.

    We volgen vooral oudste dochter Rosa, zij heeft de meeste perspectieven. Maar ook haar broer Jaap, zijn vriendin Josien, haar zus Arja, haar vader Jacques en moeder Cora en haar vriendje Douwe komen aan het woord vanuit de derde persoon. Dat is even wennen, maar nergens onduidelijk, het is zelfs verfrissend om hun onzekere gedachten en vooroordelen over seks, hun leugens en angsten dat ze er niet bij horen te volgen. De mannen denken patriarchaal en dominant, zoals vader Jacques. ‘Andere vrouwen staan op tijd op om het ontbijt voor hun man te maken, maar Cora niet, hoor. Cora wil verwend worden. In een zwak moment is-ie ermee begonnen en zo is Cora: voor je ‘t weet heeft ze je zover gebracht dat je er een gewoonte van maakt.’

    De vrouwen denken onderwerpend en verzoenend, zoals een van de vriendinnen van Douwe, die in het midden laat of ze aan de pil is. ‘(…) hij denkt dat ze ‘m slikt. (…) “heb je wel eens eerder een vriendje gehad?” “Natuurlijk.” Wat een vraag. Alsof er een vrouw bestond die nee zou zeggen. “En wat deed je eraan?” “Ik slikte de pil.” “Mooi dan is dat dus oké.”’

    Branie en zachtheid

    Rosa is 26 en docente Nederlands en maatschappijleer op een middelbare school. Ze is vrijgevochten, bloedmooi, kleedt zich wulps, drinkt oude jenever als een kerel, blowt en heeft seks met wie maar wil. Rosa denkt na en laat zich niet temmen, ze is de feministe avant la lettre en shockeert graag: haar collega’s, haar ouders, haar vrienden. Ze heeft een vage relatie met Douwe, die ze op afstand houdt omdat ze niet in een keurslijf wil zitten en geen verwachtingen bij hem wil wekken. Toch is hij de enige die haar begrijpt. Het mooie en sterke van Rosa’s personage is dat ze ondanks haar branie ook verlangt naar aandacht van haar ouders, erbij willen horen, warmte en begrip, terwijl ze die tegelijkertijd afwijst. ‘Ze kan zichzelf niet uitstaan. Die hele rotfamilie zou haar niets moeten kunnen schelen, geen moer. En toch doet het pijn.’

    Er zijn vage toespelingen op de vader-dochter relatie. Rosa haat haar vader, een ouderwetse huisarts, die liefst zo min mogelijk gestoord wordt door zijn gezin. Hij is niet Rosa’s biologische vader. Haar moeder was eerder getrouwd, een onthulling die op de laatste bladzijde nog een verassing in petto heeft. Met haar moeder heeft ze een verdraagzame relatie. Mooi beschrijft Meinkema hoe de moeder heel andere verwachtingen koestert over haar dochter, wanneer ze samen voor Rosa een jurk gaan kopen die tenminste decent genoeg is om zondag aan te trekken. ‘Het plastic tasje staat naast de stoel. Cora kijkt er even in, voelt aan de stof. Misschien toch niet zo’n slechte keus, bij nader inzien. “Keurige jurk,” zegt Rosa ervan. “Doe je ‘m zondag aan?” vraagt ze, ze hoopt een beetje achteloos. “Als je dat graag wilt.”’ Natuurlijk doet Rosa de jurk zondag niet aan.

    Heerlijk herkenbare cliché’s 

    Zus Arja is dol op haar vader, maar ook zij wordt door hem niet echt gezien. Zonder dat het uitgesproken wordt, worstelt Arja met lesbische gevoelens voor een lerares. Broer Jaap stapt in de voetsporen van zijn vader, hij studeert medicijnen en is corpsbal. Hij woont stiekem samen met Josien, hun relatie druipt van de geheimen en wederzijds onbegrip. Josien verlangt naar het huwelijk en een gezin, zonder echt te beseffen wat dat betekent voor haar eigen vrijheid. Jaap wil een vrouw die hem gehoorzaamt en waarmee hij voor de dag kan komen. De stereotype relatie die gedoemd is te mislukken als hij begrijpt dat hij niet haar eerste vriend was. ‘Hoelang woonde ze al niet bij ‘m, en geen woord al die tijd. Hem laten geloven dat-ie de eerste was.’

    In het laatste hoofdstuk vindt vaders verjaardag plaats, iedereen is aanwezig. De verwachtingen zijn hoog gespannen en de cliché’s die horen bij zo’n verplicht feestje zijn heerlijk herkenbaar geschreven.

    Niemand lijkt echt sympathiek in En dan is er koffie, maar door hun gedachten te kennen worden de personages zo ontzettend menselijk dat sympathie er niet meer toe doet. Met haar sterke, toegankelijke stijl loodst Hannes Meinkema de lezer vlot door het leven van verschillende vrouwen. Ze haalt seksualiteit uit de taboesfeer en beschrijft hun gevoelens op een manier die vijftig jaar geleden nog niet gewoon was. Dit boek opnieuw uitgeven was een goed idee. Oudere generaties, feministen uit de jaren zeventig, zien dat vrouwen een stuk vrijer en geëmancipeerder zijn geworden. Hun kinderen, dochters, zullen waarschijnlijk denken: ‘Goh, er is nog heel wat te doen.’

     

     

  • Systeem mag niet belangrijker zijn dan de mens

    Als een succesvolle voetballer later als coach niet slaagt, wordt wel eens gezegd dat een goede speler nog geen goede trainer is. Iets dergelijks kan over andere vakgebieden worden gezegd. Dat doet strafrechtadvocaat Stijn Franken over de rechtspraak: ‘In de Hoge Raad der Nederlanden, het hoogste rechtscollege van ons land, zitten ongetwijfeld heel goede juristen. Dat wil niet zeggen dat zij daarom goede rechters zijn’. Het valt te lezen in Laatste man. Over schuld, straf en sterfelijkheid. Het is een titel die vraagt om een verklaring en dat geldt ook voor het auteurschap.

