Benjamin Moser (1976) werkte zeven jaar aan de biografie van schrijver en activist Susan Sontag (1933-2004), dat boek wordt nu geprezen om zijn volheid aan gegevens, waarvan schrijver Sigrid Nunez al zie dat zij zich niet kon voorstellen dat er ooit nog een ander boek over haar [Sontag] geschreven hoeft te worden. Deze week werd zijn werk bekroond met de Pulitzer Prize 2020 in de categorie biografie.
In Sontag Haar leven en werk, vertaald door Lidwine Biekman en Koos Mebius, onderzoekt Moser onder andere het werk van Sontag waarop haar reputatie berustte. Susan Sontag is bekend van haar activistische essays en boeken als In Amerika en Tegen interpretatie. Haar werk handelt over conflicten in de wereld (de oorlog in Vietnam), mensenrechten, linkse ideologieën en communisme, maar ook over cultuur en fotografie. Als haar biograaf mocht Moser als enige gebruikmaken van Sontags privéarchieven. Daarbij interviewde hij wereldwijd honderden mensen, van wie velen nooit eerder over haar spraken, zoals Sontags laatste partner Annie Leibovitz.
De jury over: ‘An authoritatively constructed work told with pathos and grace, that captures the writer’s genius and humanity alongside her addictions, sexual ambiguities and volatile enthusiasms.’
Benjamin Moser is biograaf, redacteur en vertaler Frans, Spaans, Portugees en Nederlands. Hij studeerde en promoveerde in Utrecht waar hij nu zo’n twintig jaar samenwoont met schrijver Arthur Japin en uitgever Lex Jansen.
Toen het nieuws Moser bereikte twitterde hij, ‘I want to tweet something that captures this moment but the only thing I can think of is omfg’.
De Pulitzer Prize is een belangrijke Amerikaanse journalistieke prijs die sinds 1917 wordt uitgereikt. Dit jaar liep de uitreiking van de prijs wegens de coronacrisis enige vertraging op en vond uiteindelijk online plaats. De Pulitzerprijzen zijn de jaarlijkse onderscheidingen voor journalistiek en kunsten.
Sontag Haar leven en werk verscheen bij De Arbeiderspers.
De juryleden van de Spaanse prijs, El Premio Formentor de las Letras 2020 zouden eigenlijk in Lissabon bij elkaar komen maar daar stak het Coronavirus een stokje voor. Nu overlegden ze digitaal over naar wie deze literaire prijs zou gaan. Het werd de romanschrijver, dichter, essayist, vertaler en kunstcriticus Cees Nooteboom (1933). Hij ontvangt de prijs vanwege zijn onophoudelijke creativiteit. Volgens de jury is hij een van de grootste kroniekschrijvers van deze tijd.
Cees Nooteboom geldt als een belangrijk auteur, vooral ook in het buitenland. Hij debuteerde met Philip en de anderen (1955), waarmee hij gelijk veel succes had. Na 1963 schreef hij jarenlang geen romans meer. Hij reisde veel en was enige jaren redacteur en columnist voor de Volkskrant (1961-1968). In 1980 verscheen zijn roman Rituelen. Zijn bekendste titels zijn Berlijnse notities (1990), De omweg naar Santiago (1992), de roman Allerzielen (1998) en de verhalenbundel ’s Nachts komen de vossen (2009). Nooteboom werd in Nederland onder meer bekroond met de Constantijn Huygens prijs, de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse letteren, in het buitenland nog met de Oostenrijkse Staatsprijs, de Goethe Preis en de hoogste onderscheiding in de reisliteratuur, de Chatwin-prijs. Zijn meest recente boeken zijn 533: een dagenboek (2016), Ibiza (2017) en Venetië-de leeuw, de stad en het water (2019).
De internationale prijs El Premio Formentor de las Letras werd tussen 1961 en 1967 uitgereikt aan auteurs die hun leven hadden gewijd aan de literatuur en was een initiatief van de Spaanse uitgeverij Seix Barral. De naam was ontleent aan de stad Formentor, gelegen op het Spaanse eiland Mallorca en beroemd om zijn literaire bijeenkomsten. In die periode zijn onder andere aan de schrijvers Jorge Luis Borges, Samuel Beckett, Saul Bellow, en Jorge Semprún prijzen uitgereikt. Eerst werden de prijzen uitgereikt in Spanje, maar omdat Franco de onderscheidingen verbood, werden de uitreikingen elk jaar verplaatst naar het buitenland, zo werd in 1963 de prijs in Corfu uitgereikt en in 1965 in Valescure (Zuid-Frankrijk. Toen uitgevers hun steun aan de prijs stopten, werden er na 1967 geen prijzen meer uitgedeeld. Pas in 2011 werd de prijs weer in het leven geroepen en nu als oeuvreprijs. In de afgelopen jaren werden onder meer Carlos Fuentes, Juan Goytisolo, Javier Marias en Annie Ernaux met de prijs onderscheiden.
Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.
Hans Verhagen is het minst overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:
‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van Hans Verhagen & Conny Tavenier’
Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:
‘Het is niet vrij van rozen en ook het gebruik van motoren is aan mijn lichaam niet vreemd.’
De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden.
Hans Sleutelaar noemde Verhagen in die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus Sterren boven Bombay:
‘Je zei dat je zou komen, ik heb op je gewacht. Je zei dat je bij mij zou blijven, ik ben alleen gebleven. Ik hoopte dat je me alleen zou laten maar je hebt me met een menigte gevuld en ik weet niet wat ik doen moet –’
Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels.
Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s Hoepla en Het Gat van Nederlandweet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:
‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel waarin ze plotseling oploste toen ik even niet keek.
O de holte van d’r romp op zolder gevonden, met een gat waar d’r hart was en waar je doorheenkeek in een wirwar van stegen waarin ze verdween, m’n geweten.’
Na opnieuw een lange pauze, en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:
‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand, schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen – aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht – opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven niets veranderd is, wat opvallend is, omdat je juist is opgevallen dat alles anders is.’
Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009 aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’
Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):
‘Met al mijn lyrische geneeskracht heb ik nog geen enkel wezen van het sterfbed teruggebracht’
Uitgeverij Van Oorschot heeft een prachtig initiatief bedacht om -nu we er toch niet op uit kunnen en daarmee wellicht reisgeld en impuls aankopen besparen – plaatselijke boekhandels te ondersteunen onder het motto: ‘Jouw boekhandel overleeft!’
Het werkt als volgt:
Bestel twee boeken bij de lokale boekhandel, laat deze verzenden naar twee vrienden of familieleden en download zelf de ‘Jouw-boekhandel-overleeft!’-brief.
