• Na het begrip kwam de bevrijding

    In De Stalenburg onderzoekt auteur Paulien Bom (1954) haar antroposofische jeugd, die werd bepaald door haar ouders, beiden strikte aanhangers van de antroposofie. Wie waren zij eigenlijk? Wat heeft de antroposofie haar als kind gebracht – en wat betekent het nu voor haar als volwassene?

    De Stalenburg, haar ouderlijk huis in Den Dolder, fungeerde als een vesting waar het leven van Paulien en haar broers zich grotendeels binnen de vier muren afspeelde. In de nalatenschap van haar ouders vond ze een plattegrond van het huis uit 1953. Het wordt de aanleiding voor haar onderzoek. Samen met haar broers keert ze na vijftig jaar terug naar De Stalenburg waar ze gastvrij worden ontvangen door de huidige bewoners, die het huis ingrijpend hebben verbouwd.

    Streven naar het goede

    Het huis werd bewoond door vier gezinnen en op de plattegrond is te zien hoe de ruimtes in elkaar grijpen. Tijdens de dwaaltocht door het huis komen de herinneringen terug. Herinneringen aan de adventskalender, voorgelezen worden door moeder met haar fijne voorleesstem, spelletjes doen met vader of het medicijnkastje met die ‘heel speciale geur, met de mufheid van verschaalde olie, doortrokken van een vleugje lavendel en iets medicinaals. Het is een geur die zich in alle huizen nestelt als de antroposofie er vaste voet aan de grond heeft gekregen.’

    In het teken van de antroposofie leeft men sober en anti-materialistisch en dat was met Bom’s ouders niet anders. Haar vader was antroposofie en duldde geen enkele kritiek op Rudolf Steiner of zijn filosofie. Meditatie, zelfstudie, lezingen en de eindeloze zoektocht naar zelfbewustzijn en verdieping stonden altijd voorop, herinnert Paulien zich. Terugkerende elementen in antroposofische verhalen en boeken zijn Ahriman en Lucifer, twee figuren die volgens Steiner staan voor het kwaad, het bekrompene en materialistische. Ahriman werkt via de angst, terwijl Lucifer meer staat voor de verleiding en de illusie. Ze speelden een belangrijke rol in het leven van Bom’s vader, die altijd streefde naar het goede midden en de goede maat. Omdat hij vond dat hij vanuit zichzelf mateloos was en moeite had het goede midden te vinden.

    De kinderen gingen naar de Vrije School in Zeist, waar de bijbehorende pedagogische disciplines een grote rol speelden: nat-in-nat schilderen, euritmie – een vorm van ballet maar vrijer uitgevoerd – en veel muziek. Ondanks haar huidige bezwaren bewaart Paulien Bom ook vooral goede herinneringen aan deze elementen. Het was misschien niet zozeer de opvoeding zelf, maar het anders-zijn, het niet tot de “gewone” kinderen behoren, dat haar het meest heeft beïnvloed. Dit wij/zij-gevoel, dat haar zich superieur liet voelen ten opzichte van anderen, ervaart ze later als een van de grootste lasten uit haar jeugd.

    Antroposofisch lot

    Haar vader adoreerde Rudolf Steiner. In zijn werkkamer hingen twee foto’s van hem, die diepe indruk maakten op de jonge Paulien. ‘(…) in De Stalenburg ging het daar nooit over, maar die twee foto’s leken te suggereren dat alleen hij ertoe deed.’ Wat antroposofie precies inhoudt, is lastig uit te leggen, vindt Bom. Het is geen geloof, eerder een complex en idealistisch gedachtegoed met invloed op opvoeding, heilpedagogie, geneeskunde, biologisch-dynamische voeding, kleurenleer, muziek en zelfs architectuur.

    Hoewel Bom een lichte toon hanteert en beeldend schrijft, begint het boek wat taai. Ondanks de afgebeelde plattegrond is het huis voor de lezer lastig voor te stellen, maar voldoende afwisseling in haar verhaal houdt de aandacht vast. Hierdoor blijft het boek ook voor buitenstaanders – mensen zonder antroposofische achtergrond – boeiend.

    Gaandeweg wordt Pauliens beeld van haar ouders steeds helderder. Ze ziet hun eenzaamheid in het aanvaarden van hun zelfgekozen lot. ‘Ze vroegen niet om hulp bij moeilijke beslissingen, maar hielden hun pijn en emoties binnenskamers. Dus er kwam geen hulp.’ Dergelijke observaties maken het boek niet alleen menselijk, maar leggen ook Bom’s eigen gevoelens bloot. Was ze zelf niet net zo eenzaam? Zagen haar ouders hun kinderen eigenlijk wel echt?

    Wanneer Paulien en haar broers De Stalenburg achter zich laten, breidt ze haar onderzoek uit, wat het verhaal interessanter maakt. Haar vader krijgt daarin de meeste aandacht. In het dankwoord verklaart ze waarom haar moeder minder prominent aanwezig is: zij was geen schrijver en kwam uit een eenvoudige Zeeuwse familie, waar weinig brieven of dagboeken geschreven werden. Haar vader, Lex Bos, daarentegen, was een man van het woord. Hij schreef brieven, hield dagboeken bij en publiceerde talloze antroposofische studies.

    Dankzij deze overlevering van teksten kon Bom dieper in de geschiedenis duiken, niet alleen van haar ouders, maar ook van haar grootouders en zelfs haar betovergrootvader, Allard Pierson – predikant, kunsthistoricus en kritisch denker. Er zijn ook verbanden met de socialistische predikant Domela Nieuwenhuis en met Menno ter Braak, een vriend van haar grootmoeder, die levensbeschouwelijke filosofieën niet schuwde. Haar vader werd in zijn tienertijd voor de oorlog een devote aanhanger van de antroposofie, hoewel hij in zijn studententijd kortstondig lid was van het corps en even een decadent leven leidde, voordat hij zich volledig onderdompelde in het strenge regime van zelfstudie en verdieping.

    Nieuwe inzichten

    Na een val op haar hoofd, ze is al lang volwassen, raakt Paulien Bom lange tijd uit de running – waarover ze Op de kop getikt (2009) schrijft. Ze balanceert op de rand van een depressie en worstelt met de vraag wat ze met de antroposofie aan moet. Ze voelt zich verzadigd, overvoerd door het dogmatische aspect. Uiteindelijk besluit ze haar lidmaatschap op te zeggen, ze blijft in Zeist wonen en haar losmaken-van voelt niet als een echte bevrijding, het wij/zij-denken zit te diep geworteld.

    Haar zoektocht is geen afrekening met haar jeugd, maar eerder een poging om te begrijpen. Door gesprekken te voeren met haar oma van vaders zijde, met mensen die haar vader goed hebben gekend en met degenen voor wie hij veel betekende, komt ze tot nieuwe inzichten. Ze leest zijn boeken en onderzoekt de geschiedenis achter de antroposofie.

    De laatste maanden van haar vaders leven beschrijft Bom ontroerend. Ze kan met mildheid naar hem kijken. Wanneer zij en haar broers na zijn overlijden zijn dagboeken vinden in de kelder, opent dat nog een nieuw luik naar zijn persoonlijkheid. Een belangrijk besef dringt tot haar door: juist dankzij zijn volharding, die zij van hem heeft geërfd, kon ze dit onderzoek doen en dit boek schrijven. Een reis naar Australië en gesprekken met familie daar, leert haar het kleine te zien en anders te kijken naar de wereld om haar heen. Pas dan is het proces van de echte bevrijding begonnen.

     

     

     

  • Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Het romanfragment Aardbeien door Joseph Roth (1894 – 1939) uit 1929 werd pas een halve eeuw later (in 1982) voor het eerst gepubliceerd met een toelichting door Roth’s biograaf David Bronsen. Het manuscript was in de jaren zeventig in een bruine enveloppe tevoorschijn gekomen uit de in 1933 door de Gestapo in beslag genomen documenten van Roth bij uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn. Volgens het nawoord van vertaalster Els Snick is de tekst weliswaar niet af, maar wel ‘beeldrijk en ontroerend mooi’.

    Deze door Koen Broucke kleurrijk geïllustreerde uitgave is de derde editie van Aardbeien in het Nederlands. Eerder verscheen het verhaal in het themanummer over Joseph Roth van tijdschrift Het Oog in het Zeil (1989), vertaald door Nicolien van Doorn. Ruim een kwart eeuw later als zelfstandige uitgave bij de kleine uitgeverij Het huis met de drie gedichten (2016), vertaald door Els Snick, die voor deze nieuwe uitgave haar vertaling heeft herzien. 

