• Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Wie het afgelopen jaar debuteerde met een roman of verhalenbundel heeft – naast de ervaring om het lang gedroomde debuut eindelijk in handen te houden – er weinig feestelijks aan beleefd. Er waren geen presentaties, geen borrels en geen signeersessies. De Vlaamse schrijver Amarylis De Gryse (1989), die vorig jaar oktober bij uitgeverij Prometheus debuteerde met de roman Varkensribben, verwoordde het zo: ‘Het voelt alsof ik stiekem gedebuteerd ben, een feestje dat onopgemerkt voorbij ging.’ 

    Met haar korte verhalen stond Amarylis De Gryse al eens op de shortlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2019 studeerde ze af aan de Antwerpse Schrijversacademie en eind vorig jaar debuteerde ze bij Prometheus met Varkensribben. Een tragikomische roman over loyaliteit en medemenselijkheid. 

    De Gryse woont in een klein huisje langs een Antwerpse snelweg en volgt een opleiding om boer te worden. Op dit moment loopt ze stage bij een biologische plukboerderij bij Antwerpen. Literair Nederland sprak met haar via een zoom verbinding. Een gesprek over schrijven, herschrijven, het proces van snoeien en groeien en debuteren. En hoe je in een tijd waarin honderden aspirant schrijvers hun boek uitgegeven willen zien, nog ontdekt kunt worden als literaire belofte. Zoals het Amarylis De Gryse overkwam: ‘Ik was al even bezig met Varkensribben toen ik op schrijversresidentie ging met De Buren, (Vlaams-Nederlands literatuurhuis Iv/dG). Ik denk dat Prometheus mij daar gezien heeft want daarna namen zij contact met mij op. En dat viel mooi samen want mijn manuscript was net af.’

     

    Hoe lang heb je aan je debuut gewerkt?

    ‘Zo’n drie jaar heb ik eraan gewerkt. Omdat ik ook een baan had, was er wel eens een periode van drie maanden dat ik er niets mee deed. Ik schrijf heel organisch en dan is het soms ook nodig het even te laten rusten, te laten gisten zeg maar.’

     

    Moest er veel herschreven worden toen het eenmaal bij de uitgever lag?

    ‘Tussen het eerste contact met de uitgever en het drukken van het boek zit een jaar. Er is nog veel aangepast, maar de basis was er al en die was goed. Hier en daar zijn er wat plotlijnen veranderd, maar de grote lijnen, de constructie bleef staan.’

    Dat is gelijk wat opvalt tijdens het lezen van Varkensribben: het boek zit goed in elkaar. Niets is overbodig, de hoofdstukken zijn kort, het verhaal meerlagig. De toon is onderkoeld waardoor de dingen die in wezen triest zijn, komisch worden. Marieke, de protagonist, is door haar vriend op straat gezet en leeft in een huurauto. Ze heeft herinneringen aan haar alleenstaande moeder en haar drie zussen. Ze herinnert zich dat haar vader niet naar haar omkeek, dat ze als kind met haar moeder in de keuken gehaktballen aan het draaien is. ‘Ze hing haar grote donkerblauwe keukenschort om mijn nek en draaide de linten tweemaal rond mijn middel. “Goed,” zei ze, en ze klapte in haar handen.’ Zoals Marieke het zich herinnert, lijkt het een liefdevolle moeder dochter relatie. Gaandeweg het boek wordt duidelijk dat haar herinneringen niet de werkelijkheid weergeven. 

    ‘Ik herken dat bij mezelf ook wel, dat herinneringen onbetrouwbaar zijn, maar wel je hele leven kleuren. Dat de dingen niet zijn zoals je ze herinnert was iets waar ik plotmatig wel mee wilde spelen.’


    In haar relatie met haar vriend Blok de slagerszoon heeft ze niets in te brengen, ook bij haar familie niet. Is het een boek over eenzaamheid, buitenstaanders?

    ‘Ja, dat ook wel. Maar voor mij gaat het vooral over het onderdrukken van jezelf. Marieke herinnert zich van alles maar wil de ware toedracht van haar herinneringen niet toelaten. Daarover wilde ik schrijven. Over iemand die zijn gevoelens onderdrukt, alles ondergaat en enkel registreert. En dat uiteindelijk niets zich laat wegdrukken, dat het altijd weer opspeelt.’ 


    Dat Marieke alles ondergaat is soms bijna niet uit te houden en dan komt er naar het einde toe opeens een geweldige apotheose. Had je dit van tevoren uitgedacht?

    ‘Tijdens het redigeren van het manuscript, ontstond dit moment van ommekeer bij Marieke. Vanuit al die thematieken als herinneringen, eenzaamheid, het geleefd worden en steeds weer tegen de grenzen van het zorgsysteem aanlopen, is het verhaal beginnen te groeien. En weer krimpen, en weer gegroeid. Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij.’


    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een verzorgingstehuis. De sfeer van vereenzaming, ontheemd zijn is goed in beeld gebracht. Heb je zelf ervaring met in de zorg werken?

    ‘Ik ben maatschappelijk assistent en heb in verschillende takken van de maatschappelijke dienstverlening gewerkt. In de medische sector, maar ook in de asiel- en migratie sector. Daar liep ik steeds tegen de grenzen aan van wat wel en niet mag. Er is geen tijd, want er is geen geld. Daarnaast was er ook het gevoel dat leeftijdsgenoten  uit mijn omgeving er vaak doorheen zaten door de grote druk in de sociale sector en in de dienstverlening. Ik vond dit frappant, dat weerbare jongeren die vol energie zouden moeten zitten, zo gedesillusioneerd waren, zo vermoeid. Dat was iets dat ik ook in het verhaal wilde hebben.’ 


    Heb je nog reacties gekregen op de schrijnende situaties die je beschrijft in het verzorgingstehuis? 

    Ik heb vrienden en familie die in een woonzorgcentrum werken. Van hen hoorde ik dat het herkenbaar is zoals ik erover schreef. Fijn om te horen dat het klopte, maar ook jammer dat dit de werkelijkheid is. Ik heb voor een woonzorgcentrum gekozen omdat ik er wel mee bekend was, maar niet te dicht bij me stond. Ik heb daarvoor een week meegelopen in een woonzorgcentrum met een verpleegster die daar de ochtenddienst had. En, (begint te lachen) het frappante was dat die verpleegster zei, ‘Ik ben blij dat je er bent want nu kunnen we eens iemand in bad doen.’


    Wilde je altijd al schrijver worden?

    ‘Ik heb altijd verhalen geschreven. Als kind ging ik wekelijks met mijn moeder naar de bieb. Ik was niet zo’n goede student, er werd me afgeraden om talen te gaan studeren. En als je geen talen gestudeerd hebt, kun je er moeilijk ambities in hebben, dacht ik. Het lezen en schrijven heb ik toen losgelaten. Pas toen ik de opleiding voor maatschappelijk werker had afgerond dacht ik opnieuw aan schrijven, dat het altijd een rode draad in mijn leven is geweest. Toen ben ik weer verhalen gaan schrijven en naast het werk ben ik toen een schrijfopleiding gaan volgen.’ 


    Hoeveel versies heb je geschreven?

    ‘Het waren meestal losse stukken die herzien werden. Met schaar en plakband knipte ik alinea’s uit en plakte die weer ergens anders. Op het scherm kan ik het geheel niet goed overzien. Er was dus eigenlijk nooit een versie die ik had afgerond, het bleef steeds in beweging. Zoals ik al zei, ik schrijf organisch. Ook heb ik veel hardop gelezen voor mezelf.’


    In Varkensribben wordt veel over vlees geschreven, het bereiden, het eten ervan, vet druipt van kinnen. Marieke heeft zelfs een relatie met een slagerszoon, waar kwam die vandaan?

    ‘Tijdens het schrijven van Marieke’s omgeving, vroeg ik mij telkens af, ‘Waarom doet ze zo? Wat heeft ervoor gezorgd dat ze zich op een bepaalde manier gedraagt’ En zo kwam daar onder andere die vriend, die haar onderdrukt en klein houdt. Dat hij er in de gedaante van een slagerszoon bij kwam, ontstond gewoon en klopte voor het verhaal en mijn gevoel.’


    Ik las ergens dat je zelf veganist bent, was het dan niet vreemd over vlees te schrijven? 

    ‘Ik heb altijd graag vlees gegeten maar was al veganist voor het boek ontstond. Voor mij was vlees eten ook een sociaal ding. Toen ik stopte met vlees en zuivel gebruiken dacht ik wel, oei, wat gaat mijn moeder nu voor mij maken als ik jarig ben? De nostalgie van het eten van vlees kon ik niet meer delen. Ik ben opgegroeid met de gedachte dat vlees erbij hoort. Daarom wilde ik het ook in het boek opnemen, om vlees eten te fictionaliseren. Maar ook als een soort eerbetoon aan de gerechten waarmee ik ben opgegroeid.’ 


    Wat was de aanleiding om veganist te worden?

