• Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • In memoriam Lodewijk Brunt 1942 – 2020

    Je hebt mensen die op een afstand kijken naar hoe mooi het is, en je hebt mensen die dichterbij gaan staan omdat ze met de ogen iets toegeknepen willen zien waarom iets mooi is. Tot die laatste categorie zou ik Lodewijk Brunt willen rekenen, die enkele jaren voor Literair Nederland schreef. Brunt overleed op 17 oktober in zijn woonplaats Amsterdam, hij werd 78 jaar.

    Brunt was een man die Hindi leerde omdat hij zo van India hield, en omdat de literatuur in die taal naar zijn smaak te weinig ruimte kreeg in Nederland. Als stadssocioloog / antropoloog was hij gefascineerd door het stedelijke India, hij vertaalde moderne poëzie over de Indiase steden uit het Hindi (Ik zag de stad) en bijvoorbeeld liedjes uit Bollywoodfilms (Mijn lippen vroegen om een lied) en, eind 2013, een serie zeer korte verhalen (De bittere waarheid). Zijn laatste vertaling (samen met Dick Plukker) was pas net gereed: De blauwe sjaal en andere verhalen van Anu Singh Choudhary. Later op deze website meer over dit boek.

    In de periode dat we veel met hem mailden hing er een vast gedicht onder zijn mail:

    Huiskat

    Die kat strek hoog op vier strak bene, buig
    behaaglik om haar luipeerdlies te lek,
    rol om en lê fluwelig oopgevlek
    dat keel en bors en buik die son kan suig.

    Ons noem haar ‘kat’ want sy is sonder siel
    en anoniem. Smal skerwe van agaat
    staar koud uit die driehoekige gelaat.
    Arglistig, vloeibaar, soos ’n blink reptiel

     van los en lenig wees versadig: sy
    sal nooit – die veearts het haar ‘reggemaak’ –
    ekstase en angs van lewe voortbring smaak,
    sal, steeds eenselwig, alle teerheid stuit.
    Ek hol my hand behoedsaam, smalend sluit
    sy haar oë, kronkel by my greep verby.

    Elisabeth Eybers (1915-2007)

    De kat bracht het ook tot zijn rouwkaart:

    Mumbai

    Wanneer ’s nachts Mumbai slaapt op straat
    als een zwarte kat, haar pootjes
    in haar buik gedrukt en haar
    oogleden altijd op een kiertje –
    wasemt zij trage ademvlagen
    over het droge strand.

    Gulzar

    Een schitterend sonnet, dat van Eybers, waarin eveneens nabijheid wordt gezocht van het ongrijpbare. Zolang wij met hem correspondeerden had hij plannen, zag veel, las veel en merkte veel op: meer soms dan waar in krant of websites ruimte voor was: daarom begon hij zijn eigen blog waar de lezer een enorme waaier aan onderwerpen terugvindt die tonen hoe rijk zijn interesse was. Brunt was een uitermate geopinieerd heer, hij kon smakelijk vertellen over de ins en outs van het academisch bestaan, op een rondje over de Kloveniersburgwal of bij een kop koffie in de buurt kon je op verzoek ook horen wie het allemaal helemaal mis hadden. Onder een smakelijke lach steeds, die node gemist zal worden.

     

    Lees hier de bijdragen die Lodewijk Brunt voor Literair Nederland schreef. En hier de link naar zijn persoonlijke blog.

     

  • Fotosynthese 17 – Engelen bestaan

    Op de foto zien we drie mannen op de rug. Zonnig weer. Ze wachten ergens op. De man rechts houdt een bord omhoog, hij maakt reclame voor een website. Zo weten we dat de foto met Berlijn en de Muur te maken heeft. De website heb ik snel gevonden: Gegen Vergessen und Verdrängen der SED-Diktatur in der DDR 1949-1989 is het motto. Er worden op de site tentoonstellingen aangekondigd, tips voor boeken en artikelen om te lezen. En na een paar keer klikken weet ik waarop de mensen staan te wachten bij de Bernauer Straße. Er wordt een herdenkingsmonument en bezoekerscentrum over de Muur geopend. Het is 1998. Vorig jaar, op 9 november 2019, dertig jaar na de val van de Muur, was opnieuw een herdenking op deze plek.

