Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel
Beste Sergei,
Wij kennen elkaar niet. Toch heb ik een paar jaar geleden, op 21 oktober 2015 om 11.15 uur, aan je graf gestaan. Het was bedolven onder de bloemen, kleurige linten, versierde hartjes en dat alles in de kleuren van de Oekraïense vlag. Het stond in fel contrast met het mistroostige weer. Een loodzwaar wolkendek dreigde elk ogenblik tot ontlading te komen en over te gaan in een dichte motregen. Ik weet trouwens helemaal niet hoe je heet. Ik noem je voor het gemak maar Sergei. In het Nederlands zou ik je Jan kunnen noemen, Jan Soldaat. Ik heb besloten je een brief te schrijven.
In 2015 was ik met twee vrienden een weekje in Lviv. Ons was verteld dat het een mooie stad moest zijn. Wij zijn Nederlandse historici en hebben belangstelling voor de geschiedenis van Oekraïne, een grensland tussen oost en west. Lviv wordt wel ‘de ultieme stad voor historici’ genoemd. Dat is af te lezen aan de nog steeds gangbare Duitse, Poolse en Oekraïense namen voor de stad: Lemberg – Lwów – Lviv. Van 1918 tot 1939 behoorde de stad tot de republiek Polen (Lwów), van 1939-1941 tot de Sovjet-Unie (Lviv) en van 1941-1944 tot nazi-Duitsland (Lemberg). Van 1944 tot 1991 behoorde ze weer tot de Sovjet-Unie (Lviv) en vanaf 1991, na het uiteenvallen van de USSR, tot het onafhankelijke Oekraïne, een betrekkelijk jong land. De stad heeft nooit lang tot één land behoord. Vaak zijn begraafplaatsen een fascinerende spiegel van dat verleden. En dat is zeker het geval op de begraafplaats Lychakiv, waar jij je laatste rustplaats hebt gevonden. Veel Poolse graven herinneren aan de Poolse hegemonie in het verleden. Het feit dat er tegelijkertijd een veredelde beeldenstorm heeft plaatsgevonden op de ogen van de afgebeelde Poolse overledenen, impliceert dat naderhand niet iedereen meer gediend was van die Poolse invloed.
Als inwoner van Lviv en Oekraïne moet je heel anders in het leven staan dan wij, inwoners van Amsterdam, Alkmaar en Leiden. Deze steden liggen al sinds mensenheugenis in Nederland, een onbetwist soeverein land. Wij voelen ons dan ook allemaal Nederlander en een beetje Amsterdammer, Alkmaarder of Leidenaar. Wij voelen ons totaal niet bedreigd. Wie wil nu Nederland aanvallen, laat staan Amsterdam, Alkmaar of Leiden? Een krankzinnige gedachte! Veel mensen in Nederland hebben niet veel op met militairen. Ik ook niet. Een generaal die in uniform met pet op in een talkshow verschijnt, opgedirkt met kruisen van verdienste, wekt bij velen de lachlust op. Een potsierlijk gezicht. Je zou eens moeten weten hoeveel moeite het ons heeft gekost om een jaarlijkse veteranendag in te voeren. Veel mensen vonden dat een belachelijk idee. Ik kan mij zo voorstellen dat dat bij jullie heel anders ligt. Misschien voelde jij je aanvankelijk vooral Lvivenaar en daarna pas Oekraïner en is het gevoel van Oekraïner te zijn pas later versterkt door de inval van de Russen in de Donbas. Jullie vrijheid moet voortdurend verdedigd en bevochten worden. Jullie kijken natuurlijk met veel meer respect naar militairen dan wij. Jij hebt je als vrijwilliger gemeld om voor je land te vechten in de Donbas. Staande aan je groeve word ik bestormd door al deze overpeinzingen. Uit de bloemenzee op je graf blijkt dat jij voor de mensen in Lviv een held bent. Ik begrijp dat wel en respecteer dat ook. Door jouw ogen ziet de wereld er totaal anders uit dan door mijn ogen. In jouw ogen is de wereld veel bedreigender en vol gevaren waartegen je je teweer moet stellen.
De herinnering aan de onderdrukking van de Sovjettijd is nog springlevend. Je hoeft maar in de ogen van je grootmoeder te kijken en je leest de angst voor de herinneringen aan de ‘holodomor’ uit de jaren dertig en de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, toen jullie eerst de Russen, daarna de Duitsers en ten slotte wederom de Russen over de vloer kregen. Trouwens, in Nederland weet bijna niemand wat er bedoeld wordt met de ‘holodomor’, namelijk dat er toen naar schatting 4 miljoen mensen opzettelijk de hongerdood zijn gestorven in Oekraïne op bevel van Stalin. Ik heb wel eens geprobeerd daarover te praten met een oudere Oekraïense vrouw. Dat was lastig. Jullie praten daar niet graag over, omdat het nog zo vers en dichtbij is. Bovendien weten jullie nooit zeker of die tijd nooit meer terug komt, tenslotte blijkt Rusland dichtbij. Ik lees er veel over en praat er wel graag over, omdat het mij interesseert maar nooit persoonlijk geraakt heeft. Het is ver van mijn bed. Vrijheid is voor jou iets kostbaars en bijzonders. Voor mij is het vanzelfsprekend en doodgewoon. Jij herinnert mij daar weer eens aan en daar wil ik je voor bedanken.
Rust zacht, Sergei. Ik leg ook een bloemetje op je graf.
Fotograaf: naam onbekend
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.
Utrecht krijgt er een maandelijks boekenprogramma bij. In Bazarow.Live worden schrijvers ontvangen, deskundigen uitgenodigd, kwesties aangekaart die spelen in het boekenvak en elke editie worden er boekentips gegeven.
De eerste aflevering vindt plaats op 11 mei in de Theaterzaal van Bibliotheek Neude. Tijdens deze eerste aflevering gaat Roeland Dobbelaer in gesprek met filosoof Erno Eskens over de stand van de filosofie in Nederland en gaat Liliane Waanders in gesprek met schrijver en biograaf Aleid Truijens over de totstandkoming van haar biografie van Hella S. Haasse.
Over Erno Eskens: Volgens hem is er geen enkele reden om met een zeker dedain over Nederlandse filosofen te praten. Zeker niet nadat buitenlandse historici een lans voor de Nederlandse filosofie braken. In zijn nieuwe boek Denkers en dwalers: een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen passeren filosofen, autodidacten en literaire denkers uit Nederland, de voormalige koloniën, Vlaanderen en Wallonië de revue. Daarbij schuwt hij ‘de doodlopende paden van de sullige soofjes’ niet.
Over Aleid Truijens: Zij werkte zeveneneenhalf jaar aan de biografie, Leven in de verbeelding: Hella S. Haasse 1918-2011. Vanzelfsprekend ontdekte zij tijdens haar onderzoek het één en ander over Hella Haasse dat nog niet bekend was. Maar hoe checkt een biograaf die feiten? Hoe afhankelijk is zij van wat bewaard gebleven is? Hoe diep graaft zij? In de eerste aflevering van Bazarow.LIVEstaat niet de ‘biografeling’ maar de biograaf centraal.
Bazarow.LIVE wordt in samenwerking met Bibliotheek Utrecht gemaakt door Roeland Dobbelaer, hoofdredacteur De Leesclub van Alles en boekenverkoopsite Bazarow.com, en Liliane Waanders – (literair) journalist en programmamaker.
Met De wedergekeerden van Georges Perec (1936-1982) leverde Guido van de Wiel op de palindroomdatum 22.02.2022 zijn tweede vertaling af van deze auteur. Zijn eerste was ’t Manco in 2009. De romans zijn lipogrammen, teksten waarin bepaalde letters niet voorkomen: inLa Disparition uit 1969 gebruikte Perec de letter E niet en in Les Revenentes uit 1972 is de E juist de enige klinker die gebruikt wordt. De omzetting naar het Nederlands kostte Van de Wiel in beide gevallen jaren werk. Bij een kop koffie in een café in Driebergen vertelt hij er vol enthousiasme over.
We hebben vóór onze afspraak al aardig wat mails gewisseld omdat we beiden groot liefhebber zijn van de belangrijkste vertegenwoordiger van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), de Franse schrijversgroep die zich bij het schrijven vooraf beperkende regels of dwingende afspraken (contraintes) oplegt in de overtuiging dat je daarmee nieuwe creativiteit aanspreekt. OuLiPo is nog springlevend en staat weer volop in de belangstelling door de roman Anomalie (2020) van Hervé Le Tellier, die de huidige voorzitter is van OuLiPo. Die werd in Frankrijk bekroond met de Prix Goncourt en genomineerd voor de Europese Literatuurprijs van 2022.
Vertalen is voor Guido van de Wiel (1972) een bijbaan. Van beroep is hij organisatiepsycholoog. Toch ligt daar voor hem de link naar de literatuur: ‘Van jongs af wilde ik al schrijver worden en voor mijn studie twijfelde ik tussen Nederlands en psychologie. Ik koos voor psychologie omdat die studie me zou helpen personages te ontwerpen met hun drijfveren en motieven. Toen ik daarin afgestudeerd was rolde de bal de kant op van managementtrainingen en organisatieadviezen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de schrijfdrang kreeg vorm in managementboeken die ik nu vooral als ghostwriter voor anderen schrijf’.
Toen kwam het literaire werk op je pad en ben je gaan vertalen. Hoe gebeurde dat?