    ‘Ik was me al langer bewust van de gevolgen die de dierenindustrie heeft op het milieu. Toen ik op een melkboerderij werkte dacht ik opeens, Ja, maar. Die kalfjes! (worden bij de moeder weggehaald zodat de melk verhandeld kan worden Iv/dG). Toen ben ik voor het volledige pakket gegaan. Niets van dieren. Soms nam ik nog wel eens een ei als ik bij mijn grootmoeder, die zwaar ziek lag, was. Dat ga ik dan niet afwijzen.’

    In het boek zitten twee droomachtige scènes. Marieke valt ongelukkig met haar fiets. Haar vader komt, hij steekt zijn hand in zijn romp en haalt er een rib uit waarmee hij Marieke heelt. De tweede scène is aan het eind. Haar moeder, die een kast aan het verschuiven is, komt eronder terecht. Marieke wil haar helpen, zoekt in haar romp naar een rib maar kan die niet vinden.


    Wat is de symboliek hiervan?

    ‘Dat heeft te maken met onderdrukte gevoelens die in je slaap naar boven kunnen komen. Marieke onderdrukt de aanwezigheid van haar vader in haar leven. Op ongewenste momenten komt dit toch opborrelen. Er komt het besef dat haar vader, in tegenstelling tot wat haar moeder haar deed geloven over hem, wel voor haar gezorgd heeft. Het is de symboliek van hoe je een stuk van jezelf kunt gebruiken om de ander te helpen, te helen. Het is in het hele verhaal duidelijk dat Marieke zichzelf klein maakte voor haar moeder, ze zwijgt op alles wat haar moeder haar te zeggen heeft. Marieke geeft zichzelf volledig weg tot ze eindelijk kan toelaten dat haar vader haar helpt. En haar moeder zou ze wel willen helpen, maar ze kan het niet.’


    Hoe was het om te debuteren?

    ‘Het was toch wel een droom die uitkwam. Spannend ook, maar tegelijk raar om in deze tijd, waarin iedereen thuis blijft dit mee te maken. Het leek een beetje op een verjaardag die onopgemerkt voorbij gaat. Toen het in oktober in België uitkwam mochten we  nog net met een groep van twintig mensen samenkomen. Toch heb ik besloten dat niet te doen. Een feestje geven voor een boek over de zorg, net wanneer de verzorgingstehuizen extra onder druk staan door corona, vond ik ongepast.’


    Staat er een volgend boek op stapel?

    ‘Mijn vorige boek moest ik eerst wel even laten bezinken. Nu begint het weer te borrelen. Ik denk weer over een roman en (lachend), ik denk dat veel van het buitenleven er in zal sluipen. Het boerenleven is een poëtisch gegeven.’

     

     

     


    Varkensribben / Amarylis De Gryse / 222 pagina’s / Prometheus (2020)

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Ilja Keizer

  • Fotosynthese 21 – Stilleven

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    In de drie zichtbare muren van deze kamer zit geen enkel raam. Rechts buiten beeld is wel een lichtbron; daar bevindt zich het enige venster, dat uitkijkt op de cour achter het huis. Als je dat niet weet, zou deze ruimte ook heel goed een kelder kunnen zijn. De schaarse meubilering wijst in elk geval niet op gebruik als volwaardig deel van een woning: wat troepjes links op een stellage, een bed met een nachtkastje en een stoel ernaast en rechts nog wat rollen papier in de hoek, veel meer is het niet. Zou het, na het overlijden van de bewoner, de moeite lonen hiervoor een opkoper te laten komen? Op de juiste dag van de week de hele zaak aan de straat zetten, lijkt het meest voor de hand te liggen.

    Dat zou bepaald jammer zijn geweest, want op deze foto zien we het atelier van de Italiaanse schilder Giorgio Morandi (1890-1964). Met zijn drie zusters en aanvankelijk ook met hun moeder woonde de meester van het intieme stilleven van 1933 tot zijn dood in deze kamer. Deze ruimte in het appartement op de eerste verdieping van de Via Fondazza nr. 36 in Bologna was zowel zijn atelier als zijn slaapkamer. Die combinatie illustreert al de ononderbroken overgave waarmee Morandi decennialang met zijn schilderkunstige werk in de weer was. Tegen de linker muur staan een paar dozijn van de vaasjes, flesjes en potjes zoals hij die in wisselende opstellingen dag na dag in gedempte kleuren placht te schilderen. Toegegeven, hij heeft ook wel landschappen gemaakt en zelfs een enkel portret, maar zoals Chopin bijna uitsluitend voor de piano componeerde, zo wordt het kunstenaarschap van Morandi bepaald door zijn ontelbare pastelkleurige ‘spulletjestaferelen,’ met steeds weer nieuwe rangschikkingen van potjes, flesjes en vaasjes. Die werken dragen steevast de titel ‘Natura morte’, oftewel ‘Stilleven’.

    Hoe moet je je als liefhebber verbinden met een dergelijk, in zichzelf compleet kunstenaarschap? Critici en kunsthistorici slagen er zelden in om mij als lezer juist daar te raken waar het werk van Morandi zich door de jaren heen in mijn geest heeft genesteld, in een soort aparte geheugenkamer, waarin ik – net als de kunstenaar dat in het hier afgebeelde vertrek zelf deed – zowel kan rusten als kan werken. Ook collega-kunstenaar Luc Tuymans, dichter Yves Bonnefoy en schrijver Joost Zwagerman, die alle drie een bijdrage schreven voor de catalogus bij een grote retrospectieve tentoonstelling in Brussel in 2013, lijken het vooral over zichzelf te hebben, vervolgens over de kunstenaar Morandi, maar wat voegen zij toe aan diens werk? Dring ik dankzij al die woorden dieper door in de stillevens van de kluizenaar uit Bologna?

    Iemand die vanuit Nederland een gerichte, maar slechts aan weinigen bekende bijdrage aan Morandi’s werk heeft geleverd was de keramiekfabrikant Dirk van der Want, die ik enkele malen heb ontmoet. Geboren in 1927 in Gouda, was hij de laatste telg uit een geslacht van plateelbakkers, dat al sinds 1749 in de Zuid-Hollandse aardewerkstad actief was. Na de Tweede Wereldoorlog haalde de tijd de meeste van deze fabrieken in, en tot zijn verdriet was Van der Want degene die in 1984 na zo vele generaties het Goudse keramiekbedrijf van zijn familie moest sluiten. Hij was een muzisch, spitsvondig, attent mens en omringde zich graag met kleine overblijfselen van zijn grote familiegeschiedenis: porseleinen vaasjes, Goudse aardewerken bakjes, kleine stukken serviesgoed.

    Het verrast dan ook niet dat Dirk van der Want een groot bewonderaar van Morandi was, de tijdloze meester van het dingenstilleven dat in gedempte kleuren en grijstinten de wereld herschept op de schaal van een dienblad of een bijzettafeltje. Hij voelde zich zodanig met die stille picturale wereld en misschien ook wel met de persoon van Morandi verbonden, dat hij af en toe een doos met Goudse vaasjes, bakjes en schaaltjes naar de Via Fondazza nr. 36 in Bologna stuurde. En zo zijn sommige kleine aardewerken dingen van Dirk van der Want stilletjes wereldberoemd geworden, namelijk op de schilderijen van Morandi.

    Ik weet niet in welk jaar deze foto in het intussen tot museum getransformeerde appartement op de Via Fondazza nr. 36 is genomen, maar het zou heel goed kunnen dat op de stellage links een aantal van die Goudse keramieken spulletjes staan, die de in 2004 overleden Van der Want vanuit Gouda aan de door hem zo bewonderde Italiaanse kunstenaar heeft toegestuurd.
    Met dit verhaal in het achterhoofd krijgt het verlaten atelier van Giorgio Morandi in mijn ogen des te meer de allure van een faraonische grafkamer, zoals die van Toetankhamon, met grafgeschenken en kleine votiefbeelden die de gestorvene op zijn tocht naar het hiernamaals van pas zullen komen. Misschien is dat ook de manier waarop ik als bewonderaar van Morandi al die ooit in het echt geziene stillevens met me mee draag: als emblemen van toewijding, als voorstudies voor de eeuwigheid.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

     

    Portret: Sacha de Boer

     

  • Biesheuvelprijs voor Mensje van Keulen

    In een presentatie die het korte verhaal alle eer aandeed werd via livestream vanuit het Felix Meritis in Amsterdam bekend gemaakt dat Mensje van Keulen met haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen (Atlas Contact) de Biesheuvelprijs 2021 heeft gewonnen. Naast de eer won Mensje van Keulen een geldbedrag van € 8.774, dat door middel van  crowdfunding bijeen was gehaald, wat uniek is voor een literaire prijs. De Biesheuvelprijs werd zeven jaar geleden in het leven geroepen als stimulans voor- en de waardering van het korte verhaal. Sinds 2010 komt dit genre niet meer in aanmerking voor een literaire prijs. Het instellen van de Biesheuvelprijs is daar een reactie op.

    De uitzending rondom de uitreiking van de prijs werd gepresenteerd door Arjan Fortuin. Jurylid Christine Otten hield een inleiding over het korte verhaal en memoreerde Biesheuvel, die op 30 juli 2020 op 81-jarige leeftijd overleed en er dit jaar voor het eerst niet bij was.