    Volgens Snick (in het nawoord) staan de zinnen in de tekst ‘losjes achter elkaar (…), zonder doordachte alina-indeling’. De verschillende figuren in Aardbeien zullen de ervaren Roth-lezers bekend voorkomen uit zijn romans Hiob, Hotel Savoy en Radetzkymars. Aan zijn vriend en geldschieter Stefan Zweig schreef Roth in mei 1936 vanuit Amsterdam dat hij het materiaal voor zijn grote roman Die Erdbeeren in een andere roman wilde gooien (‘da werfe ich schnell alles hinein’). Mogelijk in de roman Das Falsche Gewicht uit 1937. 

    Ongeschoold alter ego van Roth

    Aardbeien is een nagelaten fragment van zo’n veertig pagina’s. Het begint als volgt: ‘De stad waarin ik geboren ben lag in het oosten van Europa, in een grote, dunbevolkte vlakte.’  Met de stad verwijst Roth duidelijk naar zijn geboorteplaats Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van het huidige Lviv. De prachtige illustraties beslaan zo’n derde van het boekje, ze zijn roodachtig getinte in tegenstelling tot de omgeving van de geboorteplaats van Roth die vooral groen is. De aardbeien hebben Koen Broucke duidelijk geinspireerd. De verteller van het verhaal is Naphtali Kroj, hij noemt zich zelf ‘een soort oplichter’, met een vals paspoort, geen doopakte, geen stamboom.  

    Perlefter, een ander nagelaten romanfragment van Joseph Roth, heeft een vergelijkbaar begin. ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben, was naar Westeuropese begrippen geen stad.’ Roth deed verschillende pogingen een roman over zijn jeugd schrijven, maar het kwam er uiteindelijk niet van, mede door de opkomst van de nazi’s in 1933. Hij vluchtte in dat jaar uit Berlijn, zijn boeken werden verboden en gingen in vlammen op tijdens de vele boekverbrandingen.  Aardbeien werd door de Gestapo in beslag genomen samen met andere documenten. Het fragment laat wel een mogelijke glimp zien van wat Roth van plan was. Naphtali Kroj is een ongeschoold alter ego van Roth, tegenover de gymnasiast en student die Roth was. Eerst werkt Naphtali Kroj als krullenjongen bij de barbier en daarna als koetsier. Hij zeept de burgemeester in bij de barbier en maakt later op zondag tochtjes met de burgemeester.  

    Verhaal leest als een plattegrond

    Roth geeft een ironisch sfeerbeeld van het stadje, met corrupte gendarmes en grenswachters, ernstige en kleine misdaden die niet werden ontdekt, inbrekers en struikrovers die niet werden vervolgd. Over de kleine pogroms, die ‘in de maalstroom van de gebeurtenissen werden vergeten’. Ook over de gevolgen van de jaargetijden – de sneeuw, de ijspegels en de regen. ‘De wegen werden zacht. Het moeras drong het bos binnen, de kikkers zwommen tussen de bomen.’ En over de natuur waarvan zijn langenoten hielden, ‘niet omwille van de natuur zelf, maar omwille van de vruchten die ze voortbracht’. Zoals de aardappels en de aardbeien.  

    Het taalgebruik in Aardbeien is eenvoudig met korte zinnen en af en toe een poëtische uitweiding. ‘De herfst bestond bij ons uit vloeibaar goud en vloeibaar zilver, uit wind, zwermen raven en lichte vorst.’ Het verhaal leest ook als een plattegrond van het stadje waarin Roth’s geboorteplaats Brody is te herkennen. ‘Onze stad was zeer regelmatig en eenvoudig van opzet. De twee hoofdwegen kruisten elkaar in het centrum. In dat centrum ontstond een rond plein, waar twee keer per week de markt werd gehouden. De ene straat leidde van het station naar de begraafplaats. De andere van de gevangenis naar het bos.’ 

    Het gezin van Naphtali Kroj in Aardbeien is het tegenovergestelde van het gezin waarin Roth opgroeide, opgevoed door een alleenstaande moeder. Dat van Naphtali was een moederloos gezin met acht zonen en een alcoholische vader, die bij 35 graden vorst doodgevroren op een weg werd gevonden: ‘Hij was in dronken toestand van zijn slee gevallen’. 

    Ongecorrigeerd en onvolledig verhaal

    Het verhaal bevat ook tegenstrijdigheden, waaruit blijkt dat Roth het niet meer heeft gecorrigeerd en afgemaakt. In het vervolg gaat Naphtali Kroj na de barbier niet als koetsier werken, maar bij een kleermaker in de leer. Ook hier weer een ironisch verhaal over een kleermaker en een glazenmaker, die Naphtali in navolging van zijn leermeester verachtte. Ondanks dat de glazenmaker hem later beschuldigde van diefstal van een diamant en hem een roofmoordenaar noemde, bewonderde hij ineens de glazenmaker en vond hij de kleermaker een lafaard. Het werk liep niet goed af en hij werd door de glazenmaker de werkplaats uitgezet terwijl de kleermaker niets deed: ‘Hij ving een vlieg, een uitgeputte grijze wintervlieg, hield hem bij de vleugels en telde zijn ziek trappelende pootjes’.

    Na zijn vertrek bij de kleermaker loopt Naphtali bij de begraafplaats een dodenkamer binnen waar doodgraver Pantalejmon ligt te slapen. Dan volgt een hilarisch verhaal over de dief Pantalejmon, die niet stal maar het wel probeerde, en een graaf die in een kasteel vlak bij de stad woonde.  Het eindigt ermee dat de graaf de magistraat van het stadje geld leent om een standbeeld te laten maken van een schrijver en geleerde uit de zeventiende eeuw die in een naburig dorp was geboren. ‘De beeldhouwer vervaardigde een lange man met bril. Een wapperende mantel, een boek in zijn hand en een pen achter zijn oor. Dat was ons monument. Het stond op een sokkel van nepmarmer.’ In de winter werd ter bescherming een houten behuizing gemaakt, die in de lente weer werd verwijderd. ‘Het standbeeld is al bevrijd! Het is lente! zeiden de mensen in april.’

    Laatste tien pagina’s en een abrupt einde

    Hierna volgt een scène waarin Naphtali en Pantalejmon een opgehangen man op de begraafplaats vinden.  Het leidt bij Naphtali tot vragen over het waarom van de zelfgekozen dood en ‘op dat moment nam ik het besluit nooit zelfmoord te plegen. Het was onmogelijk om hangend aan een tak te sterven en door Pantalejmon gevonden te worden.’ Pantalejmon  bedacht intussen dat ze de strop konden verkopen en Naphtali dat ze zelfs meer konden verdienen door hem in stukken te snijden. ‘De mensen bleven komen, we verkochten  kleine stukjes die we sneden van steeds nieuwe touwen’. 

    In de laatste  tien pagina’s van Aardbeien volgen anekdotes over drie rijke familieleden die naar het stadje kwamen. De eerste liet een hotel bouwen en verdween weer omdat er geen gasten kwamen. De tweede was een rijke theehandelaar. Hij bezocht het graf van zijn vader, en hij huurde kamers in het leegstaande hotel. De derde was twintig jaar eerder naar Londen vertrokken. Hij keerde terug als ‘pionier van de Engelse cultuur’ en liet een huis zonder ramen bouwen. De mensen dachten dat hij gek was geworden, maar hij was minder gek dan ze dachten. ‘Het was een warenhuis zoals hij er in Londen vast een had gezien!’

    Hier eindigt het fragment abrupt. Het laat in rudimentaire  vorm zien, samen met de roman Das Falsche Gewicht en een fictieve brief van Naphtali Kroj uit Bueneos Aires die Joseph Roth in dezelfde tijd schreef, wat hij mogelijk voor ogen had met de groots opgezette roman over zijn jeugd.    

     

     

  • God noch Duivel kon er wat aan verhelpen

    De geëngageerde Louis Paul Boon bleef zijn hele leven verknocht aan het stadje Aalst waar hij het levenslicht zag. Als ultralinkse socialist bleef hij altijd begaan met de arbeiders en was hij gefascineerd door de mogelijkheden van het socialisme in een tijd van grote industriële omwentelingen. Dat hij eigenlijk enorm pessimistisch was over de samenleving lees je voortdurend terug in zijn werk. Hij bleef altijd hopen op een soort utopisch anarchisme, dat dit zich nooit manifesteerde was voor hem geen reden om het erbij te laten. Hij stortte zich op de gemeente- en politiearchieven van Aalst en schiep daaruit het drietal Pieter Daens, De zwarte hand en Het jaar 1901, waarin hij zich met goesting en smaak uitleeft op ‘die gore klerezooi´ in Aalst.