    Het boek is allereerst niet geschreven door Franken zelf, al zal hij elk woord hebben gecontroleerd, maar door Miek Smilde. Haar naam wordt op het omslag niet vermeld, maar ze presenteert zich in het eerste hoofdstuk en op de laatste pagina (‘Over de auteur’) wel zo. Ze blijkt Franken, een goede bekende van haar, vaker voorgesteld te hebben over zijn ervaringen te schrijven, maar dat wil hij nu pas na dertig jaar praktijk. Hij heeft er drie redenen voor: hij vindt dat er te weinig bekend is over het vak van strafrechtadvocaat en hij maakt zich zorgen over het functioneren van de strafrechtspleging. De derde reden is dat hij uitgezaaide kanker heeft en daarom dit moment geschikt acht om zijn gedachten na te laten. Zie daar de verklaring van de titel.

    Zelfreinigend vermogen

    Over zijn sterfelijkheid laat Franken weinig los; over de manier waarop schuld in een strafproces wordt vastgesteld en de zin van straffen des te meer. Hij heeft wat dat betreft recht van spreken na een periode van dertig jaar waarin hij in beroemde strafzaken – soms in een later stadium – optrad als verdediger van Willem Holleeder, Volkert van der G. , Charles Z, Lucia de Berk en anderen. Franken vat beknopt samen hoe hij bij deze zaken betrokken raakte en welke rol hij kon spelen. Ze vormen voor hem echter vooral aanleiding om zijn zorgen te ventileren over wat er aan strafprocedures schort. Zo vindt hij dat strafrecht soms wordt toegepast in gevallen waarin hulpverlening meer op zijn plaats zou zijn en dat het ‘zelfreinigend vermogen van de rechtspraak’ niet groot is. In het strafrecht wordt vooral van het systeem uitgegaan en niet van het belang van de mens of de rechtvaardigheid (Iets dat ook buiten het strafrecht speelt – zie de Raad van State die tijdens de toeslagenaffaire bekende dat hij teveel had vertrouwd op de correctheid van de regels van de overheid). Wat daar mede aan bijdraagt is dat er blijkbaar een grote behoefte is aan geruststelling onder het publiek (‘gelukkig, de dader is gepakt’) wat leidt tot een beeld waartegen geen kruid meer gewassen is. Franken ervoer dat advocaten vaak worden gewantrouwd, niet alleen door het publiek en media, maar ook door het OM en rechters (‘animositeit tussen de togadragers’).

    Penvoerder

    Er bestaat volgens Franken in het strafrecht een kloof tussen de rechterlijke macht en verdachten, die een beetje doet denken aan wat aan de orde wordt gesteld in De zeven vinkjes van Joris Luyendijk of Armoede uitgelegd aan mensen met geld van Tim S’Jongers: rechters zijn hoogopgeleid, komen uit betere milieus en zijn blank en Nederlands terwijl verdachten van strafzaken vaak rugzakjes hebben, laagopgeleid zijn en uit weinig bevoorrechte milieus komen.

    Blijkens het inleidende hoofdstuk wilde Franken niet dat het boek een hagiografie zou zijn. Dat is het ook niet geworden al schurkt het er uiteindelijk toch een beetje tegenaan. Het is dan wel geschreven door Miek Smilde, maar zij is niet meer dan de penvoerder van een advocaat die onweersproken zijn verhaal doet. Kritische vragen stelt Smilde niet en er komt niemand anders aan het woord. Laatste man is daarnaast niet het boeiende verhaal dat het misschien had kunnen zijn. Daarvoor vervalt Franken teveel in herhalingen en illustreert hij zijn – op zich behartenswaardige woorden – wel met voorbeelden zoals hij ze zelf beleefde, maar komt hij niet toe aan meer diepgang. Wie geïnteresseerd is in problematische kanten van het strafrecht heeft daarom meer aan bijvoorbeeld Waarheidsvinding van Ton Derksen, dat ook vorig jaar verscheen.

     

     

  • Over grenzen

    Er zijn zo van die boeken waardoor je na een eerste lezing wat verweesd achterblijft. Verweesd, of zelfs wat verdwaasd. Wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Wat is de bedoeling van dit werk? Dit was ook de eerste gedachte na het lezen van de novelle De bruidegom was een hond van Yoko Tawada. Slechts 68 bladzijden, maar toch een bizarre leeservaring. Nochtans is de auteur niet van de minste. Tawada is een van de meest gelezen, meest vertaalde en best verkopende Japanse auteurs, die haar werken zowel in het Japans als Duits schrijft. Ze won al verschillende literaire prijzen waaronder de prestigieuze Japanse Akutagawaprijs voor deze novelle. De bruidegom was een hond behoort tot haar vroegere werk en verscheen voor het eerst in 1993. Nu bracht Koppernik het uit in een vertaling van Luk van Haute.

    Papieren zakdoekjes

    In De bruidegom was een hond maken we kennis met Mitsuko Kitamura, naar eigen zeggen 39 jaar, een dame die haar huis openstelt voor bijlessen. Kinderen gaan met plezier naar de lessen van juf Kitamura ,of naar Klas Viezemura, zoals ze die soms noemen, omdat ze altijd bizarre verhalen vertelt. Zo leert ze de kinderen papieren zakdoekjes te hergebruiken, ook als ze al vochtig zijn en vol met snot, zelfs om daarna hun billetjes mee af te vegen, want dat voelt zo zacht. Of ze vertelt het verhaal van een prinses die een hond had die haar billetjes schoonlikte na het poepen. De kinderen komen thuis met die vreemde verhalen. Ouders roddelen over die vertelsels, bellen elkaar op, maar geloven toch niet alles wat er verteld wordt. Kinderen hebben immers een rijke fantasie en er doen verschillende versies van de verhalen de ronde. Opeens komt er een man in het leven van Mitsuko. Plots is hij daar, begint het huis schoon te maken en heeft veelvuldig seks met haar. Details over de man, Taro genaamd, en zijn achtergrond zijn niet bekend. Ook hierrond ontstaan de wildste verhalen, tot een moeder Mitsuko aanspreekt en zegt dat Taro de weggelopen man is van Ryoko, een vrouw aan de andere kant van de stad. Na een ontmoeting met Ryoko leert Mitsuko dat Taro ook een relatie heeft met de vader van een van haar leerlingen. Het eind is bizar en verrassend.

    (Voor)oordelen?

