• Leven in de tussentijd

    De lijst met fictie over ziektes en afwijkingen groeit met de dag. Van Hanna Bervoets (Welkom in het Rijk der zieken) tot Wytske Versteeg (Quarantaine). Ook dichtbundels van bijvoorbeeld Eva Meijer (De grenzen van mijn taal) en een kinderboek als Lennox en de gouden sikkel van Zindzi Zevenbergen behoren daartoe. En tussenvormen die niet in een hokje passen, zoals Kleinzeer van Nadia de Vries, Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman en Variaties op aanwezigheid van de al eerder genoemde Eva Meijer.

    Het debuut van Emma Laura Schouten (1994), Nachtschade, gaat over in dit geval een hersenziekte (migraine) én valt niet in een hokje te stoppen, al wordt het op de achterflap als een roman gekarakteriseerd. Zou de thematiek er aanleiding toe geven dat er op veel boeken in dit genre eigenlijk geen eenduidig etiket past? In ieder geval beheerst Schouten, docente Nederlands, verschillende genres: essays, proza en poëzie.

    Haar taalgebruik is vaak poëtisch. Ze heeft het over ‘stilstaande tijd’ en ‘stilleven’. Dat is knap, want een fysieke ervaring als migraine laat zich eerder uitdrukken in (haar eigen) tekeningen – die op enkele plaatsen in het boek staan – dan vangen binnen de grenzen van de taal, om de titel van de bundel van Meijer te parafraseren. Tekeningen van bijvoorbeeld een spiraal of gekartelde halvemanen, vormen van pijn die ook mensen met oogmigraine zien en zullen herkennen.
    Want Schoutens ik-figuur is niet de enige die aan migraine lijdt. De auteur noemt die ziekte naar de naam van de oud-Griekse migrainedemon Antaura en stelt haar voor als levensgezel. De titel van het boek verwijst naar het dieet dat iemand haar aanraadde: geen planten uit de nachtschadefamilie eten. Maar het is ook de nacht, het donker dat bij een aanval een toevlucht biedt. Donker richt geen extra schade aan maar dempt de pijn.

    Op zoek naar Anne Conway

    Andere vrouwelijke denkers en schrijvers met migraine, zoals Hildegard von Bingen, Jane Austen en Virginia Woolf komen door het hele boek terug. Telkens op één pagina per persoon opgesomd. Kijkt de ik of er een lijn in zit waar zij wat aan zou kunnen hebben?
    Het is met name Anne Conway die haar boeit, een zeventiende-eeuwse Engelse filosofe die tegen het cartesiaans dualisme ageerde. In die visie worden lichaam en geest gescheiden van elkaar voorgesteld. Conway schreef al even fragmentarisch of caleidoscopisch als Schouten. De ik, student, wil een scriptie over haar maken en gaat ter voorbereiding daarvan naar Londen, waar Conway is geboren en gestorven. Dat wil zeggen: de ik ‘was niet op zoek naar Anne de filosofe’, ze ‘zocht Anne, de zieke vrouw’.

    Het scriptieonderzoek levert niet direct op wat ze ervan verwachtte. Ondertussen geeft zij Nederlandse les, wat haar steeds beter af gaat en zit of ligt ze de tussentijd van een migraineaanval – die soms twee dagen duurt – uit. De beschrijving ervan doet denken aan wat Sylvia Plath eens benoemde als ‘een zieke, pijnlijke bijna-doodslaap’.
    De ik neemt pakken printpapier uit school mee om er ‘een muur, een iglo, een nest’ om haar bed in haar kamer in een met andere studenten gedeeld huis mee op te trekken. Haar huisgenoten ontdekken het en reageren ronduit vijandig. ‘De sociale afwijzing was vernietigend definitief en zou door mijn hersenen op dezelfde manier verwerkt worden als fysieke pijn’. Die laatste probeert ze te lijf te gaan met de inhoud van ‘blauwe doosjes’. Of met een helm op het hoofd.

    Rafelige breukzones

    Ze verhuist naar een donker souterrain, dient haar ontslag op school in en gaat steeds meer op in ‘Anne de mens, Anne de jonge vrouw (…), haar lelijkheid, haar ongeduld, de hautaine Anne die geloofde dat haar een onrecht werd aangedaan en die weerstand bood aan de verpletterende zinloosheid van zoveel pijn’.
    Bij dat onderzoek laat Schouten haar ik-persoon associatief te werk gaan. Een gedeelte naar aanleiding van een ‘wazige notitie door John Ward, pastoor van Stratford-upon-Avon: “Lady Conway heeft hevige pijn in haar hoofd, haar schedelnaden open”’ wordt gevolgd door een alinea op driekwart van de volgende pagina, over de structuur van de aardkorst met alle naden van dien. ‘Rafelige breukzones als moeizaam geheelde wonden.’
    Toch komt ze niet dichter bij Anne, noch bij alle andere, overleden vrouwen die aan migraine leden. De enige die ze echt kent is haar levensgezel Antaura.

    Nachtschade is een sterk debuut, fragmentarisch en caleidoscopisch in de zoektocht naar vrouwen met migraine. Naar Anne en naar die andere vrouwen, inclusief zijzelf. Dat levert stillevens op met verschillende invalshoeken en lege plekken. Zo heeft de auteur het lijden aan migraine vormgegeven, zoals ook enkele andere auteurs die over ziekte schrijven dat op vergelijkbare wijze deden.
    Hoewel Schouten het zichzelf en de lezer zo niet makkelijk maakte, zou je willen weten hoe het de ik-figuur nu vergaat, nadat ze tot de conclusie is gekomen dat zowel de zoektocht naar Anne, als naar andere lijders aan migraine en naar triggers van jongs af aan (menstruatie, demonen die opduiken, een te zure vrucht, stroboscopisch licht, onweer, storm en sneeuw) weinig hebben opgeleverd. Niet in een boek van of over een zieke vrouw, maar van een getalenteerd schrijfster die over welk onderwerp dan ook schrijft en er vorm en stem aan weet te geven.

     

     

  • Zware emoties in poëtische zinnen

    Nate woont samen met zijn moeder en zijn twee broertjes: Jaxon van acht en ‘Turbo Terror’ Dylan van vier. Alle drie hebben ze een andere vader, die niet meer in hun leven is. Gaandeweg leer je over de schrijnende thuissituatie: moeder is vaak weg, naar de bingo om de hoek. Drinkt veel, huilt hele avonden als de jongens slapen. Al snel wordt duidelijk dat de zorg voor zijn broertjes voornamelijk bij Nate ligt.

    […]

    De sterke kant van Het laatste jaar is niet het aangrijpende verhaal en de belangrijke thema’s, hoe mooi die ook zijn. De echte kracht van Het laatste jaar zit in de vorm. Het boek, van de Britse schrijver en dichter Goodfellow, is namelijk geheel geschreven in vrije versvorm. Goodfellow trekt je meteen het ontroerende verhaal in met ritmische, korte zinnen.