    Er waren zestien inzendingen geweest voor de prijs, waarvan enkele afvielen, of omdat het een bundeling was van al eerder verschenen verhalen of omdat er ‘roman’ op stond. Christine Otten liet weten dat de kwaliteit van de overige bundels ongekend hoog was. En dat een subliem kort verhaal een vorm van pure poëzie is.

    Nadat de drie genomineerden ieder op zich waren geroemd om hun werk, de betreffende schrijver een fragment uit een verhaal uit zijn genomineerde bundel voorlas, werd bekendgemaakt dat de keuze van de jury op Mensje van Keulen was gevallen. Die, zo zei jurylid Bo van Houwelingen, met een enkel woord een heel beeld kon schetsen, zoals ‘stappenteller’ als beeld voor een huwelijk.

     

    De jury oordeelde, ‘Ik moet u echt iets zeggen is een bundel die imponeerde met haar ongekend natuurlijk klinkende dialogen, geraffineerde plots die telkens naar een even verrassende als bevredigende ontknoping toewerken en psychologische schetsen die in een paar nonchalante zinnen een compleet universum suggereren. Een nieuw kroonjuweel in het oeuvre van de koningin van de vorm.’

     

    Mensje van Keulen was verrast en ontroerd door het winnen van de prijs. Vijftig jaar maakte Maarten Biesheuvel deel uit van haar leven, samen met Maarten ’t Hart vormden ze een soort sandwich, zei Van Keulen, met haarzelf in het midden. Met het overlijden van Biesheuvel vorig jaar werd het opeens wel heel erg koud. Het winnen van de prijs had voor haar een dubbele betekenis. ze komt uit een tijd, zei ze, dat het nog heel gewoon was verhalen te schrijven.

    De overige genomineerden voor de J.M.A. Biesheuvelprijs waren: Rob van Essen met Een man met goede schoenen (Atlas Contact) en Joost de Vries met Rustig aan, tijger (Das Mag).
    De prijs werd eerder gewonnen door Marente de Moor, Maarten ’t Hart, Annelies Verbeke, Maria Vlaar en Rob van Essen.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2021 bestaat uit Ionica Smeets (voorzitter), Dirk-Jan Arensman, Bo van Houwelingen, Christine Otten en Ronald Soetaert.

     

  • Fotosynthese 20 – Bedrog

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Dat hier iets zeer ernstigs, ja iets catastrofaals is gebeurd, is in één oogopslag duidelijk. Het totaal gestripte kerkje, waarvan niet alleen het dak is weggeblazen, maar waarbinnen ook niets van het interieur behouden is gebleven. Het zo te zien verkoolde struikgewas op de helling vooraan. Ook de huizen verderop staan er even verlaten als onbewoonbaar bij. Over de rivier die bovenin de foto stroomt lag vroeger een brug. Op de beide oevers zie je daar nog een restant van, maar van de overspanning zelf is niets over. Wat hier aan menselijk leven woonde is compleet weggevaagd. Maar door wat?

    Toen ik deze foto voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik aanvankelijk aan vuur denken. Het hele tafereel ziet eruit alsof er een vlammenzee overheen gegaan is. Deze desolate resten associeer je met foto’s van Hamburg, na het massale Britse bombardement in de zomer van  1943 of met Dresden, Coventry of Rotterdam, maar dan op de schaal van een klein dorpje, ergens in… ja waar? In Europa, zou je zeggen, met dat geraamte van een christelijk kerkje op de voorgrond. Het is alsof je gevraagd wordt iemand te identificeren aan de hand van een skelet. Alle sporen van herkenbaarheid zijn verdwenen.

    De krachten die daar in deze foto voor hebben gezorgd zijn niet die van vuur, maar van water. Dit is wat er overbleef van het Zuid-Franse dorpje Nauzenac, gelegen aan de rivier de Dordogne op de grens van de Corrèze en de Cantal. In de jaren veertig van de vorige eeuw wilde men een stuwdam met een waterkrachtcentrale bouwen, teneinde de afhankelijkheid van steenkool te verminderen. De 95 meter hoge stuwdam, de ‘Barrage de l’Aigle,’ verrees volgens plan in de buurt van het plaatsje Soursac, en kon na voltooiing een massa van 220 miljoen kubieke meter water tegenhouden. Dat betekende wel dat een aantal dorpjes aan de bovenloop van de rivier ontvolkt moest worden, omdat het waterniveau daar tientallen meters zou stijgen. En zo verdween het hele dorpje Nauzenac onder water.

    Eenmaal per tien jaar moet aan zo’n stuwdam groot onderhoud worden gepleegd en dan laat men het daarachter liggende stuwmeer geheel leeglopen. Na een dergelijke ‘vidage’ is deze foto genomen. En zo kijken wij ineens weer naar Nauzenac, nadat het een jaar of  70 lang onder water heeft gestaan. Wat voor een vreemde gewaarwording moet dat zijn voor mensen die in dat dorpje werden geboren en daar als kind nog hebben rondgelopen, naar school zijn gegaan, de mis hebben bijgewoond in het kerkje?

    Die vraag stelde de Franse filmmaakster Gertrude Baillot zich ook en samen met Nicolas Duchêne wist zij drie mensen op te sporen die in Nauzenac ter wereld kwamen en daar hun jeugdjaren doorbrachten. Met die drie maakte zij in 2002 de fascinerende documentaire Les Enfants du Fond du Lac. Gedurende het eerste halfuur van de film doen de drie voormalige dorpsbewoners hun verhaal, aan de hand van foto’s, oude ansichtkaarten en plattegronden, afgewisseld met beelden boven en onder water van het bosmeer dat door de aanleg van de stuwdam is ontstaan. Gekleed in een roze mantelpakje vertelt Rolande Lamarche over haar grootmoeder, die naast de rivieroever de Auberge Raymond exploiteerde. De familiefoto’s waarop de intussen circa 65-jarige mevrouw Lamarche als meisje staat afgebeeld gaan tijdens het gesprek van hand tot hand.

    Maar dan, op 25 minuut en 49 seconden van de documentaire, kijken we van het ene moment op het andere ineens naar het leeggelopen rivierdal, en zien we Nauzenac na de Apocalyps. Afwisselend volgt de camera de drie hoofpersonen, terwijl zij in verbijstering naar hun vroegere geboortehuis lopen. Er staat nauwelijks iets van overeind. Zelfs de kelders blijken ingestort. Als souvenir wrikt een van hen een leisteen los uit het stoepje voor de verdwenen voordeur van zijn ouderlijk huis. ‘Il ne reste que ça?’ mompelt Rolande Lamarche, terwijl ze naar een troosteloze steenmassa kijkt. Alles waar ze in het eerste halfuur herinneringen aan hebben zitten ophalen blijkt verdwenen of onherkenbaar met de grond gelijk gemaakt: de school, de boerderijen, de herberg, de weg die tussen de huizen doorliep, de hangbrug over de rivier.

    Tegen het einde van de film – om precies te zijn in de 44ste minuut – gebeurt het onvermijdelijke. De onderhoudsbeurt aan de stuwdam zit erop, en de sluizen worden opengezet. In een angstaanjagend tempo komt het rivierwater weer omhoog om Nauzenac andermaal in de vergetelheid onder te dompelen. Misschien kunnen Rolande Lamarche, Georges Bordes en Gilbert Ternat met zijn vrouw Antoinette over tien jaar nog eens een kijkje nemen in deze onderwereld van hun autobiografische geheugen. Maar voorlopig – en dat is het slotbeeld van de film – zijn hun herinneringen weer diep weggestopt onder het oppervlak van het grote bosmeer. Daar zien we kinderen aan de waterkant spelen, mensen zwemmen, iemand gooit een hengel uit. Wat een lieflijk bedrog is het heden.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

    Portret: Sacha de Boer

  • Lieke Marsman nieuwe Dichter des Vaderlands

    Met de onthulling van een gigantische banier op een metershoge toren in Tilburg, werd vanmiddag om 14.00 uur bekend gemaakt dat Lieke Marsman de nieuwe Dichter des Vaderlands is. Het banier onthulde de dichtregel: ‘Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu – Lieke Marsman’. Zij zal de huidige Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja opvolgen voor een termijn van twee jaar. Lieke Marsman is de achtste Dichter des Vaderlands en werd gekozen door een benoemingscommissie van kenners en dichters. Tijdens deze functie, ambassadeur van de poëzie, zal Marsman gedichten schrijven bij nationale gebeurtenissen die het land en de wereld beroeren.

    ‘Marsman is een dichter die als geen ander de lyriek een functie weet te geven in de onontkoombare werkelijkheid; die de woorden uit de wereld en actualiteit een nieuwe lading geeft, wat haar stem onwrikbaar en bij tijden ontroerend waarachtig maakt.’ ‘Marsmans politiek en feministisch geladen teksten en optredens sorteren ook effect bij een groter publiek. Mede daarom zal zij een uitstekende Dichter des Vaderlands zijn.’, aldus de benoemingscommissie.

