• Servetten halfstok – Ester Naomi Perquin

    Eerder dit jaar werd voor het eerst de Debuutprijs Het Liegend Konijn van het gelijknamige poëzietijdschrift uitgereikt. De jury, bestaande uit hoofdredacteur Jozef Deleu en de dichters Marjoleine de Vos, Geert Buelens, Mustafa Stitou en Menno Wigman, kende de prijs toe aan de Nederlandse Ester Naomi Perquin voor haar ‘overweldigend debuut’, Servetten halfstok. Op 9 oktober volgt de uitreiking in Vlaams-Nederlands Huis deBuren in Brussel. Zowel verstechnisch als inhoudelijk sprak Perquins poëzie aan: ‘Het hele leven krijgt hier een plaats: onzwaarwichtig, geestig maar beslist niet oppervlakkig. […] Ze stelt vragen en reflecteert. Haar verzen doen de lezer stilstaan en denken.’ Veel lof voor vooralsnog onbewezen diensten.

    ‘Vooralsnog’, het staat er. Ester Naomi Perquin is niet van plan zich het vergeetgat in te dichten. Meer nog, daar hoort ze niet thuis. Al is Servetten halfstok misschien niet meteen gediend van bovenstaande jubeltaal. Het debuut dat de jury overweldigde kan heus wel wat overuurtjes gebruiken. Het is een behoorlijk werkstuk, op sommige momenten zelfs meer dan, maar te veel nog heeft Perquin een verzameling schetsen en vingeroefeningen aangelegd. Wat is verstechniek als de inhoud niet mee wil?

    Het leven is aan de onwetenden
    Servetten halfstok opent veelbelovend. De afdeling ‘Verloren schrift’ is veruit de meest fascinerende uit de hele bundel. In gedichten die terecht worden geprezen om hun knappe stijl, dubbele bodems en technisch vernuft, trekt Perquin de contouren van een leven dat zich tegelijkertijd met beide benen in én achter het dagdagelijkse ophoudt. Een vreemdsoortige melancholie dwaalt door de verzen. Vrijwel meteen merkt de lezer sporen op van iets wat is geweest of nog moet komen, maar dat in ieder geval een onvoltooidheid in zich meedraagt. Dat maakt van ‘Verloren schrift’ meer dan een collectie waarnemingen. Perquin legt hier processen bloot die immer latent aanwezig zijn, en die de goede observator wel weet liggen, maar niet noodzakelijk kan duiden. Als een bijzonder type notulist gaat ze aan de slag: ‘Zo is iets neergezet dat hoorbaar was maar / nooit kan worden naverteld. Hij kent / de beste tekens voor hun radio’s / hun thuiskomst en hun stemgeweld. // Hij stelt op schrift zijn horen bij, / noteert de koppigste muziek / van hun espressoapparaten.’ (uit: ‘De notulist’)

    Ook de identiteit van de dichter (of de personages) zelf lijdt aan een onzeker bestaan. ‘Hoe weten zij hoe ik mij was?’ klinkt het in ‘Reïncarnatie’, terwijl het hele gedicht door de ik-figuur die eigenheid ook niet krijgt gedefinieerd. Markeren is de boodschap, je stempel achterlaten. Dat kan schijnbaar heel eenvoudig: ‘Slaap met het harigste huisdier in bed, / druk vingers op ramen, hang op het balkon / je opvallendste plunje voor buren te kijk. / Stink. Bak koolraap met uien en vis.’ (uit: ‘Inval’) Toch resoneert in die methodiek het besef van vergankelijkheid sterker dan de vreugde om het gewonnen terrein. De sluiers die over de dagdagelijkse werkelijkheid liggen verbergen eveneens een weliswaar niet dreunend aanwezige ? alledaagsheid. Wat schiet een mens ermee op om tot dat besef te komen? Ook Perquin ziet die beperking: ‘Eenmaal boven is de druk zo laag / dat elk besef hoe log, hoe zwaar, / hoe traag van zwaartekracht verdwijnt. / Wat niet weet, wat niet valt.’

    De wereld als schriftuur
    Geregeld leidt in Servetten halfstok de wetenschap of de plotse bewustwording tot een verzwaring van het gemoed. In ‘Toen wel’ bijvoorbeeld, maakt de kleine confrontatie het grote besef: ‘Pas toen hij een jongen eieren / kapot zag gooien zomaar, / met naakte kuikens erin.’ Onwetendheid maakt vrij, of bestendigt die vrijheid; het besef creëert een gebondenheid aan het eigen leven, een bijna angstige reflex van veralgemening die ook het eigene met zwaartekracht overlaadt. Een gevolg kan zijn dat de zwaarmoedigheid gaat regeren en alle impulsen tot geestelijke lichtheid overstemt: ‘Laat het na deze winter nog eens winter zijn. / Geen statig broeden meer. Geen kievitsei. / Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest. / Ik hoop dat de kou de grond voorgoed verpest / met alles dat nog kiemen zou daarbij.’ (uit: ‘Winter’). De zachtheid is ongeloofwaardig geworden.

    Literatuur, of liever het schrift heeft een functie als bewaarmiddel. Ze legt het latente bloot, behoudt de trekken van het beschrevene. Maar het geschrevene kan ook een indringender rol spelen, ‘Verloren schrift’:

    ‘Waar hij eerder nog kon jagen
    en wij lazen: bos vol beesten,
    hoge lijven, volheid op papier
    veelpotig, niet te tillen door getal
    of de zwaarte van geweien

    trillen nu schraal beschreven vellen,
    toont hij angstig wat hij heeft geschoten
    wat te zien is in zijn reservaten:
    waterplaatsen, droog gelaten,
    oude herten zonder poten.

    Soms laten ze zich, lijkt het,
    even lokken met betekenis:
    aanzetten tot jonge dieren
    nog in nesten, schetsen
    waar niet van te eten is.’

    Het is de wereld die gelezen wordt, soms geheel verdraaid. Ook hier treedt een verschuiving van de interpretatie op, na een bewustwording, bij het opgroeien… De lectuur van de werkelijkheid is onderhevig aan het opschuiven van de blik. In die zin hanteert Perquin literatuur/taal als gewoon en alledaags fenomeen: ‘Maar onverstoorbaar is er brood / en al hetgeen er dient geschreven, / de tafel met het kind daaraan, / schone was, dagelijks leven.’ (uit: ‘Ten ruste’) De verbeelding ontrukt de literatuur aan de wereld, met alle gevolgen van dien: ‘Dat ik je moet verlaten / om verhalen van te maken.’ (uit: ‘Verhalen’) De verdraaiing die dan gebeurt, is een uitvergroting van wat de mens tegen het vergeten aanmaakt. Overblijvende beelden stemmen niet meer overeen met wat verloren is gegaan. ‘[H]etgeen er dient geschreven’ is wat nog in de herinnering moet voortleven. En ook daar is sprake van dubbelspel: het geheugen onthoudt niet altijd datgene wat we willen zien overleven. Soms zijn we ‘slecht in […] vergeten’ (uit: ‘Weerzien’), terwijl ‘mouwen om de hals geslagen, / in slaap geraakt, eenmaal ontwaakt / nooit armen zijn’ (uit: ‘Ten ruste’).

    Stijl, die diepte
    In Servetten halfstok gaat Ester Naomi Perquin op een overtuigende wijze aan de slag met taal. De stijl die ze in de eerste afdeling hanteert, blijft ook in de rest van de bundel behouden, maar de inhoudelijke diepgang gaat af en toe geheel verloren. Dat schept de indruk dat er een hoopje losse gedichten bij elkaar is gezet, gedichten die weliswaar elkaars aanwezigheid verdragen, maar de onderlinge betrokkenheid zijn kwijtgespeeld, geen meerwaarde meer bieden. Er is gebundeld wat ook ongebonden had kunnen bestaan. Zo lijkt de urgentie zoek. De schetsen die in het eerste luik nog zinvol veelgelaagd en onverwacht uit de hoek kwamen, zijn nu enigszins vervallen tot observaties en daaraan gekoppelde vingeroefeningen. Goed geschreven maar zonder overkoepelende zin. Een test in het schrijven van poëzie. Jammer, want op die manier krijgt de bundel in zijn geheel een wat onaangename nasmaak. Niet het beste wat een debuut kan zijn of al is geweest in andermans handen, maar op zijn minst beloftevol te noemen.

     

    Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok. Uitgeverij G.A.van Oorschot, Amsterdam, 2007.

  • Innisfree, Christine Dhaen

    De geschiedenis van het dichten, de toekomst van het lezen

    Innisfree is een spaarzame bundel: 21 gedichten heeft Christine D’haen erin verzameld, gelinkt aan een notenapparaat van een goede vier pagina’s. Die noten zijn er niet voor niets; de bundel beslaat een liefdevol persoonlijke literatuurgeschiedenis, die een zeer gedegen kennis en doorwrochte visie onthult. Niets voor de show, alles voor de letteren.

    Dat er inderdaad meer aan de hand is dan het tentoonstellen van de literaire knobbel van de dichter valt af te leiden uit de cycli die zijn opgenomen. ‘Out of key’ gaat zo bijvoorbeeld over literaire genres die niet meer vanzelfsprekend tot de tijdgeest behoren; ‘Aleph Beth’ reikt dan weer een aantal geliefde boeken aan. Steeds slaagt D’haen erin de diverse invloeden te verwerken in een hoogstaande eigen poëzie. Dat is geen risicoloze onderneming. De dichter geeft in de eerste plaats zichzelf bloot: de uitgesproken invloeden verraden haar voorkeuren en maken ook de poëtica van het eigen poëziebedrijf duidelijk. Dat de inmiddels vierentachtigjarige Christine D’haen zich zo openlijk aan de lezer voorlegt, heeft misschien ook te maken met de erfenis die ze wil achterlaten, de verduidelijking die ze zelf wil voorzien. Al hoeft dat niet noodzakelijk waar te zijn:

      De mens is onderweg, zo reist de tekst verfijnd
      (vóóreeuwig, bovenordelijk, geheimnisvol)
      door commentaar en meditatie zonder eind
      met enig-zijnde multipliciteit.

      (uit ‘Tetragrammaton’)

    De tekst bevat een eeuwige dynamiek, is eeuwig voorwerp van veranderende blikken en interpretaties. De mens is onderweg, en daarmee de tekst eveneens. Zo is ook de dichter lezer, en dat geldt zeker voor Christine D’haen in Innisfree. In ‘Amis venez encore nuit’ wordt de relatie tot de literatuur ? als schrijver en als lezer ? erg mooi beschreven:

      Zie nu de boeken, met spraakkunst en vormleer,
      woordenboeken (het Griekse met prachtig karakter),
      woningen van de letterkundige Heer.
      Maar je komt voor gedichten: weinig volmaakt,
      zoveel fragmenten in zovele talen,
      van jou en haar het steeds vervolmaakte,
      samen te lezen als ademhalen.
      Jij bent een geleerde, je deelt het haar mee,
      en zij zegt ook wat ? die luttele uren
      moeten een heel gedroomd leven duren.

