• Anna Karenina versus Anna Karenina

    Een boek kan een verpletterende eerste zin hebben. Zoals Anna Karenina van Lev Tolstoj: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Met deze zin laat Tolstoj zijn roman met een enorme donderslag beginnen. Onmiddellijk word je als lezer ondergedompeld in het wel en wee van de Russische aristocratie; een situatie die ruim 900 pagina’s niet zal veranderen. Dat is ook de kracht van het goed geschreven woord! Lukt dat een filmmaker ook? En als dat al zo is, lukt het hem dan op dezelfde manier of vereist een film andere trucs? Dat waren de vragen die mij door het hoofd schoten toen ik de bioscoop in liep om naar Joe Wright’s verfilming te gaan kijken van Tolstoj’s klassieker.

    Wright laat zijn film niet met een verpletterende zin beginnen, maar met een verpletterende scène: het interieur van het operahuis in keizerlijk Rusland. Niet het woord, maar het beeld zet hier de toon, hoe toepasselijk voor zijn medium. Een beeld dat Wright eigenlijk de gehele film gebruikt. Hij kiest ervoor om vrijwel alle gebeurtenissen uit Tolstoj’s lijvige roman te situeren in hetzelfde operahuis en benut daarvoor alle ruimten, van zaal tot entree, van coulissen tot zolder. Het geeft zijn verfilming een plezierige compactheid, die je doet vergeten dat Wright niet meer dan de hoogtepunten uit het boek voorzichtig beroert.

    Tolstoj’s boek is van zeldzame schoonheid. De onmogelijke liefdesgeschiedenis van Anna Karenina met graaf Wronksi wordt verweven met de gelukkige liefde van Lewin en Kitty en de ongelukkige liefde van Stiwa en Dolly. Alhoewel de kringen, settings en gebeurtenissen van Anna Karenina niet veel anders zijn dan die van veel belletrietjes, verheft Tolstoj’s pen het verhaal naar grote hoogten. Hij drukt de emoties van zijn hoofdpersonen met een prachtig taalgevoel uit. Bijvoorbeeld als Wronski naar Anna kijkt als zij één van haar jaloezie-aanvallen heeft: ‘Hij keek naar haar zoals iemand naar een verwelkende bloem kijkt, die hij geplukt heeft en waarin hij nauwelijks de schoonheid kan terugvinden, om der wille waarvan hij haar geplukt en ter gronde gericht heeft.’ Of als Anna, na een ruzie veel verder in het verhaal, naar Wronski kijkt: ‘En zij voelde hoe naast de liefde, die hen verbond, er een boze demon van strijd was, die zich tussen hen plaatste, en die zij niet uit zijn hart kon verdrijven en veel minder nog uit het hare.’

    Maar zoals gezegd, het beeld is het woord niet. Niet dat er in de film geen mooie zinnen voorkomen, maar deze zijn natuurlijk noodgedwongen korter: ‘Zonde heeft een prijs, daar kun je zeker van zijn’, zo zegt de man van Anna, Aleksej Karenin, vroeg in de film. Net als in het boek zal in de film ook langzamerhand duidelijk worden hoe hoog die prijs uiteindelijk voor Anna zal zijn.

    Natuurlijk is het ook onmogelijk om in 130 minuten film 940 pagina’s verhaal volledig te vatten. Elke verfilming is daarom hooguit een gekleurde uitsnede en samenvatting. Sterker nog, het is op zijn best een geslaagde eigen interpretatie van de regisseur. ‘Ieder portret dat met gevoel is geschilderd is een portret van de schilder, niet van het model’, zo schreef Oscar Wilde in The picture of Dorian Gray. Hetzelfde geldt voor een goede verfilming van een boek. Dat zegt altijd meer over de regisseur dan over de auteur. Wright wilde met zijn verfilming echt iets nieuws toevoegen, niet alleen aan het boek, maar ook aan de eerdere verfilmingen (meer dan dertig). En dat doet hij met succes. Zijn keuze om de scènes uit het verhaal met elkaar te vervlechten door ze vrijwel allemaal in het operahuis te situeren levert een geweldige intensiteit en eenheid op, waarmee hij de kracht van zijn beelden verder versterkt en moeiteloos in elkaar laat overvloeien. Bijvoorbeeld als in de coulissen uit de lucht vallende snippers langzaam overgaan in sneeuwvlokken en je plotseling buiten staat. Dat het verschuiven van decors hier en daar wat knullig overkomt doet niets af aan dit effect. Het is een wijze van het vertellen van het verhaal die Tolstoj niet tot zijn beschikking had, maar die ook duidelijk maakt dat boek en film uiteindelijk onvergelijkbaar zijn. Anna Karenina versus Anna Karenina kent dan ook uiteindelijk geen winnaar en verliezer; hooguit twee winnaars.

     

    Tolstoj verzameld werk 5

    Anna Karenina (film 2012)
    Regisseur: Joe Wright
    Acteurs: Keira Knightsley, Jude Law en Aaron Taylor-Johnson

     

     

  • De worsteling maakt de overwinning eigenlijk onzichtbaar

     

