• Het grote mooie pakket is incompleet

    België kreeg begin 2014 haar eerste Dichter des Vaderlands sinds Emile Verhaeren (1855 – 1916). Charles Ducal was degene die de rol mocht vervullen. Opmerkelijke keuze, vond deze recensent.

    Ducal leek altijd een afstandelijke dichter; de titel van zijn verzamelbundel Alsof ik er haast ben (2012) spreekt wat dat betreft boekdelen. En die moet opeens (maatschappelijk) betrokken gedichten gaan schrijven? Ja, dat moest hij, en die richting sloeg hij eigenlijk al in, in de bundel na die dikke verzamelbundel: De buitendeur (2014), weer zo’n veelzeggende titel. Het boek begon met beklemmende gedichten over een jeugd op het platteland, en het ontdekken van de eigen seksualiteit. Verderop in de bundel ging de buitendeur open en was Ducal opeens een dichter geworden die in de buitenwereld stond, en over onderwerpen als de Holocaust, het koloniale verleden van Congo, en het Midden-Oostenconflict schreef. De schaal was wel groter geworden, maar de drukkende sfeer bleef.

    Selectieve drietaligheid
    Twee jaar later, 29 januari van dit jaar, droeg Ducal zijn titel en functie over aan de Franstalige Laurence Vielle; er zal immers afwisselend voor een Nederlands- en Franstalige dichter gekozen worden. Een taalkwestie die er in België toe heeft geleid dat Ducals Dichter des Vaderlands-bundel Bewoond door iets groters op het omslag voorzien is van nog twee titels: Au-delà de la frontière en Von etwas Größerem bewohnt. Ducal schreef zijn gedichten in het Nederlands, en ze werden voor Franstalige en Duitstalige kranten vertaald. Al die gedichten zijn samengebracht, met ander werk dat Ducal in opdracht schreef: de reeks ‘Zoveel stuk te maken’ bijvoorbeeld, grotendeels voor het oorlogsnummer van Het Liegend Konijn geschreven. Die bijdrages werden alleen in het Frans vertaald. Ook zijn er prozabijdrages opgenomen, zoals de aanvaardingsspeech van het ambt, waarin Ducal reflecteert op zijn nieuwe functie. Ook die zijn vaak niet in alle drie talen beschikbaar. Hier ligt het probleem van Bewoond door iets groters: de selectieve drietaligheid.

    Dat het overige werk niet in Duitse vertaling aanwezig is, is merkwaardig en deze keuze wordt nergens uitgelegd. Evenmin zijn de meeste prozabijdrages in die taal te lezen. Even vreemd is het dat alle in het Nederlands geschreven teksten ook in het Frans beschikbaar zijn, maar de in het Frans geschreven prozabijdrage ‘La poésie et le pouvoir’ niet naar het Nederlands vertaald is; wederom zonder opgaaf van reden. Erg jammer. Bewoond door iets groters is daardoor niet de volledig drietalige uitgave geworden die België en Ducal verdienen. De hele uitgave lijkt bovendien ook op een groot, breed publiek te mikken: met de aanwezigheid van een cd en dvd lijkt het boek bedoeld te zijn als een soort Groot Pretpakket dat poëzie bij de mensen kan brengen.

    Op de cd zijn voordrachten te horen van Ducal zelf en Frans- en Duitstalige voorlezers. Daarnaast zijn meerdere gedichten op muziek gezet: eens geen statige modern klassieke muziek, maar levendige, vaak wat chansonachtige liedjes. Op de dvd staat een korte, Nederlandstalige documentaire door Jess De Gruyter (helaas zonder ondertitels in de twee andere talen), waarin we meer te zien krijgen over de mens achter alter ego Charles Ducal: Frans Dumortier, die graag op de boerderij werkt en in een toneelgezelschap zit. Een aimabele man die poëzie aan de man kan brengen, en bijvoorbeeld met metselaarsleerlingen Rimbaud ging lezen en hen gedichten liet schrijven.

    Van parlando naar lyrisch
    Maar nu hebben we het nog niet over de gedichten zelf gehad. Die zitten net wat onder het niveau van Ducals ‘autonome’ werk. De toon van de dichter is in de loop der jaren van een mix van parlando en vervreemding langzaam opgeschoven richting lyrisch, soms Bijbelachtig taalgebruik. Dat register overtuigt toch iets minder. Daarnaast ontbreekt de beklemming van eerder werk. De titel De buitendeur verwees immers ook naar de constante behoefte aan een uitweg, aan een ontsnapping; zowel aan het lot als de locatie. Heden en verleden van conflictgebieden werden over elkaar gelegd, waarna de geschiedenis nog altijd drukkend aanwezig is. Ook in Bewoond door iets groters worden heden en verleden vaak aan elkaar gekoppeld, maar met een iets minder resultaat. Waar die methode goed werkt is bijvoorbeeld ‘Stemadvies’, over zes Leuvenaren die in 1902 gewelddadig omkwamen tijdens een betoging voor het algemeen kiesrecht. Het gedicht roept een gevoel van afschuw over hun lot op, en tegelijkertijd een soort bewondering dat zij voor zo’n nobel doel stierven: ‘Slapeloze nacht vóór de stemming. / Zes mannen staan op uit het plein, / uit de krijtlijn, de koperen bloedplas / en gaan door de straten’.

    Charles Ducal was een onverwachte keuze voor Dichter des Vaderlands, maar heeft laten zien dat hij die functie uitstekend heeft ingevuld. Bewoond door iets groters is wat minder dan zijn andere bundels, maar herbergt een verre van verkeerd aantal uitstekende gedichten (‘Lied van de arbeid’ bijvoorbeeld is zeer geslaagd). De toevoeging van cd en dvd om een groter publiek te bereiken is sympathiek, maar het blijft jammer dat het pakket qua drietaligheid incompleet is. En dat kan eigenlijk niet voor een uitgave van de dichter voor heel België.

     

     

  • Lees, lees, lees, poëzie! met Anne Vegter

    Dichter des Vaderlands Anne Vegter trekt dit voorjaar door het land om lezers in te wijden in het geheim van de poëzie. Nog altijd hebben veel lezers moeite met het lezen van moderne poëzie: Anne neemt de handschoen op en daagt alle lezers van Nederland uit om niet langer bang te zijn voor het gedicht. Gedichten willen gelezen worden en de Dichter des Vaderlands biedt daarbij de helpende hand.

    Weg met de angst voor het niet-begrijpen, weg met het idee ‘dat is niks voor mij’! Met steeds een andere collega-dichter gaat Vegter van provincie naar provincie: op zoek naar lezers die nog met een boog om de poëzie heen lopen.

