Een vriendin zei tegen me dat ik net zo lees als dat ik fiets. Hoezo? Je fietst alsof je achterna wordt gezeten, als je leest kan niemand je bijhouden. Waarom? vroeg ze nog. Ik wist het niet. Wat dacht ik te winnen met al dat lezen? Het leek of ik las in de hoop dat ene boek te vinden. Een boek dat zo intrigeert, uitdaagt dat je er niets meer bij hoeft te lezen. Dat elke zin of scene een wereld voor je opent die vragen oproept, of een beeld waar je dagen naar kunt kijken. Ik droomde me een plek waar ik mijn aandacht aan woorden zou kunnen geven. Aan een kelder. Terwijl het leven bovengronds verder gaat, lees jij dat ene boek waarin elke zin je over je eigen gedachtegrenzen heen zet.
Deze zomer zat ik in de tent op de rand van het veldbed. Ondanks het dunne tentdoek voelde ik me volkomen senang met een boek dat me steeds opnieuw tot lezen dwong. Over hevige regenval die de bewoners van de wijk Santa Lucia in Napels vier dagen moeten verduren. Enkele van die bewoners worden opgevoerd in geweldige monologue intérieurs. Zeer intieme gedachtestromen, zo intiem ben ik zelfs met mijn eigen gedachten niet.
Terwijl ik lees hoe de journalist Carlo Andreoli zich scheert – ‘Hij merkte dan ook meteen dat het scheermes over zijn huid ging zoals het hoorde, Carlo Andreoli wreef nog eens met twee vingers over zijn wang om te voelen en inderdaad: perfect, dus alles ging de goede kant op, die ochtend, die trouwens de vierde regendag was. Dit quasibehaaglijke gevoel dat langzaam maar zeker sterker werd zou hij de hele dag onveranderd houden, jazeker, en hoogstwaarschijnlijk ook de dag erna, want hij zou niet weten hoe en waardoor dat fijne evenwicht van hem verstoord kon worden. Ook vanwege het feit dat hij alles al wist, en dat hij vergeleken met anderen het voordeel van zijn kalme bewustzijn had, (…) hij was onverstoorbaar blijven staan en voelde de angst van de stad, de razende onrust van beklagenswaardige mensen.’ – denk ik aan hoe Nicola Pugliese (1944-2012) dit schreef, en wat hem dreef.
Malacqua is een stortvloed aan woorden, gutsend en stromend. Je zakt tot je enkels in de modder, een woordenbrij waar je je doorheen ploegt, want er zal redding zijn. En die is niet bij de officiële instanties te verwachten, maar bij de bewoners zelf.
Op die eerste regendag, 23 oktober 1973, schrijft Pugliese, ‘Er bleef maar water naar beneden komen, en net als je wilde zeggen: hé hé, nu houdt het op, plensde het alweer, nog voordat je je mond had opengedaan, diepe, voorbestemd wrok, onomkeerbare razernij.’ Er worden auto’s door het wegdek opgeslokt, mensen verdwijnen in zinkholen. De politie moet de brandweer bellen, het is een taak voor de brandweer. Pugliese laat zien dat het wat vraagt om je kop erbij te houden, dat een politieman niet zomaar als redder kan optreden, dat je dan de brandweer passeert, en dat kan niet. Je begrijpt, dat tijdens ongewone dingen, de gewone dingen voorrang krijgen omdat niemand nog weet hoe om te gaan met die ongewone dingen.
Een boek als een litanie waarvan de woorden over je heen spoelen als een rivier die buiten zijn oevers treedt. Het is het enige boek dat Pugliese schreef. Alsof hij met die ene alles gezegd had, het op geen enkele andere manier nog eens gezegd had kunnen worden. En wat dat ene dan is, dat probeer ik te benaderen. Daarvoor zal ik in stilte lezen, en herlezen. Nu denk ik erover de tent in de tuin op te zetten, of weet iemand een kelder?
Er zijn nogal wat vindplaatsen op het internet die bij deze foto het jaartal 1905 of 1906 vermelden. Inderdaad was Buffalo Bill met zijn rondreizende Wild West-show in die jaren voor de derde en laatste keer op tournee door Europa. Toch kan die datering niet kloppen, want op 14 juli 1902 was met donderend geraas de bijna honderd meter hoge Campanile linksboven op de foto ingestort, en aangezien die pas in 1912 in volle glorie weer was herbouwd, zou die opvallende klokkentoren dus in de beide genoemde jaren hoogstens als een in aanbouw zijnde stomp zichtbaar zijn geweest. Deze foto dateert dan ook van Buffalo Bills eerste Europese reis, om precies te zijn uit april 1890. Voor het overige is er aan het uitzicht op de stad in de achtergrond gedurende de afgelopen eeuwen niet zo veel veranderd, wat nu juist de reden is dat miljoenen mensen per jaar Venetië per se met eigen ogen willen zien.
Buffalo Bill, in 1846 in Iowa geboren als William F. Cody, reisde naar Italië niet slechts om te kijken, maar vooral om bekeken te worden. In de tijd van Amerika’s ‘Wilde Westen’, de gestage verovering van de westelijk gelegen gebieden die tot dan toe aan oorspronkelijke bewoners (‘native Americans’, vroeger ‘Indianen’ genoemd) hadden toebehoord, verwierf Cody al op jeugdige leeftijd een reputatie als koerier, verkenner, schutter, cowboy en buffeljager. Zijn roem drong door in avonturenromans en werd vereeuwigd in toneelstukken. Dat bracht hem op het idee vanaf 1883 zelf met een soort Wild West-circus te gaan optreden, waarin bijvoorbeeld een aanval van Indianen op een postkoets werd nagespeeld. Op het nippertje werd die aanval dan door de toegesnelde cavalerie afgeslagen, waarna de blanke inzittenden van de postkoets samen met hun redders het applaus in ontvangst namen. Cody zelf zag deze rondreizende voorstellingen niet zozeer als ‘show’ maar als een display of current events, zoals hij het zelf noemde.