Deze brief stuur je naar de twee personen waarvoor je het boek hebt gekocht, via e-mail of Whatsapp. Zodat zij ook weer voor twee vrienden een boek kunnen kopen en laten verzenden door hun lokale boekhandelaar.
Zo maak je iemand in tijden van COVID-19 blij met een mooi boek én steun je de boekhandels in het hele land.
Maarrr, om het nóg leuker te maken, geeft Van Oorschot ook boeken cadeau.
Let op!: mail de bon van de twee boeken die je hebt laten versturen naar twee vrienden naar contact@vanoorschot.nl
Elke vijftigste inzending krijgt een Van Oorschot-boekenpakket t.w.v. €100 cadeau en je maakt ook nog eens kans op een boekenpakket t.w.v. €500.
Aan de slag dus, we laten de boekhandels niet in de steek!
Maandagavond 30 maart maakte jurylid Norely Beyer in het radioprogramma Opium bekend dat Vrouwkje Tuinman met haar bundel Lijfrente De Grote Poeziëprijs heeft gewonnen. De jury koos unaniem voor deze bundel die Tuinman schreef in het jaar na het overlijden van haar partner F. Starik. Een bundel over de liefde en de dood.
Volgens de jury zijn Tuinmans gedichten, ‘openhartig, soms licht absurdistisch. Niets meligs of pastelkleurigs. Niet makkelijk, wel toegankelijk. Nuchter, maar nergens onpersoonlijk of kil. Integendeel. Geen schoonschrijverij en juist dat levert de mooiste zinnen op. En troost, daar waar er eigenlijk geen beginnen aan is’.
Voor de bekendmaking gaven de genomineerden, Ellen Deckwitz met Hogere natuurkunde, Peter Verhelst met Zon, Vrouwkje Tuinman met Lijfrente, Asha Karkami met Godfaceen en Marwin Vos met Het leven van sterren, op radio 4 een korte toelichting op hun bundel en droegen een gedicht voor.
Vrouwkje Tuinman las, Omtrekkende bewegingen
‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden, zei jij, zeiden wij altijd, bij klein succes. De uitspraak kwam van je moeder en duidde erop dat, wat haar zoon ook aan voorspoed toeviel, het van ‘worden’ waarschijnlijk nooit tot zijn zou komen, laat staan tot verleden tijd. Al bleef de twijfel, vandaar het ‘toch’. Er kon, al was het meer iets voor andere mensen, wellicht iets worden bereikt. En nu is het zover. Jij bent dood en dat doet wonderen voor je cv, voor dat van mij. Zonder enig diploma ben ik ineens bezorger, woordvoerder, min of meer bekende Nederlander, ik sta als ‘medewerker’ aan jouw werk vermeld, rook namens jou een sigaret met andere geslaagden. Het begint nu toch wel iets te worden met mij.’
uit: Lijfrente (2019)
Daarna vertelde ze dat ze het eigenlijk wel grappig vond nu genomineerd te zijn, omdat F. Starik bij elke nieuw pubicatie van haar altijd riep dat ze daarmee alle mogelijke prijzen zou winnen. Haar reactie was dan dat hij dat niet moest zeggen, dat het de goden verzoeken was en ze juist niets zou winnen. Nu hij er niet meer is, niet kon zeggen dat ze zou winnen, wint ze deze prijs. ‘Genomineerd te zijn vond ik al heel mooi; zei ze nog. Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden. Een deel van de prijs wil Tuinman besteden voor een poëzieproject in nagedachtenis aan F. Starik.
Er was ook een Jongerenprijs die bestaat uit een plaquette en werd uitgereikt aan Peter Verhelst voor zijn bundel Zon. Jongeren van verschillende scholen uit Gent en Amsterdam lazen de gedichten van de genomineerden. Hun keuze viel op Verhelst ‘omdat zijn gedichten mooi zijn, hij veel fantasie heeft en schrijft over liefde en over problemen van het leven nú’.
De prijsuitreiking zou zaterdag 21 maart in de Brakke Grond in Amsterdam plaatsvinden maar kon door de maatregelen rondom het Coronavirus niet doorgaan.
De Grote Poëzieprijs is een initiatief van verschillende organisaties in Vlaanderen en Nederland. Voor de prijs waren 118 bundels ingezonden.
Van haar uitgever ontvingen we het bericht dat schrijver en columnist Carl Friedman vrijdag 27 maart in haar woonplaats te Amsterdam na een kort ziekbed is overleden, haar zoon heeft dit wereldkundig gemaakt.
Carl Friedman werd op 29 april 1952 in Eindhoven als Carolina Klop geboren. In 1991 debuteerde zij met de novelle Tralievader. Samen met de in 1993 verschenen roman Twee koffers vol werden dat haar beroemdste boeken. Beide boeken werden verfilmd, het laatste door Jeroen Krabbé‚ onder de titel Left Luggage (1998).
In 1996 verscheen Friedmans derde boek, De grauwe minnaar. Onno Blom schreef destijds in een recensie in Trouw dat Friedmans ’transparante taal en haar scherpe oog voor treffende details’ ook in De grauwe minnaar opvallen.
Friedman schreef wekelijks een column, eerst voor Trouw en vanaf 2002 voor Vrij Nederland. Haar columns verschenen gebundeld onder de titels, Dostojevki’s paraplu (2001) en Wie heeft de meeste joden (2004). Voor haar werk ontving de schrijfster in januari 2004 de E. du Perronprijs 2003, van de gemeente Tilburg en de letterenfaculteit van de Universiteit van Tilburg.
Doordat haar twee eerste boeken zich afspelen tegen de achtergrond van de jodenvervolging met vermenging van autobiografische gegevens, werd aangenomen dat Carl Friedman joods was. Dat zij de achternaam van haar ex-man (van joodse komaf) David Friedman, altijd heeft aangehouden, versterkte deze veronderstelling. In 2005 werd haar publiekelijk verweten dat zij deze aanname nooit heef ontkracht. Zelf heeft zij nooit op de aantijgingen gereageerd. Wel lieten haar familie en uitgever weten dat haar debuut Tralievader wel degelijk op feiten is gebaseerd en een sterk autobiografisch karakter heeft.
Haar vader, Egbert Klop werd in de Tweede Wereldoorlog als verzetsman opgepakt en kwam in concentratiekamp Sachsenhausen terecht. Na de Dodenmars werd hij bevrijd door het Rode Kruis en kwam zwaar getraumatiseerd thuis. de impact die zijn trauma’s hadden op zijn kinderen, verwerkte Friedman in Tralievader. Het boek, geschreven vanuit het perspectief van een klein meisje, heeft internationaal een grote reikwijdte gehad. Friedmans boeken kenden een groot succes en worden nog steeds veel gelezen. In sommige delen van Duitsland is Friedmans debuut verplicht leesvoer geworden op middelbare scholen.