    De nuance die Christine D’haen aanbrengt, betekent veel in een bundel van dit conceptuele gehalte: zelfs de voorkeuren, de richtlijnen misschien, die dwingend lijken te worden overgeleverd, houden een lezer voor ogen die al dan niet ingaat op wat de tekst herbergt. Ook in ‘De beker van Djamsjied’ krijgen D’haens woorden onder andere een poëticale kleur:

      Maar klaart de droesem door het oog, dan licht
      de spiegel op met inniger gezicht,
      het inzicht heldert, de begeerte sticht
      een vorderend vuur; voorbij de duistere rand,
      rondom, des bekers, reikt de geest en brandt:
      de vorst, de wijn, het kunstwerk, in wiens hand,
      waartoe richt zich profetisch wie het denkt,
      wiens bloed drenkt onze aderen, wie schenkt?

    De dialoog tussen lezer en dichter verloopt via de tekst: ‘Niets moet nu nog geschieden (slechts het beeld / opgeschort in de tijd) dan de grammatica, / de doolhof waar de weg te vinden is / dank zij de oude studie der grammatica.’ De tekst behoudt zo de profetische waarde, voorbij de grenzen van de tijd. Wat Innisfree in dat opzicht zo bijzonder maakt is dat de poëticale lijn die Christine D’haen uitzet, eveneens wordt weerspiegeld en aanschouwelijk gemaakt in de inhoud. ‘Ab ovo’ is daar een prachtig voorbeeld van: het hele gedicht is een eigentijdse compositie die een twintigtal vertaalde en chronologisch geordende citaten vat in een collage. Het resultaat is een erg geladen, maar sterk ritmisch geheel. De tijd gevat in verzen. D’haen geeft in het notenapparaat van die vertaalde verzen ook de contexten vrij, maar besluit de uitleg als volgt: ‘Maar ook zonder die kennis kan hij [de lezer] door zijn verbeelding een waas van betekenissen scheppen, met een bijzondere, meditatieve sfeer.’ Tegenover die vrijheid staat: ‘Het gedicht is mooier als de lezer weet in welke context ze staan.’ Zo’n beetje de vrijheid die de lezer heeft om het voetnotenapparaat naast zich neer te leggen, dan wel te verorberen met het angstige hart iets te hebben gemist. Niet van levensbelang dus, althans niet voor de lezer. Maar voor de dichter die hem/haar het vertrouwen schenkt: met veel plezier.

    Christine D’haen, Innisfree. Querido, Amsterdam, 2007.

  • Vreemdgang, Henk Van der Waal

    Vreemdgang is een bundel uit één stuk. Wat begint als een anekdote, een fragment uit het dagelijkse leven groeit geleidelijk aan uit tot een sluier die van dat leven af wordt gehaald. De wijsheden die Henk van der Waal uitdrukt, gelden niet als de bevestiging van een superieure mentale positie, maar net als aanleiding om zich binnen de menselijke maat te plaatsen. Vreemdgang geeft een beeld van de menselijke conditie, dat zowel talig als inhoudelijk genuanceerd is. Van der Waal is onweerstaanbaar in zijn zoektocht naar antwoorden, in zijn analyse en zijn besef van de discrepantie tussen theorie en werkelijkheid, constructie tegenover overrompelende ruimte. Over hoe de mens zich in het verlies weet te handhaven of dat zou kunnen/moeten, uit noodzaak of doelbewust.

    Oorspronkelijkheid in ontzelving
    In ‘die vervloekte oorspronkelijkheid’ haalt Van der Waal het beeld naar boven van een stukgelopen relatie. Tegenover de wetten van de liefde staan de theorieën over vrijheid die een zekere ‘je’ fingeert om zichzelf in naam van de ‘barmhartigheid’ en tegen de ‘beslaglegging op andermans verlangen’ te verzekeren van zijn ongebonden leventje en de ander tot angstige aanhankelijkheid en verbondenheid te verleiden. De angst keert echter snoeihard terug naar de afzender, wanneer niet de ‘je’ maar ‘zij’ de ‘je’ dwingt tot de zelf geschapen rol als ‘welgevallige, invullige, vrijzinnige, / zelfstandige, rotsvaste, ondersteunende, goed- / vindende, vrijlatende, onkwetsbare, niet / verwijtende, verantwoordelijke, plichts- / beseffende en indien gewenst teder masserende’. De woorden die de ‘je’ daartoe uitsprak, benarren nu diens werkelijkheid. Maar ‘de werkelijkheid is geen idee in je hoofd’, gaat niet in op zelfbereide theorieën. Er heersen andere wetten die niet voortgaan op evidentie, of waarneming en verwachting.

    De scheiding die Henk van der Waal portretteert, hoeft, zo lijkt het, niet noodzakelijk rampzalige gevolgen te hebben: ‘wat er van je overblijft als er in je lichtkoepel van / geborgenheid plotseling een schuurmachine / aanslaat die met grove korrel de opperlaag van / geluk van je huid schraapt […] is je bodem, is de rest waarin je bent en waarin / tot je stomme verbazing gift ligt opgeslagen, / vrijheid, ruimte en ook de lucht waarmee je heel / zacht en zonder haat en afzender natuurlijk / onbekend haar ziel aanrilt’. Die bodem lijkt veel deugden te bevatten, is het resultaat van een soort losmaken van het zelf. De hardheid verdwijnt, maar ook de afzender; de ontzelving als een vorm van ? om het met een lelijk woord te zeggen ? herbronning, een terugkeer naar de oorsprong. Die oorspronkelijkheid ? vervloekt heet ze hier al ? impliceert een onbevangenheid die het zelf ook beschermt. De angst voor verlies bant a priori alle opties die op het geluk worden genomen. Onbevangenheid daarentegen creëert behoud. De kolonisering door de ander heeft een negatieve bijklank, maar kan wel degelijk positieve effecten hebben: ‘haar geheime waarheid / besproeit dan ook je ziel’.

    De geldingsdrang van het niemandsloze
    In de afdeling ‘dat uitgestrekt niemandsloze’ onderneemt de ‘je’ alsnog verwoede pogingen ‘om de krenking voor te / blijven en uit te bannen’. Het niemandsloze waarin de ‘je’ zich dan ophoudt, is geen lang leven beschoren. De onbevangenheid krijgt geen kansen meer; totdat de ‘je’ ‘gevangenzit in zijn wachten op wat voorbij is’. De oude, of vergane, liefde doet de geldingsdrang van de ‘je’ opspringen, van het zelf, dat uiteindelijk gedoemd is tot ‘een kinderlijke / smeking om aandacht’. Het mag niet baten: de vreugde kan alleen nog bodemloos zijn, onbeholpen, onwerkelijk, want van tevoren onmogelijk gemaakt. Het ‘verguldsel’ dat zich over de ‘je’ legt is schijn, is een innerlijk ‘dat de heren op goed geluk / vol hebben gestort met moralistisch monotheïstisch / steenkolengrieks, -latijn, -hebreeuws, -arabisch’.

    Het is de angst ‘voor dat / overweldigend komende dat zich toen / in je gevestigd heeft, voor de radeloosheid om dat / vreemde dat zich niet meer uit je weg heeft laten / werken maar waaraan je ook niet hebt kunnen / beantwoorden en waarover je nette leven / de spijt, de schuld, de teleurstelling uitdrukt’, die zich manifesteert, wanneer je je verliest ‘in wat jou aan het vinden / was’. De ander heeft zo geen kans om zich tot de ‘je’ te richten. Het bewustzijn gaat gepaard met de vestiging van het ‘ik’, dat de ander niet voldoende ruimte kan bieden. Het ‘ik’ neemt de wapens op waar het ontwapend zou moeten zijn, waar het zich alleen in de ontvankelijkheid van het vreemde kan vinden.

    Dacht je dat het wel kon of wist je dat het niét kon
    In ‘au peintre Georg Eisler et à tout le monde’ doorbreekt Henk van der Waal enigszins explicieter het voorgaande. Hij is zich bewust van het ‘buitenmensende’ dat hij in de bundel heeft opgebouwd. Zijn reflectie is op zich evenzeer theorie als de theorieën over vrijheid die de ‘je’ tegenover de wetten van de liefde plaatst. Het menselijke is onderhevig en veronderstelt in die zin ook een immer aanwezige verloren strijd. Het inzicht in die conditie is wellicht een net zo grote kwelling als dat het een zegen is.

    Henk van der Waal brengt hier de nuance binnen. Terwijl op het eerste gezicht de toon er een van inzicht was, wordt hier het bewustzijn gecompleteerd: het besef van de gedachte, misschien zelfs de waarheid, en tegelijkertijd de onmogelijkheid die ten volle onder ogen te zien. Terwijl de eerste cycli van Vreemdgang in al hun aparte constructies nog een zekere talige eenvoud laten zien, gaan naar het einde toe alle registers open: Van der Waal schrijft complexere verzen neer, de inhoud bolt op, ook de strakke geometrische vorm die de gedichten in het begin een vastomlijnde ruimte biedt, sijpelt stilaan weg. ‘[P]as als je de geronnen weidsheid, de ruwe / onontgonnenheid waarin je je hebt aangetroffen laat / zoals die zonder jou ook zou zijn en dat tot en met / jezelf aan toe, kun je vermoeden stellen op het / aanvullende, het uit zwakke bron wellende, het je / jouw verdriet gunnende en ben je verhapstukt door // het meerd?re // het vreem?e // het onbep??lde’. Onbereikbaar is die toestand. Onmogelijk, want complex in de ontzegging van het ego: ‘eenvoudig omdat je de wil niet hebt je wil te breken’.

    Henk van der Waal is in Vreemdgang ontzettend mens en ontstellend dichter: geslaagd in de onmogelijkheid van slagen.

    Henk van der Waal, Vreemdgang. Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2007.