    Ich

    Als ik aan de Muur denk, zie ik Der Himmel über Berlin (1987) van cineast Wim Wenders voor me. Hoe vaak heb ik die film gezien? Minstens vijf keer.
    Twee engelen, Damiel (Bruno Ganz) en Cassiel (Otto Sander) hebben als standplaats Berlijn. Ze reizen door de tijd – de beelden zijn zwart-wit – en luisteren onopgemerkt naar de mijmeringen van de inwoners, verlichten de gedachten van iemand die zit te tobben. Kinderen kijken vaak naar boven, ze kunnen de engelen zien.
    Op een dag besluit Damiel – hij is verliefd geworden op een trapeze-artieste – dat hij wil deelnemen aan het leven. Als engel kun je terug naar de aarde maar je verliest je onsterfelijkheid: je kunt nooit meer engel worden.

    In de film worden als een monologue intérieur teksten voorgelezen van Peter Handke, die meeschreef aan het scenario.

    Als das Kind Kind war,
    war es die Zeit der folgenden Fragen:
    Warum bin ich ich und warum nicht du?
    Warum bin ich hier und warum nicht dort?
    Wann begann die Zeit und wo endet der Raum?
    Ist das Leben unter der Sonne nicht bloß ein Traum?
    Ist was ich sehe und höre und rieche
    nicht bloß der Schein einer Welt vor der Welt?
    Gibt es tatsächlich das Böse und Leute,
    die wirklich die Bösen sind?
    Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
    bevor ich wurde, nicht war,
    und daß einmal ich, der ich bin,
    nicht mehr der ich bin, sein werde?’

    De teksten van Handke in deze film zijn poëtisch, filosofisch en worden voorgelezen alsof het flarden van gedachten zijn. De teksten dragen de beelden van de film. Maar wie spreekt? Wie is in staat de gedachten van een kind zó te doorgronden als in bovenstaande tekst? Dat moet wel een engel zijn. Uit de filmbeelden leid je af dat kinderen de enigen zijn die een engel kunnen zien. Op een zebrapad staat een kind stil en ziet de engel die (vanuit het perspectief van een drone) hoog op een kerktoren in Berlijn staat en naar beneden kijkt, waar alle volwassenen gehaast doorlopen en niets zien. Maar het kind kijkt naar boven, in de lens, het ziet de engel en kijkt tegelijkertijd mij aan. Even later een vergelijkbare scène: een kind achter het raam van een bus, het kind ziet de engel (mij) en ze (we) herkennen elkaar. Wij en de kinderen kunnen het verhaal volgen zowel vanuit het perspectief van de engel als vanuit de mens in het aardse bestaan. We delen een geheim: engelen bestaan.

    Geestverwanten

    Het is zeker niet voor het eerst dat Handke een scenario schreef, samen met Wenders maakte hij vier films. Hij schreef vele toneelteksten, in 1978 verscheen zijn roman Die Linkshändige Frau (1976) als film. Cameraman van die film, Robbie Müller (die ook jarenlang met Wim Wenders samenwerkte), daarover: ‘Handke hield zich aan de roman en zei gewoon: “Morgen doen we pagina 42 tot 45.” Alles wat je in de film ziet, staat in het boek. Ik had het herlezen en ontdekte dat elk camerastandpunt in de zinnen besloten lag.’
    Wat dit betreft zijn Marguerite Duras en Peter Handke geestverwanten. De stijl in hun romans is sober, bij Handke bijna kaal, niet mis te verstaan en ontdaan van alle franje. Naar de mening van Handke kon je de roman Die Linkshändige Frau letterlijk verfilmen, scenario en roman vallen samen. Duras ging daarbij – vooral in haar latere werk zoals De minnaar uit Noord-China (1991) – nog veel verder door regieaanwijzingen, camerabewegingen en zelfs de gewenste casting van een hoofdrol in de tekst van de roman op te nemen. Duras was dan ook een cineaste, Handke niet. Hij is een man van de taal, het beeld volgt uit de taal. De taal is in het geval van Handke niet alleen de geschreven/gedrukte taal, niet alleen de gesproken, maar ook de taal van de gedachte. De taal van ons innerlijk.
    Der Himmel über Berlin is ook een film over taal. De scène in de enorme bibliotheek illustreert dit. Als kijker hoor je wat de engelen horen: een geroezemoes van gedachten, van teksten die door de bibliotheekbezoekers gelezen worden, flarden van herinneringen en steeds maar zich herhalende dwanggedachten. Als je zorgen hebt ga je ‘malen’. De engel corrigeert waar nodig, fluistert woorden in het oor. En geeft daarbij een gedachte het beslissende zetje dat tot inzicht leidt bij de degene die het wordt ingefluisterd. Een glimlach wordt zichtbaar en de onrust verdwijnt. Later herhalen zich dit type scènes in de metro.
    De engelen zijn alert met taal. Handke schreef het alsof ze de gedachte die ze horen net een stap voor zijn, op tijd om in te kunnen grijpen. Je moet goed naar een ander kunnen luisteren om met jouw woorden de vastgelopen gedachte van die ander vlot te trekken. Zodat die het gevoel heeft dat hij zélf tot inzicht is gekomen, lijkt Handke te zeggen.