Tralievader. Amsterdam, Van Oorschot, 1991. (vert. in het Duits, Engels, Frans, Hebreeuws, Italiaans, Spaans) Twee koffers vol. Amsterdam, Van Oorschot, 1993. (vert. in het Duits, Engels, Frans, Hongaars, Russisch) De grauwe minnaar. Amsterdam, Van Oorschot, 1996. (vert. in het Duits, Engels, Italiaans) Dostojevski’s paraplu. Amsterdam, Van Oorschot, 2001. Wie heeft de meeste joden. Amsterdam, Van Oorschot, 2004.
Vijf kinderen met een boek. De fotograaf zal in 1918 dit beeld zorgvuldig gecomponeerd hebben want zo gegroepeerd en aandachtig lezend zul je kinderen niet snel aantreffen zonder enige regie van buiten af. Toch schijnen de kinderen het niet onplezierig te vinden. Op een andere foto uit 1935, te vinden op de site van Het Geheugen van Nederland, ziet lezen eruit als een taaie plicht. Zo’n veertig kinderen buigen zich over een boek – een enkeling kijkt naar de fotograaf. Aan de zijkant van het lokaal staan twee vrouwen die als cipiers toezien. Gezamenlijk lezen zal in die tijd vooral functioneel bedoeld zijn geweest. Ik herinner mij in dit verband een zin die ik aanstreepte in Ik ben dynamiet van Sue Prideaux waarin ze Nietzsche, als criticus van zijn tijd, laat zeggen dat het verband tussen intelligentie en eigendom blijkbaar om snelle educatie vraagt. Zo kan er met grote vaart een geldverdiener worden geproduceerd: ‘De mens wordt slechts de afgemeten hoeveelheid cultuur vergund die verenigbaar is met de belangen van het gewin’. Hij waarschuwde anderhalve eeuw geleden al, maar het (neo)liberalisme is er doof voor.
De staande vrouwen op de foto uit 1935 doen vermoeden dat orde handhaven hoger in het vaandel stond dan het aanmoedigen tot genieten. Er zal nauwkeurig op zijn gelet of er geen ezelsoren in de pagina’s kwamen, dat er niet in werd getekend, dat het lezen geruisloos verloopt en bladzijden voorzichtig worden omgevouwen.
Toen ik zou oud was als deze kinderen woonde ik in een klein katholiek dorp. Er was een parochiebibliotheekje waarin je niet zelf in de kasten mocht neuzen. Een juf aan de balie taxeerde wat goed voor je was. Ik kreeg boekjes mee over de jeugdige Jezus, al vroeg had ik kennis genomen van het leven van een zekere Damiaan, een Belgische pater die met lepralijders werkte. En er was een stripboek: over Bernadette Soubirous, die in Lourdes Maria zag verschijnen toen ze hout aan het sprokkelen was. Ik las de boeken onbekommerd om de opgedrongen keuze. Ik genoot van het wonder dat letters woorden vormen, woorden zinnen en zinnen verhalen en dat ik ze kon ontsleutelen; naar de ethiek erachter vroeg ik niet. Toe al leerde ik boeken te koesteren, boodschappers die ik met respect behandelde. Ze waren zo belangrijk in mijn kinderleven dat ze welhaast deel werden van mijn identiteit. Een boek vertegenwoordigt geestelijk houvast, is een deel van het leven en een toegang tot ongekende werelden.
Een aanslag op een boek is geestelijke terreur. Wie herinnert zich niet het hartverscheurende tafereel uit Ciske de Rat waarin zijn moeder het boek verscheurt dat Ciske heeft gekregen van zijn invalide vriend Dorus (ik gebruik bewust in één zin hartverscheurend en boek verscheurend). De fatale gevolgen zijn bekend voor wie het boek kent. Een ander voorbeeld van een dergelijk optreden van ouders is te vinden in Otmans zonen van Peter Buwalda. Als de kinderen Egon en Frida ruziën om Pluk van de Petteflet, scheurt hun vader het boek ‘met een verbeten gezicht langs de rug in twee stukken’ en gooit het in de open haard. En in De verboden tuin van Wessel te Gussinklo wordt Ewout het slachtoffer als zijn moeder zijn moeizaam bij elkaar gespaarde Dick Bosboekjes vernielt. Deze ouders hebben blijkbaar in de gaten hoe ze hun kind in het hart kunnen raken: door de deur naar de buitenwereld dicht te trappen.
Ik kan er plaatsvervangend woest om worden. Zo ga je niet om met kinderen die van boeken houden. Ook niet met boeken zelf trouwens. Geert Wilders wist hoe hij gelovige moslims kwetste toen hij in de film Fitna door een ingemonteerd geluid de suggestie wekte dat de Koran werd verscheurd. En onlangs nog dacht een NRC-lezeres Tommy Wieringa in het hart te kunnen raken toen zij naar eigen zeggen en als wraak op een column van Wieringa over het Forum voor Democratie, alle romans van hem die ze had, zou verscheuren.
Op de middelbare school mocht je zelf de boeken uitzoeken. Het leidde tot nieuwe ontdekkingen, nieuwe kennis. Helaas waren er ook teleurstellingen als ik weer eens op een boek stuitte dat gemutileerd was: pagina’s uitgescheurd of platen uit geknipt. Soms viel iemand door de mand als zijn werkstuk verfraaid bleek met een illustratie die iemand anders nu juist in zijn boek had gemist.
Uit de literatuur zelf ken ik in elk geval één voorbeeld van een dergelijke wandaad: in de magisch-realistische roman Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino, waarin de Lezer en de Lezeres een bepaald boek niet meer kunnen bemachtigen. Omdat er maar één exemplaar van bestaat hebben studenten, zoals één van hen zegt, ‘dat onder elkaar verdeeld, het was een nogal omstreden verdeling, het boek is in stukken gescheurd, maar ik geloof echt dat ik het beste stuk bemachtigd heb’. Aanranding van boeken is onvergeeflijk, en er blijkt veel meer te worden gescheurd dan ik verwachtte.
Ik heb het niet over een tekening van tekenaar Stefan Verweij, waarop een man zijn boek dichtslaat en het met de uitroep ‘Uit!’ in de open haard gooit. Inderdaad: het is een spotprent! Maar dat zelfs iemand als Marsman een dergelijke wandaad beging, vind ik ongelooflijk. Arthur Lehning schrijft in H. Marsman, de vriend van mijn jeugd dat de door mij toch hooggeachte dichter in 1934 in een Spaanse trein elke bladzijde van een roman van Albert Helman die hij gelezen had uitscheurde en naar buiten gooide. En hij blijkt niet de enige. In een interview in NRC Handelsblad van 29 maart 1991 vertelt Frits Bolkestein dat hij alle pagina’s die hij had gelezen in Moby Dick hetzelfde lot toebedeelde: weg door het raam.