  • Wuif de mussen uit, Joke Van Leeuwen

    In lichte woorden tegen de vergankelijkheid

    Tomas Lieske won vorige week de VSB-poëzieprijs. Joke van Leeuwen was een van de andere genomineerden die met haar bundel Wuif de mussen uit meedong. Alhoewel ze wel de Herman de Coninck publieksprijs won heeft haar derde bundel (voor volwassenen) niet zo heel veel aandacht getrokken bij mijn weten. Van Leeuwen is namelijk geen hemelbestormende dichteres, geen publiciteitsmachine, geen om zich heen schoppende dichteres op internetfora. Verwacht van haar ook geen bijdragen in debatten over poëtica. Van Leeuwen schrijft en dat is voldoende.
    Herkenbaar is de laconieke stijl van Van Leeuwen. In haar gedichten gebruikt ze nogal vaak een normale spreektaal. Bij haar kan een mens aan het woord zijn of een hond die uitlegt hoe dat moet met uitgelaten worden. Maar ook God komt aan het woord die ons eventjes uitlegt hoe het gaat met de eigen verantwoordelijkheid.

    Heenzending

    Goed, zei de schepper, wat ons betreft
    is het goed, maar aan jullie laat ik
    het met de elleboog voelen of
    het badwater niet te heet is,
    het behoedzaam proeven of
    het eten niet te scherp is,
    het drinken niet te zuur is,
    het weten waar wat breken kan
    zal staan
    het verschonen van wat stinkt en
    opnieuw stinkt,
    het aanpassen van de voetstap,
    het onverstaanbaar zingen
    in het donker,
    het herhalen van moeilijke woorden,
    het tellen tot oneindig
    en het hekje voor het trapgat.

    Bij sommige gedichten brengt Van Leeuwen een zekere speelsheid aan door met de vorm te morrelen: dan zie je een zin die van de pagina afloopt of een haast onleesbare woordkluwen. In andere gedichten gebruikt ze bewust ongrammaticale zinnen, ellipsen en stoplappen. Maar die speelsheid in vormen en die ironie in de zinnen verbloemen uiteindelijk niet dat ook deze dichteres bezig is met de grote thema’s als liefde en dood. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Tijd’ (dat moet toch een van de meest gebruikte dichttitels zijn), waarin ze, al is het maar in een gedicht, de hand wil heffen tegen het verglijden van de tijd.

    Tijd

    Dat je je voorneemt om zes
    uur wakker te worden, en
    om twee uur wakker wordt,
    om drie uur, ziet dat het nog
    lang niet zes uur is, opeens
    acht uur nee negen.

    Je nieuwe mensen nieuw ziet
    doen, niet weten en wel willen
    weten, als weten dat nog niet
    vergeten in weten zit dat zit,
    de dis verteert van is en
    zal toch zeker.

    Dat rimpels in het vel van wie
    je liefhebt mooier vouwen ook
    dan die van jou, hoezeer ze
    lachen naar elkaar. Een kind
    een duur horloge mag, voor
    het de tijd kan lezen.

    Zullen we een eind gaan wandelen?
    Waar naartoe?
    Nergens naartoe. En dan terug
    naar waar we begonnen.

    Zo neemt Van Leeuwen het in lichte woorden op tegen de vergankelijkheid. Natuurlijk net zo vergeefs als bij haar zwaarmoediger collega’s.

    Coen Peppelenbos

    JOKE VAN LEEUWEN: Wuif de mussen uit. Querido, Amsterdam, 48 blz. €15,95

  • En dat? Oneindig, Arjen Duinker & Karine Martel

    Het is hoog tijd om weer eens een dubbel exemplaar uit mijn boekenkast te verwijderen, en dit keer gaat het om de vrucht van een bijzonder interessant samenwerkingsproject tussen de Franse dichteres Karine Martel en de Nederlandse dichter Arjen Duinker: En dat? Oneindig.

    Om u toch enigszins over de bundel in te lichten, citeren wij de Noord Nederlandsche Boekhandel, die de bundel voor 18,95 euro aanbiedt:

    En dat? Oneindig is een zinderende pas de deux van twee dichters, de een Nederlands en de ander Frans, die elkaar ontmoeten en betoveren. De intensiteit van hun dans overschrijdt de huid en stroomt uit de poriën: zij volgt hem en hij haar, ze tillen elkaar op, ze vliegen, ze komen zacht neer, ze bewonderen, ze verlangen. Ogen zijn vingers en polsen zijn wimpers. Handen en voeten worden klinkers en medeklinkers. En dat? Oneindig is een unieke poëziebundel, die Arjen Duinker en Karine Martel alleen met elkaar konden schrijven (en waarbij Arjen Duinker de gedichten van Karine Martel in het Nederlands vertaalde). Het is een bundel van overgave – en van verbinding.”

    Nou nou! Dat u kans maakt om deze zinderdans op papier gratis toegestuurd te krijgen, is al fraai. Dat u daartoe slechts drie vragen hoeft te beantwoorden die nauwelijks de moeilijkheidsgraad van een gemiddeld belspelletje overstijgen, is pure mazzel!

    1. Welke gebeurtenis vieren Christenen met Pasen?
    2. Voor welke dichtbundel werd aan Arjen Duinker de VSB Poëzieprijs toegekend?
    3. En dat?

    En dat? Oneindig wordt gratis opgestuurd naar degene die als eerste een mailtje met de juiste antwoorden op bovenstaande vragen stuurt naar thomasmmann@yahoo.com (natuurlijk wel naam & postadres vermelden).

    Over Arjen Duinker gesproken, overigens, een uitgaanstip voor de ware poëzieliefhebber:
    op zaterdag 14 april a.s. vanaf 20.00 uur vindt in Delft, geboorte- en woonplaats van Duinker, een ‘Luisterrijke avond’ plaats, georganiseerd door Stichting Contour van de Nederlandse Poëzie. Voor slechts 5 euro kunt u aanwezig zijn bij een avond waarop zowel Arjen Duinker als Nachoem M. Wijnberg, zowel Anne Vegter als Alfred Schaffer, zowel Toon Tellegen als K. Schippers van zich zal laten horen. Bovendien kunt u Kees ’t Hart zien schitteren als dichtersinleider en schijnt de locatie, de Van der Mandele-zaal van Museum het Prinsenhof, zelfs zonder poëzievoordrachten al de moeite van een bezoekje waard. Kaarten verkrijgbaar bij Museum het Prinsenhof, telefoon: 015 2602358; website: www.prinsenhof-delft.nl.

    En dat? Oneindig verscheen in 2006 in Nederland bij Em. Querido’s Uitgeverij.
    Er wordt gewerkt aan vertaalde uitgaven in Frankrijk en Engeland.

  • Situaties, Eva Gerlach

    Het menselijke geheugen is een vergeetput. De herinnering bereikt nooit een een-op-eenverhouding met het beleefde, vertoont altijd gaten. Wat overblijft zijn veeleer situaties, (her)interpretaties van gebeurtenissen. Een soort tussentijden, momentopnames die de volheid en volledigheid van het geobserveerde nooit kunnen benaderen. Het geheugen heeft bovendien de neiging om negatief gekleurde ervaringen steevast langer of krachtiger vast te houden dan aangename. In Situaties lijkt Eva Gerlach verschillende van die tussentijden aan te reiken, momenten tussen vertrekken en blijven zitten, tussen waken en slapen, tussen vergeten en vasthouden. Zonder het uitzicht bovendien op middelen ter genezing, ter bestrijding van die afwachtende, kwellende positie. ‘Al die tijd om iets vol te maken en leeg te maken’, zoals een van Gerlachs personages het leven met verlies verwoordt.

    Situaties is een forse bundel. Maar liefst negen afdelingen, verspreid over 101 pagina’s. Eva Gerlach verliest echter nergens de thematiek uit het oog; integendeel, ze zet die door in de verschillende, soms erg vervreemdende luiken, en haakt de onderscheiden delen subtiel aaneen. Haar poëzie is weerbarstig, is tegelijkertijd vol en leeg, vast en los. Zowel de inhoud als de vorm zijn uitdagend: in elliptische zinnen, onderbroken en onderbrekende stemmen, overlopende gedichten, cursiveringen, vrije maar uitstekend gebalanceerde verzen slaagt ze erin de breekbaarheid, de onzekerheid, de strijd en de tussentijd te suggereren zonder in pathetiek te vervallen.

    Situaties wordt bevolkt door bijwijlen erg vreemde personages. In ‘Pad tussenbeide’, de eerste afdeling, redt een ik-figuur een zwaargewonde ‘Pad’: ‘Niks namaals, ik wil je / hier’. Pad krijgt in een cyclus van vijf gedichten een heel aparte identiteit (toegekend door de redder). Hij leeft ‘tussen voet en voet […] losser uit de heupen dan de verwachte // Pad, de per studie verkregen / voorspelbare, die zijn huid losmaakt en eet of de klaptong / plakt om het vliegje’. Deze Pad danst, schuift de weg op, verplettert de auto’s, ‘gunt Haar zijn blafje; / pakt Haar, spuit op Haar snoeren. (God, zijn / uitbarstingen!)’. Maar Pad is ook honkvast, ‘[k]omt van onder zijn pot / haastig tevoorschijn, trekt zich haastig terug’; je ziet ‘van dan tot dan weinig verschil’. Eigenlijk helemaal niet zo speciaal dus. Pad blijkt niet zelf verantwoordelijk te zijn voor zijn bijzondere aard: ‘zo maak je / Pad. Een kwestie van turven. / Zo ongeveer. Zo een beetje.’ Pad bevindt zich ergens tussen de dood en het opdissen: de redder kan niet makkelijk loslaten, wil zich ‘[n]iet / haasten naar de verlossing’, en maakt van een pad veel meer: Pad.

    ‘Situaties’, het derde luik van de gelijknamige bundel, wordt eveneens erg ongewoon ingezet. De eerste regels: ‘I. loopt over de markt met het afgesneden / hoofd van zijn vrouw in zijn hand. Weet hij veel. Bij de haren / heeft hij het vast, een tas.’ Dit dreigende tafereel gaat meteen vergezeld van een nuancering: ‘Niet vaak was het zo / stil zijn leven, midden in alles is hij’. Het hoofd moest eraf omdat ‘zij dit soort dingen zei’ ? ‘Ik ben / een bouwsel van geest. Uit mijn oksels / kruipen de letters.’ ?; het hoofd, de tas sleept hij mee, liefst liet hij het thuis, maar ‘het wil niet // alleen gelaten, dreint en trekt’. Maar hij ‘wil niet weten waarom hij zo is als hij is’, ‘stelt weinig vragen. // Niet naar de oorzaak de noodzaak, / niet waar een woord als ‘waarheid’ hem aan doet denken’. I. heeft ‘[a]anspraak genoeg, maar // hij wil degene terug die woensdags belde / met geen andere boodschap dan ik kom langs (en dan klopte), / hoe weinig zij ook had van het Geluk’. Het gemis wordt niet bezworen door de herinnering. De herinnering is niets anders dan een valdeur, ‘niet wat hij wilde, / geen wereld van symptomen. Geen hard feit.’ I. bevindt zich op een ‘weg die hem verteert’; er is geen troost, er is geen mogelijkheid om de gemiste terug te brengen.

