• Na de verdoving

    Waarom lezen we? Onder andere om te verdwijnen, te leren, te begrijpen, te verplaatsen en om te herkennen… Herkenning in een boek is een kwaliteit, een besef dat je niet alleen staat, dat je niet uniek bent en in het geval van de memoir Beladen huis van Christien Brinkgreve legt deze herkenning zaken bloot die ontegenzeggelijk in veel relaties spelen, verschillen tussen mannen en vrouwen die soms onoverbrugbaar zijn.

    In Beladen huis beschrijft Brinkgreve het verhaal van haar huwelijk met Arend Jan Heerma van Voss, die in februari 2022 na een lang ziekbed stierf. Ze gebruikt hun huis, dat langzaam dichtslibde met zijn spullen en ‘beladen’ is geraakt, als een metafoor voor de tragiek van hun relatie en de vervreemding van elkaar. ‘De staat van verwaarlozing van het huis drong in de tijd daarna pas goed tot me door. Ik zag de scheuren in de muren, de afgebladderde muren in de wc, de uitpuilende boekenkasten in de gang die slechts een klein looppad toelieten. De stapels oude kranten en tijdschriften, de dozen met spullen waarop jarenlang niemand meer een blik had geworpen.’

    Overgeleverd

    Brinkgreve’s memoir begint met de herinnering aan de begrafenis van A zoals ze haar man Arend Jan door het hele boek heen noemt. Dat werkt goed en geeft haar enige afstand tot het onderwerp. Langzaam ontwaakt ze uit haar verdoving en begint met hulp het huis een beetje op te ruimen, leefbaarder en weer eigen te maken. Daarmee komen de herinneringen aan en anekdotes over een gelukkig huwelijk dat gaandeweg steeds moeizamer wordt, bovendrijven.

    Ze ontmoetten elkaar eind jaren zeventig, toen Brinkgreve met de socioloog Bram de Swaan samenwerkte en A voor de Haagse Post schreef, voordat hij daar hoofdredacteur werd. Het was liefde op het eerste gezicht, al merkte Brinkgreve er bij hem weinig van, schrijft ze. Ze bewonderde hem, zijn scherpe geest en humor. Later begreep ze dat hun ontmoeting een trigger was ‘om zijn in zijn ogen vastgelopen huwelijk achter zich te laten.’

    Ze gingen samenwonen in haar huis in de Noorderstraat in Amsterdam, dat ze tot haar grote spijt heeft verkocht. ‘Ik gaf uiteindelijk toe: na twee jaar verzet zwichtte ik voor zijn druk om het huis te verkopen. Ik veronachtzaamde daarmee, in de taal van later, mijn eigen grenzen. Dat was ik gewend, overgeleverd als ik me als kind voelde aan de wanhoop van mijn bij vlagen angstige en depressieve moeder.’

    Het huis als metafoor

    De ervaren socioloog Brinkgreve las veel boeken (gezien de lijst achterin) over rouw en relaties en citeert daar soms uit, woorden die haar onderzoek ondersteunden. Ze komt tot inzichten en zoekt naar antwoorden die raken aan haar verhaal van onvermogen om haar man te bereiken. Waarom was ze als geëmancipeerde vrouw, hoogleraar vrouwenstudies, een intellectueel en één van de eerste moeders met een veeleisende baan, niet in staat om haar man, die er toch ook moderne denkbeelden op nahield, te weerstaan? Waarom keerde hij zo naar binnen op het depressieve af, vooral na zijn pensioen? In hoeverre werkten de patronen van hun jeugd door in hun volwassen leven? En de hamvraag: Waarom ging ze niet bij hem weg? ‘Er was veel wat me bond. Maar het was ook angst die me weerhield om weg te gaan. Het opbreken van vertrouwde paden vroeg om een onverschrokkenheid die ik toen niet had.’

    Het huis als metafoor van de tanende relatie komt wel het best tot uiting in de kelder die jarenlang ondergelopen staat. Spullen verweren en vallen uit elkaar. A kan het niet opbrengen om er iets aan te doen en onbegrijpelijkerwijs laat ook Brinkgreve het gebeuren. Het zegt alles over de moedeloosheid waarin de relatie zich bevond.

    Ze beschrijft de laatste maanden van zijn ziekbed indringend, de zware sfeer, het onvermogen om elkaar te bereiken is schrijnend. Toch blijkt, als ze de moed vindt om tijdens het opruimen hun emailuitwisseling van jaren geleden te herlezen – zij zit boven in haar werkkamer, hij beneden achter zijn laptop in zijn kamer – dat er wel degelijk een vorm van contact was. Ze herkent zijn heldere argumentatie en betrokkenheid in zijn schrijven. Het is tragisch dat ze het gesprek nooit konden voeren terwijl ze elkaar in de ogen zagen.

    Een boos boek is ongepast

    Ze kon niet tegen hem op, verzucht ze op twee-derde van het boek. ‘Hij was zo bepalend, door zijn stemmingen, de scherpte van zijn woorden, zijn oordelen.’ Uiteindelijk was hij ook slachtoffer van zijn opvoeding. Of zoals Brinkgreve het zo mooi verwoordt: ‘Ik zie ook de karrensporen oplichten die A ondergronds hebben getekend. Het spoor van zijn angst overweldigd te worden door het massieve verdriet van zijn moeder, en zijn angst verlaten te worden.’ Hun band was belast met A’s angst verlaten te worden. Zelfs als ze thuis was en boven in haar werkkamer zat, voelde ze zijn verwijtende blik. Een trauma dat in zijn jeugd ontstond toen zijn vijf jaar oudere zusje Dokie, aan wie hij erg gehecht was, stierf aan de gevolgen van een ongeluk. Dit psychologisch besef komt pas op het einde van het boek aan bod. Brinkgreve ziet de dood van zijn zusje als de oorzaak van veel onverwerkt zeer.

    Tijdens het schrijven van Beladen huis vraagt Brinkgreve zich vaak af wat voor soort boek het moet worden. Geen boos boek, dat is ongepast en oninteressant. ‘Het is ook niet mijn overheersende gevoel: de verwondering heeft het inmiddels gewonnen van het verwijt, de compassie overstemt de woede.’ Het is een persoonlijk boek geworden over rouwverwerking en inzichten vergaren. ‘Dat het een boek over rouw was werd voor mij steeds voelbaarder. Over rouw die bemoeilijkt werd door het ontbreken van een afscheid.’

    Brinkgreve meandert door de tijd van haar huwelijk, werk, ouders, kinderen, vakanties, vrienden en het huis. Onvermijdelijk werkt dat hier en daar wat herhaling in de hand. Bovendien blijft A’s karakter soms wat algemeen. Hij is het dode paard waaraan het moeizaam sjorren is, zegt een vriendin. Meermalen vertelt Brinkgreve dat A scherp is in zijn argumentatie, dat ze houdt van zijn humor. Daarvan had ze best wat meer voorbeelden kunnen geven. ‘Dat kan dus, die sterke afwisseling in één persoon van lichtheid en humor en aan de andere kant zwaarmoedigheid. Ik ben blij dat ik ook deze lichte momenten weer terugkrijg: (…) Ik mis zijn humor, zijn onverwachte en vaak rake opmerkingen. Het valt me moeilijk er één persoon van te maken, zo verschillend als zijn kanten konden zijn. En zo abrupt de omslag.’

    Als ervaren schrijfster, sociologe en feministe weet Brinkgreve de problematiek van haar huwelijk breed te trekken. Ze raakt veel zijdelingse onderwerpen aan, waardoor het ook een universeel verhaal wordt, wat diepgang en leesplezier ten goede komt.