Dergelijk vandalisme zou Helene Hanff en Frank Doel een gruwel zijn geweest. Zij correspondeerden jarenlang met elkaar, hij de antiquarische boekhandelaar van Marks & Co in Londen en zij schrijfster in Pennsylvania op zoek naar zeldzame boeken. Hun brieven tintelen van liefde voor boeken. Het is allemaal beschreven in Charing Cross Road 84. Ik herken hun liefde voor boeken.
Hoopvol denk ik dat er op zijn minst toch wel een paar kinderen in die leeszalen van 1918 en 1935 zullen zijn geweest die een sprankje van dat gevoel beleefden, dat ze bevriend raakten met een boek en bij wie het in hun leven latere nooit zou opkomen ze te mishandelen.
Lees hier over nog een vernielzuchtige boeklezer op Renzo Verwers blog.
Afbeelding: Frans Ferdinand van der Werf (1903-1984).
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.
De jonge uitgeverij Koppernik, opgericht in 2014 door Bart Kraamer en Chris de Jong, afficheert zich als onafhankelijk en is gericht op eigenzinnige boeken die gedurfd en uitdagend zijn. Waar zit die uitdaging precies in en wie zijn de mensen achter deze eigenzinnigheid? Adri Altink sprak voor Literair Nederland met Chris de Jong, een van de uitgevers van Koppernik.
We ontmoeten elkaar in Haarlem. De door Chris de Jong voorgestelde wandeling zit er door de weersomstandigheden niet in. Aanhoudende regens houdt de mensen binnen, het plein voor de Sint-Bavo ligt er net zo verlaten bij als de Piazza del Duomo in Milaan door het coronavirus. We gaan naar Grand Café Brinkmann aan de Grote Markt, waar al snel een geanimeerd gesprek ontstaat.
Hoe is de uitgeverij ontstaan?
‘Ik had zelf een roman geschreven die ik naar Meulenhoff had gestuurd; Bart Kraamer werd daar mijn redacteur. Een reorganisatie bij Meulenhoff zorgde er echter voor dat hij boventallig werd en mijn debuut niet doorging. We hielden er wel een vriendschap met elkaar aan over. Boeken en literatuur bepaalden onze gesprekken en we zaten vol ideeën over literatuur die bij uitgevers geen kans krijgt. Tot iemand ons het laatste zetje gaf met de vraag: waarom beginnen jullie zelf geen uitgeverij?’
En dat werd Koppernik. Hoe kwamen jullie aan die naam?
‘Die was een idee van Bart. Hij had Doctor Copernicus van John Banville gelezen en was daarvan onder de indruk. Koppernik of ook wel Kopernik was de oorspronkelijke naam van de Poolse astronoom die een wetenschappelijke revolutie veroorzaakte door het geocentrische denken te verlaten tegen de druk van zijn tijd en zijn geloof in. Een radicaal andere manier van kijken, zoals ook wij anders naar de boekenmarkt kijken’.
Waar zit dat in, die revolutionaire blik van jullie?
‘Wij geloven dat de commercie veel te bepalend is in de huidige boekenwereld. Zonder bestsellers kan een uitgeverij niet gedijen en als een uitgever dan al eens overweegt om een vernieuwende en minder bekende, misschien ook wel minder toegankelijke, auteur aan te durven, dan hijgt onmiddellijk de verkoopafdeling in zijn nek. Dat gaat ten koste van veel kwalitatief goede literatuur waarvan wij vinden dat die de lezer wat nieuws te zeggen heeft. Wij willen juist die boeken aantrekkelijk presenteren en verleidelijk maken. We kiezen daarbij vooral voor de stijl. Die moet uitdagend zijn, gedurfd en oorspronkelijk. Dat zegt nog niets over de thematiek. Ze kunnen gaan over zaken die we in de mainstream literatuur ook tegenkomen, zoals onderdrukking, misbruik, klimaat, politiek en dergelijke. Maar voor ons moet de stijl waarin die thema’s worden benaderd een heel persoonlijke zijn’.
Waarin verschilt jullie aanpak van gevestigde grote uitgeverijen?
‘Wij vormen met zijn tweeën de hele uitgeverij. We doen alles zelf: de selectie, de redactie, de opmaak, de administratie enzovoort. We hebben ook alleen vertegenwoordigers in dienst die ons fonds aan de man brengen. We hebben zelfs geen pand. Vergaderen hoeven we nauwelijks omdat we met zijn tweeën een heel korte lijn hebben en gesprekken met schrijvers of met interviewers, zoals nu met jou, houden we in een café of ergens anders. Onze werkkamer is het huis van Bart. Daar is het een opeenstapeling van paperassen, dummy’s en administratieve verwerking. En boeken natuurlijk’.
Wat opvalt is de herkenbare vormgeving van jullie uitgaven. Er zit een duidelijke verstilling in gebaseerd op gedempte kleuren met af en toe penachtige tekeningen. Ze zijn een heel eigen signatuur. Komt die ook uit jullie handen?
‘Het idee voor de omslagen is meestal wel van ons zelf. Dat kan een beeld zijn dat we in ons hoofd hebben, maar soms baseren we ons, bij vertalingen bijvoorbeeld, op de oorspronkelijke uitgaven. Soms maken we daarna het omslag zelf, maar vaak doen we daarvoor ook een beroep op een bevriende kunstenares, Anouk Martijn. Ik vind het leuk dat je onze uitgaven al aan de omslagen herkent. Dat willen we ook, een kenmerkende illustratieve stijl, maar ook een strakke belettering die we steeds gebruiken. We hebben daar overigens wel een ontwikkeling in doorgemaakt. In het tweede jaar van ons bestaan zijn we wat dat betreft de fout ingegaan. Terugkijkend vind ik dat we toen kozen voor te felle kleuren; we waren iets te schreeuwerig. Ik ben blij dat we daar van afgestapt zijn’.
Er spreekt ook uit dat jullie het papieren boek als kunstvoorwerp belangrijk vinden. Bijna niets van jullie is als e-book verkrijgbaar.