‘Dat kan ik me nog vrij precies herinneren. Dat was rond 2000. Toen las ik Code van Simon Singh, een prachtig boek over geheimschriften en ontcijferingen in de geschiedenis. In dat boek neemt Singh een pagina uit de Engelse vertaling van La Disparition op. Dit doet hij om te laten zien hoe letterfrequenties werken en hoe die bij sommige teksten vervormd kunnen raken: dat is van belang bij het kraken van sommige geheimschriften. De meest voorkomende letters in het Frans zijn achtereenvolgens E, S, A, R, T, I, N, U, L, O en C.
Perec maakte zelfs een gedichtenbundel waarin hij alleen die elf gebruikte plus steeds een letter die hij als joker kon inzetten.
Ja, dat is het werk La Clôture [afsluiting]. Een ander werk, Ulcérations [verzweringen] bestaat uit gedichten die achtereenvolgens steeds alleen maar uit deze elf meest voorkomende letters uit het Frans bestaan.
De E komt dus het meest voor en Perec koos ervoor juist die letter niet te gebruiken in La Disparition. Ik was vrijwel meteen bezig met de vraag of die tekst ook in het Nederlands om te zetten zou zijn. Dat werd uiteindelijk ’t Manco’.
De aantrekkingskracht van Perec was voor Van de Wiel echter niet louter het spelen met woorden en letters, maar de combinatie van het tragische en het speelse in zijn werk. Dat spelen is het OuLiPo-element en het tragische heeft te maken met het verlies van zijn ouders en van zijn Joodse afkomst. Wat Perec met die woordspelletjes doet staat in dienst van zijn vaak autobiografische verhaal.
De prominentste vertegenwoordigers van OuLiPo zijn naast Perec volgens mij Raymond Queneau, Italo Calvino en recent ook Le Tellier. Allemaal schrijvers die binnen hun contraintes óók serieuze maatschappelijke thema’s aan de orde stellen. Dat die het meest gelezen worden en vertaald zijn zal geen toeval zijn.
‘Jazeker. Wat mij bij Perec in ieder geval opvalt, is dat hij zichzelf tot inzet heeft gemaakt van de literatuur die hij schreef. Dat merk je. Door die inzet van zichzelf overstijgt hij het niveau van een taalspel. Anders zou het een zoekplaatje of een puzzel blijven en dan blijft het een dun geheel. In ’t Manco bijvoorbeeld hebben meerdere verdoemde personages een tatoeage in de vorm van een E (de verboden letter) op hun arm staan. Dat is een duidelijke verwijzing naar het nummer dat je in Auschwitz op je arm getatoeëerd kreeg. Laten we niet vergeten dat Perecs moeder naar datzelfde Auschwitz gedeporteerd werd’.
In de pdf-bestanden die lezers van ’t Manco en De wedergekeerden van internet kunnen downloaden besteed je erg veel aandacht aan de autobiografische betekenis van namen en woorden die Perec in die romans gebruikt.
‘Dat is een beetje het gevaar van het vrijgeven van die pdf’s. Die zijn eigenlijk ontstaan als verantwoordingswerken voor mezelf. Ik heb ze toch beschikbaar gesteld zodat lezers die dat willen kunnen nazoeken hoe ik te werk ben gegaan. Juist omdat het mijn eigen notities zijn staan er nog veel hypotheses in, beginnende gedachten over mogelijke betekenislagen. Soms heb ik die zelf ook weer verworpen of is er geen sluitend bewijs voor. Daarom vind je vaak de vermelding ‘discutabel’. Als ik die bestanden als boek uit zou laten geven zouden waarschijnlijk veel van die discutabele veronderstellingen er uit gaan. Ze zijn te vergelijken met de directors cut, de versie van een film waarin je kunt zien wat de regisseur uiteindelijk heeft weggelaten’.
Van de Wiel voelt zich als vertaler verplicht om zo goed mogelijk te begrijpen wat er staat en waarom het er staat. Als leuk voorbeeld noemt hij het bergdorpje Besse-en-Chandesse dat in De wedergekeerden Besse-en-Chendesse is geworden: ‘Je zou kunnen denken dat het een willekeurige naam is die Perec bruikbaar vond vanwege de vele e’s. Maar hij deed bijna niets willekeurig, dus ga je zoeken. En dan blijkt het een klein plaatsje van nog geen 1.500 inwoners te zijn waar de groep ‘Nicolas Bourbaki’ werd opgericht. Dat was een soort wiskundige tegenhanger van OuLiPo. Het is natuurlijk leuk zo’n duiding met de lezer te kunnen delen’.
Je vertelt in de pdf’s hoe je te werk bent gegaan. Gedurende het vertalen van De wedergekeerden begon je lijsten van Nederlandse woorden aan te leggen die alleen een E als klinker hebben. Hoe werkte je met die lijsten?
‘Het aanleggen van die lijsten zorgde ervoor dat ik de vertaling kon verrijken met al het E-idioom dat het Nederlands kent. Neem een ietwat aangepaste uitdrukking als “Ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” [net als Perec past Van de Wiel soms klinkerelisie toe zoals hier in het voorzetsel “in”]. In de eerste vertalingen van mijn tekst kwam een paar keer de zinsnede “ze verdween” voor. Dan is het verrijkend om op één plaats dit alternatief “ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” te gebruiken. Dat is wat ik het satureren van de tekst ben gaan noemen. De lijsten vormden zo een extra bron: naast de tekst van Perec en de letterlijke vertaling ook het E-Nederlands op zichzelf. Die extra bron kon ik integreren, maar wel alleen als dat bleef passen bij de brontekst zelf’.
In ’t Manco staan ook E-loze ‘vertalingen’ van beroemde gedichten. Daarmee had je zelfs nóg een bron, namelijk de oorspronkelijke versie van die poëzie. Ik kan me voorstellen dat dat tegelijk weer een moeilijkheidsfactor is omdat je ook trouw moet blijven aan de oerversie van zo’n gedicht.
‘Ik heb inderdaad ook de oorspronkelijke gedichten bestudeerd, om te zien op welke plekken Perec daarvan afweek: waren dat thematische keuzes of keuzes ingegeven door de contrainte, bijvoorbeeld? Verder heb ik bij die gedichten – overigens net als de Duitse en de Engelse vertaler – nog een rigoureuzere keuze gemaakt. Ik heb enkele van de Franse gedichten die Perec gebruikt vervangen door Nederlandse gedichten die juist in óns collectieve bewustzijn zitten. Zoals alle Fransen regels kennen van Rimbaud of Baudelaire, zo kennen alle Nederlanders wel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min of Het uur U van Nijhoff of Denkend aan Holland van Marsman. Zo heb ik die dan ook lipogrammatisch geïntegreerd in ’t Manco. Ik vind dat ik daarmee trouw blijf aan Perec die zijn schrijven zag als een spel met de lezer. Ik maak als vertaler dat spel geschikt voor het Nederlandse publiek. Bovendien gaan die Nederlandse gedichten over vormen van gemis en dat past weer binnen de thematiek ’t Manco’.
Ik las dat je mogelijke volgende projecten een vertaling van Cent mille milliards de poèmes van Queneau en Alphabetical Africa van Walter Abish betreffen. Dat lijken me teksten waarin het meer gaat om de contrainte dan om de inhoud. Wat zijn het voor teksten?
‘Ik ben over mijn vertaling van de gedichten van Queneau nog lang niet tevreden. Het oorspronkelijke werk is een bundel van tien sonnetten waarvan je in plaats van een pagina elke regel afzonderlijk kunt omslaan zodat weer een nieuw gedicht ontstaat waarin één regel is veranderd en de andere dertien regels gelijk zijn gebleven.
Met Alphabetical Africa ben ik een stuk verder. Ook daar vormt de contrainte de motor van een bizar verhaal, waar gek genoeg ook plaats is voor een juwelenroof, net als in De wedergekeerden. Abish schreef een tekst waarvan alle woorden in het eerste hoofdstuk beginnen met de letter A, in het tweede met een A of B, in het derde met A, B of C enzovoort. Op de helft van het boek heb je even alle letters van het alfabet tot je beschikking; daarna ga je in omgekeerde richting zodat het laatste hoofdstuk weer alleen woorden kent die met een A beginnen. Door deze vormbeperking begint het verhaal achtereenvolgens in Angola en Burundi. Halverwege het boek komen Zambia en Zanzibar pas aan bod’.
Die vertaling kent weer zijn eigen uitdagingen?
‘Zeker, want als Abish het in het derde hoofdstuk over “Chad” heeft, de Engelse benaming voor Tsjaad, dan kan ik dat land, vanwege de veranderende beginletter, nog niet noemen. Daar moet ik dan bijvoorbeeld grijpen naar “Centraal-Afrika”.
Ik heb nu de eerste acht en de laatste vijf hoofdstukken van Abish af omdat die me het moeilijkste leken vanwege de beperkte woordenschat met de voorgeschreven beginletters. Hoe verder ik in het midden zit, hoe groter het vocabulaire is waaruit ik kan putten. Toch is het niet helemaal zo dat ik het vertalen van dat middenstuk als gemakkelijker ervaar. Als de teksten meer mogelijkheden krijgen gaan mijn verdiensten als gewoon vertaler een rol spelen. Ik ben bedreven geworden in het vinden van oplossingen voor allerlei gemankeerde teksten; ik voel me juist senang als er zeer beperkte mogelijkheden zijn. Als ik ineens alle taal ter beschikking heb put ik uit een reservoir waaruit alle vertalers, ook degenen die daar veel beter in zijn dan ik, putten. Voor mij is dat daarom een moeilijkere uitdaging. Ik ben daarom geneigd voor het vertalen van dergelijke teksten de samenwerking te zoeken’.