    Vaak heb ik de scène bekeken, vlak na de sprong waarmee het aardse bestaan van de engel begint, als Damiel die vlakbij de Muur op de grond ligt, bijkomt en om zich heen kijkt. Vlak daarvoor een snel shot van een straatnaambord. Een plek bestaat pas echt als je die een naam geeft, lijken Wenders en Handke te zeggen. Waldemarstraße, een straat in het vrije West-Berlijn.
    In mijn gedachten zou ik daar bij de halte begraafplaats Frieden-Himmelfahrt in de metro kunnen stappen. Het is een half uurtje naar de plek waar de drie mannen op de foto staan, de aanleiding voor deze tekst.

    Koffie

    Wanneer houdt een engel op engel te zijn? Op het moment dat hij zich bewust wordt dat hij op de grond ligt? De beelden zijn dan in kleur. Als je kleuren ziet ben je een mens, lijkt Wenders te zeggen. Maar nog preciezer laat hij het zien: als Damiel opstaat, het stof van zijn kleren slaat, kijkt hij naar de graffiti op de Muur. Hij vraagt aan een passant naar de kleuren, zegt ze hardop. Als je de kleuren een naam geeft, ben je mens. Er zit bloed op zijn hand, hij bekijkt het, benoemt het. Rood! Likt er enthousiast aan, voelt zijn lichaam, hij blaast (het is koud buiten) in de holten van zijn handen. Is hij nu mens?
    Wenders laat hem nog even lopen over de Engeldamm, hij mag nog een beetje engel zijn. Hij drinkt koffie bij een snackbarretje op straat, verwarmt zijn handen aan de kartonnen beker. Ja, zo doen wij dat ook. Je begint de dag met koffie, dan voel je je weer mens.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

     

  • Fotosynthese 16 – Personen

     

    Klik op de foto om de achtergrondfoto te zien


    Wanneer je twee grote spiegels in een gestrekte hoek ten opzichte van elkaar plaatst, dat wil zeggen een hoek van 180º, dan zie je jezelf eenmaal weerspiegeld. Maak je die hoek kleiner dan 90º, dan weerspiegelen de spiegels ook elkaar en lijkt het alsof je met meerdere ikken bijeen bent. Hoe kleiner je de hoek tussen de beide spiegels maakt, des te groter wordt het aantal spiegelbeelden, totdat de spiegels recht tegenover elkaar komen te staan en je spiegelbeeld naar twee kanten in een eindeloze rij wordt herhaald. Deze foto is gemaakt met de twee spiegels in een hoek van ongeveer 72º, zodat de echte persoon – op de rug midden vooraan precies tussen twee van de spiegelbeelden in zit. Zo zie je vier complete weerspiegelingen, en lijkt op de foto een ‘gezelschap’ van vijf mensen bijeen te zijn. Dergelijke bedrieglijke opstellingen zijn van oudsher op kermissen en in amusementsparken te vinden, al zul je tegenwoordig ook wel apps hebben, waarmee je uit de losse pols zo’n vermenigvuldigings- effect kunt toepassen. Het aardige is dat je pas in tweede instantie ziet dat het vijf keer hetzelfde meisje is, zozeer lijkt haar gezichtsuitdrukking met de verschillende invalshoeken te variëren. En dat terwijl het in dit geval juist om een goudeerlijk en ongecompliceerd iemand ging, die zich bepaald niet anders voordeed dan ze was. Op deze getructe foto lijkt ze een jaar of zeventien te zijn. Twee jaar nadien ontmoette ze de liefde van haar leven, wat op een hopeloze en frustrerende teleurstelling uitdraaide, zoals tot in detail valt na te lezen in hun liefdesbrieven, die van beide kanten bewaard zijn gebleven.

