• De ongebundelde stukken bevatten veel aardigs en wetenswaardigs

    Als je iets aardigs wilt zeggen over artikelen in tijdschriften en kranten die zo’n dertig, veertig jaar geleden geschreven zijn door een schrijver die al weer een tijdje geleden is overleden, dan is het waarschijnlijk dat je iets zegt in de trant van: zijn stukken zijn nog verbazend actueel. Als je iets onaardigs wilt zeggen dan is het dat de stukken verouderd zijn.

    Eigenlijk is dat heel vreemd. Moet literatuur van veertig jaar of langer geleden actueel zijn om interessant te worden gevonden? Waarom zou dat eigenlijk moeten? Ik heb eens een actrice van Toneelgroep Amsterdam op de radio horen zeggen dat Medea nog heel erg actueel is. ‘Laatst,’ zei ze, ‘stond in de krant dat een moeder haar eigen kinderen had omgebracht. Het gebeurt nog steeds,’ benadrukte ze.

    Ik vond het een vreemde opmerking. Het is ook niet waar dat Medea een goed toneelstuk is omdat het actueel is. Het zou betekenen dat als er geen moeders meer zijn die hun kinderen vermoorden Medea opeens minder interessant zou zijn. Het is een goed toneelstuk maar niet omdat er nog steeds moordlustige moeders rondlopen, maar veel eerder omdat Euripides een goed schrijver was.

    Karel van het Reve (1921-1999) is al een tijdje geleden overleden. Hij stierf in 1999, met de P.C. Hooftprijs op zijn naam. Uitgeverij van Oorschot geeft zijn Verzameld werk uit en is nu bij deel vier aangekomen dat maar liefst meer dan 1.000 bladzijden telt. Het bevat de bundels Uren met Henk Broekhuis en Een Dag uit het Leven van de Reuzenkoeskoes. Het grootste gedeelte bestaat echter uit werk dat nooit eerder in boekvorm verscheen, geschreven in de periode 1973-1980. Het zijn stukken afkomstig uit o.a. NRC Handelsblad, Het Parool en tijdschriften als Tirade en Hollands Maandblad.

    Veel van die stukken zijn verouderd. Ze hebben betrekking op situaties die nu totaal anders zijn en kwesties waarom niemand zich meer druk maakt. Toch zijn die stukken heel leuk om te lezen. Sommige zijn er met de tijd zelfs op vooruit gegaan. Dat komt omdat ze nu ook leerzame informatie uit het verleden bevatten. Het plezier in het lezen heeft alles te maken met het feit dat Karel van ’t Reve zo goed schreef. Ik geloof niet dat er een essayist is die helderder schreef dan hij. Ook combineerde hij humor en logisch denken met speels  gemak, wat een grote zeldzaamheid is.

    Een voorbeeld van een verouderd stukje is België en China dat Van ’t Reve schreef in 1973 onder het pseudoniem Henk Broekhuis. ‘Wanneer wij België en China met elkaar vergelijken, dan valt de vergelijking uit in het voordeel van België. (…) de gemiddelde Belg gaat vaker in een Chinees restaurant eten dan de gemiddelde Chinees, hij heeft meer schoenen, winterjassen, en gekleurde overhemden, meer vierkante meter woningruimte, hij heeft het ’s winters minder koud en zomers minder warm. (…) Daar staat tegenover dat die Chinees, althans zijn regering, atoom- en waterstofbommen heeft. Maar daar doe je zo weinig mee.’

    Er is veel veranderd sinds de jaren 70, toen bijna elke student marxist was, en de koude oorlog nog woedde. Van het Reve was Slavist, voormalig correspondent in Moskou voor het Parool en schreef herhaaldelijk over de blinde vlek van Westerse fellow travellers voor de terreur van  de communistische regimes. Het communisme is inmiddels verdwenen of, in het geval van China, onherkenbaar veranderd. Toch zijn Van het Reve’s stukken over dit onderwerp het lezen meer dan waard. Hij analyseert droogjes, feitelijk en met humor en je krijgt als lezer nooit het idee dat je iets opgedrongen krijgt.

    De ongebundelde stukken bevatten veel leuks, aardigs en wetenswaardigs. Ik noem een paar hoogtepunten. Zijn dankwoord bij het in ontvangst nemen van de Nijhoff prijs in 1979 die hij kreeg voor zijn vertalingen uit het Russisch. Een recensie over De Som van Misverstanden van Maarten ’t Hart die bij hem college Russische literatuur volgde. Vier krantenartikelen over het boek Literatuurwetenschap van F.C. Maatje, althans over de eerste 80 bladzijden. (Het tweede stukje heet Diepe Treurigheid .)  En twee stukjes getiteld Op Reis waarin broer Gerard voorkomt en waarop hij vervolgens erg boos werd.

    Maar het mooiste van dit deel vier zijn toch de eerste twee bundels. Uren met Henk Broekhuis is al vaak geroemd en dat is terecht. In korte hoofdstukjes ontkracht Van het Reve algemeen geaccepteerde uitspraken en gedachten, zoals het idee dat een potlood in kunst en literatuur een fallisch symbool is, of de gedachte dat massaproductie tot eenvormigheid leidt, of dat iemands gedrag in een boek ‘psychologisch verantwoord’ moet zijn.

    Van het Reve had een zesde zintuig voor onzin en wist dat met heel eenvoudige middelen te ontmaskeren. Twee hoogtepunten uit zijn werk, die dat heel goed illustreren, staan in Een Dag uit het Leven van de Reuzenkoeskoes. Het eerste is het titelstuk, een aanval op de evolutietheorie, althans het idee dat elke eigenschap die je bij een dier kunt aantreffen tot stand is gekomen op grond van natuurlijke selectie.

    Regelmatig kun je over dit essay lezen dat Van het Reve ernaast zat. Dat wordt dan niet verder uitgelegd. Het lijkt erop dat alleen al de roem van de evolutietheorie een maatje te groot is bevonden voor Van het Reve’s kritiek. Naar mijn idee is dat te kort door de bocht. Zijn bezwaren zijn veel meer logisch van aard dan dat ze bepaalde biologische feiten willen tegenspreken. Voor de goede orde, Van het Reve was geen creationist. Zijn kritiek komt voor een groot deel neer op het feit dat de evolutietheorie, of uitspraken daarover, niet te falsifiëren is. Maar laat ik daar hier niet verder over uitweiden.

    Van het Reve weigerde trouwens over de evolutietheorie iets te lezen. Dat tot ergernis van bijvoorbeeld Maarten ’t Hart die met hem in discussie ging. <link: http://www.groene.nl/2008/48/met-karel-in-de-clinch > Iets niet lezen, en er wel over schrijven, deed Van het Reve wel vaker.  Je komt in dit deel herhaaldelijk tegen dat hij zich verzet om iets te lezen wat slecht geschreven is of wanneer hij de overtuiging heeft dat hij beter over het onderwerp na kan denken dan te lezen wat anderen er over gezegd hebben. In de hierboven genoemde stukken over Maatje komt hij niet verder dan bladzijde 80. In zijn dankwoord voor de Nijhoff prijs in 1979, die hij ontving voor zijn vertalingen uit het Russisch, zet hij zijn theorie over vertalen uiteen (‘Vertaal wat er staat’) en merkt daarbij op dat hij nooit boeken over vertaaltheorie heeft gelezen. NRC Handelsblad vraagt hem eens over burgerlijke ongehoorzaamheid een stukje te schrijven en stuurt hem alvast wat artikelen over het onderwerp. Van het Reve begint zijn stuk met het excuus dat hij ze niet meer kon vinden en dat zijn vrouw niet thuis is. Dan maar zonder. Overpeinzingen van een leek.

    Het tweede hoogtepunt is de Huizingalezing uit 1978, Het Raadsel der Onleesbaarheid. Hij nam het op tegen de literatuurwetenschap, een wetenschap die volgens Van het Reve helemaal niet bestaat. In feite viel hij zijn eigen vakgebied aan, hij doceerde immers Slavische letterkunde.  ‘Aanvallen’ is hier niet het goede woord. Hijzelf noemt het ‘bezinnen’, maar dan wel een bezinnen dat zo ontnuchterend en geestig is dat het een vernietigende uitwerking had, en nog steeds heeft, op hen die het betreft. Hij kreeg er de literatuurwetenschappers de hoogste bomen mee in. Wat waren zij kwaad.