Die educatieve missie gold in zijn eigen ogen des te sterker tijdens de drie Europese tournees die hij ondernam, waarbij vooral de authentieke Indianen met wie hij optrad grote belangstelling genoten. Op deze foto, die ongetwijfeld – zoals alles waar Buffalo Bill zich in die jaren mee bezighield – voor pr-doeleinden bestemd was, zien we in de gondel twee chiefs met hun indrukwekkende verentooi zitten: Sioux Chief Rocky Bear (vierde figuur van links) en Sioux Chief Black Heart (tweede van rechts), waarschijnlijk beiden met hun vrouw ter rechterzijde.
Afgezien van Cody zelf, nadrukkelijk poserend met zijn karakteristieke Stetson op het hoofd, staan in de ranke gondel twee Venetiaanse gondeliers, die er met hun riemen in slagen de boot onbeweeglijk stil te houden in het op deze voorjaarsdag kalme water van de lagune. En tot slot staat er achter in de gondel nog een man met een hoed, die met zijn gestrekte linkerarm ergens naar wijst of iets aan de fotograaf wil beduiden. Dat is zo’n geluidloos detail op een oude foto waarvan de verklaring wel nooit meer te achterhalen zal zijn.
De Wild West-voorstellingen van Buffalo Bill waren geen klein bier. Je kunt ze misschien nog het beste vergelijken met hedendaagse tournees van popsterren. Tijdens zijn Europese reizen trad hij op in England (onder meer ten overstaan van Koningin Victoria), Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, België en Spanje. Aangekomen in Rome wilde hij het liefst optreden in het Colosseum, maar het podium daar bleek te klein. Cody kwam op audiëntie bij Paus Leo XIII, en samen met de Heilige Vader bracht hij een bezoek aan de Sixtijnse Kapel, de paus in zijn draagstoel, omgeven door de schitterend uitgedoste leden van zijn Zwitserse Garde, Buffalo Bill omringd door zijn Sioux-Indianen. Je zou willen dat ook daar iemand even een foto van genomen had. Maar de foto’s die wél werden gemaakt, plus alle aandacht in de geschreven pers, waren bij elkaar voldoende voor grote aantallen betalende bezoekers, en daar was het ‘Buffalo Bill’s Wild West’ natuurlijk vooral om te doen; in Florence kwamen avond aan avond 10.000 mensen naar de voorstelling kijken.
De tegenstelling die deze foto op het eerste gezicht suggereert, tussen de oude wereld van het historische Europese culturele erfgoed aan de ene kant, en de moderne commerciële Amerikaanse toeristische showbusiness aan de andere, is door de tijd volstrekt ingehaald. Het massatoerisme, met meer dan 30 miljoen bezoekers per jaar, heeft van Venetië precies zo’n zelfde populaire show gemaakt als Buffalo Bill deed met de eigentijdse geschiedenis van zijn land. In beide gevallen wordt een kwetsbare werkelijkheid (die van een unieke historische stad respectievelijk die van miljoenen Inheemsen) onder de voet gelopen door een even massale als genadeloze commerciële exploitatie. De nauwelijks 50.000 in de Dogenstad overgebleven echte Venetianen zijn in deze parallellie de bewoners van een reservaat geworden. Dag in dag uit worden zij door de schietende cavalerie van vliegtuigen, cruiseschepen en bussen vol toeristen overvallen. The show must go on.
Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste boek, De meteoriet en het middagdutje (2021), een bundeling van vijftig fotosyntheses, verscheen bij Uitgeverij Boom.
Arkadia van Sipko Melissen werd verkozen tot het BruutTAAL Regenboogboek van 2023. Dat werd vrijdagavond bekend gemaakt in de Oranjekerk in Amsterdam bij de presentatie van de essaybundel Hij/hem. Aa de prijs is een bedrag van € 1.000 verbonden en het boek Arkadia (Van Oorschot) wordt gedurende een maand gepromoot op Tzum.
De jury was onder de indruk van de roman Arkadia waarin verschillende fases uit het leven van hoofdpersoon Ko worden belicht. En benoemde dat het niet alleen het portret van een jongen is die zich bewust wordt van zijn seksuele voorkeur in de jaren vijftig, maar ook een coming-out in de jaren zestig in een religieuze omgeving. Het grootste deel van het boek speelt zich af tijdens een vakantie in het naoorlogse Putten.
Overige boeken op de shortlist waren:
Minke Douwesz – Het laatste voorjaar (Van Oorschot).
Valentijn Hoogenkamp – Antiboy (De Bezige Bij).
Het BruutTAAL Regenboogboek van het jaar is een initiatief van, en tevens juryleden, Marie-José Klaver (publicist, redacteur Neerlandistiek, recensent), Coen Peppelenbos (schrijver, recensent, hoofdredacteur Tzum), Doeke Sijens (schrijver, bibliothecaris, recensent) en Bart Temme (redacteur, docent literatuur). Lees hier de groslijst van het afgelopen jaar en hier de megagroslijst van Nederlandstalige en vertaalde regenboogboeken aller tijden.