    Lieke Marsman (1990) schrijft al vijftien jaar poëzie. In 2015 rondde ze een onderzoeksmaster filosofie af. Intussen debuteerde ze in 2010 met de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud, (Van Oorschot) waarvoor ze drie prijzen won, de C. Buddingh’-prijs, C.W. van der Hoogtprijs en de debuutprijs Het Liegend Konijn. Haar tweede bundel, De eerste letter (Van Oorschot), verscheen in 2014. Begin 2018 werd Lieke Marsman getroffen door een zeldzame vorm van kanker, kraakbeenkanker. In die periode ontstond De volgende scan duurt vijf minuten, tien gedichten en een essay over hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. Marsman schreef hiermee een pleidooi om maatschappelijke verantwoording te nemen voor de wereld waarin we leven. Haar betrokkenheid is aansprekend.

    Juist vandaag verschijnt haar nieuwe bundel In mijn mand (Uitg. Pluim), waarin ze de grootste thema’s behandelt die het menselijke bestaan kenmerken, namelijk: de waarde van het leven en de plek van de dood in een mensenleven.

    Het comité dat de nieuwe Dichter des Vaderlands aanstelde bestond uit Simone Atangana Bekono, Inez Boogaarts, Menno Hartman, Daphne de Heer, Antoine de Kom, Maaike Meijer, Benno Tempel, Thomas de Veen en Linda Veldman.

     

    Vanavond om 19.00 uur  geeft Tsead Bruinja het stokje door aan Lieke Marsman tijdens een feestelijke avond, te volgen via deze link op Tilt . Inloggen of aanmelden is niet nodig. Dichters Joost Oomen, Hannah van Binsbergen, Vrouwkje Tuinman en Jerry Afriyie dragen voor, muziek van Harold K en Nicole Terborg is gastvrouw van dienst.
    De organisatie is in handen van Tilt.

     

     

    Auteursfoto: Merlijn Doomernik

     

    ,
  • Een reservaat waarin diersoorten worden gekoesterd en verjaagd

    P.F. Thomése kwam in 1990 de literatuur binnen met de verhalenbundel Zuidland, waarmee hij meteen de AKO-literatuurprijs won. Daarna oogstte hij grote successen met Schaduwkind (2003), een requiem voor zijn overleden dochtertje en naar eigen zeggen zijn beste werk. De onderwaterzwemmer (2015), bezorgde hem in 2016 de Prijs van de lezersjury van de Fintro-literatuurprijs. Vorig jaar verscheen Vaderliefde, een pakkende roman over zijn overleden ouders. Thomése oogstte internationaal succes met zijn boeken. Tussendoor schreef hij enkele komische werken waarin zijn vriend J. Kessels de hoofdrol speelt. Onlangs verscheen de Tilburg Trilogy, een bundeling van de drie boeken over J. Kessels.

    Kris Mattheeuws sprak via een videoverbinding met P.F. Thomése over zijn oeuvre, een boek als een country song, het schoppen tegen schenen en het oprekken van de grenzen van de literatuur.

    Bekend als stilist van serieuze literatuur, leek het vreemd dat uitgerekend Thomése een aantal scabreuze romans schreef waarin borsten en billen in al hun aspecten welig tieren. Boeken waarin de country & western-tearjerkers uit de autoradio jengelt, bier rijkelijk vloeit, het platvloerse en de onderbroekenlol niet uit de weg worden gegaan. Thomése heeft er geen probleem mee, integendeel.

     

    De stijl van de J. Kesselsromans is van een heel andere orde dan het meer serieuze werk dat we van u gewoon zijn. Is daar een specifieke reden toe?

    ‘Een boek schrijf ik niet met voorbedachten rade. Kort nadat Zuidland in 1990, verscheen bij een bibliofiel uitgeverijtje in Heiloo, een serie reisverhalen Deep South & Far West waarin ik met mijn vriend J. Kessels door het country gebied van de VS reisde. Omdat ik net de AKO-literatuurprijs had gewonnen, werd dit boekje ook opgemerkt. En tot mijn verwondering werd het goed onthaald. Gaandeweg is het J. Kessels-werk wel wat scabreuzer en lichtzinniger geworden. Mijn andere boeken hebben daar misschien geen gelijke tred mee gehouden, ik denk dat we alles in dat licht moeten zien. Want ook Het zesde bedrijf (1999) heeft een zekere lichtvoetigheid. Ik probeer in die roman, die zich afspeelt in Parijs tijdens de Franse Revolutie, een soort operetteachtige sfeer te creëren. De recensenten hebben dat toen een beetje gemist omdat ze zich erover verbaasden dat ik een vrouw als hoofdpersoon had gekozen. Een man die over een vrouw schreef, was voor sommigen ‘not done’ of werd op zijn minst gewantrouwd. Het was een beetje omgekeerd seksisme, terwijl ik daar helemaal geen slechte bedoelingen mee had, geen slechtere althans dan met mijn andere personages. Ik denk dat beide kanten, het komische en het tragische, het ernstige en het speelse, altijd aanwezig zijn geweest in mijn werk. In mijn debuut Zuidland is het komische al aanwezig. Ik zag onlangs een optreden van Josse De Pauw waarin hij Leviathan (kort verhaal van Thomése, K.M) als ‘Sprechtheater’ bracht. Ik moet zeggen dat ik dertig jaar na datum toch weer bij bepaalde passages in de lach schoot.’

     

    Het personage J. Kessels kwam tot leven in verhalen over roadtrips in de VS. Waarom besloot u hem als hoofdfiguur op te voeren in maar liefst drie romans? Wat is zo dankbaar aan de figuur Kessels?

    ‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen project. Veel had te maken met het feit dat mijn eerste uitgever Querido geen interesse had in mijn J. Kessels verhalen. Ze wilden er niets van weten, dat was ook een van de redenen om daar weg te gaan. Ik vond het een miskenning van mijn schrijverschap door niet het hele schrijverschap te willen omarmen. Het was ook een soort bevrijding, mede doordat ze bij mijn nieuwe uitgeverij Atlas Contact een groot liefhebber van J. Kessels waren. Zonder enige aarzeling gaven ze het uit. De belangrijkste rol hierin werd echter gespeeld door de redactie van Hard Gras, het literaire voetbalblad. Het blad werd zo populair dat we op een bepaald moment gingen toeren. We zaten in een busje met Anna Enquist, Henk Spaan, Herman Koch, Matthijs van Nieuwkerk en Ronald Giphart. Zij kenden mijn J. Kessels-kant nog niet. 

    Ik verraste hen daar mee en ik maakte er op den duur een sport van om hen achter de coulissen zo hard te doen lachen dat het publiek het ook hoorde. Toen Matthijs van Nieuwkerk zo gierde, is dat voor mij wel de trigger geweest er met nog meer zin mee aan de slag te gaan. Ik besefte toen dat het iets heel bijzonders had, wat ik er eerder nog niet in gezien had. Het komisch effect werd vergroot door het feit dat dit werk zo haaks stond op alles wat ze van mij kenden. Dat heb ik dan ook wel uitgebuit. In die zin zie ik het meer als het werk van een straatmuzikant. Ik begin en er staat onmiddellijk een kring om me heen. Het is informeler dan mijn andere werk, ofschoon het ook heel erg gekunsteld is. Het is mijn meest postmodernistische roman. Het bevat een heleboel metagrappen.’ 

     

    U brengt ook het personage P.F. Thomése naast de figuur van J. Kessels. Zijn de twee antipolen?

    ‘Alles is natuurlijk gebaseerd op mijn vriendschap met J. Kessels. In een vriendschap is er de neiging tot symbiose, maar die bestaat wel uit twee polen. Dat is altijd zo, denk ik.  Bij ons werd dit zeker versterkt en als schrijver versterk je dat nog meer. Het zijn complementaire gestalten, daar kwam ik gaandeweg achter en daar ging ik ook meer mee spelen. Zo valt J. Kessels op rondborstige vrouwen en bekijkt P.F. Thomése het meer van achteren, van de bilzijde. Dat getuigt ook een beetje van het achterbakse van de schrijver die altijd een beetje van achteren zit te loeren, terwijl J. Kessels oprecht is en rondborstige vrouwen met open vizier tegemoet gaat, zonder enige bijgedachte.’

     

    Is er enige gelijkenis tussen het personage Thomése en de auteur Thomése? 

    ‘Autobiografie is oninteressant in de zin dat ik er geen behoefte aan heb feiten getrouw weer te geven. Niet omdat ik iets te verbergen heb, maar omdat ik denk dat het in de tekst zelf zit. De spanning en de gevoelens worden vanzelf waar, meer dan de zogenaamde droge feiten. Door lang te figureren in die boeken ben ik überhaupt langzaamaan op hem gaan lijken. Daar ontkom ik niet aan en dat ga ik ook niet ontkennen. Maar ik denk niet dat wanneer ik mijn zoons naar  hockey breng, andere ouders denken: “Daar heb je die viespeuk weer die altijd in onzedelijke toestanden terechtkomt”.’

     

    De rode draad in de Kessels romans, naast de queeste naar seksuele verlossing, is countrymuziek. Is dat een echte passie en vanwaar die passie?

