• Fotosynthese 28 – Een kopje thee van mevrouw Sonneveld

     

    Klik op de foto zie de achtergrondfoto in zijn geheel


    Donkere wolken boven het centrum van Rotterdam. Het is 14 mei 1940, twee uur in de middag. Een half uur eerder is het allesvernietigende bombardement begonnen, waardoor de oude binnenstad grotendeels is weggevaagd. Wonderlijk dat zoveel destructie in zo’n korte tijd, niet meer dan veertien minuten, plaats heeft kunnen vinden. Het Duitse bommentapijt zorgt vooral voor grote branden en een verstikkende rookontwikkeling. Als de bommenwerpers zijn verdwenen, zal het nog dagen duren voor deze vuurzee kan worden bedwongen.

    Mensen die de brandende hel overleven en weten te ontvluchten, al dan niet met in de haast bijeengeraapte bezittingen, verzamelen zich op de open vlakte aan de westzijde van het centrum. Het is de dichtstbijzijnde plek om de overweldigende hitte te ontlopen, op slechts tweehondervijftig meter van de brandgrens. Met een blik op de enorme rookwolken wacht men in onzekerheid af op wat komen gaat. Gezinnen zitten bij elkaar, buren zijn opgelucht elkaar te zien – het zou zomaar een aangename bijeenkomst kunnen zijn, ware het niet dat onder de inktzwarte wolken de stad met de grond gelijk is gemaakt.

    Die open vlakte wordt een veilige plek voor honderden getroffenen. Het zogenaamde Land van Hoboken ligt midden in Rotterdam. Ongeveer achtenvijftig hectare weiland tussen de Nieuwe Binnenweg en de Westzeedijk. Het landgoed is sinds het begin van de negentiende eeuw eigendom van de familie Hoboken, een geslacht van rijke scheepvaartondernemers. Aan de kant van de Westzeedijk staat Villa Dijkzigt, het woonhuis van de familie – het huidige Natuurhistorisch Museum. De stad Rotterdam heeft zich door de jaren heen om het Land van Hoboken heen gekruld, omdat de familie lange tijd weigerde het landgoed aan de gemeente te verkopen. Een stuk polderland omringd door stedelijke bebouwing, de steeds meer uitdijende stad die pas op de plaats moet maken voor een groene plattelandsoase. In de lente ziet men vanuit de huizen aan de Westersingel de lammetjes door het gras huppelen, in de zomer hoe de pachtboer zijn hooi binnenhaalt.

    Pas in 1924 bereiken de gemeente en de familie Hoboken toch overeenstemming over de verkoop en wordt begonnen aan een stedenbouwkundig plan om het gebied met de omringende stad samen te laten vloeien. Allereerst is er de bouw van Museum Boymans van Beuningen aan de grens van het gebied. Het plan voor de rest van het openliggende terrein kost veel tijd, wordt lang onderbroken door de oorlogsjaren en wordt pas echt in gang gezet vanaf 1955.

    Aan de rand van dit wondelijke stadslandschap wordt in 1932 Huis Sonneveld gebouwd (op de foto de lichte villa, centraal in het beeld). Als mededirecteur van de Van Nelle fabriek heeft Albertus Sonneveld zijn oog laten vallen op deze plek om zijn woonhuis te laten verrijzen. Onder de indruk van de nieuwe, modernistische architectuur van zijn fabriek laat hij architecten Brinkman en Van der Vlugt ook een ontwerp maken voor zijn privéwoning. Het hagelwitte bouwwerk is een state-of-the-art villa die geheel in de stijl van het Nieuwe Bouwen wordt gerealiseerd. Voorzien van de modernste snufjes, door Albertus opgedaan tijdens zijn zakenreizen door Amerika, zoals ingebouwde geluidsapparatuur in alle kamers, een luxe badkamer met massagedouche en alle meubels speciaal vervaardigd door de firma Gispen. De achterliggende tuin is op maat gemaakt zodat de glanzende Cadillac ’s morgens door de chauffeur gemakkelijk uit de garage gereden kan worden.

    Als mevrouw Sonneveld op die bewuste dinsdagmiddag in 1940 uit het raam kijkt, ziet ze de eerste vluchtelingen in het weiland neerstrijken. Achter het huis brandt de verwoeste stad en ze weet inmiddels dat het bombardement is gestopt en de villa Sonneveld mogelijk gespaard zal blijven. Ze roept het dienstmeisje en geeft opdracht ‘die arme mensen’ voor het huis een kopje thee te schenken. ‘Maar niet in het dure servies’. Er is natuurlijk geen beginnen aan. De toestroom van mensen is té groot. 

    Enkele tienduizenden Rotterdammers zijn na het bombardement op slag dakloos en dit aantal loopt binnen een paar dagen op tot vijfenzeventigduizend. Het grootste deel vindt nog dezelfde dag onderdak in de omringende wijken en dorpen, bij familie, bij kennissen of bij vreemden. Hier en daar moeten gezinnen één nacht in de open lucht doorbrengen om daarna al snel ergens terecht te kunnen. De gemeente Rotterdam hoeft slechts op enkele plaatsen noodopvang te realiseren. 

    Ter Apel 2022 – opnieuw hebben honderden mensen zich verzameld op een randje gras. Ditmaal niet voor een villa, maar voor het COA aanmeldcentrum. Hier zal de nacht weer doorgebracht moeten worden door vluchtelingen die zich door het overvolle centrum nog niet hebben kunnen aanmelden als asielzoeker. Het overgrote deel komt uit gebieden waar ze geen zekerheid hebben over hun eigen veiligheid of de veiligheid van hun dierbaren. De wereld van deze mensen is gekrompen tot de vierkante meter waar ze nu op verblijven. Overgeleverd aan de wispelturigheid van de politieke besluitvorming. Ook hier zal een kopje thee geen wonderen doen. Wat medemenselijkheid wel.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • De 39e Nacht van de Poëzie, een magisch taalfeest

     

    Literair Nederland moest onverhoopt verstek laten gaan bij de Nacht van de Poëzie, maar Sophie Mulder & Edo Storm, twee studenten uit Utrecht waren bereid deze Nacht voor ons te verslaan.


     

    ‘Ik twijfel niet / aan wie ik ben / maar wie zijn al die anderen?’, zo prijken de dichtregels van Andy Fierens in de dichtbundel van de 39ste Nacht van de Poëzie. Dit poëziefestival is voor velen niet enkel een zeven uur durende lof op de hedendaagse gesteldheid van de Nederlandstalige poëzie, maar ook een feest van herkenning, zowel van de namen op het podium, als van de gezichten in de wandelgangen.

    De 39e Nacht van de Poezië was voor ons respectievelijk de eerste en de vierde Nacht die we bijwoonden. Overdag kwamen we al bekende gezichten tegen in de stad, die voor dit evenement naar Utrecht waren afgereisd. Toen de nacht dan eindelijk viel, sloegen we met enige verwondering gade hoe de hele literatuurwereld bijeen was gekomen in de grote zaal van het Utrechtse Tivoli Vredenburg. De gangen bruisten en in de zaal hing een gezonde spanning. We twijfelden of dit marathon evenement ons wederom consistent zou weten te boeien, maar de eerste drie dichters vlogen al snel aan ons voorbij. Joke van Leeuwen sprong eruit als veteraan, die zich de kunst van het voordragen duidelijk op de meest originele manier eigen heeft gemaakt. Ze maakte ons bekend met de praktijk van dolfijnen die zonder schaamte en zonder taboes elkaars clitorissen stimuleren.


    Jong en oud

    Wat ons opviel, terwijl we het publiek in ons opnamen, was de curieuze verhouding tussen oud en jong. Dit werd vooral zichtbaar tijdens het optreden van de band Broken Brass. Terwijl in de ‘pit’ de zogenaamde jeugd op uitbundige wijze danste, kabbelde dit als een golf uit naar de bovenste hoeken van de zaal, waar het oudere publiek hier en daar werd aangestoken tot een bescheiden dansje. Bewonderenswaardig, aangezien de stoelen van de grote zaal in Tivoli niet bepaald uitnodigend zijn voor enige beweging. Tijdens de avond zagen we dan ook enkele mensen die zich een weg probeerden te banen door de doolhofachtige zaal onderuit gaan. 

    Na de eerste entr’acte begaven we ons even buiten de zaal. De doeleinden van het jonge en respectievelijk oudere publiek leken lijnrecht tegenover elkaar te staan. Middelbare scholieren en studenten bewezen door hun aanwezigheid hun volwassen en verfijnde culturele smaak, terwijl de ouderen zich schijnbaar te trots voelden om zich onder de jeugd te begeven, bij dit evenement dat tot diep in de nacht duurde. In de wandelgangen werd druk genetwerkt, door beide generaties en de algehele sfeer was levendig. Ivo de Wijs, die de tweede ronde van dichter afsloot, viel op door zijn humor en speelsheid, die alle elitaire pretenties een moment deed verdwijnen. Jong en oud genoten van zijn lofzang op de nare jeugd van tegenwoordig.
    Rond elf uur was eindelijk het moment daar, waar iedereen, ook al zullen ze het misschien niet toegeven, op had gewacht: Hans Klok. We kwamen er deze zaterdag zelf pas achter dat deze opvallende naam op de website prijkte. Dit soort unieke entr’actes maken de Nacht van de Poëzie tot wat het is.


    Betovering en begoocheling

    Terwijl eerst Charlotte van den Broek ons betoverde en begoochelde met haar woorden en innemende podium présence, stond daar plots deze blonde adonis als een teken van vergane glorie als nieuwe verwondering in deze ongebruikelijke context. In korte tijd trok hij verschillende kaartspellen uit zijn mouw, wist hij meerdere vrouwen op te sluiten in kleine kooitjes, ze in de fik te steken en door te spiesen met zwaarden om ze daarna weer heelhuids tevoorschijn te halen. Een show die voor veel gejuich en applaus zorgde, maar in de wandelgangen ook voor afkeer, zo hoorden we na afloop een dame aan haar vriendin vragen of ze ‘die verschrikkelijke Hans Klok’ had overleefd. 


    Levendige poëzie en Verbroederende saamhorigheid

    Het was juist tijdens het optreden van Klok dat de scheiding tussen jong en oud enigszins vervaagde. Naar onze mening was het Klok die het publiek weer even voorzag van wat broodnodige energie en verwondering om de mooie, maar soms uitputtende avond te ‘overleven’. Bovendien vinden we het prachtig dat de organisatie door de inclusie van Hans Klok in het programma, de harde lijn tussen ‘hoge’ cultuur, waar poëzie toch nog steeds onder valt, en de ‘lage’ variant, trachtte te overschrijden. Een doelstelling die überhaupt het hart lijkt te vormen van de Nacht waarin poëzie op levendige wijze toegankelijk wordt gemaakt.

    Klok’s energie werd voortgezet door een eveneens blonde (poëzie) magiër, Marieke Lucas Rijneveld. Hij nam de tijd en brak met zijn zorgvuldig geselecteerde strofes de Nacht doormidden. Enkel met ingetogen woorden, zonder hulp van vuur en schaars geklede vrouwen, wist hij het publiek tot een oorverdovende applaus te beroeren. ‘Betoverend’ is misschien wel de beste beschrijving van de staat, die deze poëtische marathon opwekt. Na enige tijd kom je als publiek terecht in een soort trance die de overgang tussen act en entr’acte, zaal en wandelgang en jawel, jong en oud doet vervagen. Wederom, slaagde de Nacht van de Poëzie erin om door middel van woord en cultuur een verbroederende en saamhorige sfeer te creëren die weinig andere evenementen weten te evenaren. 