    In de tweede cyclus, ‘Kwartier’, komt het verlies concreter opzetten. Iemand zit ‘met zichzelf’, zonder de ander, die hij bijna fysiek wil vastleggen, in zich wil krassen tegen het vergeten. ‘Hij wil haar / hebben, plan, beeld van haar bij zich en zijn lichaam // open tot op het bot getrokken in / kennis van haar, huid in zijn hoofd geslagen.’ Maar ‘hij weet dat zijn lichaam geen maat houdt, / wegglipt, op hem vooruitloopt, dingen verzwijgt ?’. Hier wordt het vergeten dubbel gezien: enerzijds is er het vergeten dat gaten brandt in de herinnering, anderzijds het vergeten dat onmogelijk is en ook de onmogelijkheid van herstel met zich meedraagt. ‘In zijn hoofd is het meer een begin van vervalsing’, ‘hij weet dat zijn lichaam een val is, dat hij geen recht / van uitgang heeft hier’. Alles is steeds anders, hij krijgt geen complete kijk op de dingen. ‘‘Hij die achter alles wilde komen’ […] is […] tussen hier en ginder een / draad kwijtgeraakt. Plan verschiet’. Het beeld van haar vervaagt. De taal, het woord fluit zijn lichaam los: ‘Een tijd lang loopt hij rond en weet niets van de dingen, // toch liggen zij helder als altijd precies op hun plaats.’

    Het tweede gedicht uit de cyclus ‘Hellebosch’ lijkt een mogelijk, maar ontastbaar strijdmiddel aan te reiken.

       (schoonheid is wat in zichzelf zo past
       dat het een ruimte snijdt die er niet was,
       die vult met juist zijn afgemetenheid)

    Schoonheid lijkt zo het tegengestelde van gemis: dat wat er nog niet is invullen tegenover dat wat er niet meer is nooit meer ingevuld zien. Die tipjes van (behulpzame) sluiers zijn zeldzaam in Situaties. Veeleer overheerst het permanente tussen, de hoop het onmogelijke te bewerkstelligen en het besef van het tegendeel: ‘Laat het niet bestaan hebben […] laat het er niet zijn geweest’.

       En de haakjes en ogen waarmee het
       gestrikt, ingesnoerd, voortgesleept, laat die
       openspringen voor de alfabetten
       aanschuiven eromheen. Dat niemand leest

    Dit zesde gedicht uit de afdeling ‘Hellebosch’ sluit af met: ‘daar werd licht’. Een positieve noot, die echter wordt ontkracht door de bovenstaande onmogelijke wens aan het begin.

    In ‘Schot’ (uit de afdeling ‘Laat het me zien’) verwoordt Eva Gerlach treffend haar situaties: ‘Het zijn de dingen tussenin, de on- / vaste, die je raken als een schot zaadpluis.’ Die zweven steeds tussen het gebeurde en het herinnerde, de interpretatie in. ‘Er is niemand / die het ziet zoals het is.’ (‘Kst’ uit dezelfde afdeling) Of zoals in ‘[wat je ziet heb je nodig]’ (uit de afdeling ‘Vlees en bloed’): ‘je denkt dit is nu en intussen word je / door het moment daar genaaid’.

    In ‘Grote fuga’ komt Situaties tot een absoluut hoogtepunt. De kerncyclus bevindt zich ? net als het muziekstuk ? integraal tussen een openings- en een slotgedicht, die zich op hun beurt fragmentarisch tonen in het grote gedichtenblok. Ook inhoudelijk zet die compositie zich door: Lijf en Ziel spreken door elkaar over hun vader die er nu niet meer is. De hele afdeling baadt in een sfeer van dreiging ? ‘raakt me nergens aan Slaat hij / is het met de lat’, ‘die deur / zat dan op slot’, ‘Ziel met geen pink heeft hij me aangeraakt / Lichaam! omdat een stok veel schoner slaat!’ ? en suggestiviteit. Lijf en Ziel malen door elkaar, haspelen gestokt door elkaar het verleden af, steeds dubbelzinnig, steevast in tegenspraak. Die overdaad aan stemmen staat in een schril contrast met, en is tegelijkertijd de oorzaak van de weinige woorden die de vader sprak: ‘Pa’s Eerste Uitspraak: / Schoonheid is een leegte in het hoofd’. ‘[E]en schoonheid die je moeilijk vindt’, ook in ‘Grote Fuga’. Het gemis en de marteling van de herinnering is van alle generaties en van alle tijden. Woorden lijken alleen maar belemmering te zijn, lijken dingen te zeggen ‘zonder ze te zeggen’ (in het zevende gedicht uit de cyclus ‘Situaties’). De stilte lijkt dingen in stand te kunnen houden: ‘Weg die / gezegd kan worden is de Ware niet’. Maar de stilte verandert niets aan het gemis; dat is algemeengeldig: ‘Je houdt / niks vast wat je verliest ken je het best’.

    Situaties is een fascinerend en uitdagend werk waarin beeld, woord, wereld, herinnering, gemis en leegte een gedwongen en onmogelijk samenspel aangaan. Eva Gerlach schrijft erg dicht op de huid, de lezer weet zich gegrepen, bijna even gekweld als de personages die tussen dichter en lezer staan. Nooit raakt ze echter verzeild in een gratuite pathetiek, de taal is de dichter te dierbaar. Ook de suggestie, de vrijheid. Deze tussentijd brandt gaten in uw zicht. Moge dat u bijblijven.

    Eva Gerlach, Situaties. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2006.
     Prijs: 17,95 euro

  • Moderne poëzie als baken tegen de moderniteit

    Vorig jaar verscheen van Thomas Vaessens een studie naar het poëtische klimaat van de meest recente periode, Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd. Hoewel het in dat boek niet om de poëzie, maar om haar voorwaarden en omstandigheden ging, leek Vaessens het onpoëtische van onze tijd ook in de opzet van zijn boek uit te drukken door er maar één gedicht in op te nemen. Nu Chrétien Breukers uit de poëzie van dezelfde periode een dikke bloemlezing heeft samengesteld, maakt dat dan ook een polemische indruk: zo onpoëtisch is deze tijd kennelijk niet. En wanneer we vervolgens bedenken dat Breukers moderator is van het weblog De Contrabas, de dorpspomp van het door Vaessens beschreven veld, dan lijken beide heren en hun boeken zich om zo te zeggen chiastisch tot elkaar te verhouden: waar de man van wetenschap op het onpoëtische karakter van het huidige veld wijst, daar trakteert een van de voornaamste exponenten van dat veld ons op een dikke verzameling van de meest actuele poëzie. Daarmee is het verhaal van de recente periode in onze poëzie nu althans formeel gezien compleet: we kunnen nu met beide boeken de werkelijkheid én de poëzie van vandaag te lijf.

    Breukers heeft, net als Komrij en de Spiegel der Nederlandse poëzie voor hem, voor zijn bloemlezing uit de hele Nederlandstalige poëzieproductie geput, dus in principe zonder acht te slaan op bepaalde vormen van poëziebeoefening. Om die reden heeft hij zichzelf een tijdgrens opgelegd, en deze vastgesteld tussen de jaartallen 1980-2005. Zelf legitimeert hij die periode doordat zij aansluit op het jaar 1979, waarin de eerste editie van Komrij’s bloemlezing verscheen. Dat is een niet erg steekhoudend argument, want Komrij heeft zijn bloemlezing bij elke nieuwe editie bijgewerkt, waardoor hij het hem gestelde natuurlijke grensjaar 1980 al ruimschoots heeft overschreden. Het betekent ook dat hij al in een deel van de taak die Breukers zich stelde, heeft voorzien. Omgekeerd heeft Breukers het zichzelf en de poëzie niet toegestaan om dat grensjaar ook maar met een halve seconde te overschrijden, en bovendien heeft hij zich beperkt tot het werk van dichters die in de genoemde periode debuteerden. Daardoor ontbreekt er niet alleen een hoop belangrijke poëzie, maar is ook het beeld van die periode incompleet. Zo beleefde de poëzie in 1981 juist de wederkomst van Lucebert, die, hoewel dezelfde gebleven, na twintig jaar zwijgen toch andere poëzie ging schrijven dan tijdens de periode waarvan men hem Keizer noemde. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor het werk van vooraanstaande dichters als Kouwenaar, Faverey, Ouwens, enz., van wie het werk uit die tijd, hoe men zich ook wendt of keert, ook in dat tijdvak is gesitueerd en er uitdrukking aan geeft. Anders dan Vaessens heeft Breukers door zijn keuze kennelijk geen beeld van een tijd willen geven, en daardoor is aan de bloemlezing de kans ontnomen zichzelf op dit punt te legitimeren: de grondslag van de tijd ontbreekt voor een belangrijk deel; het is of de gedichten in isolement van hun tijd en van elkaar zijn ontstaan. De conclusie moet dan luiden dat poëzie en de werkelijkheid voor Breukers twee gescheiden werelden zijn, en dat is in verband met juist deze poëzie in meer dan één opzicht opmerkelijk.

    Bij kritiek op het ontbreken van onderlinge samenhang wordt vaak, en ook door Breukers, gewezen op de rijkdom van het materiaal zelf, waarvan het veelsoortige karakter verloren zou gaan wanneer men daarin al te naarstig op zoek zou gaan naar lijnen, relaties en verbanden. Als hoofdkenmerk van de poëzie uit de door hem gebloemleesde periode noemt Breukers dan ook die veelzijdigheid, en hij wijst daarbij op de doodgeboren kindjes van de laatste avant-gardes die zijn periode inleidden: de Nieuwe Wilden en Maximaal. Het is alsof die veelzijdigheid zelf hem ontslaat van de taak haar te verklaren: er is eenvoudig geen beginnen aan. Bijgevolg is poëzie ‘een zaak van individuele dichters’ zoals hij in zijn voorwoord zegt, die vooral niet tot groepen, stromingen of bewegingen mogen worden gereduceerd. Dat is een postmodern, eclectisch standpunt, waarbij men zich voor de onderhavige poëzie gemakkelijk zou kunnen beroepen op het uitgebreide, nevengeschikte universum van Arjen Duinker, de knip- en plaktechniek van Dirk van Bastelaere, de wisselende registers van Kurt de Boodt, de recapitulerende poëzie van Ilja Leonard Pfeijffer of de wezenloosheid van Bart FM Droog – om een paar dichters te noemen met wie Breukers in zijn voorwoord de veelzijdigheid van de periode aanschouwelijk wil maken.