Voor de verkiezing van het Regenboogboek het komende jaar zijn Hebban + Winq en Tzum een samenwerkingsveband aangegaan.
Hard//hoofd is een online literair tijdschrift dat voornemens is tweemaal per jaar op papier te verschijnen. Daarvoor zijn ze op zoek naar duizend leden. Wie vóór 31 juli abonnee wordt voor slechts €2,50 per maand ontvang in september het eerste magazine met als thema ‘Aaah!’ In ruim 120 pagina’s Hard//hoofd nemen schrijvers, denkers en kunstenaars dit thema als uitgangspunt. Welke aaah luidt er wanneer een student naakt poseert en zó goed wordt bekeken dat het atelier verandert in een scène uit Süskinds Das Parfum? Wat galmt er door de gangen van onze samenleving tijdens de viering van de 150-jarige afschaffing van de slavernij deze zomer? Welke aaah hoor je, als je voor het eerst ongesteld wordt op mosseljacht met je vader?
Aan het magazine werkten meer dan veertig talentvolle schrijvers en beeldmakers mee, maar ook tientallen redacteuren achter de schermen. Net als bij de afgelopen edities is elke pagina uniek vormgegeven door Mark van Wijk en op zichzelf een symbiotisch kunstwerk van tekst en beeld. De cover is ontworpen door Anna Kiosse.
Hoe werkt het?
Hard//hoofd wil graag een abonnementsmodel opzetten om de papieren edities te laten verschijnen. Als zich vóór 31 juli duizend mensen hebben aangesloten voor €2,50 per maand, dan zijn al deze abonnees tweemaal per jaar verzekerd van een thuisbezorgd tijdschrift met ruim 120 pagina’s vol bijzondere beelden en verhalen van getalenteerde makers. Het eerste magazine wordt in september verstuurd.
Voor vijf euro extra per maand steun je Hard//hoofd als Kunstverzamelaar. Dan ontvang je naast twee magazines jaarlijks een gesigneerd kunstwerk van een veelbelovende kunstenaar. Onze Kunstverzamelaars zorgen er met hun donatie voor dat het tijdschrift gratis toegankelijk én advertentievrij kunnen blijven, en dat wij onze talentvolle makers kunnen ondersteunen.
Het eerste kunstwerk wordt deze maand verzonden en wordt jaarlijks in juli thuisgestuurd. Als je je nu aanmeldt als Kunstverzamelaar, ontvang je tevens een Hard//hoofd-tasje. Wil je meer informatie over het kunstverzamelaarschap of zelfs twee kunstwerken per jaar ontvangen, klik dan hier. De donatie en het magazine abonnement zijn maandelijks opzegbaar.
Let Op: na 31 juli is deze editie van Hard//hoofd op papier niet meer verkrijgbaar.
Sommige teksten hoopt een mens nooit te hoeven schrijven. Verliezen we een dierbare en willen we daar iets over kwijt, dan doet elk woord, elke letter afbreuk aan wat we werkelijk willen zeggen. Desondanks schreven mijn broer, zus en ik een afscheidsrede aan onze vader, vorig jaar oktober. Precies op zijn zestigste verjaardag, na een wekenlang ziekbed, overleed hij aan kanker.
Een paar dagen geleden, 11 juli, stierf hij opnieuw: zijn favoriete schrijver, Milan Kundera, overleed namelijk in Parijs. Veel van mijn vaders romans heb ik overgenomen, bijna de helft daarvan door de Tsjech geschreven. Bovendien bespraken we vaak zijn werk, mits het over literatuur ging. Zulke gesprekken… dat zat er de laatste maanden van zijn leven niet meer in. Nee, ik bespeurde bij mijn vader een fenomeen dat Milan Kundera over de Tsjechische landsgrenzen heen de wereld in slingerde: litost.
Iedere taal kent zijn eigen onvertaalbare begrip en draagt dit met trots uit. Het Nederlands kent ‘gezellig’, het Deens ‘hygge’, het Portugees ‘saudade’. Het Boheemse ‘litost’ betekent volgens Kundera: een vlaag van verstandsverlichting (over dat ‘licht’ straks meer, zoals u wel zult hebben geraden), die ons onze diepe verlatenheid doet beseffen en gevoelen. Pijn lijden, omdat we weten dat we verloren zijn. Hierover schreef Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid. Diezelfde radeloosheid zag ik in de ogen van mijn dappere, lieve vader. De herinnering daaraan maakt langzaam plaats voor een karaktertrek die hij deelde met de romancier: lichtvoetigheid.
Luidruchtig lezen
Absurdisme en humor, daar zat Kundera’s werk vol mee. Denk aan Het leven is elders, waarin hoofdpersoon Jaromil alleen door te gelóven dat hij een groot dichter hoort te zijn, zichzelf de dood in jaagt. Ook Lachwekkende liefdes, De grap en Het feest der onbeduidendheid nopen de lezer er regelmatig toe het boek weg te leggen van de lachstuipen. Luidruchtig een boek lezen, het kan met Kundera. Een ander kenmerk van Kundera’s oeuvre is zijn voorliefde voor de paradox. Nu wordt deze term wel vaker lukraak van stal gehaald, als er slechts sprake is van een duffe tegenstelling. Bij Kundera versterken de binaire opposities elkaar. Wie kent niet zijn wereldberoemd geworden De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, waarvan de titel alleen al een vuistdikke analyse verdient?