     


    Zangeres Maria Farantouri neemt het publiek mee naar niet bestaande Griekse landschappen.

     

     


    Foto 1:  Michael Kooren
    Foto 2: Edo Storm

  • Annie Ernaux en de Nobelprijs voor de Literatuur 2022

     

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Het geluid dat donderdag na de bekendmaking klonk was er een van verbazing door degenen die haar werk niet kenden, van oprechte blijdschap onder degenen die Ernaux om haar stijl al jarenlang prezen.

    De Nobelprijs voor Literatuur wordt jaarlijks toegekend aan een auteur die – in de woorden van Alfred Nobel (1833-1896)- ‘het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend’ heeft geschreven. Dat Annie Ernaux – geboren Annie Duchesne (1940) Yvetot, Normandië – met De jaren een zeer opmerkelijk boek – jawel, een meesterwerk – heeft geschreven, bestaat geen twijfel. Idealisme zit in het pogen de geleefde dagen en jaren in kaart te brengen, waarbij zelfinzicht het onderzoeksgegeven is. Onderzoeken hoe en waarom het was zoals het was, daar schrijft zij over.
    De Zweedse Academie bekroont de Franse schrijfster, ‘voor de moed en klinische scherpte waarmee ze de wortels, vervreemdingen en collectieve beperkingen van het persoonlijke geheugen blootlegt’.


    Een goudmijn

    ‘Echte gedachten’, schrijft Ernaux in De jaren, wanneer ze de periode beschrijft dat ze een kind, man en appartement heeft, ‘vallen haar in wanneer ze alleen is of uit wandelen gaat met het kind.’ Echte gedachten, vervolgt Ernaux, ‘zijn voor haar geen bespiegelingen over hoe mensen praten of zich kleden, over de hoogte van stoepranden voor een kinderwagen, over de protesten tegen het stuk Les Paravents van Jean Genet of tegen de oorlog in Vietnam, maar vragen over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan.’ Echte gedachten, ‘hebben te maken met het ontrafelen van voorbijgaande, onmogelijk aan anderen mee te delen indrukken, met alles wat, als ze de tijd had om te schrijven – maar ze heeft niet eens tijd meer om te lezen – de stof van haar boek zou vormen.’ Wanneer je Ernaux leest kun je het gevoel krijgen op een goudmijn te zijn gestuit. Als je kijkt hoe ze schrijft, denk je aan ansichtkaarten, prentenbriefkaarten. 

    Overigens, toen op 6 oktober in het nieuws van 14.00 uur op de radio de naam klonk van de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, dacht ik even dat het de schrijfster was waarvan ik hoopte dat zij het zou worden, ook een Annie met dezelfde klank in haar achternaam. Annie Proulx, die van Zeeberichten, Accordeonmisdaden en Ansichten. De vreugde werd er niet minder om toen het Ernaux bleek te zijn. 


    Illegale abortus

    Annie Arnaux debuteerde op vierendertigjarige leeftijd met Les armoires vides bij Uitgeverij Gallimard. In 1990 verscheen het in vertaling van Marijke Jansen als Lege kasten bij De Arbeiderspers. Het gaat over een meisje dat vanuit de minder bedeelde sociale klasse in dat van de intellectuelen, de gegoede burgerij terechtkomt. De verscheurdheid die ze daarbij ervaart is schokkend. Ernaux schrijft daarin ook over een illegale abortus die zijzelf als begin twintiger in de jaren zestig onderging. In de novelle Het voorval (L’événement, 2000) is deze ervaring onderwerp van het boek geworden en verscheen in 2004 in een vertaling van Irene Beckers. Dit jaar verscheen er een derde, gewijzigde druk nadat in 2021 de verfilming van het boek, L’événement door Audrey Diwan in premiére ging en winnaar werd van de Gouden Leeuw tijdens het filmfestival in Venetie. 

    Dat De jaren pas in 2020 in Nederland verscheen, kwam door de afwachtende houding van de uitgever. Pas toen Les Années (2008) internationaal doorbrak, de Duitse vertaling uit 2017 in korte tijd zeven drukken kreeg en de Engelse vertaling in 2019 op de shortlist van Man Booker International Prize terechtkwam, gaf de Nederlandse uitgever groen licht. Op Vertaalverhaal schreef Rokus Hofstede, die drie boeken van Ernaux vertaalde, in 2021: ‘Geluk is als je van je uitgever te horen krijgt: Oké, we doen het!’, nadat je geruime tijd ‘Nee, we doen het niet…’ te horen hebt gekregen. Je kon vurig betogen dat Les Années in Frankrijk de status van een hedendaagse klassieker had, je kon aanvoeren dat het Annie Ernaux’ magnum opus was, een samenvatting van haar hele oeuvre, geschreven met het rijpe meesterschap van een auteur die twintig titels achter zich had liggen – dat soort argumenten legden toch niet zoveel gewicht in de schaal als de matige verkoopcijfers van haar laatste boek, Mémoire de fille (2016), [vertaald als Meisjesherinneringen, door Rokus Hofstede in 2017]. Pas toen het oorspronkelijk in 2008 verschenen Les Années internationaal doorbrak – de Duitse vertaling uit 2017 kreeg in korte tijd zeven drukken, de Engelse vertaling belandde in 2019 op de shortlist van de Man Booker International Prize – ging de Nederlandse uitgever overstag.’ Inmiddels verschenen van de De jaren in Nederland twintig herdrukken.


    Geen jubelende stijl

    Ernaux’ boeken kenmerken zich door de neutrale toon, een taal zonder versierselen. In interviews liet Ernaux meermaals weten: ‘De betovering van metaforen, het jubelen van de stijl zal voor mij nooit weggelegd zijn.’ Wat je leest is wat je krijgt, en alles wat daarachter voor belangrijks zit, komt vanzelf naar voren. Schaamte is ook zo’n ding, het kan je ten onder doen gaan als je er niets mee doet, je als een ster doen rijzen als je vandaaruit schrijft. Schrijver Didier Éribon, die zich ook uit zijn sociale klasse ontworsteld heeft, is schatplichtig aan Ernaux. Daarop volgend is Édouard Louis schatplichtig aan Éribon, waarmee indirect ook aan Annie Ernaux. 

    In La Place, het boek over haar vader wilde ze schrijven hoe hij ‘echt was’. Over zijn eerste kind, het zusje dat drie jaar voor Ernaux geboren werd, schrijft ze in La place, in 1985 vertaald als De plek door Edo Borger: ‘Ze kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school – een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.’


    Wachten op het sterven

    In De jaren schrijft ze over die tijd: ‘In alle families waren er kinderen gestorven. Aan plotse, ongeneeslijke kwalen, diarree, krampen, difterie. Het spoor van hun korte verblijf op aarde was een graf in de vorm van een wiegje met ijzeren spijlen en het opschrift “een engel in de hemel”, foto’s die werden getoond waarbij heimelijk een traan werd weggepinkt, gesprekken die zachtjes, haast sereen werden gevoerd, tot schrik van de kinderen, die meenden dat zij nog aan de beurt zouden komen.’ 

    Ernaux  schreef zo’n twintig boeken, allen autobiografisch van aard. Al deze boeken tezamen geven een integraal portret van een vrouwenleven in het Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog. De Zweedse Academie schreef dat Ernaux in ‘de bevrijdende kracht’ van het schrijven gelooft. ‘Haar werk is compromisloos en geschreven in duidelijke taal.’
    Elf van haar boeken zijn door zeven verschillende vertalers vertaald en in Nederland verschenen bij De Arbeiderspers. Op stapel staat de verschijning van Een jongeman, vertaald door Rokus Hofstede, dat gaat over Ernaux’ verhouding met een dertig jaar jongere man.


    Annie Ernaux is de zeventiende vrouwelijke auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel valt. De eerste Nobelprijs voor de Literatuur werd in 1901 uitgereikt aan de Franse dichter Sully Prudhomme (1839-1907). Andere gelauwerden waren onder meer Selma Lagerlöf  in 1909, Pearl S. Buck (1938), Herta Müller (2009), Isaac Bashevis Singer (1978), Toni Morrison (1993), Patrick Modiano (2014) en Olga Tokarczuk (2018).

     

     

  • Jong Literair Nederland

    Een oproep

    Literair Nederland is bezig met het opzetten van Jong Literair Nederland. Dat staat nu in de steigers en we zijn op zoek naar recensenten die enthousiast worden van goede kinderboeken en zin hebben om die te recenseren. Ben jij bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken? Zou je zelf kinderboeken willen recenseren, of ken je mensen die dit kunnen en willen, of die op een andere manier behulpzaam zouden kunnen zijn? Laat het ons weten.

    Wij horen graag van je als je denkt iets voor ons te kunnen betekenen.

    Mail ons: mohana@literairnederland.nl of carolien@literairnederland.nl

    Met vriendelijke groet,

    Mohana van den Kroonenberg, (kinderboeken)schrijver en boekverkoper
    Carolien Lohmeijer, redacteur Literair Nederland

  • Winnaar NK Poetry Slam schreef ooit vijf kilometer lang stoepgedicht

    Deze twintigste editie van NK Poetry Slam werd gewonnen door de Belgische Tom Driesen. Tijdens de grote finale van het NK Poetry Slam in TivoliVredenburg, namen acht woordkunstenaars uit Nederland en Vlaanderen het tegen elkaar op: Angelika Geronymaki, Bekvegter, KMR, Ko de Kok, Linde van Wingerden, Madelief Lammers, Suzanne Krijger en Tom Driesen. Zij verzekerden zich van een plek in de finale door tien dagen geleden de halve finale van het NK Poetry Slam te winnen. Tom Driesen mag zich na vanavond Nederlands Kampioen Poetry Slam 2022 noemen.

    Vooraf waren er voorrondes in Nederland en Vlaanderen waaruit de acht halve finale winnaars naar voren kwamen die op 24 september tijdens het International Literature Festival Utrecht, het tegen elkaar opnamen. Tom Driesen nam het in de finale battle op tegen Linde van Wingerden en veroverde de nationale titel en won zowel de meeste publieksstemmen als de jury voor zich. Hij ontving de Gouden Vink wisseltrofee, vernoemd naar Simon Vinkenoog en een cheque van duizend euro.

    De jury bestond dit jaar uit spoken word artiest Esohe Weyden, dichter Joost Oomen en muzikant Thijs Boontjes. De presentatie was in handen van Daan Doesborgh en Sophia Blyden. De jury was unaniem over de winnaar: ‘Tom ademt poëzie.’

    Tom Driesen schreef ooit een stoepgedicht van vijf kilometer lang als stadsdichter van Turnhout, stond recent met een symfonisch orkest op de planken en mocht al eerder als halve finalist aantreden bij het NK. Zijn inspiratie haalt hij naar eigen zeggen uit een potje Nutella. In 2022 won hij de voorronde van Mensen Zeggen Dingen in België.