‘Dat klopt, en dat heeft inderdaad een ideële reden. Het produceren van een e-book kost nauwelijks geld, dus daarvoor hoeven we het niet te laten. Maar het gaat wel ten koste van zaken zoals een bladspiegel, het wit in een tekst, de regelval en andere zaken die het boek tot een kunstwerk maken. En er is nog iets: onze boeken hebben een zachte cover. Een enkele keer levert dat problemen op, zoals bij nominaties voor een prijs of bij een bekroning. Toen Wessel Te Gussinklo vorig jaar de Bookspotprijs won, moesten we de omslagen van zijn bekroonde De Hoogstapelaar aanpassen omdat er stickers op moesten kunnen. Uit respect voor het boek zul je onze uitgaven ook niet in de ramsj vinden’.
Dat zijn mooie idealen, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank.
‘Natuurlijk nemen we risico’s. Maar door onze grote zelfwerkzaamheid springen we er met een verkoop van tweeduizend exemplaren al goed uit. Alles wat meer is, geeft weer ruimte voor nieuwe plannen. Van De Hoogstapelaar verkochten we er bijvoorbeeld na het winnen van de Bookspotprijs veel meer en nu het op de shortlist van de Librisprijs staat loopt het misschien nog beter. Het aantal uitgaven is beperkt. We doen er twaalf per jaar met een enkele uitschieter tot vijftien à achttien. Onze eerste uitgave in 2014 was Zeer helder licht van Wessel Te Gussinklo. Bart kende hem goed en toen zijn plan om essays uit te geven bij zijn eerdere uitgever niet aansloeg koos hij voor ons. De roman werd meteen genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was natuurlijk een geweldige binnenkomer voor ons als nieuwe uitgever. We hebben daarna eigenlijk nooit te klagen gehad over aandacht. Uitgaven van ons werden goed gerecenseerd en enkele romans haalden VPRO Boeken en het panel van DWDD. Ons concept slaat dus duidelijk aan. Sinds vorig jaar hebben we zelfs een investeerder, al hebben Bart en ik nog altijd een meerderheidsbelang wat aandelen betreft. Mocht het eens wat slechter gaan’ (hij grinnikt), ‘dan zijn we niet te beroerd om de handen op een andere manier uit de mouwen te steken. Bart vertaalt bijvoorbeeld uit het Zweeds en ik ben handig in kluswerk in de bouw. Maar dat heb ik al een tijd niet meer hoeven doen’.
Hoe komen jullie aan je titels?
‘We lezen veel, niet alleen romans, poëzie en essayistisch werk, maar we volgen ook literaire bladen en bezoeken beurzen. Bij die gelegenheden steken we veel tijd in persoonlijke contacten. We wijzen elkaar voortdurend op belangwekkende boeken die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Het komt ook nogal eens voor dat vertalers ons tippen en een boek bij ons onder willen brengen. We laten ons niet afleiden door bekroningen, maar zoeken eerder naar werk dat volgens ons ten onrechte onder de radar blijft.’
En de manuscripten?
‘Die krijgen we behoorlijk veel, maar ze zijn in onze ogen zelden gedurfd genoeg. Ik schat dat we er in een jaar een paar honderd binnen krijgen, maar in slechts één geval hebben we dat debuut ook daadwerkelijk uitgegeven’.
Tijdens het gesprek pakt De Jong een paar keer zijn telefoon om te laten zien op welke uitgaven hij het meest trots is: het pas verschenen De Tanners van Robert Walser uit 1907, De wetten van water van Cynan Jones, Onder het water van Daisy Johnson, en werk van Rilke en Huub Beurskens.
En die roman waarmee het allemaal is begonnen, mogen we die nog verwachten?
(Weer een glimlach) ‘Ik weet het niet. Maar als hij er komt breng ik hem ergens anders onder. De uitgeverij is er niet om mezelf op het podium te zetten.’
Klik hier voor een blik op alle uitgaven van Uitgeverij Koppernik.
De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft onlangs de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs aan Mirthe van Doornik toegekend voor haar debuutroman Moeders van anderen. Deze stimuleringsprijs wordt jaarlijks uitgereikt, afwisselend in de categorie poezie en proza. Mirthe van Doornik ontvangt een glasobject en 7.500 euro. Moeders van anderen verscheen in 2018 bij Uitgeverij Prometheus.
De jury bestaande uit Hanneke van Eijken, Kester Freriks, Pia de Jong, Gerard Raat en Yves T’Sjoen: ‘Het is om zowel inhoudelijke als stilistisch-compositorische redenen dat de jury het pure en overtuigende prozadebuut Moeders van anderen voordraagt voor de Van der Hoogtprijs 2020 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Met deze unanieme keuze wil de jury graag onderstrepen dat het genre roman in de huidige tijd, gekenmerkt door nadruk op het journalistiek-documentaire, zeer indrukwekkend kan zijn.’
De Van der Hoogtprijs werd eerder onder meer gewonnen door Lize Spit, Merijn de Boer, Erwin Mortier, Arthur Japin, Wessel te Gussinklo, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom en Anna Blaman de Van der Hoogtprijs.
Henriette Roland Holstprijs voor Mizee
De Henriette Roland Holstprijs, die sinds 1984 eens in de drie jaar wordt uitgreikt, is toegekend aan Nicolien Mizee voor haar eerste twee faxboeken De kennismaking en De porseleinkast (Van Oorschot). Mizee ontvangt een oorkonde en 3.000 euro. De prijs is – zo staat op de site van haar uitgever vermeld ‘na een troostprijs voor een tekenwedstrijd op mijn negende’ – de eerste prijs die Nicolien Mizee ontvangt.
De in bestaat al sinds 1957 en is ingesteld als prijs voor een ‘in de Nederlandse taal geschreven werk van proza, poëzie of toneel dat zowel uitmunt door sociale bewogenheid als door literair niveau’.
Uit het juryrapport: ‘In haar faxen brengt Mizee verslag uit van de periode waarin ze haar eerste romans concipieerde. Nauwgezet geeft ze weer hoe haar schrijverschap zich heeft ontwikkeld. In het bijzonder waardeert de jury Mizee’s sprankelende stijl, haar sterke humor, authentieke onaangepastheid, invoelbare wanhoop en niet in de laatste plaats ook haar genadeloos eerlijke zelfanalyse.’
Eerdere laureaten van de Henriette Roland Holstprijs zijn onder meer Alfred Birney, David Van Reybrouck, Tom Lanoye, Johan de Boose, Bas Heijne, Geert Mak, Inez van Dullemen, Lieve Joris en Jan Hein Donner.
Wie Walter Benjamins Kinderjaren in Berlijn rond 1900 (vertaald door Hans Driessen in 2015 ) openslaat, zal in eerste instantie denken te maken te hebben met een nostalgische tekst: in het (door de uitgever voor de gelegenheid met foto’s geïllustreerd) boekje biedt Benjamin tal van indrukken uit zijn grootsteedse jeugd, waarmee hij iets toont van het effect van een betoverende moderniteit op de kindergeest. In een woord vooraf spreekt Benjamin van ‘heimwee’ en ‘een gevoel van hunkering’. Maar is er werkelijk sprake van nostalgie?