    Met de Vlaamse Maud Vanhauwaert als haar poëziemusketier tijdens de Utrechtse halte van haar tournee leest ze gedichten voor van hedendaagse dichters en geeft ze tegelijkertijd een energieke masterclass poëzie lezen. Zoals Joost Zwagerman ons leerde te kijken naar het moeilijk toegankelijke werk van bijvoorbeeld Rothko en Malevich, zo leert Vegter ons de gedichten van Tonnus Oosterhof, K. Michel en vele anderen te lezen.

    ‘Een gedicht is een instrument waarmee je je blik op de wereld scherp kunt stellen. Het dwingt je tegelijk naar binnen en naar buiten te kijken. Daar heb je wat aan en dat moet iedereen weten. Lees, lees, lees, poëzie!’ –Anne Vegter

    Koop hier uw ticket!

    Foto: Rosa van Ederen

  • Een voorbijwaaiende vader

    De nieuwe dichtbundel van Lucas Hirsch, Ontsla me van alles wat ik liefheb bevat nog geen dertig gedichten waarvan de meeste nogal kort zijn. Daar is niet zoveel mis mee; een bundel kan klein maar fijn zijn maar bedenkelijker is dat te veel gedichten uit de bundel kwalitatief aan de magere kant zijn.

    Qua structuur zijn er wel wat aardigheidjes: in het titelgedicht zijn de titels van de volgende afdelingen opgenomen en in de ‘Brief aan Ilja Leonard Pfeijffer’  wordt een groot deel  van het gedicht ‘21 mei 2014 – 2:37 uur’ herhaald. In het slotgedicht komen Hans en Grietje voor, net als in bovengenoemde ‘Brief aan Ilja’ en ook hazen, gelijk als in het gedicht ‘Pels’. Het zijn deze verwijzingen die de bundel bij elkaar houden, maar ze lijken meer puzzeltjes voor de lezer dan noodzaak.

    Ook zijn er verwijzingen naar het werk van andere dichters ‘Angstval’ doet denken aan het beroemde ‘Changement de décor’  van Ellen Warmond. Hier gaat het echter niet om het aanbreken van de dag, maar om het einde ervan. Het gedicht eindigt met:

    De nacht is een tijdbom
    Het bed een angstval
    Het huis een sluipmoordenaar
    waarop ik wacht
    met een kussen in mijn handen

    Hirsch durft er niet op te vertrouwen dat de lezer verwijzingen oppikt. Een gedicht dat begint met Zes hele jaren om mijn leven gelopen / Rond het zevende zeven keer gehuild’ noemt hij bijvoorbeeld (veel te) nadrukkelijk ‘Jericho’.

    In veel gedichten staat hier en daar een aardige zin, maar vaak is dat te weinig om het gedicht als geheel te redden. Emoties worden maar moeilijk overgebracht.

    Het gedicht ‘Pels’ begint met: Lief, ik wil dat je ziet / hoe het donker / dat mij aan de fles bindt / me vaak verblindde. Er is eenzaamheid of somberheid in het gedicht, maar die worden nergens voelbaar gemaakt. Je weet dat ‘het donker’ er is, doordat je het leest, maar het blijft steken bij het weten.

    Slechts sporadisch ontstijgt de bundel het gemiddelde niveau, bijvoorbeeld in het derde gedicht van de serie ‘De genen die’:

    In een storm ben je niemand
    dus probeer ik met moeder te vieren
    dat het vandaag is

    Niet veel later
    waait mijn vader
    langs het keukenraam

    Hem doen halt houden
    kan alleen de dood
    weet moeder

    Ik weet van niets
    Ik ben immers niemand
    als ik storm

    Ook niet als ik naast moeder staand
    vanachter glas naar vader brul
    dat de laatste grote oorlog
    niet door hem gedragen hoeft
    te worden

    Dit is een gedicht dat met weinig woorden veel weet op te roepen. De vader die voorbijwaait; het glas dat de ik en de vader gescheiden houdt; het stormen van de ik (dat wellicht ook iets te maken heeft met het waaien van de vader; en de moeder die iets probeert te vieren, maar die in het gedicht niets zegt. En dan in het slot het oorlogstrauma. Mooi gedaan. Dit gedicht is een goede uitzondering in de verder zeer matige bundel.

     

     

  • De uitgeklede versie

    De kunstgreep is oud: de verwoording van het verlangen als de realisatie ervan. De herhaling die inderdaad iets versterkends heeft, blijft intrigerend. Er bestaat iets als een parallellisme, als in de psalmen. Maar misschien legt de creativiteit van de schrijver het geheugen van de lezer die hij altijd ook is – hij begint nooit vanuit niets als dichter – tijdelijk stil.

    Deze vier zinnen zeggen veel over het werk van Astrid Lampe. Maar ook volstrekt niets. Dat komt hierdoor: ze zijn alle afkomstig uit de voorbeeldige essaybundel over poëzie van Kees Fens De tweede stem. Ze hebben het dus in zich iets te kunnen zeggen over poëzie want ze zijn geschreven in een verband dat zich uitspreekt over poëzie. De zinnen komen echter uit verschillende essays en gaan over heel andere dichters en bundels. Maar Fens was een heel verstandige man, en indien zulke zinnen goed gesampled worden kan zo’n verzameling losse stukjes veelbetekenend worden.

    In Lampe’s recentste bundel Rouw met diertjes bestaan twee van de drie afdelingen uit ‘gesamplede’ gedichten. De eerste met dichtregels die Lampe verkreeg door te grasduinen in de bundel Geboorten van het vers, uit de reeks ‘ Levende Franse poëzie’.  De tweede afdeling is een sample uit vertalingen uit het Amerikaans. Is poëzie gemaakt van stukjes andere poëzie, wel poëzie? Welzeker, meent Fens hierboven. Maar misschien legt de ‘creativiteit van de dichter, de lezer die hij ook is over het algemeen wel even stil’. En moeten we dat ook eigenlijk wensen. Iedere dichter put uit een taalarsenaal, dat kan gebruikstaal zijn, maar ook ingedikte taal van anderen: poëzie. Lampe kan dus poëzie scheppen uit poëzie van anderen. En soms levert een opgedolven zin in een ontketend verband ook iets verbazingwekkend levends op.

    Natuurlijk resoneert in de lezer die deze afdeling ‘dronken  jol’ leest Arthur Rimbauds Bateau ivre mee en regelmatig botsen mooie archaïsche zinnen boeiend op technische samples:

    Het manuscript drukt een vroegere versie van het gedicht af dan
    verwondt hij zich, het fatale terugkeren verwondt hem.