     

     

    Foto: Michael Kooren

  • Ik neem humor best wel serieus

     

    De Anton Wachterprijs wordt elke twee jaar uitgereikt aan het beste prozadebuut. Zoals bekend, is de naam van deze prijs geïnspireerd op Simon Vestdijks bekendste romanpersonage. Nog altijd geldt Vestdijk als één van de productiefste schrijvers van Nederland. Gelukkig gaat kwaliteit ook in 2022 boven kwantiteit, en daarom wint Vestdijks naamgenoot Simone Atangana Bekono de Anton Wachterprijs met Confrontaties. Naar aanleiding hiervan interviewt Literair Nederland haar.

     

    Confrontaties is het verhaal van Salomé Atabong. Jarenlang wordt ze op school gepest door Paul en Salvatore, maar dan slaat ze van zich af. Te hard. Daarom zit ze in de jeugdgevangenis. In dit jeugddetentiecentrum krijgt ze therapie van Frits van Gestel, die ooit meedeed aan een programma waarin Nederlanders grappend en grollend Afrikaanse stammen bezochten. Bij hem is zij haar frustratie maar nauwelijks de baas. Wel slaagt haar tante Céleste erin Salomés boosheid te begrijpen. Schrijfster Simone Atangana Bekono maakt van Salomé, ondanks de pesterijen, zo veel meer dan een slachtoffer of een dader. ‘Via Salomé wilde ik onderzoeken hoe slachtofferschap beëindigd kan worden. Daarom vind ik mijn boek meer dan een aanklacht tegen een racistisch systeem. Hoe groot de jou aangedane pijn ook is, daar stopt je menszijn niet.’

     

    Je noemt dit boek expliciet níét autobiografisch. Waarom heeft de hoofdpersoon, Salomé Atabong, dan wel dezelfde initialen als jij?

    ‘Dat is een manier voor mij geweest om toch het personage dicht bij mezelf te houden. Het is een fictieve coming-of-age, en haar levensloop tot haar zeventiende is enigszins vergelijkbaar met de mijne. Maar de samenstelling van haar familie, de verbintenissen die zij aangaat, het heftige incident, zijn allemaal verzonnen en significant anders. Ik voorkom liefst, dat mijn boek één-op-één naast mijn leven wordt gelegd. Zelfs voor een uitgeverij is zoiets marketingtechnisch namelijk verleidelijk.’


    Want het is ‘waargebeurd’?

    ‘Precies, dan willen lezers weten wat er met die persoon is gebeurd. Interessant, maar door heel stellig het autobiografische karakter te ontkennen, druk ik die verwachting van ‘waargebeurd’ meteen de kop in. Hoewel ik weet dat mensen vrijelijk interpreteren en het desondanks zo kunnen opvatten. Alles wat je schrijft, komt deels uit jou en je belevenissen. Ik geloof dus niet in de Dood van de Auteur. Alleen vervolgens wordt het een kunstwerk, en bepaalde lezingen daarvan staan wél los van je.’


    Humor is wat mij betreft een prominente kunstvorm in Confrontaties. Een docent Nederlands weidt op zeker moment uit over intelligente humor, de grenzen ervan, ironie. Wat vind jíj goede humor?

    ‘Dat varieert. Een goede grap vind ik net zo bijzonder als een goed gedicht. Ik neem humor best wel serieus. Zoiets als Atlanta van Donald Glover vind ik goeie satire, hoewel ik er niet om moet lachen. Mijn familie houdt van leedvermaak. Best pijnlijk om toe te geven. Ik kom uit de internetgeneratie, dus ik lach ook om de domste online-filmpjes. Het laatste boek waar ik om heb gelachen, is Houthakken van Thomas Bernard. Een enorm grappig en zwartgallig verhaal.’


    Wat het publieke debat de laatste tijd domineert, is de opvatting dat ironie alles gladstrijkt. Hoe denk jij hierover?

    ‘Er is een kantelpunt gekomen, waarin de publieke tolerantie voor bepaalde uitingsvormen is veranderd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar cabaretiers en stand-up comedians die het idee hebben dat ze ‘niks meer kunnen zeggen’, dan vraag ik me weleens af: wie houdt je dan actief tegen? Is het echt zo dat je niks meer mag of kan zeggen of is het meer dat je minder wordt geroemd in de mainstream media om wat je zegt en dat je daar niet tegen kunt? Wat mij opvalt: hoe meer men zich vastbijt in de overtuiging álles te moeten kunnen zeggen, hoe minder grappig hun werk wordt. Bitter. Dat bewijst voor mij dat hun ego belangrijker is dan hun werk, humor. Dan verliest het zijn humoristische waarde. Dus ik vind die opmerking een makkelijk argument om jezelf toe te blijven staan alles te zeggen zónder dat je daarbij kritiek wenst te incasseren.’


    Tegengas is een soort muilkorf, volgens hen?

    ‘Ja, terwijl: die macht hebben veel mensen helemaal niet. Bovendien worden veel zaken ironisch genoemd, die potentieel gevaarlijk zijn. Denk aan hoe extreemrechts en andersoortig radicalisme hiermee speelt. Ik kan loyaal zijn aan makers die ik goed vind, dus ik blijf lang nieuwsgierig naar nieuw werk. Maar naar sommigen zit ik niet meer met plezier te kijken, omdat ik een innerlijke verandering bij hen bespeur. Want Ricky Gervais is in The Office geweldig, maar zijn recente stand-up…’


    Wie eveneens een flinke verandering doormaakt, is Salomés tante Céleste. Zij zegt op zeker moment tegen Salomé: ‘De structuren zijn tegen je gekeerd.’ Wat wil dat zeggen?

    ‘Céleste neemt een interessante positie in die familie in. Ze is de jongere vrouw en daarna ex-vrouw van Salomés oom. Zij probeert contact te zoeken met haar nichtjes, Salomé en haar zus. Die zijn daar aanvankelijk overigens niet zo happig op. Céleste is een jonge vrouw, gaat scheiden, verdiept zich in koloniale geschiedenis, genderstudies, intersectionaliteit… probeert haar nichtjes iets te vertellen over concrete zaken die zij in hun leven mee zullen maken: jongens die continu aan hen denken te mogen zitten, geweldsproblematiek. Céleste probeert handvatten mee te geven aan Salomé en haar zus om zich hiertegen te weren. De opmerking ‘De structuren zijn tegen je gekeerd’ vertolkt Céleste die net een awakening heeft gehad. Ze wil meegeven dat de meiden niet opgroeien in een gelijkwaardige wereld, hoewel ze dat nog niet heel direct zien. Zij wil dat Salomé en haar zus begrijpen waarom hun bepaalde dingen overkomen, die ogenschijnlijk losstaande incidenten lijken maar onderdeel zijn van een groter proces, een groter maatschappelijk systeem.’


    Onze cultuur draagt wel uit dat we met zijn allen gelijk en verlicht zijn.

    ‘Nederland is een multiculturele samenleving. Het boek speelt zich af in 2008. Dat is even na de dood van Pim Fortuyn. Het is een interessante periode, nog voor de eerste landelijke aandacht voor de Zwarte-Pieten-kwestie. De Nederlandse maatschappij zei over racisme: ‘Ja, maar dat is opgelost.’ En rond 2008 waren moslims een groot doelwit in het nieuws en de politiek. Salomé en haar zus groeien op in die periode, maar kennen bijvoorbeeld in hun vader ook niet de meest spraakzame persoon die deelt wat hij heeft meegemaakt. Hij zegt gewoon: ‘Als ze slaan, sla je maar terug.’ Dat gaat uit van een bepaalde gelijkwaardigheid, die voor zijn dochters niet geldt. Daar is hij blind voor maar tante Céleste ziet het wel. Door die ongelijkheid te benoemen hoopt zij de boosheid in Salomé te temperen, haar woorden te geven voor wat ze voelt, want de methode van haar vader werkt overduidelijk niet.’


    Vind je Salomé een slachtoffer?

    ‘Ja, in sommige gevallen. Maar niet alléén. Als het gaat om het pestgedrag, is zij slachtoffer van Paul en Salvatore. Als je iemand echter tot niks dan slachtoffer reduceert ontneem je die persoon zijn agency* en menselijkheid. Net zo goed als wanneer je stereotypeert en demoniseert. Salomé slechts een slachtoffer te noemen, maakt haar eendimensionaal. En daarmee worstelen gemarginaliseerde personen nu juist altijd, dat ze oppervlakkig worden neergezet. Het eerste boek van Toni Morrison, The Bluest Eye, gaat over een meisje dat in elk opzicht slachtoffer is van haar omgeving. Morrison gaf aan dat ze probeerde in dit boek alle personages, en dus alle personages die de hoofdpersoon Pecola teleurstellen of afwijzen, zo menselijk mogelijk te houden. Dan kan de lezer namelijk niet zomaar wegkomen met gevoelens van medelijden of veroordeling, maar juist de eigen medeplichtigheid in die systemen voelen. Als auteur moet je altijd zoeken naar volledigheid, wil je over dit soort thema’s schrijven. Dat probeer ik te doen. Daarom wilde ik van Salomé een zo realistisch mogelijk personage maken.’


    Hoe deed je dat?

    ‘Ik ben in de huid van iemand in die leeftijd gekropen, onder andere door diepte-interviews af te nemen bij twee jongeren die in jeugddetentie hebben gezeten. Tijdens mijn onderzoek en kijkend naar documentaires over jeugddetentie viel me op hoe apart zestienjarigen zijn. Volwassen genoeg om bepaalde zaken in het leven te begrijpen, en in sommige opzichten echt een kind. In ontwikkeling. Ik zelf was op die leeftijd heel stellig, wat ik herkende in de jongeren. Bij coming-of-age-verhalen vind ik sommige personages ongeloofwaardig vroeg wijs. Salomé is zeker intelligent, maar ook een beetje lomp. Heeft acties waarvan je denkt: ‘Dit had je nou juist níét moeten doen!’ Maar dat is lógisch, ze is zéstien. Dat wilde ik zo geloofwaardig mogelijk maken. Misschien had ik als zestienjarige dezelfde gevoelens als nu, maar destijds had ik er het vocabulaire niet voor die te uiten. Dus ik moest een stap terug doen en Salomés taal eigen en echt maken.’


    Aan het begin van Confrontaties gebruik je het motto ‘I am against all the major plots’ van Deborah Levy. Vanwaar dit motto?

    ‘Mij hielp dat motto om tijdens het schrijven het verhaal bij het kleine te blijven. Het is mijn eerste grote werk. Confrontaties wordt weliswaar voortgedreven door de plot, maar de plot zélf is niet groots. Er gebeurt veel in het hoofd van Salomé, maar weinig daarbuiten. Het draait om de gedachten van een complexe, interessante tiener. Grote delen van de vertelling bestaan uit flashbacks en mijmeringen. Daarom was dat motto voor mij verwachtingsmanagement naar de lezer toe. Hoewel het boek wel dynamisch is.’


    In elk geval roept Confrontaties veel vragen op. Waarom ontbreken in het boek expliciete hoofdstukaanduidingen, nummeringen en titels?

    ‘Er zit geen statement achter. Voor mij voelt een afbakening onnatuurlijk. Confrontaties bevat zeer korte hoofdstukken, flashes uit Salomés leven. Aanvankelijk nummerde ik de hoofdstukken, maar daardoor werd de onderbreking tussen de scènes te hard. Dus ik wilde de lezer meer meenemen met Salomés vertelritme, zodat hij er snel doorheen raast. Daarom wilde ik geen scherp onderscheid maken tussen hoofdstukken, beelden of fragmenten. Ik wilde dat het een soort brij werd, zoals Salomé dat meemaakt.’