Van de Wiel komt met een primeur. Hij heeft inmiddels de vertaling van de twee korte monovocalistische teksten van Perec ook af: What a Man! waarin de enige klinker de A is, en Morton’s Ob, met alleen de O. Beide stukken schreef Perec in het Engels. Ze zijn te kort voor een afzonderlijke boekuitgave, dus gaat de vertaler nog met de uitgever in conclaaf over andere publicatiemogelijkheden. Het zou een onderdeel kunnen worden van een verzameld werk of anders moet je misschien denken aan een bibliofiele uitgave.
Van de Wiel wil graag nog iets kwijt over het bijzondere van het werken met lipogrammen: ‘Perec doet met de lipogrammen iets extra-ordinairs, iets buitengewoons, terwijl hij juist meester is van het infra-ordinaire: hij wilde zich juist van het alledaagse bewust zijn waar we normaal aan voorbij lopen. Het kostte even voordat ik doorhad, dat hij juist met het extraordinaire van een lipogram ook het infra-ordinaire van taal bloot weet te leggen. Doordat je bepaalde letters uitsluit valt er ineens een ander licht op alle woorden die je wel gebruikt. Als ik zeg: “Het speelde hem parten”, dan zal niemand lang stilstaan bij die uitdrukking. Maar op het moment dat ik in De wedergekeerden schrijf: “Het speelde hem delen”, dan weet iedereen dat ik een synoniem voor parten gebruik. Tegelijkertijd zet die herschrijving je aan het denken over wat dat “parten” in de oorspronkelijke uitdrukking eigenlijk betekent. Door de lipogrammatische taal ga je nadenken over je gewone taalgebruik; je wordt je bewuster van allerlei betekenislagen. Waarom kun je wel zeggen dat iemand “voor spek en bonen” meedoet, maar niet dat iemand meedoet “voor bonen en spek”?
Voordat hij zich aan La Disparition zette had Perec last van een writer’s bloc. De contraintes die hij zich oplegde voelde hij juist als een bevrijding’.
La Disparition is vertaald in minstens tien talen, maar Les Revenentes pas in drie. Is de reden daarvoor de moeilijkheidsgraad of misschien dat La Disparition inhoudelijk een betekenisvoller verhaal heeft?
‘Ik denk dat je op beide veronderstellingen een antwoord kunt geven. Ik vermoedde zelf dat de vertaling van Les Revenentes een moeilijk leesbaar eindresultaat zou opleveren. In het boek komt een menukaart voor; in het begin leek het me goed genoeg om een geheel andere menukaart samen te stellen, als deze maar Nederlandse e-woorden van gerechten bevatte, zoals lekkerbekjes en zee-egel. Pas later lukt het me om de Franse menukaart ook gewoon letterlijk te vertalen. Ik moest eerst zelf blijkbaar het E-Nederlands beter onder de knie krijgen. Misschien weerhoudt het idee dat je maar één klinker tot je beschikking hebt vertalers in andere landen.
Maar het inhoudelijke verschil is er ook. La Disparition is literair gezien een veel rijker verhaal dan Les Revenentes. Zo bevat ’t Manco complete hervertellingen van werken van Thomas Mann, Herman Melville en Edgar Allan Poe. Toch staan deze beide lipogrammatische romans – naast uiteraard Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing – op de lijst van 1000 novels everyone must read die The Guardian in 2009 publiceerde. Perec heeft Les Revenentes zelf trouwens wel eens afgedaan als een niemendalletje. Dat ben ik absoluut niet met hem eens als je ziet welke niveaus er allemaal in zitten. Het was voor hemzelf misschien een tussendoortje, maar je herkent er duidelijk de hand van de meester in’.
Hoe is het volgens jou gesteld met de bekendheid van Perec voor het brede publiek in Nederland? Vormen zijn lezers niet een betrekkelijk kleine wereld van liefhebbers?
‘Dat vind ik lastig te zeggen. De Arbeiderspers heeft Perec al decennialang echt omarmd en doet veel moeite om zoveel mogelijk van hem in vertaling uit te brengen. Daardoor neemt de bekendheid van zijn werk wel toe, net als het aantal lezers’.
‘Ik denk dat er in groter verband wel iets aan de hand is met zogenaamde klassieke literatuur. Daar zakt misschien de aandacht wat voor weg. Maar ik hoop dat het net zo gaat als je in de muziek wel ziet. De aandacht voor Jimmy Hendrix herleefde weer – grotendeels bij een nieuwe fanschare – toen recensenten Prince met Hendrix gingen vergelijken. Zo zou de aandacht voor OuLiPo best eens kunnen groeien door het grote aantal lezers van Anomalie van Le Tellier. Daardoor zou zo maar een nieuwe groep Perec kunnen gaan (her)ontdekken. Ook mijn vertaling van Les Revenentes kan hier een steentje aan bijdragen. De wedergekeerden is, ondanks zijn experimentele opzet, in korte tijd toch ook al op weg naar een tweede druk. Lipogrammatische teksten blijven tot de verbeelding spreken: ik heb gemerkt dat het boek mensen prikkelt om teksten te schrijven zonder E, met alleen maar de E, of om op andere manieren met contraintes aan de slag te gaan’.
‘Vertalers zijn de boodschappers van de wereldliteratuur. Dankzij vertalers, die in de huid van de schrijver kruipen en het boek in het Nederlands herscheppen, kunnen we boeken lezen uit alle windstreken.’
Zo begint de ‘open brief aan uitgevers’ waarin de initiatiefnemers, de vertalers Annemart Pilon en Martin de Haan, en vervolgens een grote groep vertalers, schrijvers en critici, uitgevend Nederland oproepen om voortaan standaard op het omslag te vermelden wie het boek vertaald heeft.
Bent u het daarmee eens dan kunt u deze brief ook ondertekenen. Klik hier om de hele brief te lezen en hem te ondertekenen.
Ofschoon alle genomineerden op de shortlist over grote kwaliteiten beschikken, zo liet de jury weten, hoefde zij niet lang na te denken toen het aankwam op de beslissende keuze. Tobi Lakmaker (1994) werd met zijn debuutroman De geschiedenis van mijn seksualiteit (Das Mag) de unaniem gekozen winnaar van de eerste Hans Vervoort Prijs.
Over het prijswinnende boek een fragment uit het juryrapport:
‘Aan zelfinzicht, nieuwsgierigheid en humor ontbreekt het Tobi (voorheen; Sofie) Lakmaker niet. Sierlijk, een beetje raadselachtig, zonder opzichtig naar het doel te bewegen: Lakmaker schrijft ongeveer zoals Lucas Andersen (de held van hoofdpersoon Sofie) bij Ajax voetbalde.’ En: ‘Over alles kan ze een grap maken. Maar hoe je moet leven, liefhebben en rouwen, dat alles moet ze zelf op de angst en de onzekerheid veroveren. Die zoektocht heeft een buitengewoon geestige, originele en ook ontroerende roman opgeleverd.’
De jury bestond uit uit Roeland Dobbelaer (De Leesclub van Alles/ Bazarow.com), Bart Leemhuis (De Nieuwe Boekhandel) en voorzitter Arjan Peters (literatuurcriticus).
De tweejaarlijkse Hans Vervoort Prijs voor proza ‘van neerslachtige en toch opbeurende aard’, ingesteld op 5.000 euro en door een donatie dit jaar verhoogd naar 10.000 euro, zal de auteur worden uitgereikt tijdens een feestelijke avond op 22 april in zaal Belcampo (De Hallen) te Amsterdam. Wie de prijsuitreiking wil bijwonen kan zich aanmelden via deze link
Overige genomineerden waren Nicolien Mizee met Hoog en laag springen, Monika Sauwer met Vluchtpogingen, Philip Snijder met Het smartlappenkwartier en Gerwin van der Werf met Strovuur.
Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel.
De documentaire die ik zat te kijken was bijna afgelopen toen er werd aangebeld. Ik zette de TV op de pauzestand. Even later was het alsof het (onbelangrijke) gesprekje aan de deur mijn aandacht had vrijgemaakt voor nieuwe interpretaties: toen ik in de kamer terugkeerde riep het stilstaande beeld ineens een ander bij me op, dat ik ooit had gezien op de expositie Meer licht in De Fundatie in Zwolle. Daar hing de foto van kalme golven bij Zeebrugge, gemaakt door Gert Jan Kocken. Het bijschrift maakte dat je ineens ontregeld werd: ‘On March 6th 1987 the Herald of Free Enterprise capsizes just outside the harbour of Zeebrugge killing 192 people’.
Iets dergelijks gebeurde er toen ik de still zag op mijn scherm waarop ik de documentaire Gulag, a Life under the Sovjet System van Michaël Prazan had bekeken. De filmer volgt daarin de reis van de kleindochter van een man die onder Stalin naar de goelags was verbannen. In het stilstaande beeld zag ik ineens de schoonheid van een sneeuwlandschap zoals dat waar ik wel eens met een kinderlijk plezier door heen had gewandeld na een nacht waarin een dik pak was gevallen. De hoeveelheid sporen erin wekken de suggestie dat anderen iets dergelijks deden op weg naar een oneindige verte. Maar de romantiek van het beeld verdween meteen, net als bij de foto van Kocken, toen ik me realiseerde dat het de still was in een film vol gruwelijkheden die ik had bekeken tot de deurbel ging.