    ‘Ik ben er een beetje van afgedreven in het tweede en derde boek, maar de verhalen en het eerste boek heb ik proberen te schrijven als een country song, een melodrama. Een country song is melodramatisch in de zin van ‘vroeger was het beter’. Het verlangen naar een vroeger dat er nooit is geweest, zit er altijd in. Nostalgie is de drijfveer en dat maakt misschien ook dat ik het lichtere genre heb gekozen. Nostalgie staat bekend als een oppervlakkige emotie, terwijl iemand met een retrospectieve geest zoals ik niet zonder nostalgie zou kunnen leven. Dat betekent niet altijd het verheerlijken van het verleden, maar evenzeer het lijden aan de onmogelijke terugkeer daarnaar. Dat noem ik mijn country & western gevoel. Daar val je niemand mee lastig, maar in een verhaal kan dat heel goed werken. Het motief om het verlangen over te doen, maar dan goed, speelt een grote rol in zowel J. Kessels: The Novel als in Ik, J. Kessels. Dat verlangen naar verlossing zit ook in country songs. Denk aan het kernbegrip ‘redemption’ bij Johnny Cash. 

    Op de een of andere manier spelen deze zaken in de officiële, erkende literatuur minder een rol omdat men het kinderachtig vindt, of gênant. Als een schrijver dat doet wordt hij op de vingers getikt. Ik zie het bij veel schrijvers gebeuren. Iemand als A.F.Th. van der Heijden is voortdurend zijn verleden aan het herbezoeken en aan het herschrijven. Dat is een klassiek gegeven in de literatuur. Als je het zo vet doet als ik in de J. Kesselsromans, dan worden de wenkbrauwen gefronst. Maar ik denk dat je er juist dan dichterbij komt. Door overdrijving en het thematiseren van het smakeloze. Zoals bijvoorbeeld het literair ejaculerende teruggeilen op een meisje aan de flipperkast in de cafetaria van mijn jeugd. Het is een soort ‘not done’. Ik ken het niet als motief. Wel de onbeantwoorde jeugdliefde, maar niet de al dan niet beantwoordde eerste geilheid of erotische sensatie, en die is eigenlijk veel bepalender.’ 

     

    In de drie romans is een opvallende evolutie in de aanwezigheid van de figuur J. Kessels. In de eerste is hij zeer aanwezig, in de tweede is het op zoek gaan naar, en wordt uiteindelijk gevonden. In de derde is hij afwezig tot het einde. Is dat een bewuste keuze?

    ‘Dat is een autobiografisch gegeven. Het zijn drie boeken geworden omdat J. Kessels er genoeg van kreeg, ook van mij als vriend. Die boeken zijn het afscheid van een vriendschap geworden en dat is in drie stappen gegaan. Elk boek ging er weer een deur dicht en dan was het voorbij. In Het bamischandaal vind ik hem nog kettingrokend terug op een stoep in Shanghai, maar in Ik, J. Kessels moet ik het doen met Peerke Sonnemans die nu zijn beste vriend geworden is.’

     

    Inderdaad. J. Kessels’ rol wordt langzaam maar zeker ingenomen door Peerke Sonnemans. Welke rol speelt hij in het hele verhaal?

    ‘Hij is een epigoon van Kessels maar zonder de grandeur die Kessels heeft. Kessels zou zo uit een country song kunnen komen. Sterker, toen ik met hem door Amerika  trok, werden we dikwijls gefotografeerd omdat ze ervan overtuigd waren dat ik Art Garfunkel was, ik had toen nog meer haar, en hij een country zanger. Peerke daarentegen heeft helemaal geen stijl, hij is berekenend. Hij heeft wel één significant voordeel ten opzichte van P.F. Thomése, hij is hondstrouw. Hij doet alles voor J. Kessels, terwijl P.F. Thomése hem verraadt in toenemende mate. Dat is trouwens ook een vreemd aspect van een autobiografische roman dat niet vaak voorkomt. Dat de ik-verteller een uitermate onsympathieke, onbetrouwbare figuur is, en dat de schrijver die zelf belichaamt, is een unicum.’

     

    U schopt tegen veel schenen. De zogenaamde politieke correctheid is niet aan u besteed? U spot met homo’s, zwarten, collega-schrijvers.  Hebt u daar geen problemen mee of mee gehad?

    ‘Sinds George Floyd en Black Lives Matter is de wereld veranderd. Ik zou het nu, denk ik, niet meer doen, ik zou er tenminste niet meer zo achteloos overheen gaan.  De beweging heeft iets aan het licht gebracht waar je je als schrijver wel rekenschap van moet willen geven. In die zin zijn het dus historische romans geworden. Als ze het zouden willen censureren zou ik me wel met hand en tand verzetten. Men is niet verplicht het te lezen. Ik heb het ook niet bewust gedaan. Ik heb het gedaan omdat ik die country & westernstijl tot leven wilde brengen. Stereotypering is de ruggengraat van een goede country song, die stijlfiguur is verplicht. Alles wordt gestereotypeerd, ikzelf, J. Kessels.

    Ik heb voor deze editie een nieuwe omslag gekozen, in de oorspronkelijke editie had cartoonist Gerrit de Jager op mijn verzoek cartoons gemaakt, dat cartooneske speelt ook bij de leeservaring mee. Dat ontslaat je natuurlijk niet van verantwoordelijkheden. Hier en daar is het explosieve materie geworden. We kijken nu ook anders naar Kuifje in Afrika. Terecht. Al blijft dat album cultuurgoed. Kunstenaars zijn vaak ‘fout’, dat zit een beetje in de aard van het beestje. Als je iedereen gaat cancelen, houd je alleen koorknapen over. Dan heeft kunst geen zin meer. Veel heeft met het vermogen tot zelfspot te maken. Maar niet iedereen is het daarmee eens. In Breda lachen ze erom, in Tilburg hebben ze het er soms moeilijk mee. Dat geldt ook voor de mensen wier identiteit ik heb gebruikt. 

    De personages zijn allemaal bestaande mensen. Toen Frans Schellekens alias De Schel, mijn vriend en gids in Shanghai, na een val van een trap overleed, vroeg zijn familie mij om iets te zeggen op zijn uitvaart. Er werd met klem gevraagd óók iets voor te lezen uit Het bamischandaal. Het publiek herkende het en de lach rolde door de tent, het was ontroerend en hartverwarmend. Dat was heel bijzonder. Zo zie je, het gaat erom hoe je het opvat.’ 

     

    De zeer ironische stijl is dus een bewuste keuze.

    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik het schrijf is alles omkeerbaar. J. Kessels, de centrale figuur, heeft altijd stellige meningen, apodictische uitspraken, oneliners die zo uit een country song kunnen komen en slaan meestal nergens op. De waarheid is in die boeken sowieso op drift geraakt en het omgekeerde is even goed waar. De woorden hebben eigenlijk in die zin geen waarde meer. Daar heb ik ook enorm veel plezier in, om die woorden bijna te gebruiken als een autonome taal, een taal die van de pot gerukt is. 

    Een van mijn allergrootste helden is Nabokov. In Lolita zingen de woorden zich ook helemaal los van hun betekenis en dat is een van de redenen waarom het zo’n fantastisch boek is. Velen vinden het een boek over een pedofiel, maar  het is een boek over taal en die taal is losgeraakt van zijn anker, los van zijn vaste betekenis. Voor Nabokov was Engels ook een vreemde taal. Dat heb ik ook, die vreemdheid, ik druk me uit in een taal die alle kanten op kan. Dat is gemaniëreerd. Zoals de Italianen na de barok deden, ‘alla sua maniera’, op zijn eigen manier, de eigenheid van het schrijven. 

    Taal is natuurlijk iets algemeens, we wisselen uit, we weten allemaal precies wat een woord betekent en als iemand de taal op een eigen manier gebruikt, is het niet meer zo duidelijk. Dat is voor mij als schrijver belangrijk, dat de lezer niet meer weet waarheen hij wordt gevoerd. Daarom gebruik ik mezelf en die vriendschap en dat autobiografische ook. Het begint met twee vrienden die samen naar het café gaan, heel herkenbaar, en dan gaat het verder en komen ze in een krankzinnig universum terecht.’

     

    Het is een boek over vriendschap, maar evenzeer over het verlies van vriendschap. Was het schrijven van boek drie een soort van loutering of catharsis?

    ‘Boek drie is best wel een elegische roman, een elegische pornografie. P.F. Thomése belandt in de armen van een ex van J. Kessels. Hij beleeft iets wat verjaard is, nergens meer op slaat. In zijn gedachten zijn die vrouwen nog de vamps van weleer, maar daar is de tijd ook overheen gegaan.’

     

    Hoe moeilijk is het om over een bestaand figuur te schrijven die ook reacties kan geven. Bij Vaderliefde waren uw ouders al overleden, daar kon geen reactie meer van komen. Hebt u er ooit bij stilgestaan dat dit kon leiden tot de teloorgang van de vriendschap?

    ‘Ik was me daar niet bewust van. Ik had natuurlijk al in 1990 over hem geschreven en toen had ik niet de indruk dat het verkeerd viel. Ik denk dat het probleem ontstond toen de boeken steeds populairder werden. Nolens volens werd hij opeens een lokale beroemdheid, in Tilburg werd hij erop aangesproken. Die receptie heb ik onderschat. Voor mij als schrijver was dat bekend, hij had het er moeite mee. Hij werd opeens een publieke figuur, terwijl hij daar geen behoefte aan had. Maar omdat hij niks zei, was ik me daar niet van bewust. Na het tweede boek kwam de film, het media gedoe daaromheen leidde tot een definitieve breuk.’ 