    Welke opvatting over, of lezing van Confrontaties verraste of bevreemdde je?

    ‘Op twee manieren ben ik verrast geweest door de receptie ervan. Ten eerste typeerden nogal wat recensenten het werk als een heel ernstig boek, een ‘aanklacht tegenover een racistisch systeem’. Dat begrijp ik ook, maar dat is een best serieuze en eenzijdige interpretatie. Voor mij bevat het boek veel luchtigheid en humor. Van veel lezers kreeg ik dat ook geregeld terug, maar geen enkele recensie die ik erover las, noemde het.

    Ten tweede haalde Rasit Elibol mij aan in De Groene Amsterdammer, in een essay over ‘imposter syndrome’**. Dat schijnt onder mensen van kleur die op hoge posities terechtkomen of veel positieve aandacht voor hun werk ontvangen, vaak voor te komen. Dat deed mij veel, omdat hij mijn werk eervol vermeldde. Ik hou van zijn stukken, dus dat voelde als erkenning.’


    Ik kan me voorstellen dat bepaalde vragen ook een zekere focus leggen op datgene wat je ‘imposter syndrome’ in de hand werkt. Zo ben je weliswaar half-Kameroens, maar ook half-Zeeuws. Naar dat laatste wordt waarschijnlijk niet vaak gevraagd.

    ‘Terwijl dat gedeelte prominent aanwezig is in Confrontaties, mag ik wel zeggen.’


    Hoe?

    ‘Aan mijn oma, de moeder van mijn moeder dan, moet ik vaak denken omdat ik haar gedrag onbewust nastreef in het schrijven. Onverbloemd kunnen spreken, zij was erg direct. Niet altijd vriendelijk, maar daarin wel liefhebbend. Ze geloofde in wederzijds respect en beet regelmatig op haar tong, doorzag mensen scherp, voelde zich niet altijd geroepen om brandjes te blussen, maar kon daarin heel grappig zijn. Consistent eerlijk. Soms vervelend, maar het kan mooi zijn. Ik probeer dat in mijn werk ook.’


    Komt jouw oma dan bijvoorbeeld terug in tante Céleste, een vrouw die de confrontatie niet schuwt?

    ‘Nee, dan koppel ik mijn oma nog eerder aan Salomés zus, vanwege haar eerlijkheid, of eigenlijk botheid. Het zit wel in haar familie, heel spaarzaam zijn met uitingen van liefde. Toch voel je dat er een absolute genegenheid is.’


    Wie zijn inspiratiebronnen geweest bij Confrontaties?

    ‘Altijd als ik die vraag beantwoord, heb ik het gevoel dat ik lieg. Dat ik het aanpas aan wat het beste oogt. Deborah Levy uiteraard. Zowel haar motto als het motto van OutKast zegt veel over waardoor ik me heb laten inspireren. Ik heb ook veel Marguerite Duras gelezen. Haar stijl is scherp, kort, krachtig en poëtisch. Mijn boek is ritmisch geschreven en dat kun je koppelen aan mijn voorliefde voor hiphop. De cadans die in het boek zit, voedt de stem van Salomé, die heel erg ‘Fuck it’ kan zijn, alsof ze aan het freestylen is.’


    Hoe heb je die muzikaliteit erin gekregen?

    ‘Ik had nog nooit een roman geschreven. Wel worstelde ik ermee dat ik niet wist waar het verhaal naartoe zou gaan, als ik de juiste toon niet had. Het leek alsof de plot eerder voortkwam uit de toon, dan andersom. Het eerste element waaruit het verhaal is ontsproten, was Salomés stem. Maar de gebeurtenissen in het boek werden mij pas duidelijk, als ik eerst de juiste cadans te pakken had, haar energie. Schrijvenderwijs ontdekte ik wie zij is, waardoor ik haar ontwikkeling steeds moest bijsturen en herzien. In de plot heb ik dan ook ontzettend zitten rommelen. Mijn vriendin Lotte, die altijd met mij meeleest, zei: ‘De laatste versie is zó anders dan drie, vier versies eerder.’ Ik heb tot het laatste moment voor mijn toenmalige redacteur, Jasper Henderson, dingen veranderd. Tot op het laatst was ik zoekende naar wat er met haar zou gebeuren en hoe haar stem zou reageren.’


    De muzikaliteit loopt synchroon met Salomés gevoelsleven?

    ‘Ja, dat moest één-op-één kloppen. Het ritme en de muziek bepaalden de plot, en haar ontwikkeling.’


    Welke vraag over dit boek heb je nooit gehad, maar zou je wel graag wíllen krijgen?

    ‘Niet per se een vraag, maar iets anders. Ik vind het interessant dat het personage Frits meteen door iedereen keihard wordt veroordeeld, terwijl ik denk: het is nu juist zo’n personage bij wie je moet nagaan: heb ik ook ooit op deze manier in het leven gestaan of ben ik zo weleens met iemand omgegaan? Ik vind het veelzeggend als mensen zo keihard doen van: ‘Vreselijke vent, alles wat er mis is met de maatschappij.’’


    Dan reken je je zelf automatisch tot de groep die alles doorheeft.

    ‘Ja, dat je gelooft: ik ben in elk geval niet zó slecht. Ik denk juist dat vervelend genoeg iedereen zich wel eens als ‘een Frits’ heeft gedragen. Dat is het confronterende. Dat je totaal blinde vlekken hebt voor je eigen privileges of voor die van een ander. Dat vind ik wel grappig.’


    Toch maak je hem ook sympathiek. Hij probeert toenadering te zoeken.

    ‘Salomé is duidelijk niet gecharmeerd van hem. Als lezer kun je dan snel met haar meevoelen, in de trant van: ‘Lekker voor je.’ Terwijl ze soms ook superonredelijk tegen hem is, wat wel te begrijpen valt. Frits heeft wel een bepaalde soort macht, maar ook weer niet zo veel. Zijn blinde vlek is natuurlijk dat hij zich niet bewust is van de consequenties van zijn tv-programma, waar hij een beetje jolig is ingestapt. Dat kan hij wel goedpraten door te zeggen dat het ongelukkig is ge-edit, maar zo onschuldig is het reisprogramma natuurlijk niet en hijzelf ook niet. Dat is de tragiek van Frits, omdat hij zich dit maar niet realiseert.’

    Bekono besluit met de opmerking dat Frits, net als Céleste, een mozaïek van indrukken is. Hij bevat allerlei ‘bits and pieces’ van wat wij zelf zijn, gezien hebben, kennen, waar we om lachen en wat we veroordelen. Want ook dat leert Confrontaties ons: hoe confronterend is het wel niet dat we ons ergeren aan wie wij ten diepste zelf zijn?

     

     

     

     

     

     

     

     


    * Agency: term uit de sociologie. Betekenis: de handelingsmogelijkheid van een individu.

    ** Imposter syndrome: diepgewortelde overtuiging niet te voldoen aan de verwachtingen van anderen en jezelf, waarbij bovendien de angst bestaat te worden ontmaskerd als een bedrieger. Dit negatieve zelfbeeld wordt gekenmerkt door zelftwijfel, een gevoel van ontoereikendheid, ondanks een hoge opleiding, relevante ervaring en tastbare successen.

     

    Foto: © Bianca Sistermans

  • De band tussen vader en zoon als rode draad in tweede boek

     


    ‘Suriname is mijn basis,’ zegt schrijver en dierenarts Chris Polanen. ‘Ik ben hier geboren en heb hier van mijn tiende tot mijn twintigste gewoond. Ik ben weliswaar naar Nederland vertrokken waar ik inmiddels veertig jaar woon, maar ik voel me nog heel erg verbonden met Suriname. Mijn moeder woont er nog, familie, vrienden en kennissen. Suriname betekent nog steeds veel voor mij. De basis van mijn schrijven is altijd het verlangen naar Suriname geweest. Als ik schrijf, schrijf ik vanuit deze plek. De hoofdpersonen, de gebeurtenissen, die zijn altijd gesitueerd rond mijn ouderlijk huis of in deze buurt, Paramaribo Noord.


    Niemand zo blij als Chris Polanen om voor de tweede keer in Suriname zijn boek 
    Centaur te presenteren. De eerste keer was eerder dit jaar voor een kleine groep vanwege de toen geldende Covid-19 maatregelen. De schrijversavonden zijn weer hervat na de pandemie. Deze keer wordt het boek voor een grotere groep gepresenteerd tijdens de tweede thema-avond van de Schrijversgroep ‘77 in Tori Oso.

    Niets te verwachten

    Centaur gaat over de student Gili die droomt van een grote liefde en van studeren in Nederland. Van zijn vader, een populaire politicus en playboy die niet naar zijn kinderen omkijkt, hoeft hij niets te verwachten. Zijn enige kans: als springruiter met de oude hengst Norbert meedoen aan een wedstrijd om met het prijzengeld zijn studie te kunnen betalen. In de aanloop naar de wedstrijd ontmoet hij niet één, maar twee vrouwen die zijn leven volledig op zijn kop zetten en kan hij niet langer geheim houden dat hij Norbert beter aanvoelt dan gewoon is voor een ruiter en zijn paard. Als zijn vader wordt opgepakt na een bomaanslag op het regime blijkt dat Gili en hij elkaar meer nodig hebben dan ze durven toegeven.

    Ik ben in 1983 vertrokken naar Nederland,’ zegt Polanen. ‘De universiteit ging hier dicht. Alles stortte zo’n beetje in, veel studenten gingen weg. Ik heb dit boek gesitueerd in het Suriname van 1990, maar de hoofdpersoon die een student is, in dezelfde positie van de jaren tachtig gezet. Hij zit op de universiteit, er gebeurt niks, hij weet dat hij voor een goede toekomst naar Nederland moet om te studeren. En daarna hoopt hij terug te komen. Ik heb geprobeerd dat gevoel van die tijd te beschrijven. Van “hoe voelden mensen zich en wat zagen ze als mogelijkheden”. Ik heb ook dingen uit andere tijden toegevoegd. Mijn eerste boek Waterjager was een experiment. Ik ben eraan begonnen, maar ik wist niet precies wat ik kon en wat het zou worden. En ik wilde een heftig boek schrijven over waar veel conflict was, een harde maatschappij, een fictieve maatschappij, en dat is gelukt. Dit boek geeft een realistischere maatschappij weer, maar ik heb mezelf ook als schrijver ontwikkeld. Ik weet wat ik kan als schrijver, wat een beetje de stijl is waar ik naartoe wil. Dit boek bevat veel meer humor, veel meer romantiek en ik zie het ook als onderdeel van mijn ontwikkeling als schrijver.’

    De band van vader en zoon

    In ontspannen sfeer lunchen we bij de Gadri naast Fort Zeelandia, langs de Surinamerivier waar het lekker waait, de zon zijn tanden piert en wij veilig onder een parasol zitten met om ons heen toeristen die genieten van Switi Sranan (lekkere Surinaamse hapjes). Polanen vertelt dat Centaur een deels autobiografische roman is. De hoofdpersoon Gili, een afspiegeling van hem, probeert ondermeer een relatie met zijn vader op te bouwen, de vader van Polanen. 