    In het kloeke negentiende deel van zijn verzamelde werk zijn De zwarte hand en Het jaar 1901 samen uitgegeven door het Louis Paul Boon documentatiecentrum en de Arbeiderspers. In het omvangrijke oeuvre van Louis Paul Boon is de strijd tegen armoede en onrecht een rode draad. Beide thema’s komen sterk naar de voorgrond in De zwarte hand, een bundeling fragmentarische verhalen over een bende anarchisten in Aalst rond 1900. Hoofdpersoon is daarbij de ruwe en waarschijnlijk corrupte smeris Johan Dabbers die bij de jacht op de bende van de Zwarte Hand volledig verstrikt raakt in allerlei andere zaken. Daarbij wordt hij steeds op de hielen gezeten door zijn antagonist en plaatsgenoot, de stokebrand Aart Nielsen. Nielsen en Dabbers waren beiden gebaseerd op echt bestaande personen, al heeft Boon de meeste feiten verfraaid of naar zijn hand gezet. Veel van de beschreven incidenten hebben daadwerkelijk plaatsgevonden maar er was nooit sprake van een bende. De Zwarte Hand is dus niet te vergelijken met Pieter Daens dat wel een documentaire roman is. Weliswaar komen sommige personages uit Pieter Daens terug in De zwarte hand maar dan als bij-personage.

    Giftige adem van de stad

    In de krottenwijken van Aalst ziet niet alleen Johan Dabbers het licht, ook het communisme en anarchisme vinden er vruchtbare voedingsgrond volgens Boon. Er zijn stakende arbeiders, opstandige socialisten, er worden anarchistische vlugschriften verspreid en het stadsbestuur ontvreemdt geld uit de kas. De arbeiderswijken staan volgestampt met krotten die onder de fabrieksrook als zwammen opschieten. Er is ontluisterende armoede in de industriestad en alles wat los en vast zit wordt gestolen. ‘Welke giftige adem hing boven het stadje?’ De misdaad floreert volop en Dabbers kan het aantal dieven nauwelijks bijhouden, overal wordt hij ingehaald door de feiten. In korte tijd drukt de Zwarte Hand al snel een stempel op de gebeurtenissen in Aalst. ‘De Zwarte Hand lag op de stad gedrukt, alles verstikkend, alles worgend.’ De wapenfeiten van de Zwarte Hand zijn vooral diefstal en vandalisme, waarbij ze de politie graag op het verkeerde been zetten.

    De bende wordt zo genoemd vanwege de zwarte handafdruk die op de plaats delict wordt achtergelaten als teken. Ze dragen kapmantels en vrouwenrokken en overvallen voornamelijk welgestelde lieden en fabrieken. Als spoken verdwijnen ze na de slag geslagen te hebben in de omliggende landerijen. De politie van Aalst grijpt keer op keer mis en verdenkt zowat het halve stadje. Zijdelings stipt Boon hierbij veel zaken aan; het reilen en zeilen van de Belgische socialisten, misstanden in de behandeling van arbeiders, corruptie van de heersende macht en machtsmisbruik. Vaak neemt hij het op voor de benadeelde arbeiders. Hij suggereert dat de armoede de arbeiders uit behoeftigheid aanzette tot misdaad, de omstandigheden ‘verbeesten’ hen zodat ze tot alles in staat zijn. Gefrustreerd door het socialisme in België maakt Boon van de politieverslagen een soort crime noir vertelling waarin allerlei louche figuren zich verdringen om elkaar een loer te draaien. Mogelijk was hij daarbij ook geïnspireerd door het werk van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos.

    Aan de hand van de politieverslagen zien we de ondergang van Dabbers als hij in een zedenzaak verstrikt raakt. Het gaat zelfs zover dat de rechtbank de politie in Aalst medeplichtig verklaart. Telkens is er het dubbelspel waarbij de politie zelf de grootste bandieten zijn en de misdadigers als een soort Robin Hood het onrecht blootleggen. Een thema waar Boon in De bende van Jan de Lichte al mee schermde.

    Volksverhalen met de Franse slag

    Boon beschrijft de liederlijke toestanden en uitwassen in Aalst met een onverbeterlijk romantische inborst. Tussen de twee boeken ontwikkelt zijn verteltrant zich in een meer minimalistische richting. Waar in De Zwarte Hand de verteller nog aanwezig is om regelmatig commentaar te geven op de gebeurtenissen staan in Het jaar 1901, dat voornamelijk over dezelfde zaken gaat, alleen de kale verslagen uit het archief. Het is een bloemlezing of een krans los van elkaar staande kolderieke of meer serieuze scènes die uit het dagelijks leven zijn gegrepen. De volgorde lijkt willekeurig en er zijn geen vaste personages, wel een paar bekende gezichten. Vaak lijkt er wel een bedoeling achter te zitten, al was het maar om de mensen ‘een geweten te schoppen’ en te tonen hoe het er werkelijk aan toeging aan de onderkant van de maatschappij. Alles bij elkaar biedt het een panoramisch beeld op het leven rond de eeuwwisseling.

    In De Zwarte Hand volgen de gebeurtenissen elkaar heel snel op en is er veel herhaling. De stad Aalst is eigenlijk het hoofdpersonage en alles grijpt min of meer coherent in elkaar. Dan is er nog de enorme lijst van personages waarbij sommigen maar een of twee keer worden genoemd. Boon speelt ook met het verhaal van de socialistische anarchist Frans van der Niepen, de inspiratie voor Aart Nielsen. Waarbij hij een mysterieus dagboek noemt en zogenaamde jeugdherinneringen van zijn moeder. Kortom, hij gaat met de Franse slag te werk, wat ook blijkt uit de stadsarchieven waar hij met ruwe hand doorheen is gegaan, aantekeningen makend en met rode pen onderstrepend. Ook moet zijn eigenzinnige kijk op spelling genoemd worden, waarbij hij veel volks- en streektaal bezigt en steevast de c voor de k gebruikt bijvoorbeeld. Iets wat de redactie er bewust in heeft gehouden.

    Het boek is wel een flinke kluif waarbij het nawoord van honderd pagina’s nog wat olie op het vuur gooit met vermiste manuscripten die opeens weer opduiken, het gaat allemaal op zijn onnavolgbare Booniaans. Al slaagt hij misschien niet helemaal in zijn opzet, de fictionele stad Aalst blijft een indrukwekkend bouwsel. Het is bewonderenswaardig hoe hij tracht om het vergeefse streven van een antiheld en het reilen en zeilen van een stad met elkaar te verbinden. Het idealisme van de cultuurpessimist doordrenkt de hele levendige boel. ‘Zo was de stad, en geen God, geen Duivel, die er wat aan verhelpen kon.’

     

     

  • Een bungeejumpend nijlpaard en pomodoro’s

    […]

    Schaam je gerust dood voor je ouders bespreekt van alles waar pubers (de auteur gebruikt het woord ‘tieners’ omdat dat lekker allitereert in de ondertitel: en andere toptips voor je tienertijd) mee te maken kunnen krijgen: hoe je vrienden maakt, wat je kunt doen als je gepest wordt, wat stress en verslaving met je doen, hoe je het beste kunt studeren enzovoort. Dat doet Schutten in hapklare brokjes en in aanstekelijke bewoordingen. De bont gekleurde illustraties in het boek van Emma Ringelding doen daar nog een schepje bovenop.

    […]

    Schaam je gerust voor je ouders is een grappig en speels boek waaruit een puber veel kan opsteken zonder vermanende ouders in zijn buurt.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland! 

     

     

  • Wat doen we met moeder?

    Het waait wat af in Damian, de nieuwste roman van Edzard Mik. Wasgoed wappert, afval roetsjt langs, een omgewaaide boom verspert de weg, bladeren schieten ‘als afgevuurd’ door de straat en zelfs in jeugdherinneringen van hoofdpersoon Damian en zijn zus Tess stormt het. Damian associeert zijn moeder Charlotte met een harde, gure wind die nooit luwt en voor altijd door hem heen giert. De roman gaat over de herfst van haar leven, vandaar de dwarrelende bruine bladeren op de omslag, vooral beschreven vanuit het perspectief van haar zoon. Wie hij zelf is, weet hij niet zo goed, misschien slechts ‘een blad in de wind’. In het kielzog van zijn privéreflectie gaat de roman over relativering van het mens-zijn, over moraliteit en goed-doen.