     

  • Een mythische heuvel

    Rob van der Linden (1957) is voor zijn vorige boeken twee keer genomineerd voor de Libris Literatuurprijs waarbij vooral zijn vertelkunst werd geroemd. Na veertien stille jaren zit hij – zoals gememoreerd wordt op de flaptekst – weer op zijn vertellersstoel. In zijn nieuwste roman De heuvel vertelt hij in veertig hoofdstukken en bijna vijfhonderd pagina’s dat iedereen op een mythische heuvel in Galilea in slaap valt en dat niemand zich bij het ontwaken iets kan herinneren van wat hij eerder van plan is geweest. Deze heuvel is het belangrijkste steeds terugkerende element in het verhaal, naast een aantal dieren, zoals een beer, een hond en een olifant. Deze eerste twee dieren verdwijnen uit het verhaal, maar de olifant blijft terugkeren omdat deze als tekeningetje alle hoofdstukken afsluit.

    In elkaar verstrengelde verhalen

    Van der Linden begint zijn roman in het jaar 572 en eindigt hem in 1988 (wanneer je de epiloog gedateerd op 23 september 2023 buiten beschouwing laat). Naast de vele fictieve figuren komen in de roman ook vele werkelijk bestaande figuren voor. Het verhaal begint in de werkelijkheid bij Procopius, de biograaf van keizer Justinianus, die de wandaden van de keizer beschrijft en het daarom in de roman van Van der Linden beter vindt dat zijn zoon de biografie op de heuvel in Galilea verstopt.

    De tweede hoofdpersoon is Haroen ar-Rashid, een kalief die door slapeloosheid wordt geplaagd en ‘s nachts wordt beziggehouden met verhalen, maar die dreigen op te raken. Hij hoort dat in het land van de Friezen een verhalenverteller leeft, Bernlef genaamd. Het tweede boek dat een rol speelt in het verhaal is het logboek van Liudger die Bernlef van zijn blindheid heeft genezen. De kalief gaat naar de heuvel waar hij natuurlijk uitstekend kan slapen.

    De belangrijkste historische figuur in de roman is Abraham Kuyper, de oprichter van de eerste politieke partij in Nederland, de Anti-Revolutionaire Partij. In 1880 opende hij in Amsterdam de door hem gestichte Vrije Universiteit; zelf werd hij de eerste rector magnificus. Van 1901 tot 1905 was hij minister-president van Nederland. In 1906 maakte hij een reis rond de Middellandse Zee. De fictieve Matthias Bredius, de derde hoofdpersoon van de roman, reist met hem mee en leest in de bibliotheek van het Vaticaan het logboek van Liudger. Daarna komt ook Bredius op die heuvel terecht, waar hij een toevluchtsoord opricht voor iedereen die voor oorlog en geweld op de vlucht is. Ook Jacob Israël de Haan en Harry Mulisch spelen een bijrol in het derde deel van het verhaal.

    Romanconcept

    Het romanconcept van in elkaar verstrengelde verhalen doet negentiende-eeuws aan, een ouderwetsheid die nog versterkt wordt door de hoofdstuktitels die steeds met ‘Over’ beginnen. Niet altijd is duidelijk of een alwetende verteller of een hoofdpersoon uit het boek zelf aan het woord is. Van der Linden speelt daarbij het spel van de vooruit verwijzingen. Dat leidt tot grappige vondsten, zoals een verwijzing in de achtste eeuw naar de Friezen die uit verveling een schaatstocht langs elf terpen maken (p. 70) of naar het brilletje van John Lennon. Hier klinkt de stem door van de alwetende verteller. Sommige woorden zijn duidelijk verbonden aan latere tijden en dan is het nog maar de vraag of dit gewoon vergissingen zijn of bewust aangebrachte sprongen in de tijd. Zo swingden in de zesde of zevende eeuw myriades mugjes zich een ongeluk (p. 34), nemen mensen uit die tijd de kuierlatten (p. 43) en is in de achtste eeuw sprake van een berenhug (p. 103).

    Slim in elkaar gezette roman

    Het verhaal laat zich plezierig lezen. Lezers zullen genieten van deze slim in elkaar gezette en wijd uitwaaierende roman. Op het eind van de roman komt alles keurig op zijn pootjes terecht en heeft de auteur alle losse eindjes vakkundig aan elkaar geknoopt, zoals het hoort bij een meesterverteller.

     

     

  • (Ook) God is eenzaam

    Enkele maanden geleden, in februari 2025, won Lex Paleaux’ Liften naar de hemel de Boekhandelsprijs 2025 voor het beste Nederlandse boek volgens boekverkopers. Deze coming of ageroman over de zestienjarige hoofdpersoon Quintin is uitgebracht als volwassenenroman maar ook uitermate geschikt voor middelbare scholieren: hij is geschreven vanuit het perspectief van de tiener en bevat volop vaart en de nodige spanning.

    […]

    Liften naar de hemel is het vijfde boek van de 48-jarige Paleaux. Hij schreef eerder over jongeren in een psychiatrische jeugdkliniek, over existentiële eenzaamheid en seksueel misbruik en put in zijn werk veelal uit eigen ervaring. De verbinding met de realiteit is ook in zijn laatste, bekroonde boek voelbaar en dat ‘echtgebeurd’-element is beslist een waarde in deze toegankelijke roman die vooral een aanbeveling is voor jongeren.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
    Leeftijdscategorie: 15+

     

     

  • Kafka’s leven in brieven

    Ik moet u zo ontzettend schrijven, een keuze uit de brieven van Franz Kafka, is een van de laatste vertalingen van Willem van Toorn (1935-2024). Hij vertaalde vrijwel alles van Kafka, ook de briefwisseling tussen Kafka en Max Brod – levenslange vriend en latere biograaf – waarvan veel brieven in deze bundeling zijn terechtgekomen. De titel is ontleend aan één van de brieven aan Milena, een van Kafka’s geliefden. Het is een ‘strikt persoonlijke keuze’ schrijft Van Toorn in de inleiding, het zijn de brieven die hem het meest vertelden over de mens en de schrijver Kafka. In 2024 verscheen ook nog een boekje met Van Toorns essays: Kafka voor beginners, als een afscheid van zijn lezers.

    De bijna driehonderd door Van Toorn gekozen brieven van Kafka zijn van 1900 tot 1920 geschreven aan vrienden, familie, geliefden, en uitgevers. Ze staan in chronologische volgorde, zodat ze een beeld geven van Kafka’s leven en ontwikkeling tot vier jaar voor zijn dood. De laatste jaren ontbreken helaas, misschien ontbrak het Van Toorn aan tijd de briefwisseling af te maken. De laatste vier jaar vat hij samen in één pagina commentaar, geen brief uit deze belangrijke periode. Ook omdat het vijfde en laatste deel van de uitgave van de Briefe van Kafka die door Hans-Gerd Koch is samengesteld, pas later dit jaar zal verschijnen. Alle brieven en kaarten in deze uitgave zijn voorzien van uitgebreide bronvermelding en commentaar. 

    Belangrijk materiaal voor biografen

    Achter de brieven in zijn vertaling heeft Van Toorn een korte toelichting geschreven, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de beschikbare bronnen door Kafka-specialisten Hans-Gerd Koch, Hartmut Binder en Klaus Wagenbach. Helaas staat er in deze uitgave geen register op de ontvangers, dat het op- en terugzoeken van de brieven voor de lezers eenvoudiger zou kunnen maken.  