     

    Om terug te komen op de stijl. Er zijn die twee aspecten in uw werk, het ernstige en het lichtvoetige, dit wordt soms bestempeld als platvloers, onderbroekenlol, goedkope humor? Houdt u zelf van die stijl?

    ‘Jazeker, zeker in een genre als de film. De films van Tarantino kan ik eindeloos bekijken. Ook in de literatuur: ik ben opgegroeid met Gerard Reve en ik hou erg van die Amerikaanse hard boiled stijl. Mijn eerste boek draag ik op aan hardgekookte jongens als Charles Bukowski, Jack Kerouac, Kinky Friedman, Hunter S. Thompson, Schrijvers die ik in verschillende fasen van mijn leven heb gekoesterd. Ik hou ervan met een bepaalde weerzin te kijken naar de lessen Nederlands of de neerlandistiek, waar de literatuur behandeld wordt als een soort reservaat, bepaalde diersoorten worden gekoesterd en andere worden als mussen afgedaan. Dat heb ik ook met de J. Kesselsboeken. Ze moeten wel naast mijn andere boeken kunnen staan, maar dat doen ze soms niet van harte. Daar heb ik wel plezier in. Het is het oprekken van de grenzen van de literatuur. 

    Dat vind ik heel belangrijk, literatuur beslaat het hele leven en de hele werkelijkheid, niet enkel het serieuze deel daarvan. Dat vind ik het knappe van Tarantino. Hij betrekt allerlei banaliteiten in zijn films, hij kan een gesprek over de kwaliteit van koffie opnemen, zoals in Pulp Fiction. W.F. Hermans claimt in zijn essay over antipathieke personages dat een personage weerstand moet oproepen. De lezer wil bevestigd worden, wil een positieve ervaring, gevleid en gerustgesteld worden. Maar de schrijver moet daar tegenin gaan, de lezer uit zijn comfortzone halen. Volgens Hermans gaat het erom dat je als lezer iets te weten komt wat je niet wilde weten maar, nu je het weet, niet meer kan vergeten. Bij Hermans is dat de bittere waarheid, terwijl het bij mij komisch kan zijn de broek te laten zakken.’

     

    Wat zijn uw plannen voor 2021, staat er een nieuw boek op stapel?

    ‘Ik ben al een jaar bezig met Lohengrin. Een roman over een broer-en-zus-achtige verhouding tussen een Amerikaanse jongen die op zoek is naar zijn gesneuvelde vader en een meisje op zoek naar haar weggelopen moeder, verloren zielen in een reële wereld. Ik verwacht het dit jaar af te maken.’

     

    Tilburg trilogy, De J. Kessels romans / P.F. Thomése / 688 pag. / Uitgeverij Prometheus (2020)
    Foto: Annaleen Louwes, (via de uitgeverij)
  • Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

     


    Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poëzielijn vitaal houdt.

    Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poëzie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

    Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

    Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

     

    Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

    ‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. Wél las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poëzie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poëzie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


    Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

    ‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus André Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poëzie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


    U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

    ‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

    ‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


    Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

    ‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


    Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

    ‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poëzie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poëzie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poëzie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

    ‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poëzie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

    ‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


    Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

    ‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


    Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

    ‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poëzie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poëzie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


    Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

    ‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 à 25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


    Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

    ‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


    In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

    ‘Tijdens het jongste decennium werd poëzie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poëten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


    Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

    ‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiënter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poëzie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poëzie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poëzie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. Poëzie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

    ‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poëzie maar de moeite waard is!’


    Gezien uw opmerking dat ‘poëzie van nu zich moet kunnen meten met de beste poëzie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

    ‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poëzie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poëzie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poëzie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poëzie en aan vertalingen. Het poëtisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poëzie die hen aanspreekt. Vreemde poëzie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


    Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld?

    ‘Ik probeer alle nieuwe poëziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poëziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poëzie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poëzie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


    Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

    ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


    Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

    ‘Een leven zonder poëzie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. Poëzie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

    Niets passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad

    Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

     

    Foto: Lodewijk Deleu

     

     

  • Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2021 voor Rokus Hofstede

    De Martinus Nijhoff Vertaalprijs werd vorige  week 14 december toegekend aan Rokus Hofstede voor zijn vertalingen uit het Frans. Naast non-fictie boeken van Roland Barthes, Pierre Bourdieu en Bruno Latour, vertaalde hij werk van onder anderen Emil Cioran, Georges Perec, en George Simenon,. De jury noemt zijn oeuvre ‘een indrukwekkende prestatie van zeer hoge klasse’.

    Rokus Hofstede (Hengelo, 1959) studeerde sociale geografie, culturele antropologie en begon zich vanaf 1990 toe te leggen op het vertalen van Franse literatuur. Hij vertaalde om en nabij de vijftig titels, waaronder Roemloze levens van Pierre Michon, het onlangs verschenen De jaren van Annie Ernaux en De grote angst in de bergen van Charles- Ferdinand Ramuz.

     

     

    De jury beoordeelde Hofstedes vertalingen als van een ‘onveranderd hoog niveau’, en sprak van ‘vertalingen [die] niet alleen zeer precies en degelijk, maar ook doorspekt met inventieve en vaak geestige oplossingen [zijn]. Door zijn lezingen, inleidingen en commentaren is hij een ‘belangrijk pleitbezorger van de Franse literatuur in Nederland en Vlaanderen’, aldus de jury.

    De  Martinus Nijhoff Vertaalprijs is een jaarlijkse prijs die een vertaler bekroond die vertaalt in het Nederlands. Maar eens in de vijf jaar krijgt daarnaast ook een vertaler  de prijs toegekend die vanuit het Nederlands vertaald. Vorig jaar was zo’n lustrum jaar en ging de prijs naar Irina Michajlova en Jacques Westerhoven. De  Martinus Nijhoffprijs is een van de grootste vertaalprijzen van Europa, de winnaar ontvangt een bedrag van 35.000 euro.

    De jury bestaat uit Maarten Asscher (voorzitter), Henri Bloemen, Eric Metz, Hilde Pach, Marjolein van Tooren en Marjoleine de Vos.

    De uitreiking van de prijs vindt in de eerste helft van het komend jaar plaats. Meer informatie daarover volgt nog.

     

     

  • Alfred Schaffer overrompeld door winnen P.C. Hooftprijs voor poëzie

    Deze week werd door de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde bekend gemaakt dat Alfred Schaffer (1973) de P.C Hooft-prijs 2021 krijgt voor zijn gehele oeuvre. Voor de dichter, die in Zuid-Afrika Nederlands doceert aan de universiteit van Stellenbosch, was dit een grote schok. Hij werd gebeld toen hij op zijn werkkamer op de universiteit zat door de secretaris van de P.C. Hooftprijs,  Aad Meinders. Zijn eerste gedachte was dat ze hem misschien wilden vragen als jurylid, en dan blijk je de prijswinnaar te zijn. Het was nogal een schok liet Schaffer weten in een interview in Trouw, ‘Ik viel echt van mijn stoel. Er was hier geen kip, dus ik heb maar even naar huis gebeld. Daar vielen ze ook van hun stoel.’ Daarna was hij vooral ontroerd, voelde het alsof hij de stratosfeer in werd gekatapulteerd. De P.C. Hooftprijs is een prijs waarvoor je niet genomineerd wordt, de verkiezing gebeurt geheel binnenskamers.

    Een van de overwegingen van de jury om hem de prijs toe te kennen was: ‘Alfred Schaffer is een dichter die zonder met modes mee te waaien midden in deze tijd staat. Dat uit zich in zijn neus voor moderne communicatievormen, maar vooral ook in de oprechte betrokkenheid met de wereld die uit zijn verzen spreekt. Schaffers poëzie is nooit los te zien van de context van Zuid-Afrika, het land waar hij sinds 1996 – met een onderbreking van enkele jaren – woonachtig is. In zijn gedichten resoneert de verhouding tussen wit en zwart regelmatig, ook vanwege de persoonlijke achtergrond van de dichter, die een Arubaanse moeder heeft.’

    Alfred Schaffer behoort met zijn 47 jaar tot de groep van jongere dichters die ooit de prijs ontvingen, Lucebert was 43, Gerard Reve 45 en Rudy Kousbroek was 46 jaar. Schaffer debuteerde twintig jaar geleden met Zijn opkomst in de voorstad (2000). Inmiddels heeft hij tien bundels gepubliceerd, waaronder de dit jaar verschenen bundel Wie was ik. Zijn werk werd eerder bekroond met onder andere de Awater Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en de Paul Snoek Poëzieprijs. Naast zijn lectorschap aan de Stellenbosch University, schrijft hij poëziekritieken voor De Groene Amsterdammer.

    De prijs werd toegekend door de jury bestaande uit: Jeroen Dera, Janita Monna (voorzitter), Ester Naomi Perquin, Carl De Strycker en Michael Tedja. Met deze toekenning ontvangt de gelauwerde een geldbedrag van € 60.000.

    De prijsuitreiking, die in mei plaatsvindt, wordt georganiseerd door het Literatuurmuseum. Hoe een en ander geregeld zal worden is nog niet duidelijk en afhankelijk van de beperkingen die de coronapandemie oplegt.