    […]

    Het laatste jaar zit vol met grote thema’s en verwijzingen naar andere literatuur. Het is een boek dat meteen raakt en dat je dankzij de poëtische teksten meevoert in de zware wereld van een jongen die om moet gaan met alles wat het leven hem toewerpt. Een boek dat het waard is om door velen gelezen – en herlezen – te worden. Er is zoveel te ontdekken tussen de regels door.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Een monument voor alle Russische ‘meisjes’

    De Russische schrijver en vredesactivist Daria Serenko (1993) komt na haar afstuderen te werken in een kleine regionale bibliotheek, op een kantoor zonder ramen, maar met fotobehang vol tropisch groen en schuimende watervallen. Verscholen achter grote monitoren zitten, bijna onzichtbaar, ‘de meisjes’. Daria wordt één van ‘de meisjes’ waarop de instituties van de Russische bureaucratie zijn gebouwd. ‘De meisjes’ vormen de kruipolie van het hele staatsapparaat en zijn voor het functioneren daarvan volkomen inwisselbaar. De individualiteit wordt door de tandraderen van dat apparaat vermorzeld. De kalender van de menstruatiecyclus hangt naast die van de belangrijkste data uit de geschiedenis van Rusland. Dit beeld wordt in een prachtige tekening treffend gevisualiseerd door het raamwerk van de maanden van het jaar af te beelden als de spijlen van een cel waarachter ‘de meisjes’ gevangen zitten. Niet zonder een wrang gevoel voor humor schetst Serenko de krankzinnige werking van die bureaucratie in een treffende anekdote. Als kort voor de opening van een tentoonstelling van een beroemde kunstenaar in de galerie waar Daria inmiddels werkt het bericht komt dat de kunstenaar onverwachts is overleden en dat over een paar dagen de begrafenis zal plaatsvinden zodat de tentoonstelling helaas niet kan doorgaan, reageert haar leidinggevende totaal verbijsterd: ‘Overleden? Ik kan niet zomaar iets annuleren dat al naar het departement is gestuurd.’ Als Daria vervolgens antwoordt: ‘Maar ú annuleert het toch niet, dat doet de dood.’, krijgt zij te horen ‘De dood is geen geldig excuus, probeer er een herdenkingstentoonstelling van te maken’.

    Dun ijs is gevaarlijk

    ‘De meisjes’ worden voortdurend in de gaten gehouden en moeten voor elke kleinigheid verantwoording afleggen. Dat de angst een geïnstitutionaliseerd verschijnsel is en voortdurend levend gehouden moet worden, toont de volgende anekdote. Op een gegeven moment komt er een oekaze van het Ministerie van Noodsituaties met het bevel een bepaalde screensaver op alle schermen van de instelling te installeren. De screensaver toont een breed dal met een dichtgevroren, besneeuwde rivier. Een paar seconden gebeurt er dan helemaal niets. Daarna verschijnen er plotseling twee mensen in beeld van op de rug gezien. Zij lopen hand in hand naar de rivier. Daar staan ze even stil. Dan overschrijden zij een grens, stappen op het ijs en verdwijnen onder water zonder nog boven te komen. Boven in beeld verschijnt in grote cursieve letters: Dun ijs is gevaarlijk!  Met andere woorden: ‘Pas op dat je je houd aan de richtlijnen van de staat, anders loopt het niet goed met je af.’

    Niet klein te krijgen, ‘die meisjes’

    Toch zijn ‘de meisjes’ hun individualiteit niet echt kwijt en broeit er onderhuids ook verzet. Soms komt dat tot uiting door het initiatief van een van die rots-in-de-branding-meisjes, Oksana. Zij neemt als eerste ontslag. Daarna pas volgen de anderen, collectief. Aanvankelijk lijkt het goed te gaan met Oksana. Zij gaat samenwonen met haar vrouw, schrijft een roman en krijgt een prijs. Maar dan wordt een heel literatuurfestival waarop zij een lezing zou geven afgelast. Oksana wordt aan de schandpaal genageld als een perverseling, een lesbo, een pot en sodomiet, een heks en een bedreiging voor de traditie. Hoe ‘de meisjes’ ook proberen hun instituties te ontvluchten, de instituties halen ze altijd weer in en verzwelgen ze

    Een tweeluik

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee delen. In het eerste deel, ‘Meisjes en instituties’, geeft Daria Serenko een beschrijving van haar werkervaringen in overheidsinstellingen als bibliotheken, galeries en universiteiten na haar afstuderen.

    Deel twee gaat over haar leven in de gevangenis. Zij was aanhanger van Navalny en werd opgepakt tijdens een demonstratie tegen de oorlog in Oekraïne. In de gevangenis krijgt zij te maken met het keiharde regime dat daar geldt, waarin lichamelijk geweld, seksuele intimidatie en eenzame opsluiting behoren tot het standaardrepertoire om mensen geestelijk te breken. Daar komt zij echter ook in contact met mensen uit sociale lagen van de bevolking die haar eigenlijk vreemd zijn. Zelf heeft zij een intellectuele achtergrond van mensen uit een universitair milieu waarin boeken en tijdschriften gelezen worden, en waarin gediscussieerd wordt over politiek. In de gevangenis zitten veelal mensen die een misdrijf hebben begaan, die gewend zijn van dag tot dag te leven en in wier leven dronkenschap en prostitutie de gewoonste zaken van de wereld zijn. Er zitten weinig ‘politieken’ in de gevangenis. Die worden dan ook vol wantrouwen bekeken. Als zij na haar eenzame opsluiting een paar volksvrouwen als celgenoten krijgt, moet zij eerst door dat wantrouwen heen breken. Dan ontstaat er begrip en uiteindelijk ook een band tussen de vrouwen.

    Requiem voor Rusland

    Steeds meer komt Daria Serenko er achter dat zij het leven in Rusland haat, dat zij het land haat dat gebouwd is op onderdrukking, op leugens en geschiedvervalsing, hoeveel pijn het ook kost om dit voor zichzelf te erkennen. Na haar vrijlating gaat zij, zoals zoveel Russen, in ballingschap naar Georgië.

    De situatie in het huidige Rusland is, zeker voor vrouwen, hopeloos, vooral na de dood van Navalny van wie Serenko een vurig aanhanger was. Ik wens mijn huis as is een vlammende kreet van verontwaardiging, pijn en wanhoop van een getormenteerde schrijver. Het is een hartstochtelijk requiem in woord en beeld voor de meisjes van Rusland, zoals zij haar seksegenoten werkzaam in alle geledingen van de Russische bureaucratie noemt. Persoonlijke anekdotes op de werkvloer en in de gevangenis zet zij kracht bij in wrange, maar ook ontroerende tekeningen en in beklemmende gedichten, die je soms tot tranen toe beroeren. Zo richt Daria Serenko in Ik wens mijn huis as een klein monument op voor, wat zij noemt, alle Russische meisjes.