    In 1933 en 1934 reist Robert Byron, de achterkleinzoon van Lord Byron door Perzië en Afghanistan. In De weg naar Oxiana toont het reisdagboek wat het kan zijn: een intense, onsentimentele, levendige bespiegeling over een plaats, een tijd. Byron is een heel helder schrijver. De vloeiende vertaling van Tinke Davids zal aan die indruk bijgedragen hebben.
    Met zijn vriend Christopher Sykes, later vooral beroemd geworden als biograaf van Evelyn Waugh, reist Byron via Venetië, Cyprus, Palestina, Syrië en Irak naar Perzië en vandaaruit naar Afghanistan. Byron is, zo schrijft Bruce Chatwin in zijn voorwoord, ‘een heer, een geleerde, een estheet, die in 1941 verdronk toen zijn schip op weg naar de Middellandse zee werd getorpedeerd.’
    De speciale fascinatie van Robert Byron voor de landen die hij bezoekt geldt de architectuur. Je vangt vaak maar terzijde op dat de heren onder de sterren hebben moeten overnachten omdat het spoor door regenval bijster was geraakt. Het is het soort heer dat gewoon niet doet aan klagen, maar de ogen gericht houdt op op wat hem interesseert, met name islamitische bouwkunst. Byron geeft lang voor Alain de Botton in zijn De architectuur van het geluk iets dergelijks probeert, de lezer een mogelijkheid om met de kijker mee te beleven wat een goed gemaakt bouwwerk betekenen kan, en dat daar alleen maar goed kijken voor nodig is. In Isfahan noteert hij: ‘De twee koepelruimten van de Vrijdagsmoskee benadrukken die bijzondere kwaliteit doordat ze zo verschillend zijn. Beide zijn ongeveer in dezelfde tijd gebouwd, aan het eind van de elfde eeuw. In de grootste ervan, het hoofdheiligdom van de moskee, gaan twaalf massieve zuilen een promethëische strijd aan met het gewicht van de koepel. Die worsteling maakt de overwinning eigenlijk onzichtbaar: om die te zien moet men al eerder belangstelling hebben gehad voor middeleeuwse bouwkunst of voor het karakter van de Seltsjoeken. Vergelijk dit met de kleinere ruimte, eigenlijk een graftoren die in de moskee is opgenomen. Van binnen is hij ongeveer 10 meter in het vierkant, en twintig meter hoog: de inhoud is misschien een derde van die van de ander. Maar terwijl het de grote ruimte ontbreekt aan de ervaring die de schaal behoeft, belichaamt de kleinere dat kostbare moment tussen te weinig ervaring en teveel, wanneer de bouwelementen verfijnd zijn, hun overbodige massa kwijt zijn, en toch de verlokking van overbodige gratie weerstaan; zodat elk element als de spieren van een getrainde atleet, zijn fuctie verricht met gevleugelde precisie, zonder de inspanning te verhullen, zoals bij overmatige verfijning gebeurt, maar door deze aan te passen bij de hoogste graad van intellectuele zin. Dit is het toppunt van architectuur, niet zozeer bereikt door de vorm van de elementen – want dat is een kwestie van conventie – maar door de ridderlijkheid van evenwicht en proportie. En dit kleine interieur nadert dichter tot die volmaaktheid dan ik buiten klassiek Europa voor mogelijk had gehouden.’
    Dit is zo’n prachtige beschrijving van een architectonische sensatie dat je die ondanks onbekendheid met het karakter van de Seltsjoeken of middeleeuwse bouwkunst onmiddelijk kunt zien. En dat terwijl het boek illustratieloos is, wat eerst onbegrijpelijk lijkt, maar misschien meer ruimte geeft aan de kracht van de tekst.
    Reizen naar Oxiana verscheen in 2007 bij Uitgeverij Atlas in de ‘ Klassieke reizen’  reeks, een serie waarvan ik tenminste nog twee boeken heel prachtig vind: Claude Levi Strauss’ Het trieste der tropen en Tim Robinson De Aran-eilanden.

    Byron dwingt een enorme bewondering af. De redenen daarvoor zijn soms moeilijk te doorgronden, het is althans een vreemd palet: deels is hij de klassieke Britse avonturier die een goed glas whiskey bij zijn gebakken ei nodig heeft, soms blaft hij een lokale grootheid af, maar vaker is er een onnadrukkelijke hoffelijkheid, hij doorziet prachtig land en cultuur door wat men bouwde, raakt ergens aan wat de essentie van deze landen moet zijn. Afghanistan is meer voor mij gaan leven dan drie kamerdebatten over Kunduz en Uruzgan vermochten. Het is de mens Byron die je weerspiegeld ziet in zijn eigen beschrijving van de volmaakte architectuur, je leest als het ware hoe zijn schrijverschap ‘dat kostbare moment belichaamt tussen te weinig ervaring en teveel, wanneer de bouwelementen verfijnd zijn, hun overbodige massa kwijt zijn, en toch de verlokking van overbodige gratie weerstaan.’
    En tenslotte wordt het nog rechtstreeks prachtig als Byron na zo lange tijd thuis komt en schrijft: ‘…dat was negentienenhalve dag na ons vertrek uit Kaboel. Onze honden kwamen aangerend. En toen mijn moeder – aan wie ik, nu het voltooid is, het hele dagboek overhandig; wat ik gezien heb, heeft zij me geleerd te zien, en zij zal me vertellen of ik haar lessen eer heb aangedaan.’

     

  • Hij bakt pannenkoeken!

    Door Machiel Jansen

    Begin jaren zestig was mijn oom een jonge onderwijzer waar sommige leerlingen bewonderend tegen op keken. Een klein groepje meisjes – ze moeten een jaar of twaalf geweest zijn – kwam hem elke schooldag zelfs van huis ophalen. Voor de deur stonden ze te wachten tot hun meester naar buiten kwam om samen met hen naar school te gaan.

    Mijn moeder woonde in die tijd nog in hetzelfde huis en hoorde een keer vanaf de bovenverdieping door het open raam de opgewonden fluisterstemmen van de meisjes, die ongeduldig naar binnen keken. Daar zagen ze mijn oom rustig ontbijten.
    ‘Kijk, hij drinkt melk!’ werd er buiten bewonderd geroepen. ‘En hij eet kaas!’
    Het dagelijks leven van mijn oom was in de ogen van deze leerlingen een wereld vol wonderen geworden.

    Toen ik het fotoboek Knip dan, toe dan! Karel van het Reve in beeld open sloeg, reageerde ik precies als die schoolmeisjes. Ik glimlachte en riep uit: ‘Hij bakt pannenkoeken!’ Want op de binnenflap staat een foto waarop Van het Reve, half op de rug gezien, pannenkoeken bakt. Hij is geconcentreerd bezig met een spatel en een pan en naast hem staat een bord met een stapel pannenkoeken erop. Het is een foto die alleen maar leuk is omdat Karel er op staat.

    Hoe kan het nu dat ik zo vrolijk opgewonden reageerde bij het zien van die foto? Zou het uit bewondering zijn? In dat geval is het wel een bewondering die de grenzen van het redelijke heeft overschreden. Je kunt Van het Reve bewonderen om zijn mooie essays maar om daarom in vervoering te raken (nu overdrijf ik) over een foto waarop hij pannenkoeken bakkend te zien is, gaat veel te ver.