     

     

    Bron: Trouw, Interview door Iris Pronk

     

  • De ambitie herkennen van wat een Grote Nederlandse Roman zou willen

    Martijn Knol werkte zes jaar aan zijn nieuwe roman De lange adem. Na de novelle Elders uit 2014  is dit zijn vierde roman. ‘In stilte’ werkte hij eraan, zoals de auteursbio op de binnenflap vermeldt. Wie hem op internet zoekt, komt behalve zijn eigen website en blog niet veel tegen. Wat er over Martijn Knol te vinden is, gaat waarschijnlijk over een naamgenoot, wat nog wel eens voor verwarring zorgt. 

    ‘Er is een andere Martijn Knol die aan wielrennen doet. Een tijdje geleden kwam iemand naar me toe en vroeg of ik tips voor hem had. “Ja,” zei ik, “gewoon doortrappen.”’ Zijn plek buiten het centrum van de aandacht bevalt hem wel.

    ‘Ik ben gecharmeerd van schrijvers van wie je helemaal niets weet, zoals Salinger of Elena Ferrante. Het enige wat je kunt doen is hun boeken lezen. Dat vind ik wel mooi. Deze tijd vraagt misschien ook wel om een beetje persoonlijke terughoudendheid en het boek het boek te laten zijn.’

    Zoeken naar betekenis

    Maar wie hem zoekt voor een boekpresentatie of literair programma, weet hem wel te vinden, vertelt Knol. Het is dan ook niet zo dat hij niet graag over zijn boeken praat. De enige hapering tijdens het interview komt door een slechte Skypeverbinding aan het begin. Zodra het euvel verholpen is, gaat het gesprek moeiteloos verder. De rijkdom van zijn roman biedt genoeg stof om over te praten. In De lange adem volgen we Robbert, een beveiliger in een warenhuis. In talloze hoofdstukken, scènes en fragmenten komen we meer te weten over hem, zijn collega’s, geliefden en zijn grote kinderwens. Knol schetst hem als een rauwdouwer, iemand die er niet voor terugdeinst om als het nodig is een tik uit te delen, maar tilt hem moeiteloos uit boven het archetypische door ook zijn binnenwereld met zijn kinderwens te beschrijven.

    De andere hoofdfiguur is Roman, een vlotte reclameman die ambities in de politiek krijgt en de Partij voor de Toekomst. Net als Robbert wordt Roman omringd door vele bijfiguren onder wie zijn vrouw en collega’s op zijn reclamebureau die ruim aandacht krijgen. Het maakt van De lange adem een volle en meerstemmige roman waarin figuren uit verschillende lagen van de bevolking elkaars levens kruisen. ‘Als het waar is dat mensen zich tegenwoordig steeds vaker opsluiten in hun eigen gelijk, wat gebeurt er dan als je ze in een roman tot contact dwingt?,’ vroeg Martijn Knol zich af bij het schrijven.

    De lange adem gaat over hoe we betekenis geven aan ons leven. Voor Roman is dat gein, reclamecampagnes maken en rijk worden. Later zoekt hij het in de politiek. Robbert zoekt betekenis in goed burgerschap een gezin, zijn werk en vaderlandsliefde. Als je al die personages volgt, dan krijg je begrip voor al die standpunten. Ik heb willen laten zien dat het ene streven niet meer waard is dan het andere.’

    Luchtgaten naar de buitenwereld

    De meerstemmigheid van De lange adem zit hem niet alleen in de hoofd- en bijfiguren van de twee verhaallijnen. Knol heeft ook stukjes ingelast met moppen en commentaar van fictieve lezers. Ze verwoorden reacties op het gelezene en gaan gesprekken met elkaar aan over bijvoorbeeld de noodzaak van een bepaalde scène in het boek of de mogelijke bedoeling van de schrijver.

    ‘Met deze stemmen kon ik de roman verrijken met andere standpunten en ook twijfel en kritiek toelaten. Op deze manier wilde ik de roman al tijdens het lezen als het ware openwerken naar de samenleving. Soms is het heel leuk om een helemaal gesloten alternatieve wereld te creëren in een roman. Maar in De lange adem zijn de samenleving en democratie belangrijke thema’s en daarom wilde ik luchtgaten maken naar de buitenwereld.’

    Op geheel toevallige wijze kwam de buitenwereld in de roman terecht. Afgelopen voorjaar richtte Henk Krol, nadat hij 50PLUS had verlaten, de Partij voor de Toekomst op, dezelfde naam die Knol had bedacht voor de politieke partij van zijn personage Roman.

    ‘De essentie van politiek campagne voeren is kiezers beloften doen. Die liggen natuurlijk in de toekomst, dus ik dacht: een politicus verkoopt toekomst. Ik vond het zelf wel grappig, die naam. Het is zo over the top.’

    Roman ontpopt zich in De lange adem tot een politicus van populistische snit, wat tot geweldige passages leidt waarin hij zijn ideeën uiteenzet.

    ‘Dat populisme en opportunisme en het gebruiken van de politiek voor je eigen belangen wilde ik graag in mijn roman verwerken, maar tijdens het schrijven kwam het toch wel wat genuanceerder te liggen. Roman heeft weliswaar nare en rare trekken, maar het begon me op te vallen dat hij de politiek onderzocht om te proberen echt iets te betekenen. Er zit een soort ambivalentie in, want wij herkennen de populistische stromingen, maar tegelijkertijd zit er voor hem op psychologisch niveau een soort authentiek verlangen in om de leegte die hij voelt met betekenis te vullen.’

    Grote Nederlandse Roman

    Op de achterflap wordt De lange adem een ‘hilarische, wilde, dwarse, ernstige Grote Nederlandse Roman’ genoemd. Waar het de vorm van deze roman betreft, vormde het essay The Great Dutch Novel van Daniël Rovers een van de beginpunten voor Martijn Knol. Het essay stelt de vraag of er naar analogie van de Great American Novel iets vergelijkbaars in Nederland mogelijk is. Je zou dan een roman moeten schrijven waarin meerdere sociale groepen een plek krijgen en waarin je nadenkt over de samenleving vanaf een afstand en van dichtbij via je empathie. 

    De lange adem is een Grote Nederlandse Roman omdat ik de ambitie herken van wat een Grote Roman zou willen doen, namelijk het maken van een verhaal waarin meerdere perspectieven en stemmen samenkomen. En door de veelheid aan stemmen wordt zoiets al gauw een wat volumineuzer boek.’

    De Great American Novel ontstond in de negentiende eeuw, en misschien kunnen we vanaf dat moment ook zulke romans in Nederland vinden. 

    ‘Misschien zijn Multatuli’s Ideeën wel het begin van de traditie. In dat boek zitten zo veel verschillende stemmen. Voor een Grote Nederlandse Roman is een politiek bewustzijn nodig. Sinds de millenniumwisseling is de emancipatie pas echt een inhaalslag aan het maken. En dan bedoel ik vrouwenemancipatie, homo-emancipatie, emancipatie van mensen van kleur. Eindelijk beginnen al die perspectieven hun ruimte te krijgen dus het is heel logisch dat de roman daar ook wat mee gaat doen. Ik denk dat er een hele mooie canon van dit soort romans gaat komen.’

    Ruimte bieden

    Een andere inspiratiebron voor deze roman is het werk van Jeroen Mettes geweest. 

    ‘Bij hem zie je ook zo mooi dat hij door zijn inhoud anders te structureren probeert om iets anders te zeggen. Een andere vorm levert een andere inhoud op. Door het fragmentarische van bijvoorbeeld zijn lange prozagedicht N30, dat tegelijk wel degelijk een ordening kent, zie je dat het voor hem gewerkt heeft om iets anders te vertellen. Je ziet dat ook bij andere schrijvers zoals Tonnus Oosterhoff, of Ali Smith in haar laatste vier romans waarin ze de Brexit volgt. Dat kun je geen klassiek gestructureerde romans noemen en zo slaagt zij erin de werkelijkheid naar binnen te halen. Zij schept ruimte voor meerdere perspectieven en dat heb ik ook geprobeerd in mijn roman te doen. Als je je zoals veel klassieke romans doen, op één personage richt krijg je een soort partijdigheid. In De lange adem heb ik daarom ruimte gegeven aan heel veel personages.’

    Het geven van ruimte is ook op een andere manier belangrijk voor het schrijverschap van Martijn Knol. Begin dit jaar sprak hij Jannie Regnerus die hij kent uit de tijd dat ze ook bij uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde. Ze vroeg hem hoe het met zijn boek ging. Hij vertelde dat het na enige vertraging nu zou verschijnen. Logisch dat het goed kwam, vond ze, want hij had de beste redacteur van de wereld. 

    ‘Dat is mijn uitgever, Koen van Gulik. Ik ging daarover nadenken en ik begrijp waarom ze het zegt. Wat heel goed aan hem is, is dat hij me het gevoel geeft dat ik precies het boek moet maken dat ik wil. Hij geeft me als schrijver alle ruimte. Dat is wat ik zelf probeer als schrijver, ruimte geven aan de lezer, door andere perspectieven aan te bieden of alternatieve gebeurtenissen. De ruimte die ik aan de lezer wil bieden begint met de ruimte die ik krijg als schrijver.’