     

  • Gedachten die in het hoofd ronddwalen

    Kopwolven is een bijzondere uitgave van kunstenaars Martin Knaapen en Marcel Herms, beiden geboren in 1964. Knaapen is veelzijdig als dichter, cultureel manusje-van-alles en stadsdichter van Deventer. Herms schildert, tekent en maakt (boek)objecten en audiokunst. Zijn werk verscheen in vele publicaties in samenwerking met verschillende beeldend kunstenaars en audiokunstenaars over de hele wereld.

    Dankzij de handgebonden koptische binding met neutraal karton als voor- en achterkaft valt het boek plat open. Waardoor de schilderingen en de bladzijden met tekst goed tot hun recht komen. Het gaat om een doorlopend prozagedicht dat zonder interpunctie in korte strofen op de rechter pagina is gedrukt, op de linker bladzijde staan de titels, zoals: ‘Neem mijn kopwolven lief’, ‘Ruis’, ‘Beklaterd’, ‘Lafbek’, ‘Loser’ et cetera.

    De tekst wordt steeds onderbroken door anderhalve pagina met ruige, duistere, levendige schilderingen waarin sporen van een wolf zijn te ontdekken. Witte tanden in een opengesperde bek, gespitste oren, loensende ogen, springende poten, het is een wervelwind van vlakken en vegen opgezet met inkt, verf, krijt, houtskool en collagetechnieken, in zwart-wit of met ondersteunende kleuren, vaak rood.

    Het prozagedicht is vanuit het ik-perspectief geschreven en leest als een lange monoloog. Na een proloog volgen vier delen met de titels: ‘grom’, ‘groei’, ‘besef’ en ‘zijn’, die weer zijn ingedeeld in afzonderlijke hoofdstukjes, los van het grote geheel te lezen. Samengevat is dit boek een zoektocht naar wie je eigenlijk bent. Het hele gedicht is zo verwoord dat iedereen zichzelf kan herkennen in de boosheid en de onmacht, de berusting en de opgeworpen vragen. Dat maakt Kopwolven boeiend en soms ook verontrustend.

    Ferlinghetti

    Het hoofdstuk met de titel ik heb Ferlinghetti gelezen, zegt veel over auteur Knaapen zelf. Ferlinghetti (1919-2021) was een Amerikaanse schrijver en dichter en een exponent van de Beatgeneration, antikapitalistisch en tegen de Vietnamoorlog. ‘Ik ben geboren nog voor de mensen mij kenden – nog voor mijn vader mij meenam – en mijn moeder mij troostte – ik ben een zeiler voor wie het land te groot is – en de zee te ver – ik heb de schoonheid gezien van het donker en van het licht dat mij waste […] ik ben aardiger geworden na mijn dood – ik ben vader en partner en vriend – en neef en oom en collega en buurman – ik heb daarvoor betaald […] ik heb meer geroken dan ik aankon en kan – en meer gelezen dat ik niet begrijp dan wel – ik heb veel gezeten maar nooit gedwongen – ik ben ruim 1 meter 70 en soms niet – ik weeg rond de 70 kilo – mijn gelukscijfer ben ik vergeten – het werkte niet’

    Het totale gedicht is een aanklacht tegen de maatschappij. De polemiek rond het herinvoeren van de wolf in Nederland is een mooie aanleiding om met een titel als Kopwolven polarisatie, foute beslissingen in de politiek, klimaatverandering, misstanden in het algemeen te duiden als oorzaken voor angst en verwarring. Daarnaast zijn er veel persoonlijke herinneringen aan een jeugd, ouders, moeder en het zusje dat te jong stierf: ‘dat je mijn zusje mens liet zijn toen de dood zich versneld bij haar manifesteerde en ook jij langzaam aftakelde.’ Een liefde die verdween of kwam, eigenliefde, zelfhaat of de sluimering van een mentale depressie. Het zijn allemaal zogenaamde kopwolven, die veelvuldig worden benoemd en bedoeld zijn als de gedachten die in het hoofd ronddwalen en angsten voeden; woede en onmacht, cynisme, onvermogen, onverschilligheid, verlangen naar de mooie herinneringen in tijden dat het leven tegenzit. Het zijn de universele zorgen die ons allemaal najagen en waar we mee moeten leren leven.

    Berusting en acceptatie

    Kopwolven is een oproep om te luisteren, een aanklacht tegen onze generatie en die van onze ouders en grootouders die wel hoorden maar niet luisterden. Maar ook is dit gedicht een ode aan moeder aarde. De ik zit soms op een boot en vaart zeilend door het leven op zoek naar ruimte en bevrijding van de kopwolven. ‘en zo – zeil ik laverend langs mijn grenzen – strijdend met weerwil – tegen het grauw – ik raak de horizon maar blijf er weg – de weg naar – is altijd om – of onvindbaar – maar ik leer te leren – en te ademen – op de juiste momenten – ik probeer niet te luisteren – naar het gehijg van de kopwolven’

    Het gedicht sluit met berusting en acceptatie om te kunnen leven met woede en angst, en onzekerheden.
    ‘zwijg nu – je bent te lang aan het woord geweest – ik ben er moe van en doof – en heb niets geleerd – dan dat afstand – niet meer dan jouw vrees is – neem mijn hand – voel de aarde – kijk in mijn ogen – zie de zee – hoor mijn woorden – het is de wind […] het geluk – is teder en broos – en kent grenzen – noch einder’

    Kopwolven is een ‘hebbeboek’, dat steeds binnen handbereik mag liggen om geregeld open te slaan en uitnodigt om zomaar ergens te beginnen met lezen. Of peinzend naar de schilderingen te staren waarin zoveel te zien is en ruimte geeft aan eigen zorgen, angsten en herinneringen. Het gaat erom deze een plaats te geven in het moeizame bestaan.

     

     

  • Liefde overwint alles

    Liefde in oorlogstijd verscheen voor het eerst in 2004. De meeste van de door Steffie van den Oord geïnterviewden waren toen in de tachtig. Nu, bij het verschijnen van de zevende druk en tachtig jaar na de bevrijding, zal waarschijnlijk niemand van hen nog in leven zijn en blijven alleen hun verhalen over. Daarom is het goed en gepast dat het boek nog eens is herdrukt. ‘Wat zijn ‘goed’ en ‘fout’ in de liefde?’ vraagt Van den Oord zich af in haar korte voorwoord. ‘Niets!’ is het antwoord van een van haar gesprekspartners.

    Dit kenmerkt meteen de journalistieke insteek van Liefde in oorlogstijd; nergens waagt Van den Oord zich aan een oordeel over het objectief gezien soms toch dubieuze morele gehalte van de relaties die zij beschrijft. De oorlog is een decor, een omstandigheid, uiteraard met impact op de liefdesverhoudingen, maar waar het om gaat is de oprechtheid van de gevoelens. Tegelijk geeft het boek een verhelderend beeld van een aspect van de oorlog dat altijd veel minder aandacht heeft gekregen dan traditionele thema’s als verzet, verraad, heldendom, dood en vernietiging. 