De strafkampen van Stalin zijn in het Westen het meest bekend geworden door De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsyn, dat in de jaren ’70 van de vorige eeuw in het westen verscheen. Goelag was een Russisch acroniem voor een stelsel van straf- en werkkampen in Siberië. In de 19de eeuw stuurden de tsaren er (in hun ogen) criminelen naar toe. Vooral onder Stalin kon je er voor het stelen van een brood al naar toe worden verbannen, maar vooral als je als ‘vijand van het volk’ werd gezien. In toenemende mate werden de kampen ingezet voor de winning van goud, tin, hout en steenkool en werden de ‘ongewenste elementen’ daar afgebeuld. Het grootste gebied met dergelijke werkkampen was de Kolyma, genoemd naar de rivier die er doorheen loopt.
Ik leerde zelf het onderscheid tussen Kolyma en de rest van Siberië pas maken toen ik kennis maakte met Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov. Kolyma was het meest barre deel van Siberië en geen man schetste dat beter dan hij. Solzjenitsyn (die elders in Siberië gezeten had) schreef over Sjalamov ‘dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar het kampbestaan ons naartoe trok’. Sjalamov zat tweeëntwintig jaar vast, vijf jaar in de Oeral en zeventien in Kolyma. Hij werd voor het eerst gearresteerd toen hij 22 was en herkreeg pas definitief zijn vrijheid op zijn 47ste (hij overleed in 1982). Zijn Berichten bestaat uit fictieve verhalen over het leven in Kolyma.
Onder de ballingen in de verschillende kampen bevonden zich veel kunstenaars. Die hadden geen enkele vrijheid om te schrijven, te componeren of te tekenen. Toch zijn er opzienbarende scheppingen ontstaan. In het gruwelijke Kolyma was dat vrijwel niet mogelijk . Heel bijzonder vind ik daarom wat Vsevolod Zaderatsky in Kolyma presteerde. Van hem zijn de 24 Preludes en fuga’s voor piano overgeleverd, die hij had gecomponeerd op stukjes papier die hij vond of telegramvellen die hij af en toe van een bewaker lospeuterde, zonder dat hij een muziekinstrument, laat staan een piano, bij de hand had.
Sjalamov schreef aan het eind van zijn ballingschap al wel gedichten, maar zijn verhalen zette hij pas op papier toen hij weer was vrijgelaten. Uit één daarvan, Grafrede, weten we dat er minimaal één Nederlander in Kolyma zat. In dat verhaal beschrijft Sjalamov een aantal doden. Veel alinea’s beginnen hetzelfde: ‘[Naam] is dood’. Tussen al die namen: ‘Frits David is dood. Hij was een Hollandse communist (…) Hij had mooi krulhaar, blauwe ogen en een kinderlijke mond (…) Frits David was de eerste van ons transport die een pakket ontving. Zijn vrouw had het uit Moskou gestuurd. In het pakket zat een fluwelen kostuum, een nacht hemd en een grote foto van een knappe vrouw (…) Frits David is gek geworden en ze hebben hem ergens heen gebracht. Zijn nachthemd en de foto werden meteen de eerste nacht al gestolen (…) waarom, wat had iemand aan een foto van een onbekende?(…) “Dat is niet zo moeilijk te raden” [zei een pientere gespreksgenoot]. Die foto hebben de criminelen gestolen voor een seance, zoals ze dat zelf noemen. Voor zelfbevrediging, mijn naïeve vriend”…’ (vertaling: Marja Wiebes en Yolanda Bloemen).
Af en toe lees ik nog altijd een paar verhalen in Berichten uit Kolyma. Er komt dan een moment dat ik het boek weer dicht vouw en op Spotify de 24 Preludes en fuga’s beluister. Met gesloten ogen zie ik de sneeuwvlakte.
Fotograaf: Gert Jan Kocken
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.
Als ik iets te vroeg in de zon voor het atelier van schrijver Emily Kocken sta te wachten komt ze al aanlopen. Er volgt een gesprekje in het Engels met de postbode, heel kort omdat we snel aan de slag willen; daarna moet ze weer door om celloles te geven. ‘Leuke man’, zegt ze over de postbode: ‘Ik neem normaal de tijd om naar zijn verhalen te luisteren.’ We gaan de lange gang in van een grote werkplaats met aan weerszijden kleine afgesloten atelierruimtes en een gemeenschappelijk keukentje. Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt onderdak aan tientallen beeldend kunstenaars en schrijvers en enkele architecten. Kocken deelt haar ruimte met collega-kunstenaar Eva Eland. Zelf is ze er op maandag en vrijdag, de collega op de andere werkdagen. De werkruimte is sober ingericht. Ik had verwacht beeldend werk van haar te zien, maar dat is keurig opgeborgen. Kasten, één tafel, een paar stoelen. Dat is het. ‘Ik vind het heerlijk om hier te werken. Ik kan me er goed concentreren’, zal ze later zeggen. Emily Kocken is beeldend kunstenaar, cellist en schrijver. Na acht jaar conservatorium trad ze wel op, maar geeft nu alleen nog celloles. Vanmiddag spreken we uitsluitend over haar literaire werk. Ze zet koffie en pakt de croissants uit die ze heeft meegebracht. Aan de hand van haar biografische gegevens komen we al snel op het schrijfproject waar ze nu mee bezig is, Adoptica: ‘Het wordt een boek over adoptie, een mix van essayistiek en persoonlijke verhalen. Hoe het er precies uit gaat zien weet ik nog niet. Aanvankelijk vormde mijn eigen adoptie en die van mijn man, ook geadopteerd, de aanleiding, maar ik weet niet of ik dat er in ga meenemen. Ik voer nu een keer per maand een gesprek met een andere geadopteerde en ik merk dat dat heel goed werkt voor mijn researchproces’. Emily Kocken werd in 1963 geboren in New York en geadopteerd door Nederlandse ouders die toen nog in Amerika woonden. Haar leven als adoptief kind was niet altijd gelukkig. ‘Die gesprekken hebben in zoverre invloed op mezelf dat ze mijn eigen situatie relativeren’.
Adoptica heeft dus met je eigen leven te maken. Geldt dat ook voor je eerdere boeken? ‘In mijn werk zitten altijd wel autobiografische thema’s. Witte vlag, mijn debuut, heeft voor een deel met mijn leven te maken. En in mijn tweede roman De kuur heeft Yves Altman wel iets van mijn vader; voor de verhoudingen binnen die familie Altman heb ik ook uit mijn eigen leven geput. Maar dat biografische is nooit expliciet’. Al pratend komen we op de aflevering van De Gids uit april 2020 met het thema ‘Pijnlijke woorden’. Daarvoor schreef Kocken het verhaal Je moeder! ‘Ja. Met uitroepteken’, zegt ze lachend. ‘Dat verwees naar een situatie die ik als kind heb meegemaakt op het schoolplein in Brabant waar we woonden. Ik was toen elf. Ik was er fier op dat ik geadopteerd was, maar andere kinderen vielen me erop aan dat ik niet eens echte ouders had. Dat werd een hele scène. Ik denk dat in het schrijven van dat verhaal de kiem ligt van het plan voor Adoptica’.
Je bent pas op late leeftijd begonnen met schrijven. Je debuut Witte vlag verscheen toen je vijftig was. Hoe ontdekte je dat je dat wilde? ‘Witte vlagwas in 2013 mijn romandebuut, maar daarvóórpubliceerde ik al verhalenin literaire tijdschriften. En schrijven heb ik altijd gedaan, als kind al. Als ik op de middelbare school naar mijn leraar Nederlands had geluisterd, was ik Nederlands gaan studeren. Wie weet hoe het dan gelopen was?’ Er is meteen herkenning. We vertellen elkaar onze herinneringen aan de leraren die ons liefde voor literatuur bijbrachten. Ik zeg dat ik haar romans gedurfde boeken vind. Ik vind ze prachtig maar op een bepaalde manier behoorlijk complex. ‘Je moet wel bereid zijn precies te lezen en niet gemakzuchtig zijn’, zeg ik. ‘Als kennissen me wel eens vragen of ik ze een goed boek kan adviseren voor een vakantie ben ik niet snel geneigd ze bijvoorbeeld De kuur naar het strand mee te laten nemen’. Ze reageert tamelijk fel: ‘Wil je dat niet meer doen! Je doet er schrijver en lezer mee tekort. Als je enthousiast bent draag je toch je enthousiasme over en ga je niet beoordelen of iemand het boek wel aankan. Het is mijn taak als schrijver, maar ook die van jou als recensent, om mensen in contact te brengen met verbeelding en hun wereld te vergroten. Maar je ondergraaft ook jezelf: waarom zou je niet iets aanbevelen dat je zelf goed vindt? Ik ken het wel hoor. Het is een beetje Nederlands. Ik merk dat in mijn beeldend werk ook. Kunstenaars worden in Nederland snel in het defensief gedrongen. Alsof ze moeten verantwoorden dat ze iemand lastig vallen. Bah!’
