• Nederlandse Boekhandelsprijs voor Toine Heijmans met Zuurstofschuld

    Toine Heijmans heeft dit jaar voor zijn roman Zuurstofschuld de Nederlandse Boekhandelsprijs 2022 gewonnen.

    De Nederlandse Boekhandelsprijs gaat naar een boek waarvan de boekverkopers vinden dat het meer aandacht verdient. Het moet gaan om een oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk. Noch een jury, noch het publiek heeft invloed op de toekenning van de prijs. De prijs heeft vaak een positief effect op de belangstelling van buitenlandse uitgevers voor de winnende titel.

    Ook Adri Altink was in augustus 2021 op deze plek enthousiast: ‘[…] in het persoonlijke verhaal van Walters eigen beklimmingen wordt de spanning nog eens te meer opgevoerd. Dat doet Heijmans in een vernuftig geconstrueerde opzet van de roman met veelzijdige filosofische en ethische beschouwingen; je wilt de rake zinnen daarin voortdurend aanstrepen.’

    Klik hier voor de recensie op Literair Nederland.

     

  • Anne Vegter wint met ‘Big data’ de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    Stichting Zutphen Literair maakte deze week bekend dat Anne Vegter de Ida Gerhardt Poëzieprijs gewonnen heeft met haar bundel Big data.

    Uit honderdveertig ingezonden bundels kozen de juryleden Maria Barnas en Onno Kosters een shortlist van vijf genomineerden, waaruit Big data van Anne Vegter als winnaar naar voren kwam. Vegter werd twee maal eerder voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs genomineerd, in 2008 met de bundel Spamfighter en in 2012 met Eiland berg gletsjer, driemaal is scheepsrechts zou men in deze kunnen zeggen.

    De jury schrijft in haar rapport: ‘In Big data (…) wordt woede omgebogen tot een krachtige en onderzoekende stem zoals die niet eerder heeft geklonken. Vegters talige universum is uniek. Ze weet met taal te verleiden, te troosten, om zich heen te slaan en een eigen plek te veroveren. Vegter weet van tegenstrijdigheden haar kracht te maken en blaast de lezer omver met schommelingen tussen tederheid en razernij, aarzelingen en wijsheid.’

    De overige genomineerden waren Erik Bindervoet met De droom van eb inkt diervoer (De Harmonie), Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen (De Arbeiderspers), Maarten van der Graaff met Nederland in stukken (Pluim) en Sasja Janssen met Virgula (Querido).

     

    De prijs zal op zaterdag 2 april feestelijk worden uitgereikt in de Burgerzaal aan de Korte Hofstraat 4 te Zutphen.

    Lees hier de recensie van Big data!

     

     

  • Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt


    Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen, een gevangeniskolonie in Drenthe. Ze heeft samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig veel gereisd. De sporen daarvan zijn in haar romans en non-fictie boeken terug te vinden. Sinds haar debuutroman Sevillana (1990) bouwde  ze aan een divers oeuvre, schreef columns en reisverslagen voor de Volkskrant en publiceert regelmatig essays en opiniestukken in de NRC. Twee van haar boeken, de roman Bokkezang (1994), en het non-fictieboek Tribune van de armen (2017), werden respectievelijk in het Russisch – en Spaans vertaald. Ze reisde twintig jaar lang jaarlijks naar Roemenië, leefde waar de Roma’s leefden en schreef daar twee reisboeken over, De stilte voor het vuur (1992) en Sla een spijker in mijn hart (2006). 

    Eerst dit: Midden jaren tachtig ontmoette ik in Deventer een jong stel dat met paard en wagen door Europa reisde. Ze stopten op de kade langs de IJssel op het moment dat ik met mijn kinderen wilde oversteken. De kinderen waren verrukt van de wagen, van het paard. Zij vertelde dat ze onderweg stukjes schreef voor een blad. Zij trokken verder, wij staken de weg over. Later vermoedde ik bij elk boek dat van Mariët Meester verscheen, dat zij het was geweest die we daar ontmoet hadden. In de mailwisseling voor een interviewafspraak werd mijn vermoeden bevestigd. 

    Voor Literair Nederland spreek ik haar op een middag in december. Ze ontvangt me op hun driehoog gelegen etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. De ruimtes zijn rustig en minimalistisch ingericht. Boven de schouw in de achterkamer herken ik de foto van de schrijfster met een (dode) zwaan die ze met beide handen bij de hals vasthoudt ter hoogte van haar borstbeen. Het zwanelijf sierlijk naar beneden hangend, haar hoofd met opgebonden haren afgewend. Het beeld stond ooit op de cover van haar roman De overstroming uit 2003. We nemen plaats in de woonkamer, er is thee, brokken chocola op een schoteltje. 


    Waarom reisden jullie toen met paard en wagen, waar kwam het idee vandaan? 

    ‘Ik zat begin jaren tachtig op de Academie voor Beeldende Kunsten Minerva en het vijfde jaar was een stagejaar, dat mocht je naar eigen idee invullen. We bedachten toen om zelf een woonwagen te bouwen en op reis te gaan. Onderweg zou ik dan werk voor de academie maken.’
    Ze laat foto’s zien van de wagen waar ze met haar vriend (nu man) op de bok zit. Ik herken het beeld, de wagen. Ik laat weten dat ik het toen een idyllisch geheel vond. ‘Maar het was ook afzien’, zegt ze. ‘Er was geen verwarming en ruzies waren onvermijdelijk. We leefden heel dicht op elkaar, dat was best heftig. Op een binnenwand van de wagen hebben we op een gegeven moment onze relatie geschilderd, veel boze, woeste koppen.’ 


    Schreef je toen ook al?

    ‘Tijdens die reis waren op een gegeven moment mijn boeken op en ben ik zelf gaan schrijven. Een van die verhalen stuurde ik naar een tijdschrift en dat werd meteen geplaatst. Ik kreeg er honderd gulden voor, dat stimuleerde me wel om door te schrijven.’ 


    Schrijven is dus uit nood ontstaan?

    ‘Oh nee, vanaf het moment dat ik op de lagere school leerde schrijven, wilde ik dat al. Maar als kind was ik verlegen, durfde niet te zeggen dat ik schrijver wilde worden. Wist ook niet wat je daarvoor zou moeten studeren. Toen ben ben naar de kunstacademie gegaan, dat heeft me wel geholpen. Daar leerde ik een bepaalde manier van kijken.’ 

    Uit de aantekeningen die ze tijdens haar reis halverwege de jaren tachtig maakte, ontstond een boek, Een spoor van paardenmest. De onlangs overleden Maarten van Dullemen wilde het publiceren. ‘Hij was de broer van Inez van Dullemen dus ik dacht, dat zit wel goed. Het waren dagboeknotities, maar hij deed geen redactie, publiceerde het zoals ik het had ingeleverd. Daardoor is het wel heel authentiek, maar ik vind het niet goed genoeg.’


    Je derde boek was de androgyne roman Bokkezang.

    ‘Het was heel intens dit boek te schrijven, het kwam uit het diepst van mijn ziel. Het gaat over het non-binaire, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, en de manier van samenleven met dieren. Een roman waarin vrijheid, behoud van waardigheid, wellust en androgynie een rol speelden. Ik heb het ingeleverd bij Tilly Hermans die toen bij Meulenhoff redacteur was. Nadat ze het gelezen had zei ze, “Dit is beter dan het meeste dat ik binnen krijg.” Later hoorde ik dat ze met het manuscript juichend door de uitgeverij had gelopen, “Dit gaan we groot maken.” Maar de pers begreep er niets van, ze vonden het een raar boek. Het was er de tijd niet voor, terwijl ik toen dacht, “Dit is het beste dat ik in me heb.” De recensies die er kwamen, waren wel positief. Later is het bij De Slegte beland en zelfs daar (lachend) liep het niet.’ 

    ‘Maar’ zegt ze, ‘het is goed gekomen. Tien jaar later werd het ontdekt door een Russische hoogleraar die het vertaalde en werd het in Rusland uitgegeven. Er kwam een presentatie in St. Petersburg en het boek liep daar heel goed.’

    Daarna verscheen De eerste zonde, een ‘coming of age’ roman over een pubermeisje dat opgroeit in de gevangeniskolonie Veenhuizen. Ze helpt een gevangene die ontsnapt is zich te verbergen, brengt hem eten en kleren, wordt verliefd op hem.

    ‘Dat was toch wel een reactie op hoe Bokkezang ontvangen werd. Dat het niet begrepen werd, daar was ik wel van geschrokken. Daardoor ging ik een lichter boek schrijven. Maar het past ook wel bij me, dat ik steeds iets anders schrijf. Mijn toenmalige uitgever Maarten Asscher zei eens tegen me, “Jij doet bij elk boek iets anders, je zoekt steeds weer nieuwe dingen uit. Dat kan voor de lezer wel eens lastig zijn.” Maar dit is mijn manier van schrijven, ik kan niet anders. Ik ben een kunstenaar, het interesseert me niet om steeds hetzelfde de toen.’


    Wat schrijf je het liefst, fictie of non-fictie?