    Zo mooi, zo groots

    Achttien verhalen telt Liefde in oorlogstijd. De aard van de relaties verschilt per keer. Een meisje uit Rotterdam met een Duitse marinier. Twee jonge Joodse buren. Een homoseksueel stel in de Duitse oorlogsindustrie. Een zigeunermeisje en haar minnaar in Auschwitz. Een Groningse Joodse slagersknecht en een van de dochters van de mensen bij wie hij in onderduik zit. Een Indo-meisje in Makassar en een Japanse officier. Vanzelfsprekend worden de ongewone, vaak riskante verliefdheden door de directe omgeving (familie, buren, bezetter) niet altijd op prijs gesteld, laat staan aangemoedigd. Maar liefde overwint alles, althans zolang de omstandigheden meewerken. Dat is lang niet altijd het geval.

    Deportaties, tewerkstelling, toeval, domme pech, dood, onwetendheid, misverstanden, detentie, van alles gooide roet in het eten. Soms vonden geliefden elkaar na de oorlog terug, in enkele gevallen na een terugreis die doet denken aan Primo Levi’s Het respijt. Dikwijls zat er niets anders op dan de hoop op hereniging op te geven en maar iemand anders te kiezen, het leven gaat door – al blijft altijd de herinnering aan de liefde van het leven: ‘Ik wil niet bij de man in het graf. Ik wil bij zijn broer zijn als ik dood ben, bij Frans,’ zegt Maria Urlings-Jacobs. Haar verloofde kwam op de laatste oorlogsdag om het leven door een wanhopig Duits bombardement. Frans’ broer Harrie was zijn vrouw verloren en moest vier kinderen opvoeden: ‘Daarom ben ik toch maar getrouwd,’ aldus Maria. ‘Maar als je de grote liefde ontmoet maar weer verliest, dan valt het leven daarna zo tegen. Niets is meer zo mooi, zo groots. Het wordt nooit meer wat het geweest is.’

    Wegkijken

    Opvallend is de neiging van sommige geïnterviewden om weg te kijken van de realiteit van de oorlog – vaak om hun keuzes en handelingen te verklaren of goed te praten. Een paar voorbeelden uit ‘De Wagenführer’, het verhaal over Frans Otten uit Nijmegen, die vrijwillig naar Duitsland ging om te werken in de oorlogsindustrie en ter plekke verkering kreeg met een Duits meisje. ‘Je kon toch niet voor de vijand gaan werken? Nou ja, de vijand… da’s een groot woord.’ ‘Ik werkte nu voor de Duitsers. Van het leer uit onze fabriek werden ook soldatenlaarzen gemaakt – dat zal best ja. Daar prakkeseerde je niet over. (…) Wat wist je van oorlog?’ ‘Dat de mannen, met wier vrouwen ik vree, aan het vechten waren… ach, daar prakkeseerde je niet over.’

    ‘Ik had het er goed vanaf gebracht in Duitsland. Nooit moeilijkheden gehad. Het was eigenlijk gewoon fantastisch geweest.’ In ‘De matroos en het meisje’: ‘Over de oorlog hebben we helemaal niet gesproken. (…) Als je jong bent en zó gelukkig, wat interesseert je een oorlog dan?’ Maurits en Catharina van Thijn vonden elkaar terug na de oorlog en vestigden zich in Israël: ‘Een heerlijk land; de bergen, de zee. En de oorlogen… ze komen en gaan. Je wordt immuun voor erge dingen.’ In die relativerende houding zit kennelijk een belangrijk deel van de kracht die de verliefden nodig hadden om zichzelf, elkaar en hun liefde op de been te houden. 

    Aangrijpend genoeg

    Liefde in oorlogstijd is zeer goed geschreven. Bijna té goed. Een groot deel van de verhalen is verwoord in de directe rede van de geïnterviewden. Maar het is onwaarschijnlijk dat die ze al de zinnen ook daadwerkelijk zó uitgesproken hebben. Soms worden vertaalde teksten doorspekt met woorden in de originele taal. ‘Die ferrekte oarloch giet noait mear oer’ lees je dan ineens in het verhaal over Wytske uit Heerenveen. Hier is een schrijver aan het werk, en niet een verteller. Iemand zegt: ‘Op 23 september, een nevelig vroege ochtend, kwamen we in Auschwitz aan.’ Dat is literatuur, geen spreektaal. ‘’s Zomers trokken we van dorp tot dorp, door heuvelachtige landschappen met rode papavers en blauwe korenbloemen, langs dichtbegroeide, bijna zwarte wouden.’ Hier is danig geredigeerd, want niemand praat zo. Op zich komt deze verliteraturisering de leesbaarheid natuurlijk ten goede, maar ze doet helaas wel afbreuk aan de illusie van authenticiteit, en dus geloofwaardigheid van de vertelde verhalen. Terwijl die op zich aangrijpend, ontroerend en ontregelend genoeg zijn. 

     

     

  • Speelse kijk op gevoelens

    Vorig jaar kwam Het grote boek van alle emoties van orthopedagoog Steven Gielis en illustrator en schrijver Louise Marie Leuwers uit. Hun boek is verschenen bij uitgeverij Lannoo en gemaakt binnen de community ‘Mama Baas’. Dat Vlaamse collectief is in 2015 gestart door twee moeders die zochten naar een manier om opvoedingsvragen te bespreken met andere opvoeders en deskundigen.

    […]

    Het grote boek van alle emoties is een heerlijk blader- en kijkboek. Het is bijzonder speels ingericht, fantasierijk geïllustreerd en optimistisch van toon. Maar vooral: het prikkelt tot actie en tot gesprek met leeftijdgenoten en met ouders. Niet alleen moeders hopelijk. Want zoals Mama Baas over zichzelf zegt: ‘Mama Baas werkt met een vaste poel van mama’s (en papa’s!), elk met een verschillend profiel: getrouwd, gescheiden, bewust alleenstaand, met kinderwens of al mama van één, twee, drie, vier… kindjes’.

    Een boek voor iedereen dus.

    Illustraties: Louise Marie Leuwers

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Waarom de Amerikaanse democratie zo wankel is

    Jill Lepore is hoogleraar Amerikaanse geschiedenis en recht aan Harvard University en schrijft voor The New Yorker. Die krant heeft een serie essays van haar hand gepubliceerd gedurende tien tumultueuze jaren in de Amerikaanse geschiedenis, van de opkomst van Black Lives Matter in 2012 tot het rapport van de Congrescommissie uit 2022 over de gewapende aanval op het Capitool op 6 januari 2021. De rode draad door haar essays is haar bezorgdheid over hoe het land bestuurd wordt. Wordt de macht eerlijk gedeeld? Kan het land waarin één op de drie burgers minstens één vuurwapen bezit, wel een democratie worden genoemd?