    Maar het is ook een bij uitstek anti-intellectualistische positie, die een onderzoek naar de voorwaarden van deze poëzie, haar verklaringsgronden, haar ‘ontologie’, kortweg het deel Vaessens, brutaalweg opoffert aan de retoriek van de eigen smaak, die zichzelf vanzelfsprekend niet hoeft te legitimeren. Zulk anti-intellectualisme bevordert daardoor een opvatting van poëzie als pure esthetiek, waarin de conflicten die haar in het leven riepen worden gesmoord. Poëzie niet als bestaanswijze, maar als vluchtheuvel.

    Breukers staat dan ook een poëzie voor die ‘klinkt als een klok en staat als een huis (…). Het ontregelen van de lezer, in sommige theorieën voorschrift, zie ik eerder als zinloze pesterij dan als toegevoegde waarde’, zegt hij. Of er theorieën bestaan die ontregeling voorschrijven weet ik niet, maar Breukers ontkomt er niet aan om Tonnus Oosterhoff, kampioen van de hedendaagse poëzie maar óók kampioen van de ontregeling en schrijver van de regel ‘Toe breek mijn huis af’, het volle pond van zes gedichten toe te kennen. Hier blijkt de betrekkelijkheid van het smaakoordeel van de bloemlezer, en wordt duidelijk dat Breukers’ expliciet beleden anti-intellectualisme in dienst staat van het eclecticisme dat hem zijn arbeid als bloemlezer pas mogelijk maakt. Ideologische en programmatische verschillen dienen daartoe eerst te worden geneutraliseerd; pas daarna kan dan (met behulp van het systeem van nul tot zes gedichten per dichter) een waardering op basis van het smaakoordeel worden gegeven. Alleen heeft dat dan geen betrekking meer op het object van die poëzie, de ideologische bestaansvoorwaarde ervan, maar alleen nog op de vormgeving ervan, de eerder genoemde esthetiek – die daarmee met een overmaat aan ideologie wordt geladen: ze houdt buiten de deur wat haar niet welgevallig is.

    Bij de verschijning van overzichtswerken als deze doet zich een merkwaardig fenomeen voor: men vraagt niet naar het eigen, specifieke karakter van de bloemlezing, maar gaat meteen na wat de overeenkomsten zijn met ándere overzichtswerken. Op basis daarvan wordt dan besloten tot het canonvormende vermogen ervan, – waarbij er dus van wordt uitgegaan dat de al bestaande werken wél een canon vertegenwoordigen, terwijl die dat natuurlijk alleen maar kunnen doen bij gebrek aan concurrentie. De vraag naar een canon wijst op een idealistisch streven naar een synthese, dat wil zeggen naar een eindpunt, terwijl bloemlezingen als deze primair een inleidende, verwijzende functie hebben: de lezer, wanneer hij geen beroepslezer is, wordt immers aan een dichterkeur voorgesteld. Maar terwijl het hele veld over elkaar heen buitelt en er de meest barokke formules worden opgesteld om tot een norm voor het enige ware, goede en schone te komen, blijft onduidelijk waarop die absolute norm berust. Cijferkunst als poëziekritiek.

    Breukers, die in de titel van zijn bloemlezing naar Komrij verwijst en zijn werk uitdrukkelijk op het zijne wil laten aansluiten, doet geen poging zich aan dit spel te onttrekken; zonder meer is het zijn ambitie poortwachter te zijn van een – de actualiteit van het materiaal in aanmerking genomen – instant-pantheon. Natuurlijk zou van een norm door het gebrek aan afstand in de tijd niet al te veel verwacht kunnen word
    en, en anders dan Komrij en de Spiegel moet Breukers’ overzicht het stellen zonder een geschiedenis, waarvan hij een of meer lijnen zou kunnen doortrekken. Bovendien wordt de toepassing van zo’n norm, als die er al zou zijn, bepaald door de omvang van de bloemlezing, en in dat opzicht is de bijnaam ‘Vette Breukers’ misleidend, want wat voor de man geldt, geldt niet voor zijn boek: hoe vetter immers de bloemlezing, hoe minder Breukers we krijgen. Ten slotte staat ook zijn ideologisch neutrale benadering – die niet neutraal is, maar daarover straks – een normerend criterium in de weg. Het gevolg van een en ander is dat de canon die hij ons wil presenteren alleen maar in sociologische termen gevat kan worden.

    Op een aantal punten onderscheidt zijn bloemlezing zich duidelijk van Komrij en de Spiegel. Zo is het aandeel Vlamingen en Friezen bij Breukers aanzienlijk hoger dan bij de andere twee, waarbij nog opgemerkt kan worden dat Breukers als redacteur van de Contrabasreeks Friese dichters ook ruim de kans geeft. Maar het meest positief onderscheidende kenmerk van deze bloemlezing, waar hij zelf niet op wijst, is dat ze behalve uit bundels en tijdschriften ook uit een nieuwe bron put: die van het internet. Dat pleit zeer voor Breukers als ambassadeur van die poëzie (en natuurlijk voor de Nijmeegse uitgeverij BnM, die ook de Contrabasreeks onder haar hoede genomen heeft). Deze dichters, waarvan nog geen bundel is verschenen en die mogelijk ook in tijdschriften nog niet zijn gepubliceerd, zijn met deze bloemlezing praktisch en formeel gesproken in één klap gecanoniseerd. Breukers draagt daarmee bij aan de verdere ontwikkeling van wat door Vaessens als een van de fundamentele veranderingen van het literaire veld is aangemerkt: de herschikking van de literaire boven- en onderwereld – met het internet als spreekwoordelijke krocht van de laatste. Wat we hier kortom zien is dat iemand die zichzelf op het internet een podium heeft verschaft – het Contrabasweblog – nu dankzij het daar verworven symbolisch kapitaal (Bourdieu) de poëzie die op dat medium verschijnt zelf heeft weten te consacreren (opnieuw Bourdieu).

    In dit opzicht is de bloemlezing een exponent van zijn tijd, en lijkt de gekozen periode zich althans hierin te kunnen legitimeren. Maar zoals gezegd, Breukers is daar niet op uit, en voor het subversieve karakter van deze gang van zaken lijkt hij zich niet te interesseren. Zijn ideologisch neutrale houding – ‘er zijn alleen individuele dichters’ – verhindert hem in te zien dat dichters weliswaar niet meer op basis van ideologische tegenstellingen tegenover elkaar staan, maar wel op basis van sociaal ongelijkwaardige posities. Er zijn dus nog wel degelijk stromingen en bewegingen, en het geval wil dat Breukers aan dit sociologische machtsspel van in- en uitsluiting met zijn bloemlezing een flinke bijdrage levert.

    Zo komt een andere door Vaessens gesignaleerde ontwikkeling, die van de podium- of slampoëzie – en daarmee de devaluatie van poëzie op papier – in de bloemlezing nauwelijks aan bod. Reden: Breukers houdt er niet van. ‘Ik vat poëzie op als een kunstvorm die het best gedijt op papier. Gemakkelijke, snel in elkaar geflanste woordreeksen, vaak voorzien van enige grove effecten, heb ik buiten beschouwing gelaten’. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar het komt mij voor dat zijn uitsluiting van een centrale figuur als de slampoëet Serge van Duijnhoven, die in Vaessens’ boek een hoofdrol speelt, niet op dezelfde manier kan worden begrepen als Komrij’s negatieve herwaardering van een aantal Vijftigers destijds. Ten eerste sloot Komrij de Vijftigers niet volledig uit; Lucebert bedeelde hij zelfs met het maximum aantal. Maar hij meende dat de balans van de waardering van hun poëzie te ver was doorgeschoten in vergelijking met de in zijn ogen werkelijke betekenis van de Vijftigers. Daarmee pleegde hij een correctie op de canon, maar zonder met zijn smaakoordeel het zicht op de wording van het literaire veld (laatste maal Bourdieu) te belemmeren. In zijn voorwoord schreef Komrij dan ook: ‘Ik heb steeds geprobeerd gedichten op te nemen die, naast hun kwaliteit, typerend waren voor een bepaalde economische of technische ontwikkeling, voor de omstandigheden in een bepaald tijdperk, “tijdsbeelden” dus. Poëzie staat niet boven de tijd, zij geeft daar uitdrukking aan’.

    Dit is het fundamentele manco van Breukers’ bloemlezing. Hij heeft met zijn bloemlezing, hoezeer ook afgepaald tussen stringente tijdsgrenzen, geen tijdsbeeld willen presenteren. Hij heeft dan ook niet hetzelfde op het oog gehad als Ruben van Gogh destijds met zijn bloemlezing Sprong naar de sterren (1999), waarin deze een nieuwe generatie dichters in zijn inleiding wél van een gemeenschappelijk poëticaal kenmerk voorzag (‘gebeurende poëzie’). Ook hierin wreekt zich Breukers’ schijnbaar neutrale positie: door het debuut-criterium gaat het in zijn bloemlezing eveneens om een generatie, maar waar die generatie zich mee bezig heeft gehouden, mag verder geen rol spelen. Dat zou hem immers tot een keuze hebben gedwongen, waardoor hij zijn aanspraken op die vermaledijde canon op had moeten geven. Het averechtse gevolg van dit anti-intellectualisme is dat hij zich alleen nog op zijn smaak kan verlaten – maar daarmee maakt men geen canon. Er is op het moment bepaald geen sprake van een overwaardering van slampoëzie, eerder integendeel. Een correctie daarop was dan ook niet nodig geweest. Zij hadden, wanneer ook Breukers een tijdsbeeld had willen presenteren, en niet alleen maar een beeld van zichzelf, volop in zijn bloemlezing vertegenwoordigd moeten zijn. Dan had men kunnen zeggen: dit is de nieuwe poëzie; weg met de oude (tot nader order)!

    Een en ander betekent dat Vaessens in Breukers geen handlanger vindt. Hij lijkt er met deze bloemlezing op uit te zijn geweest om de overwegend postmoderne poëzie van de afgelopen periode los te koppelen van de wereldse inbedding die ze volgens Dirk van Bastelaere zoekt. In zijn voorwoord gewaagt hij van ‘de snelheid van de ontwikkelingen op allerlei gebied’ en van de behoefte ‘uitgebreid stil te staan bij wat er is geschreven’. Immers: ‘poëzie is een genre waar je geduld voor moet hebben’. Ziedaar het uiteindelijke motief van zijn anti-intellectualisme en van de hele onderneming: het is één poging om de stroom te keren. Zijn bloemlezing is wat betreft opzet, selectiecriteria en pretentie een monument van conservatisme, van verzet tegen de tijd. Dat is een onverwachte constatering voor iemand die als redacteur van de Contrabasreeks en van het gelijknamige weblog vooraan staat bij de huidige ontwikkelingen. Aan de andere kant moet het ook niet worden overdreven: de gedichten zelf zijn er ook nog, 666 en nog wat in totaal. Het is Breukers’ verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept níet heeft willen opbrengen voor deze poëzie, die van het internet in het bijzonder, om ons te trakteren op het grootste en meest complete overzicht van de poëzie in deze onzekere tijden, – al is het duidelijk dat deze poëzie voor hemzelf een baken is tegen de moderniteit die ze uitdrukt.