    ‘Fictie schrijven is wel moeilijker, maar ik doe het liever. Het is voor mij echt kunst. Maar als ik alleen fictie zou schrijven, dan zou ik teveel opgesloten zitten. Voor non-fictie ga ik op onderzoek uit, naar Amerika bijvoorbeeld, zoals ik voor het boek De Mythische oom heb gedaan, of naar Spanje, voor De tribune van de armen.’ 


    In een documentaire over de gevangeniskolonie zei je dat je daar heel gelukkig was. Dat had te maken met de ‘lammeren en de leeuwen’ die daar bij elkaar woonden. Wat bedoelde je daarmee?

    ‘Er waren daar geen contrasten, je zag die gevangenen elke dag, het hoorde erbij. Je zag dat het gewone mensen waren, je leefde in een soort symbiose met elkaar. Die eenheid vind ik heel bijzonder. In het echte leven heb ik daar wel moeite mee, dat er geen eenheid is. Daar vormde je met elkaar een gemeenschap. Ik ben altijd nog teleurgesteld hoe mensen polariseren, ook nu in deze corona tijd. Dat vind ik verschrikkelijk, dan denk ik, “leef je eens een beetje in de ander in.”’

    Begin 2020 verscheen haar achtste roman, Pingping, waarin de protagonist van de een op de andere dag breekt met haar oude leven en op zoek gaat naar een eenvoudiger leven. Een mooie gebonden uitgave met leeslint, op de titelpagina een met de hand ingekleurd vogeltje, gedrukt in een eenmalige oplage van duizend stuks. Samen met haar man, richtte ze voor deze uitgave uitgeverij Caprae op. Voor een schrijver die doorgaans haar boeken publiceert bij bekende uitgevershuizen als Meulenhoff, Balans en De Arbeiderspers, een opmerkelijke zet.  


    Waarom wilde je dit boek zelf uitgeven?

    ‘Dat was puur vanwege het onderwerp. Het boek gaat over iemand die wil uitzoeken of je minder geld kunt uitgeven en toch ‘rijker’ kunt leven. Zij maakt zich zorgen over ons leefklimaat en wil echt stappen nemen om het klimaat zo min mogelijk te belasten. Ik wilde kijken of ik dat ook in de manier van publiceren kon doorvoeren door de oplage beperkt te houden. Zoiets kon alleen rendabel zijn met een eigen uitgeverij. Het was misschien wel wat naïef, want iemand van Boekblad riep, “Hoe kun je dat nou doen, je zit bij De Arbeiderspers?!” Daar had ik niet aan gedacht, dat mensen zouden denken dat De Arbeiderspers me niet meer wilde. Maar het was een bewuste keuze. Gelukkig werd het een succes. En het was heerlijk alles eens zelf te kunnen bepalen, het omslag, lettertype. Jaap en ik hebben die kennis in huis, voor ons was het een kunstproject.’


    Wat is een van de belangrijkste dingen geweest in je schrijversleven?

    ‘Ah, dat was toch wel mijn deelname aan een zesweekse reis door Europa, de Literatuurexpres. Dat was in 2000, een literaire reis van Lissabon, via Scandinavië naar Rusland en terug via Berlijn. Dichter Serge van Duinhoven en ik waren uitgenodigd namens Nederland. Het was een project van voormalige Oost-Duitsers, Literatur Werkstatt. Ze hadden meer dan honderd schrijvers uit heel Europa bij elkaar gebracht en een speciale trein gereserveerd. 

    Per land werd er een fragment uit de roman die je vooraf had ingestuurd, voor je vertaald. Ik had Bokkezang gekozen. We traden eerst op in Lissabon. Arie Pos, Portugees vertaler, had vooraf een fragment daaruit vertaald. We gingen onder andere naar Madrid, de Baltische staten en St. Petersburg. Het was razend interessant maar zes weken was ook wel lang. Voor het cultuurkatern van de Volkskrant heb ik tijdens die reis een zestal columns geschreven. Ik kreeg een mobieltje van de krant, een van de eerste mobieltjes. Dan stuurde ik via mijn laptop en die mobiel, mijn stukjes door. Ik heb aan die reis goede herinneringen en vele schrijversvrienden uit allerlei landen overgehouden.’


    Binnenkort verschijnt er een autobiografisch boek van je. Wat was de aanleiding om die te schrijven?

    ‘Het was in 1994 dat ik al besefte dat ik wel wat bijzonders heb beleefd tijdens mijn jeugd in die gevangeniskolonie, en dat ik dat maar eens moest opschrijven. Ik ben toen gaan zitten en heb alles genoteerd wat in me opkwam uit die tijd. Veel later sprak ik er met Marcel Möring over, hij zei, “Je niet kunt doodgaan zonder het verhaal, zoals het was, een keer verteld te hebben.” Alles wat ik in 1994 heb genoteerd, heb ik nu als basis voor dit boek, Koloniekind kunnen gebruiken. Herinneringen vervormen door de jaren heen, en ik was blij dat ik dit materiaal van zesentwintig jaar geleden had.’


    Hoe was het om daarover te schrijven?

    ‘Het mooie is dat door dit boek alles bij elkaar komt. Je oeuvre wordt als het ware helemaal rond. Elk boek van mij is anders, al zit er wel een bepaalde lijn in. Met dit boek ga ik terug naar de basis. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik bijvoorbeeld hoe ik als vijfjarige over een lange rechte laan fiets. In de epiloog merk ik op dat er in al mijn boeken wordt gefietst, dat ook dit boek begint en eindigt met fietsen.’ 

    ‘Het was een besloten gemeenschap, het hele dorp was afgesloten met driehonderdvijftig bordjes ‘Verboden toegang’. De meeste mannen daar liepen in een zwart uniform. Er waren bewakers met een karabijn schuin op de rug. Als wij visite kregen werd dat van tevoren aangevraagd. Je kon niet zomaar bezoek ontvangen. 

    Het waren allemaal brave ambtenaren die daar werkten. Voor mij waren die gevangenen razend interessant. Al schrijvend aan Koloniekind, heb ik ontdekt dat zij mijn rolmodellen waren. Ik begin nu te zien, door dit laatste boek, waar mijn thematiek vandaan komt.’


    Je vader woont nog in Veenhuizen, hij is drieënnegentig. Heb je met hem over dit boek gesproken?

    ‘Nou, (lachend) hij wil hier niet zoveel over weten. Ik heb hem wel veel gevraagd over hoe het vroeger was, zonder te vertellen dat het voor een boek was. Later heb ik hem verteld  dat er een boek komt over die tijd. Dat hij er ook in voorkomt en op het omslag staat. Hij vond het goed. “Ik zie het wel,” was zijn reactie. Hij weet dat ik respectvol te werk ga. Mijn redacteur noemde het een liefdevol boek, dat was wel een opluchting.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Koloniekind, Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen van Mariët Meester verschijnt in april bij uitgeverij De Arbeiderspers.


    Kijk voor haar gehele oeuvre op Mariët Meester.nl.

    Foto auteur: Jaap de Ruig

     

  • Shortlist Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    De shortlist van de Ida Gerhardt Poëzieprijs werd deze week bekend gemaakt door Stichting Zutphen Literair. Er werden honderdveertig bundels ingezonden waaruit de volgende vijf kans maken de prijs te winnen.

    • Erik Bindervoet, De droom van eb inkt diervoer / Uitgeverij De Harmonie.
    • Charlotte Van den Broeck, Aarduitwrijvingen / Uitgeverij De Arbeiderspers.
    • Maarten van der Graaff, Nederland in stukken / Uitgeverij Pluim.
    • Sasja Janssen, Virgula / Uitgeverij Querido
    • Anne Vegter, Big data / Uitgeverij Querido

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    De winnende bundel wordt 15 februari bekend gemaakt. Zaterdag 2 april zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Zutphen, de stad die dichteres Ida Gerhardt de laatste jaren van haar leven regelmatig bezocht. De jury bestond uit Maria Barnas en Onno Kosters.

    Ida Gerhardt leefde sinds 1967 in het nabijgelegen Eefde en haar laatste vijf jaren in een verzorgingstehuis te Warnsveld, waar ze vijfentwintig jaar geleden overleed. Een van haar beroemdste gedichten, ‘Dolen en dromen’, is gesitueerd in Zutphen.

    De prijs werd voor het eerst in 2000 toegekend aan Kees ‘t Hart voor zijn bundel Kinderen die leren lezen, de laatste keer won Marieke Lucas Rijneveld de prijs met haar bundel Fantoommerrie (2020).

    Kijk hier voor meer informatie.

     

  • Wij vieren dit jaar een lustrum


    In december 2022 bestaat Literair Nederland 20 jaar. We zijn ons nog aan het bezinnen hoe we dit zullen vieren, maar daar zit ongetwijfeld een terugblik in. Nadenkend over de manier waarop wij dit lustrum zullen gaan vieren, zijn we alvast gaan grasduinen in het archief van 2021. Eerlijk gezegd waren we zeer aangenaam verrast. Wat zijn er in het afgelopen jaar veel mooie titels verschenen en hier door onze recensenten besproken. We hadden al een beetje zitten tellen en in 2021 plaatsten we zo’n honderdvijftig recensies, gaven we honderdvijftig boekentips in de rubriek De Oogst en daarbij werden er nog eens vele titels in de wekelijkse columns, interviews en fotosyntheses onder de aandacht gebracht. Het afgelopen jaar hebben wij aan zo’n kleine vierhonderd titels aandacht besteed, waarmee we hopelijk de vele bezoekers van onze site een plezier hebben gedaan.