    De brieven en dagboeken zijn belangrijk materiaal geweest voor de biografen van Kafka, die na de eerste biografie van Max Brod uiteindelijk beter in staat waren een minder persoonlijk gekleurd en ongecensureerd beeld van Kafka te geven. Deze keuze uit de brieven Kafka is ook een unieke bron om de mens Kafka te leren kennen: een uiterst vriendelijke, gevoelige, fundamenteel twijfelende en ook humoristische Kafka. Zijn brieven, en niet te vergeten zijn dagboeken, omvatten bij elkaar veel meer tekst dan al zijn verhalen en romans bij elkaar. Kafka zelf zou waarschijnlijk, net als van zijn nagelaten romans en andere teksten, nooit gewild hebben dat ze werden gepubliceerd. Hij wilde die manuscripten zelfs laten vernietigen. Gelukkig heeft zijn vriend Max Brod die wens van Kafka niet echt serieus genomen en vrijwel alles laten publiceren dat volgens hem de moeite waard was. 

    Literaire juweeltjes

    Veel van Kafka’s brieven zijn literaire juweeltjes. In een van de eerste gekozen brieven schrijft de 20-jarige Kafka aan zijn vriend Oskar Pollak de beroemd geworden zin ‘We hebben de boeken nodig die ons treffen als een ongeluk dat ons veel pijn doet, zoals de dood van iemand die wij meer liefhadden dan onszelf, alsof we verstoten waren naar de bossen, ver van alle mensen, als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in onszelf.’ 

    Het grootste deel van de gekozen brieven is geschreven aan zijn geliefde Felice Bauer, van september 1912 tot begin 1918. Deze brieven ‘getuigen van een grote gespletenheid van Kafka ten opzichte van Felice’ schrijft Van Toorn in een van zijn commentaren. Het was een bijzonder moeizame relatie die verschillende keren aan en uit ging, zoals met de dramatische woorden van Kafka in een brief uit mei 2013: ‘Dit is dus het einde Felice met dit zwijgen laat je me los en maak je een einde aan mijn hoop op het enige geluk dat op aarde voor mij mogelijk is.’

    Ruim vier jaar later schrijft Kafka aan zijn zuster Ottla over een bezoek van Felice: ‘De dagen met F. waren erg (…) en de laatste middag heb ik meer gehuild dan in alle jaren in mijn kindertijd.’ In zijn ‘vermoedelijk’ laatste brief aan Felice Bauer: ‘Een ding wilde ik nog zeggen: er waren en zijn ogenblikken waarop voor mij (…) iets in wezen hogers door lijkt te breken, maar ik ben, zoals altijd, te zwak om het vast te houden of het tegenover mij in stand te houden’.     

    Brieven aan Milena Jesenska-Polak

    Naast deze brieven zijn er veel aan vriend Max Brod en de bekende brieven aan Milena Jesenska-Polak, met wie Kafka vanaf maart 1920 een intieme, niet alleen epistolaire liefdesverhouding onderhield. Over haar brieven schrijft Kafka aan Milena dat ze ‘als geheel, bijna in elke regel, het mooiste (zijn) wat mij in mijn leven is overkomen’. Ook schreef hij haar ‘Enige tijd geleden heb ik je gevraagd niet elke dag te schrijven, ik was bang voor de brieven; als er een keer geen kwam was ik rustiger; als ik er één op de tafel zag liggen, moest ik al mijn krachten verzamelen en dat was bij lange na niet genoeg – en vandaag zou ik ongelukkig zijn geweest als deze kaarten (…) niet waren gekomen. Dank je.’ 

    De laatste brief die Van Toorn koos, is aan Kafka’s zus Ottla over zijn aankomst in Matliary in de Tatra waar Ottla een kamer voor hem heeft gereserveerd. Zij was zelf niet meegekomen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, schrijft Van Toorn in zijn commentaar ‘omdat ze bang was voor besmetting’. Kafka had tuberculose. In Matliary zou hij student Robert Klopstock die ook aan tuberculose leed, ontmoeten. ‘Klopstock zou hem tot op het moment van zijn sterven terzijde staan.’
    Voor de brieven uit de laatste jaren tot juni 1923 is de lezer aangewezen op het laatste deel van de – oorspronkelijke, duitstalige – Briefe dat in november zal verschijnen.  



  • Weinig woorden voor een hele wereld

    ‘Geen plot, maar zeer korte verhalen waarin net zoveel kan gebeuren als in een complete roman’. Daarin ligt volgens Arjen Lubach de kern van de zkv’s van A.L. Snijders. Dat klopt. De Amerikaanse vorstin van de short story, Lydia Davis, noemt ze in De schoonheid van weerbarstig proza ‘puntige filosofische vertellingen’. Klopt ook.
    Lubach koos er 206 voor een selectie in de alsmaar groeiende fraaie serie ‘Gedundrukt’ van Uitgeverij Van Oorschot onder de titel Zeer kort. Op het buikbandje de typische Snijders-foto: gefronst voorhoofd, bebaard en besnord, je doordringend aankijkend met de bril op de punt van de neus. Velen kenden zijn sonore stem uit duizenden als hij op zondagmorgen op Radio 4 een verhaal voorlas en heel wat abonnees openden eveneens op zondagmorgen vol verwachting hun mailbox waarin hij zijn zeer korte verhalen dropte.

    A.L. Snijders is de schrijversnaam van Peter Müller. Hij zou hem ooit hebben verzonnen toen hem aan de telefoon werd gevraagd snel een pseudoniem te bedenken. Maar op die oorsprong varieerde hij wel eens als hem er tijdens optredens naar gevraagd werd. Het paste bij Snijders, die jarenlang lesgaf op middelbare scholen en de politieacademie en zijn zkv’s graag de door hem gewenste draai gaf: ‘Het is zeker dat ik verschillende verhalen vertelde over dezelfde gebeurtenis. Een leraar die steeds hetzelfde verhaal vertelt, kwelt zichzelf. Dan wordt het onderwijs masochisme. Ik wil er zelf ook een beetje plezier van hebben’.
    Het is een citaat uit het vermakelijke ‘Facisme’, waarin hij vertelt over de keer dat hij met de verfkwast de leus ‘Weg met het facisme’ op een viaduct te lijf ging om vóór de letter c een s te schilderen. Hij werd opgepakt vanwege het bekladden van overheidseigendom terwijl hij alleen maar een taalfout had willen verbeteren. Daarmee geeft hij zelfs in één zkv twee versies van het gebeurde.

    Sprongen in de tijd

    Over taalfouten gaat het in meer stukken. In ‘Vraag en antwoord’ zegt hij zijn leerlingen op de politieschool dat Hun zijn groter als mij een onberispelijke zin is, maar dat ze in sollicitaties Zij zijn groter dan ik moeten schrijven. In ‘Gemeentegrens’ legt hij een klas uit dat in de zin Jan wordt geslagen door Piet Jan grammaticaal het onderwerp is, maar gevoelsmatig lijdend voorwerp.

    Hoeveel variëteiten een verhaal ook kan hebben, ze vertellen allemaal samen wel degelijk veel over het leven van de schrijver zelf. Vooral Amsterdam en Klein Dochteren, de belangrijkste woonplaatsen van Snijders, en zijn ervaringen en ontmoetingen daar, zijn prominent terug te vinden. Verreweg de meeste verhalen maken sprongen in de tijd. Een ontmoeting, een nieuwtje, het weer: ze zijn goed voor een sprong terug in de tijd van soms enkele decennia, plotseling opduikende herinneringen. Een dichtregel van Lucebert brengt hem bij een ijzeren ei dat hij dertig jaar geleden maakte (in ‘Het ei’). De weersvoorspelling roept een herinnering op aan de kachel van zijn grootvader (in ‘Winter 2’).