    Wie niet kwaad wordt en enigszins bekend is met de pretentie van wetenschappers ? en dat hoeven geen literatuurwetenschappers te zijn ? zal vaak moeten glimlachen en soms schateren om de ontmaskering van onzinnige ideeën en nuchtere constateringen als: ‘Van een zin als de daarnet geciteerde zin van Lotman begrijp ik niet hoe iemand zo’n zin kan opschrijven, en ten tweede begrijp ik niet hoe iemand die zo’n zin opgeschreven heeft zich niet dezelfde avond nog verhangt.’

    Net als zijn aanval op de evolutietheorie ligt de kern van zijn bezwaar tegen de literatuurwetenschap weer bij het falsifiëren van zogenaamde wetenschappelijke uitspraken. Literatuurwetenschappers doen hun best de eigenschappen van goede boeken te beschrijven maar die eigenschappen kom je ook in slechte boeken tegen. Bovendien is wat er beweerd wordt zo triviaal of onzinnig dat het onleesbaar in een ‘dieventaal’ moet worden opgeschreven om niet direct als zodanig herkend te worden. Maar het allerergste is toch dat de literatuurwetenschap onleesbare teksten produceert terwijl je juist van liefhebbers van literatuur toch wel iets anders zou verwachten. ‘Als Multatuli zo volstrekt aan iemand voorbij gegaan is dat hij dit soort zinnen opschrijft ? waarom schrijft hij dan over Multatuli?’

    Ook hier speelt het niet lezen weer een rol. Van het Reve wil wel, maar het is hem ‘fysiek onmogelijk’ de geschriften die de literatuurwetenschap voorbrengt te lezen.  Veel beter is het om zelf na te denken. Hij citeert dan ook Schopenhauer:  ‘Wie wenig muss doch einer zu denken gehabt haben, damit er soviel hat lesen können!’

    Het Raadsel der Onleesbaarheid dient in de Canon te worden opgenomen. Het is één van de hoogtepunten in dit overigens prachtig uitgegeven deel. Wie kennis wil nemen van het werk van één van de beste essayisten die Nederland gekend heeft kan heel goed met dit boek beginnen. En om met iets aardigs af te sluiten: Van het Reve’s werk is verbazend actueel.

     

  • Zwevend in de lucht met de voeten in de aarde.

     In deze verhalenbundel brengt Van Toorn een novelle uit de Muggenreeks (2000), ander  werk dat al eerder verscheen (2003) samen met nieuwe verhalen. Die laatste, een viertal reisverhalen, zouden door Nooteboom geschreven kunnen zijn en blikken melancholiek terug op dichtersfestivals verspreid over Europa: in het eerste zijn we tijdens de Golfoorlog in een hotel waar een cynische Amerikaanse vliegtuigbouwer met genoegen de precisiebombardementen op de televisie bekijkt, in het tweede treedt de schrijver op het strand in contact met een beroemde Israëlische collega, in het derde wil hij optreden in Zuid-Afrika maar mag hij het land niet in omdat hij geen werkvergunning heeft, in het vierde bevindt hij zich ten zuiden van Napels.

    Hoewel Van Toorn beeldend schrijft vroeg ik me, ook omdat er weinig plot in de verhalen zit, af of dit herinneringen zijn van een oude vermoeide dichter met een bepaalde staat van dienst. In het eerste verhaal schildert hij zelf ook al het verschil tussen het zweverige dichtersleven en het alledaagse bestaan. ‘Thuis hadden ze, hoe beroemd ook, zoiets als een dagelijks leven waarin de vuilnisbak buitengezet moest worden en de huur betaald, waarin kinderen ondraaglijk lastig waren of waarin de uren op het kantoor waar ze hun geld moesten verdienen hen omlaag trokken naar de banaliteit.’

    Dat zweverige verdwijnt met een aangrijpend verhaal in het Bosnië van na de Joegoslavische oorlog. Alter ego Erik Leeman maakt een bustocht van veertien uur van Zagreb naar Serajevo die spannend wordt als ze worden aangehouden door Servische soldaten. De irritaties tijdens het dichtersfestival en de nasleep ervan in een tijdschrift zijn niet alleen politiek, maar vooral menselijk van belang.
    Vervolgens komen we aan bij het prachtige Haarlem Station dat ik al kende uit de Muggenreeks, maar dat nog meer aan kracht leek te hebben gewonnen. Het gaat over een zeventienjarige Amsterdamse kletsmajoor (‘Dat is onze taak als mensen, de dingen dramatisch te maken. Uit zichzelf doen de dingen namelijk niks.’) die na een vriendenbezoek met zijn vriendin Sara in zijn eentje in Haarlem uit de trein stapt omdat zij niet meer met hem verder wil leven. De ontheemding wordt langzaam duidelijk, de monoloog interieur is prachtig.

    Het titelverhaal De geur van gedroogde appels is charmant. De schrijver herkent op verschillende woonlocaties de geur van appels, ook tijdens een vakantie in Frankrijk in 1969 als hij midden in de nacht naar de maanlanding kijkt, terwijl een opoe naast hem partjes appel aan een draad rijgt en niet gelooft dat de mens werkelijk op de maan geland is. Als de schrijver later buiten naar de maan kijkt, ziet hij niets bijzonders. ‘Als je niet beter wist, zou je net als de oude grootmoeder denken dat het niet echt gebeurd was, maar in Parijs bedacht voor kinderen.’
    In het verhaal Apollo Henkie komt hij daarop terug naar aanleiding van oude banden, die gevonden zijn van de uitzending met Henk Terlingen over de maanlanding. Van Toorn vraagt zich af hoe het kon dat een eerdere versie van het titelverhaal zich in de middag afspeelde en concludeert dat het geheugen een bedrieglijk iets is.

    Rest ons tenslotte nog een aantal kortere verhalen.
    Het Nieuwe Meer is een sfeervol verhaal over een prille liefde met een aardige ontknoping; de indrukwekkende uitvoering van Der Tod und das Mädchen staat in schril contrast met de schatjes van kinderen die naast de schrijver op de kerkbank zitten; tijdens een vergadering herinnert Van Toorn zich een droom over de onlangs overleden Michaël Zeeman.
    Tenslotte is er nog een levenslustig verhaal over een vakantie op Kreta in het huis van een gemankeerde held en een impressie van een familiereünie in Zuid-Italië, die smaakt naar meer.
    ‘Je ziet in de smalle, steile straatjes die naar het piazza leiden kromme, geheel in het zwart geklede grootmoeders die nooit het dorp uit zijn geweest behalve om op het land te gaan werken, gearmd met punk-kleindochters uit Duitsland met alleen shorts en een bh aan en haar als gestolde rode en groene vlaggen. Onder de bogen van de portici aan het piazza waarin de bar is verscholen zitten de oudere mannen aan de koffie ? schoon wit overhemd, zwarte broek, soms een zwarte hoed ? en luisteren naar de verhalen van thuisgekomen zoons en neven.’

    Waarmee Van Toorn me weer helemaal voor zich heeft ingenomen.

     

  • De beste Enquist-bundel tot nu toe

     De zevende bundel gedichten van Enquist is in een fraai vormgegeven boekje tot ons gekomen. De Arbeiderspers heeft er op een smaakvolle manier een omslag omheen gedaan en ook het lettertype is secuur gekozen. Het is duidelijk dat we na Vasalis met een gearriveerde dichteres te maken hebben. Is deze bundel wat we ervan mochten verwachten?

    De vijf cycli zijn grofweg gegroepeerd rond de thema’s: Weer en binnennatuur, verdriet, muziek en het innerlijk behang, buitenwereld en persoonlijke beleving.
    Maar bovenal schrijft Enquist in deze bundel over wat Goethe zou zeggen: Das Menslich al zu Mensliche oftewel verdriet en hartstocht en het verstrijken van de tijd. De dood van haar dochter komt weer om de hoek kijken in o.a.

    Fantoom

    ‘Het is een woord voor pijn die geen
    bestaansrecht heeft; je lijdt aan
    een afwezigheid, je snakt met hart
    en huid naar wat er eerst nog was.