    Toch kan dit niet het sterkste deel van een dichterlijk oeuvre zijn: echte creativiteit schakelt het geheugen van de lezer die zij ook is immers tijdelijk uit. Dan doet Lampe het beter in Rouw met diertjes, de grootste en eerste afdeling van de bundel. Het gedicht:

    rouw de
    onmogelijk nog langer uit te stellen jetlag
    viert uit boven het ravijn
    van al te vast (samen nog)
    net iets te blij aangestampt ruimtebeleven

    en

    vreet de hoogbouw
    we
    dragged and dropped
    (o lieve lust het stapelde)
    de
    original images
    into this workspace

    jij (spoot je ralkleur jij)
    nu stort je mij
    een retestrak vloertje
    grondig

    grondig ground zero
    laat op mijn beurt
    (niks technisch engels)
    mijn iCloud je rug krabben

    etaleert het spectrum van leessensaties die Lampe’s bundel oplevert: bewondering (‘rouw als onmogelijk langer uit te stellen jetlag’ is een goed beeld) lachen: (‘net iets te blij aangestampt’) irritatie over het misverstand poëzie interessanter te maken door het te insemineren met Engels en een lichte vermoeidheid aangaande het zelfverwijzende universum van Lampe (Spuit je ralkleur is een titel van een van haar eerdere bundels) dan wel dwangmatig up to date zijn (het eerste gedicht in de Nederlandse literatuur met iCloud er in), en dan weer terug naar bewondering: de gedachte dat je verloren geliefde bijvoorbeeld nog ergens nabij je iCloud hangt is wel mesmerizing.

    Spuit je ralkleur leverde overigens, evenals De memen van Lara een sprankelender en humoristischer universum op; nu leent rouw zich als thema misschien minder voor sprankeling en humor, gesteld moet dan misschien dat het soort poëzie dat Lampe schrijft zich minder leent voor rouw.

    Dat realiseert de dichter zich ook, regelmatig verwijst ze naar haar ‘uitgeklede versie’ en ze maakt daarmee haar laatste bundel ook een versie schameler dan haar werk was. Maar dat is misschien ook juist precies wat rouw doet.

     

    Deze recensie verscheen eerder in poëzieblad Awater (2013)

     

     

  • Poëziegeschenk Stefan Hertmans tijdens poëzieweek

    Tijdens de Poëzieweek van do. 28 januari tot en met wo. 3 februari ontvangt u het Poëziegeschenk cadeau van de deelnemende boekhandels in Vlaanderen en Nederland bij besteding van ten minste € 12,50 aan poëzie. Het geschenk, Neem en lees, is dit jaar geschreven door Stefan Hertmans.

    In Neem en lees neemt Hertmans de lezer mee langs allerlei vormen van herinnering. Zich iets herinneren is voor Hertmans niet alleen privé, het heeft ook te maken met de beelden waarvan een samenleving leeft: gebeurtenissen, kunstwerken, boeken. In deze gloedvolle gedichten wisselen intieme en maatschappelijke herinneringen elkaar dan ook af — van de eerste verliefde blik tot en met gedachten aan bootvluchtelingen.

    Stefan Hertmans (1951) publiceerde romans, verhalen, essays en gedichten. Tot Hertmans’ meest succesvolle prozaboeken behoren Oorlog en terpentijn (2013; bekroond met de AKO Literatuurprijs 2014, Gouden Uil Publieksprijs, De Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Proza; nominaties Libris Literatuurprijs en Premio Strega Europea) en Naar Merelbeke (1994, nominatie Libris Literatuur Prijs), de reisverhalenbundel Steden (1998, nominatie Generale Bankprijs), de verhalenbundel Gestolde wolken (1988, Multatuliprijs) en de roman in verhalen Als op de eerste dag (2001, F. Bordewijk-prijs). Zijn laatste essaybundel De Mobilisatie van Arcadia (2011) beleefde vele herdrukken.

    26 januari:          Antwerpen – uitreiking Herman de Coninckprijs
    27 januari:          Purmerend – Muziek voor de overtocht
    28 januari:          Groningen – Daar komen de Vlamingen van SLAG/Poëziemarathon
    29 januari:          Utrecht (NK Poetry Slam) – TivoliVredenburg
    30 januari:          Poëzieweek Rotterdam in De Waalse Kerk – Poetry International
    31 januari:          Maastricht – Centre Céramique
    2 februari:          Nijmeegs poëziefeest – De Mariënburg

    Onder het motto Jaren die druppelend versmelten staat de Poëzieweek in 2016 in het thema van herinneringen.

    Herinneringen voeren ons terug naar een ver of nabij verleden, maar leiden ze ons soms ook niet om de tuin? Herinneringen kunnen ons op een roze wolk parkeren, maar kunnen ons evenzeer laten verdwalen in de minder aangename momenten van ons verleden. Poëzie is het genre bij uitstek om het verleden in woorden om te zetten, te bezingen, te bekritiseren, kortom, te herinneren.

     

  • Leven onder een stolp

    In het Egypte van de derde eeuw stapt een man rond, Antonius die als kerkvader en stichter van het kloosterleven de geschiedenis in zou gaan maar zijn grootste bekendheid ontleende aan de verhalen omtrent zijn ‘bezoekingen’ door demonen, aan welke hij onderhevig was. De schilderkunst maakte dankbaar gebruik van het fraaie thema en ook de letteren kennen voorbeelden van navolging te over.

    De verzoekingen of ‘beproeving’, proeven of martelingen die het uitgangspunt vormen voor Jan-Willem Ankers bundel prozagedichten zouden wij tegenwoordig beter een stevige midlife crisis noemen.  Ankers demonen zijn een lekke band, een scheur in het asfalt, een bezoek aan een Waddeneiland, zijn eigen nietigheid en de troosteloze gang van de eenling. ‘Het ik, het ik, het luizigste van alle voornaamwoorden,’ werpt Anker als motto de lezer meteen maar bij wijze van handzaam sleuteltje voor zijn poëzie in de schoot. Erboven staat dan nog een handige leeswijzer in een motto van J. G. Ballard over de ficties van deze wereld en de dooddoeners van de huidige mediacultuur. In 50 korte prozagedichten, korte verhaaltjes veelal vanuit een ‘ ik’ verteld, doorlopen we de lauwe wereld van een teleurgestelde.

    Jan Willem Anker, auteur van drie eerdere bundels en een roman kan goede, aansprekende  soms zelfs swingende zinnen schrijven. ‘Ik overwoog mijn laatste geld te spenderen aan een reis naar Beiroet om daar bij een aanlandig windje stijlvol te verkommeren,’ is er zo eentje. Of: ‘omringd door het geheupwieg van zoveel singles voelde ik hoe voldoeninggevend de opvoering van je eigen wanhoop is.’ Wanhoop, veel van deze bundel ademt de diepe wanhoop van de redelijk welvaren, redelijk gezonde maar verveelde en niet uitontwikkelde dertiger. Daarmee kan Anker je soms in de taal naar de strot grijpen. Maar vaker druk je een gaapje weg met een I couldn’t care less.