    Massey Ferguson

    Een enkele keer komt een herinnering meerdere keren voor. De opvallendste is die over zijn moeder die als kind in 1912 uit het raam viel en dat overleefde door een opstuiterende hor (in ‘Jaartallen’ en opnieuw in ‘Vondelpark’). In ‘Dienstmeisje’ maakt huishoudhulp Greetje in 1949 een dodelijke val uit het raam: ‘Mijn moeder heeft gezien hoe haar levenloze lichaam in de ziekenauto werd getild’ – hier dan juist weer geen vermelding van moeders eigen val in 1912. En dan zijn er nog Snijders’ opa en diens jongste zoon die op hoge leeftijd beiden stierven door een val van de trap (in ‘De geur van het ontbijt’).
    Ook de tractor van Snijders, een Massey Ferguson, doet hem een paar keer het beeld oproepen van de Balkanoorlog toen je die trekker vaak in reportages zag (in ‘Kraantje’ en ‘Winter 2’). Maar in het verhaal dat het merk van de tractor als titel heeft staat die verwijzing dan weer niet.

    Het teruggrijpen in de tijd legt Snijders als volgt uit in ‘De libelleman’: ‘Wat veertig jaar geleden plaatsvond, hoeft niet eerder verteld te worden dan de gebeurtenissen van gisteren’.

    Banaliteit van het kwaad

    Dat doende legt hij verrassende verbanden, zoals in ‘Ansichtkaart’. Daarin stuurt ene F. hem een groet vanaf Texel waarin hij schrijft dat hij Hannah Arendt leest, terwijl een landbouwmachine te zien is van het merk Mengele LW 390: ‘Hoe lang zullen mensen nog schrikken van Hannah Arendt en Mengele samen op een ansichtkaart? De geschiedenis trekt langzaam de gordijnen dicht en bijna niemand zal meer iets weten over de banaliteit van het kwaad’. Na een dergelijke kernachtige omschrijving van hoe we in elke nieuwe generatie weer verhalen kwijtraken kun je niet meteen naar het volgende zkv.

    Snijders had weinig woorden nodig om een wereld te omspannen. In 2010 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs: ‘een prijs voor een grote berg takjes, zkv’s’, zegt hij zelf in ‘Aap’.

    Op 7 juni 2021 zat Peter Müller voor het laatst als A.L. Snijders aan zijn laptop, klaar voor een nieuw verhaal, toen hij een hartstilstand kreeg. Misschien draaide er wel muziek op de achtergrond, minimal music, zijn voorkeur. Treffend voor een zkv-schrijver.

     

     

  • Spanning tussen journalistiek en literatuur

    De lange weg naar Londen van Marian Rijk begint zo: ‘Tussen de spijlen van het tuinhek glinsteren spinnenwebben met dauwdruppels als juwelen: de voorbode van een zonnige dag. Een dunne, witgrijze sluier van nevel omhelst het huis. Een sprookjesachtig beeld, maar hij weet wel beter.’ Een alinea verder lezen we dat een ‘palet aan emoties’ de hoofdfiguur ‘op zijn schouders’ drukt en ‘zijn laarzen vast op de tegels’ duwt. Stilistisch geen bemoedigend begin van dit op zich boeiende verhaal over Engelandvaarder Charles Pahud de Mortanges. 

    In het interbellum was ‘Pahud’, zoals hij in het boek genoemd wordt, een succesvolle springruiter met een record aan Olympische medailles. Inmiddels (het verhaal is geschreven in de tegenwoordige tijd) is hij officier in het Nederlandse leger, ook nog tijdens de beginjaren van de Duitse bezetting. Zijn huwelijk met Irma is zo goed als klaar, zeker na de dood van hun zoon Buuk (aangehouden en geëxecuteerd na een mislukte poging uit te wijken naar Engeland). Als Pahud na een valstrik van de bezetter op transport wordt gezet naar Duitsland om ingezet te worden in de oorlogsindustrie, weet hij uit de trein te ontsnappen. Hij besluit, in navolging en ter ere van zijn zoon, naar Engeland te gaan om van daaruit de geallieerde strijd tegen de nazi’s te steunen. En dan begint ‘de lange weg naar Londen’, die hem met veel tegenslagen en ontberingen door heel West-Europa naar het Britse Gibraltar voert, vanwaaruit hij eindelijk de oversteek naar Engeland kan maken. Zij het niet als een echte Engelandvaarder overzee, maar door de lucht. 

    Vrij bijzonder personage

    De lange weg naar Londen is een interessant verhaal over een vrij bijzonder personage. Zijn sportieve carrière heeft Pahud bekendheid gebracht. Voor sportsucces noodzakelijke kwaliteiten als discipline, stiptheid en ambitie kwamen van pas in het leger, waar hij het tot de rang van ritmeester bij de cavalerie bracht. Als officier houdt hij zich netjes aan de plicht om zich jaarlijks te melden bij de bezetter. Dat breekt hem op. Hij loopt met ogen open in de val en vervloekt zichzelf om zijn naïveteit. Na zijn ontsnapping en tijdens de eindeloze odyssee richting Engeland toont hij zich taai, vindingrijk en loyaal aan zijn reisgenoten. Na de oorlog maakt Pahud zich verdienstelijk als voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité en in 1953 treedt hij in dienst bij koningin Juliana als een soort ‘opperceremoniemeester’ bij staatsbezoeken, werkbezoeken, huwelijksfeesten en koninklijke uitvaarten. Bij dat alles blijft hij bescheiden. Als iemand hem vraagt naar zijn succesvolle carrière als springruiter zegt hij: ‘Ik had gewoon een goed paard’. 

    Omdat De lange weg naar Londen vanuit het gezichtspunt van de minzame Pahud is geschreven, wordt het geen heldenepos. Had Rijk zich tot dit perspectief beperkt, dan was het boek een interessant feitenrelaas geworden. Maar ze wilde meer, als journalist en als schrijver. Het lijkt of ze bij het schrijven van dit boek geen keuze heeft kunnen maken uit beide hoedanigheden. De journalist in haar deed nauwgezet onderzoek en raadpleegde zeven pagina’s aan bronnen, boeken, artikelen, websites, archieven en documentaires. Materiaal genoeg voor een meeslepend geschiedenisboek over een curieus onderdeel van het verzet tegen de bezetter. Waarom waagden verzetstrijders hun leven in een slopende, levensgevaarlijke overtocht naar Engeland om vervolgens per omgaande terug naar Nederland gestuurd te worden als spion, saboteur of infiltrant?

    Literaire opsmuk

    Rijk beperkt zich echter niet tot journalistieke verslaglegging. Als schrijver tracht ze literatuur van haar verhaal te maken, en als zodanig gaat ze de mist in. Zie niet alleen de hierboven geciteerde openingsregels. Verderop lezen we, ‘Een vrouw gehuld in een bontmantel en bontmuts komt hun tegemoet. Even kruisen hun ogen elkaar, een vriendelijke blik, en dan is ze uit zijn gezichtsveld verdwenen.’ Deze vrouw zal nergens in de zeven pagina’s aan bronnen te vinden zijn – ze dient puur als literaire opsmuk. Of, ‘Hun kamer telt twee losse bedden met een kleine handdoek over het frame aan het voeteneinde en een zalmkleurige sprei over de deken.’ De kleur van de sprei voegt op geen enkele wijze iets toe aan de zeggingskracht van het verhaal. En omslachtige formuleringen als, ‘In de woonkamer schenkt Wim cognac voor hen in. Pahud neemt dankbaar een glas aan en schuift zijn stoel naar de grote schouw met Delftsblauwe tegels en het kleine, warme vuur.’ Op deze manier duurt het bijna tot de helft van het boek voor er eindelijk schot in het verhaal komt. Naast journalist en schrijver is Marian Rijk ook redacteur. In die functie had ze haar alter ego’s op de vingers moeten tikken, wees het een of het ander, maar niet allebei tegelijk. 