    We pikken er een paar voor u uit:

    De geschiedenis in De Vriendt keert terug van Arnold Zweig, een roman die speelt in 1932 in het gebied Palestina. Recensent Hans Vervoort is enthousiast: ‘Zweig is een groot verteller die er goed in slaagt om de complexe situatie in het Jeruzalem van die tijd voor de lezer zichtbaar te maken en sympathie op te wekken voor alle partijen die in het land hun toekomst wilden realiseren.’

    De situatie aldaar is jaren later nog niet veel veranderd. In Oorlogen & Oceanen van Erik Ader is het een van de thema’s. Volgens Eric de Rooij heeft Ader dit boek onder andere geschreven om ‘een menselijke stem te laten horen in het conflict tussen Joden en Palestijnen.’ En, ‘Erik Ader [legt] getuigenis af van het onrecht en het geweld dat in Israël en Palestina plaatsvindt en neemt daarin stelling. Opdat te allen tijde de menselijke maat gewaarborgd blijft. Een boodschap die gehoord mag worden.’

    Ook aandacht voor poëzie, voor bijvoorbeeld Dichter des Vaderlands Lieke Marsman en haar bundel In mijn mand. Volgens recensent Albert Hogeweij getuigt deze bundel ‘van rijpheid, eerlijkheid en een milde zelfironie waarin de eigen positie wordt her-overdacht.’ Of de recensie van Rennen naar het einde van honger van Esther Jansma, waarover poeziërecensent Hettie Marzak schreef, ‘Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken.’

    Verrassend, en volgens recensent Huub Bartman zeer geslaagd, is de opzet van Guido van Hengel in Roedel waarin hij de geschiedenis van voormalig Joegoslavië tot de val van Srebrenica schetst.
    ‘Ontroerende ontmoetingen (…) worden door Guido van Hengel gekaderd in een diepzinnige beschouwing over het menselijk bedrijf in een niet al te vrolijke wereld. In het boek wordt dit, in de trant van de fotograaf Daïdo Moriyama, in beeld gebracht door portretjes van zwerfhonden in plaats van, zoals te doen gebruikelijk, portretjes van mensen.’

    Marjolijn de Gender schreef aanstekelijk over de essays van Annie Dillard in De overvloed. ‘Het leest alsof Dillard op het podium staat, soms fluistert en soms schreeuwt, vertraagt en weer versnelt, haar publiek daarmee zo in haar ban houdt dat niemand na haar laatste buiging aan klappen denkt.’ Of lees de recensie van de ‘rauw, realistische roman’, Orkaanseizoen van de Mexicaanse schrijfster Fernanda Melchor, gerecenseerd door Kris Mattheeuws.


    We gaan nog even door

    (Her)leest u eens de enthousiaste recensie van Istvan Kops over Arc van Richard Osinga die hij besluit met: ‘Lees hoe dan ook dit boek.’ En misschien was u nog op vakantie toen de recensie verscheen van Daan Lameijer over Allah 99 van Hassan Blasim, ook die zou ik nog even opzoeken. ‘Het is een ongekend boek, dat – door meerdere critici al beweerd – de westerse literatuurconventies doorbreekt.’ Of het Verzameld proza van J. Slauerhoff, besproken door recensent Reinder Storm, ‘een monumentale uitgave die – samen met de uniform uitgegeven Verzamelde gedichten – recht doet aan een monumentaal oeuvre.’

    En dan zijn er nog de besprekingen van literaire tijdschriften als Tirade, Terras, Het liegend konijn en vertaaltijdschrift Filter. Of een van de Fotosyntheses die er de afgelopen jaren op Literair Nederland zijn verschenen. Of scrol eens door de columns die wekelijks verschijnen.

    En vergeet niet de interviews te lezen die in een steeds grotere frequentie op Literair Nederland verschijnen. Zoals deze met Julia Franck, over haar autobiografische boek Werelden uit elkaar, of met de Geschiedenis Prijs winnares Sandra Langereis over haar boek Erasmus. Of met Uitgeverij HetMoet en de Roemeense schrijfster Mira Feticu. Zeer de moeite waard allemaal.

     

     

    Nog twee laatste tips, alleen al vanwege de prachtige en hoopvolle titel: De wereld is niet stuk te krijgen van Maxim Osipov dat volgens recensent Adri Altink ‘vol zit met zelfspot en ironie over de lotgevallen van de mens. En uiteindelijk concluderen de personages van Osipov dat ze eigenlijk gelukkig zijn.’ En (echt) als laatste de recensie van Lijn van wee en wens van Caro Van Thuyne, gerecenseerd door Ben Koops. Oh, en deze nog: De reparatie van de wereld van Slobodan Šnajder, door recensent Reinier van Houwelingen, ‘een ode aan de gewone man, die steeds maar weer als gedwongen vrijwilliger op het toneel van de geschiedenis wordt geplaatst.’

     

    Boeken direct bestellen

    Wilt u na lezing van een recensie het
     boek direct bestellen? Dan kan dat op Literair Nederland. Uw bestelling gaat via Bazarow, een online boekwinkel met hart voor het boekenvak. Een klein deel van de boekverkoop is voor Literair Nederland, waarmee we weer een deel van onze onkosten kunnen bekostigen.

    Wij hebben het afgelopen jaar niet stilgezeten en hopen dat het komend jaar ook weer een fantastisch boekenjaar zal worden voor Literair Nederland.
    Hierbij willen we dan ook alle recensenten en overige schrijvers voor Literair Nederland van harte bedanken voor hun inzet, en natuurlijk ook onze donateurs. Want zonder donaties kan Literair Nederland niet bestaan. 

     

    Namens de redactie een goed Boekenjaar!

    Carolien Lohmeijer
    Menno Hartman
    Anky Mulders
    Ingrid van der Graaf

     

  • Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Zinnen die blijven hangen


    Op 12 december jl. won Puck Füsers de schrijfwedstrijd van Write Now! Puck is 19 jaar, studeert en werkt in Maastricht en schrijft gedichten. Over haar winnende gedichten schreef de jury o.a.: ‘De prijswinnende inzending is een experimentele tekst, die het menselijke nooit uit het oog verliest.’

    Voor Literair Nederland sprak ik Puck telefonisch op een moment dat de eerste opwinding over het winnen van de prijs een beetje gedaald was en zij weer druk was met het leven van alledag.


    Hoe gaat het met je na het winnen van Write Now!?

    ‘Ik heb de eerste dagen op een wolk geleefd, nu ben ik weer een beetje geland’.
    Puck vertelt dat ze vorig jaar de derde prijs in de voorronde van Venlo had gewonnen met gedichten die ze vrij impulsief had ingestuurd. Maar die prijs was zo’n stimulans dat ze deze keer dacht: ‘ik ga meer mijn best doen.’ Dus begon ze in maart, lang voor de deadline in oktober, al met schrijven.


    Heb je het werk van de anderen gelezen?

    ‘We ontvingen het werk van de andere finalisten pas na de prijsuitreiking, dus ik had vooraf geen idee wat de rest had ingestuurd. Ik had wel al de voorronde-inzendingen kunnen lezen van degenen die de eerste prijs in de voorrondes hadden gewonnen. Ik vond het mooi, het was goed geschreven en van hoog niveau.’
    De finalisten hebben elkaar ontmoet op de dag van de uitreiking. ‘Het waren supertoffe mensen; het was een hele gezellige dag. Ik had niet verwacht dat ik zou winnen, dus ik was superrelaxed. Ik hoop dat we met elkaar contact houden.’


    Sinds wanneer schrijf je gedichten en schrijf je ook proza?

    ‘Dat is eigenlijk geleidelijk begonnen, zo’n 3 à 4 jaar geleden, maar sinds een jaar of 2 doe ik dat wat structureler. Ik heb ooit wel verhalen geschreven, maar daarin kwam ik nooit tot de top; ik bleef hangen in de beschrijving van situaties. Ik ben poëzie gaan schrijven omdat ik merkte dat er zo nu en dan zinnen bleven hangen. Vanuit die zinnen schreef ik dan verder. Ik las zelf eigenlijk nog geen poëzie toen. Wel had ik een leraar op de middelbare school die ons zo nu en dan poëzie liet lezen. Ik merkte toen dat ik dat wel leuk vond. Daarna ben ik zelf op zoek gegaan, in eerste instantie op internet. Nu lees ik wel veel, bijvoorbeeld van Marieke Lucas Rijneveld, Maxime Garcia Diaz en Levina van Winden. Voor mij geldt dat veel lezen bijdraagt aan mijn schrijven.’


    Veel van jouw gedichten gaan over opgroeien in een digitaal tijdperk. In je gedichten lees ik een zacht kritische ondertoon, klopt dat?

    ‘Veel mensen benadrukken het negatieve van internet. Maar internet kan ook verbindend en democratiserend zijn. Ik wil daarin graag genuanceerd zijn. Natuurlijk zijn er negatieve effecten; ik zie dat ook wel om me heen, en ik benoem het natuurlijk in mijn gedichten. Maar ik wil nu ook weer niet zeggen dat het internet ons alleen maar kwaad kan doen. Ik denk dat het vooral belangrijk is om tot een soort realistische weergave te komen, om te zien wat er nu écht gebeurt als we onszelf omringen met de online wereld. En dat is meestal niet alleen goed of slecht, maar een combinatie van beide.’