    Geruchten leiden een eigen leven en worden ook steeds groter en vreemder. Dat lijkt een van de thema’s te zijn die Tawada meegeeft in deze novelle. Na elke les komt er wel een roddel bij, maar het blijft altijd ‘van horen zeggen’. Wordt de waarheid geweld aangedaan of niet? In lange zinnen, maar toch een zakelijke en nuchtere stijl beschrijft de auteur tot in de details de controversiële handelingen van juf Kitamura. Een handelsmerk van deze populaire Japanse auteur is het schrijven over grenzen:  het verschil tussen culturele en geografische grenzen of ook de grenzen tussen droom en werkelijkheid. In De bruidegom was een hond worden de situaties steeds absurder en kan je je als lezer afvragen of er geen grenzen worden overschreden. Waar trek je de grens? Wie oordeelt daarover? Zijn we niet te veel aan het vooroordelen en veroordelen? Het hoofdpersonage Mitsuko lijkt zich niet veel aan te trekken van de grenzen en de lezer krijgt ook een houding van, tja, moet kunnen, toch? Maar wanneer gaat het dan te ver? Is er sprake van grensoverschrijdend gedrag? Ook de ouders in het werkje worstelen hiermee. In elk geval lijkt Tawada te stellen dat het best ok is om anders te zijn, om niet mee te gaan in de conventies en geplogenheden van de heersende maatschappij. Oordelen en veroordelen liggen niet ver uiteen. De invloed van Kafka is ook heel duidelijk aanwezig in haar werk en het kan perfect gerekend worden tot de absurde literatuur, al is Haruka Murakami en het postmodernisme ook niet ver weg. In elk geval kan De bruidegom was een hond best een tweede lezing verdragen en de lezer doen stilstaan bij het anders-zijn en anders-denken, los van het feit of grenzen al dan niet worden overschreden.

     

     

  • Manon Lescaut: tussen kunst en kitsch

    De roman Manon Lescaut uit 1731 is geschreven door Abbé Prévost (1697-1763) en diende als basis voor de beroemde opera van de Italiaanse componist Giacomo Puccini (1858-1924). Dat is allemaal bekend, maar niet helemaal correct. De titel van de roman luidt namelijk: Het verhaal van chevalier Des Grieux en Manon Lescait en de auteur heet voluit Antoine François (Abbé) Prévost d’Exiles. Toen zijn boek uitkwam, werd het meteen verboden vanwege het schandalige gedrag van de hoofdpersonen wat ongetwijfeld heeft bijgedragen aan het onmiddellijke succes. Het is een klassieke raamvertelling: de fictieve markies de Renoncourt heeft het verhaal ‘volkomen exact en waarheidsgetrouw’ opgeschreven zoals de chevalier hem dat verteld heeft. We krijgen daarmee ook de visie van de chevalier op de gebeurtenissen en ook zijn kijk op Manon Lescaut. Zij heeft nauwelijks een eigen stem, behalve in de dialogen met de chevalier. Voor de achttiende eeuw is dat niet vreemd, maar heden ten dage doet dat nogal gemankeerd aan.

    Abbé Prévost

    Abbé Prévost is in 1726 tot priester gewijd, maar het leven als monnik bevalt hem niet en hij gaat naar Engeland. Als huisleraar geeft hij Franse les, maar een leerlinge wordt verliefd op hem waarop hij wordt weggestuurd en de dochter uitgehuwelijkt wordt. Hij wil van zijn pen gaan leven en gaat naar Nederland omdat daar geen gebrek aan uitgevers is. In december 1730 sluit hij een contract met Étienne Néaulme (1701-1753) voor de romanreeks Mémoires d’un homme de qualité. Het zevende deel houdt met deze romanreeks slechts losjes verband: L’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut waarin de auteur misschien wel zijn liefde voor de Haagse courtisane Lenki Eckhardt heeft verwerkt. Prévost ondertekent zoveel contracten (en incasseert zoveel voorschotten), dat hij niet alle manuscripten op tijd kan inleveren. Op 17 januari 1733 wordt hij in Den Haag failliet verklaard, waarop hij opnieuw naar Engeland vlucht. Daar overspeelt hij zijn hand: in 1733 vervalst hij een schuldbekentenis, een misdrijf waarop hoge straffen staan. Eerloos en geruïneerd keert hij terug naar Frankrijk, waar de paus hem zijn afvalligheid van het katholieke geloof vergeeft: hij mag intreden in een Normandische abdij en wordt later aalmoezenier in Parijs. Publiceren is in die functies blijkbaar geen bezwaar: hij specialiseert zich in romanachtige geschiedenisboeken, biografieën, reisverhalen en vertalingen uit het Engels voor hij op 66-jarige leeftijd overlijdt.

    Het verhaal van Manon Lescaut

    Waar draait het om in de roman over Manon Lescaut? Het is, volgens het voorbericht van markies de Renancour, ter leringe ende vermaak: ‘Het is aangename lectuur en bevat bovendien maar weinig gebeurtenissen die niet tot lering kunnen strekken; ik sticht mijn lezers terwijl ik ze vermaak, en bewijs ze daarmee volgens mij een grote dienst.’

    In het eerste deel van het verhaal ontmoet de chevalier Manon Lescaut in een herberg, voordat zij – tegen haar zin – naar een klooster gestuurd wordt. Hij ontfermt zich over haar en ze gaan in Parijs samenwonen, maar hij kan haar niet onderhouden en ‘(…) in plaats van me boos te maken over de bedragen die zij soms over de balk smeet stond ik [de chevalier] direct klaar om haar alles te geven waarvan ik dacht dat het haar zou kunnen gerieven.’ Om aan geld te komen lijkt het erop dat Manon haar toegewijde geliefde bedriegt met een rijke, oudere man. Of wil ze hem enkel een flinke som geld afhandig maken waarmee ze comfortabel met de chevalier kan leven? Er volgen vele verwikkelingen: de chevalier is ‘ (…) geboren voor kortstondige vreugde en langdurig verdriet. Bevrijdde Vrouwe Fortuna me uit de ene afgrond, dan stortte ze me onmiddellijk weer in de andere.’