     

     

  • Belangrijke thema’s komen niet echt uit de verf

    De opdracht van de Moor van Abdelkader Benali gaat over de kracht van verhalen en de effecten van migratie, maar weet op veel punten niet te overtuigen van de urgentie van die thema’s. Het boek heeft geen eenvoudig plot: de Nijmeegse schrijver Omar, half Italiaans, half Noord-Afrikaans, zit op een dieptepunt in zijn leven omdat zijn roman maar niet wil vorderen. Dan ontmoet hij Sarah, door wiens gedichten hij zo gecharmeerd is dat hij ze heeft vertaald. Sarah werkt in het dagelijkse leven voor het Wagenings ingenieursbureau Waal & Partners. Dat bureau is ingehuurd door de Al-Falak groep, een rijk bedrijf uit het Midden-Oosten, om het door overstromingen bedreigde Venetië te verplaatsen naar de woestijn. 

    Sarah biedt hem spontaan een baan aan bij Waal & Partners. Dat biedt nieuwe kansen voor Omar, hij mag als Chief Officer Storytelling naar Venetië om de verhalen van de inwoners daar te beschrijven. Hij spreekt in Venetië allerlei bijzondere mensen en krijgt vooral nieuwe inspiratie voor zijn roman, die een novelle wordt. Opvallend is dat hij in Venetië vooral migranten spreekt over wat migratie betekent. De mening van een kwart miljoen Italiaanse inwoners is irrelevant voor de Al-Falak groep. 

    Niemand stelt een vraag 

    De novelle vormt het tweede gedeelte van het boek. Hierin staat het vluchtelingenkamp Heumensoord bij Nijmegen centraal, waar eind vorige eeuw en in 2015 vluchtelingen werden geplaatst. Dit verhaal staat grotendeels los van de eerdere verhaallijn, behalve dat het ook over migratie en vluchtelingen gaat. Aan het eind van het boek is de Venetië-verhuizing geannuleerd en Waal & Partners plotsklaps verdwenen. Maar Omar heeft zijn novelle in elk geval afgekregen. 

    Wat betreft het plot zijn er enkele opvallende dingen op te merken. Allereerst is het helemaal niet duidelijk waarom de Al-Falak groep Venetië wil verplaatsen en waarom niemand in het boek vraagtekens durft te zetten bij deze ronduit ongeloofwaardige onderneming. Een simpele mail van Sarah overtuigd Omar dat het een goed idee is en ook in Venetië wordt het vrijwel niet ter sprake gebracht. Het is dan ook geen verrassing dat het plan nooit van de grond komt, het plan werd in eerste instantie al niet geloofwaardig gepresenteerd. De verhaallijn met Waal & Partners, Sarah en de verhuizing van Venetië lijkt vooral overbodig. Omar had ook uit zichzelf naar Venetië kunnen gaan om daar als schrijver de verhalen van migranten te verzamelen. Dat had het een veel geloofwaardiger verhaal gemaakt en de lezer aardig wat verwarring bespaard. 

    Boek-in-boek-methode

    Het boek bestaat voornamelijk uit korte gesprekken en ontmoetingen met personen in Venetië die nooit echt tot een afronding of diepere laag komen. Omar ontmoet iemand, trekt een aantal hoofdstukken met die persoon op en abrupt is de persoon verdwenen. De gesprekken gaan voornamelijk over het uitwisselen van verhalen of over de kracht van verhalen. Ook de novelle die in het boek zit (netjes in een ander font gepresenteerd), weet niet te overtuigen. Het boek-in-het-boek, een beproefd literaire methode, komt hier niet echt sterk over. Ondanks dat het over een belangrijk onderwerp gaat, migratie, is nergens de urgentie voelbaar doordat de personages weinig diepgang hebben. Dat lijkt vooral te zitten in de abrupte manier waarop mensen in Omar’s leven verschijnen en weer verdwijnen. Elke vorm van spanning of urgentie wordt binnen enkele pagina’s opgelost. 

    Bijvoorbeeld aan het begin van het boek: Omar worstelt met zijn roman, waar hij maar niet verder in komt. Zijn relatie met zijn (naamloze) vrouw, is daardoor moeizaam, want hij heeft het gevoel dat hij minder waard is dan zij: zo verdient hij bijvoorbeeld minder dan zijn vrouw. Als hij Chief Officer Storytelling wordt bij Waal & Partners, krijgt hij opeens een riant salaris inclusief een gouden visitekaartje. Hierdoor gaat hij wat luxer leven, kookt hij bijvoorbeeld niet alleen maar macaroni met gehakt, maar ook moussaka, tajine en couscous. Prompt wordt hij beloond met ‘genegenheid tussen de lakens’ en zijn alle relatieproblemen opgelost. ‘Ze zag een man die “ja” tegen het leven zei, en wat ze zag beviel haar zeer.’ 

    Omdat hij (geheel toevalligerwijs) een baan aangeboden kreeg van Sarah, is gelijk zijn hele relatie met zijn naamloze vrouw gered. Over huwelijksproblemen wordt de rest van de roman amper meer gerept, sterker nog: aan het eind van de roman is de liefde tussen Omar en zijn vrouw helemaal opgebloeid. Naast dat het redelijk ongeloofwaardig is, zorgt dit ervoor dat er geen urgentie meer is. Alle problemen die Omar ondervindt, zijn binnen een paar pagina’s opgelost of afgekapt. 

    Geen dieper besef over migratie

    Het is jammer dat deze roman niet uit de verf komt, want de thema’s die Benali aansnijdt zijn belangrijk: de kracht van verhalen en de diepgaande effecten van migratie. Herhaaldelijk wordt in dit boek die kracht van het verhaal aangehaald, ‘Verhalen bieden perspectief. Ze brengen vergezichten, zorgen voor verbinding.’ In de stukken over de migranten in Venetië zijn aanzetten te vinden voor een belangrijk verhaal over migratie. Alleen worden die aanzetten amper afgemaakt en komen niet tot een dieper besef hoe verhalen precies migratie stuwen en beïnvloeden. Dat is een gemiste kans. 



  • Hoe de eeuwige twijfelaar tot een oordeel komt

    In De Gloed van Annemarie de Gee wordt een 36-jarige vrouw – tevens verteller van het verhaal – met zichzelf geconfronteerd nadat er een riviercruiser met vluchtelingen is aangemeerd voor haar huis. Er volgt een eindeloze stroom van  filosofische gedachten waarin de verteller zich een moraal probeert te vormen. De lezer wordt meegenomen in een innerlijke strijd in de vorm van een ‘Stream of Consciousness’. De vrouw heeft duidelijk bepaalde visies over wat goed en fout is en voelt zich schuldig over haar eigen opvattingen. 

    Dat ze de vluchtelingenboot niet voor haar huis wil hebben, wordt al snel duidelijk. Ze houdt de vluchtelingen nauwlettend in de gaten en kijkt regelmatig, ook ’s nachts, obsessief door de sterrenkijker van haar zoon naar de riviercruiser. Waardoor de vraag opkomt wie nu wie parasiteert. Ze leeft in een ivoren toren van burgerlijke rijkdom, met buren die ze persoonlijk kent, uitzicht op de Leeghwaterplas en heeft kennelijk alle tijd van de wereld. Naarmate het verhaal vordert, groeien haar twijfels en daarmee de verwarring. 