    Wat afgesneden is dringt zich bedrieglijk
    op, je strekt je armen blind naar
    de verzaagde voet, een leegte,
    het verdwenen kind. Het is een naam

    voor wat zich voordoet in de zestien
    meter van de ziel: een spookbeeld snelt
    de doelmond in en doet alle verlies
    teniet, maakt alles goed.’

    En we kunnen zien dat de dichteres nu iets meer afstand heeft tot het verlies dan vroeger, de laatste strofe biedt iets van uitkomst. Wel is ze nog steeds woedend op het Amsterdamse stadsbestuur, dat laks reageerde en de verkeerssituaties niet genoeg aanpakte, het verplichte instellen van de dodemansspiegel op vrachtwagens bijvoorbeeld versliep. Het vers heet de Straatstenen van Amsterdam maar is opgedragen aan de Gemeenteraad van de hoofdstad. Gelukkig zijn er net zoals in Soldatenliederen en Jachtscènes de twee eerste bundels van de dichteres ook weer schitterende natuurbeschrijvingen zoals in

    Uitnodiging om te schaatsen

    ‘Toen hier bergen waren, besneeuwde
    hellingen en zwarte kloven, bewogen
    wij tussen hoogte en diepte, hijgend,

    huiverend. Zuur moeras vrat de rotsen,
    water drong zich in groeven en gaten.
    Het heet modder. Groeit er gras op

    spreken wij van weide; plassen noemen
    we de rest. Onder de spiegel verzonken
    ministers (vermoedelijk waterstaat), thee-

    serviezen,de brieven. Leegte daarboven.
    Je moet geloven dat grijs het ijs zich
    uitstrekt, grijp mijn gehandschoende hand.

    Dan ademloos razen op snijdende ijzers;
    we krassen de namen in sneeuw. Ik lik
    het gruis uit je ogen. Kom dan. Kom.’

    De natuur als vervoermiddel voor hartstocht. In de cyclus over muziek ‘met esdoornhout en paardenhaar’ wordt de cello neergezet als een boodschap: Het gaat niet door! Wat een vondst, de lezer wordt gedwongen na te denken of hij het ermee eens is. En in het vers Van verre opgedragen aan Leonard Nolens schetst ze even de relatie tot andere dichters: (…) Ze vangen van elkaar verzen op, verstaan ze half, in tegenwind.(…).De onmogelijkheid van de ene dichter om de andere volledig te verstaan, volstrekt eerlijk neergezet.

    Enquist laat ons in deze bundel zelden met een rustig gevoel achteroverleunen. Er waait op de achtergrond een onrustige wind, we moeten op onze hoede zijn. Dat komt tot een soort apotheose in het titelgedicht Nieuws van nergens. Ergens is een orkaan en mensen hier zien dat op de televisie, ze kunnen hun ogen sluiten of naar een andere zender doorzappen, maar de verslaggever op de beeldbuis vervult de rol van machteloze. (…) Maar tot het zover is staat op een berg/ te dun gekleed, iemand te briezen/ en een microfoon, een eindeloze stroom/ met nieuws van nergens (…)

    De hoofdpersonen in deze verzen zijn eigenlijk in hun nietigheid, hun twijfels bijna nergens. Ze treuren, ze kunnen elkaar niet bereiken of zijn al dood voordat ze iemand ontmoeten zoals in het fraaie vers over Elvis, Een dikke jager, waarin een fietser, die lijkt op Elvis de oude moeder komt bezoeken. Hij ziet eruit als Elvis, die zij zo bewonderde, maar nu is het te laat.(…) De glitters waren van zijn pak gesleten/ maar het kon niemand ontgaan, daar/reed Elvis in zijn nadagen.(…)

    Een en ander zou tot de sombere gedachte kunnen leiden, dat Enquist ons een erg sombere boodschap wil meegeven. ‘Maak je geen illusie, alles gaat uiteindelijk op niets af, er is geen hoop. Of nog erger: Maak je geen illusies, je verandert er toch weinig tot niets aan.’  Dat is echter niet waar, tussen de regels door van bijna alle verzen sijpelt de zachte vriendelijke toon van een gevoelige natuur. Na de schaatspartij in Uitnodiging om te schaatsen lezen we waar het eigenlijk om was begonnen (…) grijp mijn gehandschoende hand/ Dan ademloos razen op snijdende ijzers/ we krassen de namen in sneeuw. Ik lik/ het gruis uit je ogen. Kom dan. Kom(…) Bij slechte dichters staat de poëet vaak tussen zijn gedicht en de lezer. Bij Enquist is dat andersom, ze dringt zich niet op, maar soms – heel even- duikt ze op achter de regels met een kwinkslag of een mooie gevoelige gedachte. Met zachte stem. Dit is de beste Enquist-bundel tot nu toe. En dat belooft nog veel goeds.

     

  • Het waren de vier mooiste, de vier enige echt mooie jaren van mijn leven

    In 1931, tijdens een onderbreking van het schrijven aan zijn romancyclus Les Thibault, schrijft Roger Martin du Gard (1881-1958) deze korte novelle over een incestueuze liefde tussen broer (Leandro Barbazzano) en zijn 4 jaar oudere zus (Amalia). In een niet nader te noemen grote Algerijnse stad  groeien zij samen op en wonen boven de boekwinkel van hun zeer strenge, hardvochtige en ontoegankelijke vader. Hun moeder is al jong overleden. Broer en zus delen vanaf hun prille jeugd dezelfde slaapkamer, gescheiden door een schot met een gordijn. Er ontstaat een stormachtige liefdesverhouding die door niemand wordt opgemerkt.
    Maar, na vier jaar, komt hieraan een bruusk einde. Leandro moet zijn dienstplicht gaan vervullen in het Italiaanse leger en zal twee jaar wegblijven. Amalia wordt verplicht door haar vader te trouwen met de dertig jaar oudere, welgestelde boekhandelaar Ignazio Luzzati  waarvan ze walgt en die zij (broer en zus) ‘het ouwe varken’ noemen. Doet zij dat niet dan zal ze tot nader order opgesloten worden in een klooster. Amalia heeft dan een heel onverwacht idee. ‘Ja, ik trouw met de ouwe. Maar alleen als we het voor die tijd zo regelen dat ik zwanger ben’ ? blz. 38.

    Aldus geschiedde. Leandro vertrekt in oktober naar Sicilië, het huwelijk vindt plaats. Zeven maanden later bevalt Amalia: een jongen, Michele. ‘Hij was heel zwakjes, alsof hij echt te vroeg geboren was. Alleen al in het eerste jaar dachten ze hem wel tien keer te verliezen.’- blz. 39. Michele wordt niet ouder dan 16 jaar en sterft in een Frans sanatorium aan tuberculose. Deze episode is tevens het begin van deze novelle, de introductie op het Afrikaans Geheim.

    Roger Martin du Gard ontmoet Leandro (inmiddels een gerenommeerd boekhandelaar) in dit sanatorium in Font-Romeu. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen Leandro en ‘meneer du Gard’.

    De schrijver heeft Michele slechts één keer gezien op zijn doodsbed ‘(…) broodmager maar van een grote schoonheid’.  Ongeveer twee, drie jaar later maakt hij kennis met Leandro’s  zus, haar man en hun half dozijn kinderen bij wie Leandro inwoont. Het contrast van deze zes kinderen met die prachtige Michele is verbijsterend. Deze kleine Luzzati’s zijn ‘kort en dik, week als kikvorsen, met bolle wangen en dikke billen, schorre stemmen en verwarde, wollige haardossen, en allemaal hopeloos alledaags’, constateert Du Gard.

    Broer, zus en zwager zijn inmiddels  gezamenlijk eigenaar van de Librairie Barbazzano-Luzzati, opgericht door hun vader en nu een van de belangrijkste boekwinkels van de stad.
    Na zijn bezoek besluiten Leandro en Du Gard samen de mailboot vanuit Afrika naar Marseille te nemen en dan vertelt Leandro, naast elkaar gezeten op het dek, zijn ‘Afrikaans geheim’  aan de schrijver. Een bekentenis in de vorm van een monoloog, zonder enige schaamte of spijt, in simpele feiten, maar met veel gevoel verwoord. Het is aan de toehoorder of de lezer hierover een oordeel te vellen.