    Er is ‘weinig grote wereld in de Nederlandse roman van 2024’ stelt het redactioneel commentaar in de NRC van dinsdag 11 maart jongstleden na de bekendmaking van de shortlist van de Librisliteratuurprijs: introspectie overheerst in de huidige ‘autofictie’, met onder andere ‘veel zelfreflectie’. Dit geldt in zekere zin ook voor Miks Damian, maar diens blik naar binnen nodigt tegelijkertijd toch uit tot een blik naar buiten, bijvoorbeeld door reflectie op egoïsme en altruïsme. De roman beschrijft twijfels en weifels van de hoofdpersoon die zijn al dan niet dementerende moeder in huis krijgt en goed wil doen. Hij lijkt een nogal besluiteloze lamme goedzak die niet voor zichzelf opkomt en meent dat hij in zijn moeders ogen ‘nooit een man heeft willen worden die de volle verantwoordelijkheid voor zijn leven op zich neemt’. Wil hij zich om die reden nu zo hardnekkig van zijn goede kant laten zien, vraagt hij zich af, en de volledige zorg voor haar op zich nemen? Hoe oprecht is zijn sociale inborst en empathie eigenlijk?

    Sterke vrouw geknakt

    Damian woont samen met zijn partner Bianca in een flat en werkt als jongerenwerker bij een jeugdcentrum op het Viooltjesplein in de stad. Hij doet dat graag en geeft om zijn cliënten, maar ziet zijn werk ook door de ogen van zijn moeder: het is er een oude troep, een uitzichtloze bende met probleemjongeren waar weinig eer aan te behalen is. Zijn moeder is altijd een sterke vrouw geweest die nog zelfstandig woont in het huis waar de kinderen zijn opgegroeid. Thuis was toen een gruwel voor haar, ze stond altijd onder hoogspanning, moest zich overeind zien te houden als werkende moeder met een partner die zijn juristenwerk boven alles stelde en letterlijk en figuurlijk de man was die op zondag het vlees sneed. De scènes waarin Damian zijn moeder beschrijft zijn hilarisch en herkenbaar: hij geneert zich als ze met Jan en Alleman geanimeerde gesprekken aanknoopt en beschrijft spottend haar heilige mantra’s. Zo moeten er elke dag tienduizend stappen gemaakt, is binnenblijven als de zon schijnt een doodzonde en is de oude minister-president voor haar de man wiens naam ze niet hardop uit wil spreken.

    Damian beschrijft haar sterke geest en haar vitaliteit, maar zijn zus Tess ziet moeder aftakelen. Volgens haar is het niet meer verantwoord dat moeder alleen woont omdat ze vergeetachtig wordt, black-outs en woede-uitbarstingen heeft en soms ronddoolt. Damian betwijfelt dit alles, maar hij staat wel toe dat zijn doortastende zus moeder om die redenen bij hem thuis aflevert – zelf heeft ze het te druk met haar werk. Moeder is wisselvallig in haar reacties. Ze protesteert in het begin, maar er zijn ook momenten waarop ze instemt met bijvoorbeeld verhuizing naar een zorgcentrum of aangeeft dat ze zich niet goed voelt. ‘Ik snap steeds minder wat alles met elkaar te maken heeft (…) ik heb het gevoel dat ik uit elkaar val’. Of moeder wel of niet een ouderdomsgeestesziekte heeft blijft in het midden. Net als in Bernlefs Hersenschimmen worden verwarrende gebeurtenissen beschreven; in die roman vooral vanuit de dementerende, in Damian meer vanuit het perspectief van de naaste omgeving. Mik weet eenzelfde beklemmende onzekerheid en hetzelfde mededogen op te roepen.

    Zoekende zoon

    Zijn familie is ‘misschien geen ideaalplaatje’, maar dat ongelukkige of gelukkige families juist wel of niet allemaal op elkaar lijken vindt Damian flauwekul. Hij durft niet te bepalen wat geluk is en zelfs niet dát het in het leven om geluk draait. Bovendien denkt hij niet per se in oplossingen. ‘(…) we zouden beter uit kunnen gaan van onoplosbaarheid.’ Hij kan zich niet voorstellen dat de normen en waarden van dit moment en deze tijd een absoluut gegeven zijn. Genderidentiteit, een humane dood, vleesconsumptie en veel andere zaken zijn in enkele decennia in een ander licht komen te staan en hij is benieuwd welke van onze vaste gewoontes en overtuigingen van nu over enige tijd ‘verkeerd’ blijken. Dit is Damian ten voeten uit en maakt hem interessant als romanpersonage dat zichzelf en de wereld beschouwt. ‘Vergis je niet, op hun eigen kleine microschaal zijn mijn jongens met niets anders bezig dan de mensen uit jouw kringen’, verdedigt hij zijn cliënten tegenover zijn geslaagde zakenzus Tess. Hij is gefascineerd door ‘zijn’ jongens die overal lak aan hebben, realiseert zich hardop dat een achterstand niet alleen maar een achterstand is en zou soms zelf wel zo’n jongen willen zijn.

    Meegaan in Damians denkwereld is boeiend. Als een Rutger Hauer op de fiets freewheelend door het verkeer weet Damian zeker dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn moeder die liever autonoom dan afhankelijk is. Ondertussen sluit hij zijn ogen voor de realiteit. Hij ziet weliswaar de overeenkomst tussen moeders getekende gezicht en de vervallen voordeur van het slecht onderhouden ouderlijk huis waar de verf afbladdert en het hout rot, maar bagatelliseert haar geestelijke aftakeling. De vraag is of hij zijn moeder met zijn irreële en onverbeterlijke optimisme over haar gezondheid niet juist tekortdoet en ook of zijn schijnbaar onbaatzuchtige acceptatie van moeder bij hem in huis niet vooral is ingegeven door de behoefte aan waardering van haar voor het onzekere moederskindje dat hij is en dat goed wil doen. De waardering die Damian bij zijn moeder zoekt blijkt er uiteindelijk wel degelijk te zijn. De wind gaat liggen en de wolken trekken weg. De hemel is ‘overdonderend blauw’, de zon walst de kamer binnen.

    Miks Damian is verzorgd en toegankelijk geschreven. Het is wel wennen dat de ‘werkwoorden van zeggen’ regelmatig ontbreken. Mik gebruikt dus weinig zogenoemde verba dicendi en sentiendi als ‘zegt’ en ‘meent’, wat origineel is maar soms verwarrend kan zijn. De roman beschrijft een overzichtelijke en herkenbare ‘kleine’ wereld, die je als lezer zo groot kunt maken als je wilt.

     

     

  • Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Zijn we in de woorden van Johan de Witt: radeloos (de regering), redeloos (het volk) en reddeloos (het land)? De kwalificaties van De Witt sloegen natuurlijk op het Rampjaar 1672. Het pamflet van cultuurhistoricus René van Stipriaan Afscheid van het oude Nederland gaat over het gevaar van populistische ontwikkelingen in de (Nederlandse) democratie in de 21e eeuw. Bij veel Nederlanders is het nog niet doorgedrongen dat onze democratie en onze individuele vrijheden in groot gevaar verkeren. Van Stipriaan wil de ‘redelijke en optimistische mensen die menen dat het vanzelf wel weer goed komt’ wakker schudden en vraagt zich af of we onze democratie nog kunnen redden.

    Van Stipriaan geeft een kort overzicht van de politieke ontwikkelingen in ons land. In kort bestek beschrijft hij het naoorlogse optimisme, de recessie van de jaren tachtig van de 20e eeuw, de vastlopende verzorgingsstaat en de werkloosheid. Als reactie stuurt het neoliberalisme op een kleinere overheid, lagere belastingen en minder overheidsuitgaven. Het politieke midden wordt kleiner en het aantal partijen aan de flanken neemt toe. Burgers krijgen een vooral op zichzelf gerichte mentaliteit.

    Eind aan de verzuilde samenleving

    Er is in de 20e eeuw een einde gekomen aan de overzichtelijke tijd van verzuiling waarin de mensen zich thuis voelden in een kerkgenootschap, een politieke partij of een vakbond. Ze keken binnen hun zuil naar dezelfde omroep, lazen dezelfde krant, stemden op dezelfde partij en de kinderen gingen naar de bij de zuil horende school. De verzuilde samenleving bood daardoor een zekere geborgenheid en dat gevoel is in de 21e eeuw verloren gegaan. De verzuilde samenleving is een geglobaliseerde en snel veranderende samenleving geworden: angst jezelf of je cultuur te verliezen beheerst daardoor voor veel mensen hun leven.