     

     

  • Lente in Sydney, Ronald Ohlsen

    Twee stadsdichters

    Het stadsdichterschap is een bezigheid met een einddatum (althans in de meeste steden). Meestal zijn de stadsdichters twee jaar in functie, waarna een nieuwe dichter wordt benoemd. In januari namen de stadsdichter van Groningen en Leeuwarden afscheid van hun ambt. Ze lieten de steden gedichten na en presenteerden beiden een nieuwe bundel.
    Ronald Ohlsen bracht zelfs zijn debuutbundel uit: Lente in Sydney. Een mooi vormgegeven bundel waarin de titels rood gedrukt staan en de afdelingen worden voorafgegaan door afbeeldingen. De voorkant is uiterst sober: egaal zwart met alleen de naam van de dichter in donkergrijs en de titel in lichtgrijs.
    Ohlsen heeft als stadsdichter vooral sonnetten geschreven. Strak van vorm, ritmisch en rijmend zoals het hoort.

    Sonnet bij een theaterfestival

    Er is hier bier en er zijn mooie vrouwen
    en iedereen hier houdt van zang en dans
    en dichters die van mooie vrouwen houden.
    Dus als je eenzaam bent is dit je kans.

    Je mag hier vrijelijk kastelen bouwen,
    uitzinnig kwelen van een torentrans,
    voor haar hem straffeloos het hoofd afhouwen,
    die onverlaat die met jouw jonkvrouw sjanst.

    We gaan terug naar goede oude tijden,
    toen men nog vrolijk op z’n paard rond reed
    of lopen moest als men niet paard kon rijden,

    toen Don Quichot nog tegen molens streed,
    de jonge Werther dood ging van het lijden,
    Cleopatra voor mij een dansje deed.

    De keuze van Ohlsen voor zo’n vaste vorm vond ik wel moedig in een tijd waarin vooral het vrije vers het meest wordt gewaardeerd. Daarbij zijn de sonnetten zeer toegankelijk. De voorliefde van Ohlsen voor licht archaïsch taalgebruik maakt hem helemaal onmodieus. Maar dan verrast hij de lezer toch. Lente in Sydney bevat ook andere gedichten (de bundel bevat een keuze uit de gedichten die hij schreef tussen 1997 en 2007), die wel vrijer van vorm zijn, proza-achtige gedichten zelfs. De meest aansprekende vind ik terug in de cyclus ‘terror mundi’ waarin een apocalyptische kijk op de wereld wordt gegeven.

    En voor ons zie we
    de als altijd, sluimerend
    op zijn rug liggende,
    rokende vulkaan. Hij
    vrat zich vol aan wat
    geofferd werd.

    Hij groeit nog steeds.

    En alsof dat niet genoeg is
    zet hij dagelijks zijn veren op.

    Godgloeiende donderstenen,

         vlucht voor zijn
         tondeldoos en berg
         je vonken op
         voor het donker,
         want hij komt
         je halen. Nu

    Eerlijk gezegd bevallen me deze gedichten beter. Het lijkt of Ohlsen hier speelser durft te zijn met de taal, hardvochtiger met de inhoud. Zijn debuut laat in ieder geval zien dat hij zijn weg weet in alle vormen.

    Met de bundel 05 / 06 (ik heb er lang over gedaan om achter de betekenis van die titel te komen, maar het zijn gewoon de jaren waarin hij stadsdichter was) nam Arjan Hut afscheid van zijn stadsdichterschap. Ook deze bundel is bijzonder fraai vormgegeven en bevat bovendien een DVD en een CD. Het is een tweetalige bundel waarin Hut zijn stadsgedichten heeft verzameld aangevuld met een afdeling ‘Klokslag van Leeuwarden’ waarin gedichten die niet direct met de hoofdstad van Friesland. In vergelijking met Ohlsen is Hut veel lyrischer. Hij maakt meer gebruik van klankassociaties en van metaforen. Zijn verzen zijn altijd vrij, zelfs komma’s en punten ontbreken.
    ‘De sterrenwachter’ is een cyclus gedichten die de bundel besluit. Het is een verontrustende cylcus die begint met de regels ‘ik verkracht mezelf met een verrekijker die ik / aan de verwarming bond en tik // mijn tong een tikje / off-beat’.

    Dat zijn regels die je niet meteen snapt; die vragen om herlezing. Het tweede gedicht uit de cyclus helemaal:

    2

    een tong een vete een huwelijk

    daar ligt het kind dat kwijtraakte
    bij het verstoppertje spelen

    daar zijn de uitgescheurde bladen
    van moeder de mascara
    op oorlogspad en vader
    met een kop als een dichtgeslagen deur

    en de kosmische winters als het ijs ons inpakt:
    wie ligt boven
    wie ligt onder

    in de achtertuin zie ik
    de zomerwind je zomerjurk
    altijd licht en licht oranje
    jij met je sterren en de ochtend
    schroomvallig in je spoor

    Wordt hier een huwelijkscrisis weergegeven? Die ‘mascara op oorlogspad’ voorspelt niet veel goeds. Het is een prachtig beeld en Arjan Hut toont met zijn ‘afscheidsbundel’ aan dat Leeuwarden een uitstekende eerste stadsdichter heeft gehad. Als de functie van stadsdichter in elke stad tot zulke mooie bundels leidt, dan mogen we dankbaar zijn voor dit mooie, nieuwe fenomeen.

    Coen Peppelenbos

    Arjan Hut: 05 / 06. Bornmeer, Leeuwarden, 68 blz. met DVD en CD: €15,-.
    Ronald Ohlsen: Lente in Sydney. Passage, Groningen, 84 blz. €24,90.

  • Berichten, bezweringen, Geert Van Istendael

    Geert van Istendael (1947) bracht eind 2006 de dichtbundel Berichten, bezweringen uit. De vraag ‘Le monde est tien, comment peut-il n’être pas beau?’ uit Les sept solitudes van Oscar Venceslas de Lubicz Milosz, werd als motto opgenomen. Wat dubbelzinnig, want hoewel die uitspraak bemoedigend klinkt, is hij naar vorm vooralsnog een vraag. Bovendien een die de aanwezigheid van het tegendeel en het besef daarvan bij de aangesprokene impliceert. De uitroep wil dan het bewustzijn doen doordringen dat er niets verloren is, integendeel, de aangesprokene zou zich beter strijdbaar opstellen. Het is immers ‘zijn’ wereld. Die verwevenheid van ‘het schone’ en ‘het lelijke’ (weliswaar een te eenvoudige voorstelling door de bipolariteit ervan), en de daaraan verbonden aanzet tot strijdbaarheid ? ‘Uit alle ramen kijkt een groot geduld, / in alle straten hinkelen de meisjes, / laten wij redden wat te redden valt.’ ? legt Van Istendael in Berichten, bezweringen.

    De proloog, die bestaat uit het gedicht ‘Definities’, borduurt voort op deze gedachte. Dertien keer geeft de dichter daarin zijn begripsbepaling van gedichten. Het definiëren verloopt niet rechtstreeks, maar steevast langs een zeker poëtisch beeld; de definitie is geen bepaling of omschrijving maar eerder een benadering, een ‘zoals’: ‘Gedichten zijn radioberichten opgevangen / door open ramen. // Gedichten zijn dyslectische barsten die / spijkerschrift verhelderen. // Gedichten zijn vonnissen geschreven / op de achterkant van liefdesbrieven.’ Van Istendael geeft voorbeelden zonder het lemma zelf exact te duiden ? wellicht de enige mogelijke aanpak. Wat opvalt in ‘Definities’ is dat de daarin vermelde gedichten geboren worden uit een soort toevalligheid, een (on)gewone samenloop van omstandigheden, niet zelden vanuit het samengaan van ‘het schone’ en ‘het lelijke’. De dichter is dan degene die zich bewust wordt en is van de aanwezigheid van dat ‘schone’ tussen ‘het lelijke’, of die voldoende opmerkzaam is om ‘het schone’ te zien ? en zijn tegendeel eveneens.

    De epiloog ? het gedicht ‘Examenvragen aardrijkskunde’ ? die Van Istendaels bundel afsluit, gaat dan weer uit van de dichter en zijn land, de taal. De gedachte die met betrekking tot gedichten wordt geopperd in de proloog vindt hier een tegenhanger: ‘Eist zijn vaderland een paspoort met stempels? / Krijgen de woorden vanzelf niet het recht / van alle geborenen, tot hen en met hen / die stemloos vergaan in de Holen van Onbruik? // […] // Of is de dichter een boer, zuinig met woorden, / die op zijn roggeakker, seizoen na seizoen, / staat te wroeten, tot hij de spade neergooit / en zijn gewas ziet verdwijnen // onder papavers?’ Van Istendael introduceert het onderscheid tussen gewassen en onkruid, maar lijkt zelf niet te willen kiezen. De boer is zuinig met woorden bij het in toom houden van zijn akker; die spaarzaamheid verdwijnt wanneer hij de dingen loslaat. De confrontatie die dan volgt is er een die realistischer is, die doet denken aan het samengaan van ‘het schone’ en ‘het lelijke’ uit de proloog. De poëzie is geen quarantaine, is geen geïsoleerd paradijs waar ‘bleke tuiniers met dun gif / de woorden die woekeren buiten hun boeken’ verdelgen. De poëzie is strijdbaarder, net als de dichter.

    Tussen de proloog en de epiloog verdeelt Van Istendael zijn gedichten in drie luiken: ‘Gebruiksvoorwerpen’, ‘Fatma of de monumentenzorg’ en ‘Gevonden voorwerpen’. In de afdeling ‘Gebruiksvoorwerpen’ beperkt Van Istendael zich veeleer tot vingeroefeningen. Hij treedt eerder beschrijvend op, kent de dingen spitsvondig bepaalde eigenschappen toe, en weet ze wel tot leven te wekken, maar het overleven is ze niet gegund. Alleen ‘Aarden kom (ca. 5000 v. C.)’ is in staat echt de aandacht op te eisen. Door het ruwweg zevenduizend jaar oude, alledaagse voorwerp en zijn al even oude maker en gebruiker bijna achteloos te verbinden met onze tijd, ontmaskert de dichter een stukje universaliteit en eeuwigheid: ‘We weten welke vrezen hij bedwong, / al zevenduizend jaren zijn ze jong.’ De overige gedichten overstijgen het poëtisch woordspelige niet echt, en herbergen weinig dat de bundel in zijn geheel kan opwaarderen.