    Haar naam was Ofélia Queiroz. Ze was geboren in 1900 en woonde in Lissabon. In november 1919 ging ze als typiste en vertaalster solliciteren bij de handelsfirma Félix, Valadas & Freitas op de tweede verdieping van de Rua da Assunção nr. 42 in Baixa, het commerciële centrum van de Portugese hoofdstad. Bij wijze van chaperonne was zij in het gezelschap van een dienstmeisje van haar zuster.
    Het kantoor bleek nog gesloten, maar even later arriveerde er een medewerker die met zijn verschijning meteen een onvergetelijke indruk op de negentienjarige Ofélia maakte. Hij was in de rouw, omdat kort tevoren zijn stiefvader was overleden, dus hij was geheel in het zwart gekleed, droeg een breedgerande hoed met zwart lint, een vlinderdas en een bril. ‘Hij liep,’ zo herinnerde Ofélia het zich vele jaren later, ‘alsof zijn voeten de grond niet raakten.’ Zijn broekspijpen zaten bovendien in zijn slobkousen gepropt. Ofélia kon haar lachen bijna niet inhouden, maar was tegelijk volkomen vertederd door deze onaangepaste verschijning, die uiterst verlegen informeerde wat de dames kwamen doen. Zo verliep de eerste kennismaking tussen de dichter Fernando Pessoa en de enige vrouw die een amoureuze rol van betekenis in zijn leven gespeeld heeft. Dat was geen gemakkelijke rol, zo blijkt op elke pagina van hun liefdescorrespondentie die pas in 1978 (zijn brieven) respectievelijk 1996 (de hare) werd uitgegeven.

    In Nederlandse vertaling werd de complete briefwisseling in 2005 in één band bijeengebracht. Ofélia Queiroz wilde niets liever dan dat haar ‘Fernandinho’ de grote liefde die hij voor haar zei te voelen zou omzetten in een toezegging met haar te trouwen, zodat zij met elkaar een bestaan konden opbouwen. Maar Pessoa had het in zijn hoofd veel te druk met zijn geobsedeerde werklust, verdeeld over een veelheid aan productieve ‘heteroniemen,’ in hemzelf bestaande onafhankelijke nevenpersoonlijkheden, die tezamen verantwoordelijk waren voor een in alle opzichten ontzagwekkend dichterlijk oeuvre, dat vooral ’s nachts tot stand kwam. Het zijne was een bezeten creatief bestaan waarin, ondanks de vertedering, de koosnaampjes, de liefdescadeautjes, de verliefde wandelingen en de ontelbare kussen op papier en in het echt, niet het hart regeerde maar ‘een andere Wet,’ zoals hij haar op 29 november 1920 in een afscheidsbrief liet weten.