Bepaalde werkwijzen komen in elk van je drie romans voor. Je begint met een 0-de hoofdstuk, aan het slot neem je een verantwoording op en locatie en tijd zijn heel precies bepaald. Witte vlag speelt in 2010 in Amsterdam, De kuur in Amsterdam en Davos in 2014 en Lalalanding in Parijs in 1953. De lezer herkent daardoor veel gebeurtenissen die feitelijk kloppen. Waarom is dat? ‘Ik heb het nodig om zo specifiek en concreet te zijn. De feiten moeten kloppen. Ik lees daarom kranten uit die jaren, bekijk spullen uit die tijd, gebruik plattegronden. Ik moet zelf naar die plekken toe. Ik moet er wandelen en in gebouwen komen die ik in de roman gebruik. In De kuur bijvoorbeeld speelt het World Economic Forum een rol. Dat gebouw mag je normaal niet in, maar het is me toch gelukt. Ik breng met die controleerbare feiten een basisstructuur aan maar daarbuiten neem ik alle vrijheid. Ik laat gebeurtenissen verbindingen met elkaar aangaan die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Ik speel er mee’. Soms krijgt ze iets in de schoot geworpen, zoals een vermelding die ze toevallig vindt op een site die er wat obscuur uitzag; daarop werd geschreven over een verzwegen bombardement door de geallieerden in 1944 op het treinstation van Porte de la Chapelle in Parijs. Daarbij werd de Renaultfabriek die er vlakbij lag verwoest. In Lalalanding maakt ze van de vader van de hoofdfiguur Jean Rodin een arbeider die daardoor zijn werk bij Renault kwijtraakte. ‘Dat bombardement is inderdaad een weggemoffeld feit, maar ik vond het in kranten uit die tijd terug. Het is dus wel degelijk een historisch gegeven. Ik vind het spannend omdat te deconstrueren, uit zijn verband te halen, zodat feit en fictie door elkaar gaan lopen’. Ze pakt haar laatste boek dat voor ons op tafel ligt in de hand. ‘Ik was afgelopen week in Parijs in verband met een schrijfopdracht; dat was voor het eerst sinds ik er verbleef om aan Lalalanding te werken. Ik heb de buurt weer opgezocht waar het zich afspeelt, nu met het boek in mijn hand’. Ze straalt erbij. ‘Franse vrienden vroegen me waarom er nog geen Franse vertaling is. Ik heb ze uit moeten leggen hoe moeilijk het is om als niet prijswinnende auteur een boek vertaald te krijgen’.
In je boeken zijn sommige prominente personages naamgenoten van beroemde kunstenaars. In Witte vlag draagt Henry’s vrouw Elzbieta de achternaam Różewicz net als de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en in Lalalanding heeft Jean Rodin dezelfde achternaam als beeldhouwer Auguste Rodin. Waarom doe je dat? ‘Ik vind het leuk om hun werk op een bepaalde manier te laten opduiken in het boek. Het zijn geen toevallige keuzes. Ik hou erg van de poëzie van Tadeusz Różewicz. Sommige zinnen in mijn roman zijn geïnspireerd door zijn werk en de titel ‘Witte vlag’ komt uit een gedicht van hem. Ik heb dat zowel in Nederlandse vertaling als in het Pools opgenomen. Bovendien schrijft Tadeusz Różewicz vaak over een vorm van eenzaamheid die ik ook in Elzbieta heb gestopt. In Lalalanding kun je in de houding en de beschrijving van de fysiek van Jean beelden van Auguste Rodin herkennen. Ik vind het grappig om daarmee te spelen. Daarnaast heeft het te maken met mijn interesse in namen. Wat zegt zo’n naam? Ik kom daarmee weer op dat spelen met feiten en verbeelding. De naam van de beeldhouwer Rodin roept meteen iets bij je op, maar de Jean Rodin uit de roman komt uit een heel ander milieu. Daardoor ontstaat toch iets spannends’.
In De kuur speelt op de achtergrond De Toverberg van Thomas Mann een grote rol en in Witte vlag is dat het werk van Joseph Beuys. Je bewondert beiden, maar hoe de kunstenaar Henry in Witte vlag Beuys probeert te imiteren en hoe Yves in De kuur met Mann loopt te koketteren is bespottelijk. In mijn ogen zijn die Henry en Yves een soort mislukte epigonen die hun eigen leegte maskeren en geen enkele zelfreflectie hebben. Drijf je de spot met die types? Ze lacht hartelijk: ‘Je herkent die mensen toch wel? Er lopen in onze wereld heel wat van die figuren rond. Kijk alleen maar naar politici, en je vindt ze ook ook onder schrijvers en in de beeldende kunst. Maar ik laat hopelijk tegelijk zien wat het gedrag van die mensen voor effect heeft op anderen. Henry bijvoorbeeld maakt zijn toch intelligente vrouw Elzbieta op die manier behoorlijk kapot. Ik heb helemaal geen feministische roman willen schrijven, maar ik laat op een bepaalde manier wel zien hoe dat gedrag ten opzichte van vrouwen werkt. De voorbeelden liggen in de geschiedenis voor het oprapen en ze zijn er nog steeds’.
Ik verbaasde me erover dat Elzbieta die relatie zo lang volhoudt. In haar schoenen staand zou ik Henry al veel eerder het huis uit gebonjourd hebben. ‘Ik zet het natuurlijk wel aan. Het zijn beelden die ik oproep. Het is een creatie van mij. Die moet geloofwaardig zijn. In elk geval geloofwaardig voor mij. Daar mag een lezer anders over denken’. Dat brengt ons op de dood van André Vérité. In Lalalanding verongelukt die collega van Jean. Hij valt van een balustrade naar beneden. Was het een ongelukkige val? Was het zelfmoord? Zat de baas van Jean, Emmanuel Lumière, erachter? Ik kwam er als lezer niet uit, maar opper dat Lumière de meest verdachte is. ‘Dat is geen rare veronderstelling’, reageert ze. ‘Mijn man dacht meer aan Jean als de killer. Ik laat het ook open. Ik ga het niet uitleggen’.
Waar begon een boek als Lalalanding voor jou? Had je eerst de vorm, waarin het spel met letters à la Perec belangrijk is, of was er eerst het verhaal van het Seinemeisje? ‘Dat weet ik heel concreet. Je weet vast dat ik in 2019 voor de Museumweek het Kunstgeschenk Huh? Aha! Duh heb geschreven. Het gaat over drie studenten die op een ironische manier door een museum lopen. Daarna kwam al vrij snel het zusje van Jean, Odilette, bij me in beeld die in de roman een ingewikkelde, bijna incestueuze, relatie krijgt met haar broer. En al snel daarna zag ik de vader van Jean voor me, de man die in de verwoeste Renaultfabriek gewerkt had, omdat ik iets met het oorlogsverleden wilde doen zoals ik dat hoorde van mijn adoptievader. De vorm met veel witregels en een poëtische opzet ontstonden toen ik in die tijd Raymond Queneau weer las, één van de leden van OuLiPo (de schrijversgroep waartoe ook Perec behoort). Dat was trouwens nog maar het begin van het schrijfproces; daarna heb ik nog verschillende versies gemaakt’.
Hoe ga je om met je twee vakgebieden, schrijven en beeldende kunst? Hou je daar een strikte scheiding tussen aan? Hoe bereik je dat je op elk vlak honderd procent geconcentreerd bent? ‘De periodes waarin ik schrijf of kunst maak liggen niet per se vast, maar ik plan mijn werk wel. De afgelopen maanden heb ik alleen maar geschilderd. Dan heb ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zo’n schrijfopdracht waarvoor ik de afgelopen dagen in Parijs was. Thuis heb ik niet echt een werkkamer om te schrijven. Dat doe ik af en toe ook hier. Daar voel ik me goed bij. Het is niet zo dat ik in mijn hoofd steeds wordt lastig gevallen door ideeën voor beeldend werk als ik hier schrijf of andersom. Het is hier kaal, stil. Er is geen raam naar buiten. Weinig wat me afleidt dus. Ik kan goed plannen en me dan ook aan een planning houden. Het moet ook. Anders gaat het ten koste van wat ik doe. Soms lopen de twee terreinen in elkaar over want Adoptica zal niet alleen uit schrijfwerk bestaan. Ik schilder voor dat project ook. Dat heeft te maken met mijn biologische ouders die allebei ook schilderden’.
Lees hier de recensie van Lalalanding.
De verschijning van Adoptica wordt verwacht in 2024.
Het nieuws over de recente overgang van NBD Biblion naar ‘automatisch gegenereerde metadata’ gonst sinds een paar weken in de media. Sinds 1 maart heeft de boekenservice geen recensenten meer in dienst. De zevenhonderd professionele lezers die bibliotheken voorzagen van weliswaar beknopte doch goed geïnformeerde en beargumenteerde recensies zijn vervangen door computer. Als reden voor de nogal rigoureuze ingreep noemt NBD Biblion tijdwinst. In een document dat de nieuwe werkwijze toelicht en er voorbeelden van geeft, spreekt NBD Biblion de verwachting uit dat boeken op deze manier de bibliotheken sneller zullen bereiken, zodat ze hun collecties ‘actueler’ kunnen houden. Niet alleen zijn de boekbeschrijvingen – NBD Biblion spreekt eufemistisch van ‘aanschafinformatie’ – flink ingekort, maar ook gebaseerd op een beperkt aantal voorgekauwde criteria. De recensie is met de recensenten de deur uit gezet.
Waarom wel recenseren? Om lezers te enthousiasmeren, te informeren en te helpen een eigen oordeel te vormen. In het geval van NBD Biblion gaat het niet alleen om de bibliotheekmedewerkers die op basis van de geleverde ‘aanschafinformatie’ een boek wel of niet bestellen. Het gaat ook om de bibliotheekbezoekers die in de catalogus de NBD Biblion-recensie kunnen lezen. Zelfs webshops voor boeken nemen vaak de NBD Biblion-recensies over.
Bij Literair Nederland krijgen nieuwe recensenten een beknopte handleiding mee. Punt één: ‘Een recensie vertelt het verhaal niet na.’ En verder: ‘Een goede recensie contextualiseert, geeft informatie over omgeving, tijdperk, eerder werk van de auteur e.d.’ En: ‘In elke recensie zit een oordeel, vaak aan het einde, goed beargumenteerd en met nuances. Dat betekent dat je de moeite moet nemen uit te leggen wat je van het boek vindt, en waarom.’