    Schrijf je met een bepaalde doelgroep voor ogen?

    ‘Nou, nee, daar ben ik tijdens het schrijven niet mee bezig. Ik hoop dat mijn gedichten voor veel mensen toegankelijk zijn, maar ik schrijf vooral vanuit mezelf en daarmee is het natuurlijk wel generatiegebonden en meer toepasselijk voor mijn generatiegenoten. Maar als mensen bepaalde begrippen niet herkennen, kunnen ze die altijd op Google opzoeken natuurlijk.’


    Uit de serie van acht gedichten publiceren we het gedicht ‘breuklijnen’. Wat kan je vertellen over dit gedicht?

    ‘Dit is het laatste gedicht dat ik voor de finalereeks geschreven heb. Het was de afsluiting. Het voelde als een soort uitademen en deed me terugkeren naar de realiteit.
    Voor de deadline was ik obsessief bezig geweest met de wedstrijd. Dat vond ik niet fijn; normaal laat ik een gedicht liggen en neem dan een tijdje afstand. Dat kon nu niet. Dat was heel intens. Door het schrijven van ‘breuklijnen’ hervond ik mijn rust, het gevoel dat ik had paste daarbij en dat had ik nodig. Toen wist ik ook: “nu is het goed”. Ik heb het ingeleverd en kon het loslaten daarna.’

    ‘breuklijnen’

    iemand die je vraagt of de weg nog heel is, geen blauwe plekken heeft

    het glinsteren van een ochtend waarvan je niet weet
    hoe er aan te beginnen, wachten tot het wegsijpelt
    je kunt het vliegen noemen en verrast kijken

    je kunt de scherven oprapen, je fantasie gebruiken

    iemand die je vraagt wat je vandaag hebt aangericht,
    niet willen zeggen: schade.
    de schaamte van niet op zoek gaan naar wat weerkaatst
    in het licht, gewoon het leggen van je wang tegen de aarde

    voelen wat nog koud is en hoe lang dat zo zal blijven

    zien hoe de zon opkomt zoals de zon wel vaker opkomt
    daar gewoon niet tegenop kunnen
    de auto zo vol met haar parfum dat zelfs je adem naar haar ruikt

    uitblazen
    niets vragen
    toch antwoorden verzinnen

     

    Op de website van Write Now! staat dat deze prijs voor zowel winnaars als finalisten vaak de kickstart betekent van een schrijfcarrière. Wat zijn jouw ambities?

    ‘Ik schrijf heel veel. Ik ben altijd wel bezig met een gedicht, dagelijks. Ik kan dat niet zomaar uitzetten. Maar elke dag schrijven, betekent natuurlijk niet elke dag een goed gedicht. Mijn werk aanbieden aan een uitgeverij lijkt me heel fijn, maar voordat ik dat ga doen wil ik me eerst verder ontwikkelen. Wel wil ik mijn gedichten aan literaire tijdschriften gaan aanbieden, in de hoop dat ik daar een podium krijg.’

     

    Kennismaken met het werk van Puck Füsers kan via de website van Write Now! Daar staan onder de titel ‘Wat je niet weg kunt klikken’ haar acht winnende gedichten.
    Overigens staan daar ook de ingezonden teksten van Keet Winter en René Mets, de nummers twee en drie van de wedstrijd.
    Een nadere kennismaking met Puck kan al binnenkort. Op 9 januari aanstaande is ze als prijswinnaar van Write Now! een van de gasten die optreden op Frontaal, een literair evenement dat deze keer online is en live wordt gestreamd.

     

    foto: Salih Kiliç

     

  • Er is niet een waarheid in dit verhaal


    Veertien jaar geleden verscheen van de Duitse schrijfster Julia Franck de bestseller Der Mittagsfrau (De middagvrouw). Het boek werd vertaald in zevenendertig landen en won de Deutscher Buchpreis. In 2011 verscheen Rücken an Rücken (Rug aan rug), over een familie in Oost-Duitsland in de jaren vijftig en zestig, vanuit het perspectief van een broer en zus, kinderen nog. Toen bleef het tien jaar stil, tot onlangs Werelden uit elkaar in vertaling van Els Snick verscheen. De schrijfster die de gedachte over zichzelf te schrijven walgelijk vond, schreef een autobiografische roman over opgroeien in een disfunctionerend gezin in het Duitsland van de jaren zeventig en tachtig.

    Julia Franck (1970) wordt geboren in Oost-Berlijn, op achtjarige leeftijd verhuist ze met haar moeder en drie zussen (waarvan een haar tweelingzus) naar West-Berlijn, waar ze eerst negen maanden in een vluchtelingenkamp worden opgevangen. Haar moeder schrijft vanuit het kamp alle vrijescholen in Duitsland aan voor een plek voor haar drie oudste dochters. Ze worden aangenomen op een Steinerschool in Sleeswijk-Holstein en de moeder krijgt in die omgeving een leegstaande boerderij toegewezen. Ze leven van een uitkering. Moeder, een getroebleerde actrice, ligt veel in bed of verzorgt met ongewone genegenheid de geiten, kippen en varkens die ze bij het huis houden. ‘s Morgens staan de oudste kinderen alleen op, zorgen voor het kleine zusje en lopen vijf kilometer naar school. ’s Avonds koken ze hun eigen avondeten met wat er voorhanden is. Er is veel ruzie in huis, niemand wordt terecht gewezen, huilen is uit den boze.

    In haar twee voorgaande romans De middagvrouw en Rug aan rug onderzoekt Julia Franck respectievelijk de familieverbanden van haar vader en van haar moeder. Het zijn fictieve verhalen gebaseerd op biografische gegevens van haar ouders. In Werelden uit elkaar onderzoekt ze de wereld waarin zij zelf opgroeide. Een autobiografische roman waarin veel sporen uit de twee genoemde romans bij elkaar komen. Er lijken dingen in elkaar te schuiven, een geheel te vormen. Naast een boek over de schrijfster zelf, is het ook een verhaal over de manier waarop we iets opbouwen uit onze herinneringen en hoe we die herinneringen bevragen.

    Julia Franck was in oktober in Nederland voor haar boekpresentatie van Werelden uit elkaar. We ontmoetten elkaar in een bovenzaal op de eerste verdieping van het Goethe Instituut in Amsterdam. 


    Wat heeft u in de tien jaar tussen u laatste boek en Werelden uit elkaar gedaan?

    ‘Het is niet dat ik heb stilgezeten. Toen ik tweeënhalf jaar geleden aan Werelden uit elkaar begon had ik drie romans onder handen die ik vervolgens niet afmaakte. Het waren fictieve romans met compleet verschillende onderwerpen. In een van die romans probeerde ik te schrijven over de natuur zonder er een individu, een mens in voor te laten komen. Dat was moeilijk en ik realiseerde me dat ik geen boeken kan schrijven zonder personen erin. Op dit moment in ieder geval niet. Maar ik weet niet precies wat er gebeurde toen ik begon te schrijven over dit zeer persoonlijke onderwerp, over ‘Auseinander’ (uit elkaar). Ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat ik misschien in staat was te schrijven over de meest intieme, meest persoonlijke ervaringen uit mijn leven. Naar mijn idee was het nodig dat ik ouder werd, om met meer ervaring en meer afstand er tegen bestand te zijn deze ervaringen tot onderdeel van een boek te maken. Ook om deze ervaringen uit het verleden, een ander leven van ‘Behind the Wall’  aan te kunnen. Elk schrijven is een beslissing te schrijven vanuit een bepaald perspectief.’


    Vanuit welk perspectief heeft u dit boek geschreven?

    ‘Het is een boek geworden over hoe we onze herinneringen bevragen. Hoe respecteren we onze herinneringen maar ook dat wat je vergeten bent. Te schrijven over mijn jeugd is tevens een poging aan een mozaïek te bouwen waarin de herinneringen aan de verhalen die ons verteld zijn door familie of vrienden ook worden opgenomen. Te reflecteren op die verhalen, maar ook brieven van vrienden uit die tijd, mijn eigen dagboeken en die van mijn vader waren belangrijk om mijn herinneringen weer te geven. Mijn interesse lag in het schrijven met al die verschillende materialen.’

    Werelden uit elkaar is een mooi gecomponeerd boek geworden over opgroeien in een vrouwenfamilie, vaders en grootvaders ontbreken. Kinderen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn de jaren zeventig en tachtig, de jaren van de seksuele revolutie, leve de vrijheid. Franck schrijft, ‘In mijn herinnering is er geen enkele gebeurtenis waarbij Anna (de moeder, Iv/dG) pedagogisch, streng of boos optrad. Het woord grens had voor haar alleen te maken met de scheiding van de twee Duitse staten.’ Dat haar grootmoeder Inge, een vrouw met een sterk karakter, niet meer leefde, maakte het voor Franck eenvoudiger over haar eigen leven te schrijven, maar ook, benadrukt ze, ‘Ik moest ouder worden, ook om met mijn eigen dagboeken te kunnen omgaan. Ik schreef die dagboeken toen en kan het nu pas lezen.’