    ‘Als je een roman schrijft moet je heel diep gaan en je nergens voor schamen. Zolang je probeert stoer te doen of probeert dingen te verbergen word je nooit een goede romanschrijver. Je moet alles blootgeven. Dat is een van de geheimen van een goede roman en dat heb ik hier ook gedaan. Mijn gevoelens over mijn vader zijn ambivalent. Ik ben wel trots op hem, hij was een bijzondere man, hij was een goede dichter en een heel charismatische en intelligente man. Maar ik voelde ook een bepaalde boosheid tegenover hem omdat hij eigenlijk nooit naar mijn moeder en mij heeft omgekeken. Dus beide dingen heb ik gebruikt, zonder iets achter te houden.’

    Controle over zijn vader

    Polanen kent zijn vader Pieter Polanen alleen van verhalen, hij heeft hem nooit bewust gezien. ‘Hij was bekend en ook wel berucht zou je kunnen zeggen. Het was logisch dat ik hem ooit in een roman naar voren zou brengen. Alleen, de vraag was hoe? Uiteindelijk besloot ik hem zo goed mogelijk te beschrijven, niet te veel fantasie op hem los te laten, maar alle verhalen die ik van hem ken te bundelen. Verhalen van mijn moeder, van vrienden en familie en dan zo goed mogelijk beschrijven wat voor persoon hij was. Daarmee gaf ik mezelf de kans om gesprekken met hem te voeren en te kijken wat voor relatie ik met hem zou hebben gehad als hij nog geleefd had. Hij is overleden toen ik zeven was en ik heb hem alleen als klein kind ontmoet. Ik heb dan ook geen herinneringen aan hem. Het was een logisch thema dat in het boek aan de orde zou komen. Ik heb het ook zo onderzocht dat het in een breder verband gezien kan worden; hoe is de relatie van Surinaamse vaders met hun zonen. Dat heb ik in mijn boek proberen uit te werken.”

    Het opbouwen van een relatie lijkt in eerste instantie niet gemakkelijk voor Gili aangezien zijn vader wordt gearresteerd voor een bomaanslag, net als de vader van Polanen. Echter, pas op het moment dat zijn vader in de gevangenis komt, is er een mogelijkheid om een relatie op te bouwen, omdat de vader nergens meer naartoe kan en niemand anders hem opzoekt. ‘Het moment dat ik mijn vader tijdens het schrijven in de gevangenis zette werd het schrijven ook makkelijker. Je zou kunnen zeggen dat ik toen eindelijk controle over hem had gekregen.’

    Heimwee

    ‘Ik ben puur gaan schrijven vanuit heimwee,’ antwoordt Polanen op de vraag vanwaar de passie om te schrijven komt. ‘Mijn remigratie was mislukt en op een gegeven moment ben ik gaan schrijven over Suriname. Ik had nooit gedacht dat ik schrijver zou worden. Ik begon met columns, over de mislukte remigratie, wat ik beleefde toen ik weer naar Suriname kwam, want ik kwam nog wel op vakantie. Ik schreef daarna een hele serie columns. Mensen waren enthousiast daarover. Dus ik ging ook meer columns schrijven voor de Waterkantde Parbode en de Ware Tijd. Uit die columns zijn de korte verhalen voortgekomen, verhalen die zich in Suriname afspeelden. Ik deed mee met schrijfwedstrijden en won meestal wel iets. Op een gegeven moment won ik de eerste prijs hier in Suriname bij de Ware Tijd Literair voor het kortverhaal ‘Carnaval’ dat zich afspeelt in Paramaribo Noord, bij de Brazilianen. En toen had ik zoiets van “Ik kan die roman ook wel schrijven”.’

    ‘Het schrijven van die eerste roman Waterjager kostte mij zes jaar. Dat was een struggle, want ik moest zoeken naar een eigen stijl, hoe bouw je die roman op, de personages en de sfeer. Het was een leerproces. De tweede roman ging al sneller en veel makkelijker.’

    In Nederland wint Polanen steeds meer terrein als schrijver van kleur. ‘De literaire wereld van Nederland is een witte wereld. Er zijn weinig schrijvers van kleur. Maar in deze tijdgeest is het een voordeel, men is op zoek naar verhalen van schrijvers met andere culturele achtergronden. Er wordt nu wel gedacht dat een Surinaamse schrijver interessant is.’

     

    Centaur / Chris Polanen / Lebowski Publishers / 352 pagina’s

     


    Centaur is één van de tien boeken die genomineerd zijn voor de prijs Beste Boek voor Jongeren in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig. De shortlist is samengesteld door een jury van volwassenen: ‘De diversiteit in personages is groot en dat geldt ook voor de auteurs. Die voldoen natuurlijk al langer niet meer aan het achterhaalde beeld van uitsluitend witte elitaire mannen van (voorbij de) middelbare leeftijd. De auteur van nu (x/v/m) is jong, oud, zwart, van kleur, wit, queer, hetero, cis en trans. Dit maakt de verhalen divers en zorgt ervoor dat steeds meer jongeren zich gerepresenteerd kunnen zien in de literatuur. Ontzettend fijn, ontzettend belangrijk en bovenal ontzettend terecht.’ Een jury van zes jongeren zal de twee winnende boeken bepalen en in september bekendmaken.

    Lees hier de recensie op Literair Nederland van Centaur.

    Foto: collectie Chris Polanen

  • De manier om je te verbinden met de geschiedenis

     


    Schrijfster en documentairemaakster Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) debuteerde in 2005 met de roman De Parbo Blues, gebaseerd op haar vader die in de jaren zestig, ruim voor de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland emigreerde. Hij trouwde met een Nederlandse vrouw, die later haar moeder werd. Sinds 1997 woont ze in Suriname en werkt als cultureel attaché voor de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Naast romans, theater en non-fictiewerken, schrijft zij artikelen, columns en recenseerde voor De Ware Tijd Literair.


    Nadat ze haar eerste artikelen en verhalen had geschreven kreeg ze op haar vijfentwintigste de mogelijkheid een reisgids over Suriname te schrijven.
    Het Reishandboek Suriname verscheen in 1997 bij uitgeverij Elmar en beleefde sindsdien vele herziene herdrukken. Na haar debuutroman schreef Leuwsha nog twee romans en twee non-fictieboeken. Dit voorjaar verscheen De wilde vaart, over een tijd van plannen maken, financiële tegenslagen, over de doorwerking van het koloniale verleden in het dagelijks leven van Surinamers en de weg terug naar jezelf.


    Van haar eerste roman,
    De Parbo Blues, verscheen onlangs een vierde druk. Ook Fansi’s stilte over haar Surinaamse grootmoeder, beleefde vier drukken. Momenteel werkt Leuwsha als regisseur en scenarioschrijver aan een documentaire gebaseerd op dit boek. Met haar man, reisgids en kunstenaar Sirano Zalman werd ze net voor de pandemie de wereld stil legde, eigenaar van plantage Frederiksdorp in het Commewijne district in Suriname. Het beheer van deze plantage gaf indirect aanleiding tot het schrijven van De wilde vaart.


    Voor de presentatie van haar laatste boek
    was Tessa Leuwsha in Nederland en spraken wij elkaar bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde. Onder meer over een onafhankelijk Suriname dat zijn kracht nog niet heeft gevonden, over bijgeloof, de boeken die ze schreef, de veerkracht van de mens en dekolonisatie.


    Schrijven vanuit Suriname

    Het was net na de binnenlandse oorlog dat Leuwsha in 1996 voor het eerst naar Suriname ging. Omdat het niet veilig was alleen te reizen, sloot ze zich aan bij een reisgroepje. Daarvoor had ze in Nederland een reportage gezien over Suriname waarin een Surinaamse bootsman, die als gids in deze reportage voorkwam, haar sympathie had. Dezelfde gids, Sirano Zalman was ook reisleider van het gezelschap waar zij zich bij had aangesloten. Tijdens die reis was er een klik tussen hen beiden. Terug in Nederland gingen er brieven over en weer en een half jaar later reisde ze voorgoed naar Suriname. ‘Die reisgids heb ik in Nederland afgemaakt, maar verder is ieder boek van mij vanuit Suriname ontstaan.’

    Eenmaal in Suriname werd ze geconfronteerd met een stuk geschiedenis waar ze niets van afwist. ‘De meeste van mijn tantes en ooms woonden allemaal in Nederland, maar hadden het nooit over Suriname. Het onderwerp slavernij was non-existent. Pas toen ik er woonde, begon ik mij dingen te herinneren van mijn Surinaamse grootmoeder uit de tijd dat ze bij ons in Amsterdam logeerde. En ik vroeg me af: “Wie was zij eigenlijk?” Ik wist niks van het land van mijn voorouders.’


    Het verhaal van de grootmoeder

    In de jaren zeventig, als Leuwsha een tiener is, komt de moeder van haar vader over uit Suriname om in Nederland aan haar ogen geholpen te worden. Het is een echte Surinaamse tropenvrouw, met een angisa, een doek, om haar hoofd, streng sprekend.
    ‘Ik had op die leeftijd wel wat vrienden die in het Surinaamse circuit zaten, maar ik was nooit in Suriname geweest. En daar kwam opeens een oma binnenlopen die de hele tropen met zich meebracht. Dat was toen vooral ongemakkelijk en raar, alles veranderde in huis. Mijn vader reageerde op een manier op zijn moeder die ik niet van hem kende. Toen ik later  in Suriname woonde, kwam die herinnering daaraan weer terug. Ik had haar weggezet als een merkwaardige oma die later bij een van haar andere kinderen in Nederland ging wonen tot ze in een bejaardentehuis terecht kwam.’

    Voor Leuwsha betekende haar oma haar enige directe band met Suriname. Ze werd nieuwsgierig naar haar leven en begon alles te lezen over de geschiedenis van Suriname. ‘Er ging een wereld voor me open. Als kind had ik me wel eens afgevraagd waarom Surinamers er allemaal zo verschillend uitzagen, alleen al de verschillende tinten aan huidskleur. Suriname is geschapen door meerdere etnische bevolkingsgroepen.’


    Schrijven vanuit Suriname

    In het begin schreef Leuwsha columns voor de weekkrant van Suriname (ook in de grote steden in Nederland te verkrijgen), onder de titel ‘Groetjes uit Suriname’, en artikelen voor tijdschrift  De Ware Tijd. Dan overlijdt haar vader vrij onverwachts.
    ‘Ik besefte dat met hem ook het verhaal van Surinamers die als economische vluchtelingen in de jaren zestig naar Nederland kwamen, wat ook een deel van mijn voorgeschiedenis is, zou verdwijnen. Toen ben ik De Parbo Blues gaan schrijven. Ik had al een klein kind en ik herinner me dat ik hem toen in de box heb gezet en begon te typen op een oude computer, zo’n grote kast. Ik was eigenlijk aldoor moe, door het werk dat ik deed en de zorg voor die kleine. Toen moest ik aan mijn oma denken, zij had negen kinderen en ik dacht, ‘Kom op zeg!’ En de eerste zin die ik typte was, ‘Oma is altijd moe.’ Die is er later wel uitgegaan, maar zo begon ik.Toen ik op driekwart was, dacht ik, “Wat wil ik hier eigenlijk mee?” Toen ontmoette ik de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre, die stuurde een deel van mijn verhaal naar haar literair agent, Alice Toledo. Daarna werd ik uitgenodigd om over het manuscript te komen praten. Tilly Hermans, van uitgeverij Augustus wilde het uitgeven. In tweeëneenhalf jaar had ik een boek gepubliceerd. Fantastisch was dat.’