    Centrale vraagstelling

    Lepore formuleert als haar centrale vraagstelling: ‘Wat als het probleem van de Verenigde Staten in de eenentwintigste eeuw niet het verval van de democratie is maar het hardnekkig voortbestaan van geweld?’ Een analyse van de democratie in Amerika is volgens haar niet mogelijk zonder een analyse van het geweld in dat land als gevolg van de massale schietpartijen, het politiegeweld, het binnenlands terrorisme en het wapenbezit onder burgers. Het recht van de sterkste verdringt daarbij het recht van de wet. Geen land ter wereld telt zo’n hoog percentage wapenbezit onder zijn burgers als Amerika; bij vier van de vijf moorden in dat land zijn vuurwapens in het spel (ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk bij één op de vijfentwintig). Amerika heeft ook het hoogste moordcijfer van alle welvarende naties: terwijl het aantal moorden in Europa gedurende de negentiende eeuw snel daalde, bleef het in Amerika stijgen. Politiemensen in Amerika hebben in de eerste 24 dagen van 2015 meer mensen met fataal gevolg beschoten dan de politie van Engeland en Wales samen in de afgelopen 24 jaar.

    In haar boek wijst Lepore op een mogelijke verklaring waarom het geweld in Amerika afwijkt van dat in Europa: in Europa hadden de volkeren het staatsgezag en het staatsmonopolie op geweld allang aanvaard tegen de tijd dat Europese staten – in een lang proces dat de hele negentiende eeuw in beslag nam – democratieën werden. In Amerika gebeurde het omgekeerde: de democratie kwam eerst en daarna pas de staat. Vandaar dat de Amerikaanse revolutionairen van de achttiende eeuw het recht om wapens te dragen niet afstonden aan een sterke centrale overheid, maar aan zichzelf voorbehielden. Zij zagen het als de ultieme vrijheid.

    Donald Trump

    Lepore ziet in Trump de aanjager van het Amerikaanse tumult. Hij werd zonder politieke ervaring en aanvankelijk zonder veel steun van het partijestablishment presidentskandidaat en won in 2016 de verkiezingen van Hillary Clinton, na een campagne vol laster, leugens en bizarre beloften. Na vier jaar chaos en getwitter, lachwekkende incompetentie en groteske schandalen in en rondom het Witte Huis leek de man, die aan de rechtsstaat een broertje dood heeft, uitgespeeld. Een tweede termijn werd hem aanvankelijk niet gegund: een meerderheid van de Amerikaanse kiezers koos voor Biden, de doorgewinterde Democraat, die in alles, behalve zijn leeftijd, Trumps tegenpool is.

    Na zijn nederlaag toonde Trump zijn antidemocratische gezindheid. Na talloze valse beschuldigingen van verkiezingsfraude en vele vruchteloze pogingen om mensen onder druk te zetten de uitslag in zijn voordeel te veranderen, riep hij uiteindelijk zijn aanhang op ten strijde te trekken richting het Capitool om alsnog de in zijn ogen gestolen verkiezingen ongedaan te maken. En zo was Amerika en de wereld getuige van 6 januari 2021 – de datum waarop een weggestemde president toekijkt hoe door hem opgehitste mensen met geweld proberen de machtsoverdracht te verhinderen. De ‘coup’ mislukte, maar dat maakte de verbijstering erover niet minder groot. Zo wankel ziet democratie er dus uit, tot zover was het verval al gekomen: een vreedzame machtsoverdracht was in Amerika geen vanzelfsprekendheid meer. Geweld was een reëel alternatief geworden voor democratische en rechtsstatelijke procedures.

    Ongelijkheid

    Het fenomeen ‘Trump’ is, zo betoogt Lepore, ook de uitkomst van talloze factoren die als een rode draad door de Amerikaanse geschiedenis lopen. In elk essay neemt ze één van die factoren onder de loep. Zo gaat ze in op de hardnekkige economische ongelijkheid in het land, die groter is dan in welke andere democratie ook, en die een voedingsbodem vormt voor de wrok en haat van ‘het volk’ tegenover de elite, en tegenover migranten. Een sentiment dat Trump handig uitbuit.

    Een andere factor is de onoverbrugbare kloof die er tussen de twee politieke partijen is gegroeid, op elk terrein (economie, zorgstelsel, bestrijding racisme, wapenwetgeving, betekenis van familiewaarden, abortus, etc). En hoe het Amerikaanse kiessysteem – the winner takes all – deze polarisatie versterkt, met als gevolg een totaal gebrek aan politieke samenwerking en bereidheid tot compromis. Trump is er een meester in gebleken om deze situatie tot eigen voordeel uit te buiten en heeft die verdeeldheid verder aangewakkerd. Hij is dé belichaming van een cultuur waarin elke politieke tegenstander een vijand is.

    Comeback

    Lepore hekelt de neiging om alle aandacht te richten op de woorden en daden van uitsluitend Trump. Fijntjes wijst ze erop dat na het afwenden van de coup op 6 januari 2021 er nog steeds 147 (!) Republikeinse leden van Senaat en Huis van Afgevaardigden tegen de bekrachtiging van de verkiezingsuitslag hebben gestemd. Het zijn onder meer deze mensen die Trump als politiek leider in leven hielden en hem vier jaar later een comeback gunden. Hoe is het mogelijk dat de man vier jaar nadat hij de democratie wilde opblazen, zich opnieuw verkiesbaar kon stellen? Wat zegt het over het Amerikaanse volk dat het Trump wederom op het schild heeft gehesen, en hem al zijn antidemocratische escapades heeft ‘vergeven’ (of niet eens heeft aangerekend)? Het volk gelooft hem, zijn waarheid is hun waarheid. Het beest Amerika is daardoor niet getemd. ‘Buiten zucht en kreunt en buldert de wervelende wind,’ aldus Lepore in haar slotzin.

    Historisch kader

    In dit goed geschreven boek plaatst Lepore recente gebeurtenissen in Amerika in een historisch kader en draagt zo bij aan een beter begrip voor wat er in dat land aan de hand is. Niet alleen sinds Trump voor de eerste keer aan de macht kwam, maar ook in de decennia daarvoor. Ze geeft alle argumenten waarom een tweede termijn voor Trump desastreus zal zijn voor Amerika. Het valt haar dus niet aan te rekenen dat juist dat gebeurd is.

     

     

  • Wat niet kan is nog nooit gebeurd

    En tóch gebeurt het. In Tomas Lieskes nieuwste roman Wij van de Ripetta ontmoeten de Engelse dichter Shakespeare en de Italiaanse schilder Michelangelo Merisi da Caravaggio elkaar in het 16e eeuwse Rome en trekken ze kort samen op. Zij zijn twee belangrijke personages in de roman. De ‘Wij’ van de Ripetta zijn de stamgasten van het wijnlokaal Ripetta waar de meeste ontmoetingen plaatsvinden. Zij zijn de ‘toeschouwers’, de ‘beschouwers van de lijnen van het lot’, de plukkers van de dag, de vinophilen, wankelmoedigen, dromers, de gasten die achterblijven. Het verhaal wordt met name verteld door een alwetende verteller, maar in de meeste van de zeven hoofdstukken ook deels door deze stamgasten en vanuit hun perspectief leert de lezer de hoofdpersonages vooral kennen. Als een rode draad lopen de kroegscènes door de roman, scènes die een feest om te lezen zijn voor de lezer, die aanschuift bij de gasten in de stamkroeg, denkbeeldig meedrinkt en toehoort, vertrouwd raakt met het meer of minder gezellige gezelschap en mét hen hoopt op een goede afloop.