Kortom, een recensie is geen samenvatting met steekwoorden maar een kwalitatieve, aantrekkelijke én kritische bespreking van een boek. Bovendien is daar tijd voor nodig, want lezen – goed lezen en over het gelezene nadenken – heeft nu eenmaal baat bij traagheid. Dat is nogal iets anders dan de nieuwe – ongetwijfeld heel snelle – beoordelingscriteria van de NBD Biblion ‘schuifjes’. Bij fictie voor volwassenen zijn het: ‘activiteit: ontspanning – concentratie’, ‘stemming: vrolijk – duister’, ‘seks: geen – expliciet’ en ‘geweld: geen – expliciet’. Alleen bij fictie voor jongeren doet kennelijk ‘humor: serieus – vrolijk’ ertoe, maar dat terzijde.
Het is lang niet meer zeldzaam om kunstmatige intelligentie in te zetten als hulpmiddel voor allerlei nuttige activiteiten, denk maar aan stofzuigen of reguleren van temperatuur in huis.
Maar literatuur is anders dan een stofwolkje of een graad Celsius, want ambivalent, meerduidig en complex. In Dave Eggers’ laatste roman Het alles bestaat een geautomatiseerde dienst voor het herlezen van literatuur, genaamd ‘Algo Mas’. Het algoritme van ‘Algo Mas’ zuivert literatuur van te ingewikkelde en mogelijk aanstootgevende elementen. ‘Algo Mas’ censureert om lezers te besparen, met als achterliggende gedachte dat ingewikkelde plots en lastige onderwerpen ongewenst zijn. ‘Algo Mas’ en de almacht van Het alles zijn fictie. De ‘schuifjes’ van NBD Biblion zijn dat niet.
Jos van Hest (1946) is dichter, redacteur, presentator en geeft poëzielessen aan basisschoolkinderen. Hij presenteerde vele literaire evenementen, waaronder sinds 2004 het maandelijkse Open Podium voor bekende en onbekende schrijvers in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Gedichten van hem zijn te vinden bij uitgeverij Plint op kaarten, posters en kussenslopen.Hij publiceert regelmatig in Dichter, het poëzietijdschrift van Plint voor kinderen van 6 tot 106 jaar. Onlangs stelde hij met zijn man, Jan ter Heide en Plint uitgeefster Mia Goes het poëzieboek Dood gewoon hemelen samen en werd er werk van hem opgenomen in verzamelbundels waaronder Een wonder prachtig dier van uitgeverij Ploegsma. Op jonge leeftijd debuteerde hij met de bundel Tegen beter weten (1968). In 2010 werd hij voor zijn inzet voor cultuur geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Wie is deze man, die zich volop inzet om poëzie onder de aandacht te brengen, schrijvers stimuleert en begeleidt en kinderen poëzie laat beleven.
Het is een mistige dag als ik de trein naar Amsterdam neem. Halverwege is er een seinstoring, ik vrees te laat te komen. ‘Komt goed’, appt Van Hest me. Ik krijg, ook via de app, instructies hoe ik, eenmaal aangekomen, moet fietsen vanaf Centraal Station naar de Stadhouderskade, bij welke brug ik mijn fiets kan stallen.
Aan de lange tafel in de keuken drinken we eerst thee, er is cake. Een verdieping hoger is de werkkamer, een ruimte, groot als een bescheiden danszaal. Aan de voorkant staat een werktafel voor het raam met uitzicht op de gracht. Eén lange wand, zo’n tweeënhalve meter hoog, is boekenwand. Verspreid door de ruimte stapeltjes boeken, dichtbundels op stoelen, tafeltjes, op de vloer, ook in de gangen trouwens. Wie dit huis betreedt, ademt poëzie.
Voor we aan tafel plaatsnemen, laat Van Hest me op zijn computer een afbeelding zien van de herdenking van de Februaristaking bij de Dokwerker. Jaarlijks worden basisschoolkinderen betrokken bij de herdenking met kunst- en poëzielessen. Van Hest is als poëziedocent verbonden aan dit project. Op de afbeelding is een indrukwekkende groep beeldjes te zien. Elk kind maakte een van die beeldjes, geïnspireerd op het beeld van de stakende Dokwerker. Sommigen staan met opgeheven armen, springen, of staan op een been, houden spandoeken vast.
‘Uiteindelijk schrijven ze dan een gedicht, en ik vertel ze dan dat zij het schrijven, maar dat het het beeld is dat spreekt. Als je het woord ‘ik’ opschrijft, dan ben jij dat niet, maar het beeld. Dan krijg je hele mooie regels als, “Ik strijd voor de vrijheid! / Oorlog is een harde storm / Ik hoop dat ik weer thuis kom.” Tijdens de herdenking zijn de kinderen met hun ouders uitgenodigd. Ze zetten hun beeldje bij het monument en er worden gedichten voorgedragen. Jaren geleden, toen Job Cohen nog burgemeester was, was er een Turks meisje dat haar gedicht voordroeg voor de burgemeester. Ze kwam samen met de burgemeester op de foto. Haar ouders waren apetrots. Het gaat dan ook over hen, weet je, deze herdenking wordt ook deel van hun geschiedenis.’
Zou je zelf poëzielessen op school gehad willen hebben toen je jong was?
‘Ik had zeker iemand gehad willen hebben die toen tegen me gezegd had, “Je moet het gewoon opschrijven. Je moet niet twijfelen.” En als je twijfelt, ook dan gewoon opschrijven. Later kun je altijd kijken wat er weg moet of wat erbij moet. Want een gedicht is eigenlijk nooit af. Hugo Claus ging bij een nieuwe druk van een bundel al die gedichten weer langs en dan vond ie dat het toch weer anders moest.’
Wanneer begon je zelf te schrijven?
‘Na de lagere school ging ik naar het gymnasium Augustinianum in Eindhoven, een school voor zoontjes van notabelen en doctoren. Ik kwam uit een heel ander milieu, ik wist niks van huiswerk. Op de lagere school was ik gewoon goed in alles, het ging vanzelf. Ik dacht dat het op het gymnasium ook zo zou gaan. Maar daar werd ik als jongen door de Augustijnen ontzettend slecht behandeld. Het was een vreselijk jaar, ik bleef zitten. Toen ging ik naar het Van der Puttlyceum. Dat was een nieuwe school, er waren maar twee jaargangen boven mij. Na drie weken schreef ik een stukje voor de schoolkrant en een maand later zat ik in de redactie. Daar ben ik mijn hele schooltijd in gebleven.’
Schreef je in die tijd ook al poëzie ?
‘De leraar Nederlands gaf mij een bundel, die heb ik nu nog, een bloemlezing, ik weet even niet meer hoe die heet, maar die ging ik toen lezen. En Bert Schierbeek, Remco Campert, die dunne bundeltjes van De Bezige Bij. We hadden ook het boek Literaire kunst, van Lodewick, daarin werden allerlei stijlfiguren behandeld met voorbeelden. Dat vond ik fantastisch, en dat ging ik dan zo’n beetje uitproberen.’
Op jonge leeftijd won Jos van Hest een poëziewedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen. De prijs werd uitgereikt in Brussel. Het werd zelfs op de radio, in het nieuwsbericht van het ANP uitgezonden dat de dichter J. van Hest de poëziewedstrijd had gewonnen.
‘In de jury zaten toen Hubert Van Herreweghen en Jos De Haes. Van Herreweghen is voor kenners wel een naam, maar hij is nooit zo doorgebroken in Nederland. Na die prijs raakte ik in contact met Ad den Besten, die had in 1949 de Windroos reeks voor poëzie opgericht. De vijftigers, Simon Vinkenoog, Hans Andreus, Remco Campert verschenen in die serie. Het was een heel belangrijke reeks voor jonge dichters, en daar mocht ik toen in publiceren.
Achteraf denk ik dat ik toen te vroeg gedebuteerd ben. Ik was ook veel te verlegen om door te gaan, gedichten te sturen naar literaire tijdschriften. Ik weet nog dat Kees Fens mijn debuut besprak, samen met andere debuten. Hij had twee regeltjes voor mijn bundel over. Hij vond het wel aardig, maar echt niet bijzonder. Hij vond het geloof ik meer een snoepwinkeltje, zoiets. Ja, dat greep mij wel aan toen.’
Dacht je er wel over om dichter te worden?
‘Op een bepaalde manier wel ja, maar lange tijd had ik er ook groot ontzag voor. Nu pas, nu ik weer publiceer in tijdschrift Dichter, en ook alleen maar als mensen ernaar vragen, zeg ik dat ik dichter ben. Dat heeft heel lang bij mij geduurd. Ik vond dat wat ik deed een beetje uitproberen was en de naam dichter niet verdiende.’
Er was enige aarzeling om een tweede bundel te publiceren. Vogelverschrikkers van Kimolos verscheen in 1982, veertien jaar na zijn debuut.
‘Die tweede bundel heeft heel lang op zich laten wachten omdat ik het niet wist. Het wonderlijke is dat ik in mijn leven heel veel mensen heb gestimuleerd, en dat doe ik nog steeds. Onder andere via het Open Podium. Ik zit in de redactie van Open reeks en ben redacteur van een aantal dichters, maar ik ben nooit iemand tegengekomen die mij stimuleert. Er waren wel mensen die zeiden, “Wanneer komt er weer eens een bundel.” Maar ja, dat waren mensen die te dicht bij me stonden. Dus ik ben een beetje terughoudend over eigen werk. Ik relativeer het ook wel door te denken, “ach, het stelt allemaal niet zoveel voor, dus waarom zou je.” Van anderen vind ik wel dat het wat voorstelt, en ook dat het altijd beter kan. Er zijn gradaties in de dichtkunst, er zijn er die goed zijn, en er zijn er die beter zijn.’