    Het bewonderen van Van het Reve heeft sowieso iets ongemakkelijks. De man was zo nuchter en stond (ogenschijnlijk) zo ver af van elk vertoon van ijdelheid, dat elke vorm van overdreven bewondering ongepast aanvoelt.

    Karel van het Reve heeft tijdens zijn leven al bewonderaars gekend. Maarten Biesheuvel bijvoorbeeld. (Ook van hem staan er twee foto’s in het genoemde fotoboek.) Biesheuvel meende in de vanzelfsprekende nuchterheid van Van het Reve God zelf te herkennen. In een interview met de VPRO gaf hij toe dat dit idee hem nooit helemaal verlaten heeft : ‘Hij rookt niet en drinkt niet, hij is wijs en altijd bescheiden en bovendien is hij altijd grappig en origineel. En dan schrijft hij nog hele mooie essays. Toen ik in 1966 voor het eerst krankzinnig werd, dacht ik waarachtig nog an toe dat Karel God was. Ik dacht dat hij het heelal geschapen had en het paradijs weer zou kunnen laten aanbreken. Soms denk ik dat nog wel eens.’

    Maar kan God wel zo nuchter zijn? Arnon Grunberg vond een goddelijke status voor Van het Reve overdreven: ‘Hooguit mogen wij af en toe aan hem refereren als halfgod, maar niet vaker dan drie keer per jaar.’

    Er zijn twee redenen om Karel van het Reve niet goddelijk te verklaren. Ten eerste heeft hij nooit geprobeerd iemand te bekeren, of op een dwingende manier op andere gedachten te brengen. Zijn studenten en zijn kinderen drong hij nooit iets op, en wie het met hem oneens was, werd niet verketterd of beschimpt. Hooguit werd iemand die slecht schreef en bovendien nog onzin verkocht, daar fijntjes op gewezen.

    Een tweede reden om Van het Reve niet goddelijk te verklaren is dat hij veel meer theorieën onderuit hielp dan zelf bedacht. Hij was een meester in het laten zien hoe het niet moest. Hij kon de fouten van anderen prachtig en geestig aanwijzen maar zelf een theorie bedenken of uitleggen hoe het wel moest deed hij minder graag. Karel was veel meer een afbreker dan een opbouwer en dat kun je van een echte god niet zeggen. Hij versterkte die indruk nog eens door een pretentieloze houding aan te nemen. Van het Reve was de nuchterheid zelf als je hem zag, las en hoorde. Alles wat hij schreef en zei was te begrijpen. Hij deed nooit moeilijk. Hij zei alleen wat hij dacht, en met enkel een beroep op zijn gezonde verstand constateerde hij dat veel grote gedachten eigenlijk onzin zijn. Pretenties om zelf eens een theorie te bedenken, had hij eigenlijk niet – althans zo kwam hij over.

    Toch ligt juist in die kritische en (ogenschijnlijke) pretentieloze houding de verklaring waarom het zo verleidelijk is Van het Reve te bewonderen. Af en toe doet hij een beetje denken aan Socrates, die altijd maar beweerde zelf niets te weten maar vervolgens aan wist te tonen dat de anderen nog veel minder wisten dan hij. Beiden hadden ze meer pretenties dan ze deden voorkomen. Beiden wisten ze veel meer dan ze openlijk wilden toegeven. En beiden hebben na hun dood een groep trouwe bewonderaars achtergelaten. Beiden waren overigens kaal. (Het grote verschil tussen Socrates en Karel van het Reve is dat om de laatste veel vaker te lachen valt.)

    De bewondering zit een bewonderaar van Karel van het Reve vaak in de weg. Zo heb ik wel eens uitgeroepen dat Van het Reve’s Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid, verplicht zou moeten worden voor elke student. Maar in diezelfde lezing spreekt Van het Reve zich juist tegen dergelijke ‘bekeringsijver’ uit. Hij wilde studenten helemaal niets opdringen. De nuchterheid van Van het Reve is dan ook niet alleen een eigenschap die bewonderd kan worden, maar waarschuwt ook dat bewonderaars het niet al te gek moeten maken. Zij moeten hun bewondering dan ook voortdurend corrigeren. De beste manier omdat te doen is af en toe eens te kijken naar een foto waarop de auteur pannenkoeken bakt.

    Het fotoboek Knip dan, toe dan! is ‘met zijn vele citaten’ dan ook geen perfecte introductie tot het werk van Karel van het Reve, al beweert de achterkant van wel. Wie al lezend in het Verzameld Werk tot de conclusie dreigt te komen dat Karel goddelijk of half goddelijk was, komt er door in dit boek te bladeren achter dat Karel een mens van vlees en bloed was. Een man die door velen die hem kenden duidelijk erg gemist wordt. Het boek straalt een warmte en een bijna aandoenlijke toewijding uit. Het sluit de uitgave van het Verzameld Werk dan ook waardig af.

    Knip dan, toe dan! bevat familiefoto’s, klassenfoto’s, foto’s gemaakt tijdens de oorlog en tijdens zijn periode in de Sovjet-Unie. We zien Karel als jongen tijdens een vakantiekamp een poepemmer legen. We zien hem samen met broer Gerard en natuurlijk met zijn vrouw Tini. We zien hem met de Russische dissident Almarik en later met zijn ‘ideale uitgever’ Geert van Oorschot samen de vuist ballen.

    De mooiste foto staat op bladzijde 86. We zien Karel uit een auto springen die in het water ligt. Er ligt een dun laagje ijs op de gracht en alleen het achterste gedeelte van de auto steekt nog boven het wak uit. Van het Reve was even daarvoor op een glad Rapenburg met zijn auto te water geraakt. De hilarische beschrijving van het voorval staat in Afscheid van Leiden (vierde deel Verzameld Werk) en is voor een deel naast de foto afgedrukt. Ik geloof dat ik nooit harder om Van het Reve gelachen heb dan bij lezen van dat verhaal. Er is één detail dat we nog niet wisten en dat door de foto onthuld wordt: de auto, een Austin 1100, was van het type Glider.