    Het populistische gevaar

    Van Stipriaan beschouwt het populisme als een gevaarlijke tendens; de kenmerken vat hij samen in zeven vinkjes: Het aanwijzen van een zondebok in specifieke bevolkingsgroepen, het angst zaaien, het schermen met de wil van het volk, het wegzetten van politieke tegenstanders als een vileine elite, het verdacht maken van de rechtsstaat en de rechterlijke macht, het diskwalificeren van de serieuze nieuwsmedia, en het beloven van een nostalgisch nirwana.

    Van Stipriaan heeft dan ook weinig op met de PVV, volgens hem een ondemocratische, openlijk racistische en haatzaaiende partij.  De verkiezingen in november 2023 waarin de PVV de grootste partij is geworden, markeert in zijn ogen ‘een scherpe breuk in de Nederlandse geschiedenis, waarin verdraagzaamheid en het zoeken naar consensus bijna altijd als vanzelfsprekend om de kern van grote politieke families besloten leek te liggen.’

    Migratie

    Mark Rutte had er een handje van als hij lastenverlichting wilde voor het bedrijfsleven: luid roepen dat er Nederlandse banen op het spel staan. De noodzaak naar schatting een miljoen (goedkope) arbeidsmigranten aan te trekken staat haaks op die stelling: er is geen tekort aan banen, maar juist aan werknemers die het werk kunnen verrichten. Het zijn die arbeidsmigranten die een grote druk leggen op de zorg en op de beschikbare huizen. Alleen al in Den Haag bewonen zij 64.000 huizen. Wanneer jonge Nederlanders geen huis kunnen vinden, is de kans klein dat dat komt door asielzoekers, en groot dat het komt omdat er een stuk of tien arbeidsmigranten in wonen, omdat de asielmigranten slechts 10 à 15 procent uitmaken van de stroom aan migranten die naar Nederland komt. De PVV hamert desondanks uitsluitend op het terugdringen van de instroom van asielzoekers die de schuld krijgen van alle problemen, ook als die door arbeidsmigranten veroorzaakt worden.

    Europese Unie

    Populisten geven de schuld van alle problemen niet alleen aan asielzoekers, maar ook aan de Europese Unie. Van Stipriaan pleit juist voor een sterk en verenigd Europa: we hebben elkaar immers hard nodig. De dreiging door het agressieve landjepik van Poetin in Rusland en de onvoorspelbaarheid van president Trump in de Verenigde Staten maken het alleen maar belangrijker dat we als Europa in staat moeten zijn één front te vormen. Van Stipriaan pleit daarom voor verdere Europese eenwording op politiek, economisch, militair en technologisch terrein. Helaas is dat in de huidige werkelijkheid allerminst logisch omdat de lidstaten van de Europese Unie op veel fronten allerminst op één lijn zitten.

    Zouden mensen die de afgelopen verkiezingen op de PVV hebben gestemd, het pamflet van Van Stipriaan lezen of preekt hij alleen voor eigen parochie? Te vrezen valt dat in de bubbel waarin PVV-stemmers zich bevinden, het boek weggezet wordt als linkse prietpraat en dat ze populisten blijven geloven die – ten onrechte – de schuld van alle problemen leggen bij de Europese Unie en bij de asielzoekers.

     

     

  • Kracht van deze roman zit in de verhoudingen binnen het gezin

    Midden in de crisisjaren in Amerika vertrekt vader Arnold met zijn vrouw Willa en drie dochters naar het platteland om boer te worden. Verteld vanuit het perspectief van de middelste dochter Margret, ontvouwt zich in Nu in november een pijnlijk portret van aftakeling, extreme droogte, armoede en dood. Vertaler Lette Vos is verantwoordelijk voor de goed leesbare en stijlvolle vertaling, waarin de lyrische stijl en natuurbeschrijvingen goed tot zijn recht komen. 

    Al vanaf het begin is het duidelijk dat de relaties binnen het gezin op springen staan. Het gezin staat op allerlei manieren onder druk. Door de hypotheek op het land, die ze maar niet kunnen afbetalen, de droogte, maar ook door onderlinge conflicten. De jaren en seizoenen laten ze stil voorbijgaan, terwijl de aanhoudende droogte hun armer en armer maakt. De komst van de knecht Grant, waar Merle en Margret stiekem verliefd op zijn, kan ook het tij niet keren voor de noodlijdende boerderij van de familie Haldmarne. 

    Sterke beelden van het uitblijven ven regen

    Nu in november verscheen oorspronkelijk in 1934, middenin de zogenaamde ‘Dust Bowl’. Door slechte landbouwtechnieken en extreme droogte mislukte in de jaren dertig veel oogsten in het binnenland van Amerika. Het fijnstof van het akkerland bracht grote schade toe aan natuur en milieu en vele boeren raakten alles kwijt. Een aantal bekende Amerikaanse kunstwerken reflecteren hierop, denk aan boeken van John Steinbeck (The Grapes of Wrath), de muziek van Woody Guthrie (Dust Bowl Ballads), maar bijvoorbeeld ook scenes uit Interstellar van regisseur Christopher Nolan, die het Amerika uit de film modelleerde naar beelden uit die jaren dertig. Ook Josephine Johnson (1910-1990) liet zich inspireren door The Dust Bowl voor haar debuut Nu in november. In 1935, een jaar na publicatie, won ze op 24-jarige leeftijd met de roman de prestigieuze Pulitzer Prize. Tot op de dag van vandaag is ze de jongste schrijver die ooit de Pulitzer Prize won, een uitzonderlijke prestatie. Ze zou nog enkele romans en kortverhalen bundels publiceren, alsook poëzie. 

    Nu in november wordt om meerdere redenen  een moderne klassieker genoemd. Dat heeft te maken met de tijdloze observaties die uit het boek blijken. Allereerst is er de natuur die sterk naar voren komt in Johnsons beschrijvingen van het droge akkerland, de magere beesten en vooral het eindeloze uitblijven van de regen. Aangrijpend is de beschrijving van de storm die de boerderij net mist, waardoor maar een paar druppeltjes het noodlijdende akkerland bereiken: ‘De wolken dreven verder en verwaaiden. Grote vlakken hemel werden vlekkeloos als glas. Het onweer klink heel ver weg bijna hoorbaar… Alles was nog precies zoals daarvoor.’ Zinnen die voor de hedendaagse lezer in tijden van schijnbaar onomkeerbare klimaatverandering, door merg en been gaan. 

    De rol van mannen 

    Hoewel de aanhoudende droogte een grote rol speelt, lijkt de kracht van deze roman juist in de verhoudingen binnen het gezin te zitten. In de afgebakende ruimte van de boerderij gaan de gezinsleden behoedzaam met elkaar om. Kerrin, de eigenwijze dochter, wordt zo veel mogelijk vermeden, net als vader Arnold die onredelijke woede-uitbarstingen heeft als hij vermoed dat er bij het koken eten verspild wordt. Grant, de knecht die bij het gezin komt inwonen, lijkt wat rust te brengen, maar ook hij kan het uit elkaar vallende gezin niet bij elkaar houden. Een brand en het ontslag van Kerrin als onderwijzeres, brengt het gezin definitief ten val. 

    Het boek bevat scherpe observaties over ras, klasse en gender. Bijvoorbeeld de familie Ramsey, een zwarte familie die het net als de andere boeren niet redt en de huur niet meer kan betalen. Ze worden uitgezet, de eigenaar van de boerderij, Turner, zegt daarover: ‘Zwarten zijn geen goede huurders,’ (…) Een witte man had het wel gered.’ Naast het overduidelijke racisme, raakt dit ook aan de rol die de man in dit boek heeft. Mannen zoals vader Arnold zijn de baas en in zijn hoofd is een onoverbrugbare scheiding tussen man en vrouw. Mannen werken op het land, vrouwen in het huis. Kerrin mag onderwijzeres worden, maar de andere zussen zijn voornamelijk thuis. Het idee dat de moeder en zussen zouden kunnen helpen om de boerderij bij elkaar te houden, komt simpelweg niet in hem op. In een woede-uitbarsting, gelijkend op die van haar vader, zegt Kerrin tegen Margret: ‘Jij hebt toch nog nooit iets anders gekend dan eindeloos taarten bakken en boeken lezen? Met je snoezige bloemblaadjes en je onkruid.’

    Meer dan een klassieker

    Het is schrijnend om te zien dat hoe verder het gezin (ook door de dood) uit elkaar valt, hoe meer verantwoordelijkheid er noodgedwongen bij Margret komt te liggen. Maar dan is het al te laat om het gezin nog te kunnen redden; Kerrin heeft zelfmoord gepleegd en moeder Willa sterft aan haar verwondingen van een brand. 