Vind je dat iedereen poëzie kan maken?
‘In gesprekken met deelnemers aan het Open Podium, vraag ik altijd waarom ze willen schrijven. Ik ben benieuwd naar het ploeteren, de smoezen en uitvluchten die ze gebruikt hebben, uitstelgedrag. Daar kan ik op een waarderende manier enorm naar luisteren. De deelnemers aan het Open Podium zijn een mengeling van bekende dichters en mensen die hun eerste gedichten hebben geschreven en dat komen voordragen. Niet alles is goed, maar ik ben niet van het afkatten, door afkatten is niemand groot geworden. In kunstopleidingen is het een adagio om leerlingen eerst af te breken en dan weer op te bouwen. Ik ben niet van die richting. Maar dat wil niet zeggen dat ik alles goed vind. Het is niet gauw goed, het kan altijd beter.’
Hoe werkt dat voor jezelf, dat altijd beter moeten?
‘Omdat ik hoge eisen stel aan mijn eigen werk, werkt dat niet, omdat ik te kritisch ben. Daarom is het zo fijn dat ik in Dichter publiceer, dat is een podium waar ik me thuis voel. Hoewel het onderscheid tussen kinder- en volwassen poëzie wel moeilijk is. Het is vaak heel artificieel, een kunstmatige scheidslijn, overbepaalde dingen die bij het volwassen leven horen, schrijf je niet voor kinderen. En kinderen zien allerlei lagen in een gedicht niet, dat begrijp ik wel, maar daarom moeten ze er wel inzitten, ook in kinderpoëzie. Er mag ook iets onbereikbaars in doorklinken. Daar zijn kinderen heel gevoelig voor. Tegen de kinderen in poëzieles zeg ik vaak, “Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt.” Dat zijn vaak hele goede dingen, het is nooit alleen maar eenduidig.’
Wat betekent poëzie voor jou, ben je er elke dag mee bezig?
‘Ik geloof in de werking van poëzie. Ik lees iedere dag poëzie, het hoort bij mij. En ik geloof in de verbeeldingskracht van taal. In taal kun je zeggen waar het om gaat, of althans, kun je dat het dichtst benaderen. Het is ook wel dubbel, ik geloof in de poëzie van deze wereld, maar ook in die van de wereld die daar achter zit. De dichter Van Collem, hij is nu niet meer bekend, schreef, ‘Oneindig is de taal van het heelal / voorbijgaand zijn de woorden van de mensen.’ Dan denk ik, dat is het. Die tegenstelling in zo’n tweeregelig gedicht vind ik heel treffend.’
Is poëzie ook iets wezenlijks?
‘Nu kan ik aankomen met dingen als, het houdt je overeind, geeft je nieuwe hoop, een medicijn tegen de slechtheid in de wereld, enzovoort. Maar dat zijn frases, dat is het niet.
Ik begeleid al jaren een poëzie leesgroep. We lezen de nieuwste bundels van bekend of onbekend talent. Niets ten nadele van Nijhoff, Achterberg en de vijftigers, maar die lezen wij niet in deze leesgroep. Dat doe ik omdat veel mensen wel de oude dichters kunnen lezen, maar de nieuwe niet, omdat ze die te moeilijk vinden. Vooraf lees ik de bundel en haal er gedichten uit die in mijn ogen belangrijk zijn voor de bundel. Vaak is dat het eerste en het laatste. Dat is de compositie van een bundel die, net als een muziekstuk, “Bam”, ergens mee begint, en eindigt met een catharsis. Zo kunnen bundels ook in elkaar zitten. Ik lees zo’n gedicht dan hardop. Daarna mag iedereen iets over het gedicht zeggen, alles mag. Ook dingen als, het gedicht heeft geen titel, of, het rijmt nergens alleen de laatste twee regels, of, dat woord ken ik niet. Zo maken we een soort plattegrond van het gedicht. Vaak nodig ik ook de dichter zelf uit. Die mag erbij komen zitten en niets zeggen, gewoon kijken wat er met zijn gedicht gebeurt.’
Dat komt heel dicht bij de dichter zelf, wordt het dan niet te persoonlijk?
‘De dichters vinden het zelf heel bijzonder om erbij te mogen zijn. Een schrijver maakt zelden mee hoe een gedicht landt in een lezershoofd. Meestal willen lezers weten wat de dichter erbij gedacht heeft. Maar het gaat niet om wat de dichter ermee bedoeld heeft, maar om de interpretatie van de lezer. Er is niks ergers dan een dichter die zijn gedicht gaat uitleggen. Een dichter hoort een gedicht te schrijven, niet een uitleg te geven. Ik hou ook niet van critici die zo goed weten wat er fout of goed is aan een gedicht. Vroeger werd op de middelbare school gevraagd, “Wat bedoelt de dichter met…?” Waarschijnlijk bedoelde de dichter niks, en wat hij bedoelde heeft hij opgeschreven.Poëzie betekent: vrijheid voor de lezer om eigen keuzes te maken, vrijheid om geraakt te worden.’
Denk je op dit moment nog wel eens aan een bundel samenstellen?
‘Er wordt me wel gezegd, “Je moet eens gaan verzamelen wat je hebt.” Soms denk ik, ze hebben gelijk, maar soms denk ik, nee hè. Ik heb wel werk voor meerdere bundels liggen, maar ik ben een enorme twijfelaar over mijn eigen werk. Ik ben nu gevraagd door uitgeverij Ploegsma om vier jeugdgedichten te schrijven voor een verzamelboek. Daar ben ik dan wel trots op, dat ik daarin kom. Maar ik ben ook heel trots op de dichters die in Dichter publiceren. Er is weinig podium voor jeugddichters, dit tijdschrift biedt dat gelukkig.’
Van het tijdschrift Dichter verschijnen vier themanummer per jaar. Voor elke editite leveren zo’n vijfendertig dichters één of meerdere gedichten. Bekende dichters waaronder Erik van Os, Marieke Lucas Rijneveld, Ingmar Heytze, Remco Ekkers, of minder bekende als Jesse Laport, Monica Boschman, Katelijne Brouwer, Floor Tinga leveren geregeld een bijdrage. Zoals alle publicaties van Plint, is het tijdschrift een samengaan van beeldende kunst en poëzie. Uit het themanummer De liefde, prachtig geïllustreerd door Milja Praagman, komt dit gedicht van Jos van Hest, de dichter.
‘Liefje,
Het spijt me het spijt me van vanmiddag ik had blij en gelukkig moeten zijn met jou in de zon op een bank maar ik was diep ongelukkig omdat ik wou dat je anders was het spijt me dat ik niet begreep wat je bedoelde en dat ik dat nu pas zie nu het te laat is en jij er niet meer bent ook dat spijt me verdrietig want ik dacht eerst dat het jouw schuld was ook al heb ik het ernaar gemaakt omdat ik dacht dat je eromheen draaide en niet eerlijk was en nu direct om de hoek zag ik je fiets en ik was zo vreemd blij maar je bent er niet omdat ik het ernaar gemaakt heb en nu het te laat is denk ik ook niet dat ik je ooit nog zie omdat ik zo erg was en toch is er een hoopje en dat hoopje
De Israëlische schrijver David Grossman (1954) ontvangt dit jaar de Erasmusprijs. De prijs wordt jaarlijks toegekend aan een persoon of instelling die een buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op het gebied van de geesteswetenschappen en de kunsten. Dit jaar is het thema ‘verbinders in een verdeelde wereld’. Grossman is een schrijver die in zijn werk de mens van binnenuit wil begrijpen, de ander liefdevol wil bezien over grenzen van oorlog en geschiedenis heen. De Stichting Erasmusprijs wil daarom zijn kunstenaarschap eren en lezers de kans geven zijn werk te (her)ontdekken: ‘als troost, en als leidraad hoe mens te zijn.’
David Grossmans oeuvre bestaat uit een twintigtal uitgaven waaronder romans, kinderboeken, essaybundels en reisverslagen. In zijn boeken snijdt hij politieke onderwerpen aan, zoals het dagelijks leven van mensen in bezet gebied en de Palestijnse minderheid in Israël. Maar ook thema’s als vriendschap, leven met het verleden en de band tussen generaties zijn onderwerp van zijn publicaties. In zijn oeuvre verbindt hij het persoonlijke met het universele. Verlies van menselijkheid en hoop, rouw, en geweld worden hierdoor niet als specifiek geografische problemen geduid maar als universeel menselijke worstelingen.
David Grossman brak in 1989 internationaal door met zijn roman Zie: liefde over de Shoah door de ogen van een kind. Hij spreekt zich regelmatig uit voor vrede in het Midden-Oosten. In 2006 riep hij samen met Amos Oz op om de aanvallen op Libanon te staken. Niet lang daarna sneuvelde zijn eigen zoon in diezelfde oorlog. Hierover schreef hij het boek Uit de tijd vallen (2011). Grossman won diverse literaire prijzen, waaronder de Prix Médicis Étranger, de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel en de Geschwister Scholl-Preis. Zijn roman Komt een paard de kroeg binnen (2015) won de prestigieuze Man Booker International Prize.
De Erasmusprijs bestaat – naast de eer – uit een geldbedrag van € 150.000. De prijs zal worden uitgereikt in het najaar van 2022.
Lees hier meer over de Stichting Erasmusprijs en de uitreiking.
De oorlog in Oekraïne vraagt om meer kennis en inzicht om de huidige situatie te kunnen duiden.