    Het tweede deel van het verhaal begint ermee dat een jonge edelman verliefd wordt op Manon Lescaut. Ze wil ‘(…) zijn geschenken aannemen en hem dan uitlachen.’ Hij biedt haar inderdaad een huis aan en een royaal jaargeld. Maar hij is wel zo slim dat ze eerst moet komen voordat hij haar het geld geeft. Ze belooft aan de chevalier meteen terug te komen zodra ze het geld in handen heeft. In plaats daarvan stuurt ze een mooi meisje met een briefje van haar: ze blijft liever een tijdje bij haar rijke minnaar om hem zo nog meer geld afhandig te kunnen maken. De chevalier stuurt het meisje terug en twijfelt aan de bedoelingen van Manon Lescaut: hij heeft niets meer dan liefde en trouw te bieden terwijl zij misschien op zijn armoe neerkijkt en met zijn argeloosheid spot.

    Wat interessanter is dan de vele verwikkelingen in het verhaal is de historische achtergrond in het tweede deel: begin 1720 worden meer dan honderd vrouwen uit een gevangenis in Parijs verscheept naar Louisiana, de Franse kolonie aan de Golf van Mexico. Ze zijn beschuldigd van prostitutie, maar de meesten zijn op grond van valse beschuldigingen opgepakt. De overtocht vindt plaats onder erbarmelijke omstandigheden: de vrouwen zitten aan elkaar geketend in een krap scheepsruim, met te weinig eten en drinken, waardoor meer dan de helft van hen de oversteek niet overleeft. Degenen die het wel overleven, moeten in Nouvel Orléans (het huidige New Orleans) een nieuw bestaan zien op te bouwen. Dit lot ondergaat ook Manon Lescaut in de roman. De chevalier reist echter met haar mee en raakt in een duel verwikkeld met een neef van de Gouverneur. Ze vluchten en Manon Lescaut overlijdt in de wildernis. Het slot van het verhaal wordt afgeraffeld: de chevalier keert terug naar Frankrijk.

    Het nachleben van Manon Lescaut

    Het verhaal van Manon Lescaut is bewerkt tot één of meer balletten, toneelstukken, televisieseries, speelfilms en opera’s. Het beroemdst is de opera van Puccini die van Manon Lescaut een tragische heldin maakt met wie het publiek kan meeleven. Ze is daarmee de eerste van de nog beroemdere vrouwen uit Puccini’s latere opera’s: Mimì (La Bohème, 1896), Floria Tosca (Tosca, 1900) en Cio-Cio-San (Madama Butterfly, 1904). In Puccini’s opera valt de chevalier op het eind – wanneer Manon Lescaut is gestorven – gek van verdriet in zwijm op haar dode lichaam.

    In Nederland zijn we inmiddels aan de derde vertaling toe van de roman. Martin de Haan werd voorafgegaan door J.A. Sandfort en Daan de Jong. In zijn inleiding wijst De Haan op ‘(…) de overdreven weergave van de gebeurtenissen zelf, die de personages even onwaarschijnlijk maakt als figuren uit een opera.’ Daarom zijn de gebeurtenissen in dit boek – ondanks alle goede bedoelingen – vooral kitsch en worden ze pas kunst in de opera van Puccini. Naar een opera ga je immers voor de muziek en is het verhaal maar bijzaak.

     

     

  • Prachtig en (on)Nederlands geschreven boek

    Waar alle wegen ophouden is een fascinerend literair verslag van de jarenlange zoektocht van Sana Valiulina (1964) naar het verleden van haar vader. Het is het vervolg op eerdere onderzoeken naar hem als voorbereiding op haar roman Didar en Faroek (2006). In Waar alle wegen ophouden laat Valiulina haar vader, ‘deze raadselachtige man’ historisch en poëtisch herleven. Valiulina is een Nederlands-Estisch schrijfster, dochter van een Tataarse oorlogsveteraan die na WO II krijgsgevangene werd gemaakt. Ze draagt haar boek op aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.
    Met Didar en Faroek schreef Valiulina een op de werkelijkheid gebaseerde roman waarin haar moeder een brief aan haar vader in de Goelag schreef die het begin is van een liefdevolle correspondentie. Het
     is een autobiografisch boek en begint met de laatste keer dat Valiulina haar vader zag ‘door de stoffige achterruit van de bus.’

    Als Sana Valiulina na een bezoek aan haar ouders in Tallinn terugreist naar Amsterdam is ze bang dat de bus waar haar ouders in zaten, ‘van koers zou veranderen, van de radar verdwijnen en schommelend op de golven over de zwarte rivier zou varen, naar waar geen vogelenzang meer klinkt en vanwaar niemand terugkeert.’ Als ze in Amsterdam is aangekomen, belt ze hen meteen op. Haar vader neemt op. ‘Pak van mijn hart.’ De bus is niet van zijn route afgeraakt en ‘…niet de modderige oever opgereden waar verloren schaduwen ordeloos samendrommen en heeft niet met de sombere veerman met zijn ongekamde baard en zijn afgedragen chiton koers gezet naar de zwarte wateren.’ De toon en poëtische stijl van het boek zijn gezet.

    Geheimen en beloftes

    Na deze opening, waarin zij de laatste ontmoeting met haar vader beschrijft, is de elfjarige Valiulina met haar vader op bezoek in Koktebel op de Krim. Ze gaan naar het strand en vader gaat zwemmen waar hij bijna verdrinkt in de ‘valse golven’, zoals een van de redders zei. Het eerste wat haar vader zegt: ‘Niets tegen mama zeggen, hoor!’ Tot aan zijn dood, zal zij zich aan haar belofte houden. Het in drie hoofdstukken opgebouwde boek beweegt, zoals in het begin hierboven, heen en weer in plaats en tijd. De zoektocht van Valiulina naar het kampverleden van haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog, speelt zich af na zijn vroegtijdige dood. De eerste helft van de jaren tachtig woonde Valiulina in Moskou en zo is haar vaders droom uitgekomen: zijn beide dochters zijn ontsnapt aan ‘het verschrikkelijke lot om verkoopster te worden in het centrale warenhuis van Tallinn’. 

    Als Sana Valiulina in 1989 in Nederland woont en Goelag Archipel van Solzjenitsyn voor het eerst heeft kunnen lezen, durft ze later aan haar vader te vragen of hij in een strafkamp heeft gezeten. Het zou de laatste keer zijn dat ze haar vader zag, omdat hij daarna onverwacht op vroege leeftijd overleed. Na een zwempartij kreeg hij waarschijnlijk een hartaanval door de plotselinge daling van temperatuur.