    Roger Martin du Gard die voor zijn omvangrijke saga Les Thibault in 1937 de Nobelprijs voor de Literatuur ontving toont ook in deze ultrakorte novelle zijn meesterschap als verteller. Vooral zijn beschrijvingen van de personages zijn markant naturalistisch en doen denken aan Honoré de Balzac, Emile Zola, Gustave Flaubert  en André Gide,  die zich in hun tijd ook nogal wat vrijheden permitteerden. Wij zien een verfijning  in de monoloog op de boot; rauw realistisch is de stijl in bijvoorbeeld de beschrijving van het gezin Luzzati. Vooral van Amalia die in de Frans-Italiaanse film La Grande Bouffe van Marco Ferreri (1973) beslist niet uit de toon zou vallen door haar weelderig, doch wanstaltig voorkomen en vooral de beschrijving van haar manier van voedsel naar binnen schrokken werkt misselijkmakend op de lezer.
    Du Gard beschrijft op blz. 13-14 deze ‘oosterse corpulentie’: ‘Nee, mooi was Amalia niet; ik zou zelfs zeggen dat haar gerimpelde schildpadoogleden, haar dikke papperige gezicht, haar vettige huid, haar peervormige lijf, uitgezakt door de door de zwangerschappen en het zogen, haar doelbewust tot een probaat middel tegen zinnelijke lust maakten. (…) Naast de grote porties macaroni die ze tijdens de maaltijden opschrokte, zat ze van ’s ochtend tot ’s avonds kleverig Turks fruit te kauwen en sprak ze bijna altijd met volle mond’.  De schrijver vergoelijkt overigens min of meer deze dwingende en hartstochtelijke snoeplust : ‘die gulzigheid leek de revanche, de toevlucht voor alle passie van een vrouw, en dat had bijna iets pathetisch.’

    Wanneer Leandro zijn bekentenis doet, lijkt het alsof hij tegelijkertijd zijn geheim weer herbeleeft, beter begrijpt, maar er tevens volledig afstand van neemt door geen enkele verantwoordelijkheid hiervoor te aanvaarden. Blz. 43: ‘Ineens schoot het door mijn hoofd dat ik in feite verantwoordelijk was voor die geboorte, en ook ? misschien? ? voor die zwakke gezondheid, die ziekte…. Verantwoordelijk? Dat staat nog te bezien… Daar valt over te twisten! Bloedverwantschap levert soms wonderbare resultaten op…’.  Het standpunt van Amalia komen wij niet te weten. Zij lijkt letterlijk en figuurlijk goed te gedijen in de slachtofferrol. Slachtoffer van de mannen om haar heen, zou je kunnen zeggen.

    De aandachtige lezer leest op blz. 6 dat Leandro ‘een nog jonge man  (…)’  was bij de eerste ontmoeting met Du Gard in het sanatorium waar zijn 16-jarige ‘neef’ Michele verpleegd werd.
    Een paar jaar later volgt dan de bekentenis. Een rekensommetje  leert dat Leandro toen ongeveer 38 jaar moet zijn geweest. Toch heb je steeds de indruk dat het een oude(re) man is die eindelijk zijn geheim prijsgeeft. Hoewel, …. de beschrijving van Amalia met haar kroost waarvan ze er nog een zoogt, bewijst dat broer en zus beiden nog vrij jong zijn. Opmerkelijk!

    Het ontroerendste moment in het verhaal was voor mij:  ‘Maar twee of drie keer misschien, tijdens mijn bezoeken en de maaltijden die ik verplicht was bij de Luzzati’s te gebruiken, werd er tussen Leandro en mij gezinspeeld op onze ontmoeting in Font-Romeu, en iedere keer vulden de ogen van papa Luzzati zich stilletjes met tranen. Michele was kennelijk het lievelingetje van zijn vader geweest’ aldus de schrijver op blz. 15. Het lijkt dat de ‘stiefvader’ misschien nog wel het meest van het kind gehouden heeft.

    Toch is het even wennen om Confidence Africaine in hedendaags Nederlands te lezen. Het Frans van de jaren 30 van Roger Martin du Gard is, zeg ik met enig chauvinisme, zo veel rijker in woordenschat.

    Dat neemt niet weg dat deze eerste Nederlandse vertaling van een werk van Du Gard zeer zeker de moeite van het lezen waard is en zal zorgen voor veel vragen en discussies. Deze novelle suddert na lezing nog enige tijd na. Ik adviseer dan ook de diverse leeskringen in het land om dit boekje in hun leeslijst op te nemen als voorproefje op het hoofdwerk van Martin du Gard, de achtdelige serie Les Thibault, die de komende jaren bij  J.M. Meulenhoff  zal verschijnen. Hulde voor dit initiatief!

    In België en Frankrijk is enkele jaren geleden deze novelle al voor het toneel bewerkt en heeft geruime tijd gezorgd voor volle zalen. Persoonlijk kijk ik dus nu uit naar de vertolking van Leandro door bv. Thom Hoffman of Daan Schuurmans of wie weet, toch door een oude(re) man …. Helmert Woudenberg!?

     

  • Schrijven tot je een ons weegt

    Nanowrimo

    Achter deze intrigerende afkorting gaan de woorden National Novel Writing Month schuil, een initiatief van Chris Baty, dat inmiddels is uitgegroeid tot een internationaal evenement, waarbij – vooral aankomende – schrijvers de pennen slijpen om in de maand november 50.000 woorden bijeen te schrijven en daarmee een soort digitale oorkonde te bemachtigen, waarmee men op de site kan pronken. Dat laatste is misschien wel het minste, wat het meedoen aan deze ludieke wedstrijd oplevert. Op de eerste plaats is er het plezier om te participeren, op de tweede plaats ligt er – als het goed is – op het eind van de maand een ruwe versie van een boek klaar, dat bewerkt kan gaan worden en op de derde plaats zijn er – last but not least – de contacten met andere ploeteraars overal ter wereld.

    Eind oktober besloot ik mijn voorgenomen roman ‘De getijden’ aan de kant te schuiven en me aan te melden. In het begin is alles even wennen. Ik moest verschillende keren de spelregels lezen en had het toen nog niet helemaal door, dus stuurde ik een e-mail naar een jonge Nederlandse vrouw die in Engeland woont en die, zoals ik op de site van Nanowrite zag, al verschillende oorkonden binnen gesleept had. Ze hielp me een eind op weg met uitvoerige en degelijke antwoorden, maar het bleef me onduidelijk of ik nou elke dag minimaal 1667 woorden moest up1oaden of ik ook vooruit kon werken en of ik ook teksten mocht plakken, want op die manier kan men natuurlijk gemakkelijk vals spelen. Alles mag, zo berichtte me een dag later een Nederlandse schrijver van jeugdromans, die ook al ervaring met Nanowrite had.

    Op de één na laatste dag van oktober dacht ik na over een verhaal maar het leek me ook prima om vanuit het niets te beginnen. Ik zei gekscherend tegen een collega in de kroeg dat ik ging schrijven over een jongen die een meisje wilde zijn, maar al snel ontstonden de contouren van een boek over een werkloze journalist die op 1 november 2009 het graf bezoekt van zijn bloedmooie, jongere zusje met wie hij een incestueuze relatie had en die op haar achttiende verjaardag werd vermoord.

    De organisatie ondersteunt deze schrijfwedstrijd met een fantastische site, waarop iedereen een eigen pagina heeft, waarop je allerlei gegevens kunt invullen, zoals op de Authors-info je biografische gegevens en je voorkeuren voor boeken en muziek en je verdere hobbies. Dan is er de Novel-info waarop je een synopsis kunt bijhouden en bijwerken en een uittreksel van je roman presenteren. Er zijn zelfs deelnemers die al een omslag klaar hebben.

    Kroon op de site is de teller die groot uitgespaard bovenaan de eigen pagina prijkt. Een vrouw uit Overijssel twitterde begin november tot mijn verwondering hoe het met mijn wc stond en na enige navraag begreep ik dat die eruit bestaat hoeveel woorden je uitgepoept hebt, om in die sfeer te blijven. Ik sta zelfs inmiddels op 24076 woorden en ik zag zojuist dat er al twee deelnemers klaar zijn.