    Moeder als indringer

    Het hoofdpersonage wordt telkens in andere woorden beschreven: als vrouw, dochter, moeder. Nooit wordt ze bij naam genoemd. Alsof ze alleen in een functie bestaat. De lezer komt niet bijster veel van haar te weten, behalve dat ze vriendinnen, een man, zoon, en moeder heeft. Met die laatste is haar relatie moeizaam. Haar moeder lijkt te pas en te onpas binnen te vallen, als een soort indringer, en zich met allerhande zaken te bemoeien, zoals het weggeven van oud speelgoed en meubels aan de vluchtelingen. De vrouw kijkt ernaar en denkt erover na. Haar moeder spoelt over haar heen, maar zich erover uitspreken doet ze nauwelijks. De moeder en dochter zijn daarin tegenpolen: alles wat de vrouw niet doet, doet haar moeder wel. 

    Andere personages worden met slechts een voorletter aangesproken. Zoals O., een journaliste die een reportage maakt over de vluchtelingen en zelf als kind ook gevlucht is. Over haar komt de lezer nog het meest te weten. Ze vertelt haar verleden aan de vrouw en krijgt zo een gezicht, een eigen verhaal. Al moest ze zichzelf wel naar binnen wurmen. Ook zij maakt inbreuk op de privacy van de vrouw. ‘Ze wil de deur sluiten maar O. zet een voet op de drempel. De twee vrouwen kijken elkaar aan. Dan laat de een de ander binnen omdat ze niet anders kan.’ Het contrast tussen O. als standvastige indringer en de vrouw kan niet groter zijn. Later trekken ze vaker met elkaar op, al bloeit het niet op tot een echte vriendschap. 

    Wat is haar werkelijkheid

    Thema’s zijn er in overvloed, niet alleen de vluchtelingencrisis, maar ook feminisme, de klimaatcrisis en kapitalisme. Allemaal thema’s waarover de verteller filosofeert. Het voelt soms wat veel en rijst de vraag: legt ze zichzelf niet te veel op? Ze heeft in bepaalde dingen een erg sterk moralistisch gevoel. Zelfs over het bakje yoghurt dat ze eet vraagt ze zich af ‘of het mag, of het eten van yoghurt nog te rechtvaardigen is tegenwoordig, met de koeien en de overproductie van melk en zo.’ Ze geeft aan dat er zoveel gedachten zijn die niets verklaren. ‘Ik ben ze niet de baas, ze stromen maar door me heen.’ De vrouw lijkt haar eigen gedachten maar niet te kunnen ordenen. ‘Met iedere daaropvolgende dag groeide de discrepantie tussen een wakend zelf, dat ze samen met J. vormgaf, en een slapend zelf’. […] ‘Iedere nacht terugkeren naar iets wat lang en breed voorbij is laat zijn sporen na. Het geeft te denken wat we eigenlijk nog onder de werkelijkheid verstaan.’ Zinnen als deze laten de lezer nog meer twijfelen. Wat is haar werkelijkheid eigenlijk?

    ‘Scherpstellen, dichterbij komen tot aan het water. Ik wil de gloed door het raam zien branden’. Soms zou je willen dat de vrouw haar eigen gedachten wat scherper stelt. Voor een intellectuele vrouw voelt ze erg chaotisch waardoor het hele verhaal met stukken lastig te volgen is. Er zijn veel onbeantwoorde vragen. Het verhaal speelt zich af in haar eigen huis, ze heeft geen baan en heeft overduidelijk veel tijd om na te denken. Het lijkt of ze mentaal  niet in balans is. Een zin als: ‘Klaarblijkelijk heeft ze alle realiteitszin verloren, in beide handen afgescheurde delen van planten. Een klassieke protagonist die grip verliest’, lijkt dat te bevestigen. 

    Alles werkt aanstekelijk

    Waarom heeft deze vrouw zoveel tijd omhanden? Waarom gaat zij niet naar haar werk? Wie is deze vrouw eigenlijk? Waarom zitten er hiaten in haar geheugen en zit ze daar aan die keukentafel over na te denken? En waarom heeft ze zoveel verontrustende dromen over Mark Rutte? De twijfelende vrouw laat uiteindelijk de lezer ook twijfelen, het werkt aanstekelijk. 

    Hoewel de thema’s maatschappelijk relevant zijn, worden de personages en de ontwikkeling van de hoofdpersoon niet volledig uitgediept en dat maakt het verhaal niet overtuigend. Dat is jammer, want het stellen van ongemakkelijke vragen over privileges, xenofobie en fragiele grenzen van onze moraal vergt moed. Iets wat je dit personage zou gunnen. Het mist de emotionele impact die de onderwerpen die ze aanhaalt eigenlijk verdient. Mocht het boek willen aansporen tot zelfreflectie, is dat slechts voorbehouden aan degenen die haar gedachtestroom herkennen en kunnen volgen. Verder blijft het giswerk.



  • Twijfel is macht

    Jan Paul Schutten toont in zijn jongste boek Complot uitvoerig aan hoe complotdenkers argumenteren en hoe hun beweringen gemakkelijk onderuit te halen zijn, maar hij duikt ook in de redenen waarom zij – vaak geen domme mensen – tot hun stellingen komen. En: hoe iedereen vatbaar kan worden voor dergelijke theorieën door denkfouten die we allemaal maken in ons dagelijkse leven.

    […]

    Complot is luchtig geïllustreerd in zwart-wit door Koen Aelterman in de vorm van karikaturale tekeningen, allerlei icoontjes, post-its en grafiekjes in dikke belijningen. Hij en auteur Schutten hebben daarmee een belangrijk boek geproduceerd dat ook voor volwassenen bijzonder verhelderend kan zijn. Leer kritisch denken, lijkt vooral de boodschap. En daar is het nooit te laat voor!

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Ortolaan bij de Impromptu’s

    In de prachtig verzorgde catalogus bij de expositie Sag mir wo die Blumen sind, die nog tot 9 juni loopt in het Van Gogh- en het Stedelijk Museum in Amsterdam noemt Simon Schama in dertien pagina’s tekst een achttal schrijvers van wie Anselm Kiefer citaten in zijn monumentale werken opneemt. Daaronder is Ingeborg Bachmann. Bij die vermelding laat Schama het.
    In zijn nieuwe bundel verhalen Namiddagen is Ferdinand von Schirach in drie pagina’s explicieter over de verbinding Bachmann-Kiefer. De twee komen volgens hem samen in hun thema’s eenzaamheid, vertwijfeling en dood. ‘Alle kunst ontstaat doordat de kunstenaar onzeker is over de wereld. Die wereld past niet bij hem en hij past er niet in, hij voelt zich een vreemde, hij denkt dat hij er niet thuishoort’.

    Eenzaamheid

    Eenzaamheid lijkt ook een thema van Von Schirach zelf. In het laatste verhaal van Namiddagen schrijft hij dat er (buiten de literatuur) maar twee kunstenaars waren die hem fundamenteel hebben veranderd: Alberto Giacometti en Caspar David Friedrich. Bij de laatste is dat gevoel overweldigend – denk alleen maar aan zijn Der Wanderer über dem Nebelmeer of Der Mönch am Meer. Maar Von Schirach noemt als voorbeeld Vrouw op de wagen van Giacometti: ‘We delen die eenzaamheid, zij is het die ons verbindt’.

    ‘Verhalen beschermen ons tegen de eenzaamheid, de verwondingen en de kilte’, schrijft Von Schirach in het derde stuk in Namiddagen. Hij vangt ze op in hotels, in treinen, cafés en in ontmoetingen met vrienden en kennissen die hij lang niet meer gezien heeft of over wie hij min of meer bij toeval wat hoort. Vaak vallen ze hem in als een herinnering op een stil moment (verwijst de titel Namiddagen daarnaar?), door een opmerking van iemand of door de wetenschap dat iemand ooit in hetzelfde hotel of dezelfde stad verbleef.