    Wie dit fotoboek opneemt om kennis te maken met Karel van het Reve doet zichzelf te kort. De kennismaking begint met deel 4 van het Verzameld Werk, daarna volgt de rest vanzelf, inclusief Knip dan, toe dan! Want wie begint met de foto’s ziet vooral een mens, een man met gezin en een beroep. Maar wie het Verzameld Werk leest, begrijpt heel af en toe die arme Maarten Biesheuvel toen hij in Van het Reve God meende te herkennen. Op zulke momenten blader je glimlachend even door dit prachtige fotoboek, om zeker te weten dat Biesheuvel het toch bij het verkeerde eind had.

     

     

  • Door: Martin Lok

    De wereldberoemde Italiaanse beeldhouwer Michelangelo Buonarroti (1475-1564) heeft zijn haast onaantastbare status bereikt zonder veel beelden af te maken. Hij maakte ongeveer zes op de tien beelden niet af! Maar het werd hem niet kwalijk genomen en stuwde zijn faam alleen maar naar grotere hoogten. Volgens Giorgio Vasari, biograaf van de beeldhouwer, waren Michelangelo’s onafgemaakte beelden bij uitstek meesterwerken ‘die ons leren wat ware beeldhouwkunst vermag’. Vooral de onafgemaakte apostel Mattheus, te zien in de Accademia in Florence, bekoorde Vasari zeer. Een getormenteerde, gepijnigde apostel, die zich in alle bochten lijkt te wringen om aan het marmer te kunnen ontsnappen. Een andere tijdgenoot van Michelangelo, Benedetto Varchi, zou bij de begrafenis van de beeldhouwer eveneens de onafgemaakte beelden prijzen en stellen dat Michelangelo daarin meer liet zien dan andere beeldhouwers in gecompleteerde werken.

    Ik moest hieraan denken toen ik Harry Mulisch’ laatste boek ter hand nam, De tijd zelf. Een klein boekje, met daarin drie fragmenten van nog geen dertig pagina’s. Een voorzichtige aanzet tot een novelle. Daarna volgen ruim 120 pagina’s met toelichtende teksten, dagboekfragmenten en eerdere versies van de teksten. Is dat interessant, literatuur in wording? Kan een onaf boek ons leren – om Vasari te parafraseren – wat ware literatuur vermag? Snel lees ik de drie ontluikende hoofdstukken. De klok, De tegentijd en Het gezicht. Titels die ontegenzeggelijk de handtekening van de auteur dragen. Maar het blijft niet meer dan een aanzet. Onsamenhangend, onvoltooid. Ingehaald door de dood of door onvermogen. Wie zal het zeggen?

    Het blijft na dertig pagina’s ongewis hoe de novelle zich verder zou hebben ontwikkeld als Mulisch niet overleden was. Waar bij Michelangelo uit zijn non finito beelden het idee van het voltooide beeld duidelijk naar voren komt, zich letterlijk aan de steen lijkt te willen ontworstelen, blijft dit idee in De tijd zelf verhuld. Op zich is dit niet zo vreemd. In de Renaissance wist men immers al dat er één belangrijk verschil is tussen literatuur en beeldende kunst, en dat is – hoe passend bij een beschrijving van Mulisch’ laatste novelle – De tijd zelf. Waar in de literatuur een verhaal kan worden verteld dat zich op meerdere momenten in de tijd afspeelt, moet de beeldende kunst alles in één moment, in één beeld samenballen. Wat een voordeel lijkt voor de literatuur, wordt een nadeel als het om onafgemaakte werken gaat. In een onafgemaakt literair verhaal is het de vertelling zelf immers die tot stilstand komt, en is het verloop ervan in de tijd per definitie onaf. Er zijn geen aangrijpingspunten, zoals dat bij een half in marmer verzonken figuur wel het geval is, om als lezer het onvoltooide verhaal in gedachten af te maken. Maar betekent dit ook dat het publiceren van een onafgemaakte novelle een heilloze weg is? En dat ook Mulisch’ andere ongepubliceerde werken ongepubliceerd moeten blijven?

    Dat denk ik niet. Want er gebeurt iets fascinerends als ik de toelichtende teksten, dagboekfragmenten en eerdere versies van Mulisch’ novelle lees. Ik ontdek hoe het verhaal ontstond en evolueerde en vang zo een glimp op van het wezen van Mulisch’ kunstenaarschap. Door te volgen hoe De tijd zelf groeit en stokt, groeit het inzicht in wat voor Mulisch de essentie van zijn schrijverschap is. Wat ware literatuur voor hem vermag. Meer nog dan in zijn voltooide werk toont de schrijver in de onvoltooide novelle zijn ware meesterschap. Hij weet dat het verhaal dat hij creëert te weinig ruimte heeft, zichzelf vastdraait en de adem beneemt. Hij neemt zichzelf de maat en bevindt zijn novelle te licht. Het is wat Louk Tilanus, kunsthistoricus en huisvriend van de dichteres Vasalis, het oudste recht van een kunstenaar noemt, ’te zeggen wanneer iets af is’ (IKON, Profiel, woensdag 19 oktober 2011). Op grond van dit recht bepaalde Mulisch dat De tijd zelf niet goed genoeg is, niet af. Twee maanden voor zijn dood noemde hij de novelle een vastgelopen project. Niet goed genoeg voor publicatie. En toch is het, gepubliceerd met de achterliggende teksten, een prachtig kleinood. Je wordt meegevoerd langs de onnavolgbare wendingen van Mulisch’ creatieve proces, langs de omwegen waarlangs zijn meesterwerken eerst gevoerd moeten worden, alvorens ze zich in volle glorie kunnen openbaren. Langs de omwegen ook waarlangs het soms vastloopt. Zoals bij De tijd zelf. Dat maakt de publicatie ervan met de aantekeningen en dagboekfragmenten die ermee samenhangen tot fascinerende lectuur. Een genre dat hopelijk een vervolg krijgt.