    Dat soort berichten verkrijgt in ‘Gevonden voorwerpen’ al wat meer inhoud. Terwijl het verzamelen van gedichten die voor zoveel verschillende gelegenheden werden geschreven bijna steeds afbreuk doet aan het geheel dat een bundel droomt te zijn, gaat Geert van Istendael hier net iets verder. De voorspelbaarheid wordt vervangen door een zekere dynamiek. De dichter speelt met het tijdsverloop en de stemmen van zijn pen, doet de nodige stappen die hem in staat stellen te observeren en op te merken. De dynamiek die daardoor in de gedichten sluipt is wat een bekommerde en gepassioneerde Van Istendael zo kenmerkt. Hier is hij weer de scherp schrijvende dichter, de poëtische essayist, en haakt hij zijn gedichten aan elkaar. Hij haalt het creationisme binnen in zijn gedichten, architectuur, de stad, de toekomst… Het web dat in de voorafgaande afdeling, ‘Fatma of de monumentenzorg’, wordt gesponnen, krijgt hier uitlopers, kleverige vertakkingen van wat in het web dreunend aanwezig is.

    Dat web, het luik ‘Fatma of de monumentenzorg’, is veruit het sterkste uit de bundel. Daarin laat Van Istendael Fatma, een zeventienjarig Marokkaans meisje, samen met de vijftiende-eeuwse architect (van onder meer de toren van het gotische stadhuis in Brussel) Jan van Ruysbroeck door Brussel en de eeuwen zweven. De berichten worden bezweringen. In tweeëntwintig bladzijden schetst de dichter de geschiedenis van de stad en haar oude stenen, ‘dit wangedrocht, mijn stad, verkocht, gebroken en vertrapt’. ‘Het brede daveren dat vooruitgang heet’, ‘de stem van het gewin’, heeft onverbiddelijk, geheel gespeend van enig esthetisch besef, respect of medelijden de stad getransformeerd tot vernielde lanen, ‘lege loodsen, zwerfvuil’…

      ‘ […]
      Dit is niet Warschau, Dresden, Rotterdam,
      door zwermen vreemde horzels opgevreten
      in loden oorlogstijd. In vredestijd
      slokt deze stad zichzelf op, kotst zich uit,
      het braaksel van de braak verzuurt de straten,
      de etter van het geld barst uit kantoorgebouwen,
      de wonden van de stad genezen nooit,
      ze zwemt in geld en toch is ze berooid.’

    Wanneer Jan van Ruysbroeck tijdens zijn tijdruimtelijk grensverleggende tocht met Fatma door Brussel de ingenieur Claude Fisco, die in de achttiende eeuw het Martelarenplein liet aanleggen, ontmoet, ontsteken beiden in woede.

      Ze grijpen Fatma vast aan beide armen,
      ze schudden haar hardhandig door elkaar,
      haar jonge beenderen rammelen als knekels,
      haar hersenkronkels winden af en op,
      ze voelt zich volgebouwd, bestraat, gesloopt.

      De twee laten haar los. Ze valt. Staat op
      en kijkt. Ze ziet de stad met nieuwe ogen,
      dit is háár stad, een andere heeft ze niet.
      Haar hart doet zeer. Arm Brussel. Fatma huilt.

    Van Istendael heeft met ‘Fatma of de monumentenzorg’ een meeslepende ode aan Brussel geschreven. Een hekeldicht, dat ook, vol gal en woede, vol lelijkheid en droefenis, maar met een groot hart voor de stad. Hij besluit de cyclus van woede en razernij dan ook met een uiting van hoop: ‘Ís Brussel nog wel stad? Het zal de stad / van Fatma zijn en zoveel andere meisjes. / […] / De nieuwe tijd / zal broos zijn, mozartiaans als dagdromen van meisjes, / of niet zijn. Ga en zorg. Elk monument een meisje.’ Aan die meisjes, ‘alle meisjes van mijn stad’, draagt Van Istendael zijn bundel op.

    Laten wij redden wat te redden valt!
    ‘Geniet. Vandaag. De toekomst heeft al vlam gevat.’

    Geert van Istendael, Berichten, bezweringen. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006.
     

  • Herbergzaam, Francie van den Hurk

    Bestekgekletter en de veiligthuisgeluiden

    Het overkomt je tegenwoordig niet vaak meer dat je een poëziebundel van kaft tot kaft begrijpt. Toch is dat met Herbergzaam van Francie van den Hurk het geval. In eerste instantie is dat erg prettig, maar terwijl je aan het lezen bent, word je ook wat kregelig. De thema’s zijn natuurlijk goed: dood, ziekte, overspel, liefde, de aftakeling. Daar is niets mis mee.
    Maar toch: ik mis de weerhaakjes in taal en betekenis die de poëzie op een hoger plan kunnen trekken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Gebed’.

    Gebed

    Ik wil gezellig sterven zei ze
    zonder drama glaasje in de hand
    pinda’s pellen op een krant
    een lied van vroeger zin voor zin
    nog kunnen zingen en dan krak.

    In beweging woensdagochtend
    met de kracht van vijfentachtig
    gymmen op een Weense wals
    knieën krakend in de maat, een
    twee drie en een twee en uit.

    Gerieflijk in de leunstoel
    de laatste crypto opgelost
    advocaatje nippen rode konen
    en een aangeschoten giechel
    met vriendinnen en dan stop.

    Een gezellig gedicht dat het ongetwijfeld goed zal doen in bejaardenhuizen, maar het is met te gezellig. Bovendien doet het me denken aan het gedicht ‘Beroepskeuze’ van Judith Herzberg ( En toen ze vroegen wat ze later wilde worden / zei ze ‘Graag invalide etc.). Bij Herzberg vind je ook die opgewekte, ironische toon, maar bij haar zindert er een betekenis mee, namelijk de angst verlaten te worden. Bij Van den Hurk zindert niks mee.
    Ook bij een ander gedicht moest ik denken aan een beroemd gedicht van Herzberg, namelijk Juli (Ik ben mijn jongen kwijt / goud gaf ik voor geritsel / mijn nest zit me te wijd.) In drie zinnen geeft Herberg aan hoe een moeder zich kan voelen nadat haar kinderen de deur uit zijn gegaan. Francie van den Hurk neemt in ‘Bandenlichters’ hetzelfde thema als uitgangspunt, maar zij heeft er twintig regels voor nodig, waarin de volle schuur met fietsen, het ‘bestekgekletter’ en de ‘veiligthuisgeluiden’ aan de orde komen. Aardig verwoord, soms met speelse woordgrappen, maar de spanning in het gedicht ontbreekt.

    Misschien moeten we er niet zo moeilijk over doen, dat doe de dichteres zelf immers ook niet. Ook deze poëzie heeft zijn bestaansrecht. Maar in het vervolg moeten al te opzichtige verwijzingen er wel uit, zoals in het gedicht ‘In de geest’ waarin de ik verlangt begraven te worden in Paasloo: ‘leg me in een Bloembed’.
    Dat is toch een beetje al te opzichtig schmieren.

    Coen Peppelenbos

    FRANCIE VAN DEN HURK: Herbergzaam. De Harmonie, Amsterdam, 48 blz. € 13,50

  • Het verlangen naar hevigheid

    Wie Pieter Boskma zegt, zegt Maximalen en wie Maximalen zegt, zegt Joost Zwagerman. Het is dan ook niet toevallig dat Zwagerman een bundel met gedichten van Boskma samenstelt en in een aanvullend essay als enthousiast pleitbezorger van diens poëzie optreedt. Boskma, dichter van lyriek uit het hart, van de vitale poëzie, wordt geïntroduceerd door Zwagerman als een dichter die de lezer de poëzie wil laten beleven. De keuze van Zwagerman is gedaan uit het arsenaal aan bundels dat Boskma inmiddels uitgegeven heeft; van de bundel Quest uit 1987 tot en met Puur uit 2006. De titel Altijd weer dit leven is afkomstig uit de bundel Simpel heelal waarin het voorkomt als titel van een uitgebreide cyclus van drie gedichten. Het motto bij deze cyclus is van Dylan Thomas:

    ‘Oh as I was young and easy in the mercy of his means,
    Time held me green and dying
    Though I sang in my chains like the sea.’

    In de titel klinkt de verzuchting door die we ook lezen in het gedicht ‘Fern Hill’ van Thomas, een gedicht over pril geluk, over het verlies van de kinderlijke onschuld en de bewustwording van de eigen sterfelijkheid. In de gebruikte strofe, de laatste in het gedicht, wordt deze onschuld gerelativeerd. Het zingen in ketens, als de zee: altijd weer dit leven. Het geeft tegelijkertijd iets weer over het verlangen naar hevigheid, het ‘ontketenen’ om het maar zo te zeggen. Hier dichtte Boskma al over in het vroege bundeltje Virus, virus, dat hij samenstelde met bevriend dichter Paul van der Steen:

    ‘Soms na een werkdag voor het huis
    verbeten naast elkaar gezeten
    wordt een schedel wel gespleten
    en verkoold in het fornuis:
    één verdomt het eeuwig amen.
    Maar het wordt steeds weer dag en blijft bij beramen.’

    En hier komt de laatste regel weer terug als de relativering zoals we die ook bij Thomas lazen. ‘Maar het wordt steeds weer dag…’ ofwel: altijd weer dit leven.

    Deze tegenstelling is typerend voor Boskma werk. De contrasten zijn groot, hij schrijft opzwepende, muzikale verzen in alledaagse taal over mythische zaken in een ordinaire wereld. Antropologische expedities brengen hem en zijn poëzie naar alle uithoeken van de wereld, maar de tegenstelling blijft, zoals tussen thee in Japan en Holland, tussen cafés in Granada en Lapland. Boskma’s poëzie is onvoorspelbaar, soms platvloers, origineel, verheven of alledaags maar… altijd onvoorspelbaar. Sommige gedichten lezen als een dagboek door het vele ik-gebruik, andere als een poëtica. Maatschappelijk geëngageerd willen ze niet zijn, maar herkenbaar en treffend wel. Desalniettemin overtuigt de poëzie niet altijd, bijvoorbeeld wanneer Boskma aanleunt tegen Herman Gorters poëzie, waar hij op z’n zachts gezegd door beïnvloed is.