    U begon op u twaalfde met dagboekschrijven en werd een nogal obsessief dagboekschrijfster.

    ‘Het was voor mij de enige betrouwbare relatie die ik in mijn jeugd ontwikkelde, mijn dagboek was alles voor me. Als ik schreef, kwam er altijd een volgende zin, en nog een. Dat gaf me zekerheid. Ik dacht er niet aan te schrijven over dingen die zo duidelijk voor me waren. Ook niet dat ik wat ik schreef later zou gebruiken. Ik schreef omdat het een uitweg was uit het leven waarin ik zat. Achteraf is het altijd een streven te schrijven over dingen die diffuus zijn, die niet zo gemakkelijk te begrijpen of te verklaren zijn. Ik wilde ook die beelden die toegedekt waren laten zien, zonder verdere uitleg. Herinneren heeft de intentie iets te verklaren, iets uit te leggen, te interpreteren. Te doen alsof er een regel, een structuur voor is om te vertellen hoe ons leven was. Het is veel interessanter die kleine tussenruimtes te vinden, het onbeschrevene te vinden.’ 


    In hoeverre was het anders om dit boek te schrijven vergeleken met uw vorige boeken?

    ‘Ik was gewend aan de opbouw van een roman, waarin ook biografische details zaten, maar waarin de karakters onder mijn regieaanwijzingen werden gecomponeerd. Met dit boek wist ik vanaf het begin dat ik op vele manieren  over mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven. Er is niet één manier om het verhaal van mijn leven te vertellen, er is niet één waarheid in dit verhaal.’


    U bent in Oost-Duitsland geboren, op achtjarige leeftijd verhuisde u tegen u zin naar West-Berlijn.

    ‘Ik was daar opgegroeid, al onze familie en vrienden waren daar. Een typisch verlangen van een kind is te blijven waar ze is, als het niet al te slecht is. Omdat er geen visionair ideaal is van een ander leven, van een andere wereld aan de andere kant van de muur. Later, in mijn tienerjaren, toen ik wel een visionair beeld begon te ontwikkelen, kreeg ik langzaamaan een idee over een leven buiten mijn moeders huis. Er ontstond in mij het sterke gevoel dat ik niet hoorde in het leven waarin ik zat. Ik was ervan overtuigd dat ik daar weg moest.’


    Als dertienjarige ging u bij vrienden van uw moeder in Berlijn wonen. Hoe was het om uw tweelingzusje te moeten achterlaten?

    ‘Ik voelde me schuldig dat ik alleen aan mezelf dacht. Maar ik wilde me niet verantwoordelijk voor haar voelen. Ze was altijd achter me, liet me nooit met rust. We waren niet gelijkwaardig, ik moest haar beschermen. Daarvoor voelde ik me niet sterk genoeg, het was een rol die ik niet aan kon. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn moeder en mijn jongste zusje. Maar ik kon dat niet meer. Ik ontwikkelde dwanghandelingen, kreeg wratten aan mijn handen en angst voor alles. Ik vroeg me af waar het met mij naartoe moest, ik wilde verdwijnen.’


    Hoe was uw relatie met u moeder?

    ‘Mijn moeder en mijn grootmoeder, waren geen zorgende vrouwen. Om daarop te reflecteren, zoals ik in mijn boek doe, moest ik ook ouder worden. Niet per se vijftig, maar toch… Toen ik drieëntwintig was, ontwikkelde er zich wel een bijzondere relatie met mijn grootmoeder. Ik begon haar vragen te stellen, hoe het was toen ze jong was en de oorlog uitbrak. Hoe het was om uit Duitsland weg te moeten, door haar Joodse moeder naar Italië gestuurd te worden. Daar ontmoette ze een jonge kunstschilder met wie ze niet mocht trouwen vanwege de raciale wetten van de nazi’s. Mijn grootmoeder had nooit nagedacht over haar Joods zijn, ze was een bourgeois, een geassimileerde Joodse vrouw. Pas door de nazipolitiek kwam het besef bij haar dat ze er niet bij hoorde. Om diezelfde reden werd ze niet toegelaten tot de kunstacademie. 

    Enerzijds kon mijn grootmoeder er heel open over spreken, maar er was ook een diep verborgen pijn in haar over het verlies van haar verloofde, over de vraag waarom hij in maart 1945 op die trein is gegaan. Het was bijna het einde van de oorlog en hij kwam door een ongelukkig ongeval om het leven. Dat maakte haar tot een ongehuwde weduwe, maar ze had geen rechten, er bleef haar niets over van hun relatie.’

    Het lijkt of de geschiedenis zich in de vrouwelijke lijn herhaalt. Francks grootmoeder verloor op jonge leeftijd haar geliefde door een ongeluk, haar moeder verloor haar geliefde broer op jonge leeftijd door zelfmoord, en Franck zelf verloor op jonge leeftijd haar geliefde, Stephan. Ze woonden samen toen hij door een vrachtwagen werd overreden. In het boek beschrijft ze het overweldigende gevoel niets meer te hebben, niets waardoor gezegd kan worden, ‘hij was van mij’. 


    Was de ontmoeting met Stephan het begin van geluk dat een tragedie werd?

    ‘Toen ik Stephan ontmoette, was er een geweldig gevoel van geluk. Hij was heel zeker over zijn liefde voor mij, dat was zo nieuw voor mij. In die tijd had ik ook een relatie met een ouder iemand, een filmmaker. Ik voelde geen noodzaak te moeten kiezen. Maar ik voelde ook een grote onzekerheid. Ik vond het moeilijk me over te geven aan zijn liefde, ik had nooit ervaren hoe er van je gehouden kon worden. Ja, het was tragisch dat hij verongelukte. Maar ik moet nu denken aan de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Aan haar essay Trauer ist das Glück, geliebt zu haben, dat onlangs verschenen is. Over de dood van haar vader tijdens de pandemie, en dat rouwen ook betekent dat er is liefgehad. En dat blijft.’


    U beschrijft een voorval dat speelde tijdens uw tienerjaren, u werd bestolen door twee klasgenoten.

    ‘Het voorval zelf was ik vergeten. Tot ik het in mijn dagboek las. Op die manier zijn mijn dagboeken mij ook van dienst geweest. Ik was ontsteld te lezen hoe ik reageerde. Ik paste op een huis van iemand, er was geld aanwezig om eten voor de kat te kopen. Er kwamen twee klasgenoten op bezoek en na hun vertrek was het geld verdwenen. Ik voelde me gekwetst, maar ook schaamde ik me voor hen, dat ze dit gedaan hadden. Ik voelde geen woede dat ze me bedrogen hadden. Ik kon niet boos worden. Toen ik het teruglas was het interessant voor me te zien hoe verlegen, hoe onzeker ik was. Ik verzon zelfs verhalen hoe het geld weggeraakt zou kunnen zijn om hen te ontlasten. Het bewerkstelligde een integriteit tussen het meisje dat ik was en de vrouw die ik nu ben.’

     

    In de proloog van Werelden uit elkaar schrijft Julia Franck: ‘Hoe nieuwsgierig we ook naar elkaar zijn en hoe graag we elkaar ook willen ontmoeten, het is juist het andere en de zienswijze van de ander die ons fascineren, de ander van wie we willen houden of die we ook willen minachten. Het is precies datgene waarin onze individualiteit tot uiting komt. De vreemdelinge ben ik zelf.’ Een fascinerende passage die door het hele boek blijft meeklinken.

     

     

     

    Foto: ©Matthias Bothor


     

     

     

     

     

     

     

    Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 blz. / Uitgeverij Wereldbibliotheek

     

  • Puck Füsers winnaar van Write Now! 2021

    Puck Füsers (19) uit Maastricht is de winnaar van Write Now! 2021. Juryvoorzitter Jordi Lammers, de winnaar van vorig jaar, maakte dit op zondag 12 december bekend. De tweede prijs was voor Keet Winter (21) uit Amsterdam. De Vlaamse René Mets (17) uit Antwerpen won de derde prijs. Een eervolle vermelding was er voor Elianne Elderen.

    Jordi Lammers gaf eerst een compliment aan alle inzenders: ‘Wat ons opviel in de juryvergadering was de ambitie die van het papier spatte. Er werd veel geëxperimenteerd. Met hyperlinks, boodschappenlijstjes, voetnoten, advertenties en smileys. Jullie teksten samen vormen daardoor een mooi beeld van een nieuwe generatie schrijvers, gewend aan de grillen van het internet, bang voor wat komen gaat. Jullie lieten op een scherpe manier zien wat het betekent om in deze tijd jong te zijn.’

    Puck Füsers won met een gedichtenreeks over opgroeien in een digitaal tijdperk. Haar inzending ontroerde de jury omdat het een experimentele tekst is, die het menselijke nooit uit het ogen verliest. De juryvoorzitter: ‘Je toonde ons geen boodschap of een vingertje, maar een echte weergave van het moderne leven.’

     

                                                                    (Foto: Salih Kiliç)

     

    Tweede en derde prijs
    Keet Winter uit Amsterdam won de tweede prijs met haar verhaal Het vermoeden van Collatz. Over haar zei Lammers: ‘Deze finalist vertelde veel tussen de regels door en verwerkte beelden op een toegankelijke, laagdrempelig manier.’