    Dagboek en brieven als bron

    In Valiulina’s verhalenbundel Winterse buien (2016) vertelt ze in onder meer drie korte stukjes over haar vader, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en het lot van de miljoenen Russische krijgsgevangenen na de Tweede Wereldoorlog. De overlevenden werden na hun terugkeer op Russische bodem in treinen geladen en en naar strafkampen gestuurd. ‘Volgens artikel 58-1 “landverraad” kregen ze allemaal tien jaar kamp en vijf jaar ballingschap’. In het korte essay Wortel en Tak (2021) beschrijft Valiulina haar bezoek aan de Oeralregio waar haar vader na WO II in een strafkamp heeft gezeten. Een belangrijke bron voor haar speurtocht is het dagboek van haar vader dat zij van haar moeder kreeg na zijn overlijden en waaruit ze veel fragmenten aanhaalt, net als uit zijn brieven.  

    Sana’s vader kreeg in augustus 1941 een oproep voor het Sovjetleger en werd in april 1942 als lid van een bataljon parachutisten in district Smolensk achter het front gedropt. In zijn aantekeningen schrijft haar vader over de sprong uit het vliegtuig, de landing en de gevechten met fascisten. Zijn aantekeningen eindigen bij een slag in de buurt van een dorp op 2 mei 1942, hij werd in de borst geschoten, maar daar schrijft hij niets over. Later schrijft hij wel dat hij na zijn verwonding gevangen is genomen. In die tijd was de Stalin-verordening 270 al een jaar van kracht, de ‘verordening over de laatste kogel’. Die kogel moesten de soldaten zichzelf door het hoofd jagen om niet in handen van de vijand te vallen en later als landverrader veroordeeld te worden. Sana’s vader verdween van de radar in de zomer van 1942. Valiulina komt hem op het spoor via een artikel met foto in tijdschrift ‘Yank’, De Russen in Normandië van 30 juli 1944 dat zij in een vitrine in het Museum van de Invasie in Caen ziet liggen. ‘Ik kom ogen en adem te kort. Alle vijf mijn zintuigen spelen op en vechten met elkaar.’ Het is een foto van haar vader in een strak grijs uniformjasje met ‘een soldatenmuts waaronder plukken blond haar uitsteken’.

    Veroordeeld tot tien jaar strafkamp

    Door deze foto komt Sana Valiulina in contact met de dochter van de Amerikaanse militair die op de foto naast haar vader zit. In de tussentijd zoekt ze uit welke weg  haar vader heeft afgelegd na zijn gevangenneming door de Duitsers die hem dwongen mee te vechten tegen de geallieerden. Met een bataljon Russische krijgsgevangenen werd hij naar het front in Normandië gestuurd en na de landing van de geallieerden op D-day slaagde hij er op een onbewaakt ogenblik in om over te lopen. Vervolgens werkte hij – voornamelijk als tolk – mee aan de strijd tegen de nazi’s, eerst vanuit Engeland, later in de bevrijde gebieden. Tot hij na de vredesonderhandelingen in Jalta als krijgsgevangene naar Odessa wordt gestuurd en daar veroordeeld wordt tot tien jaar strafkamp. Dat alles dankzij een geheime overeenkomst over de gedwongen terugkeer van krijgsgevangenen tussen Stalin en Churchill.

    Sana Valiulina krijgt tijdens haar zoektocht van de – in 2021 verboden – organisatie Memorial te horen dat ze om rehabilitatie van haar vader kan verzoeken. Haar zuster schrijft de brief en verzorgt de correspondentie, dat kan Valiulina niet zelf ‘als burgeres van een andere en Rusland “vijandig gezinde staat”, die ook nog lid is van een Rusland vijandig gezind militair-politiek gezind blok’. Dat wil zeggen, van Nederland. Die rehabilitatie wordt natuurlijk geweigerd, maar ze krijgen wel inzage in haar vaders dossier en daar ging het ze om. Hij was ook nog een keer uit een Engels kamp voor Russische krijgsgevangenen gevlucht, door de politie aangehouden en ‘uitgeleverd aan het commando van het Sovjetleger’. Valiulina vindt het een mooie gedachte dat hij zich verzette tegen het Sovjetsysteem en ’tegen kameraad Stalin persoonlijk, die het in zijn broek deed bij de gedachte dat zijn slaven de vrijheid zouden kunnen krijgen en daarmee ook een stem, om de wereld te waarheid over de oorlog te zeggen.’     

    In het laatste hoofdstuk blikt Valiulina terug op het verblijf van haar vader in vier kampen en ze vraagt zich af hoe hij die heeft doorstaan. Als ze het hem vraagt, haalt hij zijn schouders op en zegt: ‘Soms was het verdomd onaangenaam.’ Ze schrijft ook over de eerste ontmoeting van haar ouders en over haar jeugd met beide ouders in Tallinn. Valiulina schrijft met trots over haar vader als ‘de worm die met al zijn ingewanden de staat toebehoort en de moed heeft gehad een subject van de geschiedenis te worden (…) die zelf over zijn eigen lot wil beschikken.’ Aan het eind van het boek zijn er verrassende en ontroerende ontmoetingen die de lezer zelf moet ontdekken. Net als de onbekende politieke gebeurtenissen en poëtische rijkdom in dit – in prachtig (on) Nederlands – geschreven) boek.

     

     

  • Verontrustend en toch lichtvoetig

    Waarom het kind in de polenta kookt van Aglaja Veteranyi is een roman uit 1999 en nu in het Nederlands vertaald. Het is het verhaal van een Roemeense circusfamilie op de vlucht voor het regiem van dictator Ceaușescu. Het begint met de stem van een kind, haar vragen en fantasieën. ‘Ik stel me de hemel voor. Die is zo groot dat ik meteen in slaap val om mezelf gerust te stellen. Bij het wakker worden weet ik dat God iets kleiner is dan de hemel. Anders zouden we bij het bidden voortdurend in slaap vallen van schrik.’