In het voorjaar van 2018 verscheen op deze website een verslag in drie delen van een bezoek aan Kiev dat recensent Huub Bartman een jaar daarvoor bracht aan deze nu zo onfortuinlijke stad. Bartman gaat daarin onder meer in op de geschiedenis van Oekraïne en geeft daarbij een aantal leessuggesties.
Hieronder hebben wij er daarvan een paar voor u op een rijtje gezet. Maar lees vooral ook alle drie de artikelen, dat biedt meer samenhang. De link naar het eerste deel vind u hier. Vandaar uit kunt u door naar de delen twee en drie.
Niet alle boeken zijn op dit moment nog verkrijgbaar, maar tweedehands of als e-boek kunt u ze waarschijnlijk nog wel vinden.
Bij uitgeverij Van Oorschot is indertijd Grensland verschenen door hoogleraar Marc Jansen, met als ondertitel ‘Een geschiedenis van Oekraïne’, hier op Literair Nederland besproken door Adri Altink
Een van de alinea’s luidt: ‘Oekraïne komt uit de Tweede Wereldoorlog te voorschijn als een Sovjetrepubliek, die door ‘de uitroeiing van de Joden, de deportatie van de Polen en de uittocht van de Duitsers’, zoals Jansen schrijft, ‘etnisch homogener (was) dan ooit. Maar dit ging wel gepaard met een aanzienlijke toestroom van Russen en druk op Oekraïners om zich meer aan de Russische omgeving aan te passen’. Als teken van de vriendschap met Rusland kreeg Oekraïne in 1954 de Krim ten geschenke – de donatie die in het conflict dat we in 2014 dagelijks krijgen voorgeschoteld, door Rusland als een historische vergissing wordt beschouwd. Wat in die naoorlogse jaren volgt is een nieuwe russificatie, waarin de terminologie verandert: Rusland heeft het niet meer over ‘inlijving’, maar over ‘hereniging’. Alsof slechts de geschiedenis recht wordt gedaan. Het lijkt in het vocabulaire van Poetin eveneens vetgedrukt te staan.’
[…]
‘Hij heeft een helder verhaal geschreven dat het inzicht vergroot in de achtergronden van het huidige conflict en het DNA van een nog zo kort als zelfstandige natie bestaande entiteit. Dat doet hij op voorbeeldige wijze. Het verdient alleen al bewondering hoe hij de lezer in alle chaotische verwikkelingen met vaak duistere motieven mee weet te nemen door nergens de grote lijn uit het oog te verliezen. Hij schrijft beeldend, laat literaire getuigen als Babel en Paustovski aan het woord, verheldert kernachtig begrippen, vermeldt betekenisvolle details en gebruikt smeuige citaten (‘Gratis kaas vind je alleen in een muizenval’). Bovendien is Jansen niet te beroerd om iets heel beknopt nog eens uit te leggen als het bij de lezer weggezakt mocht zijn’.
Auteur: Marc Jansen
Uitgeverij: Van Oorschot
Oorlog en kermis
Olaf Koens was jarenlang verslaggever in Rusland en de voormalige Sovjet-Unie voor de Volkskrant en RTL Nieuws. Zijn boek Oorlog en kermis begint met de verdrijving van de Oekraïense president Viktor Janoekovitsj en de daarop volgende annexatie van het schiereiland de Krim door Rusland in de winter van 2014.
In verslagvorm schrijft hij in het eerste helft van zijn boek over de annexatie van de Krim en de daarop volgende pro-Russische separatistische burgeroorlog in het oosten van Oekraïne.
De tweede helft van het boek gaat over Rusland. Daarin trekt hij langs de randen van dit onmetelijke land.
Huub Bartman schrijft: ‘Een goed beeld biedt het prachtige boek Oorlog en kermis van Olaf Koens. Koens besteedt daarin veel aandacht aan het conflict in het oosten van Oekraïne. De titel duidt op de bizarre, krankzinnige realiteit waarin veel mensen in Rusland en Oekraïne leven.’
Auteur: Olaf Koens
Uitgeverij: Prometheus
Rode hongersnood
Rode hongersnood vertelt over de hongersnood die ontstond als gevolg van het beleid dat Stalin initieerde, waarbij hij de Sovjetboeren dwong hun land en bedrijf op te geven voor nieuwe collectieve boerderijen. Daardoor ontstond een enorm gebrek aan voedsel dat tussen 1931 en 1933 de oorzaak was van vijf miljoen doden, de ‘Holodomor’.
Uit de flaptekst: ‘Anne Applebaum onthult in dit boek dat drie miljoen van deze doden, in de Oekraïne, niet slechts slachtoffer waren van een ongelukkig beleid, maar eerder van een doelbewust plan om een groot deel van de Oekraïense bevolking te vervangen door Russischsprekende boeren. Oekraïne moest, naast de graanschuur voor de Sovjetsteden, een buffer worden tussen de Sovjet-Unie en Europa. Toen de provincie in opstand kwam, sloot Stalin de grenzen en stopte hij de toevoer van voedsel. Een ongekende en catastrofale hongersnood was het gevolg.’
Auteur: Anne Applebaum
Uitgeverij: Ambo|Anthos
Nestorkroniek
Nestorkroniek gaat heel ver terug in de geschiedenis. Op de flaptekst staat: ‘De Nestorkroniek is de oudste Oost-Slavische bron voor de geschiedenis van het Kievse Rijk, dat door Russen, Oekraïners en Wit-Russen als hun bakermat wordt beschouwd. De kroniek is in het begin van de twaalfde eeuw geschreven door monniken van het Kievse Holenklooster. Zij schetsen een levendig beeld van de geschiedenis, cultuur en samenleving van het rijk, hier ‘Roes’ geheten, vanaf het midden van de negende eeuw tot het tweede decennium van de twaalfde eeuw.’
Huub Bartman over Nestorkroniek: ‘In Nestorkroniek, in Nederlandse vertaling van Hans Thuis verschenen bij uitgeverij VanTilt, wordt gesproken over het goudkoepelige Kiev, verwijzend naar de honderden Grieks-orthodoxe kerken in de stad. Daarvan is het huidige Kiev slechts een flauwe afspiegeling, al zijn de vele kerken nog steeds karakteristiek voor de stad. Het gerenoveerde Holenklooster stamt nog uit de tijd van Kiev-Roes.’
Uitgeverij: Van Tilt
Aleksandra
Niet opgenomen in het verslag van Bartman, want heel recent, is de vorig jaar verschenen roman Aleksandra van Lisa Weeda. Aleksandra is gebaseerd is op de geschiedenis van haar Oekraïense familie.
Op verzoek van haar grootmoeder (1924) is Lisa Weeda in deze geschiedenis gedoken.
Haar grootmoeder werd op 18-jarige leeftijd door de Duitsers gedeporteerd vanuit het oosten van de Oekraïne om te gaan werken in de Duitse oorlogsindustrie. Zij kwam na veel omzwervingen in Nederland terecht. Weeda reisde de deportatieroute van haar grootmoeder achterstevoren na en verwerkte haar ervaringen in haar debuut.
Lisa Weeda werd eind vorig jaar in de Volkskrant uitgeroepen tot literair talent van het jaar 2022.
Sinds 17 februari 2022 houdt zij een dagboek bij in de NRC. Dat begint als volgt: ‘In de middag bereikt het nieuws mij en mijn familie in Nederland. Mijn oudtante Nina zit samen met nicht Ira en haar dochter Olja in een schuilkelder in Stanitsa Loeganskaja, aan de frontlinie van het oorlogsgebied in Oost-Oekraïne. Er wordt al een paar uur gebombardeerd. Net als acht jaar geleden zitten ze onder de grond, op provisorische bedden, tussen bij elkaar geraapte meubels, met wat eten en drinken dat ze in alle haast hebben meegenomen, te wachten tot het schieten voorbij is.’
Afgelopen zondag werd in Spui25 in Amsterdam voor de zevende maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt, de literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korte verhalenbundel van het afgelopen jaar. Hanna Bervoets was met haar bundel Een modern verlangen (uitg. Pluim) de uitverkoren winnaar, hoewel juryvoorzitter Ionica Smeets liet weten dat de jury dit jaar het liefst twee boeken hadden bekroond, maar dat mocht dus niet. Na nog een week in beraad, en lezen van die twee bundels., kwam Een modern verlangen van Hanna Bervoets als winnaar naar voren.
De jury over het winnende boek: ‘Wat past de lengte van het korte verhaal Hanna Bervoets goed. Een modern verlangen is een bundel als een toverbal die telkens een andere kleur en smaak aanneemt: zoveel fantasierijke verhalen, met zoveel eigenaardige personages in zoveel verschillende werelden. […] Bervoets neemt haar lezers moeiteloos mee met haar down-to-earth stijl en situaties die pijnlijk herkenbaar zijn. De toekomstscenario’s die Bervoets schetst zijn het beste van dit genre, omdat ze prachtig blootleggen hoe de menselijke psychologie werkt.’
Overige genomineerden waren:
Guido van Heulendonk, Vrienden van de poëzie (Arbeiderspers)
Carmien Michels, Vaders die rouwen (Querido)
A.L. Snijders, Tat Tvam Asi (AFdH)
Annelies Verbeke, Treinen en Kamers (De Geus)
Uniek voor deze prijs is dat het prijzengeld geheel door middel van crowdfunding bijeen wordt gebracht. Dit jaar stond de teller op € 5.733,11.
De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2022 bestaat uit Ionica Smeets (voorzitter), Dirk-Jan Arensman, Bo van Houwelingen, Christine Otten en Ronald Soetaert.