De Duitse cultuurfilosoof en literatuurcriticus Walter Benjamin (1892-1940), is tegenwoordig veel beroemder dan tijdens zijn leven, een leven waarin hij niet de academische erkenning kreeg die hij verdiende. Benjamin schreef over een veranderende wereld en een veranderende omgang met cultuur in het moderne bestaan. Hij had belangstelling voor zowel hoge cultuur (hij vertaalde Proust en Baudelaire en schreef over Goethe) als voor populaire cultuur. Zijn essay over de teloorgang van de uniciteit van het kunstwerk in tijden van mechanische reproduceerbaarheid geldt als klassiek. Het is een ambivalente tekst waarin Benjamin niet louter positief of negatief is over het verloren gaan van de ‘aura’ van het origineel.
Benjamins meest ambitieuze onderneming was het onvoltooid gebleven ‘Arcades project’ (Das Passagen-Werk), waarin hij de veranderingen in het Parijs van de negentiende eeuw documenteerde, als een archeoloog van de moderniteit. Hij heeft daarin aandacht voor ontwikkelingen die de basis vormden voor de moderne twintigste-eeuwse maatschappij, waarin hijzelf leefde. Lezen in de door Benjamin genoteerde impressies en verzamelde teksten is als schatgraven in de mentaliteit van de door hem opgeroepen negentiende eeuw.
Benjamin was geboeid door herinnering en door de relatie tussen herinnering en moderne geschiedenis. In dit montage-essay komen veranderingen in de negentiende eeuw en jeugdherinneringen op de drempel van de twintigste eeuw aan bod. Benjamins Kinderjaren in Berlijn is geprezen om de literaire stijl, die echter wel wat van de lezer vergt. Het zijn geen memoires in de strikte zin van het woord, het gaat eerder om een verzameling thematische hoofdstukjes waarin hij indrukken geeft van zijn jeugd rond 1900.
Kinderjaren in Berlijn, dat oorspronkelijk stamt uit de jaren dertig, bevat vignetten over deze jeugd in wat toen de meest moderne stad van Europa was en sinds enige decennia de hoofdstad van het Duitse keizerrijk. Benjamin was een kind van rijke ouders en groeide op in een geassimileerd Joods gezin. Later in zijn leven was hij bevriend met de Joodse denker en Kabbalawetenschapper Gershom Scholem (1897-1982), wat voor hem een voedingsbodem was voor de religieuze kant van zijn marxistisch getinte materialisme. Zo ontstond een wonderlijke mengeling van mentaliteiten.
Montage
Benjamin was bevriend met Bertolt Brecht (1898-1956). Deze sociaal bewogen schrijver experimenteerde met de fragmentarische montagetechniek in zijn literaire werk en Benjamin onderging er de invloed van, zoals onder meer literatuurwetenschapper Nicolas Whybrow laat zien in zijn boek Street scenes.
In de moderne techniek van de montage werd de geconstrueerdheid van kunstzinnige uitingen niet verdoezeld, maar op de voorgrond geplaatst. Dit leverde bij Brecht onder meer theater van vervreemding op, waarbij de toeschouwers werden gedwongen na te denken over wat fictie is, in plaats van er gevoelsmatig door overdonderd te worden. In enkele werken van Benjamin speelt de montage een rol, zeker ook in Kinderjaren in Berlijn. Het is geen als coherent gepresenteerde chronologische autobiografie. Het gaat Benjamin er in deze thematische fragmenten om steeds een ander stukje van de verbeelding van een opgroeiend kind in de grote stad te tonen. Belangrijker lijkt het voor Benjamin iets over de recente moderniteit te zeggen dan over zijn eigen psyche in ontwikkeling.
Creatief (on)begrip
In wat volgt gebruik ik de methode van creatief (on)begrip die Benjamin zelf ook hanteerde in zijn interpretatie van Karl Marx, die hij volgens sommigen niet helemaal doorgrond heeft, maar volgens anderen overtroffen heeft in inzicht. Hoe het ook zij: Benjamin blijkt een veel interessantere denker dan Marx. Door zijn stijl, door zijn omgang met de moderniteit met kinderlijke verbeelding en door zijn ambivalentie.
Ik put uit het ideeënreservoir dat het oeuvre van Benjamin is, een aantal termen die ik plaats onder de noemer creatief (on)begrip. Deze herinterpretatie wil ik voltrekken met de uit zijn Passagen-Werk geputte begrippen fantasmagorie, oergeschiedenis, helletijd, droomstad en magische encyclopedie. Vervolgens ga ik in op de raakvlakken in Kinderjaren in Berlijn met het verschijnsel nostalgie. Tot slot behandel ik de ambivalentie die spreekt uit de meeste teksten van Benjamin.
Fantasmagorie
Benjamin zag de fantasmagorie als een bedrieglijk wensbeeld of een fetisj-achtig object dat de moderne consument verblindt. Men kan dan denken aan de inrichting van warenhuizen als musea van consumptie of aan elektrisch ‘feeëriek’ verlichte huizen. Maar ook aan de gedecoreerde etalages van winkels van middenstanders vol uitgestalde muziekdozen met miniballerina’s en automaten met de suggestie van een perpetuum mobile. Benjamin beschrijft hoe hij tijdens bezoeken aan een tante een ‘grote glazen kubus’ kreeg voorgezet, ’die een hele levende mijn bevatte waarin zich kleine mijnwerkers, houwers, opzichters met karren, hamers en lantaarns stipt in de maat van een uurwerk bewogen.’ Hij was betoverd, zoals alleen een kind betoverd kan zijn, een ervaring die zo mooi is, dat sommige volwassenen heel hun leven op zoek blijven naar deze staat van naïeve ontvankelijkheid.
Bij een bezoek aan het Berlijnse ‘keizerpanorama’, een vorm van stereoscopisch amusement met 3Delementen, populair aan het begin van de twintigste eeuw, ging de jonge Benjamin op in andere streken en landen die getoond werden. ‘Zo wilde ik op een middag voor het transparant van het stadje Aix met mezelf overleggen of ik ooit gespeeld had op het plaveisel dat door de oude platanen van de Cours Mirabeau wordt bewaard.’ Hier zien we een mengeling tussen moderniteit en het irrationele. De methode om andere realiteiten te tonen was gebaseerd op wetenschappelijke principes, de werking ervan op de kindergeest duidelijk niet.