     

    De tijd zelf

    Auteur: Harry Mulisch
    Verschenen bij: De Bezige Bij (2011)
    Aantal pagina’s: 158 pagina’s
    Prijs: € 17,90

  • Overwegingen halverwege een boek – Italië

    door Menno Hartman

    In de rechterbalk staat een vakje ‘Bij de buren’. Vroeger stonden daar slechts bijdragen van NRC-Handelsblad, nu zijn daar een aantal buitenlandse kranten aan toegevoegd. Het is tenslotte goed te weten wat men elders denkt en doet, speciaal in een tijdsgewricht waarin men tracht vaderlandse liederen op radio 2 aan een hoger percentage te krijgen, waarin wat van elders komt dus verdacht is. Toch is dat laatste een zeer internationaal gezichtspunt. Kijk maar bij deze link, die je ook in de rubliek ‘Bij de buren’ aantreft.

    The New York Times biedt de lezer zijn lijstje van tien beste boeken, en er is er niet een vertaald. Toch kan het zeer bevrijdend werken vooral veel vertaald werk te lezen, er is zo vreselijk veel goeds. Het kan ook zeer bevrijdend werken soms eens een buitenlandse krant in te zien, je ziet dan andere koppen en deskundigen. Ik liep anderhalve week terug met een rugzak langs Hadrian’s Wall, opgetrokken om vreemde elementen buiten het Romeinse rijk te houden. Daarom was ik van plan Hadrianus Gedenkschriften van Marguerite Yourcenar te herlezen. Maar ik ben geen herlezer. Ik had goddank meer in mijn rugzak: Laurent Binet’s HhhH, waar Machiel Jansen al een stuk over schreef en het nieuwe boek van Sandro Veronesi XY, vertaald door Rob Gerritsen. Twee van de vorige boeken van Veronesi hadden mij redelijk van mijn sokkel geblazen: Kalme chaos en In de ban van mijn vader.

    Wat is XY voor een boek? In een klein bergdorp vindt een bizar incident plaats, waarbij tien mensen de dood vinden, die achteraf door totaal verschillende doodsoorzaken gestorven te zijn. Een is zelfs gebeten door een haai die al driehonderd jaar uitgestorven is. De besneeuwde boom waaronder men de lijken vond is rood van kleur en na onderzoek blijkt dat bloed te zijn dat dna vertoont van alle gestorven aanwezigen.

    De plaatselijke pastoor gaat samen met een vrouwelijke psychiater trachten de ontwortelde dorpsbewoners bij te staan. Veronesi komt niet met een oplossing voor het drama. Het boek lees je dus vooral om de hoofdfiguren, een zeventigjarige pater en een vrouwelijke psychiater van in de dertig, en om sommige zeer snedige Veronesi passages, steeds een heel verrassende mix van filosofische waarneming en alledaagsheid.  Ik moet denken aan de De naam van de roos van Umberto Eco, een intellectuele thriller, met een standvastige kloosterling als inspecteur. Maar je kunt ook denken – als je dit boek wilt flankeren met titels die er iets van weg hebben – aan de Italiaanse klassieker Die gore klerezooi in de Via Merulana van Carlo Emilio Gadda, een detective die geen detective is, waarin het gerechtelijk onderzoek op allerlei dwaalwegen belandt en de lezer steeds helderder voor ogen krijgt dat de diefstal en de moord uit dat boek slechts aanleiding zijn om het over iets heel anders te hebben. Een modernistische klassieker vermomt als detective. XY lijkt meer te gaan over het gegeven dat je altijd je leven weer in eigen hand kunt nemen en dat het verrijkend is de werkelijkheid soms eens vanuit een andere paradigma te bezien.

    Gadda, Veronesi, Eco, de top tien van de New York Times. In het café ontdekte ik dat ‘mijn overwegingen halverwege een boek’ een vermomming waren voor mijn top tien uit de Italiaanse literatuur. Ik vulde er voor een van de andere Literair Nederland redacteurs twee bierviltjes mee.

    Hij luidt tot nader orde zo:

    Giorgio Bassani – twee keer: De tuin van de Fitzi-Contini’s – De reiger

    Dino BuzzatiDe woestijn van de tartaren

    Italo Calvinotwee keer: Als op een winternacht een reiziger – Het pad van de spinnenesten

    Carlo Emilio GaddaDe gore klerezooi in de Via Merulana

    Primo Levidrie keer: Is dit een mens, Zo niet nu wanneer dan, Het periodiek systeem

    Curzio Malaparte – Kapputt

    Alberto Moravia – De voyeur

    Cesare Pavese – drie keer: Stilte in augustus – De duivel op de heuvel – De maan en het vuur

    Tomasi di Lampedusa – De tijgerkat

    Italo Svevo De bekentenissen van Zeno

    Sandro Veronesi -twee keer: In de ban van mijn vader – Kalme Chaos

     

    Ik zie dat het elf schrijvers zijn, geen tien en dat er geen vrouwelijke auteurs bij staan, dat verbaast me zeer, maar ik kan er niet veel noemen. Van Natalia Ginzburg las ik alleen een korte biografie over Tsjechov. Wie mis ik? Zie ook de wikipedialijst.

    Volgende keer bespreek ik hoe het voelt halverwege te zijn met  Tim Harfords‘ Adapt. Why success always starts with failure en tot welke boeken dat boek  zich verhoudt.

  • Overwegingen halverwege een boek – deel 2

    Meer dan duizend bladzijden telt de veelgeprezen biografie van Hitler geschreven door de Engelse historicus Ian Kershaw. Ik ben nu over de helft en hoewel ik bekend was met de grote en minder grote lijnen van de Tweede Wereldoorlog met al zijn gruwelijkheden, sla ik toch soms met verbijstering het boek tijdelijk even dicht.