    Dat is niet omdat Anker geen goede dichter is, het komt ook gedeeltelijk door de vorm die hij koos: de vrije regelval van het korte prozagedicht is hier toch bij uitstek het imperium van de onmacht. Had hij zich strengere eisen gesteld, dan was er voldoende spankracht geweest. Maar ja, strenge eisen… ‘Ik lepelde in een bordje ontbijtgranen. Terwijl ik mijn bord aan het leegvreten was, dacht ik “Dit is dus het leven.” En zo is het weinig van de dichter eisende prozagedicht ook de beste weerspiegeling van een laconieke depressie.

    De tijd waarin reactionairen het hadden over een schop onder de kont en langharig werkschuw tuig is wel voorbij, maar de dichter heeft zich in deze bundel te weinig laten leiden door de een veeleisende vorm. Hierdoor ervaart de lezer in plaats van een intense ‘levensleegte’ toch vaker de onverschilligheid van het gedicht. Over een lauw bestaan niet dwingend dichten, levert een lauw geheel op.

    In een aantal gedichten doet Anker het net iets anders, er zijn erbij die bijna ‘zen’ zijn, een enkele heeft een verfrissend licht absurdisme van Charms, of misschien veeleer Toon Tellegen in zijn korte dierenverhalen.

    Wanneer de dichter iets langer of iets dieper nadenkt, een iets gepolijstere zin formuleert treft hij wel eens doel. ‘Ik ben gedwongen voor altijd op het podium te blijven terwijl het donker van de zaal steeds meer bevolkt raakt met mensen van wie ik niet wist dat ze altijd al onbereikbaar voor me waren.’ Of ‘ Ik was nietig op het extreme af, eigenlijk al te gering voor een eerste persoon enkelvoud. Soms echter voelde ik me groots. Dan trok ik de gelukzaligheid aan haar staart en hield me voor dat alles maar spel en droom was en dat ik veilig was, zoals de kern van een vlam ’s nachts veilig is voor duisternis.

    Eerste persoon enkelvoud, de kortste samenvatting van deze bundel. Dit gedicht bezweert de demon van het niets, de leegte. En dit gedicht doet dat goed,  maar de bundel in zijn geheel slaagt daarin helaas te weinig. ’

    Confrontatie

    ‘Toen ik mezelf voor de zoveelste keer confronteerde met de al te menselijke onverschilligheid die mijn wedervaren binnen en buiten het publieke domein opriep, overwoog ik serieus de mogelijkheid er niet te zijn. Na een tijdje concludeerde ik dat ik er weliswaar was, doch in zeer beperkte mate.’

     

    Deze bespreking verscheen eerder in het poëzietijdschrift Awater

     

  • Zeer geslaagd debuut

    Het thema van veel gedichten uit het debuut van Maartje Smits is het opgroeien van een meisje naar jonge vrouw die daar eigenlijk nog niet aan toe is. Smits heeft regelmatig gepubliceerd in verschillende tijdschriften als De Gids, hard//hoofd en de Poëziekrant. Naast poëzie schrijft ze  prozateksten en essays en heeft ze een website waarop  filmpjes staan die ze ‘in beeld gevangen gedichten’ noemt. Ze is een onderzoekende dichter, nieuwsgierig en ongeremd en noemt zichzelf ‘een schrijvende detective’.

    Speelse gedichten
    Haar gedichten in deze bundel zijn speels als een jong meisje en vliegen alle kanten op; de dichter springt en associeert. Door het creatieve gebruik van het enjambement word je als lezer vaak op het verkeerde been gezet, lees je weer  terug dan ontdek je meerdere lagen. Smits loopt tegen de grote-mensen-wereld op: ‘je moet zo lang mogelijk een meisje zijn//maar een meisje mag nooit te laat komen’. En in het gedicht Een moeder een meisje probeert ze zich los te maken van huis en moeder:

    een meisje klampt
    een moeder weert
    een meisje krimpt
    een moeder scheert
    een meisje

    Haar taalgebruik is modern: social media-taal (‘een uitzicht refresht’), evenals woorden en uitdrukkingen uit het Engels, Duits en Frans (ik möchte een vrouwship//zijn shallow schouwdek weze//een beetje bitse lust objection). Ze noemt de dingen bij hun naam. Soms doet dat geforceerd aan en  kun je je afvragen wat daar de meerwaarde van is. Vaak werkt het vervreemdend en wordt er een betekenis aan een regel of een gedicht toegevoegd:

    met dikke dije
    dikes off all men deck
    deilig zandspuiters dijen die
    alles af teren teder gegen
    genegenheid halten

    Ook humor ontbreekt niet: je kijkt er gemakkelijk overheen, maar ontdekt uiteindelijk waar het om gaat:

    een animatieteam
    overstemt het sissen van boven
    benen op plastic grilplaten

    Er is een prachtig gedicht over een eetprobleem waarin ze het fantastische woord ‘uitslikken’ gebruikt voor braken. En ook: ’theelepeltjes wekken de illusie dat je meer kunt eten’.

    Met name in de gedichten waarin ze seksueel ontwaakt, wordt nogal eens straattaal gebruikt. Daar het de taal van meisjes is, krijgt het meerwaarde en is het passend.

    In de hele bundel worden, behalve in titels, namen of Duitse zelfstandig naamwoorden, geen hoofdletters gebruikt. Op één uitzondering na: in het gedicht Zondagsgebied  ‘recreatie geeft richting maar moet wel doelloos blijven’ wordt U met een hoofdletter geschreven. Aan wie refereert ze? Het lijkt aan haar vader, maar het kan net zo goed een opperwezen zijn, of de natuur of het grote geheel dat haar aanstuurt en alle kanten opstuurt.

    Overtuigende poëzie
    Haar gedichten hebben een  mooi ritme, fijn om voor te dragen. Dat kun je als lezer gemakkelijk ontdekken door ze hardop te lezen. Wanneer je ze hardop voorleest, valt op dat het ritme soms verstoort wordt, ook hier weer net zoals bij het gebruik van enjambement, om je op het verkeerde been te zetten of je weer even bij de les te brengen. Ze doet dat bijvoorbeeld  door in twee kolommen een soort dialoog met zichzelf aan te gaan of door opmerkingen tussen haakjes te plaatsen. De gedichten kun je daarmee op verschillende manieren lezen en interpreteren.

    je kieuwvliezen verliezen
    aan een pingpongbal
                een potje
    dertien zijn stuurloos
                scheuren
    screwen
    scrol
    het antwoord vorderen
                scrol
    in de zoekgeschiedenis
                scrol
    van je vader
    de website vinden
    een pagina met een dozijn platte
    mensen

    Smits vliegt als een jong meisje alle kanten op. Deze bundel is behalve een humoristische en een overtuigende bundel ook een soort gebruiksaanwijzing,  en niet alleen voor meisjes: meisjes leren hoe vrouwen en vrouwen hoe meisjes en mannen hoe meisjes en vrouwen (soms) in elkaar zitten.