Maar ook zijn essaybundel Het doek bevat er genoeg. Zo blikt hij terug op de zoveelste politieke crisis in communistisch Tsjechië: ‘We lachten onbedaarlijk. Wat onze lachlust opwekte was de smakeloosheid van de geschiedenis.’ In de verhandeling richt Kundera onder meer zijn pijlen op ‘agelasten’: mensen die nergens meer om kunnen lachen. Wie nergens meer om kan lachen, ziet immers evenmin ergens de ernst nog van in, behoudens zijn eigen gelijk natuurlijk. Tegelijk bedankt hij hen: ‘Hun bestaan geeft het komische zijn volle betekenis, laat zien hoezeer het een gok is, een risico, en onthult de dramatische essentie ervan.’ Die essentie was banaal, vluchtig, maar het kostbaarste wat een mens heeft. Waarom streeft hij anders naar onsterfelijkheid?
Komisch sterven
In 1990 schrijft Kundera warempel Onsterfelijkheid. Hierin streven meerdere personages ernaar onsterfelijk te worden. Begrijpen zij dan niet dat hun vereeuwiging pas écht begint bij hun heengaan? Eén manier om te sterven lijkt de Tsjech fantastisch: op een komische manier. Schlemielig. Dan zou zijn dood voor altijd lachwekkend zijn, en misschien zijn leven ook. ‘Geen romanschrijver is mij dierbaarder dan Robert Musil. Hij stierf op een ochtend toen hij halteroefeningen deed.’ Kundera fitnesst zich een ongeluk, want ‘doodgaan met halters in de hand, net als mijn geliefde auteur, zou me tot een epigoon maken, zo ongelooflijk, zo waanzinnig, zo fanatiek, dat ik ogenblikkelijk verzekerd was van de lachwekkende onsterfelijkheid.’
Over die lachwekkende, ondraaglijke lichtheid gesproken… Matthijs van Nieuwkerk had het lef Kundera’s magnum opus bij DWDD te ontheiligen. Wat hem betreft ging het toiletboek Antiglamour van Halina Reijn en Carice van Houten over grote vragen des Levens: ‘Er is namelijk ook de ondraaglijke lichtheid van ons bestaan. Namelijk, wie vind je leuk? Wie vind je minder leuk? Dat verschilt misschien per dag.’ Kundera zou er vast hard om hebben gelachen. Omineuzer klinkt zijn aankondiging in Onsterfelijkheid hoe het ons allen vergaat, als we het hoekje omgaan: ‘Op een dag toont de camera ons een mond, vertrokken in een trieste parabool, als het enige dat ons van hem zal bijblijven, dat hij achterlaat als een parabel van zijn hele leven.’ In het licht van zijn indrukwekkende oeuvre is de doodsgrimas wel het laatste waarmee we Kundera zullen associëren. Ik dank mijn onsterfelijke vader dat hij mij nog altijd laat genieten van deze onsterfelijke auteur.
Een belangrijk schrijfster en groot stilist is overleden
Marga Minco, die met haar verhalen over de oorlog grote indruk maakte, is op maandag 10 juli gestorven. Haar overlijden werd vrijdag 14 juli bekend gemaakt met een overlijdensadvertentie in het NRC. De vier dagen vanaf haar overlijden tot het wereldkundig maken, waren dagen van respijt, een niet weten dat een schrijfster niet meer onder ons was. Misschien dat daardoor haar overlijden geen ‘breaking news’ was. Ook het radioprogramma Met het oog op morgen opende er vrijdagavond niet mee, maar werd het overlijden van de schrijfster als programma onderdeel genoemd.
Marga Minco werd in 1920 geboren als Sara Menco in een orthodox Joods gezin in Brabant. Haar ouders, broer en zus en verdere familie overleefden de vernietigingskampen niet. Door onder te duiken en ‘geluk’ te hebben, kwam Minco als enige overlevende uit de oorlog. Dat geluk bestond eruit dat ze tijdens de oorlog meerdere razzia’s – waar joodse gezinnen op ruwe wijze uit hun huizen werden gehaald – meemaakte en waarbij ze door het oog van de naald gekropen is.
Door het oog van de naald
In het hoofdstuk ‘De Lepelstraat’ (Het bittere kruid), beschrijft ze hoe ze op weg vanuit de Sarphatistraat voor een boodschap voor haar moeder, de Lepelstraat inliep. Van de andere kant kwam een overvalwagen met mannen in uniform de straat inrijden. ‘Ze sprongen er gelijktijdig aan weerskanten uit, liepen naar de huizen en duwden de deuren open.’ Een van de mannen kwam op haar toe, sommeerde haar in te stappen, wat ze weigerde. De man drong aan.
‘Nee’, zei ik nog eens duidelijk, ‘ik woon niet in de Lepelstraat. Vraag aan uw commandant of u mensen die in een andere straat wonen ook mee moet nemen.’ Toen mocht ze gaan. In een volgend hoofdstuk dringen twee mannen het huis van haar ouders binnen om hen op te pakken. Zij zal hun jassen pakken, maar vlucht via achterdeur en tuinpoortje de straat op. Later overkomt het haar als ze met haar broer en schoonzus wil onderduiken. Met koffers stappen ze in Utrecht Centraal op de trein. Dan wordt de schoonzus opgepakt, haar broer stapt uit, zij blijft zitten, de trein rijdt weg.