     

    Hitler

    Meer dan duizend bladzijden telt de veelgeprezen biografie van Hitler geschreven door de Engelse historicus Ian Kershaw. Ik ben nu over de helft en hoewel ik bekend was met de grote en minder grote lijnen van de Tweede Wereldoorlog met al zijn gruwelijkheden, sla ik toch soms met verbijstering het boek tijdelijk even dicht

    Kershaw vertelt indringend, feitelijk en met een oog voor details die er toe doen. Hij staat niet langer bij gebeurtenissen stil dan strikt noodzakelijk en klopt nergens het drama op. Aan psychologie, of wat daar voor door moet gaan, doet hij gelukkig niet. De frustraties, de woede, de haat waaruit Hitler voor een groot deel lijkt te bestaan, blijft voor een groot deel onbegrijpelijk en zal dat ook altijd blijven. Onbegrip maakt nu eenmaal onderdeel uit van verontwaardiging, afschuw en verbijstering.

    Ik begon aan Kershaws biografie nadat ik de roman HhhH van Laurent Binet had gelezen die momenteel erg in de belangstelling staat. HhhH staat voor Himmlers hersenen heten Heydrich een zinnetje dat in het oorspronkelijke Duits ook vier H’s oplevert.

    Reinhard(t) Heydrich (de ‘t’ wordt in de loop van zijn leven uit zijn voornaam geëlimineerd) was de gevreesde leider van de Duitse geheime politie, de SD, en vanaf 1942 ook Reichsprotektor van het protectoraat Bohemen en Moravië, zoals het bezette Tsjechië genoemd werd. Binet vertelt in korte paragrafen het levensverhaal van Heydrich die in de oorlog uitgroeide tot één van de machtigste Nazi’s. Parallel daaraan vertelt hij hoe vanuit Londen de Tsjechische regering in ballingschap een aanslag op de Reichsprotektor beraamt. Twee mannen, een Tsjech en een Slowaak worden voor deze missie getraind en in hun vaderland gedropt. Deze twee verhalen komen bij elkaar in een bloedstollende beschrijving van de aanslag die heel anders loopt dan iemand voor mogelijk had gehouden.

    Binet voorziet zijn verhaal over de moordaanslag op Heydrich van allerlei commentaar. Hij probeert een roman te schrijven maar wil daarbij ten koste van alles fictie vermijden. Alles moet zo dicht mogelijk bij de feiten blijven en daar heeft hij het moeilijk mee. Fictie en werkelijkheid bijten elkaar. Binet maakt zich druk om tal van kleinigheden. Dialogen die hij eerst opschrijft verwerpt hij even later weer omdat hij niet met zekerheid kan zeggen of die woorden in werkelijkheid wel uitgesproken zijn. Hij betrekt andere romans, films en allerlei historisch materiaal bij het becommentariëren van zijn zojuist opgeschreven verhaal. Binet wil over de jaren heen springen er alsnog bij zijn. Hij wil getuige zijn van een moment in de geschiedenis dat hem al jaren bezig houdt. Verbeelding mag hem daarbij niet helpen.

    Van deze worsteling tussen feit en fictie doet Binet voortdurend verslag en ondertussen vertelt hij met horten en stoten een verhaal dat uitermate spannend en onderhoudend blijkt te zijn. Door al die onderbrekingen is het een onorthodoxe manier van vertellen die vreemd genoeg werkt. Het boek verliest nergens tempo en leest als de spreekwoordelijke trein.

    Kershaws verhaal over Hitler is puur feitelijke geschiedenis. Bij hem geen opmerkingen over de zoektocht naar historische feiten en de moeilijkheden van fictieve dialogen en gebaren. Maand voor maand loop je aan Kershaws schrijvende hand mee door de waanzin van Hitlers leven. De fascinatie die je ondergaat bij het lezen over Heydrich in HhhH ervaar je af en toe ook bij Kershaws Hitler. Hoe meer je te weten komt over de drijfveren van deze twee Nazi’s hoe minder je ze lijkt te begrijpen. Eigenlijk moet je rationeel begrip gewoon tijdelijk achterlaten als je dergelijke boeken leest.

     

    Hitler
    Auteur: Ian Kershaw
    Uitgeverij: Spectrum (2011)

    HhhH

    Lezende in Kershaw viel het me op hoezeer Binet zijn geschiedenis manipuleert. Zijn pogingen om bij de feiten te blijven, blijken toch wel degelijk een vorm van fictie te zijn. Niet dat hij onwaarheden vertelt, of zaken verzint. Maar hij benadrukt sommige feiten en kiest er voor anderen niet te vertellen. Natuurlijk, dat doet elke schrijver in meer of mindere mate, maar in Binets roman is het wel heel effectief. Het resultaat is namelijk een epos in de klassieke zin van het woord; een verhaal tussen goed en kwaad.

    Het kwaad in HhhH is samengebald in de figuur van ‘het blonde monster’ Heydrich. Het goede wordt vertegenwoordigd door de verzetshelden die het monster moeten doden. Wat Binet met al zijn commentaar voortdurend benadrukt is dat dit een waar gebeurd verhaal is. Over het epische karakter van deze geschiedenis zwijgt hij en dat is merkwaardig omdat juist zijn verhaal een draai geeft die aan fictie doet denken. Geen enkele keer maakt hij zich zorgen of hij het goed niet teveel bewierookt en het kwaad niet teveel ontmenselijkt. Binet maakt zich wel druk om de kleur van een auto in Jonathan Littels De welwillenden maar reflecteert niet over de heldenverering van zijn verzetsmensen en de vergelijking tussen Heydrich en het monster van Frankenstein.

    Nu valt er niets te overdrijven aan de gruwelijkheden van Heydrichs terreurbewind en ook aan de moed van de verzetsstrijders kun je weinig afdoen. Maar toch bekroop me tijdens het lezen van Kershaws biografie het idee dat Binet hier iets had laten liggen.

    Binet en Kershaw beschrijven allebei de eerste uitbreidingen van het Derde Rijk: de Anschluß met Oostenrijk, de bezetting van Sudetenland en het binnenvallen van Tsjechië. In HhhH is Tsjechië een slachtoffer dat in de steek gelaten wordt door Frankrijk en Engeland, dat de kracht niet heeft om ook maar iets tegen de Duitsers te beginnen. Aan dat beeld kun je weinig afdoen maar het is duidelijk dat Binets sympathie bij de Tsjechen ligt. Hij benadrukt zijn liefde voor de Tsjechen herhaaldelijk in zijn persoonlijke commentaren. Zo wordt Praag de mooiste stad van de wereld genoemd en weten we dat Binet als leraar een tijdje in Tsjechië gewerkt heeft. Tsjechië wil ‘niets meer zijn dan een kleine, vredelievende natie’ en het Slowaakse Koŝice heeft de hoogste concentratie mooie meisjes ter wereld.