    Nu in november wordt door het aansnijden van hedendaagse thema’s vaak getypeerd als een klassieker die nog steeds actueel is. Dat doet het boek te kort, want hetzelfde valt te zeggen over legio andere boeken. Het is ook niet verwonderlijk dat goede schrijvers thema’s aansnijden (leven & dood, liefde, racisme, klimaatverandering), die decennia later nog steeds op een of andere manier actueel zijn. Wat dit boek zo bijzonder maakt is dat iemand op jonge leeftijd een bijzonder krachtig portret van een noodlijdende familie heeft geschreven. De meanderende natuurbeschrijvingen en de scherpe dialogen aan de eettafel maken dit boek meer dan de moeite waard. Nu in november is vooral een kundig geschreven tijdsdocument dat niets aan kracht heeft verloren.

     

     

  • Hoe ben ik eigenlijk overleden?

    De laatste dag van de veerman van de Noorse schrijver Frode Grytten vertelt het verhaal van de eenzame weduwnaar Nils Vik, die zijn leven lang op de fjord heeft gewerkt. Hij woont in het huis waar hij meer dan zeventig jaar geleden werd geboren, in een afgelegen dorp. De roman begint met zijn besluit om afscheid te nemen: ‘Om kwart over vijf in de ochtend opende Nils Vik zijn ogen en begon de laatste dag van zijn leven.’ Is hij ziek? Waarom heeft hij juist deze dag gekozen? Die vragen blijven onbeantwoord. We weten alleen dat hij zich kalm voorbereidt op zijn afscheid. Hij stapt in zijn veerboot en vaart de fjord op voor zijn laatste tocht. Onderweg ontmoet hij de mensen die hij heeft verloren: vrienden en familieleden van wie hij zich afvraagt hoe ze zijn gestorven.

    In korte fragmenten, anekdotes en alledaagse gesprekken schildert Grytten een gelaagd portret van de veerman, die een bewogen en pijnlijke levensreis achter zich heeft. Wat begint als een ogenschijnlijk eenvoudige schets, wint geleidelijk aan diepte. Met precisie en nuance onthult Grytten laag voor laag de complexiteit van Vik, totdat er uiteindelijk een volledig en genuanceerd beeld van de veerman ontstaat.

    Het innerlijke leven sluit aan bij de natuur

    Wat deze roman bijzonder maakt, is de manier waarop het innerlijke leven van Vik naadloos is verweven met de natuur om hem heen. Grytten kiest zijn woorden met precisie, waardoor hij subtiele nuances overbrengt die zowel de zware als de vreugdevolle momenten in Viks leven tastbaar maken. Vaak vergelijkt hij Viks emoties met de veranderlijke natuur: het water, het weer, de wind, de fjord: ‘Het weer binnen in mij verandert ook, heeft hij ergens in zijn logboeken geschreven. Ik ben net als de fjord, ik zwel op, ik kalmeer. Ja, een schipper is voortdurend in beweging, hij is betrouwbaar en komt wanneer hij moet komen, hij weerstaat de fjord, hij doorstaat de fjord, net zoals het water, dat opgeeft en omgeeft, dat alles aanvaardt en omsluit.’

    Vik heeft geworsteld met de onvermijdelijke veranderingen in het leven, die net zo onstuimig en onvoorspelbaar zijn als de natuur zelf. Als een schipper wiens koers wordt bepaald door de grillen van het weer, heeft hij geleerd tussen zijn eigen emoties en onzekerheden te laveren. De wisselvalligheid van de natuur – veranderend weer, onvoorspelbare fjorden – weerspiegelt zijn innerlijke strijd. In zijn teruggetrokkenheid is er rust, maar ook de constante dreiging van het onbekende. Net als de natuur kent Vik momenten van kalmte én van turbulentie en onrust.

    Geen sentimenteel verslag

    De veerman heeft heel wat meegemaakt. Hij moest de dood van zijn vrouw Marta verwerken, een verlies dat hem diep raakte. Daarnaast vond hij het lichaam van een vriend die zichzelf van het leven had beroofd, een traumatische ervaring die hem nog steeds achtervolgt. Er is ook de jongen die hij niet kon redden, die veel te vroeg stierf; een gebeurtenis waar hij jarenlang mee worstelde en zich schuldig over voelde. En dan zijn er de nare verhalen die hij hoorde van de mensen die hij over de fjord vervoerde, verhalen vol verdriet, verlies en pijn. Toch slaagt de auteur erin om het verhaal nooit te zwaar of te verdrietig te maken. De droge humor biedt telkens een welkome verlichting en houdt het geheel in balans, zodat het leed van de veerman nooit te overweldigend wordt.

    Die humor komt vooral naar voren in de dialogen tussen de veerman en zijn overleden hond Luna. Ondanks dat ze niet meer fysiek bij hem is, stelt de veerman zich haar zo levendig voor dat het lijkt alsof ze nog naast hem loopt. In hun gesprekken moedigt hij haar aan om samen met hem de laatste reis te maken. Luna zelf heeft ook haar vragen: ‘Hoe ben ik eigenlijk overleden?’ vraagt ze op een gegeven moment. ‘En hoe oud was ik eigenlijk in mensenjaren?’ Deze komische en ontroerende vragen zorgen voor een bizarre maar troostrijke sfeer, waarbij de veerman haar antwoordt alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

    De laatste dag van de veerman is een ingetogen roman die de lezer meevoert op de laatste reis van Nils Vik. Grytten balanceert meesterlijk tussen verdriet en humor. De verbinding tussen Viks innerlijk en de hem omringende natuur maakt de roman bijzonder. Dit is een eerlijke, onsentimentele en vaak verrassend lichte reflectie op het leven en afscheid nemen.

  • Van gepest worden naar pesten

    Niets is zo herkenbaar als pesten. Het gebeurt op elke school en is van alle tijden. In het jeugdboek HVJ wordt pestgedrag genuanceerd en treffend verwoord. Lysette van Geel laat zien hoe hard het schoolleven kan zijn en hoe kleine keuzes grote consequenties kunnen hebben. Vanaf het begin voel je de radeloosheid van Enne. Op de basisschool waren de pesterijen van haar klasgenoten aan de orde van de dag en ze werden steeds erger, totdat de situatie op dramatische wijze escaleerde. Ze voelde zich genoodzaakt iedere pauze op de wc door te brengen, schuilend en wachtend tot de dag voorbij ging. In een poging zich op de middelbare school te bevrijden van de pesterijen, kiest ze ervoor om zich anders op te stellen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Een boek om niet meer weg te leggen

    De roman die mooie atlantische wals is een prachtig geweven, zich langzaam ontvouwend verhaal. Het sleept je mee door de levens van twee ogenschijnlijk onopvallende mensen met een grote hartstocht voor countrymuziek. De Schotse schrijver Malachy Tallack overtuigt met deze roman, waarin de trage stijl dezelfde werking heeft als het geluid van een steelgitaar op een luisteraar. De woorden glijden als een rustige stroom langs de lezer, die vooral in het begin de tijd moet nemen om het aanvankelijk saaie, maar wel degelijk spectaculaire verhaal in zich op te kunnen nemen. Stukje bij beetje worden de geheimenissen van de hoofdpersonen blootgelegd. 

    Tallack vertelt in deze roman twee parallelle verhalen. Het ene verhaal speelt in het verleden tussen 1957 en 1981 en gaat over vader Sonny Paton, zijn vrouw Kathleen en hun zoon Jack, bewoners van de Shetland eilanden. Zij wonen in bij Tom, de oom van Sonny, een stugge hardwerkende boer in een vrijstaande woning genaamd Hamar, vlakbij de zee. Het tweede verhaal speelt in het heden en gaat over de zoon, de inmiddels bijna drieënzestigjarige Jack, een eenzaat, zoals Vlamingen dat noemen. Een man die door zijn verlegenheid en gebrek aan durf een ‘lonesome’ bestaan leidt in het huis van zijn overleden ouders. Als kind werd hij enorm gepest en door vaak teleurgesteld te zijn stelt hij zich tevreden met weinig. De parallelle verhalen van Sonny en Jack wisselen elkaar af en vullen elkaar aan als de begeleidende instrumenten in de countrymuziek 

    Geïdealiseerde leven van een Walvisvaarder 

    De roman kent een nogal heftig begin – beschrijving van een storm die vader Sonny als twintigjarige op een walvisvaarder meemaakt – dat afwijkt van de rest van het boek. Als hij deze vreselijke storm tegen verwachting in overleeft neemt hij zich voor het meisje Kathleen ‘met haar ogen als honing’, op wie hij al jaren verliefd is, bij zijn terugkeer op de Shetlandeilanden ten huwelijk te vragen. En dat doet hij ook. De walvis blijft een belangrijke rol in het leven van Sonny spelen. Tot 1963 was de walvisvangst een belangrijke inkomstenbron van de Shetlandeilanden. Toen werd het verboden om er op te jagen. Nadat Sonny op het vasteland aan ’t werk is gegaan idealiseert hij het harde bestaan op zee. Zijn verhalen erover worden steeds sterker. Hij en Kathleen worden op hun veertigste tijdens een boottocht door een walvis aangevallen. Hun boot wordt opgetild en beiden verdrinken. Die scène in het boek lijkt ongeloofwaardig, maar is het niet. Onlangs nog werd bekend dat een kajakker voor de Filippijnse kust in zijn geheel werd opgeslokt door zo’n enorm beest. 