    In het begin van het boek trekt Caravaggio te voet door de Maremma, een kuststreek ten noorden van Rome. De schilder wil weer terug naar Rome, want hij heeft ‘genoeg gezien en in zijn herinnering opgeslagen om alles wat hij aan Bijbelse voorstellingen zou schilderen een landschap te geven (…)’. De ontmoeting met de twaalfjarige onbevangen en vrolijke kwebbelkous Francesco, ‘Cecco’, is een bonus. ‘Ik heb je in het licht gevonden’, zegt Caravaggio en de twee trekken vanaf dat moment gezamenlijk verder. Stiekem zijn hiermee Carvaggio’s belangrijkste handelsmerken uit de doeken gedaan. Al in de Maremma ziet de schilder voor zich hoe hij ‘de hele Bijbel tot geschilderde werkelijkheid van nu en hier wil maken’. Hij hanteert in zijn werk een voor die tijd vernieuwende naturalistische stijl en gebruikt claire-obscureffecten, zoals duidelijk op de omslag van het boek, waarop een afbeelding van Caravaggio’s ‘De roeping van Matteüs’ uit 1599 prijkt – een beeld dat overigens ook een associatie met een stamtafel in de kroeg oproept.

    De schrijver en de schilder

    De relatie tussen de weerbarstige kunstenaar en zijn jonge vriend is warm en herkenbaar beschreven. ‘Alles kan, als je maar gelooft’, beweert de jonge Cecco. Dat vrolijke optimisme is aanstekelijk, maar een grotemensenwerkelijkheid blijkt toch wat weerbarstiger. Bij aankomst in Rome zijn ze getuige van een nare gewelddadige vechtpartij die Caravaggio later in nachtmerries blijft achtervolgen. De schilder en zijn jonge vriend wonen samen in Rome. Cecco verleent in huis en bij Caravaggio’s werk de nodige hand- en spandiensten. Ook staat hij model voor een schilderij van Johannes de Doper dat Caravaggio maakt in opdracht van de Ciriaco Mattei, een broer van de kardinaal. Er wordt gefluisterd over een intiemer relatie tussen beiden, maar in deze roman is Cecco geen ‘bardassa’, schandknaap.

    Will, William, ‘Shaksbird’ doet zijn indrukwekkende intrede in de Ripetta op een middag van een van de allereerste jaren van de zeventiende eeuw. De stamgasten reageren verrast maar vooral geïmponeerd, schilder en schrijver herkennen in elkaar iemand om serieus te nemen. De schrijver en zijn werk en afkomst roepen veel vragen op en dat brengt nieuwe vaart en vrolijkheid in de roman. Will spreekt een ‘zwalkend Italiaans’, hij heeft het bijvoorbeeld over een ‘afluistervink’ of iemand die een ‘beenblok’ is en er zijn grappige verwijzingen naar werk van Shakespeare zoals ‘mijn koninkrijk voor een jas’ en de midzomernacht die meerdere keren langskomt. De stamgasten zijn vooral argwanend over zijn protestants-Britse achtergrond, maar katholiek of protestant is voor Will niet zo relevant: ‘Toneel is mijn geloof’, stelt hij. Hij legt overeenkomsten uit tussen het toneel in zijn thuisland en de paus in de Italiaanse kerk en betoogt dat het in zijn stukken, die veelal in een ver verleden spelen, net als bij Caravaggio’s werk in feite gaat over ‘de politiek van vandaag’ en ‘de keuze tussen goed en kwaad’. In de apotheose van de roman wordt een gelegenheidsstuk van de toneelschrijver opgevoerd door en voor de stamgasten. Vreemdeling Will, die weer terug naar het Britse moet, helpt hiermee zijn kunstbroeder Caravaggio bedoeld of onbedoeld tegen zijn nachtmerries. Hij geeft hem op de valreep ook nog een belangrijk advies voor zijn nieuwste Johannes de Doperopdracht.

    Tomas Lieske heeft in 2024 de Constantijn Huygensprijs ontvangen voor zijn hele oeuvre. De jury spreekt onder andere van een fascinatie in zijn werk voor grensgebieden tussen verleden en heden en goed en kwaad. ‘De romans en gedichten van Lieske roepen (…) werelden op waarin wat bestaat niet belangrijker is dan wat niet bestaat.’ Wie werk van Lieske wel eens (te) absurd of surrealistisch vindt, zoals bij de bekroonde titels Franklin (2000, Inktaapprijs) of Niets dat hier hemelt (2023, Bordewijkprijs en nominatie Libris), kan zich zonder zorgen aan deze laatste Ripettaroman wagen. Lieske beschrijft hierin namelijk weliswaar een gebeurtenis die ‘niet kan’, althans onwaarschijnlijk is, en die  nooit gebeurd is (voor zover we weten hebben Shakespeare en Caravaggio elkaar nooit ontmoet) maar hij doet dat geloofwaardig en heel realistisch. Wij van de Ripetta is een mooi geschreven, interessant en grappig boek met een vertelling waar je als lezer op een prettige manier in meegenomen wordt.

     

     

  • De amateur is de grootste liefhebber

    ‘Keer dit weekend massaal het betaald voetbal de rug toe. Bezoek een amateurwedstrijd, dompel u onder in wat voetbal ooit was. De geur van natte jassen, scheefgetrokken lijnen, bevroren tosti’s met vierkanten plakken natte ham. Twaalf jaar achterstallige contributie, nou ja, vooruit. Nog één wedstrijd en dan volgend jaar betalen! Een ambulance die het veld niet op kan, omdat niemand de sleutel kan vinden. Na de wedstrijd in de kantine… de entree van de voetballers, ongenaakbaar mooi. Allemaal ruikend naar dezelfde shampoo. Verlies uzelf in de geur van beschimmelde kleedkamers en u zult, net als Louis van Gaal, uw dichtader vinden. U zult op het veld staan en denken: “De cirkel is rond. Ik wist niet dat dit nog bestond.”’ Was getekend: Nico Dijkshoorn, die niet als enige inspiratie vindt in amateurvoetbal. Cabaretier en tekstschrijver Jan Beuving brengt een lofzang op deze tak van sport met v.v. Flats Zeist Oost. Zijn cluppie.

    Als schrijver van de Korte Corner bij Studio Voetbal – dit deed hij jarenlang – verwierf Beuving bekendheid bij het grote publiek. Zijn opvolger, Frank Heinen, doet een warme aanbeveling voor Beuvings nieuwste boek: ‘Voor iedereen die heeft gevoetbald, is dit boek een en al vrolijke herkenning. Voor iedereen die nooit heeft gevoetbald, maar bijvoorbeeld wel eens een ander mens heeft ontmoet, ook.’ En die andere mensen máken de club v.v. Flats Zeist Oost, blijkt na lezing van Beuvings ode, speciaal ter ere van het 60-jarig bestaan. Hij draagt het boek onder meer op aan Arjan, de veel te jong overleden penningmeester: ‘Vanavond gaat onze dochter weer trainen. Bij de allerkleinsten in de Onder 7. Ze kan er net zo weinig van als jij en ik, trouwens. Ik hoop dat ze er net zo van gaat houden.’