Minco vond zichzelf geen slachtoffer van de oorlog, ze had geluk gehad, dat wel. ‘Als ik me realiseer dat ik opeens oud ben. Waarom ik? Mijn zusje was een veel liever kind.’ Dat je pas na de oorlog ten volle beseft wat er gebeurd was, wat je geliefden hebben meegemaakt. Minco leefde met die beelden en door haar boeken wilde ze haar familie laten doorleven, ‘daardoor zouden ze langer leven dan de tragische werkelijkheid’.
Ze wilde niet gezien worden als een schrijver die de oorlog meemaakte, dat de oorlog haar tot schrijver heeft gemaakt. Ze schreef voor de oorlog al en soms vroeg ze zich af wat voor verhalen ze zou hebben geschreven als die er niet geweest was. Ze vermoedde dat ze dan veel vrolijker maar ook absurdistischer verhalen zou hebben geschreven.
Ze observeerde graag mensen in hun doen en laten (dat observerende spreekt uit al haar verhalen), en schreef verhalen voor (haar) kinderen zoals Kijk ‘ns in de la, over een mannetje dat gaat fietsen en zijn tafel meeneemt. Een eerste versie van ‘De Lepelstraat’ schreef ze al in de oorlog, in 1942 kort nadat het gebeurde, maar raakte die kwijt.
Bitterzoet liefdesverhaal
Er is een verhaal van Marga Minco dat ik me herinner als een bitterzoet liefdesverhaal. Soms wilde ik het nog eens lezen, maar vond het nooit meer terug, begon er zelfs aan te twijfelen of het wel van haar was. Zij schreef immers geen liefdesverhalen. Het ging over een jonge vrouw die na de oorlog voor weken naar een vissersdorpje in Zuid-Frankrijk vertrekt. Er is een echtgenoot en een minnares, er komt een Franse geliefde bij. Ik herinnerde me een paperback, maar bezat die schijnbaar niet meer.
Nu ze er niet meer is, en ik al haar boeken weer opensloeg, er in begon te lezen, vond ik dat verhaal terug. Het is opgenomen in de kleine roman Een leeg huis, dat volgde op Het bittere kruid. Het is een intens verhaal over de jaren na de oorlog, zoekend naar verbinding, liefde, maar daarentegen was er eenzaamheid, doelloosheid en het verlangen een ander leven te vinden.
Dat is wat Sepha (alter ego van Minco)) in Zuid-Frankrijk vond, een ander leven. ‘Ik stond op het strandje tussen de vissersvrouwen de boten na te wuiven, ging mee op de sardinevangst. Na het binnenlopen hielp ik met het dragen van de manden. In de winkel stond ik mee te praten over de schaarste van de levensmiddelen, de schade aan de oogst, en dat alles zo duur was geworden. (…) en leefde als de anderen op nouilles en geroosterde vis, brood en wijn en vruchten. Ik was van hier.’ Nu ik het opnieuw lees, is eens temeer de verlorenheid van generaties, de leegte van een leven zonder voorland voelbaar.
Het is de zakelijke vertelstem, de summiere tekst die ze gebruikte om haar verhaal te doen, die de ernst en ontsteltenis over het gebeurde des te heftiger maakt. Juist nu, nu Minco er niet meer is, lijken haar verhalen, waar het gaat over menselijke verhoudingen, aan impact gewonnen te hebben. Door de tijd heen geven haar boeken steeds meer de gevolgen prijs van oorlogsgeweld. Ze schreef een klein maar kostbaar oeuvre bij elkaar.
Marga Minco werd tijdens haar leven meermaals gelauwerd en kreeg op 98-jarige leeftijd voor haar hele oeuvre de P.C. Hooftprijs (2019). Eerder ontving ze onder meer de Constantijn Huygensprijs (2005) en de Annie Romeinprijs (1999). Het bittere kruid werd in 1957 bekroond met de Multatuliprijs. Er wordt door Yra van Dijk en Judit Gera gewerkt aan de biografie van Marga Minco die zal verschijnen bij Prometheus.
Vijfendertig jaar geleden beschreef ik het wonderlijke leven van een onverzadigbare levensgenieter. Een ornitholoog, gezagsuitdager en filantroop bovendien, die het lukte om er in zeventien jaar een enorm familiekapitaal doorheen te jagen. Toen hij als gevolg daarvan eerst onder curatele werd gesteld en later failliet verklaard, ontkwam hij door een truc aan een persoonlijke ondergang terwijl het leven van zijn rentmeester voorgoed geruïneerd bleek.
Deze kleurrijke man was Jan Jacob Luden (1877-1935). Ik hield me enkele jaren bijna obsessief met hem bezig. Toch is hij ook een al lange tijd weer met respect begraven bezetenheid. Tot de man af en toe opnieuw wordt opgeroepen door een toeval. Dat gebeurde onlangs door het essay Het lijf van de grond dat Wytske Versteeg schreef voor De Gids nr 2023/3. Ze brengt daarin Justus von Liebig ter sprake die halverwege de 19de eeuw experimenteerde met kunstmest, maar later in zijn leven inzag dat die de grond zou uitputten. Hij pleitte sindsdien voor kringlooplandbouw.
Ik zag in gedachten Luden weer in zijn vogellaboratorium zitten. Hij schreef er vanaf ongeveer 1910 zijn boeken met natuurobservaties en onderzoeken naar ingewanden van vogels, werk dat hij samen met zijn taxidermist Eduard Blaauw uitvoerde. Zijn boeken zijn, zij het beperkt, terug te vinden in grote bibliotheken en archieven zoals dat van Naturalis in Leiden.