    Motorriksja

    Er zijn zesentwintig van die verhalen in de bundel opgenomen. Geen ervan heeft een titel; ze krijgen alleen voluit geschreven nummers. Daardoor stap je er steeds onbevooroordeeld in. Von Schirach begint elk nieuw verhaal uiterst sober. De eerste zin is niet meer dan een korte uitgeklede vermelding van een locatie of situatie, vaak zonder werkwoord. ‘Tweeëntwintig’ begint bijvoorbeeld zo: ‘Oslo. Interviews in een woning van het Goethe-Instituut, uitzicht op een burgerlijk straatje, op cafés en winkeltjes’.
    De vertellingen – vaak weer een verhaal ín een verhaal – maken de lezer onzeker: ze vermelden nogal wat publieke feiten uit het leven van de auteur zelf (hij was strafrechtadvocaat, zat jaren op een internaat, trad over de hele wereld op) waarop de verhalen aansluiten, maar nemen inhoudelijk soms zo’n verassende wending dat ze sterk de indruk van fictie wekken. De ene keer is het een dromerige bespiegeling van slechts een paar zinnen, zoals in de drie korte alinea’s van ‘Zes’: een fietser raakt gewond door een aanrijding voor een café, de gast en ober spraken er twee dagen over; in de Indiase plaats Nashik vallen 26 doden en 32 gewonden bij een botsing tussen een bus en een motorriksja, niet meer dan een berichtje op de laatste pagina van de krant.

    Oog

    In ‘Drieëntwintig’ is de verteller in Parijs voor zijn Franse uitgever en ontmoet daar onverwacht een vroegere kennis, een concertpianiste, die plotseling was gestopt met haar carrière en gewoon spoorloos verdwenen was. Ze vertelt voor het eerst wat haar bewoog om nooit meer te spelen. Het gebeurde op een bijeenkomst van industriëlen en bankiers, waarvoor ze als beroemdheid was uitgenodigd. Het was een patserige avond die ze ronduit weerzinwekkend vond. Tijdens het diner werd op de achtergrond een opname van haar uitvoering van de Impromptu’s van Schubert gedraaid terwijl iedereen zich tegoed deed aan ortolaan. Dezelfde nacht mailde ze haar agentschap ‘dat ik niet meer beschikbaar was’.

    Eén van de beste verhalen is dat over de vrouw die de verteller ontmoet bij de begrafenis van ene Mero, een Algerijn die door een granaatsplinter een oog miste. Ze zijn naast de uitvaartleider de enige aanwezigen. De vrouw, Christiane, blijkt de erfgename te zijn van Mero en de verteller de executeur-testamentair. Hij krijgt haar bizarre geschiedenis met Mero stap voor stap te horen, culminerend in het korte zinnetje aan het slot: ‘Mero verloor zijn oog niet als kind’.

    Misschien zijn niet alle verhalen in Namiddagen even sterk (‘Achttien’ is bijvoorbeeld tamelijk voorspelbaar), maar de meeste blijven nog even nazoemen.

     

  • De dag was toch al niet goed begonnen

    Je zou met wat fantasie kunnen zeggen dat Çiler İlhans roman Een zandstorm, zeiden ze, voortborduurt op de zogeheten Aristotelische wetten. De wetten van eenheid van tijd, plaats en handeling. De tijdspanne van één dag, één plaats en één centraal staande handeling. De Turks-Nederlandse schrijfster Çiler İlhan (1972) speelt er op een knappe manier mee.

    Het verhaal speelt zich af op 4 mei 2009 – al zijn er vooruit- en terugblikken – in een dorp in het zuidoosten van Turkije en draait om de aanloop naar de aanstaande verloving van Leyla en Bilal afkomstig uit twee verschillende dorpen ( Eigenheim en Ginderbuiten), en de rampzalige afloop ervan. Mensen die een beetje thuis zijn in de roerige Turkse geschiedenis zegt de datum in dit verband genoeg, maar om het geheugen op te frissen hier in een paar zinnen wat er toen gebeurde: Op 4 mei 2009 vielen in Bilge (provincie Mardin in Turkije, met diverse etnische groepen) tijdens een verlovingsfeest een groep mannen met kalasjnikovs de zaal binnen en schoten. Daarbij vielen vierenveertig doden, vooral vrouwen en kinderen. Het was een moordpartij waarvoor de Turkse staat mede verantwoordelijk werd gehouden omdat hij boeren aan wapentuig hielp om te kunnen strijden tegen de Koerdische PKK. De Koerden strijden nog steeds voor hun eigen identiteit, maar nu liever via diplomatieke wegen dan met wapens. Ilhan heeft haar verhaal gebaseerd op de schokkende gebeurtenis van die 4e mei en weeft ze door en om de aanstaande verloving van Leyla en Bilal heen.

    Het verhaal wordt verteld in de vorm van negentien tableaus die beginnen met een voorzegging. De eerste alinea geeft niet alleen hiervan een duidelijk beeld, maar ook van de stijl van de schrijfster: ‘Maral was de eau de cologne vergeten. En haar moeder had het nog zo tegen haar gezegd, een paar dagen geleden al. Geen lauwe eau de cologne voor het bezoek. De eau de cologne moet op tijd in huis worden gehaald, zodat die de ijskast in kan en de gasten later verfrist. De dag was toch al niet goed begonnen. Hoe zou een dag die zo begon ook tot een goed einde kunnen komen?’ Die dreiging van een slechte afloop hangt boven elke episode en wordt steeds sterker. Donkere wolken pakken zich samen. Was het binnen de moslimgemeenschap te wijten aan het feit dat er geen beest was geofferd? Dat de aalmoezen karig waren? Ze zich niet aan de vijf dagelijkse gebeden hadden gehouden?

    Concentrische cirkels

    Om de eenheid van tijd, plaats en handeling worden concentrische cirkels getrokken, in het klein en het groot. Bij de kwesties tussen de twee families komt bijvoorbeeld een toestand met hun eer erbij. Bij koppijn komt honger en hitte. En duizeligheid. Die werden allemaal pas minder nadat personage Halil had gegeten, maar verergerden weer toen hij (te snel?) opstond.

    Het verhaal grijpt vooruit. Na de gebeurtenissen gaat het onder meer over wapens van hetzij de dorpswachter hetzij van buitenaf neergelegd om verwarring te zaaien. Was het nu een zandstorm? Ze zeiden het. Uit de richting van Ginderbuiten? Of was het eerder een stofstorm? Of een windhoos? Laten we het houden op een storm die alles verwoestte, zoals stormen wel vaker in de literatuur symbool staan voor dreigingen van binnenuit of buitenaf.

    İlhan vertelt het verhaal van Leyla en Bilal in het dorpje in zuidoost Turkije in een stijl die een samensmelting is van prachtig, beeldend taalgebruik en een compacte uitdrukkingswijze in korte zinnen. De spanning loopt op op een manier die ook door detectiveschrijvers wordt gebruikt door kleine hints te geven over wat dreigt. Het enige minpuntje zijn misschien de vele namen die vaak twee aan twee voorkomen (vader-moeder, moeder-zoon, tante-neef) en over elkaar heen buitelen.