    Dan is er de lijst met je buddies, waarop je in één klap kunt zien hoe iemand, die jij volgt, er voorstaan en met wie je ook berichten kunt uitwisselen.

    Tenslotte zijn er de statistieken waarop je kunt zien of je nog een beetje op schema ligt.

    Verder zijn er de peptalks die je per e-mail ontvangt van de eerder genoemde bedenker Chris Baty of van een gearriveerde schrijver als Jasper Fforde, die ook een prachtige website heeft, waarop je heerlijk kunt ronddolen. Een andere schrijfster, Lynda Barry, heeft op de site www.lyndabarry.net in een pdf een voorproefje gezet van haar prachtig geïllustreerde boek ‘What it is’, een kunststukje over het schrijfproces.

    Als dat allemaal nog niet genoeg is kun je ook nog naar allerlei write-ins die overal in het hele land worden gehouden. Een geweldig initiatief dus. Voor meer informatie zie www.nanowrimo.org en het bericht van Yvonne in de agenda van 20 oktober j.l. op deze site.

  • Kroniek van de menselijke onmacht

    Door Jessica Brouwer

    Thomas von Steinaecker dwingt in zijn debuutroman Wallner beginnt zu fliegen (2007), in het Nederlands vertaald als Wallner begint te vliegen (2009), inlevingsvermogen af bij de lezer. De auteur laat de levens van drie generaties Wallner passeren: Stefan, eigenaar van een firma in landbouwmachines, zijn zoon Costin, een op tv gecaste Popstar, en diens onechtelijke dochter Wendy, lesbienne en feministisch literatuurwetenschapper. Het zijn levens die met elkaar verweven zijn, maar elkaar niet wezenlijk raken, of slechts vluchtig. Elk van hen ziet zich geconfronteerd met de leegheid van het bestaan. Het bedrijfsleven waarin oppervlakkige commercie troef is, de hedendaagse mediawereld bevolkt door eendagsvliegen en de wetenschap waarin opportunisten de toon zetten. De drie generaties Wallner proberen zich ieder op hun eigen wijze te ontworstelen aan de welhaast tastbare inertie. Toch verstrijken de levens in dit drieluik schrikbarend nadrukkelijk.

    Het begint met een treinongeval waarbij de oude Günter Wallner dodelijk verongelukt. Amper is zijn zoon Stefan, eigenaar van een firma in landbouwmachines, nog in een shock door het bericht van het overlijden van zijn vader, dan al ontwikkelt hij een paranoia die zich uitstrekt tot zijn vrouw en zijn bedrijfspartner. Op afstandelijke toon wordt verslag gedaan van de keten van handelingen die hem naar zijn einde voert: hij doet afstand van de firma, verwijdert zich van zijn vrouw, vertrekt naar Parijs en leidt een dubbelleven tot aan zijn dood.

    De kille zakelijkheid van Stefan’s lotgevallen wordt gevolgd door de snelle en holle frasen van de mediawereld. Eerst staat zoon Costin nog als jong gecaste ster op de televisiebühne, al snel blijft het succes uit en begint de strijd om een tweede, derde en vierde carrière die naar de curieuze afgronden van de popcultuur voert. Hij wordt synchroonspreker in een film over Hitler, neemt als voormalige bekendheid deel aan een realityshow en richt tenslotte een muzieklabel voor Indiemuziek op. Op middelbare leeftijd ontdekt Costin het bestaan van zijn onwettige dochter Wendy, die hij net voor haar achttiende verjaardag voor het eerst ontmoet. Vlak daarna sterft hij.

    Wendy, evenals haar vader niet van opportunisme verschoond, schrijft eerst als geëngageerde lesbienne en studente aan haar scriptie in de feministische literatuurwetenschap, maar al snel baant zij zich, hetero geworden en angstvallig in de pas lopend, de moeizame weg der proefcolleges om een academische positie te bemachtigen. Na Costin’s dood blikt Wendy terug op de familiegeschiedenis van de Wallners. Door draden te verbinden probeert ze een rond verhaal te creëren en de geschiedenis van haar voorzaten te herschrijven. Overmand door emoties en bevangen door naïviteit laat ze verkeken kansen toch verwezenlijkt worden en onbeantwoorde verlangens alsnog in vervulling gaan.

    Von Steinaecker beheerst de kunst van het vertellen zonder te veroordelen, zichzelf zo buiten de wereld van zijn personages plaatsend. Door zijn distantie zet hij de lezer aan het werk om als medeschepper van het verhaal van de familiedynastie de leemtes in de drie levensgeschiedenissen in te vullen. Toch kan zelfs Wendy’s poging om de levens van de Wallners te reconstrueren in het laatste deel van het drieluik de machteloosheid van de familieleden om zelf de lacunes te dichten niet tenietdoen. Wat blijft is het onvermogen van in flarden uiteenvallende levens waarin mensen elkaar slechts als kortstondige figuranten passeren zonder elkaar daadwerkelijk te bereiken. Alle draden blijven los, begin en eind ontbreken, en aan het slot van de roman rest niet veel meer dan weemoed over zoveel vergeefs onmachtig leven.

    Thomas von Steinaecker, ‘Wallner beginnt zu fliegen’ (2007), Frankfurter Verlagsanstalt, 366 p. Vertaald door Gerrit Bussink: ‘Wallner begint te vliegen’ (2009), Uitgeverij Podium, 320 p.

  • Onlangs verschenen: 'Het blauwe uur' – Alonso Cueto

    Winnaar van de Premio Herralde-Anagrama de Novela

    Lima, eind jaren negentig. Na de dood van zijn moeder hoort Adrián Ormache over het bestaan van ene Miriam, een ontvoerd meisje met wie zijn vader, ooit officier bij de Peruaanse marine, een liefdesrelatie had. Hij voelt meteen een sterke behoefte om haar te vinden.
    Tijdens zijn zoektocht wordt hij geconfronteerd met een minder mooie kant van het leven in zijn land, met de armoede en ellende waarmee een groot deel van de Peruaanse bevolking dagelijks te kampen heeft. Ormache ziet met eigen ogen de vreselijke gevolgen van de guerrillabeweging Lichtend Pad.
    Het blauwe uur is een prachtig verhaal over terrorisme en de gevolgen ervan, over familie en geheime liefde, over rijkdom en armoede, maar vooral over de donkere geschiedenis van Peru.

    Alonso Cueto (Lima, 1954) is de auteur van twaalf boeken. Hij is journalist en doceert journalistiek aan de universiteit van Lima, Peru. Zijn boeken werden onder meer bekroond met de Anna Seghers-oeuvreprijs in 2000, de Premio Wiracoha in 1985 en de Premio Herralde-Anagrama in 2005.