    In haar boeken speelt de geschiedenis van Suriname, de huidige stand van zaken in het land en familiebanden, een grote rol. Om de koloniale geschiedenis van Suriname in beeld te brengen maakt zij gebruik van haar eigen persoonlijke geschiedenis.
    ‘De combinatie fictie – non fictie vind ik een spannende combinatie, maar ook vrij logisch want in Suriname is er veel orale geschiedenis die wordt doorverteld. Of het verhaal geheel waar is of niet, is dan niet interessant meer. Het feit dat het van generatie op generatie is doorverteld, dat maakt dat het waar is. Ik vind geschiedenis pas interessant wanneer die persoonlijk is, dan komt het binnen. Het gebeurt nu wel meer dat geschiedenis vanuit personen verteld wordt, kijk maar naar musea. Het is de manier om je werkelijk te verbinden met de geschiedenis.’ 


    Op zoek naar de veerkracht van Suriname

    Vanaf het begin dat Leuwsha en haar man plantage Frederiksdorp willen uitbaten, worden ze gehinderd door pech. Een vriend (een van hun belangrijkste mede-aandeelhouders) overleed, de dochter van een werknemer werd ernstig ziek, het regenseizoen begon veel eerder en daar kwam ook nog de lockdown vanwege corona bij. Alsof de duvel ermee speelde.
    ‘Ik ben behoorlijk bijgelovig en was erg onder de indruk toen mijn oma, toen ze bij ons in Nederland was, ons huis zegende. Tegen Sirano had ik al gezegd dat we nooit een moment hebben genomen om stil te staan bij wat er hier allemaal gebeurd is. Het is binnen de Surinaamse cultuur gewoon dat je een pand of plek eerst inwijdt. Maar wij zijn eigenlijk gelijk begonnen met plannen maken en inrichten. Als ik er al aan dacht, dacht ik ook: “Ja maar, hoe doe je dat dan?” Moet het met een pater, een priester, dominee, Imam, Hindoestaan? 

    Ja, en toen werd ik op een nacht wakker en had over mijn oma gedroomd. Opeens dacht ik, wij moeten nu, op dit moment gaan inwijden. We hebben met een kalebas water uit de rivier geschept en zijn langs al die oude gebouwen uit de 18e eeuw gegaan en de gebouwen ingezegend en prevelden er in het Sranantongo teksten bij. Het voelde als een enorme bevrijding, dat stilstaan bij alles. Ondanks wat daar allemaal gebeurd is, is het ook een heel aangename plek. Dat was juist het verwarrende.’

    In De wilde vaart schrijft Leuwsha dat ze van het woord ‘slaaf’ onpasselijk wordt, maar ook het woord ‘tot slaafgemaakten’ niet correct vindt. ‘Slaafgemaakten is technisch een on-woord. Ik heb wel begrip voor wat ermee beoogd wordt te zeggen, dat je niet als zodanig geboren bent. Maar ook dat het niet je enige aspect van je identiteit is. Misschien kon je ook mooi zingen, of goed jagen, dansen. Dat ene woordje ‘slaaf’ beperkt je gelijk in je persoonlijkheid tot iemand die alleen maar opdrachten van anderen uitvoert, onder dwang. Maar ik vind wel dat ‘slaaf’ heel goed weergeeft wat er gebeurd is, je bent de slaaf van iemand. Tot slaafgemaakten klinkt daarvoor weer te afstandelijk. Als we tijdens een tocht op een plantage komen en we zien daar een suikerpers, dan denk je niet, “Oh, tot ‘slaafgemaakten’ hebben deze pers bediend.” Hier in de brandende zon was het gewoon slavenarbeid.’


    Op zoek naar de veerkracht

    Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen en de rekeningen zich opstapelden, was het erop of eronder. ‘We konden bij de pakken neer gaan zitten of iets gaan ondernemen. Dat deden we door per boot de rivieren af te gaan en langs plantages te gaan. Ook voor onszelf, we wilden weer in verbinding komen met de natuur, mensen opzoeken om te weten hoe ze overeind zijn gebleven, waaruit hun veerkracht bestaat. ‘Op zoek naar de veerkracht van Suriname’ is ook de ondertitel van het boek geworden. Die veerkracht zit voor Leuwsha  in de creativiteit van de Surinamers, hun humor en hun grote zelfrelativeringsvermogen.
    ‘Waar het koloniale debat in Nederland hevige vormen aanneemt, is die in Suriname relatief klein. De mensen gaan door, en doorgaan vereist zoveel creativiteit dat er geen tijd is voor debat. Er moet vis gevangen worden, letterlijk en figuurlijk. Een intellectueel debat is ook een luxe, je moet er de tijd voor hebben. Onderwerpen als onderwijs, gezondheid heeft hier meer prioriteit dan het verleden te analyseren.’  

    In De wilde vaart schrijft ze, ‘Nederland mocht gedurende zijn overheersing een explosie van geweld hebben veroorzaakt, na de onafhankelijkheid van Suriname was een implosie gevolgd: een vernietiging van binnenuit. En net zoals het volk ooit met rood-wit-blauwe vlaggetjes leden van het Huis van oranje had onthaald, was het daarna van zijn gijzelnemer Desi Bouterse gaan houden. Surinamers leken massaal aan het Stockholmsyndroom te lijden: ze voelden sympathie voor hun geweldenaar (…).


    Jong en onervaren land

    Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd verklaard, financierde Nederland dat met een afkoopsom, de zogenoemde verdragsmiddelen. De steun vanuit Nederland was dus zeer beperkt.
    ‘Het is een land met een turbulente geschiedenis, deels ook zelf veroorzaakt, in die zin dat het niet gelukt is kort na die tijd op eigen benen een hechte democratie te vormen. De ene helft van de bevolking wilde niet onafhankelijk worden, de andere helft wel. Het is er toen gewoon doorgedrukt in het parlement, met rampzalige gevolgen. Zo’n jong land kan zich niet bedruipen, er is geen infrastructuur en daarbij het feit dat het een volledig leeg geplukt land was. Zo’n dekolonisatie zou veel geleidelijker moeten gaan. Daar zou je tientallen jaren voor uit moeten trekken om af te bouwen en over te dragen. Het is een verplichting om na ruim driehonderd jaar kolonisatie een land te helpen opzetten.’

    Aandacht voor de trauma’s en de gevolgen van de dekolonisatie, is pas heel recent. “De Volkskrant heeft een serie van mensen die over die gevolgen praten, daar heb ik ook aan bijgedragen.’

    Vijfentwintig jaar woont Leuwsha nu in Suriname, ze is er groot gegroeid, haar kinderen zijn er geboren. Of je je er dan thuis voelt. ‘Ik was in Nederland niet een van de groep, en dat ben ik in Suriname ook niet. Ik ben een schrijver, ik observeer.’

     

    Foto: Sirano Zalman


     

     

     

     

     

    De wilde vaart / Tessa Leuwsha / 224 blz. / Uitgeverij Atlas Contact

     

     

  • Ik begon met schrijven om mijn eigen verhalen te vertellen

     


    Onder grote publieke belangstelling heeft toneelschrijfster en actrice Bodil de la Parra (1963), op woensdag 15 juni 2022, haar boek Het verbrande huis over de gelijknamige theatervoorstelling officieel gepresenteerd in Suriname. Het was de eerste thema-avond van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – na de Covid-19-pandemie. Het verbrande huis gaat over de familie van Bodil de la Parra van vaderszijde, de bekende filmmaker Pim de la Parra. Tijdens haar presentatie las De la Parra eerst een hoofdstuk uit het boek voor waarna ze vertelde waarom ze het belangrijk vond het boek te schrijven. 

    ‘Het huis was in tien minuten afgebrand. Toen ik in 2014 op de lege plek stond met mijn vader waar het huis en de apotheek eens was besloot ik dat het tijd was eindelijk de familieverhalen op te schrijven. Ik wist dat ik mijn eigen herinneringen moest opschrijven maar ook die van de andere familieleden. Ook waar onze familie vandaan kwam was belangrijk om op te schrijven. Er zit ook een laag in het boek dat niet in het voorstelling zit zoals dat mijn zoon Jim zijn eerste stappen heeft gezet in het huis toen hij veertien maanden was. Ik vond het belangrijk dat ik de herinneringen niet zou vergeten met het afbranden van het huis.’

     

     

    Het toneelstuk en het boek zijn een ode aan haar familie

    ‘Ik kon mijn oude tantes, tante Gus en tante Pop en tante Jet, op deze manier eren die ook de zorg van mijn vader op zich hadden genomen nadat hij zijn moeder verloor op jonge leeftijd. Mijn vader heeft het boek gewaardeerd. Ik kreeg ook een compliment van journalist Biemla Gajadien, ze heeft het boek in twee dagen uitgelezen.’

    In Nederland heeft ze ook positieve recensies ontvangen. Dit hoewel de promotie van het boek niet optimaal kon geschieden aangezien het net voor de Covid-19-pandemie uitkwam. Ze was benieuwd hoe het boek in Suriname zou worden ontvangen. De terugkomst in het land is voor haar ook best emotioneel. Ze ziet namelijk haar vader en familie eindelijk na drie jaar weer terug. Bij aankomst op Zanderij moest zij al een traantje wegpinken. Voor de pandemie was De la Parra regelmatig in Suriname. Ze had er ook de stukken Het verbrande huis en Woiski vs Woiski opgevoerd. Ze ging ervan uit dat ze na haar laatste bezoek er weer snel zou zijn, maar toen kwam de pandemie. Dus nu is niets meer vanzelfsprekend voor haar geeft ze aan.

    ‘Als ik straks vertrek, weet ik niet wanneer ik er weer ben. Ik krijg allemaal berichten dat er weer een corona uitbraak in Amsterdam  is. Alles mag namelijk weer. Mensen worden niet ernstig ziek, maar de situatie is nog niet bedwongen. En mijn vader wordt ook steeds ouder.’ De la Parra merkt bij de aanblik van Paramaribo op dat er veel achteruit is gegaan. Ook in gesprekken met anderen kwam naar voren dat de situatie sinds de laatste keer dat ze hier was, verslechterd is.
    ‘Aan de andere kant zijn er wel andere positieve zaken bijgekomen. Ik voel de veerkracht van de mensen altijd weer hier. Ondanks de moeilijke omstandigheden. De mensen zijn sterk en optimistisch.’ 


    Schrijven over alles

    In een uitgebreid gesprek geeft De la Parra aan dat ze eerst jeugdstukken heeft geschreven en later over van alles schreef, niet alleen over Suriname. ‘Ik wilde ook vertellen over vrouwen, over oudere mannen, over grootmoeders. Pas later, vanaf 2010 ben ik weer stukken gaan schrijven over- en gaan spelen met mijn oorsprong.’