    René Mets had Later is nu ingezonden over het wel en wee van een zorgtehuis en de kracht van muziek. De jury noemde hem ‘een schrijver met veel potentie’.

    Over Write Now!
    Write Now! is een schrijfwedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen (van 15 tot en met 24 jaar) in elk denkbaar literair genre. Voor deze editie stuurden ruim vijfhonderd jongeren teksten in. In november 2021 werden voorrondewinnaars bekend gemaakt. Tien finalisten kregen daarna drie weken de tijd om een nieuwe tekst voor de finale te schrijven. De finalejury bestond uit Jordi Lammers, Bowi van Onna, Els Moors en Joris Brussel. Zij lazen alle finaleteksten anoniem.

     

  • In memoriam Inez van Dullemen (1925-2021)

    Terwijl ik donderdagmiddag mijn handen vol had aan het behang afkrabben en schilderen van een huis, keek ik tijdens de koffie op social media om te weten of de wereld nog was zoals ik hem graag heb. Er verscheen een foto van Inez van Dullemen met haar immer heldere blik, haar naam en daarachter twee jaartallen tussen haakjes. Een schok, bij elk overlijden verandert de wereld een beetje. Ik dacht, terwijl ik verder krabde aan behangresten, ‘Alle mensen zijn sterfelijk’, schrijvers niet uitgezonderd. Waarmee ik mijn geloof dat al wie ik liefheb en bewonder daar niet toe behoren, onderuit haalde. Inez van Dullemen werd als schrijfster bewonderd om haar stille aanwezigheid, haar boeken en verhalen stonden voorop, zelf was ze weinig in beeld. In 1949 debuteerde ze met Ontmoeting met de andere. Ze publiceerde in bijna zeventig jaar zo’n dertig verhalenbundels, reisboeken, toneelstukken en romans. In haar begintijd was ze vooral een romanticus, en haar boeken werden nogal eens te liefelijk bevonden. Zelf zei ze daarover ‘Ik was een bellettriste, een kind van Van Schendel en Couperus.’ Dat veranderde toen ze halverwege de jaren zestig met haar man twee jaar door Amerika reisde.

    Van daaruit schreef ze reisverslagen voor de Volkskrant die later gebundeld werden in Op zoek naar de Olifant en Logeren op de vulkaan. Terug uit Amerika worden haar verhalen persoonlijker, spelen beslissende momenten uit haar eigen leven er een rol in. In ‘De verrader’, opgenomen in de bundel Een kamer op de Himalaya,  is het de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog. Een twaalfjarig meisje ontleent aan de oorlog iets avontuurlijks. Op de tweede dag van de oorlog, wanneer Duitse soldaten door de straten marcheren, gaat ze langs bij een schoolvriendinnetje waar ze nog nooit thuis kwam, er was iets raadselachtigs aan het gezin.

    Haar broer had geopperd dat het landverraders zijn. Ze wil het weten, daarom gaat ze er heen. Maar het zijn vriendelijke mensen, geen verraders. Op het punt van weggaan, het gezin gaat eten, gluurt ze nog even door de kier van de woonkamerdeur en ziet dat de vader zijn hoofd met een zwart doekje bedekt. ‘Het was of er nu toch een vonnis was uitgesproken, hij had zich het hoofd met zwart gedekt. Het verraad maakte plaats voor een ander soort getekend-zijn. “ik wist het niet,” fluisterde ik, “ik wist het niet, ik dacht…” Ik kan niet uitspreken wat ik gedacht had. Wij, joden, had hij gezegd. Een heel volk. En het flitste door me heen: de politie in onze straat, de joodse familie die de gordijnen had gesloten en zich in bed gelegd om niet meer wakker te worden… Het kind dat touwtje had gesprongen. In Polen, zei mijn broer, vermoorden ze alle joden. (…) nu was het hier ook Polen, ikzelf had de voetstappen gehoord door de straten, duizenden, en je wist niet welke gezichten erbij hoorden…’ Die broer was overigens fout in de oorlog, daarover heeft ze later geschreven in Heldendroom.

    Van Dullemen schreef om zelf steeds weer anders, opnieuw naar de dingen te leren kijken. ‘Als je ergens vreemd komt, heb je de neiging om zo botweg te oordelen, vanuit je eigen wereld, je eigen denkpatroon.’ In 1976 brak ze door naar een groter publiek met de novelle, Vroeger is dood, over haar dementerende ouders. De novelle werd bekroond met de Jan Campertprijs. En in 1987 werd het boek verfilmd en won twee gouden kalveren, waarvan een voor Jasperina de Jong in de rol van de dochter. In 1989 ontving ze de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre.

    Haar laatste roman, het autobiografische Een schip vol meloenen, verscheen in 2017. In een interview in de Volkskrant liet ze weten zelf ook verbaasd te zijn, dat ze jaren nadat ze dacht haar laatste boek te hebben geschreven, er toch nog een boek kwam. ‘Wat is er in uw boeken echt gebeurd, is mij vaak gevraagd. Mijn antwoord is eenvoudig: ik weet het zelf niet. Veel van wat ik werkelijk heb beleefd, heeft zich in mijn verbeelding getransformeerd tot fictie, maar is daarom nog niet minder waar.’ 

    Een schrijfster waarvan de geschiedenissen die ze deelde, de verhalen die ze vertelde, met je meegingen. Hier en daar wat aan je leven veranderde, iets toevoegden. In een hoekje van mijn geest is de schrijfster Inez van Dullemen altijd aanwezig geweest. Nu er niets meer van haar te verwachten is, blijft ze daar en in haar boeken voortbestaan.

     

    Bron: Bzzlletin. Jaargang 10 (1981-1982) op DBNL (digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

    © foto: Keke Keukelaar

     

  • Fien Veldman wint Joost Zwagerman Essayprijs 2021

    Uit honderdzesenzeventig inzendingen won Fien Veldman de Joost Zwagerman Essayprijs met haar essay, Not really making it. Op indringende, maar nuchtere wijze beschrijft Fien Veldman (1990) hoe het was om rond de eeuwwisseling op te groeien in een achterstandswijk in Friesland. Volgens de jury, is het een ‘persoonlijk essay’ over een ‘maatschappelijk probleem’ dat ‘ontroerend en diep snijdend’, maar ’tegelijk luchtig’ is. Fien Veldman noemt haar essay ‘een systeemkritiek’, waarin ze haar verontrusting uit dat het voor veel mensen niet mogelijk is van de ene sociale klasse naar de andere te kunnen doorgroeien. ‘Ik leef nu in een wereld waarin ik weet wat de Joost Zwagerman Essayprijs is. Maar heb ik het dan gemaakt?’ Haar essay heeft ze niet voor niets de titel Not really making it meegegeven, want ‘Je neemt zo’n afkomst altijd mee.’ Lees hier het winnende essay: ‘Not really making it’.

    Fien Veldman (1990) is literatuurwetenschapper, journalist en schrijft fictie. Ze is oprichter van ‘De Bonte Avond’, een internetpodium voor schrijvers en makers, en werkt aan een roman.

    Voor de Joost Zwagerman Essayprijs 2021 waren zes essayisten genomineerd. Dit zijn de overige vijf:
    Marinus Gisolf, De grens waarvan
    Jerôme Gommers, Natte dromen
    Barry Hofstede, Planeet Oorlog
    Maria Kager, Melk
    Janna Reinsma, Zweefmoment

    De jury bestond uit: Barber van de Pol, Manon Uphoff, Merlijn Olnon en Aleid Truijens (voorzitter)

    De Joost Zwagerman Essayprijs wordt jaarlijks uitgereikt tijdens de Joost Zwagerman Lezing en is een initiatief van de Van Bijleveltstichting en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, bedoeld voor beginnende essayisten.

     

    Foto: Jan Jong
    Bron: Volkskrant

  • Ik wil mensen meeslepen, maar ga niet op mijn hurken zitten


    Sandra Langereis won onlangs de Libris Geschiedenis Prijs voor haar lijvige boek,
    Erasmus. Dwarsdenker. Het was de tweede keer dat ze met een biografie voor deze prijs was genomineerd. In 2014 miste ze hem voor De woordenaar, maar riep De Volkskrant de biografie van drukker Christoffel Plantijn uit tot de beste biografie, en Trouw tot het beste geschiedenisboek van dat jaar. Momenteel bereidt ze zich voor op een biografie van Eise Eisinga (1744-1828), bekend van zijn Planetarium in Franeker.
    Langereis studeerde geschiedenis aan de UvA en promoveerde daar in 2001 cum laude. Ze doceerde vroegmoderne geschiedenis aan die universiteit en aan de Leidse universiteit, tot ze als fulltime onderzoeker met Erasmus’ biografie aan de slag ging.
    Hoe kwam ze tot de keuze voor de gebiografeerden? En wat maakt dat haar boeken zo geprezen worden? We ontmoeten elkaar voor een gesprek in Theater Lux in Nijmegen. 


    U schrijft zo beeldend dat ik onderweg naar dit filmtheater bedacht dat Erasmus op basis van uw biografie zo zou kunnen worden verfilmd.