    Lees hier een fragment uit Het blauwe uur:
    Rubén had de rauwe stem, de ruwe handen en de knobbelneus van onze vader geërfd. Hij was in zekere zin zijn reïncarnatie. Hij ging steeds meer op hem lijken; een gnoom die zich aanpast aan het monster dat hem heeft verwekt. Het gezicht van mijn vader, steeds gereconstrueerd met de fragmenten van de weinige keren dat ik hem had gezien: een terrein met stenen waarvan ik me maar moeilijk kon voorstellen dat daarop ooit de tere vingers van mijn moeder hadden gerust. Het was alsof ze allebei tot me kwamen vanuit twee tegenovergestelde richtingen. Aan de ene kant het zachte gezang van mijn moeder om me in slaap te sussen, haar ranke silhouet dat me stond op te wachten bij de ontbijttafel. Aan de andere kant de lachsalvo’s van mijn vader, zijn rauwe stem, zijn harige knokkels.
    Mijn vader. Ik had al het mogelijke gedaan om die paar herinneringen aan hem uit mijn geheugen te wissen.
    Zijn dood had hoogstens een vage kriebeling van medelijden veroorzaakt, een door de verplichting opgelegd verdriet. De dag tevoren had ik hem opgezocht in het militaire hospitaal. Hij leunde met zijn rug tegen de spijlen van het bed. Zijn baard was gegroeid, zijn pyjama zat onder de vlekken en hij praatte onafgebroken met een priester.
    Toen hij me zag binnenkomen ging hij rechtop zitten en spreidde zijn armen. Mijn zoon, je bent gekomen, verdomme, ik kan het niet geloven, je bent eindelijk gekomen. De hese stem van mijn vader, de afgemeten schreeuwerige toon, de smerige strepen van zijn pyjama, de dichtgeknepen ogen , de uitgestoken handen, ik wist niet wat ik moest antwoorden, hij sprak met zijn handen in de lucht, ik heb zoveel dingen verkeerd gedaan, waarom hebben we elkaar niet vaker gezien, en nu… ik heb je zo veel te vertellen, hoe gaat het met de meisjes? goed? ja, goed, luister, ik moet je iets zeggen, mijn zoon, als ik ooit, of laat ik zeggen, heb je Rubén gezien? nee, die heb ik niet gezien, geeft niet, luister, ik wil dat je iets weet, er is een meisje, een vrouw die ik ooit heb gekend, ik bedoel, ik weet niet of je haar kunt vinden, daar, maar je moet haar gaan zoeken als je kunt, het was tijdens de oorlog. In Huanta. Een meisje van daar. Ik smeek het je, alsjeblieft. Voordat ik doodga.
    Iets degelijks zei hij tegen me toen de verpleegster binnenkwam met een injectienaald, nee, ga weg, ik ben met mijn zoon aan het praten, een vrouw uit Huanta, het is al goed, rustig maar, papa, laat ze je die injectie nou geven.
    Later hoorde ik dat hij die avond ruzie had gemaakt met de verpleegsters en de dienstdoende arts, ik wil dat mijn zoon Adrián komt, zei hij, hij wilde de naald van het infuus uit zijn arm trekken, ik wil dat hij nu komt, totdat hij plotseling weer rustig was geworden. Toen hij de volgende morgen wakker werd, had hij om zijn ontbijt gevraagd en was plotseling ineengekrompen en zo blijven zitten. Hij was dood.

    Alsonso Cueto, Het blauwe uur. De Arbeiderspers, paperback, 268 p., € 19,95.

  • Feindbeoachtung zolang er nog één nazi leeft

    Recensie door Rein Swart

    Deze essays die eerder in 1982, 1983 en in 1988 in boekvorm verschenen, zijn gebundeld ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de schrijver. De uitgeverij pakt groot uit met ook nog een nieuwe gedichtenbundel en het prozawerk Eindelijk. Misschien voelde men zich schuldig dat men eerder niets aan een jubileum deed. Armando klaagt namelijk in het derde deel van deze bundel dat het volk geen aandacht besteedde aan zijn vijftigste verjaardag.

    Het eerste deel uit 1982 is beschouwend, in het tweede deel laat hij de mensen zelf meer aan het woord en in het laatste deel uit 1988 bezoekt hij ook andere Duitse steden en maakt daarvan nogal oppervlakkige portretten.
    Volgens het nawoord van de samenstelster woonde Armando in de jaren tachtig regelmatig in Berlijn. Na de val van de muur vond hij het leven daar minder inspiratief. De splitsing gaf de stad een extra geladenheid. Voor Armando was de oorlog nog steeds aan de gang. Overal waar hij kwam hing er nog die geur. Gebouwen waren niet van steen, maar plekken waar een partijlid gewoond had of waar iets opmerkelijks gebeurd was. Armando ziet het als zijn taak de vijand te ‘beoachten’, zoals dat zo mooi in het Duits heet. Bij oudere mensen vraagt hij zich meteen af wat die in de oorlog deden. Oude vrouwen, die wuiven naar een panda in de dierentuin deden dat eerder naar Hitler.

    Van de jongeren met hun anti-amerikanisme moet hij weinig hebben. Ze denken dat ze beter zijn dan de vorige generatie, maar ze lijden onder zelfhaat, zegt Armando. Ook heeft hij een scherp oog voor de verschillen tussen oost en west: ordelijkheid en gehoorzaamheid versus pluriforme chaos en protest. Dissidenten, die vanuit het oosten naar het westen kwamen kregen weinig steun van de linkse intellectuelen en vroegen zich af wat men hier met de vrijheid had gedaan. Armando zelf vindt alles altijd een warboel. Er is geen uitweg, zegt hij. De mens is een wormstekig wezen. We mogen blij zijn met onze democratie en dat wij niet onder het mom van vrijheid uit onze huizen gesleurd worden. Bij dit alles bedenk ik dat hij schreef in de tijd van de Raf, toen de verhoudingen in Duitsland zeer gepolariseerd waren.

    Armando is een onafhankelijk denker, die zijn eigen werk eerst zelf goed moet vinden voor hij het naar buiten brengt en de respons heeft daar dan geen invloed meer op. In deze bundel hoor je bijna zijn wat sombere stem en zie je zijn wat loenzende, melancholische blik, zoals die heel mooi liet kennen in de documentaire van Cherry Duyns uit 2005. Hij schrijft zoals hij spreekt, maakt soms zinnen niet altijd af, slikt woorden in.

    Zijn stijl is die van een bokser die na de wedstrijd de ring niet kan verlaten, omdat hij zo’n liefhebber van zijn sport is. Zelf noemt hij een van zijn eerdere boeken hoekig, een toepasselijke term in dit verband. Hij geeft soms ook een fantastische draai aan een verhaal zoals wanneer de ik-figuur na een wandeling het bos uit komt en een hond (de ‘hij’ in dit fragment) ziet:

    ‘Hij zette zijn bril af en begon te blaffen. Ik heb even naar ’m gezwaaid, toen hield ie op met blaffen. Hij keek verlegen de andere kant op. Hij vond het, geloof ik, gek dat ik zwaaide. Ik liep enkele passen door en keek nog es om, hij was alweer aan het lezen in zo’n goedkoop romannetje met een gekleurd omslag vol moddervlekken, je weet wel. Teruggekomen in Berlijn besloot ik dienst te nemen in het keizerlijke leger, maar men vond mij te oud. Bovendien was ik, zei men, veel en veel te laat. De keizer was lang geleden gestorven en lag in een graf. Men had mij en m’n harnas, dat ook nog in goede staat was, niet meer nodig. Ik heb maar gedaan alsof ik het geloofde, toch was het wel een teleurstelling.’

    Armando heeft iets met een bos, zoals hij ook in de documentaire over kamp Amersfoort vertelde. Het bos is getuige, de bomen fluisteren, zijn schuldig, de harsgeur ruikt naar de oorlog.

    Armando zelf blijft zich over de mensheid verbazen. Kunst deugt niet, maar hij houdt er heel erg van. Hij weet het zelf ook allemaal niet. Hij schrijft met relativering, ook over de Duitsers die niets tegen hun kinderen over de oorlog zeiden. ‘Gewoon omdat het mensen waren met ochtendpap en avondbrood, mensen met handremmen in hun hoofd, je denkt toch niet dat wij die niet hebben.’

    Zelfrelativering is hem niet vreemd. Een opstel over Bayreuth vindt hij nogal belerend uitgevallen. ‘Dat is eens en nooit weer.’
    Soms neemt hij zichzelf op de hak. Hij vindt het eigenlijk zinloos zich bezig te houden met vergankelijkheid. Het leven is bont en het protest tegen de tijd is een verdwaald protest. Armando legt zich daar weemoedig bij neer. Dat levert mooie beschouwingen op die ik met veel genoegen heb gelezen.

     

  • Poëziedebuut van Floor Buschenhenke: 'Eiland op sterk water'

    Kies exact. Of Floor Buschenhenke deze overheidscampagne uit de jaren tachtig gevolgd heeft is onbekend, uit haar debuutbundel Eiland op sterk water spreekt in elk geval een fascinatie voor meetinstrumenten en techniek. In het gps-systeem ontwaart Buschenhenke zelfs een nieuwe muziek der sferen. Maar toch moet zij constateren dat al die mooie meetapparatuur, als het erop aankomt, overal net naast kijkt. De gedichten in Eiland op sterk water gaan daarom tussen de harde feiten en cijfers op zoek naar momenten vol inzicht en overgave. De heldere taalvoering, de treffende beelden, maar vooral de milde, eigenzinnige stem die overal doorklinkt, maken Eiland op sterk water tot een debuut dat niets belooft maar gewoon direct prachtige poëzie levert.