    De la Parra groeide naar haar zeggen op met een vader die films maakte die niet bedoeld waren voor kleine meisjes. ‘In de buurt werden we gezien als het vrijgevochten gezin. Mijn moeder is Chinees-Indonesisch en mijn vader komt dus uit Suriname. Wij waren niet Nederlands en dan was mijn vader ook nog een artistieke filmmaker. Daar werd vreemd naar gekeken. Ik vond zingen en toneelspelen leuk vanaf de middelbare school. Ik heb mezelf nooit herkend in een Nederlandse film, omdat ik er voor Hollandse begrippen heel anders uitzag. Mensen vroegen of ik uit Indonesië kwam of Spaans was.’

    Na de middelbare school had ze geen idee wat voor studie ze wilde doen. Toevallig was ze bij haar vader in Aruba toen daar ook een theatermaker was. Hij vertelde over de kleinkunstacademie, een onderdeel van de theaterschool, waar je ook kunt zingen en dansen. Ze deed auditie en werd aangenomen als een van de acht uit de honderden aanmeldingen. Het vuur voor het theater was aangewakkerd. De la Parra rondde de theaterschool af en deed nog een jaar de toneelschool. Daarna was ze naar haar zeggen ‘gewoon actrice’. Langzaam merkte dat ze dat ze in het theaterlandschap van Nederland als actrice niet overal terecht kon vanwege haar exotische uiterlijk. Ze besloot zelf te schrijven en het eerste stuk werd Orgeade Overzee.

     

    Scènes over oudere tantes

    ‘Ik dacht, volgens mij heb ik een Surinaams verhaal te vertellen, en toen heb ik scènes geschreven over mijn oudere tantes. Mijn oudere tantes waren nooit getrouwd, ze hadden onvervulde verlangens, ze waren altijd bij elkaar blijven wonen. Ik was in 1992 in Suriname geweest. Voor het eerst weer sinds dat ik er als kind was geweest en ik zag dat het land het moeilijk had gehad. Dus besloot ik daar een stuk daarover te schrijven. Toen we het stuk opvoerden kwam iedereen van Surinaamse afkomst in Nederland ernaar kijken. We zouden het twintig keer opvoeren, het werd honderdtwintig keer. We hebben het stuk ook in Suriname opgevoerd. Toen kreeg ik koudwatervrees want tante Gus leefde nog. Mijn vader was ook pas geëmigreerd. Maar iedereen  van de familie vond het stuk mooi en zat te janken.’

    Ze besloot door te gaan met schrijven en werkte veel met theatermaker wijlen Matthijs Rümke. Over de Chinees-Indische familie van moederskant maakte De la Parra de voorstellingen Ouwe Pinda’s opgevoerd in 2014 en Gouwe Pinda’s opgevoerd in 2017. In de Indië Monologen vertelt ze over haar jeugdjaren in Amsterdam-Osdorp waar ze met haar Indonesische opa, oma en oom in dezelfde flat woonde.


    Opvoeringen in Suriname

    Het is niet de eerste keer dat De la Parra het verhaal van haar tantes heeft verwerkt in een productie. Het theaterstuk Orgeade Overzee ging ook over haar twee oudtantes, tante Gus en tante Pop. In Nederland was het stuk een grote hit, in 1996 werd het naar Suriname gehaald. Het was het eerste stuk dat zij in Suriname opvoerde, een hele andere ervaring voor het gezelschap en de Surinaamse samenleving aangezien men in Suriname gewend was aan het volkstheater van A Sa Go.

    ‘Ik schreef en speelde het stuk samen met de actrice Carolina Mout. Het werd opgevoerd met een klein decor, het was een reisversie, om het in het vliegtuig te krijgen. Er waren geen kostuumwisselingen. Wij tweeën speelden verschillende personages. We transformeerden van jonge meisjes naar oudere tantes. Dus het was fysieke transformatie en door de tekstbehandeling. Mensen hadden toen zoiets van ‘waar kijken we eigenlijk naar’. De voorstelling duurde een uur, er was geen pauze. Langzaam begon het publiek te wennen aan onze manier van toneelspelen en kregen we (later) volle zalen.’

    De la Parra schreef later de toneelstukken Onder vrouwen over mannen en Onder mannen over vrouwen die respectievelijk in 2011 in 2014 zijn opgevoerd onder regie van Helen Kamperveen. Kamperveen had de Nederlandse versie van de voorstelling gezien en vroeg aan De la Parra of die niet in Suriname kon worden opgevoerd.

    ‘Ik vond het niet geschikt om in Suriname op te voeren omdat het zo op Nederland gericht was. Ik zei dat ik wel heel graag een Surinaamse versie zou willen maken met Surinaamse acteurs. Ik heb toen eerst vrouwen geïnterviewd,  en later hebben we het stuk met Hilkia Lobman, Cher Spalburg en Marianne Cornet en Helianthe Redan  opgevoerd. Met een band onder leiding van Jimmy Westfa. Het was een enorme hit. Een stuk over vrijgevochten vrouwen uit Paramaribo, sommige hoogopgeleid en ze pikten bepaalde dingen van de mannen niet meer. Ze willen het er met elkaar over hebben.

     

    Een stuk over hoe mannen naar vrouwen kijken

    Toen werd besloten ook een stuk te schrijven over hoe mannen naar vrouwen kijken. Daarvoor heb ik openhartige gesprekken gevoerd met twintig mannen. Dit stuk werd opgevoerd met Ruben Silvin, Dave van Aerde en Geoffrey Bel. Het ging over drie mannen die bij elkaar te rade gaan. Een man wordt op dat moment door zijn vrouw het huis uitgezet en dan gaat hij naar zijn vrienden om het daarover te hebben. Eigenlijk gebeurt dat helemaal in Suriname niet. Als een man door een vrouw het huis uit wordt gezet, gaat hij naar zijn moeder of zijn zus of naar zijn nicht. Hij gaat niet openhartig met zijn vrienden de situatie bespreken. En dat is zo leuk aan theater, dat het daar wel kan. Toen ik het Verbrande huis af had, was het vanzelfsprekend dat ik het hier ook zou opvoeren. ‘

    Tijdens de boekpresentatie werd haar gevraagd of zij Het verbrande huis nogmaals in Suriname zou willen opvoeren? Ze wil dat graag, maar weet niet of dat kan. Waar ze wel naar uitkijkt is de opvoering van De Gliphoeve, de opvolger van Woiski vs Woiski bovendien het tweede deel uit de ‘Suriname-trilogie’ van producenten Orkater en Bijlmerparktheater. Een voorstelling waar zij als schrijfster ook een bijdrage aan heeft geleverd.

     

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker en schrijft artikelen voor OneWorld.


  • Ode aan een verguisde dochter

     


    Met haar breed georiënteerde oeuvre bezet Rosita Steenbeek een eigen plaats in het Nederlandse literaire landschap. Haar rode draad is vergankelijkheid versus vitaliteit en bewust zijn van je oorsprong. Haar debuut De laatste vrouw, Schimmenrijk en haar non-fictieboeken over Rome spelen in Italië. Ze schreef in 2020 en 2021 columns in Trouw en ze schrijft over vluchtelingen. Ander licht speelt in Amersfoort en in Italië, het is het verhaal van Alida Withoos, de dochter van de beroemde schilder Matthias Withoos. Intensive Care is een heel persoonlijk verhaal en in Rose, haar voorlaatste roman, die in Duitsland en Nederland speelt, beschreef ze het leven van haar Joodse grootmoeder, mede dankzij het geweldige geheugen van haar moeder. Na er met vele onderbrekingen aan gewerkt te hebben heeft ze nu Julia aan haar oeuvre toegevoegd.  

    In deze historische roman brengt Rosita Steenbeek een belangrijk stuk Romeinse geschiedenis tot leven. Julia was de dochter van keizer Augustus en leefde tijdens de glorieperiode van het Romeinse rijk tweeduizend jaar geleden. Ik sprak met haar over Julia, haar boeken en over schrijven in het algemeen.


    Julia was het enige kind van keizer Augustus en leefde van 39 voor Chr. tot 14 na Chr. Haar moeder Scribonia werd meteen na haar geboorte weggestuurd. Augustus huwde daarna Livia, een koele, mooie vrouw, die politiek gezien effectiever voor Augustus’ macht zou zijn, zij was echter de klassieke onaardige stiefmoeder. Julia snakte naar aandacht van haar vader, maar behoorde te gehoorzamen en moest trouwen met de mannen die hij voor haar koos, mannen die hij als zijn opvolger wenste. Het werden er uiteindelijk drie. De eerste, Marcello, stierf al snel, met de middelste, de 25 jaar oudere Agrippa, kreeg ze vijf kinderen. Oorspronkelijk was hij een jeugdvriend van Augustus, later werd hij zijn rechterhand. Agrippa staat te boek als groot generaal en vechtersbaas.

    Julia verzette zich hevig tegen haar vaders dictatuur, maar ze had uiteindelijk geen keuze en schikte zich in haar lot, waarbij ze binnen de grenzen van haar mogelijkheden haar vrijheid zocht. Ze was ontwikkeld en nieuwsgierig, erudiet, ze las de Ilias van Homerus en had culturele vrienden, zoals Vergilius, Horatius, Ovidius en kunstbeschermer Maecenas.


    ‘Tijdens mijn onderzoek besefte ik dat Julia zoveel mensen die wij uit boeken kennen persoonlijk heeft ontmoet en meegemaakt. Ze groeide op met de kinderen van Cleopatra en logeerde aan het hof van koning Herodes in Jeruzalem en was bevriend met grote schrijvers.’


    Zaten daar ook haar geliefden bij?

    ‘Vast, maar haar grote liefde was toch Iullus, hij was de zoon van Marcus Antonius, die door haar vader werd verslagen waarna hij zelfmoord pleegde. Iullus was een bekende dichter en politicus destijds.’


    Julia deelde weinig met haar drie echtgenoten, maar met Agrippa, de vader van haar kinderen, maakte ze een indrukwekkende reis naar Griekenland, Anatolië, Syrië en Egypte. Het was een van de hoogtepunten in haar leven. Wat vond je voor aanwijzingen in je research materiaal over deze reis?

    ‘De historieschrijver Nicolaas van Damascus vertelt dat Julia in haar eentje naar Troje gaat, ongetwijfeld omdat ze de Ilias van Homerus had gelezen. Hij schrijft ook dat ze bij een nachtelijke oversteek bijna verdronk in de door Homerus genoemde rivier de Scamander.’


    Hoewel er nauwelijks iets over haar karaktertrekken bekend is, wordt Julia als onbevreesd afgeschilderd, met hang naar avontuur. Heb je haar ook karaktertrekken van jezelf meegegeven?

    ‘Er wordt wel gesproken over Julia’s gevatheid, en die nachtelijke oversteek naar Troje wijst op avontuurlijkheid, maar er zit ook wel wat van mezelf in haar. Het avontuurlijke en onafhankelijke erfde ik van mijn vader, met hem voelde ik me erg verbonden. Ik bewonderde hem. Hij kon kleurrijk vertellen en schrijven. Hij doceerde renaissanceletterkunde aan de universiteit van Utrecht. We waren zielsverwanten, met onze liefde voor literatuur en het besef van vergankelijkheid. Ik heb ook veel met hem gevochten maar na de botsingen kwam het meteen weer goed. Misschien heb ik die aanvaringen gebruikt voor Julia in relatie tot haar vader.      De band met Scribonia, haar moeder, moet heel goed zijn geweest. Daarvoor heb ik me wel laten inspireren door de innige en harmonieuze verstandhouding met mijn eigen moeder.’