Tijdens mijn research voerde ik tal van gesprekken met merendeels kinderen van ouders die nog met Luden hadden samengewerkt of contact met hem hadden gehad. Onder hen was een planoloog wiens vader met mijn hoofdpersoon een belangstelling voor archeologie deelde en hem daarover wel eens sprak. Of het een echte vriendschap was, is me nooit duidelijk geworden, maar ik kreeg via zijn zoon wel enkele persoonlijke brieven van Luden in handen. De verwijzing door Wytske Versteeg naar Von Liebig katapulteerde me terug naar de boekenkast van de planoloog. Hij haalde daaruit bij mijn bezoek destijds een dun gedrukt boekje tevoorschijn van slechts vijftien pagina’s, eerder een pamflet, dat hij van zijn vader had geërfd. Het was geschreven door Jan Jacob Luden en getiteld Zijn onze tegenwoordige theorieën over bemesting steekhoudend? Ik stond perplex. Dat Luden tegen gebruik van kunstmest was, wist ik – ik had de bouwtekening gezien voor een kleine fabriek voor natuurlijke mest (die er nooit gekomen is omdat zijn faillissement zich toen al aankondigde). Maar ik wist niet dat hij zijn ideeën over bemesting ook gepubliceerd had. Ik was het boekje nergens tegengekomen; zelfs een verwijzing ernaar had ik nooit ontdekt.
Ik hield het enigszins verkleurde exemplaar in mijn trillende handen alsof het een onschatbaar kleinood was. De man die het me aanreikte was op dit aandenken aan zijn vader erg gesteld: ik mocht het lenen om het te kopiëren, maar moest het liefst dezelfde dag nog terugbezorgen. Ik las erin hoe Luden als een milieu-activist avant la lettre fulmineerde tegen de vergiftiging van de mens en de bodem door kunstmest zoals die werd aangeprezen in een toen populair handboek, geschreven door een pastoor, H.W. Roes, en uitgegeven door de Boerenstand van Alem, Maren en Kessel. Het boek putte volgens Luden uit het vroege ‘Liebigsche arsenaal’ dat volgens hem hopeloos verouderd was. Daarmee doelde Luden op het gebruik van nitraten door Von Liebig die aanvankelijk inderdaad leidden tot grotere opbrengsten van gewassen, maar op termijn de bodem bleken te verschralen.
Ik zocht wat globale gegevens over Von Liebig op, maar besteedde weinig aandacht aan hem omdat hij te ver af stond van wat ik in de biografie over Luden te vertellen had.
Een jaar of tien geleden vernam ik bij toeval dat de planoloog, die me de opwinding destijds bezorgd had, was overleden. Al ettelijke maanden eerder. Met wat reserve – ik voelde iets van lijkenpikkersschaamte – spoorde ik zijn zoon op en vroeg hem of hij het boekje in de nalatenschap had aangetroffen en zo ja, of ik het mocht hebben. Hij praatte me bij. Een klein deel van de boeken van zijn vader was naar de familie gegaan en een grotere partij naar een antiquariaat. In zijn garage stonden nog wat dozen met boeken die hoogstwaarschijnlijk een bestemming als grondstof voor nieuw papier zouden krijgen. Het door mij gezochte boekje kende hij echter niet. Hij wist zeker dat het niet in zijn familie terechtgekomen was en evenmin in de dozen in de garage. Voor de zekerheid ging ik nog bij het antiquariaat langs, maar ook daar bleek het in de in- en verkoopadministratie niet voor te komen. Ik hervatte met een vage hoop – toen ik de biografie schreef stond internet nog in de kinderschoenen, laat staan dat je in gedigitaliseerde bestanden kon zoeken – mijn zoektocht. Vergeefs: ook in 2023 kan ik het boekje niet vinden.
Ik leef nu met het verwarrende idee dat ik kopieën bezit van een boekje dat niet meer bestaat. Een echte obsessie is het niet meer, maar toch voel ik af en toe de verleiding, tijdens naspeuringen op internet naar zaken van een heel andere orde, gevolg te geven aan een opkomende impuls toch nog even te kijken op een plek waaraan ik nog niet gedacht had. Maar eigenlijk kan ik niet anders dan slechts weemoedig naar de foto kijken van die werkplaats waarin Luden zich zat op te winden over het gebruik van kunstmest. En zijn mening met giftige pen neerschreef in een pamflet dat verloren is gegaan.
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Ook vele andere schrijvers, onder wie medewerkers van Literair Nederland, wijden zich aan dit genre.
Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.
We hebben afgesproken in Café Wildschut aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’
Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?
Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.
Hoe ben je met Arkadia begonnen?
‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan. Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’
Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.
‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’
‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.
‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’
Het is een liefdevol gesprek.
‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning vanmijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’
‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’
Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?
‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’
‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia, intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’
Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.
‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’
We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’
De band loop eeuwig door.
‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’
Zou je dat willen, eeuwig leven?
‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’
Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?
‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’
In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huidvan Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.
‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’
In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?
‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’
En welk boek?
‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’
Arkadia
Sipko Melissen
224 blz.
ISBN 9789028231115
Uitgeverij Van Oorschot
Anjet Daanje (1965) is met het toekennen van de Constantijn Huygens-prijs 2023, de meest gelauwerd Nederlandse schrijver van het afgelopen jaar geworden. Eerder won ze de Boekenclub Literatuurprijs 2022, en de Libris Literatuur Prijs 2023. De jaarlijkse Constantijn Huygens-prijs is een oeuvre prijs.