    De prof werkt, de amateur heeft lief

    Nederlanders zijn gek op in beeld gebracht amateurvoetbal; we kijken naar Atletico Ananas, All Stars of Kelderklasse 15, en we trekken spontaan een paar afgetrapte kicksen aan. Na die faalhazen op tv te hebben zien schutteren, wanen we ons Declan Rice die tot twee keer toe Courtois vernedert met een magistrale vrije trap. En dan ‘kickt’ de realiteit in: zelfs als je het alleen met de Eredivisie vergelijkt, is amateurvoetbal vele malen slechter dan profvoetbal. Maar ook liever. Die liefde zit in elke letter die Jan Beuving aan zijn FZO wijdt: ‘Eén keer in mijn leven heb ik in een ander tenue gespeeld dan dat van FZO. Het was op een Hemelvaartstoernooi.’

    Hoewel Jan zijn eigen clubloyaliteit niet wil overdrijven, brengt hij er heel wat tijd door: ‘Hoe houd je dat geloof in een club? Als ik kijk naar mijn eigen werk voor de vereniging, dan heb ik weleens gevlagd bij het eerste. Wedstrijden gefloten. Wedstrijdverslagen geschreven. Twee jaar in het bestuur gezeten. Pubquizzen gemaakt. Loterijen gepresenteerd. Geld geteld. Bardiensten gedraaid. Maar nooit met de trouw die ik bij ome Jan zie. Niet met de toewijding die een club overeind houdt. Ik hou van de club, maar heb ik er genoeg liefde in gestopt? Ik betwijfel het.’

    Bij profvoetballers is deze introspectie meestal ver te zoeken, hun ego verblind door cameraploegen, grootkapitaal en hemelse roem. Zelfs sentiment blijkt vakkundig geregisseerd, bijvoorbeeld tijdens de FIFA Ballon d’Or-uitreikingen: ‘In al hun gestamelde dankwoorden wordt het elftal bedankt, de coach, de partners, de kinderen en eventueel God.’ Niet één vedette bedankt het team vrijwilligers van zijn eerste amateurclub, valt Beuving op. ‘En dat terwijl de vraag “Waar begint iedere voetbalcarrière?” maar één juist antwoord heeft: bij de mannetjes – en de vrouwen – die op maandagochtend het complex aan kant maken. Zonder hen zou er geen voetbal zijn.’

    De mindere, die stiekem de leukere is

    FZO heeft een grote broer: Jonathan. De succesvolste en rijkste club in Zeist, die dit ook uitwasemt. Des te groter is dus de verrassing als in 1999 een compleet vriendenteam overstapt van Jonathan naar FZO: ‘Als lager elftal ben je bij een grote club als Jonathan een vijfde wiel aan de wagen. Je krijgt een onmogelijk trainingstijdslot, je moet om 16.00u op zaterdagmiddag voetballen en je contributie verdwijnt grotendeels in de budgetten voor hogere elftallen.’ Dit vriendenteam maakt FZO net dat tandje extra amateuristischer en leuker. ‘Menno floot wedstrijden. Leon ook trouwens. Eén keer staakte hij een wedstrijd. Hij had zijn zwarte shirt uitgetrokken en liep briesend naar de kantine. Op zijn enorme, witte borst zaten twaalf rode afdrukken van de noppen van een voetbalschoen, het gevolg van een karatetrap. Omdat Leons 120 kilo daar amper door werd opgeschud, was de woesteling die de schop had uitgedeeld, zelf geblesseerd geraakt.’ Saillant detail: inmiddels werkt Nigel de Jong op steenworp afstand van FZO als directeur topvoetbal voor de KNVB. Keertje meedoen?

    Een hoofdstuk van v.v. Flats Zeist Oost onderstreept meer dan alle andere wat voor lieflijk zooitje een voetbalclub kan zijn: De bestuurskamer. Dankzij één bewustzijnsstroom van 1100 woorden, slechts onderbroken door komma’s, moet de lezer op adem komen als een veteranenteam dat zojuist met 29-0 op zijn flikker heeft gehad van een stel Ajax-junioren. Vooral ook, omdat ieder item wel een liefdevol ‘Oh ja!’ aan de lezer ontlokt: ‘…, een bouwplattegrond van de kantine-uitbreiding in 1987, een handleiding voor de beveiligingscamera, vier geplastificeerde bordjes met OP HET TERRAS VERPLICHT ZITTEN MET MAX. 4 PERSONEN PER TAFEL, overal onder de onderste plank vierkante notitieblaadjes in de kleuren geel, roze en blauw, een spelregelboek Voetbal uit 1977, een handboek Keepers uit 1981 (…) en een lichtschakelaar zodat je met één druk op de knop alle troep niet meer ziet.’ Amateurverenigingen hebben dezelfde charme als kringloopwinkels.

    De bal

    FZO staat regionaal bekend om de beste bal. Niet van Nike, Adidas of Puma, maar van gehakt. Bas den Haan, Ome Bas voor intimi, draait als vrijwilliger en kantinebaas duizenden gehaktballen bij FZO – eerst met Ome Cees, na diens dood alleen. ‘Er zijn toeschouwers bij onze grote buurvereniging die in de rust naar ons complex lopen om daar een broodje bal te halen’, tekent Beuving verbaasd op. Bas deelt zelfs ‘gewoon’ zijn recept en houdt elke draaironde zijn trouwring om. Op zeker moment worden de gehaktballen steeds pittiger: ‘Toen de mensen aan Ome Bas bleven vragen of hij was uitgeschoten met de sambal en de knoflook, ging hij er toch eens op letten. Het viel hem op dat hij er veel meer in deed dan vroeger. Toch proefde hij geen verschil. Hij besloot naar de dokter te gaan, die hem doorstuurde naar de oncoloog. Na twee weken kwam de uitgezaaide diagnose. De gehaktballen wisten het al.’

    Een ode vraagt om gevoel, verdriet, een lach en tragiek. Verloren wedstrijden, gestorven clubleden, kneuterig amateurisme. Als lectuur die verdacht veel van literatuur wegheeft, bevat v.v. Flats Zeist Oost het allemaal. Beuving zou slechts één doelpunt scoren in zijn amateurloopbaan. Belabberd op het veld. Begenadigd op het papier.

     

  • Genuanceerd vertellen over de gevolgen van klimaatverandering

    De verhalenbundel Hoopvolle verhalen over het einde van de wereld is het eerste initiatief van Schrijvers voor Toekomst, een collectief van jeugdboekenschrijvers uit Nederland en België. Zij verenigden zich onder de noemer ‘Schrijvers voor Toekomst’, een groep jeugdboekenschrijvers die zich zorgen maakt over klimaatverandering. Hun eerste activiteit was om tijdens de scholierenstaking voor het klimaat op het Malieveld in september 2023 in Den Haag in gesprek te gaan met leerlingen, docenten en andere belangstellenden. De jongeren die daar aanwezig waren reageerden heel positief op hun aanwezigheid. Ze voelden zich gesteund en gezien. Al op de terugweg naar huis besloot een deel van hen dit boek te maken. Zij hebben de fantasie om verhalen te kunnen maken, en verhalen dragen bij aan inleving en begrip, zodat meerdere gezichtspunten en motieven kunnen worden beleefd en besproken.