    Kershaw vertelt een aantal details dat het zuivere beeld van Tsjechië wat doet verkleuren. Als de Duitsers Oostenrijk binnen trekken proberen de Joden de grens met Tsjecho-Slowakije over te steken. Een trein vol doodsbange joden (op de Oostenrijkse stations waren ze door Hitler-aanhangers gemolesteerd) wordt door de Tsjechen zonder pardon terug gestuurd.

    Na Oostenrijk was Hitlers volgende stap om Sudetenland bij Duitsland in te lijven. Hij krijgt het uiteindelijk in 1938 van Engeland, Frankrijk en Italië cadeau, zonder dat Tsjechië, waar het onderdeel van uitmaakt, er iets over te zeggen heeft. De Engelse premier Chamberlain maakt zich na deze historische blunder aan Hitler onsterfelijk belachelijk door zijn Peace-in-our time-toespraak. Binets verontwaardiging over deze affaire kun je dan ook gemakkelijk navoelen.

    Maar opnieuw merkt Kershaw iets op dat je aan het denken zet. De Joden proberen nu massaal Sudetenland te ontvluchten en de Tsjechische grens over te steken en ook zij worden door de Tsjechen tegen gehouden. Waren ze tot voor kort nog gewoon burgers van Tsjechië, na de overdracht van Sudetenland aan Duitsland zijn ze daar niet meer welkom.

    Dat was voor mij aanleiding eens op het internet te zoeken om te kijken hoe het nu precies ook al weer zat met Sudetenland vlak na de oorlog. Ik vond een artikel dat nauwkeurig de de uitzetting van de Duitse bevolking door de Tsjechen beschrijft. Daarin is te lezen hoe naar aanleiding van de terreurdaden van Heydrich het Tsjechische verzet ook ernstig radicaliseerde. Vanaf 1941 begon de Tsjechische regering in ballingschap plannen te maken om na de bezetting alle Duitsers het land uit te gooien. De Britten en Amerikanen verzetten zich eerst tegen dat idee maar gaven na druk van Stalin in 1943 toe. Aan het eind van de oorlog verkondigde de Tsjecho-Slowaakse regering dat alle Duitsers in principe verantwoordelijk worden gehouden voor alle begane oorlogsmisdaden door de bezetter. Uitzonderingen werden alleen gemaakt voor Duitse Tsjechen die zich hadden verzet tegen de Nazi’s.

    Bedenker van die maatregelen was de Tsjecho-Slowaakse president in ballingschap Edvard Beneŝ. Het waren de naar hem genoemde Beneŝ-decreten die de wettelijke basis vormden voor een gruwelijke, etnische zuivering die in mei 1945 werkelijkheid werd. Ongeveer drie miljoen Duitsers en Hongarije waren het slachtoffer. Duizenden, waaronder jongens en meisjes vanaf 14 jaar, kwamen in werkkampen terecht. Meer dan drie miljoen Duitsers werden zonder pardon de hernieuwde Tsjecho-Slowaakse republiek uitgezet. Pas in 1990 bood de Tsjechische Václav Havel excuses aan voor de begane gruweldaden.

    In HhhH is Beneŝ de grote man achter de aanslag op Heydrich, een eenzame strijder die machteloos toe ziet hoe zijn volk geterroriseerd wordt. De nietsontziende wraak van de Tsjechen is buiten het verhaal gehouden en het zou ook het epische karakter van de roman verstoren. Wat smetteloos wit is in HhhH blijkt in werkelijkheid minstens een grijs randje te hebben.

    Had Binet dan al deze gebeurtenissen moeten noemen? Misschien wel, misschien niet. Ik ben er nog niet uit. Natuurlijk heeft Binet zich beperkt tot een verhaal dat hem fascineerde en daarbij hoort nu eenmaal het weglaten van tal van feiten. Maar juist omdat hij zich ook zo druk maakt om de relatie tussen fictie en werkelijkheid doen deze verzwegen feiten er wel degelijk toe. Is het kwaad dat door het goede wordt verslagen een werkelijke geschiedenis of is het toch een vorm van fictie? Is de feitelijke geschiedenis zelf niet veel grijzer dan wij hem graag zouden willen zien? Is het vertellen van een geschiedenis niet het vertellen van een verhaal en kunnen we dat niet zonder verbeelding doen?

    Hoewel ik ademloos zijn roman heb uitgelezen, nu ik Kershaw lees en mij dieper in de geschiedenis ingraaf, raak ik er van overtuigd dat Binet aan de oppervlakte is blijven hangen en iets wezenlijks heeft gemist. Ik neig ernaar te zeggen dat de roman is mislukt, maar vol overtuiging durf ik dat nog niet te zeggen.

    Die andere grote Franse roman over de Tweede Wereld Oorlog, De Welwillenden (2006) van Jonathan Littell is van een geheel andere orde dan HhhH. De twee zijn vaak vergeleken en Binet maakt in HhhH ook kritische opmerkingen over Littels roman, die uitkwam toen hij ermee bezig was. Ook van Littels roman kun je beweren dat deze is mislukt, maar dan wel op een grandioze manier. Littell probeert de verschrikking te beschrijven vanuit het perspectief van een fictieve dader. Hij laat de lezer door de ogen van een dader kijken en probeert zijn vinger achter het onbegrijpelijke kwaad te krijgen. Bij Binet is het kwaad een echt bestaand monster dat door een waar gebeurde aanslag aan zijn einde komt. Littell probeert met allerlei kunstgrepen het enorme kwaad menselijk te maken, Binet probeert het niet eens.