    Je bent zo stil en zacht dat ik
    zo stil dat ik zo zacht en dat
    je bent zoals ik soms opeens
    en dan van kleuren heel de nacht
    en dat er stil een zachter ik
    dan jij opeens gesloten lacht

    Het bekende ‘Ik vin je zoo lief en zoo licht’ druipt van de woorden. Of het mooi is, jazeker, maar té herkenbaar, wellicht te gemakkelijk. Boskma speelt niet alleen met de stijl van Gorter, hij kopieert hem bijkans. In het aanvullende essay ziet Zwagerman dat anders, van hem mag het allemaal. Een heel duidelijk argument geeft hij er niet voor. Zwagerman: “de sensitieve verzen van Gorter worden in ere gehouden maar tegelijkertijd onherroepelijk vermengd met het overbewustzijn dat de dichter van de eenentwintigste eeuw aankleeft.” En jawel, hij geeft toe dat Gorter soms opzettelijk wordt verbasterd, maar zet dat aan de kant als een ‘plagerij’. Dat Boskma een goed imitator is, zo leert Zwagerman ons, bleek wel toen er plotseling twee gedichten van Achterberg in het blad Awater opdoken. Uiteindelijk werd duidelijk dat redactielid Boskma ze geschreven had; ze waren echter zo misleidend dat er door verschillende critici hevig enthousiast op werd gereageerd. Later mokte onder andere Marjoleine de Vos in de NRC over deze lichtzinnige grap; ze vond dat de redactie van Awater de poëzie tot kermisattractie maakte.

    Uitsluitend Maximaal is Boskma niet. Hij is authentiek en eigenzinnig. Hij neemt risico’s in zijn zoektocht naar hevigheid. Maar ook grijpt hij terug op voorgangers, op Nijhoff, Achterberg, Marsman en soms op Lucebert. De poëzie is expliciet, knarsend hard of teder zacht. Naast Maximaal is hij misschien vooral een romanticus. Maar ook dat gaat weer niet volledig op, want het mytische ‘Meisje’ stapt heel aards in de tram, engelen masturberen of hij hoort het geluid van de buurman:

    ‘De tijgers achter het behang
    trekken hun nagels al in.
    Gebrul? Welnee. Buurman. Wc.’

    Hij maakt wilde bewegingen, laat zich niet in keurslijf vangen maar schrijft gedichten, bundels die bestaan uit contrasten alsof zij steeds uit hun voegen wil breken. We lazen daarnet de woorden van Boskma in de stijl van Gorter. Het gedicht slaat na de zojuist geciteerde strofe om, even onvoorspelbaar als al zijn gedichten:

    ‘Je bent zo kil en hard dat ik
    zo kil en ook zo hard en dat
    je bent zoals ik ook opeens
    niet langer meer wil zijn.’

    Onvoorspelbaar dus, worstelend tussen schijn en werkelijkheid. Een bijzondere bundel, over het verlangen naar hevigheid. Omdat er zoveel is, maar altijd weer dit leven. Of: “Though I sang in my chains like the sea.”

     

  • Panacee, Abdelkader Benali

    Abdelkader Benali brengt in Panacee een verzameling gedichten die af en toe zeer overtuigend zijn, maar vaak te lijden hebben onder een te los schrijven, een te kleine drang naar geheel gescherpt materiaal. De lezer krijgt aardige stukjes voorgeschoteld, maar blijft even vaak wat onvoldaan achter. Leuk om lezen, af en toe wat weerbarstig, maar vooral om vlot te doorbladeren, en af en toe te worden verrast door een ongewoon perspectief of een onverwachte wending. Niet dat Benali in Panacee slecht schrijft, maar de noodzaak ontbreekt, het gevoel dat de dichter zich zonder deze gedichten ? in deze vorm en op dit moment ? echt ‘armer’ zou hebben geweten.

    In de afdeling ‘Gedichten voor de zomer’ countert Benali die kritiek enigszins zelf: ‘Toegegeven: in dit gedicht staan alle / poppetjes op hun plaats, rijmschema klopt / dubbel- en binnenrijm, niks mis mee. […] Het is goed zo, maar waarom verveel ik // me er dan toch helemaal, hartstikke / dood mee?’; ‘Zeugma, contaminatie, sonnet, dubbelrijm / leer je op school, sinaasappelen zijn het! / Alle passievolle zin en onzin er uitgeperst.’ (uit ‘Ideaal gedicht’ en ‘Poëzie op school’) De cyclus is zonder meer poëticaal te noemen. Opvallend is dat er naast gedichten die zich strijdbaar opstellen tegen ‘verzen gesmeed in de hoog- / ovens van de denkfabrieken’ één enkel gedicht in deze afdeling staat dat niet expliciet over kunst (schilderkunst en literatuur) gaat, maar wel de heldere titel ‘Mijn haat’ draagt. Abdelkader Benali wil de dichter van ‘de eenzame fietser die als eersteling aan doping / ten onder ging’ zijn; zíjn sonnet heeft als belangrijkste eigenschap ‘dat het je laat schrikken, je op het verkeerde been // zet. […] Ook is het niet / fijnzinnig, eerder vinnig, maar nooit ? ik herhaal ? nooit! // te net’.

    In de afdeling ‘Oden aan Kanti’ slaagt Abdelkader Benali er wel in de aandacht op te eisen. Hij verhaalt erg knap over een mysterieuze overleden vrouw die zich zelfs na de dood blijft manifesteren. Kanti is een menselijke panacee ? ‘Zonder Kanti is het leven grijs geworden. Zij / kraste parttime liefdesboodschappen in de bomen / voor diegenen die niet wisten wat liefde was. Zij / hielp de verlegen zielen aan wat woorden. // Kanti deelde veel, zo niet alles met ons.’ ? maar misschien even denkbeeldig als het geneeskundige wondermiddel. De kracht van de cyclus ligt zonder enige twijfel in de vertelduivel die Benali is. Mondjesmaat geeft hij zowel Kanti als de verteller vorm. Kanti krijgt naast de grootsheid die haar tijdens het leven en vooral na haar dood te beurt valt door de verteller een zeer concrete gestalte. Beiden blijken echter niet zo eenduidig te zijn in hun handelingen en gedachten. Zo ondermijnt de verteller zijn eigen verhaal en daarmee ook de identiteit van Kanti. De waarheid over Kanti wordt voortdurend belaagd door een haast terloops tegenspreken, een tersluiks ontkrachten van de lofbetuigingen van anderen of van de verteller zelf. Die ingrepen versterken het mysterie, zeker wanneer het bijna heilige statuut dat aan haar wordt toegekend, wordt aangevuld met kleine kwaaltjes als hooikoorts, een dikke neus, of regelrechte domheid: ‘Het is een traditie, anders hadden we / het bloemen leggen bij een hooikoortspatiënt wel gelaten.’; ‘Ik laat het maar zo, / want Kanti was dat niet. Zij verschrompelde // haast als je haar zag en haar mooi vinden / was onmogelijk, want knap was zij niet. Er speelde zich ook weinig af in haar / hoofd’.

    De weerhaakjes die daardoor ontstaan maken van de cyclus een heerlijke vertelling. Het procédé is gestoeld op een flinke dosis suggestiviteit en een ondergraven van het perspectief van de lezer en het daaraan gekoppelde verwachtingspatroon. Het levert naast enkele komische wendingen ook momenten van confrontatie op. Soms lijkt het alsof Kanti het hoofd was van een terroristische groepering: ‘Zij was kneed- / baar als klei, maar eenmaal hard was het afgelopen / met de pret.’; ‘Niemand eist nog de aanslagen / op die her en der worden gepleegd. Zij was // nooit te gierig om een telefoontje te plegen, zodat / er aan duidelijkheid geen gebrek was.’ Na haar dood werd bij decreet ‘verboden nog / over Kanti te profeteren’. Wanneer er protestbewegingen op straat komen om te eisen dat de bevolking Kanti vergeet, organiseren de tegenstanders zich: ‘We prepareren ons om de // volgende demonstratie te verijdelen. Stropoppen / van Kanti liggen klaar en ook maskers om in de / stoet der weigeraars mee te lopen.’

    Het spel met de lezer zet zich wel voort in de volgende cycli, maar is beduidend minder gescherpt. De passie, die volgens Benali niet in de strikte poëzie van het intellect schuilt, mist zijn poëzie op bepaalde momenten eveneens. Zo is er bijvoorbeeld de afdeling ‘De zeven hoofdzonden’. In evenveel gedichten maakt Benali een af en toe komische reeks vol, die evenwel de overtuiging mist die van ‘Oden aan Kanti’ een meeslepend luik maakt. ‘Afgunst’:

    Gaat in mijn geval ver: wat jij niet hebt
    wil ik ook niet hebben. Door mijn ambitie
    gelijk met de jouwe op te laten gaan,
    loop ik vertraging op. Je had me wel te

    pakken met je autistische kind. Waar haal ik
    dat zo snel vandaan? Onder de douche zag ik dat
    de mijne groter was, met een penisverkleining
    is dat zo gepiept. Vanwege het verdriet om de kleine

    ben je nu gescheiden. Ik meteen er achteraan.
    Jij begreep niet waarom: de seks was niet goed
    en voor één keer had ik gelijk. Niemand
    houdt van jou, overkomt mij nu ook. Je pleegde

    zelfmoord las ik. Weer was je me voor, maar afgetroefd
    heb ik je wel. Mijn brug was een stuk hoger.

    Hiermee verkrijgt Benali zeker de lach van de lezer, maar een voortduren van een dergelijk patroon wordt een trucje en gaat vervelen. De lichtheid die zijn schrijfstijl kenmerkt, en die Benali zeer geslaagd aanwendt in ‘Oden aan Kanti’, wordt in dit soort gedichten niet begeleid door de ambiguïteit van verteller of personages, en krijgt ook niet de tijd en ruimte om uit te groeien tot de weerhaak van wat zich aan complexiteit in de gedichten afspeelt. Het zijn eerder losse stukjes die af en toe raken, maar even vaak missen; niet fijnzinnig, maar evenmin vinnig. Abdelkader Benali gunt de lezer zijn plezier, dat moet gezegd, maar het geheel is nog te weinig ernstig. Die ernst geeft de lichtheid ook een doel. Benali schrijft immers op zijn best wanneer het spel dat hij opzet de kans krijgt te rijpen en de vluchtigheid te overstijgen. Dan, en dat toont hij al gedeeltelijk in Panacee, schept Benali vinnige, ontwapenende poëzie.

    Abdelkader Benali, Panacee. De Arbeiderspers, Antwerpen/Amsterdam, 2006.