    Stilistische kracht

    Çiler İlhans werk beweegt zich tussen literatuur en essays. Van haar hand verscheen in het Nederlands eerder een verhalenbundel: Verbannen, die werd bekroond met de EU-Literatuurprijs. Verhalen over alle denkbare vormen van lichamelijk en geestelijk geweld. Over klein gehouden worden en je eigen taal niet mogen spreken of niet mogen trouwen met degene die je liefhebt. In haar boeken valt haar grote stilistische kracht samen met kennis die ze onder meer opdeed tijdens haar studie Internationale Betrekkingen en Politieke Wetenschappen in Istanbul.
    İlhans vertelvoorkeur gaat uit – zoals ze in een interview met Charlotte Remarque tijdens Writers Unlimited (2025) zei – naar de verhaalvorm, omdat je ‘in verhalen meer met de taal kunt spelen’. Dat geldt ook voor de vertaalster van deze roman, Hanneke van der Heijden, die eerder onder meer boeken van Orhan Pamuk vertaalde. Zij kwam met woorden als Eigenheim en Ginderbuiten voor de twee dorpjes. Je moet er maar opkomen.

     

     

  • Niets is verboden in een land waar alles verboden is

    Willem du Gardijn heeft met Het koor van de 300 moordenaressen een indrukwekkende roman geschreven over repressie en wat dat met een mens doet. We schrijven de Koude Oorlogtijd, met name de jaren ’80 van de vorige eeuw in Oost-Berlijn. ‘Für Frieden und Sozialismus…’ is de groet die pioniertjes van 6 tot 14 jaar jong massaal beantwoorden met ‘… seid bereit – immer bereit’. Hoofdpersonen Lena en Maksa zitten aan het begin van de roman in de tram als er twee volksagenten instappen die tegenover hen gaan zitten en naar hen kijken. Lena schrikt, maar probeert zichzelf gerust te stellen. ‘Mag hij?’ vraagt ze zich in stilte af? ‘Ja dat mag hij, want niets is verboden in dit land waar alles verboden is.’ Ze voelt zich ongemakkelijk, gegeneerd, betrapt. Ze zou neutraal naar buiten willen kijken, maar dat lukt niet. Er zijn vele zaken in haar leven die ze liever anders zou zien, maar die onveranderbaar zijn gebleken.

    De eerste drie van de in totaal zes hoofdstukken die de roman telt sleuren de lezer indringend mee in de beklemming van leven in een totalitair geregeerd land en in de paranoia, waanzin, onzekerheid, angst en het wantrouwen die de bijbehorende controle voor individuele mensen met zich meebrengt. Grip krijgen op het verhaal vereist de nodige aandacht, omdat het niet alleen wordt verteld vanuit het wisselende perspectief van de twee vrouwen, maar vooral omdat dat gebeurt vanuit hun innerlijke monologen die in bijpassend eindeloos lang meanderende zinnen de omgeving en hun beider gedachtes, overwegingen en beschouwingen beschrijven. De symboliek is overduidelijk: alleen die ‘Gedanken sind frei’. Zwijgen is goud in hun wereld die beheerst wordt door controle en waarin je niet weet wie te vertrouwen is. Hun onvrijheid en machteloosheid in de stad waarin je – zoals Maksa het verwoordt – schuldig bent om wie je bent, ‘schuldig omdat de zon ondergaat’ is op een knappe manier heel dichtbij geschreven.

    Verzet en verraad

    Tussen de regels door laat met name Lena regelmatig – in haar gedachtes – meer of minder cynisch en kritisch haar mening of gevoel blijken. Als kind voelt ze al verzet. Ze wil geen vis in een vissenkom zijn, maar één in de zee en en ze weet dat ze daar niet alleen in staat. Ze ‘hoort’ de gedachten vol ontevredenheid van mensen op straat en ze voelt dan al dat ‘de heiningen van het volwassenleven’ inhouden ‘onder het mom van collectiviteit mensen van elkaar te scheiden en te onderscheiden’. Honecker krijgt een veeg uit de pan als ze langs een van de vele alom aanwezige portretten van hem loopt: ‘Als je in de buurt bent van zijn door buislampen verlichte hoofd weet je wat je moet doen, je verzetten tegen nazi’s, die zitten overal.’
    ‘Sterft gij oude vormen en gedachten’ citeert ze de Internationale net zo cynisch als ze beschrijft wat de nieuwe tijd inhoudt, namelijk blij in plaats van boos zijn met het kleine: ‘(…) als je je niet gelukkig voelt, speel dat je gelukkig bent.’

    Maksa is net zo gepijnigd eenzaam en ontredderd, maar ze is uit ander hout gesneden. Lena bespeurt al in het begin van de roman ‘wolken op haar voorhoofd, mijn vriendin heeft iets (…)’, maar Maksa kan er niet over praten. Via haar is vooral invoelbaar hoe mensen tegen elkaar worden uitgespeeld. ‘Ik kan er niet tegenop,’ denkt Maksa, en: ‘Als hij kan liegen, kan ik dat ook.’ Dit leidt halverwege het boek tot een catastrofale clou van een mislukte tunnelontsnapping door verraad waarbij zelfs doden vallen en Lena na vreselijke verhoorsessies in een vrouwengevangenis buiten Berlijn belandt. Maksa kan hierna haar evenbeeld in de spiegel niet meer verdragen, zegt ze.

    Louterend zingen

    De laatste drie hoofdstukken van het boek beschrijven Lena’s overlevingsstrijd in gevangenschap na de desastreuze ontknoping bij de tunnel naar West-Berlijn die geen tunnel bleek, en Maksa’s wraak uit wanhoop. Weer worden de interne gevechten indringend, inleefbaar en zeer knap beschreven. Met depersonalisatie, buiten haarzelf treden, houdt Lena zich staande tijdens de martelingen. Eenmaal in de vrouwengevangenis in Hohenbrunnen, waarvoor de beruchte vrouwengevangenis in Hoheneck model heeft gestaan, treden er voor haar andere fasen aan. Een louterende rol bij haar mentaal opkrabbelen heeft de samenzang in de gevangenis. Als kind heeft Lena de magie van zingen al ervaren. Ze mag dan wel eens mee naar een zanguitvoering waarin haar moeder meezingt. ‘Met mijn handjesvolle levensjaren [voel ik] aan dat er met zingen iets op het spel wordt gezet.’

    Praten zonder strijd en beoordeling, is praten dat op zingen lijkt, een ‘koor van stemmen’ ervaart ze dan al. In de vrouwengevangenis is er een ander koor, een koor van 300 vrouwen die allen op beschuldiging van moord opgesloten zitten. En er is vooral ‘het vrouwtje’, de leider van het koor. Ze blijkt empathisch en geïnteresseerd en ze is verantwoordelijk voor veel verbeteringen in het gevangenisregime. Lena voelt zich voor het eerst sinds tijden niet alleen en dankzij het samen zingen geniet ze. ‘Een koor is het tegendeel van gevangen zijn (…) ik voel geen beperkingen.’ Het zingen werkt helend voor haar. Geloofwaardig of niet: de macht van ‘het vrouwtje’ en het herstel van Lena onder andere door het samen zingen, hoopvol is het in ieder geval. Willem du Gardijn breekt een lans voor een wereld waarin mensen elkaar liefhebben, niet kapot maken. De apotheose van het boek leidt naar vrede en acceptatie, naar vergeving en verzoening.

    Met Het koor van de 300 moordenaressen heeft historicus Du Gardijn niet alleen een overtuigende psychologische roman afgeleverd, maar ook – voor wie de Koude Oorlog heeft meegemaakt – een ‘throwback memory’ waarin het Oostblok volop tot leven komt met Trabantjes en Wartburgauto’s, vopo’s en stasi’s. Dit alles tegen het decor van de alomtegenwoordige muur in Berlijn en bij de Friedrichstrasse met het beroemde overstapstation voor reizigers van west naar oost en vice versa, sinds 2011 het Tränenpalastmuseum. Het lachen is velen vergaan maar als er hoop is gebleven lijkt dat terecht, zowel in de echte werkelijkheid als in de verhaalwerkelijkheid van Du Gardijn.