    Littels poging is blij vlagen ongemakkelijk, vreemd, onbegrijpelijk en onbehaaglijk. Het is een roman die geprezen en vervloekt is, waar mensen bewonderend naar opkijken en woedend over hebben geschreven. Dat alles kun je van HhhH niet zeggen. Het is geprezen en bewierookt en voelt naar mijn weten bij niemand ongemakkelijk. Desondanks lees ik liever nog een keer een mislukte Littell dan een spannende Binet. Maar eerst verder met een tot dusver erg goed gelukte biografie van Kershaw.

     

     

    HhhH
    Auteur: Laurent Binet
    Uitgeverij: J.M. Meulenhoff
  • Overwegingen halverwege een boek 1

    door Menno Hartman

    Ik lees Verloren Illusies van Honoré de Balzac. ‘Wat moet je lezen als je een boek uit de negentiende eeuw wilt lezen,’ vroeg ik iemand die er verstand van heeft. ‘Balzac,’ was het onmiddellijke antwoord. ‘Meer wisecracks op de vierkante centimeter dan welke andere auteur dan ook.’

    Door een boek van een redelijke jonge Latijns-Amerikaan, Andrès Neuman, De tijdreiziger, was ik weer een beetje op het spoor van deze-eeuw-waarin-alles-begon gezet. Of anders wel door Umberto Eco’s De begraafplaats van Praag, waarin Eco de holocaust laat kiemen in de complotrijke wereld van revolutionairen in de eeuw van de eenwording van Italië en Duitsland. In Balzacs Verloren illusies is de revolutie ook niet zo ver weg, niet meer dan een halve eeuw. En de hoofdfiguur Lucien worstelt met zijn nederige afkomst en liefde voor een adellijke dame. In het dorp maakt de bourgeoisie hem belachelijk. Liberté, egalité, fraternité, maar rond 1830 is de wereld nog altijd verdeeld in standen. Balzac heeft inmiddels wel de mogelijkheid erover te schrijven.

    Een ‘overweging halverwege een boek’ geeft weinig kansen iets over het einde kwijt te kunnen. Zover ben ik nog niet. Maar des te meer redenen om te zien of het boek te vergelijken is met andere boeken, want dat is toch wat een lezer lezende doet. Binnen 30 pagina’s moet duidelijk zijn of je doorleest. En waarom niet wachten tot ik het boek uit heb om met een weloverwogen oordeel te komen? Omdat ik context boeiender vind dan oordeel. Omdat ik graag boeken lees waarvan ik het een gotspe zou vinden ze van een eindoordeel te voorzien. Omdat ik een boek nooit uit heb maar er altijd midden inzit.

    Welnu, waar lijkt dit boek op, en waarin onderscheidt het zich? Het relaas van een begaafde jongeling die uit zijn milieu tracht te komen, zou ook een omschrijving van Stendhals Rood en zwart kunnen zijn. Dat de toon overeenkomt is niet zo vreemd, Stendhal is maar een beetje ouder, zijn werk heeft ook romantische en realistische kenmerken. Bij Stendhal moet de religie het steeds veel meer ontgelden. Stendhal kan je lezen als een geestige afrekening met de hypocrisie van het toenmalige katholicisme. Daar lijkt Balzac nog maar weinig mee op te hebben. Balzac fileert opgeblazen persoonlijkheden. Iets waar ik altijd erg enthousiast van wordt. Een mooie wisecrack dan maar in deze beschrijving van een van de salonbezoekers: “Iemand die zich onbekommerd op de stroom van de gebeurtenissen laat meedrijven en ervoor zorgt dat hij het hoofd boven water houdt, zodat het lijkt of hij de gebeurtenissen zelf leidt, wat dan nog slechts een kwestie van behendig sturen is.” (vertaling Jan Versteeg) Dat is toch mooi, je kunt je er menig politicus bij voorstellen.

    Er wordt geduelleerd. Dat koude feit en de liefdesperikelen tot in de venijnige details beschreven brengen ook Choderlos de Laclos in gedachten met zijn Liaisons Dangereuses, wat wel wat vroeger geschreven is en dan ook nog nadrukkelijk het ancien regime aan de lezer toont. Tolstoj is later, en in een werk als Oorlog en vrede speelt in de salons wel een gelijkluidend gekonkel van ‘erbij horen’ of net niet, een rol. Centrum en periferie, nog zo’n typische Russische hang up die ook Balzac in deze roman niet vreemd is. Twee aan elkaar grenzende stadsdelen waarvan er een wel goed is, en het andere net niet, maatschappelijk gezien.

    Vage aanduidingen van gelijkenis, maar de auteurs hebben elkaar allemaal kunnen tegenkomen (zijn elkaar wellicht ooit tegengekomen?) Dat Tolstoj Balzac las kunnen we zeker weten. Dus, waarin onderscheidt Verloren Illusies zich? Puntiger dan Tolstoj, psychologischer  dan Stendhal, luchtiger dan De Laclos. En dan weer: minder filosofisch dan Tolstoj, minder alomvattend dan Stendhal, minder venijnig dan De Laclos.

    In ‘overwegingen halverwege een boek’ zit ook het vorige boek althans deze lezer nog in het hoofd: Shuzaku Endo The Girl I Left Behind, een prachtig verhaal over een man, die een meisje niet al te goed behandelt, haar achterlaat, in zijn leven nog een paar keer van haar hoort, haar niet uit zijn hoofd krijgt, haar tracht te achterhalen, net te laat is.

    De zus van Lucien is een Endomeisje, een meisje waarvan je vermoedt dat de egocentrische Lucien haar achter zal laten, terwijl zij alles voor hem gedaan heeft.

    Ik lees door in Balzac omdat de randfiguren me interesseren, en omdat ik bijna niemand mooier in kort bestek mensen op hun plaats heb zien zetten dan Balzac dat kan. Een andere salonbezoeker is in Balzacs omschrijving bijvoorbeeld: ‘Iemand bij wie alleen de leegte diep gaat,’ en een derde bladert overdag wat in Cicero opzoek naar een passage die hij ’s avonds in de salon met betrekking tot een actuele gebeurtenis achteloos kan laten vallen. Ik ben voldoende misantroop om deze kant van Balzac zeer te waarderen.

     

    De volgende keer hoop ik halverwege Yourcenars Hadrianus gedenkschriften te zijn.