    Nu De lange adem in de winkel ligt, is Knol blij dat het schrijven klaar is. 

    ‘In de weken na verschijnen heb ik het boek wel twee of drie keer per dag opgepakt om me ervan te verzekeren dat het er is. Ik ben ook heel gelukkig met het boek als object: hoe het in de hand ligt en openvalt, en het mooie omslag van Christoph Noordzij. Dat effect duurde bij deze roman opvallend lang.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    De lange adem / Martijn Knol / 480 pagina’s / Wereldbibliotheek (2020)

     

    Foto: ©Francesca Lucarotti

     

  • Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    klik op de foto om de achtergrond te zien


    Als Stendhal op 22 januari 1817 de Santa Croce in Florence zou zijn binnengelopen – ik verbeeld het me even – om te schuilen voor een plotselinge regenbui die hem overviel terwijl hij op zoek was naar een dokter die hem kon helpen aan een ontstoken kies, zouden we dan van het naar hem genoemde syndroom hebben gehoord? Het is mogelijk, maar minder waarschijnlijk. Althans niet op die vrijdag, denk ik.

    De dag voor zijn 34ste verjaardag, sprak Stendhal in Florence een monnik aan die hem de kapel in de Santa Croce binnenliet waar hij de fresco’s van Baldassare Franceschini (‘Il Volterrano’) wilde zien. Eenmaal binnen raakte hij in extase bij het plotselinge besef dat hij hier stond tussen de graven van Michelangelo, Galilei, Macchiavelli, Rossini en zoveel andere kunstenaars en met zoveel schoonheid om zich heen. Hij werd overdonderd door sensations célestes, hemelse sensaties. Hij kreeg hartkloppingen – ‘wat ze in Berlijn de zenuwen noemen’, legt hij uit – en stond te trillen op zijn benen.

    Het kan in fictie een stuk erger. In De gevangene, het vijfde deel van de cyclus Op zoek naar de verleden tijd, laat Proust zijn Bergotte zelfs overlijden aan duizelingen als hij naar het stukje gele muur met een puntdak op Gezicht op Delft van Vermeer staat te kijken.

    Trillende benen

    Er staat me een onuitwisbaar moment voor ogen waarop ik zelf op zijn minst duidelijke symptomen van het syndroom ervoer. Dat was bij het schilderij Black, Red over Black on Red van Mark Rothko in het Centre Pompidou. Ik heb elders werk van hem gezien. In het Gemeentemuseum (tegenwoordig Kunstmuseum) in Den Haag zag ik in 2014 zijn overzichtstentoonstelling. Ik maakte ‘Rothko en ik’ mee in het Stedelijk Museum in Schiedam. Beide verliet ik teleurgesteld. Ik weet waarom. In Den Haag moest ik laveren tussen schuifelende lijven waaruit hinderlijke commentaren opstegen. Stilte was er daarentegen voldoende in de kamer waarin ik in Schiedam tien minuten alleen mocht zijn met Grey, Orange on Maroon, No. 8. Mensen verlieten soms huilend de ruimte, had ik vooraf gelezen. Ik bleef zelf betrekkelijk onberoerd. Te hoge verwachtingen barricadeerden bij voorbaat elke spontane emotie.

    Dat in het Centre Pompidou een Rothko hing wist ik niet. Het was vooral die argeloosheid van me die de schok veroorzaakte toen ik een hoek omging en overspoeld werd door het volle licht van het schilderij. In de ruimte was geen ander publiek. Ik voelde mijn adem stokken, stond te trillen op mijn benen. Iets vergelijkbaars is de ‘historische sensatie’ van Johan Huizinga. In een befaamd artikel in De Gids in 1920 schreef hij:

    ‘Het kan zijn, dat zulk een historisch détail, in een prent, maar het zou evengoed kunnen zijn in een notarisacte, terwijl het mij toch als zodanig onverschillig is, mij opeens het gevoel geeft van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie’.

    Zonder verwachtingen

    Lang geleden maakte ik een rondreis door Griekenland met een vaag verlangen naar een sensatie zoals Edward Gibbon die op de verweerde stenen van het Capitool in Rome ervoer. De enige plek waarop ik in Griekenland een bescheiden glimp van verbondenheid met het verleden ervoer was het oude stadion in Olympia. Er waren nauwelijks mensen. Er ruiste een zachte wind. Ik was er niet op bedacht. Ik heb het blijkbaar nodig leeg te zijn, zonder verwachtingen. Net als Stephen Greenblatt in zijn essay Resonance and Wonder, ‘Looking may be called enchanted when the act of attention draws a circle around itself from which everything but the object is excluded, when intensity of regard blocks out all circumambient images, stills all murmuring voices’.

    Er zijn schrijvers die mij als lezer zowel de symptomen van het syndroom van Stendhal, alsook de ontroering van een historische sensatie kunnen bezorgen. Dat zijn de groten, zoals de Brit Richard Holmes. Hij is het meest bekend van zijn biografieën over schrijvers als Samuel Taylor Coleridge en Percy Bysshe Shelley. In 1986 las ik van hem Voetsporen. Daarin beschrijft hij hoe hij te werk gaat. Dat doet hij in zo’n grootste stijl en met zo’n sterke verbeeldingskracht dat ik het boek af en toe aangedaan moest wegleggen. Toen ik het een paar jaar later niet meer in mijn boekenkast terugvond (te enthousiast uitgeleend en nooit teruggekregen?), sloeg dat een pijnlijk gat. Ik schafte het onmiddellijk opnieuw aan. 

    Volledig ingepalmd

    Holmes slaagde erin mij totaal in te palmen en mee te nemen naar de mensen over wie hij schreef en de tijd en omstandigheden waarin zij leefden. Het was alsof ik met hen meewandelde, met hen at, met hen ademde. Holmes bereikte dat door zelf volkomen op te gaan in de schrijvers over wie hij vertelt. Een veelzeggende zin van hem: ‘Voor mij begint mijn leven als biograaf op de dag dat mijn bank een cheque weigerde omdat die per ongeluk 1772 was gedateerd’. De wegen van Shelly nawandelend maakte hij een foto van de achtertuin van Casa Bertini in Bagni di Lucca. In 1818 woonde Shelly, 26 jaar, daar met zijn eenentwintig jarige tweede vrouw Mary, baby Clara en vierjarige zoon William. Dood en ellende achtervolgden hem. Baby Clara stierf dat jaar, William een jaar later, Mary kreeg een zenuwinzinking. ‘De schim van de kleine William Shelly komt te voorschijn achter de plataan rechts’, noteerde Holmes bij de door hem zelf gemaakte foto.
    Ik zag het ook.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Oek de Jong en de Boekenbon Literatuur Prijs 2020

    De roman Zwarte schuur van Oek de Jong (1952) werd vorige week bekroond met een grote literaire prijs. De roman werd dit jaar twee maal eerder genomineerd voor een literaire prijs, waaronder de Libris, maar ving steeds achter het net. Voor veel lezers van de Zwarte schuur en van zijn eerdere werk is het dan ook een vreugde dat de Boekenbon Literatuur Prijs (voorheen de BookSpot, ECI, AKO Literatuurprijs), naar De Jong ging. Niet dat De Jong nooit een prijs gewonnen heeft, maar de echt grote prijzen gingen steeds aan hem voorbij.

    Oek de Jong debuteerde in 1977 met een verhalenbundel en brak door in 1979 met Opwaaiende zomerjurken waarvoor hij de F. Bordewijkprijs kreeg. Zijn tweede roman, Cirkel in het gras, een indringende liefdes geschiedenis, was geniaal. In 2002 volgde de sterke roman Hokwerda’s kind, waarvoor De Jong in België genomineerd werd voor de Gouden Uil, en hier voor de Libris Literatuurprijs. Zijn geweldige tweedelige roman Pier en oceaan (2012) kwam op de shortlist van de Librisprijs terecht en werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs, F. Bordewijkprijs en de Gouden Uil. Verder publiceerde De Jong meerdere autobiografische geschriften, dagboeken en essays. En dan nu deze grote prijs, waar een bedrag van 50.000 euro aan verbonden is. Zelf ziet Oek de Jong deze prijs als een grote waardering voor de literaire roman.

    Oordeel jury

    Dit was onder meer wat de jury over Zwarte schuur zei: ‘Met zijn geconcentreerde, sterk psychologische aanpak heeft Oek de Jong een mens en een decor neergezet die de lezer moeiteloos opeisen en dwingt hem (…) om na te denken over de dunne lijn tussen seksualiteit en agressie, mannelijke identiteit en de al dan niet genezende kracht van kunst.’

    De jury bestond uit Jan Dertaelen, boekverkoper De Groene Waterman te Antwerpen en recensent, Sofie Gielis, redacteur literair tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, Sebastiaan Kort, recensent NRC, Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur literair tijdschrift De Revisor en Jeroen Vullings, literatuurcriticus Elsevier en Nieuwsweekend.

    Andere genomineerden waren dit jaar Marcel Möring met Amen, Koen Sels met Gloria, Stephan Enter met Pastorale en Charlotte van den Broeck met Waagstukken.

     

     

    Lees hier de recensie van Daan Lameijer over Zwarte schuur.