    Wonderlijk genoeg herleeft hun liefdesverhouding in 1929, maar ook dan schrijft hij haar al spoedig in alle duidelijkheid: ‘Mijn leven draait […] om mijn literaire werk. […] Heel de rest is voor mij van secundair belang.’ Met een aan het onvoorstelbare grenzend optimisme blijft Ofélia het nog proberen, tijdens ongeregelde ontmoetingen, met begripvolle brieven en later nog – tot aan zijn overlijden eind 1935 op zevenenveertigjarige leeftijd – met felicitatietelegrammen op zijn verjaardag. Maar haar ideaal van liefdesgeluk legde het af tegen zijn ideaal van een onuitputtelijk dichterschap. Tegenover de diep toegenegen Ofélia stond een dichter die zichzelf, zonder hulp van kunstig opgestelde spiegels, in meer dan honderd dichterspersoonlijkheden had opgedeeld, en heel die menigte van productieve afsplitsingen wilde niets liever dan schrijven. Zelfs als Ofélia Queiroz, die in 1986 op zesentachtigjarige leeftijd overleed en haar verdere leven ongetrouwd is gebleven, in het echt met zijn vijven in plaats van in haar eentje was geweest, dan nog had ze geen kans gehad tegenover de overmacht van Pessoa’s heteroniemen.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is ‘Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon’ (De Bezige Bij, 2020). Asscher werkt aan een bundel met ‘fotosyntheses’, in de hoop dit door Rudy Kousbroek bedachte literaire genre in bloei te houden.

     

    Foto: Sacha de Boer

     

  • Nobelprijs Literatuur voor Amerikaanse dichteres Louise Glück

    De verbazing was groot bij het horen van de naam Louise Glück als winnaar van de Nobelprijs Literatuur 2020. Wat in andere jaren altijd voor een stroom aan reacties zorgde bij het bekend maken van de winnaar van deze prijs der prijzen, bleef het nu opvallend rustig. Niet velen kenden haar werk, geen uitgever kon pronken met een uitgave van een vertaalde bundel van Glück. Al vertaalde Erik Menkveld in 2004 haar bundel The Wild Iris (1992), die in zijn geheel werd geplaatst in Raster#107, 2004, literair tijdschrift en voorganger van Terras.

    Dichteres en essayist Louise Glück (1943) schrijft over persoonlijke zaken, is niet politiek geëngageerd. De beweegredenen achter de keuze van de Zweedse Academie is omgeven met raadselen, gedoodverfde winnaars worden genegeerd, wat niet gezien wordt, onbekend is, werd naar voren gehaald. ‘Maar wie weet’, schreef journalist bij De Morgen Dirk Leyman op zijn tijdlijn, ‘wordt ze wel even populair als die andere, toen vrij onbekende Poolse dichteres Wislawa Szymborska, die in 1996 de Nobelprijs kreeg?’ Szymborska brak wereldwijd door nadat zij de Nobelprijs kreeg.

    Toch is Glück niet zo onbekend als wel lijkt. Eerder dit jaar kreeg ze bijvoorbeeld de Zweedse Tranströmerprijs voor haar oeuvre, enin 2003 – 2004 was ze Poet Laureate van de Verenigde Staten.

    Direct na de bekendmaking interviewde Adam Smith van Nobelpize Media de overrompelde laureaat. Glück toont zich bewust van haar onbekendheid voor velen en gaf een leestip. 

    “AS: (…) For those who are unfamiliar with your work …
    LG: Many!
    AS: …would you recommend a place for them to start, something that’s most characteristic perhaps?
    LG: There isn’t, because the books are very different, one from another. I would suggest that they not read my first book unless         they want to feel contempt, but everything after that I think [is of some] interest. I like my recent work. I would say ‘Averno’   would be a place to start, or my last book ‘Faithful and Virtuous Night’.”

     

    Dagblad Trouw citeerde een beroemde regel uit Glücks gedicht ‘Nostos’:

    “We look at the world once, in childhood.
    The rest is memory.”

     

     

    Beeld: © Nobel Media. Ill. Niklas Elmehed

     

     

  • Thea Beckmanprijs voor historische jeugdroman ‘Verboden te vliegen’

    Martine Letterie heeft met Verboden te vliegen het beste historische jeugdboek van het jaar geschreven, over een meisje dat opgroeit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens de jury vertelt de schrijfster ‘vol warmte’ over het leven in een groot gezin.

    De prijs werd zaterdag door de jury toegekend, evenals de Jonge Beckman, de prijs voor het beste historische jeugdboek volgens lezers, ging naar Schaduw van de leeuw van Linda Dielemans.