    Haar gedichten overtuigen door de thematiek, haar humor en de beelden (schaamschennis). Het is zeer leesbare poëzie en ook geschikt voor een wat jonger publiek.

    www.maartjesmits

     

     

  • Spreken van troost en kracht

    Wanneer een poëziebundel is getiteld Olympisch zwemmer komt onmiddellijk het meesterlijke gedicht Arne Borg van Jan Engelman in gedachten:

    […]
    Arne Borg zwemt duizend meter
    Arne Borg doet alles beter

    De Zweed Arne Borg (1901-1987) won vijf Olympische medailles in 1920 op diverse afstanden – zwemmen uiteraard. Maar de poëzie van Lans Stroeve heeft met zwemmer Arne Borg of dichter Engelman niets te maken, wat op zich jammer is. De ‘olympisch zwemmer’ uit de titel van de bundel komt heel terloops voorbij in het gedicht Ekster. En dat is dat.

    De poëzie van Stroeve vertoont  niet in opvallende mate een lijn maar variatie des te meer. Een van de gedichten is kort en krachtig, bijna als statement:

    Het is in helderheid en tijd
        tot op het been alleen
    lichtgevend, ervan dromend als de sterren
    om gezien te zijn. Kijk

    hier licht een poëzie

    Stroeve’s gedichten zijn gewoonlijk langer, vloeiender, zachter – misschien veelzeggend voor een auteur met een korte en onzachte naam als ‘Stroeve’. De poëzie van Lans Stroeve is levend en levendig – maar gaat vaak over de dood. In bijna de helft van de gedichten komt de dood aan bod, direct als onderwerp, of indirect, verwijzenderwijs. En de bundel is opgedragen aan de dode vader en dode broer van de dichter, beiden (als ik het goed begrijp) merkwaardig genoeg overleden op 5 oktober – zij het in verschillende jaren.

    Hoe van dit ogenschijnlijk onsamenhangende geheel een beeld te schetsen dat consistentie vertoont of in ieder geval enige informatie verschaft? Om te beginnen maar eens een heel gedicht, ook alweer programmatisch bijna, het laatste gedicht van de bundel, getiteld ‘Excitatie’:

    Zojuist legde ik de oude zanger neer na een zinderend betoog
    over klank en zang en poëzie waarna er hoog over ons huis
    een vogel vloog, een onomatopee! een koekoek terwijl hij
    heel hard
    koekoek riep.
    Ik knip de vlier en snoei de takken, stap naar achter waar ik
    – heel handig: in het rozenpoortje met de kamperfoelie – zie!
    de zonnebril die ik kwijt was en juist vandaag vervangen had.

    Zo zacht zijn nu de tekens van de dingen die ik begon te haten
    sinds je dood bent. Alle spullen, ongenaakbaar in het
    voortbestaan;
    ik flikker alles in de prullenbak en zing daarbij een laag en
    toonloos
    liedje. Maar nu kijk ik door die bril vanuit de struiken naar het
    snoeiende
    en zie het flakkeren van het onbeweeglijke. En in dit licht
    weet ik dat de dingen alle kleuren drinken, behalve die ene:
    de ontbrekende.
    En die geven wij zijn naam.

    Een programmatisch gedicht omdat het geen uitgesproken vorm heeft, omdat er een dier in voorkomt (ditmaal een koekoek; eerder elders in de bundel ontmoet de lezer vee, een karper, kauwen, een hond, kwikstaarten, een ekster, rietvogels, een insect, een vleermuis, lijsters, zwanen, paarden, een horzel, een veulen, vissen, kuikens, nog een hond, ijsvogels, een roofdier), omdat de dood erin voorkomt, omdat een inzicht wordt verkregen of verkondigd en – het belangrijkste misschien – de natuur er prominent in figureert, ook al is het dan in de vorm van een tuin waarin gesnoeid wordt. De Hollandse natuur, in de vorm van kusten, bomen, landschap etc. is naast de dood en de dieren een derde constante in deze poëzie. Opmerkelijk genoeg zien we geen natuur op het omslag van deze bundel, maar wel in de vorm van drie foto’s in de bundel (ook van Lans Stroeve).

    De poëzie van Lans Stroeve spreekt de lezer niet direct aan qua ‘betekenis’, maar vanuit een andere benadering kan je stellen dat deze gedichten veel ruimte bieden voor verschillende interpretaties. Het lijkt vooral te gaan om: troost. Troost voor verdriet om verlies of dood, troost om ‘ongrijpbaarheid’ en gebrek aan houvast. En troost vindt de lezer in Stroeve’s gedichten vanwege de ervaring van de natuur, die rustig bestaat en voortgaat, die waait en stroomt. Het lijkt daarom ook passend dat de dichter behoort tot diegenen die wel eens teksten schrijven voor volstrekt eenzaam gestorvenen (zie www.eenzameuitvaart.nl). Een voorbeeld van het resultaat staat op pagina 45-46 van de bundel: ‘Bij de teraardebestelling van Willem Pieters’.

    Na het bovenstaande is het misschien het eerlijkst de dichter tot slot zelf aan het woord te laten:

    […]

    Er is tijd verstreken.
    In het zand zijn de sporen van de heenweg te zien. Ik zet mijn laars ernaast
    maar ik moet flink stampen om dezelfde voetstap te krijgen.
    Ik ben lichter geworden.
    Op de dijk staat echt iedereen te zwaaien.

     

     

  • Zware en goed vullende kluif

    Soms zit je als recensent verkeerd en serveer je een bundel ten onrechte af. Dat overkwam ondergetekende in 2013, toen hij Jan  Baekes Het tankstation op de route besprak. Veel bleef vaag, en er ontstond aanvankelijk een soort surplus van mogelijke invullingen van de bundel, die onverschilligheid opriep. Bij herlezing blijkt Baeke toch een sterke bundel te hebben geschreven: nee, je kunt niet overal je vinger achter krijgen, de gedichten blijven soms frustreren, maar filmliefhebber Baeke zet veel lijntjes en thema’s uit die je bezig kunnen blijven houden. De bundel is heel losjes opgezet als een soort filmscenario, met titels als ‘Draaidagen’, ‘Establishing shot’, ‘Scènewisseling’ en ‘Fin’. En dan hebben we het nog niet gehad over regels als ‘Storend dat de mussen / in het geluid zijn gaan zitten.’ of ‘Wie de scène verlaat is uit de ramp geschreven.’