    De vertelster is een jaar of tien en groeit gaandeweg het verhaal uit tot een puber. Met haar moeder, stiefvader en zijn dochter zijn ze de armoede en onderdrukking in Roemenië ontvlucht en proberen met circusacts in het westen hun geld te verdienen. Moeder hangt aan haar haren in de trapeze. Stiefvader is clown, hij is een drinkebroer en voortdurend bezig met een camera om zijn vrouw en dochters te filmen. Dankzij deze rolletjes denkt het meisje dat ze is voorbestemd om later actrice te worden.

    Onveilige jeugd

    Het is geen gezellige boel in dit zigeunerachtige bestaan. De moeder doet haar best om haar dochter te beschermen, maar een veilige omgeving voor kinderen is het circus niet. De familie hoopt dat het leven beter wordt, de stiefvader schildert het westen af als het paradijs, maar keer op keer zijn de teleurstellingen groot. De man is ook gewelddadig en heeft een incestueuze relatie met zijn genetische dochter: ‘Mijn zus is ook gek, zegt mijn moeder, omdat mijn vader van haar houdt als van een vrouw.’ Dat hij de vertelster nog niet misbruikt blijkt uit de volgende zin: ‘Ik moet uitkijken dat ik niet ook gek word, daarom neemt mijn moeder mij overal mee naartoe.’ Duidelijker worden deze zaken niet belicht, maar de insinuaties vanuit het kind-perspectief liegen er niet om. Later, in deel drie verhuurt de moeder haar dochter, ze is dan twaalf, maar zegt dat ze dertien is, aan een variété-show waar ze naakt moet dansen. ‘Maar omdat ik daar te jong voor ben plak ik een behaarde driehoek tussen mijn benen. Dat idee was van mijn moeder. (…) Ik ben nog nooit door een man op de juiste plek aangeraakt. Ik denk nergens anders aan. Ik wil door twee mannen tegelijk worden verkracht.’ Heftige gedachten van een kind dat dingen hoort maar niet echt de betekenis ervan begrijpt.

    Mengeling van fantasie en realiteit

    De fantasie van het kind vermengt zich met elementen van de orthodoxe religie van de familie van haar moeder en de sprookjes die ze hoort. Tamelijk stoïcijns probeert ze de wereld te begrijpen zonder het verschil te kennen tussen realiteit en fantasie, en dat werkt betoverend, verontrustend en soms hilarisch. Zoals de traditie dat een geslachte kip moet uitbloeden voor hij in de soep mag. De familie huist in een krappe woonwagen of in een hotel met zijn allen in een kamer. Moeder slacht de kip in de badkuip. Dat is uiteraard verboden en dus zetten ze de radio hard aan. Voor meer nadruk schrijft Veteranyi soms in hoofdletters. ‘BIJ HET SLACHTEN KRIJSEN DE KIPPEN INTERNATIONAAL. WE VERSTAAN ZE OVERAL.’

    Het beeld van de moeder die hoog in de nok aan haar haren in de trapeze hangt en er jongleert met ballen, ringen en brandende fakkels is beangstigend voor haar dochter. Hoe de moeder zich voorbereidt en de onzekerheid en angst die daarmee gepaard gaan, roept een verwachtingsvolle spanning op. ‘MIJN MOEDER IS DE VROUW MET HET HAAR VAN STAAL.’

    Om hun angsten te verbloemen vertellen de zusjes elkaar verhalen over het levende kind dat in de polenta kookt, de rode draad in het boek. De vertelster, die zich identificeert met dit kind, wil weten waarom het in de polenta belandde. Was het haar eigen schuld? Door in een zak mais te kruipen en in slaap te vallen? Heeft God het kind nadat ze gestorven was in de polenta gekookt? ‘God is kok, hij woont in de aarde en eet de doden op, met zijn grote tanden kan hij alle doodskisten kapotbijten.’ Naarmate de roman vordert, onderbreekt ze het verhaal over het polentakind steeds vaker en voegt nieuwe details toe.

    Wanneer de stiefvader verdwijnt worden de zussen verbannen naar een kostschool in Zwitserland. Hier gaan de angst en ellende op een andere manier gewoon door en het verhaal van het kind dat in de polenta kookt wordt steeds gruwelijker. De zussen mogen nergens heen zonder elkaar, dat eist de moeder en als de iets oudere zus van school gaat, komt de vertelster weer bij haar moeder terug, die haar vervolgens aan de variété-show verhuurt.

    Korte zinnen en aforismen

    De zinnen zijn kort en associatief en vaak vangt een zin op een nieuwe regel aan. Tussen de tekst staan aforismen in kapitalen. Zoals: ‘IS ER ECHT EEN CIRCUS IN DE HEMEL’ of ‘DE MENSEN ZIJN GOED OMDAT ZE BANG ZIJN VOOR DE DUIVEL’. Soms staan zinnen zelfs alleen op een bladzijde: ‘MIJN FAMILIE IS IN HET BUITENLAND GEBROKEN ALS GLAS.’ Of zoals een van de veelvuldig terugkerende gedachten aan God: ‘HOE RUIKT GOD?’

    Aanvankelijk lijken deze korte statements op een trucje, maar dat is het geenszins. Het verhaal is deels autobiografisch en deze zinnen verhullen juist de treurigheid die de schrijfster als kind ervoer. Veteranyi maakte zelf deel uit van een circusfamilie die uit Roemenië ontsnapte en ze was tot haar zeventiende analfabete. Hoewel ze redelijk succesvol was in het theater en prijzen won voor deze roman pleegde ze uiteindelijk zelfmoord toen ze veertig was.

    Waarom het kind in de polenta kookt is een bijzonder gecomponeerd en authentiek verhaal dat niet in een keer volledig te bevatten valt, ondanks of misschien juist door de lichtvoetigheid. Een verhaal van een schrijnende jeugd dat een diepe indruk achterlaat.

     

  • De dichter van het …en toch

    Op een grafmonument op begraafplaats Ockenburg in Den Haag staat de naam Ellen Warmond. Daaronder haar geboorte- en sterfjaar (1930-2011) en daaronder de aanduiding ‘Dichter’. Dichten was de essentie van haar leven. Trudy van Wijk (1951 – 2020), die in 2003 al een proefschrift over Warmonds dichterschap voltooide, schreef een biografie over haar, ook al vond Ellen Warmond dat haar privéleven niemand wat aanging. Van Wijk overleed voordat ze de biografie helemaal af had. De biografie werd geredigeerd en voltooid door Bertram Mourits, hoofd collecties van het Literatuurmuseum. In Geef niet mee!, staan de eerste dertig jaar van Warmonds leven centraal. De vijftig jaren die er op volgen krijgen veel minder aandacht. Het is niet duidelijk waarom Van Wijk zo weinig aandacht aan de laatste jaren van Warmonds leven schenkt en of ze dit zo bedoeld heeft.