    De Thea Beckmanprijs is sinds 2002 de prijs voor het beste historische jeugdboek. In eerste instantie onder de naam Historisch Nieuwsblad Bontekoeprijs en Archeonprijs, in 2004 werd de prijs vernoemd naar Thea Beckman (1923-2004), die talloze jeugdboeken schreef. Aan de prijs is een geldprijs van duizend euro verbonden, wie de Jonge Beckmanprijs wint, krijgt vijfhonderd euro.

    De overige genomineerden waren: Inez van Loon met Mathilde, ik kom je halen (Clavis); Kathleen Vereecken met Alles komt goed, altijd (Lannoo); Dolf Verroen met Niemand ziet het (Leopold).

     

     

  • Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen

    Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen voor  haar historische roman Viktor (Ambo|Anthos). In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader.

    De roman is gebaseerd op de lotgevallen van de Weens-Joodse familie van Judith Fanto. In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader. Het personage Viktor heeft echt bestaan.

    Op Literair Nederland schreef recensent Marjet Maks over Viktor, ‘In haar onderzoek naar het familiegeheim haalt Judith de onderste steen boven en doet ze een aantal schokkende ontdekkingen over Viktors ware aard. Hij blijkt een soort Scarlet Pimpernel te zijn, een vermomde superheld. Fanto maakt slim gebruikt van de verhaallijn van deze klassiek geworden avonturenroman van de Engelse schrijfster Barones Orczy. Al dan niet feitelijk gebeurd, ze werkt het thema geloofwaardig uit.’
    Lees hier de hele recensie.

    Judith Fanto ontving de award uit handen van juryvoorzitter Gerben de Bruijn en Hebban-hoofdredacteur Sander Verheijen. De prijs werd voor de vijfde keer uitgereikt. Vorig jaar won Thomas Rueb met ‘Laura H.’.

    Een lezersjury van ruim honderd lezers bepaalde de shortlist voor de Hebban Debuutprijs 2020.
    Overige genomineerden waren, Draaidagen van Bianca Boer, Niemand zoals hij van Lucia van den Brink, Confettiregen van Splinter Chabot, Lichter dan ik van Dido Michielsen.

    De Hebban Debuutprijs is de enige juryprijs van Nederland en Vlaanderen met een grote invloed van lezers en richt zich op Nederlandstalige literaire fictie, literaire non-fictie, spanning, feelgood en young adult.

     

     

  • Felicitaties voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison

    Het zal u niet ontgaan zijn, Marieke Lucas Rijneveld heeft als eerste Nederlandse schrijver de prestigieuze Booker International Prize gewonnen voor The Discomfort of Evening, de vertaling van haar roman De avond is ongemak. Rijneveld ontvangt de prijs samen met vertaalster Michele Hutchison.
    Wij feliciteren auteur en vertaalster van harte!

    Als u De avond is ongemak nog niet gelezen hebt, gaat u dat nu wellicht wel doen. Of u gaat op zoek naar meer informatie over de schrijfster en haar andere werk. Hettie Marzak besprak Rijnevelds tweede dichtbundel Fantoommerrie. Zij schreef daarover:

    ‘Met zoveel aandacht en lof is het voor een dichter vaak moeilijk zichzelf staande te houden in een volgende bundel, omdat alle kritiek zich zal richten op de vraag of de kwaliteit overeind zal blijven, of dat de dichter een eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar Rijneveld heeft met haar tweede bundel duidelijk bewezen dat zij zich als dichter weet te handhaven: het is een verrassende bundel die haar ongewone talent onomstotelijk aantoont.’

     

    Klikt u hier om de recensie over Fantoommerrie (nog eens) te lezen.

     

     

     

     

     

     

     

  • Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    ‘Zo ziet mijn leven er op dit moment uit,’ zegt Sander Kollaard (1961) ineens. We zitten op een terras in Amsterdam. De schrijver woont in Zweden en is voor tien dagen overgekomen voor de promotie van zijn roman Uit het leven van een hond die eind juni werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Er is zojuist een enorme hoosbui losgebarsten, maar boven onze tafel hangt een grote parasol. ‘Overal vallen buien en gebeuren vreselijke dingen, maar ik zit lekker droog.’ 