Oergeschiedenis en helletijd
Benjamin verbleef na een door politieke omstandigheden ingegeven vertrek uit Berlijn, onder meer in Parijs. Volgens twintigste-eeuwer Benjamin was Parijs in de negentiende eeuw de hoofdstad van de wereld.
Wie in teksten uit het recente verleden op zoek gaat naar het kleine leven van gewone mensen en wie rommelt op de vuilnisbelt van hun materiële en immateriële herinnering, vindt er overblijfselen van de oertijd van de moderniteit, meende Benjamin. Hij zag de moderne tijd van de negentiende eeuw deels als een helletijd, een nachtmerrie waaruit de volgende generaties moesten ontwaken, juist door het verleden in het heden te incorporeren.
In zijn essay Dialectics at a standstill schrijft Rolf Tiedemann over het ‘stratum of material, the alluvium of the recent past’ dat de kern vormde van hetgeen Benjamin ‘opgroef’ in de Parijse bibliotheek tijdens zijn arbeid aan Das Passagen-Werk. Benjamin wilde – door zich niet te richten op de grote mannen, maar op het leven van gewone mensen – in de negentiende eeuw iets blootleggen van de helletijd die de negentiende eeuw volgens hem was, de nachtmerrie die aan het heden waarin Benjamin leefde, de jaren dertig voorafging. Toen Parijs niet meer de plek was waar alles gebeurde, maar Berlijn.
Het verschil tussen Das Passagen-werk en Kinderjaren in Berlijn is niet alleen dat er een andere tijd en stad in behandeld worden, maar ook dat Benjamin in dat laatste werk een koppeling maakt met zijn persoonlijke herinnering. In beide projecten gaat Benjamin op zoek naar de wortels van de moderniteit.
Een oergeschiedenis van Berlijn in de moderniteit is Benjamins Kinderjarenin Berlijn misschien, een beschrijving van een ‘helletijd’ echter allerminst. We zien in Benjamins beschrijving zowel de blik van het zich verwonderende kind als die van de volwassen Benjamin, dertig jaar later. Het gaat om een mengeling van vertedering over het magisch wereldbeeld dat hij vroeger aanhing en van ontzag voor een leven dat onherroepelijk verloren is gegaan.
Droomstad
Benjamin schrijft dat hij zijn best heeft gedaan ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse.’ Deze beelden ‘missen nog de vaste vormen zoals die al eeuwenlang in het natuurgevoel tot beschikking liggen van herinneringen die op het platteland zijn doorgebracht. Maar de beelden van míjn kinderjaren in de grote stad zijn misschien in staat in hun binnenste latere historische ervaring al bij voorbaat vorm te geven.’ Het stadse leven lijkt fundamenteel af te wijken van het bestaan op het platteland. Maar had het ook een andere impact op een opgroeiend kind?
Het is deze mogelijk andere impact die Benjamin in kaart brengt. Over het dwalen door Berlijn als kind schrijft hij: ‘In een stad de weg niet kunnen vinden zegt niet veel. Maar in een stad verdwalen, zoals je in een bos verdwaalt- daar heb je scholing voor nodig. Dan moeten straatnamen tegen de verdwaalde spreken als het kraken van dorre twijgen, en moeten kleine straten in het binnenste van de stad het uur van de dag voor hem even duidelijk weerspiegelen als een dal in de bergen.’
De stad was en is het landschap van de mens, een landschap dat betoverd zou kunnen worden door de visie die er door de receptieve waarnemer aan werd en wordt gekoppeld.
Magische encyclopedie
Benjamin omschreef zijn Passagen-Werk als een magische encyclopedie van de moderniteit. Ook in Kinderjaren in Berlijn verbond Benjamin de objecten van het moderne leven met het magische wereldbeeld van het begaafde kind. Zo schreef hij over de telefoon: ‘Het kan aan de constructie van de apparaten of de herinnering liggen- maar zeker is dat de geluiden van de eerste telefoongesprekken me anders in de oren klinken dan de huidige. Het waren nachtgeluiden. Geen enkele muze vermeldt ze. De nacht van waaruit ze kwamen, was dezelfde als die voorafgaat aan elke echte geboorte. En de stem die in de apparaten sluimerde was een pasgeborene’ Benjamin verleende objecten een bezielde status, zo blijkt uit passages als: ‘Hier heersten meubels die, op grond van de eigenzinnigheid waarmee ze de ornamenten van tal van eeuwen in zich verenigden, overtuigd waren van zichzelf en van hun duurzaamheid.’
In de geest van de opgroeiende Benjamin was betovering een vervuldheid van de magie van de moderniteit. In de Berlijnse dierentuin was er een nijlpaard ‘dat zijn pagode bewoonde, als een toverpriester die op weg is met lijf en leden te versmelten met de demon die hij dient’. In deze Zoologischer Garten was ook ‘een profetische uithoek. Want zoals er planten zijn waarover verteld wordt dat ze het vermogen bezitten om ons in de toekomst te laten kijken, zijn er plaatsen die deze gave bezitten. Het zijn meestal verlaten oorden, of ook boomtoppen die tegen muren staan, doodlopende straten waar geen mens zich ooit ophoudt.’
Zo toont Benjamin vele omgevingen en interieurs die volgens hem representatief waren voor de ervaring van een opgroeiend burgerkind in het vroeg-twintigste eeuwse Berlijn.
Nostalgie
Sommige passages in Kinderjaren in Berlijn zijn ronduit nostalgisch. Ze bieden een idealiserende kleuring van het verleden. Zo lezen we: ‘In onze tuin stond een verlaten tuinhuisje. Ik hield ervan vanwege zijn veelkleurige ramen. Als ik binnen van ruit tot ruit liep, veranderde ik: ik kleurde als het landschap dat nu eens vlammend, dan weer verstoft, nu eens smeulend, dan weer weelderig in het raam lag.’ Benjamin vervolgt iets verder:‘Op een dag braken de kleuren uit dit fonkelend vlechtwerk los en stortten zich op mij – ik voel nog steeds de zoetheid waarmee mijn oog zich volzoog. Het was de zoetheid van de chocolade waarmee ze meer in mijn hart dan op mijn tong wilden smelten’
Dergelijke zintuiglijke passages zijn sterk persoonlijk, al is het misschien niet de nostalgie van een hele generatie gegoede burgers uit de voortijd van het interbellum, zoals Benjamin beoogde te beschrijven. Het is stadsnostalgie die lijkt af te wijken van andere vormen van nostalgie, bijvoorbeeld het arcadische verlangen naar ongereptheid.