    En de andere personages hoe heb je die gereconstrueerd?  

    ‘Julia’s beeltenissen zijn allemaal vernietigd, de munten met haar afbeelding omgesmolten. Er is nog een beschadigd kopje van haar over. Maar van de meeste andere personages zijn wel beelden bewaard gebleven, die staan in Rome. Ik ken ze allemaal en hoefde alleen maar het beeld te beschrijven voor hun uiterlijke kenmerken.’

    Je hebt het verhaal heel breed getrokken, Julia in relatie tot haar ouders, haar echtgenoten, haar kinderen, haar geliefden en vrienden. Tegelijkertijd krijgen we ook een duidelijk beeld van het Romeinse hof, met de omgangsvormen, huwelijk, rouw, hypocrisie en wetten. Is die achtergrond ook deels fictie?

     ‘Die achtergrond berust op historische feiten.’ 


    Waarom is Julia zo verguisd tot op de dag van vandaag?

    ‘Ze zou overspelig zijn geweest. Dat dat de reden van haar verbanning was, kon ik moeilijk geloven. Haar vader had veel affaires al bestond er natuurlijk een dubbele moraal. Bij mijn onderzoek stuitte ik op andere aanwijzingen. Ze zou hebben meegewerkt aan, of in ieder geval op de hoogte zijn geweest van plannen voor een staatsgreep, een aanslag op haar vader. Dat is een plausibeler reden voor haar verbanning naar Pandataria, het huidige Ventotene, een eilandje westelijk van Napels.’


    Ik kan me voorstellen dat die staatsgreep in de doofpot was gestopt, kon je er wel iets over vinden? Het verraad, is dat ook letterlijk zo opgetekend destijds?          

    ‘Bij antieke schrijvers zijn er een paar korte verwijzingen naar betrokkenheid van Iullus en Julia bij plannen voor een staatsgreep.’ 


    Het enige lichtpuntje in haar leven was dat ze samen met haar moeder in ballingschap op het eiland zat. De onvoorwaardelijke liefde van Scribonia voor haar dochter beschrijf je heel mooi. Dat is fictie, of zijn er nog dagboeken of brieven van Julia bewaard gebleven?          

    ‘Scribonia was al eerder in haar leven teruggekomen en hun zielsverwantschap wilde ik voelbaar laten zijn in het boek. Er staat geschreven dat Scribonia meeging met haar dochter naar het eiland.  Dat zegt iets over hun band. Scribonia hield net als haar dochter veel van literatuur en bewoog ze zich in dezelfde literaire kringen. Ze beschermden elkaar, en dat Julia zich ook schuldig voelde dat haar moeder zich een volwaardig leven had ontzegd wegens haar, heb ik moeten invullen met hulp van mijn verbeelding.’ 

    Wat bracht je op het idee om over Julia te schrijven?

    ‘Tijdens een bezoekje aan Ventotene tien jaar geleden zag ik concreet de ballingsplek van Julia, het huis, de zee waarin ze zwom, toen kreeg ik een beeld van haar en ging ik meer over haar lezen.’


    Hoe kwam je tot deze vorm in het boek, jij bezoekt de plaatsen waar Julia is geweest en glijdt dan steeds terug in haar tijd.     

    ‘Door in het heden over de plaatsen te schrijven waar Julia is geboren, waar ze woonde en liep, kon ik me nog beter in haar inleven. Het trof me dat er zoveel plekken uit haar leven tweeduizend jaar later nog te bezoeken zijn. Die locaties hielpen bij het reconstrueren van haar leven.’


    Heb je alle plaatsen bezocht waar zij is geweest?

    ‘De plaatsen in Rome en Italië die verbonden zijn met haar leven heb ik allemaal bezocht. Toen ik haar geboortehuis bezocht, raakte ik ontroerd. Buiten Italië wilde ik haar niet voor de voeten lopen. Daar is het  Julia die geraakt wordt door de historische locaties (in haar tijd), zoals Troje of de Acropolis in Athene. Daar wilde ik niet tussenkomen.’ 


    Je hebt veel boeken geschreven die in Italië spelen. Voel je je Italiaanse of toch vooral Nederlandse?

    ‘Ik ben en blijf natuurlijk Nederlandse, maar voel me heel thuis in Italië en ben ook wel veritalianiseerd. Ik hou ervan vreemdeling te zijn. Dat houdt de blik scherp.’


    Verzamel je eerst materiaal voor je aan een boek begint, of ga je meteen schrijven?

    ‘Onderzoek, lezen en schrijven gaan bij mij altijd samen op. Ik maak wel een concept maar daar wijk ik al schrijvend vanaf. Dat maakt het schrijfproces avontuurlijker. Het is als het maken van een reis. Ook daarbij wil ik van tevoren niet precies weten wat de tussenstops zijn, wat ik precies ga zien. Ik heb heel veel boeken gekocht en gelezen, digitaal is er het nodige te vinden en aan de hand van oude teksten en gedichten heb ik me een beeld gevormd. Soms kwam ik snippers over Julia tegen en zo kwam haar verhaal tot leven.’ 


    Julia is een historische roman en een familiegeschiedenis, maar ook een verhaal van alle tijden. Er zijn veel parallellen met het heden te trekken.  

    ‘Ja. Augustus veranderde de republiek in een dictatuur waarbij hij zich onder meer bediende van ‘fake news’ en propaganda. Daarnaast was Julia (wat mij betreft) een feministe avant la lettre. Ik wilde recht doen aan de verguisde dochter van de machtigste keizer van de geschiedenis rond het begin van onze jaartelling, die genoemd wordt in de Bijbel en zijn naam gaf aan een van onze maanden.’

     

     

    Foto: Vincent Mentzel


  • In memoriam Remco Campert 1929 – 2022


    Terwijl de kranten openen met paginalange artikelen over het leven en werk van Remco Campert – stukken die al jaren klaarliggen – bekijk ik opnieuw de documentaire Verloop van jaren uit 2016. De dan 86-jarige dichter vertoont zich in alle openbaarheid, de broosheid van zijn gestel is aandoenlijk en soms haast dramatisch om te zien. Het meest opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee hij, ook in deze hoedanigheid, zijn levenslust uitdraagt en daarmee ook de overtuiging van zijn schrijverschap. De film begint met beelden van een ochtendritueel en de wat aarzelende stem van de dichter daaroverheen.
    ‘Ik kan in bed blijven liggen en denken ik sta nóóit meer op. Maar dat heeft natuurlijk geen zin dus stap ik er moedig uit. Sleep me met enorme tegenzin naar de schrijfmachine en typ een paar woorden. En dan ben ik overeind.’

    Campert was een kunstenaar die zich verstopte in zijn werk. Die eigenlijk niets te melden had. ‘Hij zegt heel weinig, hij heeft nooit een verhaal’, zegt zijn levenspartner Deborah in de film, ‘alles zit in zijn schrijven’. Tegen zijn puberende dochter schijnt hij ooit gezegd te hebben: ‘Als je me wil leren kennen, lees je mijn gedichten maar’. Een man gevangen in woorden, maar dan vooral in zijn eigen geschreven woorden. Erover praten vond hij lastig, interviews deed hij het liefst niet. Hij noemde zichzelf ‘egocentrisch’, volledig gefocust op het schrijfwerk. De onstuitbare drang om letters op papier te krijgen is zowel zijn levensadem als ‘gewoon’ zijn dagelijks werk.

    ‘Wie bouwt aan zijn kunst
     vernietigt zijn huis
     vindt geen slaapplaats meer
     geen veiligheid geen wekker
     geen lamp om bij te lezen.’

    De Vijftigers

    Als 20-jarige wist Remco Wouter Campert aansluiting te vinden bij de dichters van het moment. Met Vijftigers als Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Lucebert voelde hij zich verwant en hij stortte zich in het bruisende culturele leven rondom het Leidseplein in Amsterdam. Als jongste lid was hij de minst experimentele van de groep, hij keek op tegen de grote mannen, maar in zijn poëzie is hij helderder en meer uitgesproken dan de anderen van de groep. Begin jaren zestig publiceerde Campert zijn eerste romans, zoals Het leven is vurrukkulluk en verhalenbundels als Alle dagen feest. Het zijn deze pennevruchten waarmee hij een groot publiek bereikte, net zoals met zijn latere columns, maar de dichter in hem heeft altijd de bovenhand gevoerd.

    Net zoals bij zijn schrijvende tijdgenoten is de jazzmuziek van grote invloed op Camperts dichterschap geweest. Hij zwolg in de opzwepende klanken van Charlie Parker en de fluisterzoete stem van Chet Baker. Het is onmogelijk om zijn poëzie los te zien van die invloeden. De impulsieve ritmes, de onnavolgbare melodieën, alles staat in het teken van een unieke uitdrukkingskracht.

    ‘Deze vreemde ontroering
     die poëzie is
     wantrouw ik niet meer
     dat hebben mij geleerd
     de jazzmusici
     de wereld swingt als de pest
     de rest
     is gemompel van bedelaars.’

    En dan is er de vader-kwestie. Dichter en journalist Jan Campert verlaat zijn vrouw en kind als Remco drie jaar is. In 1943 verdwijnt hij voor de tweede keer, voorgoed. Hij sterft in concentratiekamp Neuengamme, zijn zoon heeft hem amper gekend. Die schaduw lijkt de dichter zijn hele leven te achtervolgen, het vormt zijn persoonlijkheid en vooral zijn schrijverschap. Weggaan, afscheid nemen, op zoek zijn, de overgebleven eenling die geen andere mogelijkheid ziet dan zijn leven in woorden te vatten.

    ‘Altijd verdween ik
     dat stak ik van mijn vader op
     volgde harteloos mijn hart
     verliet vrouw kinderen huizen steden
     onbesuisd op zoek naar een onbegaand pad’

    Vergankelijkheid en eindigheid

    Bijna als vanzelf is ook de dood een terugkerende verschijning in zijn gedichten. Vergankelijkheid en de eindigheid van het leven zijn onderwerpen die telkens opduiken in of tussen de regels. Nergens dramatisch, meestal ironisch en een enkele keer met een vlijmscherp cynisme. 

    ‘ha die dood
     die me mijn hele leven vergezelde
     trouwe vriend
     van wie ik nu afscheid neem’

    Terug naar de documentaire Verloop van jaren. De oude dichter scharrelt rond in zijn werkkamer, grijpt naar beschreven vellen papier en drukt onvast met een enkele vinger op de toetsen van zijn schrijfmachine. Sigaret in de mondhoek. Weer een dag. Eerst een uurtje schrijven en vanmiddag aan de scrabble met Deborah. Met een glaasje rood. Tegen de camera verzucht hij: ’Schrijven is leven, als ik daarmee ophou ben ik er niet meer.’

     

     

  • Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

     


    Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.


    Jan van Mersbergen
    (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.


    We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.


    Schrijver worden door te lezen

    Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer, begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.

    ‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’

    Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.


    Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.

    ‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’ 

    Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’


    Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.

    Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.

    Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
    Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’

    ‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’

    Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden. 


    Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.

    Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’

    Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
    Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.


    Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst 

    ‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht,  hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’

    In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’ 


    Overlevingsdrang en het volgen van patronen

    Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
    Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’

    ‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’

    Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’ 

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Jan Willem Kaldenbach