    Sinds enkele jaren leeft Sander Kollaard alleen van het schrijven. Dat brengt onzekerheid over inkomsten met zich mee, ook omdat zijn vrouw op projectbasis werkt. Tot vier jaar geleden werkte hij ook nog als redacteur voor een medische uitgeverij, uit financiële noodzaak. Maar toen ging die zaak failliet, vertelt Sander Kollaard. ‘Op dat moment zat ik al met de vraag of ik er niet mee moest stoppen om me volledig op het schrijven te richten. Gelukkig werd de keuze toen voor mij genomen. Het was een enorme bevrijding en daardoor kon ik veel meer gaan schrijven. Dankzij de Librisprijs kunnen we het leven dat we nu leiden langer volhouden.’ 


    Veel te vieren

    Zijn bekroonde roman Uit het leven van een hond beschrijft een zaterdag uit het leven van de 56-jarige Henk van Doorn. Een doodgewone zaterdag, behalve dat Henks hond ziek is. ‘John Updike werd eens gevraagd waarom hij schreef. Hij antwoordde toen: “To give the mundane its beautiful due”, dat je zou kunnen vertalen met “het alledaagse tooien met de schoonheid die haar toekomt”. Dat heeft mij altijd erg aangesproken. Waar literatuur erg goed in is, is mensen opnieuw te laten kijken naar wat ze al kennen. Maar dan met een frisse blik. Dan zie je veel meer en worden ook de banale dingen op slag interessanter.’

    Geconfronteerd met de ziekte van zijn hond ervaart Henk zijn emoties wat sterker dan normaal. Hij kent de nare en verdrietige kanten van het leven. Hij heeft bijvoorbeeld zijn oudere broer verloren, een dementerende vriendin en hij is gescheiden. Ondanks het besef dat hij zijn hond over niet al te lange tijd zal verliezen, weet hij de wending te maken naar de gelukkige kanten van het leven. ‘Er valt in het leven veel te vieren. Je moet het alleen wel willen zien en dat begint Henk op deze dag te ontdekken.’

    Als je Uit het leven van een hond vergelijkt met de andere boeken van Sander Kollaard, dan lijkt het nog een meest op zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. ‘Het is een soort vervolg qua toon, klank en lichtheid. In het eerste boek is er ook het besef van sterfelijkheid, een memento mori, dat als een onweerswolk boven alles hangt. Het geeft de hoofdpersoon in die verhalenbundel een gevoel van zinloosheid. Maar Henk uit mijn laatste boek maakt de draai dat we aan die sterfelijkheid ook alles te danken hebben wat goed en bijzonder is.’ 


    Buitenspelen

    ‘Elk boek heeft zijn eigen regels. Een onderdeel van het schrijven is het ontdekken van die regels. Het is alsof je een spel krijgt toegeworpen zonder gebruiksaanwijzing,’ vertelt Kollaard over zijn schrijfproces. Elk boek is dan ook totaal anders dan het vorige. Zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is wat vertellen betreft het minst conventioneel: ‘Op dat boek ben ik het meest trots. Ik heb met die verhalen de vorm enorm weten op te rekken voor mezelf. Ik ontdekte nieuwe mogelijkheden van vertellen. En daar is Uit het leven van een hond ook een gevolg van.’ 

    Bij het schrijven van Uit het leven van een hond volgde Sander Kollaard wat hemzelf bezighield. Dat het een boek over onder meer levenslust is geworden bijvoorbeeld, is omdat de schrijver die zelf ook in zijn eigen leven meer dan voorheen ervaart. Dat het boek het gevoel van levenslust doorgeeft aan de lezer komt, denkt  Kollaard, door de lol waarmee hij het geschreven heeft. ‘Dat werkt aanstekelijk.’

    ‘Een andere schrijver heeft me wel eens voorgehouden dat het een slecht teken is als je om je eigen grapjes moet lachen. Maar ik denk: als ik er niet om lach, dan lacht er helemaal niemand om. Ik heb veel plezier gehad in het schrijven. Allerlei zinnen en beelden leken als vanzelf te komen. Dat geldt ook voor het vertelperspectief. Het scheelt niet veel of de schrijver komt zelf tevoorschijn in het verhaal. Toen ik dat eenmaal doorhad, zag ik ook de mogelijkheden van wat je daar allemaal mee kunt doen. Daarop heb ik me toen uitgeleefd.’