    Lees de recensie over dit boek op Jong Literair Nederland.

     

  • Niet minder dan een ramp

    In de zomer van 2017 veranderde de wereld van de Amsterdamse, van Marokkaanse afkomst, Saadia Ait-Taleb van het ene moment op het andere in een zwart gat. Ze was sinds 2015 manager van een antiradicaliseringsprogramma van de gemeente Amsterdam. Net nadat ze zelf ontslag had genomen om te proberen elders werk te vinden kreeg ze de politie op haar dak, op beschuldiging van fraude, nepotisme en belangenverstrengeling. Haar vertrek bij de gemeente zou worden omgezet in strafontslag. Ook de acteur Saïd J. met wie ze in haar project had samengewerkt werd opgepakt.

    In juli 2020 werd ze echter van alle blaam gezuiverd. De verdachte praktijken bleken niet haar te kunnen worden aangerekend, maar aan burgemeester Eberhard van der Laan (overleden in 2017).

    Roman

    Blaam is de titel van de roman van Lisa Scheerder die vorig jaar verscheen over deze affaire, die bekend staat als de ‘grijze campagne’. Scheerder werkte zelf op het stadhuis als manager openbare orde en crisisbeheersing, maar vertrok daar in 2017 enkele maanden vóór Ait-Taleb werd geslachtofferd. Scheerder begreep er niets van. En nog steeds is het voor haar een raadsel hoe het zo ver kon komen. In Blaam doet ze een poging te beschrijven wat er gebeurd zou kunnen zijn, een roman omdat ze ondanks een veelheid aan bronnen het antwoord op veel vragen moet bedenken.

    Fragmenten uit die bronnen zijn in de roman opgenomen, maar ook verwijzingen naar publieke informatie zoals in kranten en op TV zijn op te zoeken. Blaam is een sleutelroman met herkenbare aliassen. Achter Lucy, Samira, Ezzine en Waldemar bijvoorbeeld gaan respectievelijk Lisa Scheerder, Saadia Ait-Taleb, Saïd J. en burgemeester Eberhard van der Laan schuil. De versleutelde namen liggen erg voor het grijpen (de ‘grijze campagne’ heet in de roman de ‘zilveren campagne’) en zijn soms komisch (zoals ‘de Seinpost’ voor De Telegraaf).

    Vlogs

    Het boek gaat in hoofdzaak over het schandaal rond de ‘zilveren campagne’. Die behelsde een geheim project in het kader van de deradicaliseringsaanpak in Amsterdam. Daarin werd – in de roman – Samira, vanwege haar bekendheid binnen jongerengroepen waarvan gevreesd werd dat ze zich zouden aansluiten bij de jihad, ingezet om hen zodanig te beïnvloeden dat ze van acties zouden afzien. Samen met een Marokkaanse acteur, Ezzine, zou ze voor die jongeren vlogs maken die voor authentiek moesten doorgaan. Het project was een bedenksel van de burgemeester, Waldemar, die er ook voor zorgde dat de kosten ervoor onvindbaar zouden zijn; ze werden weggeschreven op andere posten.

    Eberhard van der Laan wordt waarschijnlijk door velen herinnerd als een betrokken en warme burgervader; denk alleen maar aan de uitzending van Zomergasten van 30 juli 2017, waarin hij de hoofdpersoon was. Hoe anders is Waldemar in Blaam. Hij komt erin naar voren als een bij vlagen arrogante man, die zelfs binnen de ‘driehoek’ (het overleg van burgemeester, hoofdcommissaris van politie en Officier van Justitie) niet open is. Uiteindelijk is hij de man achter het strafontslag van Samira om zijn eigen straatje schoon te vegen.

    Churchill

    In de top van de gemeente Amsterdam (in de roman ‘Hoofdstad’) gaat het er sowieso niet fris aan toe. Lucy zelf raakt steeds in conflict met gemeentesecretaris Govert, met wie zij een relatie heeft gehad, en tussen Vicky, een nog vroegere ex van Govert die blijkbaar weer in genade is aangenomen, en Lucy speelt zich eveneens een machtsspelletje af. ‘Het stadhuis is een wespennest’ zegt Lucy dan ook een keer tegen Samira.
    Ook op een ander vlak is Waldemar niet de aimabele man die veel lezers in Eberhard van der Laan denken te kennen. Hij houdt ervan om citaten van Churchill zo te parafraseren dat het zelfbedachte wijsheden lijken en hij is ook nog eens stikjaloers op zijn ambtgenoot van ‘Havenstad’ als die wordt uitgeroepen tot beste burgemeester van Europa. Als een buurvrouw van Lucy niet goed begrijpt waarom Waldemar, die ook genomineerd was, kwaad is (hij is toch van dezelfde partij als de burgemeester van Havenstad), legt Lucy het haar uit: ‘Er zijn twee werelden, een binnenwereld en een buitenwereld. En die eerste, die zien jullie niet, maar daar zit ik. Daar heb ik mee te maken. En in die wereld is dit niet minder dan een ramp’.

    Keffertje

    Een van de openbare bronnen die gemakkelijk is terug te kijken is het optreden van de Amsterdamse burgemeester op 13 januari 2015 in De Wereld draait door – met Jort Kelder als tafelheer, waarvoor Van der Laan destijds in brede kring lof oogstte. In Blaam is dit een optreden van Waldemar in De Aarde Vergaat Niet (‘het rechtse keffertje is er ook’). De lezer die dit programma na lezing van Blaam terugkijkt ziet ineens een ander gesprek.

    Er is nog een tweede verhaallijn die steeds de hoofdvertelling doorsnijdt. Dat is de relatie die Lucy heeft met haar moeder. Lucy is na de breuk met Govert bij haar ingetrokken en krijgt te maken met haar vergaande eigenwijsheid. Het wordt niet duidelijk wat deze tweede lijn doet in de roman. Natuurlijk is er de vergelijking van twee binnenwerelden in Blaam waarin zich op andere niveaus machtspelletjes afspelen. Maar het lijkt toch vooral een inlassing om de zwaarte – ja, zelfs woede – die het boek voor de lezer ademt, even los te kunnen laten.

    Van die tweede verhaallijn beklijft bijzonder weinig. Wie het boek dicht slaat is vooral bedolven onder de misstanden in het gemeentehuis van ‘Hoofdstad’ en de persoonlijke boosheid van de auteur daarover. Misschien was een non-fictieboek en een wat afstandelijker analyse beter geweest. Lisa Scheerder was zelf partij en heeft vooral ook haar eigen woede geventileerd.