    Vanzelfsprekendheid die niet klopt
    Opvolger Seizoensroddel schroeft zowel de ergernis als de intrigerendheid flink op. Ook dit keer blijft veel vaag, en het filmthema van de vorige bundel lijkt verdwenen te zijn (bij Baeke weet je het evenwel maar nooit). Baeke heeft de neiging om personages informeel bij hun voornaam te noemen, alsof we hen al horen te kennen. Daarnaast is het blijkbaar heel normaal om het bijvoorbeeld te hebben over ‘de buurvrouw’, ‘de taxichauffeur’, ‘het beeld’, alsof die allemaal al geïntroduceerd zijn. Dat zijn ze niet. De toon is heel natuurlijk, niet zelden spreektalerig, maar onder het lezen krijg je toch al snel een ‘hier klopt iets niet’-gevoel. Verbanden tussen zinnen blijven onduidelijk of lijken foutief te zijn, en veel verwijzingen blijven vaag. Baeke doet wat dat betreft sterk denken aan John Ashbery, wiens poëzie ook een mengsel van fascinatie en ergernis oproept.

    Oorlog en spot
    In Seizoensroddel ontspint zich een grote hoeveelheid thema’s. Er gebeurt in een bestek van een paar gedichten veel, heel veel. Neem de openingsreeks ‘Dit zijn, zei Jack, slechts voorbeelden’: daarin is het oorlog. Uit de vermelding van Camp Rhino als uitvalsbasis, blijkt dat het om de oorlog in Afghanistan gaat (je moet het maar weten, of opzoeken natuurlijk). De soldaten hebben generiek aandoende (Amerikaanse) namen: Jack, John, Frank en Charlie. De toon is quasi-ruig, en sommige regels lijken uit een slechte actiefilm geplukt te zijn: ‘Frank was een flikker / maar niet bang.’ Die setting begint zich te mengen met religieuze verwijzingen: een hostie-vergelijking, ‘de beek [splitst] zich in tweeën’, het zingen van het ‘Ave Maria’. Er wordt een link gelegd tussen de zendingsdrang van missionarissen en de Amerikanen die het Oosten binnenvallen om (even gechargeerd gezegd) hen een betere cultuur komen brengen. De spot is duidelijk: ‘Sterk dat bij de komst van een verschoppeling alles / naar Het Boek wil leven. De gemeenschap bloeit op / haalt de graafmachines, de vooruitgang binnen. / Laten we gaan, de Heer heeft alles onder controle.’

    Onrust vergezelt het woord
    De laatste afdeling (het slotgedicht niet als afzonderlijke afdeling gerekend) heet ‘Waar de wind doorheen waait’. Weer is het, net als in de openingssectie van de bundel, een korte geografische verwijzing die een interpretatieaanwijzing vormt. Er wordt gesproken over de onrust die het woord ‘Janovska’ vergezelt, ‘maar dat / woord doet in deze wereld niet meer mee.’ Janovska was een Duits concentratiekamp in een gebied dat toen nog Pools was. In de reeks lijkt de oorlog formeel gezien voorbij te zijn, maar het heden daarin wordt doorsneden met herinneringen als ‘Ook de onderwijzer bleek spoorloos en de spoorwegbeambte en de vrouw van de kaarsenmaker.’ Ondertussen is er in het naoorlogse Polen in de reeks sprake van een ander soort verdwijning: het vertrek naar beter geachte oorden als Brussel of het aanlokkelijke Amerika. Maar de gedichten ademen onrust uit, angst zelfs. Zo werkt Seizoensroddel in een notendop: als je een ingang denkt te hebben gevonden, stuit je op iets tegenstrijdigs of op iets dat je geen plek kunt geven. (Verwijst het gedicht ‘Héros’ bijvoorbeeld naar de gelijknamige bundel van Véronique Pittolo? Die gedichten gedragen zich samen ook als een soort filmscenario, en dat is wel des Baekes.)

    Smakelijke kluif
    Dan blijft er nog zoveel dat niet besproken is, dat zich aandient, vragen en interpretaties oproept. Er is opvallend veel sprake van lichamelijk verval, en de titel intrigeert. Kan een ingrijpende gebeurtenis als een oorlog in Afghanistan of Irak, uiteindelijk een ‘verhaaltje’ worden dat mensen opvallend kort bezighoudt? Met Baeke weet je het uiteindelijk nooit, en dat roept bewondering en irritatie op. Die maken samen van Seizoensroddel weer een zware, maar smakelijke en goed vullende kluif.

     

     

  • Een keten van lijden

    Wie voor het eerst kijkt naar Zelfportret met verbonden oor (1889) van Vincent van Gogh, zonder besef van de titel of ooit van de schilder te hebben gehoord, ziet een ander schilderij dan de beschouwer die de treurige levensgeschiedenis van de schilder wél kent. Een man met een bontmuts, dat is wat de maagdelijke kijker ziet. Misschien valt het verband rondom het rechteroor op, misschien niet eens. Vermoedelijk aanschouwt hij een neutrale blik, niet het masker waarachter zich een mens schuilhoudt die het aan het leven deed.

    Terugwerkende kracht
    Kennis van de context verandert het kunstwerk, althans de beschouwing ervan. En dat geldt ook voor de gedichten van Rogi Wieg (1962-2015), nu hij er niet meer is, nu iedereen weet van zijn zelfgekozen dood. Peter de Rijk stelde een bloemlezing van Wiegs gedichten samen, getiteld Even zuiver als de ongeschreven brief. Vanaf zijn debuut in 1981 (Cis-Trans 13 gedichten) wordt dat dichterschap beheerst door het romantisch lijden. Maar nu, na die euthanasie wegens ondraaglijk psychische lijden, zijn al zijn eerdere gedichten onlosmakelijk verbonden geraakt met dat misschien wel vanzelfsprekende sluitstuk van zijn poëtische carrière, die zelfgekozen dood. Al die gedichten over angst, de pijn van het leven, de zoektocht naar de ware liefde en het falen ervan, waren tot nu toe hooguit vooraf spiegelingen van een mogelijk treurig einde. Ook al waren zijn lezers bekend met het psychische lijden van de mens Wieg, dan nog was het werk van de dichter Wieg als autonoom te beschouwen, als de kunst van iemand die de gedoemde dichter speelde, die wellicht koketteerde met het lijden.
    Nu niet meer. Zijn zelfgekozen dood verbindt ze met terugwerkende kracht aan elkaar en dat maakt elk gedicht ánders leesbaar. De woorden lijken nu van de pagina’s te spatten, de woorden die de pijn van het lijden benadrukken, alsof de samensteller ze met een markeerstift van een fluorescerend laagje heeft voorzien. De angst voor het leven die al in het tweede gedicht letterlijk wordt genoemd. ‘Duivelseieren, schimmen in de nacht, doodgaan is net als dromen, Ik ben zo Godvergeten oud…’