    Het liefst schrijft Sander Kollaard zonder al te veel plannen en zonder schema. In de handeling van het schrijven gebeuren volgens hem namelijk de interessante dingen. Verhalen lenen zich beter voor die manier van schrijven, want ze zijn op alle niveaus overzichtelijker dan romans. Romans schrijven is daarom meer een gerichte, ambachtelijke inspanning. ‘Het is niet dat ik daar geen lol in heb, maar ik schrijf liever korte verhalen. Dat voelt als buitenspelen, terwijl een roman schrijven meer is als huiswerk maken.’ 


    Fascinatie voor verhalen

    Terugkerend thema in het werk van Sander Kollaard is het vertellen van verhalen. In Uit het leven van een hond noemt Henk verhalen onze meest basale vorm van begrip. In zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is het vertellen van verhalen een expliciet thema en ook in de eerdere roman Stadium IV en Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde is Kollaards fascinatie voor verhalen aanwezig. 

    ‘We kunnen ons alleen maar verhouden tot onszelf en de ander in de vorm van verhalen. Al onze kennis en al ons begrip neemt de vorm aan van een verhaal. Voor mij als schrijver is dat fascinerend, omdat ik me bemoei met dat web van verhalen dat er in de wereld is. Los daarvan is het een vruchtbaar perspectief op wat er in de wereld gebeurt, de verhalenstrijd die je overal ziet, zoals in de discussies over identiteit. Of dat nou is met populistisch rechts, de Nederlandse cultuur of Black Lives Matter: iedereen doet zijn of haar best anderen te overtuigen van het eigen verhaal. 

    Wat essentieel is om te begrijpen aan de hele discussie over identiteit, is dat het verhalen zijn die we onszelf en anderen vertellen. Je hebt het niet over een noodlot of onwrikbare waarheid. Het wordt natuurlijk pijnlijk als jouw verhaal door anderen wordt verteld, zoals zwarte Amerikanen is overkomen: hun verhaal is te lang en te vaak verteld door witte Amerikanen en doordrenkt van racistische vooroordelen. Maar aan die verhalen kun je ook een nieuw verhaal toevoegen. Dat doen ze nu met veel overtuiging. Ik vind het iets bevrijdends hebben om op die manier naar de wereld te kijken, omdat het je weghoudt bij absolute waarheden. Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen.’


    Extra leven

    Een nieuw verhaal beginnen, het is een metafoor die mooi past bij het leven van Sander Kollaard. Hij debuteerde tamelijk laat, pas toen hij vijftig was. In zijn jongere jaren schreef hij wel eens iets, maar hij had nooit de concrete ambitie om schrijver te worden. Pas toen hij naar Zweden verhuisde begon hij het schrijven serieuzer aan te pakken. 

    ‘Ik kreeg een relatie met mijn Zweedse vrouw, Susanna, die ik in Nederland leerde kennen, juist toen zij op het punt stond weer naar Zweden te gaan. Toen ben ik met haar meegegaan. Omdat zij al twee kinderen had, kreeg ik ook een rol als vader. En niet lang daarna kregen we samen ook nog een kind. Het was een opwindende, maar ook een zware periode waarin voor mij vrijwel alles veranderde. Om mijzelf niet te verliezen in die nieuwe rollen, ben ik bewust uren voor mijzelf gaan nemen, en daarin ben ik begonnen met schrijven. En dat leidde al vrij snel tot publicaties in De Gids en in Tirade.’

    Met zijn schrijverscarrière ging het meteen goed. Voor zijn debuut ontving hij de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs, Stadium IV werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, en nu volgt de Libris Literatuur Prijs. Sinds het verschijnen van Uit het leven van een hond heeft hij alweer een nieuw verhaal geschreven en inmiddels is hij ook weer bezig met een nieuwe roman. Achter de schrijftafel is hij zijn personage Henk allang weer kwijt. ‘Maar ik ben heel blij dat Henk door deze Librisprijs een extra leven heeft gekregen en nog een tijdje mee mag.’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Susanna Erlandsson