    Ellen Warmond is het pseudoniem voor Pietronella Cornelia) van Yperen. Een naam die ze vrijwel nooit gebruikte. Een verzoek voor een interview, geadresseerd met haar geboortenaam, weigerde ze omdat ze geen interviews gaf. Ze schreef verder: ‘Ik moet u afraden brieven aan mij te adresseren aan ‘Van Yperen’, want die naam gebruik ik alleen voor dingen als de belasting, dus een dergelijke aanhef wekt mijn wantrouwen.’ 

    Kleinburgerlijkheid ontstijgend

    De biografie volgt het leven van Ellen Warmond chronologisch. Ze werd geboren in Rotterdam in een kleinburgerlijk christelijk gezin. Vader probeerde het arbeidersmilieu te ontvluchten, maar slaagde daar niet in. Ze deed laatdunkend over haar afkomst, terwijl er in haar ouderlijk huis toch opvallend veel gelezen en gemusiceerd werd. Het verhaal dat zij over haar jeugd vertelt is beladen met schaamte over ‘nette armoede’. Ze voelde zich niet begrepen en probeerde aan haar milieu te ontsnappen door te gaan dansen. Ze wilde kunstenares worden, boven het alledaagse uitstijgen. Haar danslerares Staluse Pera, die als vrouw haar eigen weg koos dwars tegen burgerlijke conventies in, was haar grote voorbeeld.

    Warmond hield van vrouwen. Als jonge danseres maakte ze kennis met Emmy Hemelraad, die een stuk ouder was. Haar grote liefde in de jaren vijftig was de oudere schrijfster Anna Blaman, die haar volgens Van Wijk wilde modelleren als een Pygmalion. Blaman ontdekte haar als dichteres en was haar moreel kompas, maar zij wilde tot Warmonds verdriet geen vaste relatie met haar. Dat verwerkte ze in haar gedichten. Na de dood van Blaman in 1960 zou het nog lange tijd duren voordat Warmond een vaste relatie kreeg. In 1965 kwam ze in Israël de reisleidster Eveline Witjas tegen, met wie ze jarenlang samenleefde, maar de relatie hield geen stand. Warmond was geen gemakkelijk mens, ze klaagde veel en vaak. De ex-geliefden bleven elkaar wel regelmatig zien, maar waren de laatste jaren van haar leven niet langer samen.

    Ontsnappen aan de werkelijkheid

    Van Wijk schrijft dat het bombardement van en de oorlogstijd in Rotterdam een belangrijke rol hebben gespeeld in Warmonds leven. ‘Waarschijnlijk werd tijdens deze periode de kiem gelegd voor een belangrijk thema in het werk van Warmond: de discrepantie tussen romantische verwachtingen en de ontnuchterende en ontluisterende werkelijkheid.’ Ze kwam tot het besef dat ze het volgende moment dood kon zijn en hield er een levenslange angst voor vuur en een afkeer van geweld aan over. Door de oorlog zag ze het bestaan als zinloos en absurd. Alleen door het schrijven van gedichten kon ze ontsnappen aan de bizarre werkelijkheid. Haar debuutalbum Proeftuin (1953) opent met het gedicht ‘Excuus’: ‘Om het inoperabel tekort / van gebaren die onvoltooid / en gedachten die verzwegen / blijven om alles wat nooit / kan worden prijsgegeven / beroep ik me op het gedicht / als machteloos tegenwicht.’

    Na Proeftuin verschenen er nog twintig poëziebundels en drie verhalenbundels van haar hand. In 1999 verscheen Kaalslag, haar laatste bundel. Van Wijk laat zien hoe de gedichten en de verhalen samenhangen met de gebeurtenissen en ervaringen in Ellens eigen leven. Ellen Warmonds poëzie stemt op het eerste gezicht niet bepaald vrolijk. In haar werk is de invloed van het existentialisme merkbaar. Ze kleedde de wereld en zichzelf uit tot op het bot. Ze voelde zich een vreemdeling op aarde. Ellen had geen hoge pet op van de mens, die ze een ‘dom dier’ en een ‘bedroefde blinde’ noemde. Ook van God verwachtte ze niets. De goden zijn volgens haar even machteloos als de mensen. Ook de oosterse goden brengen geen verlichting, want ‘een boeddha bijvoorbeeld in/ dit typisch hollandsch landschap/zou blaffen van hooikoorts.’ Carrière maken heeft geen zin, want ‘het onvermoeibaar draven op de plaats’ is het hoogst haalbare. Zelfs liefde ontmaskerde ze: ‘we houden niet elkaar/maar onze verloren jeugd in de armen.’

    Een van onze grote dichters

    Warmond is een van onze grote dichters, die als geen ander het naoorlogs levensgevoel onder woorden heeft gebracht. Ze wilde niet als specifiek vrouwelijk dichter onderscheiden worden, zo bleek onder meer bij de uitreiking van de Ann Bijns Prijs aan haar in 1987. Die prijs werd uitgereikt aan een ‘specifiek vrouwelijk geluid’. Zij zag hierin een vorm van discriminatie, alsof er een specifiek mannelijk of vrouwelijk geluid bestond. Ze wilde niet in een hokje worden geplaatst. ‘Ze schreef geen doelgroepenpoëzie,’ schrijft Van Wijk. 

    De laatste levensjaren van Warmond waren ontluisterend. Na de scheiding van Eveline Witjas leefde ze als kluizenaar. Ze zag vrijwel niemand meer, zat vol zelfverwijt en dronk veel. Mede doordat zij al meer dan tien jaar geen nieuw werk had gepubliceerd, bracht haar overlijden in 2011 maar weinig journalisten ertoe een necrologie te schrijven. Helaas komen we in de biografie niet te weten of Warmond na 1999 nog gedichten heeft geschreven. Ze hield wel een dagboek bij, maar gaf opdracht dat te verbranden.