Deze stadsnostalgie viert juist de ‘gereptheid’, die toont dat de materiële voortbrengselen van de mens, gebouwen, werktuigen, speelgoed, prachtig kunnen zijn en gekoppeld kunnen worden aan het geestelijke. Benjamin maakt in zijn tekst iets duidelijk over de kinderlijke geest dat (misschien) universeel is: de relatie tussen objecten en het magische. Zo is een hedendaagse kleuter nog altijd bang voor de kleren op een stoel die in het duister van zijn slaapkamer tot monsters kunnen worden. Het afscheid nemen van dit magische wereldbeeld, dat dus ook bleef bestaan in de moderniteit, is volwassen worden. De koppeling van de moderniteit aan het irrationele komt misschien voort uit een basisbehoefte van de mens om voor even weer in het nostalgische domein van de jeugd, of van de jeugd van de mensheid, te verkeren, de tijd voor de onttovering. Misschien beantwoordt die neiging tot betovering van de moderniteit aan een nostalgische oerbehoefte.
Ambivalentie
Aan de ene kant betreurde Benjamin wat er verloren was gegaan aan de moderniteit, zoals de aura van uniciteit van het kunstwerk, aan de andere kant is zijn fascinatie voor de fantasmagorie van de moderniteit zo groot en ook haast religieus getint, dat je vermoedt dat hij vatbaar was voor de schoonheid van het moderne, als dit tenminste bezwangerd was door de kinderlijke blik.
Voor sommige mensen is het bladeren door een kunstboek met reproducties, die de aura van oorspronkelijkheid hebben verloren, bevredigender dan een gang door een museum langs de originele werken. Juist het moderne wonder van de reproductie heeft iets magisch: maak je als kijklezer van een kunstboek niet ook kennis met iets als de kern of visie van de kunstenaar? Is dit bladeren minderwaardig, alleen omdat het om reproducties gaat? En zo rijzen er bij bestudering van Benjamin meer vragen op: is het natuurlijk om techniek en wetenschap aan het irrationele te koppelen? En: is het stadse leven in de moderniteit fundamenteel afwijkend van het landelijke boerenleven of reageert de stadse mens feitelijk niet anders op veranderingen en op het niet-bevattelijke dan de agrariër of dorpeling uit het premoderne verleden?
Dergelijke vragen roept het hele oeuvre van Benjamin op. Een oeuvre dat in een literaire, maar niet altijd toegankelijke stijl geschreven is, een verslag van een eeuwig opgroeiende mensheid in de wereld van de moderniteit.
Olivier Rieter is historicus. Hij promoveerde in 2018 op onderzoek naar nostalgie. Hij publiceerde onder meer in Neerlandia, Pictures Science , Volkskunde en de reeks AO-boekjes en werkt aan een roman over het schemergebied tussen nostalgie en trauma.
Literatuur
Benjamin, Kinderjaren in Berlijn rond 1900 (vertaling H. Driessen, 2015)
Benjamin, The Arcades Project (1999)
Boscagli en E. Duffy, Joyce, Benjamin and magical urbanity (2011)
During, Modern Enchantments: The Cultural Power of Secular Magic(2002)
McBride, The chatter of the visible: montage and narrative in Weimar Germany (2016)
Eiland, W. Jennings. Walter Benjamin a critical life (2014)
Hamilton, Walter Benjamin’s Berliner Kindheit um 1900: Longing, Enchantment and the Material Subject’ in Journal Life writing 15 (2018), 369-383
Martens, The promise of memory: childhood memory and its objects in literary modernism (2011)
Tiedemann, ‘Dialectics at a standstill’ uitleiding in W. Benjamin, The Arcades Project (1999)
Whybrow, Street scenes, Brecht, Benjamin and Berlin (2004)
Dido Michielsen heeft met haar roman Lichter dan ik de Nederlandse Boekhandelsprijs gewonnen. Michielsen schreef eerder non-fictie werk dat werd uit gegeven door De Bezige Bij. Vorig jaar debuteerde ze bij Holland Diep met een roman die gebaseerd is op het leven van haar betovergrootmoeder in Indonesië. Het verhaal gaat over Isah, een jonge vrouw die eind negentiende eeuw opgroeit in de kraton, het vorstenverblijf in Djokja. Ze wordt huishoudster van een Hollandse officier, met wie ze een verhouding krijgt waaruit twee dochters voortkomen. Als de officier alsnog met een Nederlandse vrouw trouwt laat hij haar en de kinderen simpelweg achter en moet Isah grote offers brengen om haar kinderen te onderhouden.
De Boekhandelsprijs bestaat sinds 2015 en wordt jaarlijks toegekend aan een oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk, een boek dat volgens de boekhandelaren om zijn inhoud en thematiek meer aandacht verdient. De prijs is gelijk aan boekhandelsprijzen die in andere landen al langer bestaan, zoals in Duitsland de Deutscher Buchpreis en in Amerika de National Book Award. De winnaar wordt gekozen door, zoals de naam doet vermoeden, boekverkopers uit het hele land. De prijs bestaat uit een publiciteitscampagne en een geldprijs van 7.500 euro.
Hoewel er oorspronkelijk bij de Boekhandelsprijs geen genomineerden zijn, ontstond er dit jaar een lijst van vijf titels die voor de prijs in aanmerking kwamen: Ish Ait Hamou, Het moois dat we delen, Dido Michielsen, Lichter dan ik, Marijke Schermer, Liefde, als dat het is, Machteld Siegmann, De kaalvreter en Manon Uphoff, Vallen is als vliegen.
De prijs werd op 20 februari in boekhandel Scheltema te Amsterdam aan Dido Michielsen uitgereikt. Van Lichter dan ik wordt een speciale luxe boekhandelsprijs-editie gemaakt, waarna een landelijke advertentiecampagne volgt.
Eerdere winnaars van De Nederlandse Boekhandelsprijs waren Onder de paramariboom van Johan Fretz (2019), Wees onzichtbaar van Murak Işık (2018), Het smelt van Lize Spit (2017), Alleen met de goden van Alex Boogers (2016) en Birk van Jaap Robben (2015).
Lees de recensie van Lichter dan ik die op 16 oktober 2019 op Literair Nederland verscheen.
Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.
Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.
De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?
‘Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’
Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.
‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’
In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?
‘Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”
Is Odilia uw muze?
“Absoluut. In 2013 kwam het schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’
Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann.
‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’
Ewout Meyster zit op die grens, hij is zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.
‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.
Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?
‘Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’
Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen.
‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’
Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.
‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’
Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?
‘De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’
Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?
‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’
Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel?
‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’
Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?
‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’
Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?
‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken om iets zichtbaar te maken.’
In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.
‘Dat is ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’
Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?
‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’
Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?
‘Ik ben in zekere zin een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’
Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.
De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.