    ‘Ik kan me voorstellen dat u dat denkt. Bij het schrijven heb ik voor mezelf een soort scenario’s getekend. Ik maakte bijvoorbeeld een plattegrond van het klooster waarin Erasmus opgroeide: waar lag de tuin, waar de brouwerij, hoe was de indeling? En vervolgens hoe moet hij zich daarin bewogen hebben. Zo heb ik voor zijn reizen uitgezocht hoe het Europese wegennet er in Erasmus’ tijd uitzag. Welke afstanden legde je per dag te paard af. Deed je dat stapvoets of in draf? Paarden werden vaak gehuurd, zoals je nu een auto huurt. Als je de rekening van de herberg moest betalen stond daar naast de kosten voor je bed en je maal ook de portie hooi voor het paard op. Als dat filmische beelden oproept ben ik daar blij mee. Maar ik heb dat niet voor het effect gedaan. Ik wilde duidelijk maken dat Erasmus’ intrede in het klooster betekende dat hij als adolescent een autarkische wereld binnentrad, een in zichzelf gekeerde wereld die niets te maken wilde hebben met het leven buiten de kloostermuren. En dat het enorm inspannende, tijdrovende en kostbare ondernemingen waren, al die tochten te paard van de volwassen auteur Erasmus naar Venetië, naar Bazel, noem maar op.’


    De meest tot de verbeelding sprekende boeken van u zijn De Woordenaar en Erasmus. Dwarsdenker. Maar uw eerste publicatie betrof een minder avontuurlijk figuur, de Nijmegenaar Johannes Smetius. Hoe kwam u bij hem terecht?

    ‘Voor mij was de ontmoeting met Smetius wel degelijk een avontuur. Hij leefde in de 16de en 17de eeuw, de tijd waarin de vroegmoderne geschiedschrijving die aan bronnenvermelding doet is uitgevonden. Ik kwam met hem in aanraking toen ik een onderwerp zocht voor mijn doctoraalscriptie. Ik bestuurde daarvoor oude drukken aan de UvA en ik zag dat Smetius literaire geschiedschrijving combineerde met archeologische bronnen. Hij controleerde het verhaal over de opstand van de oude Bataven in de teksten van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus aan de hand van archeologische vondsten, een beetje zoals Erasmus de overgeleverde Bijbeltekst controleerde aan de hand van eeuwenoude bijbelmanuscripten. Ik wilde op zo’n empiricus afstuderen.

    Ik heb toen veel tijd doorgebracht in het Gemeentearchief van Nijmegen, waar brieven van Smetius liggen. Daar bleken ze zelfs het manuscript nog te hebben van diens Nijmegen, stad der Bataven. Dat was heel uitzonderlijk, want in die tijd werden die na het drukken meestal weggegooid. Aan dat manuscript kon ik zien hoe het schrijven van Nijmegen, stad der Bataven evolueerde. Smetius plakte bijvoorbeeld notities over nieuwe archeologische vondsten in dat manuscript en stelde dan zijn tekst bij. Ik ben geïnteresseerd in de genese, de ontstaansgeschiedenis van teksten, in de ontwikkeling van het denken van auteurs, en in het effect van hun teksten op de maatschappij. Literatuur- en wetenschapsgeschiedenis is voor mij zoveel meer dan het bestuderen van gepubliceerde teksten alleen.’


    Loopt er een lijn van Smetius naar uw latere biografieën? Is er een grondthema dat steeds terugkeert?

    ‘Wat Smetius, Plantijn, Erasmus en mijn volgende onderwerp Eise Eisinga, alle vier gemeen hebben is een ongelooflijke ambitie en bevlogenheid. Het zijn cultuurmakers die zo geloven in de opdracht die ze zich gesteld hebben dat ze hun leven ernaar inrichten en er tal van opofferingen voor over hebben. Hun werk laat heel goed zien wat het belang is van literatuur en wetenschap voor de geschiedenis en de maatschappij. Het geeft mij troost om te zien wat cultuurmakers daar voor over kunnen hebben.’


    Hoe kon u vaststellen dat maatschappelijke veranderingen een effect waren van wat Erasmus deed?

    ‘Dat weet ik omdat ik veel kon vinden over de receptie van zijn teksten. Wat het effect van Erasmus’ geschriften was, valt bijvoorbeeld op te maken uit de vele brieven die hij kreeg. Daarin stond natuurlijk kritiek wanneer de afzenders orthodoxe theologen waren. Maar ik ga in mijn boek ook in op de brieven die hij kreeg van fans, gewone gelovigen, mannen en vrouwen. Ik heb uitgezocht wat voor vrouwen dat waren: abdis Clara Pirckheimer bijvoorbeeld, die dagelijks in Erasmus las. Of Margarethe Peutinger, de erudiete echtgenote van een Augsburgse stadssecretaris en moeder van volwassen kinderen, die thuis in haar eigen Bijbel aantekenende hoe een bijbeltekst volgens Erasmus gelezen en gecontroleerd moest worden. Erasmus liet die lezers zien dat de Bijbel mensenwerk was en dat de evangelisten en apostelen bijvoorbeeld retorische technieken gebruikten om hun boodschap over te brengen.’ 


    Om weer even naar onze tijd te springen zou Erasmus antivaxxers die zich op de Bijbel baseren op andere gedachten hebben kunnen brengen?

    ‘Jazeker. Veel van zijn lezers volgden hem in zijn boodschap dat je wel degelijk spiritueel bezig was als je de Bijbel kritisch las. Daarmee bedreef je geen ketterij, integendeel.’


    Waarom wilt u nu in het leven en werk van Eise Eisinga duiken? Het is een andere eeuw (de 18de en 19de) en met de natuurwetenschappen een heel ander wetenschapsveld dan dat waarin u zich tot nu toe bewoog.

    ‘Eisinga’s tijd is niet helemaal onbekend terrein voor me, want in Breken met het verleden (uit 2010, onder andere over de sloop van de Valkhofburcht in Nijmegen in 1795 tijdens de stichting van de Bataafse Republiek, A.A.) schreef ik ook al over die tijd. De Renaissance en de Verlichting vind ik erg boeiend. Het zijn mijn favoriete tijdvakken. Ik zoek na de eeuwen van Plantijn en Erasmus die uitdaging van een nieuwe periode en een nieuw wetenschapsgebied ook wel op, omdat ik niet in herhaling wil vallen. Toen Eisinga in Franeker zijn Planetarium bouwde deed hij dat als reactie op een manifest van een dominee. Die had in 1774 in de bijzondere conjunctie van planeten een aanleiding gezien om de ‘ontsloping van het heelal’ en het in de Bijbel voorspelde ‘einde der tijden’ aan te kondigen. Daartegenover wilde Eisinga met zijn geweldige kennis van astronomie zichtbaar maken dat God, de  ‘Grote Klokkenmaker’, juist harmonie in het heelal had verzekerd. Eisinga stelt mij in de gelegenheid om me te buigen over de spanning tussen natuurwetenschappen en geloof. Dat maakt hem interessant: dat hij in 1774 een educatief Planetarium bouwde dat in feite al een blauwdruk presenteerde van wat orthodoxe scholen nu intelligent design noemen.’


    Bij de uitreiking van de Libris Geschiedenisprijs tijdens
     het geschiedenisprogramma OVT, werd gezegd dat Erasmus een ‘vergeten schrijver’ is. U zei zelf dat we hem in Nederland niet goed kennen. Toch hoorde ik één van uw kinderen bij de uitreiking zeggen dat hij wel les had gehad over Erasmus. Hoe erg is het met die onbekendheid?

    ‘Het hangt er vanaf op welke school je zit. Volgens mij is Erasmus op de meeste middelbare scholen een onbegrepen figuur. Welke leerling, of leraar, kan goed uitleggen waar de historische Erasmus nu eigenlijk precies voor staat? Hij heeft iets met tolerantie te maken, verder komen veel mensen in Nederland niet. Hij schreef de Lof der zotheid, dat is bij aardig wat mensen wel bekend, maar dat hij ook met de Bijbel bezig is geweest en vooral om die reden in zijn eigen tijd geliefd was en tegelijkertijd gehaat werd door zowel katholieke inquisiteurs als protestantse leiders als Maarten Luther, is vandaag de dag vergeten. Mijn zoon David, die u dat hoorde zeggen, zat drie jaar op een gymnasium en daar heeft hij inderdaad een leraar gehad die over Erasmus als humanist en vertegenwoordiger van de Renaissance vertelde, maar dat is niet op alle scholen zo. Het is grappig dat David, toen ik zelf nog nauwelijks aan mijn biografie was begonnen, mij vertelde dat de opgestoken middelvinger van Erasmus komt. Dat leek me toen erg onwaarschijnlijk, maar toen ik de Adagia, de spreekwoordenverzameling van Erasmus, ging lezen kwam ik het daar tegen. Davids leraar had het denk ik gevonden in de vertaling door Jeanine De Landtsheer.