Anjet Daanje (pseudoniem Anjet den Boer) debuteerde op achtentwintig jarige leeftijd met de roman Pianomuziek in de regen. Waarna zij verder schreef aan een ongekend literair universum. De jury liet weten onder de indruk te zijn van de overweldigende kracht van dit oeuvre dat bestaat uit romans, scenario’s, novellen en een bundel vertaalde en eigen gedichten.
De herinnerde soldaat (F. Bordewijk-prijs 2020) betekende haar doorbraak naar een groot publiek. Met Het lied van ooievaar en dromedaris (Boekenbon Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs) verlegde zij de grenzen van de historische roman. ‘Haar boeken tonen de macht van de verbeelding en zitten dicht op de huid van onze tijd.’ Aldus de jury.
Juryvoorzitter Aad Meinderts belde Daanje om haar het goede nieuws te brengen en zei dat hij zich enigszins beschroomd voelde, omdat zij al zo veel gelauwerd is en al dat gedoe maar zozo lijkt te vinden. Daanje’s reactie was: ‘De Constantijn Huygens-prijs is fantastisch, die wil ik graag hebben.’ Waarna ze eraan toevoegde: ‘Ik dacht dat je daar minstens zeventig voor moest zijn!’
Naast Aad Meinderts bestond de jury uit: Jeroen Dera, Rashif El Kaoui, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Mathijs Sanders, Jeannette Smit en Sarah Vankersschaever. De prijs bedraagt € 12.000,-.
De Constantijn Huygens-prijs wordt sinds 1947 uitgereikt. P.N. van Eyck was de eerste schrijver die de prijs kreeg. Daarna volgenden onder meer, S. Vestdijk, Louis Paul Boon, M. Vasalis, Cees Nooteboom, Marga Minco, A.L. Snijders, Mensje van Keulen en Marion Bloem.
Het Literatuurmuseum organiseert de uitreiking van de prijs in samenwerking met Internationaal Literatuurfestival Writers Unlimited op zondag 21 januari 2024.
In een tijdperk waar iedere kunstenaar een ondernemer hoort te zijn en over genoeg kennis en kunde moet beschikken van de vele lagen van marketing, begint het ondernemerschap van een dichter bij het kiezen van een gouden titel. Een titel die lekker bekt en blijft hangen, die mooi is, eigenzinnig, smaakvol en betekenisvol, maar ook relevant voor de inhoud van de bundel.
Granate roept dichters en uitgevers op titels van hun poëziebundels aan te melden voor voorselectie van de Granate Prijs: dit kan vanaf 1 juni tot 31 augustus 2023 23:59 via dit formulier.
Afgelopen zaterdagnacht werd in het radioprogramma Met het Oog op Morgen bekendgemaakt dat Maurice Swirc met zijn boek De Indische doofpot de Brusseprijs 2023 heeft gewonnen. In het 664 pagina’s tellende boekonderzoekt Swirc waarom Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië nooit vervolgd zijn. Het is het eerste boek over Nederlandse oorlogsmisdaden dat is geschreven vanuit een historisch juridische invalshoek en laat gedetailleerd zien hoe groot de impact van de Indische doofpot op onze rechtsstaat was.
Uit het juryrapport:
‘In een tijd waarin het koloniale verleden van Nederland opnieuw bevraagd wordt, vormt het een belangrijk naslagwerk dat niet alleen uitlegt wat zich heeft afgespeeld, maar vooral ook hoe het allemaal kon gebeuren. De auteur laat met zijn boek zien dat het geweld in het Nederlandse optreden in Nederlands-Indië systematisch en ‘gewoon’ was. Het was de cultuur. De maatschappelijke betekenis van dit boek is dan ook groot omdat het nieuwe inzichten biedt. Het boek houdt ons allen een spiegel voor.’
Maurice Swirc is onderzoeksjournalist. Hij is gespecialiseerd in mensenrechten en rechtshistorische onderwerpen. Hij schrijft voor o.a. De Groene Amsterdammer en NRC.
Overige genomineerden waren:
Jan-Hein Strop en Stefan Vermeulen – Sywerts miljoenen – De jacht op het mondkapjesgoud Ineke Noordhoff – Ontaard land Arjen van Veelen – Rotterdam – Een ode aan inefficiëntie Judith Koelemijer – Etty Hillesum – Het verhaal van haar leven
De Brusseprijs bestaat sinds 2006 en is een initiatief van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. De prijs is vernoemd naar journalist M.J. Brusse, die tientallen jaren reportages en feuilletons schreef, onder meer voor de Nieuwe Rotterdamse Courant. Later deze maand is de 150e geboortedag van Brusse. Aan de prijs is een oorkonde en een geldbedrag van €10.000 verbonden.
We schrijven 1984. Mijn lezen ontwaakt en neemt in korte tijd een supersonische vlucht. De eerdere middelbare school-leesverplichting heeft geen post gevat en is te verwaarlozen als tijdverdoen en tegendraads plichtverzuim. Maar bij aanvang van de studie verandert er iets en breken nieuwe tijden aan. Ik begin te lezen en verzamel wild om me heen de klassiekers waarvan ik onbewust weet dat ze van waarde zijn voor de basis van een ontluikende leeshonger. Couperus, Mann, Reve, Salinger, Hermans, Tolstoi, alles lijkt aan bod te kunnen komen en verhuist van de tweedehandsboekwinkel naar mijn langzaam groeiende boekenkast.