    De vader en de zoon
    Een keten van lijden die de samensteller heel treffend opent met een naamloos gedicht uit Wiegs eerste bundel en afsluit met zijn allerlaatste regels: U bent. Twee gedichten die respectievelijk begin en einde symboliseren en inhoudelijk een overeenkomst vertonen. In het openingsgedicht paren een man en een vrouw, maar wat het begin van leven zou kunnen zijn, wordt overschaduwd door donker avondlicht dat de man op een vader gelijken doet. In Wiegs laatste gedicht keert de vader terug, maar nu in de persoon van de Allerhoogste. De dichter roept God op, de vader die zijn zoon liet lijden ten dienste van de mensheid. En dan verheft de dichter zich tot gedurfde hoogte, tot hetzelfde plan als die zoon, als hij schrijft: Als u terug kon keren zou ik de tafel dekken,/het brood breken en de wijn drinken. Ik zou/mijzelf aan het kruis slaan voor Uw bestaan.

    Misschien verschijnt deze bloemlezing te vroeg. Het is moeilijk de kunst van Wieg als zodanig te beschouwen nu zijn zelfgekozen dood nog zo vers in het geheugen ligt. Mogelijk dat de context de receptie van deze bloemlezing nú dwars zit. Over een paar jaar is zijn zelfgekozen dood niet vergeten, maar zal die zich niet meer als eerste herinnering bij het lezen van zijn poëzie opdringen. De schaduw die het sterven van de mens Wieg over diens poëzie werpt, zal dan verbleekt zijn en zal dezelfde poëzie zich nog krachtiger tonen.

     

     

  • Nieuwsberichten uit onbekend gebied

    Ik besta, nog in leven,
    uit een warm lijf, omgeven
    door al zijn producten:
    zo’n zestig boeken gevuld
    met soms wel gelukte
    gedichten en stukken.

    Zo’n zeven decennia waarde Leo Vroman rond in de Nederlandse literatuur, haast zonder er ooit lijfelijk bij te zijn want hij woonde sinds 1947 in Amerika. Zestig boeken schreef hij naar eigen zeggen. In 1974 verscheen het gedicht ‘stijlfiguren: de asyndetische vergelijking’, dat opgenomen werd in Lodewick’s Literatuurgeschiedenis van na 1916. De vergelijking-zonder-verbindingswoord. Ik herinner me de huivering van: ‘dit papier; mijn huid’. De directheid ervan: de kracht van dat beeld, dat het papier de huid van de dichter zou zíjn.

    Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
    verzacht het vreemde door de druk verstenen
    van het geschreven woord, of spreek het uit.

    Menige verzen heb ik al geschreven,
    ben menigeen een vreemdeling gebleven
    en wien ik griefde weet ik niets te geven:
    liefde is het enige.

    Aan de lange rij van Vromans dichtbundels is nu met Die vleugels II een einde gekomen. Na het lezen van deze omvangrijke bundel en terugkijkend naar bijvoorbeeld dit vers zie je hoe constant dit oeuvre uiteindelijk is.

    Die vleugels II − naar wens van de dichter een pendant gebleven van zijn laatste bundel Die vleugels − bestaat uit enkele honderden gedichten geschreven tussen zomer 2012 en 10 februari 2014. Vroman stierf op 98-jarige leeftijd op 22 februari 2014. Dit boek vormt dan ook een voor iedereen toegankelijk document van de laatste jaren van een mens. De wijze waarop hij omziet, de manier waarop hij de dood tegemoet treedt. Wat daarbij opvalt is de constante van dat stukje uit het gedicht van 1974: ‘liefde is het enige’, Vromans testament is een niet-religieus testament van de liefde. De zeer lichte toon in vrijwel al zijn latere poëzie springt echt in het oog. Waaruit bestaat deze lichtheid? Allereerst: rijm. Rijm is de bougie van Vromans dichterschap, hij zet zichzelf eenvoudig aan door middel van rijm. Zijn rijm is in dit late werk soms stuntelig of eerder: snel goed genoeg, maar levert toch weer heel vaak een verrassend beeld op:

    Ik wil niet graag meer willen.
    ik vind dat het iets heeft
    van een paard dat zijn eigen billen
    zweepslagen geeft.

    Dit is geen geslaagde strofe, maar het doet er niet toe bij Vroman, de zin in zijn hoofd ‘dat hij niet meer wil willen’ laat immers maar weinig mogelijkheden voor de derde zin. En knap is dan dat het beeld veelzeggend is: willen als jezelf voortdwingen, en daar genoeg van hebben. Overigens weeft Vromans er nog regelmatig moeiteloos een volmaakt sonnet doorheen. Je ziet aan de gedichten dat aardse faam of technische volmaaktheid volledig buiten Vromans aandachtsgebied liggen: hij schrijft gedichten omdat hij dat al zo’n lang leven doet. Vromans poëzie is mindful: oordeelloos, in het heden.

    Deze bundel is een oefening in laconiek sterven. Vromans schrijffrequentie is hoog: op sommige dagen schrijft hij 3 gedichten. Als het lichamelijk minder ging, is hij er soms een paar dagen uit. Zijn wereld is klein: het uitzicht vanuit een hoog gebouw, het weer, dat zijn de weinige impulsen van buiten die het tot in de gedichten redden. Veel van het werk gaat op een luchtige manier − slechts een heel enkele keer vermoed je een dichtgeschroefde keel − over het einde. Wat opvalt is het opmerkelijke weinig voorkomen van een ‘verleden’. Op blz. 206 staat er zo een: de dichter sluit de lamellen en stelt zich het schemerlicht van Indische middagen voor: ‘ik hoop dat Java nog zo is / als het Java dat ik nog zo mis.’ Maar waarom zijn herinneringen in dit werk zo zeldzaam? Omdat je iets herinneren en ‘laconiek sterven’ niet verenigbaar zijn? Omdat een groot verleden ẻn uitzicht op de dood altijd tot droefenis moet leiden? Dan valt bij lezing opeens op wat deze poëzie allemaal níet is: zij is níet zwaarmoedig, níet cultuurpessimistisch, níet herinnerend en toch diep.

    want ik heb wel verdriet
    maar ik voel het niet

    Voegt hij dan raadselachtig de lezer nog ergens toe.