    Het leven had voor Ellen Warmond geen van bovenaf gegeven zin. Maar het bood wel een ‘kristal van kansen’, van mogelijkheden om er zin aan te geven. Warmond probeerde – hoe onsamenhangend ook – een eigen wereldbeeld te ontwikkelen. Dichten is voor haar een antidotum tegen het zinloze, toevallige en absurde bestaan. Maar het was niet alleen een persoonlijke behoefte: haar gedichten hadden ook een functie. Ze zag ze als lampen waardoor niet alleen zij, maar ook lezers ‘uitzicht op inzicht’ kunnen verkrijgen. 

    Hoop en verlangen naar betere tijden

    Het laatste wat een mens volgens Warmond moet doen is zich neerleggen bij de gang van zaken. Ze geeft niet mee, verzet zich tegen hokjesgeest, berusting en luiheid. Ze noemt dat ‘het gooien van stenen door de ruit van verstarring’. In de jaren zestig en zeventig keerde ze zich in haar poëzie ook tegen de onderdrukking van mensen en volkeren en tegen oorlog. Haar latere werk werd steeds somberder en kaler. Ondanks de lichamelijke aftakeling bleef ze moedig in haar poging ‘het eigen ik net zo lang /recht in de ogen zien/ tot het een weerwoord weet.’ 

    Van Wijk bekritiseert de feministische literatuurwetenschapper Maaike Meijer die volgens haar een te somber beeld van het werk van Warmond schetst. Meijer plaatst Warmonds werk onder de noemer ‘De Grote Melancholie’, dat als volgt wordt omschreven: ‘een sterk gevoel van onheil en depressie. Het leven wordt als dood, nutteloos en waardeloos afgeschilderd.’ Warmond is voor Trudy van Wijk een dichter die door alle ellende heen verlangde naar lichtheid, overgave en zorgeloosheid. Ze bleef hopen op, en verlangen naar beter. Een van haar mooiste gedichten die dit illustreert is ‘Kleine akte van geloof’:

    ‘Hopende op meer dan dit
     Hopende op geluk
     de lachwekkend ontroerende bloesem
     die geen vrucht draagt

     iedere ochtend een kans
     iedere avond een aanloop
     naar later misschien
     misschien?

     en elke dag opnieuw
     verwachten wat niet bestaat

     dit weten tot in de polsslag
     dit weten met elke vezel
     en toch?

     en toch.’

    De biografie van Trudy van Wijk biedt geen nieuwe kijk op Warmonds gedichten, wel plaatst het haar gedichten in een context. Ook schuwt ze de donkere zijden van Warmonds bestaan niet, waarmee ze recht doet aan een dichter die zichzelf genadeloos durfde te analyseren. Warmond bleef ‘met open ogen/in de leegte zien.’ 



     

  • Een surrealistisch prentenboek voor volwassenen over berusting bij ziekte en verlies

    Benny Lindelauf is een veelzijdig schrijver en (dans-)theaterman. Hij schreef kinderboeken, maar ook voor jeugdtheater. De vrouw en zijn hoofd is een prentenboek voor volwassenen met prachtige, kunstzinnige, surrealistische illustraties van Ingrid Godon. De aanleiding voor dit boek is het overlijden van Benny Lindelaufs schoonvader, die ondanks een lang ziekbed heel berustend bleef. Hij nam de dood niet zo ernstig en ging gewoon door met leven. Dat maakte indruk en inspireerde Lindelauf tot dit boek. Lindelauf benaderde de Vlaamse kunstenares Ingrid Godon, die hij bewonderde om haar portretten. Ze werkte onder meer met Toon Tellegen. Na het lezen van het korte verhaal De vrouw en zijn hoofd was ze meteen verkocht. Daarmee is dit bijzondere boek een feit geworden.

    Berusting in verlies

    Het verhaal gaat over een man wiens dagen zijn geteld. ‘Het hoofd wilde nog wel, maar het lijf niet meer’. De arts voert met toestemming van de man en zijn vrouw een rigoureus plan uit. ‘En zo gebeurde het dat de vrouw die avond thuiskwam met alleen het hoofd van de man’. Het hoofd wil roken, jenevers drinken en de pruimenboom zien. De vrouw neemt het hoofd mee naar een bankje aan de rivier, waar ze samen praten. Ze eten samen pruimenvlaai. De visite vraagt de vrouw of het niet vreselijk wennen is. ‘Het is wat het is’, zegt ze. Als het herfst wordt raakt de vrouw vergeetachtig. Ze vindt het spek voor bij de kapucijners terug bij de theedoeken. Ook haar levensdagen raken geteld. ‘Het lijf wil nog wilde nog wel, maar het hoofd niet meer’. En zo komt op een dag het hoofd van de man thuis met alleen het lijf van de vrouw.

    Een sprookjesboek als een kunstwerk

    Dit surrealistisch sprookje, dat tegelijk ook is gebaseerd op de harde, meedogenloze realiteit, ademt de berusting uit die Lindelauf moet hebben ervaren bij zijn schoonvader. Toch is ook de onderlaag, het verdriet en de rouw, voelbaar. Doordat hij gekozen heeft voor een absurde verhaallijn lukt het de schrijver om het gevoel in de kern te raken. We zien geen clichés met ziekenhuisbedden en geriatrie-afdelingen. Er wordt geen woord gerept over kanker of dementie. Het sprookje trekt ons mee in de warme, besloten en liefdevolle alledaagsheid van het echtpaar. Zij besteden geen aandacht aan dat wat niet meer wil. Ze richten zich op de dingen die ze wél hebben. Daardoor is er weinig droefenis. En toch voel je als lezer het verdriet van afscheid en rouw. Die laag blijft echter onbenoemd. Het verhaal gaat er niet over en toch is het aanwezig.

    De bijzonder fraaie illustraties van Ingrid Godon versterken het verhaal. Tekst en beeld samen maken dit boek tot een magisch kunstwerk. Zou je de illustraties eruit halen om ze bijvoorbeeld aan je muur te hangen (zo fraai zijn ze), dan haal je het leven er bijna uit. De tekst hoort erbij. Net zoals het verhaal moeilijk zonder de illustraties zou kunnen. Het is een ‘gesamtkunstwerk’. Een boekje dat thuishoort in een kunstmuseum.