    Onopgemerkt leven

    Het verhaal van Jack is dat van een man die zijn dag vult met boodschapjes doen en wandelingen naar de zee. Hij voorziet in zijn onderhoud door enkele uren per week het kantoor van een zalmverwerkingsbedrijf schoon te maken, een weinig hoogstaande maar voor hem bevredigende arbeid: ‘Het was Jacks taak om onopgemerkt te blijven.’ Via zijn vader Sonny leerde Jack de countrymuziek kennen. Sonny infecteerde zijn zoon ermee. Hamar, het huis waar ze wonen, ademt muziek. Jacks huiskamer staat vol lp’s en cd’s. Waar vader Sonny een passieve luisteraar bleef, bekwaamt Jack zich in het schrijven van eigen liedjes, schrijft tekst en muziek.

    Na ieder hoofdstuk is er een liedje afgedrukt, handgeschreven en met doorhalingen, alsof het schrijfproces nog niet is afgerond. Jack heeft veel verbeeldingskracht. Hij leeft die uit in zijn liedteksten en niet in het dagelijks leven. Hij leeft alleen, maar is niet eenzaam. Hij is tevreden, maar niet gelukkig. Jack denkt veel na over de betekenis van countrymuziek. Hij noemt het ‘verlangen naar elders en ooit, naar plekken en mensen die niet hier en nu waren.’ Countrymuziek was ook, ‘huiveren om wat komen zou, en spijt om wat was.’ Het luisteren en schrijven van deze muziek is een compensatie van zijn bestaan waarin lust en vervoering ontbreken. 

    Dan wordt het beklemmend

    Dan wordt er op een dag een doos met niet nader te noemen inhoud voor de deur van Jack gezet. De inhoud van de doos dwingt hem tot het maken van verbinding met anderen. Is Jack in staat om over zijn eigen geremdheid en afzondering heen te stappen en contact te leggen met zijn omgeving? Het lijkt op niets uit te lopen. Ergens staat: ‘Jack was waardeloos. Overbodig. Nergens goed voor. Tientallen jaren had hij zichzelf laten krimpen, zijn dagen laten verdorren als zaadkorrels op beton, een hopeloze verspilling van het leven. Je kon hem nauwelijks een man noemen.’ In de loop van het boek wordt het verhaal van Jack nogal spannend en beklemmend en kan je het boek niet meer wegleggen. 

    Wat het extra aantrekkelijk maakt is dat de liedjes in het boek ook te beluisteren zijn op spotify. De schrijver voert de liedjes zelf uit en toert met een band door Schotland en Engeland. De roman is daardoor een beleving van lezen en luisteren geworden. Wie ook nog de interviews met de langzaam en weloverwogen sprekende Tallack beluistert, raakt helemaal in de ban van deze mooie atlantische wals over eenzame mensen, heimelijk verlangend naar verbinding. Ook voor extraverte en niet van countrymuziek houdende mensen zeer interessant.



  • Knausgårds kosmologische blik

    Karl Ove Knausgård lezen is ondergedompeld worden in andermans leven. Niet als een voyeur, maar als een mens die herkenbare situaties, gedachten, relaties en ideeën meebeleeft. Aan die herkenbaarheid is behoefte; Knausgård heeft niet voor niets een wereldpubliek veroverd met het zesdelige autobiografische Mijn strijd waarin hij over zichzelf schrijft en over alles en iedereen in zijn leven. Ook in de seizoensboeken en zijn non-fictie horen en herkennen we zijn stem. Altijd zijn er de onovertroffen invoelbaar beschreven dagelijks handelingen als een jas aantrekken, een grammofoonplaat opzetten, uien snijden, in de pan met soep roeren, koffie zetten, in de auto stappen, een richtingaanwijzer aanzetten, de trap oplopen, naar buiten kijken, sleutels pakken en talloze andere alledaagse verrichtingen. Je ziet wat hij doet, spiegelt zijn bewegingen, hoort de dialogen. Daarnaast zijn er de gedachten, de ontwikkelingen en voortgang in het leven van de ik. Wat de lezer gewaarwordt is het mysterie dat leven heet, het geworstel dat het is. 

    In De wolven van de eeuwigheid ontmoeten we in de eerste helft van het boek ik-personage Syvert, die net uit militaire dienst ontslagen is en weer bij zijn moeder en zeven jaar jongere broertje Joar intrekt. Hij weet niet wat hij zal gaan doen, studeren misschien, maar wat dan? Hij neemt een baantje bij een begrafenisonderneming om financieel bij te dragen in het huishouden, traint weer bij zijn voetbalclub, hangt wat rond, zoekt oude vrienden op. Bij het opruimen van de garage vindt hij brieven van zijn al jaren geleden gestorven vader. In het Russisch. Hij laat ze vertalen en ontdekt dat zijn vader in de Sovjet-Unie een geliefde had. 

    Tweede natuur

    Daarna volgen op zichzelf staande hoofdstukken met andere ik-personages, zoals vrachtwagenchauffeur Jevgeni en biologe Alevtina die na Syvert het tweede hoofdpersonage is. In allen herken je de blik en de manier van denken van de schrijver. Hij kan er zijn veelzijdige interesses in onderbrengen, want Knausgård zou Knausgård niet zijn als hij door het rustig voortkabbelende verhaal niet allerlei essayistische overpeinzingen zou weven, of niet af en toe een blik op de eeuwigheid zou werpen, zoals wanneer hij Syvert op weg naar de winkel laat denken: ‘Nu ik over de asfaltweg liep, leek het alsof de flitsende, dreunende ruimte, waar de opgewonden gezichten werden opgelicht en weer donker werden, zoals bij onweer, opging in iets oneindig veel groters en rustigers.’ 

    Denken en schrijven over zaken die hem intrigeren, zoals de plaats van de mens in de kosmos, lijkt Knausgårds tweede natuur. Behalve een begenadigd schrijver is hij een gedegen denker. In Vrouw, het laatste deel van Mijn strijd, schrijft hij meer dan honderd pagina’s over Hitler en Mein Kampf en in De wolven van de eeuwigheid praat en denkt Alevtina pagina’s lang over evolutie en mycorhizza (de symbiose van planten en schimmels via de wortels), over celdeling en dna. 

    ‘De dood is iets’

    Dan personage Vasilisa, een vriendin van Alevtina. Zij schrijft een boek over F.N. Fjodorov, geboren in 1828. ‘Hij heeft een plan bedacht voor een gemeenschappelijke taak waarbij de hele mensheid betrokken zal zijn, en die de lichamelijke opstanding van alle mensen tot doel heeft.’ Als ze nadenkt over haar jong overleden broertje schrijft ze: ‘De dood is iets.’ Ze bezoekt een bedrijf waar dode lichamen, of alleen hoofden, drijven in tanks gevuld met vloeibaar gas van min tweehonderdvijftig graden. De bedoeling is ze ooit, later, weer tot leven te wekken, hersenen misschien te uploaden in een computer. Vrachtwagenchauffeur Jevgeni levert in dit bedrijf tanks af, bij het weggaan hoort hij een ‘onheilspellend gebonk’ uit een schuur komen. Het bedrijf Krio Rus, de naam die genoemd wordt, bestaat echt. Over het Amerikaanse equivalent schreef Jeanette Winterson in de roman Frankusstein.

    De dood is een onontkoombaar thema bij Knausgård. Morgenster bevat een lang essay over de dood, Wolven begint al meteen met een paar pagina’s over Helge, een jeugdige ik die een auto in het water ziet liggen en er tegen niemand iets over zegt. De suggestie ontstaat, later, dat het Syverts vader is die in die auto om het leven is gekomen en misschien gered had kunnen worden. Deze Helge komt niet terug, of het moet de Helge zijn die in Syverts latere begrafenisonderneming werkt. Maar dan zijn we tientallen jaren verder. Syvert lijkt een stoïcijns personage, totdat uit de gesprekken met Alevtina blijkt hoe hij zijn gevoel uit de weg gaat, zich verbergt achter meegaandheid en aardig zijn. Hij durft haar niet te vertellen dat hij een begrafenisonderneming runt, bang als hij is dat zij dat werk onaangenaam vindt en hij erdoor in haar achting daalt. 