    Dit

    Ik noem mijn boek meestal een stel gedichten
    maar deze keer doe ik dat niet,
    ik noem het een stel nieuwsberichten
    uit een onbekend gebied,
    een door bliksemlicht verlichte
    geschiedenis waar niets in geschiedt,

    een dagboek van lange nachten
    waarin de daden en de dingen
    van overdag nog even trachten
    de ware dromen en gedachten
    te verdringen,

    en ik leef nog in de wankelende waan
    dat dit alles beter is geweest
    dan ik het zelf heb kunnen maken.

    Laat mij maar slapende geloven aan
    een lieve bovenaardse geest
    en nooit ontwaken.

    Zeer dicht bij de dichter zelf is deze poëzie en daardoor soms ook wat klein. Het klinkt haast blasfemisch, maar je er kunt vraagtekens bij zetten of we alle pakweg 220 gedichten in deze bundel moeten hebben willen lezen. Maar het vreemde is dat je dat − eenmaal begonnen − toch doet. Omdat Die vleugels II veel meer is dan een dichtbundel, het is een verzameling afsluitende observaties van een leven, een verzameling waarin verbazing, liefde en lichtvoetigheid nog de boventoon kunnen voeren. En dat is mateloos intrigerend in een hoofd van 98 jaar: ‘slotakkoorden van mijn stoffelijk bestaan.’
    Vroman deed het weer: direct het papier van deze bundel zijn levende huid te laten zijn.

    Dinsdag, 20 augustus 2013

    Misschien ontplooit zich Wereldvrede
    niet als een mooi Donderslag
    of het hijsen van een Nieuwe Vlag,
    maar met kleinigheden:

    De krant is maar 1 pagina,
    het Nieuws is ochtendgymnastiek,
    iets over mussen, en daarna
    klassieke muziek,

    je moet opeens een vijand bellen
    die lang geleden
    is overleden

    en hem eindelijk vertellen
    dat haat, dat liefde, dat
    ja     wat

     

    Deze bespreking verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater.

    ,
  • Een huis is te groot om door de deur te passen

    Het zijn prima tijden voor liefhebbers van Franse poëzie die op Nederlandse vertalingen moeten vertrouwen. Bij kleinere uitgeverijen als De Wilde Tomaat, Poëziecentrum en Studio 3005 verschenen de afgelopen jaren vertalingen van canonieke dichters als Paul Verlaine, minder bekende maar hedendaagse groten als Yves Bonnefoy, en vrijwel onbekende dichters als Linda Maria Baros. Bij Studio 3005 verscheen een tijdje geleden de bundel Opmerkingen (Remarques, 1997) van Nathalie Quintane, (1964) in vertaling van Kiki Coumans.

    Opmerkingen wordt bijna geheel zonder bijkomende informatie gepresenteerd: geen voor- of nawoord, zelfs geen flaptekst; alleen op de site van de uitgeverij staat een stukje over de bundel. Enerzijds frustreert dat, zeker als je gewend bent aan vertalingen met voor- en nawoord en aantekeningen (al dan niet per gedicht), maar anderzijds is die contextarme presentatie van Opmerkingen logisch. Er staat bijvoorbeeld niet achterop de bundel dat hier gedichten in staan en dat is begrijpelijk, want staan hier eigenlijk gedichten in?

    De teksten in Opmerkingen zijn in proza opgestelde observaties, ingedeeld in drie categorieën/afdelingen: over autorijden, het huis en het lichaam. De observaties variëren van enigszins naïef tot bijna neurotisch, en zijn of herkenbaar, of werpen een nieuw blik op een bekend fenomeen (het zal per lezer per tekst verschillen hoe hij/zij die ervaart). Sommige teksten zijn puur observaties (‘Er is een insect met een klein plokje tegen de voorruit te pletter gevlogen’); andere zijn (welhaast filosofische) overdenkingen: ‘Een ingestort huis is hetzelfde huis in een andere ordening.’ Quintane heeft oog voor details die niet iedereen opvallen, maar haar blik maakt enthousiast. Ze schrijft bijvoorbeeld: ‘Hoe harder de nagel die ik afknip, hoe verder hij wegspringt bij het laatste knipje.’ Zo’n passage roept toch gewoon op om zelf wat onderzoek te doen op het moment dat de nagels weer te lang zijn? (Uw recensent kan in elk geval niet wachten tot het weer zover is.)

    Quintanes werk doet overigens opvallend Nederlands aan. Je kunt iemand prima wijsmaken dat deze teksten uit een paar jaargangen Barbarber komen, en Quintane een Nederlandse dichter is die tegelijkertijd met de Zestigers debuteerde. De verwondering over het alledaagse die uit sommige teksten spreekt vertoont in elk geval opvallende overeenkomsten met die van pakweg K. Schippers of de vroege Bernlef. De baldadigheid van hen ontbreekt echter bij haar, of de neiging tot readymades (‘Greetje Reitsma uit de Schaepmanstraat 16 werd haar rode autoped met witte spatborden afgenomen. Ze wil hem graag terug.’ viel in een van de nummers van Barbarber te lezen). Quintane observeert, denkt na, stelt vragen, is zeker niet humorloos, maar is niet bezig met iets dat niet literair aandoet wel als literair te presenteren.

    Maar ergens knaagt Opmerkingen. De observaties en overdenkingen blijven precies dat: observaties en overdenkingen. Je kunt ze gedichten noemen, maar daar valt best wat op af te dingen. Aan de prozavorm ligt het niet, want er bestaat nog altijd zoiets als het prozagedicht. De schoen wringt op een andere manier: zou je dit ‘inhoudelijk’ poëzie kunnen noemen? Als je als criterium neemt dat de teksten na moeten galmen: dat doen ze geregeld. Als je bijzonder taalgebruik, rijm of metaforiek bijvoorbeeld, als criterium neemt schrijft Quintane echter geen gedichten. Rijm en/of metaforiek als voorwaarde stellen is uiteraard een conservatieve opvatting van poëzie, maar qua taalgebruik valt er niet veel aan te beleven. De teksten zijn gespeend van elke vorm van opsmuk, en dat is tot op zekere hoogte verfrissend, maar ook wel heel kaal. Quintane gaat vrijwel geheel vergelijkingsloos te werk, en woorden die opvallen door bijvoorbeeld een dubbele lading of opvallende connotatie, ontbreken.

    Opmerkingen is in elk geval een interessant, fris boek. Coumans vertaling is bovendien volkomen natuurlijk aandoende vertaling (geen Nederlands-vreemde zinsbouw bijvoorbeeld, een verschijnsel dat je nogal eens in vertaalde poëzie aantreft), en met de afwezigheid van begeleidende informatie valt best te leven. Toch blijft het jammer dat het taalgebruik niet wat spetterender of opvallender is.