Een vriend leent mij de pas uitgekomen editie van Money van de jonge Engelse auteur Martin Amis met de niet mis te verstane aanbeveling: ‘Dit móét je lezen’. De ondertitel A Suicide Note stuurt de onwetende lezer al in een bepaalde richting, maar na de eerste tien overrompelende bladzijden is het hek van de dam. Dit is totaal anders dan ik tot nu toe heb gelezen. Dit is dynamisch, het is snel, hard, confronterend, absurdistisch, cynisch, maar vooral uiterst meeslepend.
Schrijversnest
Martin Amis komt uit een schrijversnest waar zijn vader, gelauwerd schrijver Kingsley Amis, een overheersende rol speelde. Geen ideale omstandigheden voor een jonge schrijver die, op zoek naar erkenning, vooral afwijzing op zijn pad vindt. Kingsley oordeelt over Money met de scherpe woorden: ‘Breaking the rules, buggering about with the reader, drawing attention to himself.’ Daar kan je ’t dan mee doen. Toch is Amis op latere leeftijd mild gestemd over zijn vader en ziet hij veel overeenkomsten: ‘We schrijven allebei in de komische, satirische traditie, waarbij je in een verheven stijl schrijft over relatief triviale zaken.’
Money leest als een wervelwind. Zelfs in de geweldige Nederlandse vertaling van Guido Golüke (Geld, 1986) blijft Amis’ gedreven stijl en bijzondere woordkeus glashelder overeind. En inderdaad, hij laat zijn hoofdpersoon John Self als het zelfdestructieve ik-personage direct praten tegen de lezer (‘Hoe denk je dat ik me voel? O man, soms voel ik me een aangereden kater als ik wakker wordt’…). Het is een gemeenschappelijke reis, waarbij wij soms als voyeur en dan weer als actieve medestander het boek in worden getrokken. John Self is reclameman en vliegt naar New York om een film te maken, gefinancieerd door obscure geldschieters. Self is een opportunist van de eerste orde, geld maken is zijn grootste passie en geld uitgeven aan alcohol en porno zijn favoriete bezigheid. Hij is vrijwel altijd dronken en – zo goed als het gaat – druk bezig om het volgende schip met geld binnen te halen met deze blockbuster speelfilm. In New York wordt hij belaagd door verlopen acteurs en andere duistere types die van alles van hem willen. Hij wacht op de grote doorbraak maar gaat langzaam ten onder in een zelfgecreëerde wereld vol geweld, bedrog, overspel en bedreigingen.
Opportunistische hoofdpersonen
Amis houdt van opportunistische hoofdpersonen in zijn romans. Die kan hij laten doen wat hij wil én wat ze zelf willen. In zijn debuutroman The Rachel Papers (1973) hoopt de aandoenlijke opportunist Charles Highway vóór zijn twintigste verjaardag met het meisje van zijn dromen in bed te belanden. Hij voert zijn verleidingskunsten systematisch uit, compleet met draaiboeken en uitvoerige computercharts. Een frisse eerste roman waarin Amis zijn pen slijpt om tot zijn kenmerkende, sublieme dialogen te komen.
Na Money volgen meer romans waarin de hoofdpersonen een buitensporig eigenbelang niet uit de weg gaan. Het is vooral de klungelige en onbehouwen manier waarop dat wordt omgezet in daden. In London Fields (1989) is het kleincrimineel Keith Talent, in The Information (1995) zijn het de getormenteerde schrijvers Gwyn Barry en Richard Tull en in Yellow Dog (2003) de acterende gangsterzoon Xan Meo. Tussen al deze karakteristieke antihelden verschijnt in 1991 de roman Time’s Arrow. Hierin slaat Amis een compleet andere weg in. Hij schrijft het verhaal van nazi-dokter Odilio Unverdorben (Amis is een meester in het bedenken van namen) in vernietigingskamp Auschwitz. Niet in de gebruikelijke chronologische volgorde maar in volledig omgekeerde vorm.
Het boek begint met de ouderdom en dood van de hoofdpersoon en loopt vervolgens door naar diens geboorte. Alle gebeurtenissen en zelfs de dialogen worden achterstevoren verteld door een fictieve verteller die ook als geweten kan worden gezien. Gevangenschap gaat over in vrijheid, de dood evolueert in nieuw leven, het absolute kwaad leidt tot de onschuld waaruit het is voortgekomen. De verschrikkingen van de concentratiekampen worden nog gruwelijker in deze wonderlijke vorm. Het geheel heeft een huiveringwekkend effect op de lezer.
Drie pijlers van hedendaagse Britse literatuur
Naast vijftien romans publiceert Martin Amis ook een reeks essays en non-fictieboeken. Boeiende uitgaven over Amerika, de Holocaust, het Stalin-regime, de 9/11 aanslagen, islam vs. islamisme, enzovoort. Amis heeft altijd een vinger aan de pols gehouden, zowel van de geschiedenis als van de actualiteit. In kranten en andere media is hij regelmatig aanwezig met een uitgesproken mening die vaak tot hevige polemiek leidde.
Eén van de drie pijlers in de hedendaagse Britse literatuur is omgevallen. De twee overgebleven generatiegenoten Ian McEwan en Julian Barnes zetten hun werk nog even voort. Martin Amis nam afscheid op 73-jarige leeftijd. Hij verruilde het tijdelijke voor het eeuwige als schrijver met ‘een verheven stijl over triviale zaken’ en laat een oeuvre na dat op volstrekt eigenzinnige en onnavolgbare wijze tot stand is gekomen.