    Floor Buschenhenke (1978) schrijft poezie en proza. Daarnaast is ze redacteur en schrijfcoach, bewonderaar en onderzoeker. Ze publiceerde eerder in diverse tijdschriften (Lava, Krakatau, Hollands Maandblad) en werd opgenomen in bloemlezingen. In 2006 ontving ze de Hollands Maandblad Schrijversbeurs. Haar website is www.woordheks.nl

    Floor Buschenhenke, Eiland op sterk water. Atlas, paperback, 60 p., € 18,50

  • Door Christine de Jong

    De Britse schrijver Toby Litt is met Journey into Space in het alfabet inmiddels aangekomen bij de letter J, na Adventures in Capitalism, Beatniks, Corpsing en nog zes titels. Een deel van zijn werk is vertaald, maar vreemd genoeg is daarbij niet deze alfabetische volgorde aangehouden. Finding myself is nu Zelfbeeld geworden en dat is natuurlijk een correcte vertaling, maar waarom niet het alfabet gevolgd, zoals Litt dat doet?

    Ik ben de drummer van de band okay is het verhaal van – inderdaad – de drummer van een band genaamd okay. Deze Canadese groep vertoont trekjes van bands als The Doors en Guns N’ Roses: een rockband met een enigszins ontspoorde leadzanger. Begonnen als scholieren in achterafzaaltjes groeien ze in de loop der jaren uit tot een stadionband met fans over de hele wereld. Leadzanger Syph, bassist Mono, slaggitarist Crab en drummer Clap zijn vaak maandenlang op reis, altijd en overal omringd door meisjes, heel veel meisjes. Werkelijk alle clichés over rockbands komen langs: drank, drugs, seks, groupies, nog meer drugs, overdoses, te magere fotomodellen en eenzame hotelkamers. Ook de ruzies, solocarrières, foute managers en comebacktournees ontbreken niet.

    Gaandeweg groeit de chaos in hun levens en met name in dat van Syph. Diens grootste gave volgens Clap: schaamteloosheid ? zoals een echte leadzanger betaamt. De overige bandleden moeten Syph regelmatig redden van foute vriendinnetjes, uit dichtgeplakte huizen en zelfs een keer uit een boomhut middenin het Zwarte Woud. Litt schetst het beeld van een zelfdestructieve, heroïneverslaafde doch zeer charismatische zanger, type Jim Morrison, onder wiens aanvoering okay wereldberoemd wordt.

    De vier bandleden groeien naarmate ze ouder worden steeds verder uit elkaar. Drummer Clap is het stille, huiselijke type, dat zich bij tijd en wijlen afvraagt wat hij eigenlijk met zijn leven aan het doen is. Hij noemt het zijn ‘nietsisme’, ‘dat ik afwezig ben in mezelf’. Hij is zich terdege bewust van zijn eigen beperkingen ? als drummer, maar ook als zoon, vriend, man ? en die van het leven dat hij leidt. Na het overlijden van zijn vader belandt hij in een crisis, waar hij uitkomt door het boeddhisme en meditatie. En nadat hij Esther ontmoet heeft, ontdekt Clap dat hij zich uiteindelijk het prettigst voelt bij vrouw en kinderen thuis in Vancouver.

    De band okay en de vriendschap met Mono, Crab en Syph blijven ondertussen wel de rode draad door zijn leven en hoe belangrijk die verbondenheid is, blijkt als er zich drama’s voordoen, zoals een overdosis van Syph of wanneer Clap ziek wordt. Pas als van de vier bandleden er nog maar drie over zijn, houdt de band op te bestaan. Aardig is hoe de auteur de vorm (het verhaal van drummer Clap, zoals verteld aan…) vasthoudt tot het einde: op de laatste bladzijden staat een discografie (‘incompleet’) van de band okay.

    De kracht van deze roman zit vooral de beschrijvingen van de vele mensen om Clap heen: het meisje op straat in Rotterdam, zijn vader en moeder, Esther, de familie van een jonge fan die zelfmoord heeft gepleegd, de doodzieke Mike in het ziekenhuis. Met lichte spot en af en toe een beetje sentimenteel schrijft Litt een verhaal over ouder wordende rockers, muziek, vriendschap, liefde en trouw.

    Toby Litt is een buitengewoon ambitieuze auteur die voor geen enkel genre lijkt terug te deinzen. Zo is zijn laatste boek een sciencefictionverhaal en schreef hij eerder een parodie op chicklit. Of Litt in alle genres even succesvol zal zijn, moet nog blijken, maar zijn bijdrage aan het Nick Hornby-achtige, lad lit-genre, waar Ik ben de drummer van de band okay toe gerekend kan worden, is in elk geval zeer geslaagd: humoristisch, ontroerend, zeer goedgeschreven.

    Toby Litt, Ik ben de drummer van de band okay. Anthos, paperback, 288 p., € 19,95 Vertaling: Irving Pardoen

  • Op zoek naar Walker

    Recensie door Lev Entfield

    Wat of wie is er eigenlijk onzichtbaar in de roman van Paul Auster. Is het Adam Walker, de student die een ontmoeting heeft met Margot Jouffroy en Rudolf Born, een ontmoeting die de rest van zijn leven zal bepalen? Het is op een van die rokerige feestjes eind jaren zestig in New York. Margot, een mooie vrouw, fluistert Rudolf in dat die mooie jongen daar in de hoek een dichter is. Ze raken aan de praat en inderdaad: Adam is een dichter, student literatuurwetenschap, en arm. Rudolf is professors, rijk bovendien en wil hem op gang helpen. Hij belooft hem 25.000 dollar voor een gehele jaargang van een literair tijdschrift, waarvan Adam de redactie voeren zal. Zover zal het nooit komen. Op een avondlijke wandeling met Rudolf wordt het tweetal bedreigd door een junk met een pistool en Rudolf tast in zijn zak naar een stiletto en steekt de jongen neer. Adam Walker vlucht, belt de politie, besluit dat hij Rudolf moet aangeven, maar wacht daar te lang mee. De Franse Rudolf Born is overhaast gevlucht naar Parijs, onbereikbaar voor de Amerikaanse justitie.

    Desastreuze verwikkelingen

    Op dit punt in het verhaal kantelt Auster het perspectief voor de eerste keer. Het voorgaande blijkt een eerste hoofdstuk dat de bekende schrijver James Freeman van zijn vroegere vriend Adam Walker krijgt toegestuurd. Adam is terminaal ziek, het is 2007, hij wil weten wat zijn oude vriend van het werk vindt en hij wil erover praten. Ze maken een afspraak om elkaar te ontmoeten, maar ze zullen elkaar nooit zien: net voor de afspraak sterft Adam. Het verhaal kantelt nog een aantal keren, we krijgen nog twee hoofdstukken uit Walkers boek. Het tweede – een prachtige beschrijving van een heftige incestueuze relatie van Adam met zijn zus, kort na de episode met de moord. Ten slotte zijn gang naar Parijs, om Margot weer te ontmoeten en daar vindt ook zijn desastreuze hereniging met Rudolf plaats. Adam kan zich er niet bij neerleggen dat deze kille moordenaar vrij rondloopt, en zoekt contact met Rudolfs aanstaande vrouw en haar dochter, de achttienjarige Cecile.

    Ontkeninning

    Terug naar de schrijver James Freeman, die de zus van Adam, Gwyn, te spreken krijgt. Zij ontkent dat er ooit zo’n seksuele relatie met haar broer geweest is, en dat lijkt geen ontkennen uit schaamte. Voor de laatste maal wordt de lezer een heel ander perspectief op de zaak geboden: James spreekt Cecile, inmiddels  van middelbare leeftijd. Het boek eindigt met een dagboekfragment van Cecile, waarin deze de bejaarde Rudolf Born opzoekt, op het Caribische eilandje Quillia.

    Wie of wat is er onzichtbaar in deze roman? In de eerste plaats weten wij weinig van Rudolf Born, de mefistofelische bon-vivant, met geld en connecties, opvallend veel connecties, politiek ter rechterzijde, die Adam’s als door een knip met zijn vinger uiteindelijk uit Frankrijk kan laten zetten. We weten niet erg veel over Gwyn, Adams bloedmooie zus, die in de onbehaaglijk ontroerende beschrijving van hun relatie zo echt wordt, dat haar ontkenning haar vervolgens voor de lezer onplaatsbaar maakt. Of is Cecile ‘invisible’, de veelbelovende, die haar verliefdheid op Adam ten spijt toch niet kon verkroppen dat hij haar aanstaande stiefvader zwartmaakte met een naar haar mening verzonnen verhaal over een moord?