    Op de Nederlandse basisschool wordt geschiedenis, als er een gediplomeerde leraar voor de klas staat met in achtneming van wat er allemaal in het onderwijs is wegbezuinigd, gegeven op basis van de Canon van Nederland. Ik noem dat een ‘verkleuterd’ uitgangspunt. Hoe droevig het is gesteld met Erasmus op school zag ik eens in het tv-programma, De Beste Vrienden Quiz, een kennisquiz voor achtste-groepers. Er werd gevraagd naar de naam van een ‘wereldberoemde schrijver’ uit Nederland. Er kwamen steeds meer hints, zoals ‘hij is de schrijver van De lof der zotheid’ en ‘er is een beroemde Rotterdamse brug naar hem genoemd’. Het antwoord dat toen geroepen werd was Rembrandt.  Erasmus zit niet, of niet goed in de verhalen van leraren. En ik moet zeggen dat het met de Wikipedia- pagina over hem, het voor docenten niet aantrekkelijk is om hun leerlingen daarover een opstel te laten schrijven. Ik hoop dat geschiedenisleraren mijn biografie van Erasmus gaan lezen. Dat is een biografie en een geschiedenisboek inéén, waarin je niet alleen Erasmus, maar ook de eeuw waarin hij leefde op een compleet nieuwe manier leert kennen.’


    We hadden het al over het filmische karakter van uw biografie over Erasmus. Vindt u zich naast historicus en wetenschapper ook schrijver? 

    ‘Poeh. Even denken. Ik blijf wetenschapper, al probeer ik zo boeiend mogelijk te vertellen. Ik wil lezers wel meevoeren en ik gebruik verteltechnieken om dat te bereiken. Maar nogmaals, ik ben niet uit op effectbejag en ik ben wars van gaten dichten door fictie. Ik schrijf geen publieksboek en ik ga niet op mijn hurken zitten voor de lezer. Ik doe geen concessies op inhoud. Ik wil mijn lezers zoveel informatie geven dat ze met mij kunnen meedenken en zelf doordenken. Daarvoor moet ik ze wel eerst beetpakken.

    Ik heb naar aanleiding van mijn boek over Erasmus vaak nagedacht over mijn eigen schrijverschap. Ik kom uit een arbeidersgezin waar boeken zeldzaam waren, ik vroeg altijd een boek voor mijn verjaardag en was verder aangewezen op de bibliotheek. Ik was op de lagere school al gefascineerd door taal, schreef stukjes voor de schoolkrant en maakte boeken, ook stripboeken. Ik hield van strips. In mijn studentenjaren volgde ik ook colleges bij Historische Letterkunde en kreeg ik te maken met studenten uit hoogopgeleide gezinnen, mensen met universiteitsdocenten als ouders, die vertelden dat ze als kind thuis geen strips mochten lezen. Ik heb als kind van die strips kunnen opsteken hoe je een pakkend verhaal opbouwt. Elk plaatje moet iets beeldends en iets taligs hebben en aan het eind van de pagina moet een cliffhanger zitten. Oorspronkelijk verschenen strips als feuilleton in kranten en tijdschriften en kwam de volgende pagina pas een week later. Daar keek je naar uit.

    Ik probeer zo te schrijven dat de lezer dóór wil. Ik wil niet dat de lezer alleen het hoofdstuk over De lof der zotheid opzoekt en doorneemt en dan het boek dichtslaat: nee, ik wil de lezer 700 pagina’s lang vasthouden, zodat hij of zij uiteindelijk over álle werken die Erasmus schreef mijn verhaal heeft gelezen. Ik wil bereiken dat de lezer ook mijn uitgebreide verhaal over Erasmus’ nogal abstracte Bijbeluitgaven, of over Erasmus’ volstrekt onbekende bijbelse Parafrasen wil lezen. Ik moest aan die strips uit mijn jeugd denken toen ik tijdens het schrijven van Erasmus’ biografie mijzelf verraste door ergens een uitroepteken en een vraagteken na elkaar te zetten als uitdrukking van gespeelde verbazing, in de geest van Erasmus. Dat is in wetenschappelijke literatuur not done. Maar in dit boek over Erasmus durfde ik dat wel, zo’n experimentje met alledaagse humoristische interpunctie geeft de speelsheid van Erasmus’ eigen ongekunstelde literatuuropvatting heel goed weer. Ik gebruik in dit boek over hem ook literaire technieken die in wetenschappelijke literatuur ongebruikelijk zijn. Ik durf gerust een grap in te lassen of onverwachte vertelperspectieven te gebruiken. Dat deed Erasmus zelf namelijk ook.’


    Dat viel me inderdaad op. Ik raakte in de proloog in de war omdat u hem in de eerste zin meteen sprekend opvoert op een moment dat hij al dood was. Het bleek te gaan om een houten beeld van hem dat u een stem geeft.

    ‘Die verwarring wil ik ook. Hebt u gezien dat ik voorin een motto heb staan uit The Marx Sisters van Willem de Wolf? Dat is een acteur en tekstschrijver die ik erg bewonder. Ik ga graag en vaak naar theater waarin de spelers hun eigen teksten spelen, bijvoorbeeld De Koe, het gezelschap van Willem de Wolf. In The Marx Sisters is hij de acteur die een rol speelt en tegelijk de schrijver die op het toneel plotseling uit die rol stapt en schrijver Willem de Wolf is. Een heel subtiele, heel intellectuele, en ook heel geestige techniek die hem in staat stelt commentaar te leveren op zijn eigen stuk: best moeilijk te volgen voor een doorsnee theaterbezoeker, daar moet je een geoefend kijker van dit soort toneel voor zijn. In mijn Proloog probeer ik iets vergelijkbaars uit.

    Erasmus speelde zelf ook met rollen. Hij voerde zichzelf in een tekst als Tegen de barbaren bijvoorbeeld op als Erasmus, om zich vervolgens door één van zijn fictieve personages ter verantwoording te laten roepen. Ik laat in mijn Proloog een houten beeld van Erasmus tegen de biograaf zeggen: “Terug nu naar het echte verhaal! Voor zover dat kan dan. Er loopt zoveel door elkaar heen. Wat wordt het nou: geschiedschrijving of niet? (…) Hoeveel lagen wil je een verhaal geven, Langereis! Blijf eens simpelweg bij de feiten, mijn feiten. End fiction. Try fact! Laat mij anders liever zelf het woord doen”.  Het is een speelse en geestige maar ondertussen wel degelijk literair geïnformeerde manier om de lezer alert te maken op het feit dat dit geen rechttoe rechtaan biografie is van Erasmus, en dat deze biograaf van de lezer verwacht dat die mee puzzelt en meedenkt. Erasmus probeerde zijn lezers ook te leren hoe tekst werkt, hoe een schrijver zijn publiek stuurt.’


    In uw nawoord bij De woordenaar schrijft u dat het een feest was om uitgerekend dat boek te schrijven met twee kinderen die leerden lezen.  Wat bedoelt u daarmee?

    ‘Mijn boeken over Plantijn en Erasmus gaan voor een groot deel over leescultuur. Ik stelde in De woordenaar al vast dat de alfabetisering in de Lage Landen behoorlijk hoog was dat was in de tijd van de Renaissance eigenlijk alleen in Noord- en Midden-Italië en in de Lage Landen het geval. Ik was aan het denken over alfabetisering juist toen mijn kinderen leerden lezen. Ik kon dat van zeer dichtbij meemaken omdat ik bij hen op school leesmoeder was en hele klassen hielp bij de elementaire leeslessen door bijvoorbeeld met de kinderen te ‘flitsen’. Ik vond het fascinerend te zien hoe lees- en schrijfontwikkeling gaat. Die berust deels op talent en deels op scholing. De verschillen in individueel leertempo en leerniveau blijken in de eerste klassen meteen enorm. Toch leren uiteindelijk alle kinderen lezen en schrijven, ook kinderen met minder talent. Maar die enorme tempoverschillen in de eerste jaren maken dat sommige kinderen hun aandacht al heel snel kunnen verleggen van, bijvoorbeeld, het technisch uit elkaar houden van spiegelbeeldige letters als b en d naar inhoudelijker aspecten van het lezen en schrijven. Dat vergrootte mijn inzicht in de moeilijke vraag in hoeverre talent en scholing belangrijk waren voor de prilste ontwikkeling van een schrijver als Erasmus.’


    Van de vijftien winnaars van de Libris Literatuur Prijs hebben er drie geen eigen lemma in Wikipedia. Daar bent u er één van.

    ‘Die andere twee zijn zeker ook vrouwen.’


    Dat zijn Bart van de Boom en Roelof van Gelder. Waarom dacht u dat het vrouwen zouden zijn?

    ‘Omdat vrouwelijke cultuurmakers behoorlijk onzichtbaar zijn. Ik had het er een keer over met Neel Korteweg, de kunstenares van wie het Erasmusportret op het omslag van mijn boek is. Zij heeft dezelfde ervaring in de kunst als ik in de wetenschap.’


    Heeft u dan niet de behoefte de biografie van een vrouw te schrijven?

    ‘Ik ben niet in die zin een feminist (ze lacht). Mijn bijdrage aan het feminisme is dat ik bewijs dat een radicale historicus net zo goed een vrouw kan zijn. Ik beweeg me op terreinen die vaak het domein van mannen zijn. Er valt daarin voor vrouwen nog het nodige te winnen, er is nogal eens sprake van scepsis. Misschien wel afgunst zelfs. Mijn missie is eenvoudigweg dat ik me niet laat ontmoedigen en zeker niet laat intimideren.’

     

    Foto © Geert Snoeijer


     

     

     

     

     

     

    Erasmus. Dwarsdenker / Sandra Langereis / De Bezige Bij (2021)