    Bijbel

    De dood is niet het enige terugkerende element bij Knausgård. Grote, zwarte vogels vliegen wederom rond en de hellichte grote ster uit Morgenster is ook in Wolven aanwezig. De Bijbel, inspiratiebron voor Knausgårds eerste, weinig succesvolle roman Engelen vallen langzaam, neemt ook nu een vooraanstaande plaats in. In Wolven en Morgenster wordt eruit geciteerd en over nagedacht. De Bijbel is niet alleen een christelijk cultuurverschijnsel, hij vertegenwoordigt ook de mystiek en het bovenaardse. Wat weer samenvalt met de ‘nieuwe ster’ die in Wolven Vasilisa angst aanjaagt.  

    De wirwar van relaties, de noties over leven, dood, oneindigheid, mensheid, eeuwigheid en de cliffhangers na ieder hoofdstuk, dit alles maakt het boek mateloos boeiend. De wolven van de eeuwigheid is na De morgenster het tweede deel van een drieluik. Recentelijk verscheen Het derde rijk, het laatste deel. Dat belooft wat. 

     

     

  • De zonde bestaat erin de daad in eigen hand te nemen

    Het is het voorrecht van de kunstenaar om te bepalen dat zijn werk klaar is. Iemand die dit adagium tot in de finesse beheerste was Auguste Rodin. Als geen ander wist hij dat je in goede kunst moet focussen op wat er echt toe doet. En dat het af is als je die focus gevonden hebt. In veel van zijn beelden liet hij de rest van de steen dan ook vrijwel onaangeraakt, zoals bijvoorbeeld het beeld Gedachte, waar een perfect gebeeldhouwd vrouwenhoofd oprijst uit een ruw stuk marmer.

    Ook in de roman De zee van de Spaanse dichter en romancier Blai Bonet – (1e druk in 1958) eerste Nederlandse vertaling in 2024 – ligt de nadruk op wat ertoe doet. Maar in tegenstelling tot Rodin’s Gedachte, werd die focus pas gevonden toen het overtollige werd weggesneden. De eerste versie van De Zee besloeg meer dan zevenhonderd pagina’s en uit het uiteindelijke manuscript werden voor publicatie nog verschillende hoofdstukken geschrapt. Niet door de censuur, die ten tijde van dictator Franco fors kon zijn, maar door de redacteur van de roman, Joan Sales. Dit is althans de mening van Frans Oosterholt, die de Nederlandse vertaling maakte en het nawoord bij de roman verzorgde. Volgens hem is het waarschijnlijk dat Sales de schrijver ervan overtuigde dat het beter was om negen hoofdstukken niet op te nemen, om zo te voorkomen dat het verhaal zou uitwaaieren en de aandacht zou worden afgeleid van de hoofdpersonen. Hoofdstukken die overigens in de Nederlandse vertaling als annex zijn opgenomen. Waardoor je je als lezer er ook zelf van kan vergewissen dat less in dit geval inderdaad echt more is en focus loont.

    Sanatorium als tegenvoeter van verveling

    Het resultaat van Sales’ ingrepen is een intens geconcentreerde roman over twee adolescenten: Andreu Romallo en Manuel Tur. Zij zijn beiden met tuberculose in een sanatorium opgenomen en afwisselend aan het woord. Ze vertellen over de armoede en onzekerheid van hun jeugd, over het geweld en de wreedheden van de Spaans burgeroorlog, over hun ontluikende homoseksualiteit, over zonde, schuld, en het bestaan van tuberculoselijders in het sanatorium.

    Priester Gabriel Caldentey, één van de weinige anderen die aan het woord komen in de roman, duidt het sanatorium treffend als de tegenvoeter van verveling. ‘Hier zondigt men subtiel, men zondigt en bespreekt de zonde, zoals in hogere kringen. In dit sanatorium wordt vurig gezondigd, niet ondergronds, zoals in de plattelandsparochies.’ 

    Zonde en schuldbesef 

    De roman is doordesemd van zonde en schuldbesef, waarbij het vooral de homoseksuele gevoelens en de dood zijn die deze gevoelens opwekken. Zowel Andreu als Manuel gaan hieronder gebukt en er uiteindelijk ook aan onderdoor. Als Manuel tegen het einde van het boek zijn naakte lichaam in de spiegel bekijkt is hij zich bewust van die zonde en van de kwetsbaarheid die ermee gepaard gaat. ‘Ik ben helemaal bloot. Nooit was ik er zo van doordrongen dat het lichaam van een mens vleesgeworden stilte is.’

    Ook Andreu gaat gebukt onder zonde en schuld. Hij weet dat hij alleen zal achterblijven in de vreselijke daad die hij zal begaan. En dat ze hem dan zullen vinden. Dat de zonde een hondenstraf is die erin bestaat de daad in eigen hand te nemen. Maar hij meent ook dat de zonde een tempel is ‘waarin een man binnengaat, op onverklaarbare wijze, omdat hij weet dat zijn onschuld hem zal laten huilen…’

    De dood als kloosterregel

    Naast zondebesef en schuld is de dood het tweede grote thema in De zee. De dood is alomtegenwoordig, in de vorm van jeugdige doden als gevolg van de gebrekkige gezondheid van de arme Spaanse plattelandsbevolking, van moord in een verscheurd land in en na de burgeroorlog, van fusillades, van uitgeteerde tuberculosepatiënten die het niet redden, en zo meer. 

    Als Andreu naar het dorp loopt komt hij en oude vriend tegen die het leger in gaat. Ze raken in gesprek over militaire dienst, vechten, en doden, en de militair in spé legt Andreu uit waarom doodgaan iets is dat je uiteindelijk alleen zou moeten doen. ‘Een man is nooit meer man dan wanneer hij moet sterven. Zeggen ze. Omdat hij helemaal alleen is. Zonder iets te geven. Zonder iets te krijgen. Er zit alles in: de weg, het land, angst, tederheid, het leven. Zonder het te gebruiken. Er eenvoudig over beschikken. Zonder het vast te houden. De dood is een kloosterregel die volledig doorleefd wordt in twee uur tijd.’ 

    Doordat in De Zee het perspectief per hoofdstuk verandert is het lezen ervan topsport. Je kunt je aandacht geen moment laten verslappen en moet het net zo intens lezen als het is opgeschreven. Al gunt Bonet je af en toe ook een bezinningsmoment, wanneer zijn pen de omgeving van het sanatorium beschrijft, waarin de geuren en warmte van Mallorca zinderen. ‘De stoep die, immer grijs, om het paviljoen heen loopt, kraakt, gloeiend en geblakerd, onder de zon van drie uur, de zon van de distels, van de stoppels, waar de klaprozen, de witte en roze akkerwinde, het bisschopskruid voor de bruid, hun nuances laten opzuigen door de nobele en brute zon van het land.’

    Het Mallorcaanse landschap en leven als decor

    Zondebesef, schuld, de dood, het Mallorcaanse landschap en plattelandsleven. Het zijn vaste thema’s in het oeuvre van Bonet. Hij werd in 1926 geboren in Santanyí op Mallorca en stierf er in 1997. Als jongeling ging hij het seminarium in maar moest die opleiding afbreken vanwege tuberculose. Hij zou in het sanatorium waar hij verbleef het idee opdoen voor De zee, zijn eerste roman. Daarnaast putte hij veel inspiratie uit het eiland waar hij woonde, zijn moeizame relatie met zijn vader en zijn worsteling met homoseksualiteit. Allemaal thema’s die worden aangestipt in De zee. Na zijn debuutroman zouden er nog vier volgen. Daarnaast schreef hij vooral en veel poëzie. Zijn verzamelde dichtwerk, in 2014 uitgebracht, beslaat maar liefst 1374 pagina’s. En dat was nog niet alles. Bonet was ook een begenadigd dramaturg, dagboekschrijver, kustcriticus en journalist.

    Zijn kritische inborst als kunstcriticus en journalist toont zich duidelijk in De Zee. Alhoewel Bonet net als Andreu Romallo en Manuel Tur in een sanatorium verbleef, heeft de schrijver altijd benadrukt dat De zee niet autobiografisch is. Hij wilde, zoals hij in 1981 in een interview had gezegd, niet zozeer de realiteit van een sanatorium schetsen, maar de verstikkende atmosfeer van het franquistische Spanje. Het verdriet van Spanje.