    Onzichtbaar blijven vooral de motieven van al deze personages. In een bestek van 230 pagina’s zo’n kluwen aan perspectieven aannemelijk vormgeven is een tour de force die niet veel overlaat van de overwegingen die aan veel levens ten grondslag heeft gelegen. Er hangt over de roman – onder meer door de belangrijke episode in Parijs – een onmiskenbare nouvelle vague sfeer, ondersteund door het discontinue karakter van de vertelling. De lezer waant zich daarenboven in een Patrick Modiano-roman, een oningeloste zoektocht naar de sporen van een hoofdpersoon die verdwenen is, dood en door niemand gekend. Uiteindelijk blijft Walker – de gedoodverfde hoofdpersoon – van allen de meest onzichtbare. Paul Auster heeft na jaren weer een compacte, droevige roman geschreven.

     

  • Scherpe waarnemingen van een gedreven evolutiebioloog

    Bij het aanschouwen van de nogal simplistische titel en het kinderlijke plaatje dacht ik eerder aan een populaire verhandeling over vingers dan aan een doorwrocht wetenschappelijk boek met veel aandacht voor onderzoek en verluchtigd met diagrammen en grafieken en met een uitgebreid notenapparaat.
    Ik bereidde me voor op saaie lectuur, maar werd steeds meer geboeid door een zeer gedreven wetenschapper die een duizelingwekkend aantal feiten en veronderstellingen over de lezer uitstort.
    Manning ontwikkelde eerder een theorie over seksuele selectie. Acht jaar lang deed hij vervolgens onderzoek naar symmetrie als teken van goede genen. Hij ontdekte dat de vingers van mannen niet alleen gemiddeld langer waren dan die van vrouwen – hetgeen natuurlijk niet spectaculair is omdat mannen gemiddeld groter zijn dan vrouwen – maar ook dat de verhouding tussen hun ringvinger en hun wijsvinger groter (‘lager’ in de terminologie van Manning) is dan die van vrouwen. De vingerverhouding bleek mannelijke vruchtbaarheid beter te voorspellen dan de symmetrie.
    Manning onderscheidt twee typen mannen. Het meest voorkomende Casanova-type heeft een lange ringvinger en bij het naar de Duitse neoklassieke schilder Mengs genoemde Mengspatroon is daartegenover minder verschil tussen wijs- en ringvinger. Dat laatste type is meer kenmerkend is voor vrouwen. Bij hen is de verhouding in het algemeen omgekeerd. Mengs staat kort gezegd voor schoonheid en het Casonova-type komt meer in de buurt van het beest. De individuele vingerverhouding hangt samen met de balans tussen testosteron en oestrogeen in de baarmoeder aan het eind van de eerste drie maanden van de zwangerschap, maar er is nog veel onduidelijkheid geeft Manning toe, bijvoorbeeld door de invloed van cortisol en stressfactoren. Ook de vrouwelijke vorm zelf speelt een belangrijke rol:

    ‘Weelderige vrouwen geven genen voor een hoge oestrogeen ? en een lage testosteronspiegel door aan hun dochters en zoons, die daardoor een hoge vingerverhouding krijgen. Kokervormige vrouwen geven genen door voor een lage oestrogeen ? en een hoge testosteronspiegel door en hebben dochters en zoons en een lage vingerverhouding.’

    De vingerverhouding bepaalt voor een groot deel onze persoonlijkheid en ons gedrag: onze aanleg voor sport, onze seksuele geaardheid en de vatbaarheid voor borstkanker en hartaanvallen. Dit alles door de concentraties testosteron en oestrogeen waaraan het embryo in de baarmoeder heeft blootgestaan. De toestand van het embryo heeft een programmerend effect op onze biologische gesteldheid. Zo beschermt het prenatale testosteron de man tegen hartaanvallen. Dat is dus heel wat anders dan de testosteron die later kan worden toegediend en die vaak hartaanvallen op vroege leeftijd tot gevolg heeft.

    Manning komt met uitvoerige beschrijvingen van onderzoeken, bijvoorbeeld over de invloed van mono- of polygamie op de hormoonspiegel in de baarmoeder en draagt veel bewijsmateriaal voor zijn stellingen aan. Hij schuwt geen complexe verbanden en legt het bestaan uit van schizofrenie en van homoseksualiteit, dat zich in evolutionair opzicht toch uit de markt zou moeten prijzen.
    Zelfs het voetbal ontkomt niet aan zijn blik, misschien ook omdat hij ooit zelf een David Beckham was geworden als hij niet was gezwicht voor de verlokkingen van de evolutiebiologie. Talent voor voetbal blijkt ook al te maken te hebben met een ruime mate van prenataal testosteron. Het is niet voor niets dat Brazilië met zijn sterk gemasculiniseerde bevolking het beste voetballand is.
    Manning zet aan het denken, vooral ook omdat hij niet drammerig is. Als wetenschapper staat hij open voor twijfel, maar aan de andere kant houdt hij wel vast aan zijn eigen opvattingen:

    ‘De mogelijkheid dat prenatale omstandigheden iets te maken hebben met homoseksueel gedrag, klasse en ras hoeft progressieve opvattingen niet per se te ontkrachten of extreme ideologieën te bevestigen. Allereerst moeten we de gegevens afwegen en een goede theorie ontwikkelen; de politieke polemieken komen daarna, indien nodig.’
    Die laatste woorden geven aan hoe gedreven Manning aan het onderzoeken is. Als we hem mogen geloven hoeven we minder te investeren in opvoeding of een dieet, want alles ligt al vast en de neo-freudiaanse theorieën zoals die van Nancy Chodorow over sekse-specifieke socialisatie kunnen zo de kast in.

    Zijn conclusies zouden kunnen leiden tot practische adviezen, bijvoorbeeld voor de luchtvaart.
    ‘Het kan handig zijn om via de vingerverhouding passagiers met een verhoogd risico op te sporen, zodat gericht advies kan worden gegeven om te bewegen en water te drinken (en geen alcohol, waardoor het lichaam juist uitdroogt).’
    Wellicht staat straks onze vingerverhouding naast de vingerafdruk in ons paspoort.

    In het nawoord ? en niet voorwoord zoals abusievelijk op de omslag vermeld staat ? doet bioloog Tijs Goldschmidt er nog een schepje bovenop. Hij stelt dat mannen met een korte penis er niet om gevraagd hebben om negen maanden in vruchtwater gemarineerd te worden dat relatief weinig testosteron en veel oestrogeen bevatte. Men heeft dus altijd verkeerd gekeken, namelijk naar de handpalm en niet naar de vingers. Als hij eerder op de hoogte was geweest van deze kennis, was hij een vingerlengteratiopraktijk begonnen.

    Manning gaat aan het eind van het boek in op onze toekomst waarin we steeds oestrogener worden. ‘Wat ons tot mens maakt is het bad met een hoge oestrogeen- en een lage testosteronconcentratie waarin het menselijke embryo ligt.’ We zijn gefeminiseerde of ge-oestrogeniseerde apen. Die visie komt overeen met andere hedendaagse opvattingen over de man. Manning wijst op de nadelige gevolgen, die het meest bij mannen optreden: verlies aan kracht, verslechtering van het hart- en vaatstelsel, afname van het aantal zaadcellen en een slechtere kwaliteit sperma. Gelukkig konden we door de oestrogenisering taal ontwikkelen en werden we daardoor slimme apen, die de schade kunnen beperken door intelligente oplossingen te verzinnen. Manning is daar echter niet gerust op, getuige de laatste zin: ‘Maar die intelligentie ontwikkelt zich in een richting die ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor het succes van onze soort op de lange termijn.’ Die stelling had hij nog wat nader mogen toelichten, maar dan begeeft hij zich natuurlijk buiten zijn vakgebied.

    Door Rein Swart

    John Manning, Het vingerboek. Athenaeum, paperback, 191 p., € 19,95