• Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Er is niet een waarheid in dit verhaal


    Veertien jaar geleden verscheen van de Duitse schrijfster Julia Franck de bestseller Der Mittagsfrau (De middagvrouw). Het boek werd vertaald in zevenendertig landen en won de Deutscher Buchpreis. In 2011 verscheen Rücken an Rücken (Rug aan rug), over een familie in Oost-Duitsland in de jaren vijftig en zestig, vanuit het perspectief van een broer en zus, kinderen nog. Toen bleef het tien jaar stil, tot onlangs Werelden uit elkaar in vertaling van Els Snick verscheen. De schrijfster die de gedachte over zichzelf te schrijven walgelijk vond, schreef een autobiografische roman over opgroeien in een disfunctionerend gezin in het Duitsland van de jaren zeventig en tachtig.

    Julia Franck (1970) wordt geboren in Oost-Berlijn, op achtjarige leeftijd verhuist ze met haar moeder en drie zussen (waarvan een haar tweelingzus) naar West-Berlijn, waar ze eerst negen maanden in een vluchtelingenkamp worden opgevangen. Haar moeder schrijft vanuit het kamp alle vrijescholen in Duitsland aan voor een plek voor haar drie oudste dochters. Ze worden aangenomen op een Steinerschool in Sleeswijk-Holstein en de moeder krijgt in die omgeving een leegstaande boerderij toegewezen. Ze leven van een uitkering. Moeder, een getroebleerde actrice, ligt veel in bed of verzorgt met ongewone genegenheid de geiten, kippen en varkens die ze bij het huis houden. ‘s Morgens staan de oudste kinderen alleen op, zorgen voor het kleine zusje en lopen vijf kilometer naar school. ’s Avonds koken ze hun eigen avondeten met wat er voorhanden is. Er is veel ruzie in huis, niemand wordt terecht gewezen, huilen is uit den boze.

    In haar twee voorgaande romans De middagvrouw en Rug aan rug onderzoekt Julia Franck respectievelijk de familieverbanden van haar vader en van haar moeder. Het zijn fictieve verhalen gebaseerd op biografische gegevens van haar ouders. In Werelden uit elkaar onderzoekt ze de wereld waarin zij zelf opgroeide. Een autobiografische roman waarin veel sporen uit de twee genoemde romans bij elkaar komen. Er lijken dingen in elkaar te schuiven, een geheel te vormen. Naast een boek over de schrijfster zelf, is het ook een verhaal over de manier waarop we iets opbouwen uit onze herinneringen en hoe we die herinneringen bevragen.

    Julia Franck was in oktober in Nederland voor haar boekpresentatie van Werelden uit elkaar. We ontmoetten elkaar in een bovenzaal op de eerste verdieping van het Goethe Instituut in Amsterdam. 


    Wat heeft u in de tien jaar tussen u laatste boek en Werelden uit elkaar gedaan?

    ‘Het is niet dat ik heb stilgezeten. Toen ik tweeënhalf jaar geleden aan Werelden uit elkaar begon had ik drie romans onder handen die ik vervolgens niet afmaakte. Het waren fictieve romans met compleet verschillende onderwerpen. In een van die romans probeerde ik te schrijven over de natuur zonder er een individu, een mens in voor te laten komen. Dat was moeilijk en ik realiseerde me dat ik geen boeken kan schrijven zonder personen erin. Op dit moment in ieder geval niet. Maar ik weet niet precies wat er gebeurde toen ik begon te schrijven over dit zeer persoonlijke onderwerp, over ‘Auseinander’ (uit elkaar). Ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat ik misschien in staat was te schrijven over de meest intieme, meest persoonlijke ervaringen uit mijn leven. Naar mijn idee was het nodig dat ik ouder werd, om met meer ervaring en meer afstand er tegen bestand te zijn deze ervaringen tot onderdeel van een boek te maken. Ook om deze ervaringen uit het verleden, een ander leven van ‘Behind the Wall’  aan te kunnen. Elk schrijven is een beslissing te schrijven vanuit een bepaald perspectief.’


    Vanuit welk perspectief heeft u dit boek geschreven?

    ‘Het is een boek geworden over hoe we onze herinneringen bevragen. Hoe respecteren we onze herinneringen maar ook dat wat je vergeten bent. Te schrijven over mijn jeugd is tevens een poging aan een mozaïek te bouwen waarin de herinneringen aan de verhalen die ons verteld zijn door familie of vrienden ook worden opgenomen. Te reflecteren op die verhalen, maar ook brieven van vrienden uit die tijd, mijn eigen dagboeken en die van mijn vader waren belangrijk om mijn herinneringen weer te geven. Mijn interesse lag in het schrijven met al die verschillende materialen.’

    Werelden uit elkaar is een mooi gecomponeerd boek geworden over opgroeien in een vrouwenfamilie, vaders en grootvaders ontbreken. Kinderen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn de jaren zeventig en tachtig, de jaren van de seksuele revolutie, leve de vrijheid. Franck schrijft, ‘In mijn herinnering is er geen enkele gebeurtenis waarbij Anna (de moeder, Iv/dG) pedagogisch, streng of boos optrad. Het woord grens had voor haar alleen te maken met de scheiding van de twee Duitse staten.’ Dat haar grootmoeder Inge, een vrouw met een sterk karakter, niet meer leefde, maakte het voor Franck eenvoudiger over haar eigen leven te schrijven, maar ook, benadrukt ze, ‘Ik moest ouder worden, ook om met mijn eigen dagboeken te kunnen omgaan. Ik schreef die dagboeken toen en kan het nu pas lezen.’


    U begon op u twaalfde met dagboekschrijven en werd een nogal obsessief dagboekschrijfster.

    ‘Het was voor mij de enige betrouwbare relatie die ik in mijn jeugd ontwikkelde, mijn dagboek was alles voor me. Als ik schreef, kwam er altijd een volgende zin, en nog een. Dat gaf me zekerheid. Ik dacht er niet aan te schrijven over dingen die zo duidelijk voor me waren. Ook niet dat ik wat ik schreef later zou gebruiken. Ik schreef omdat het een uitweg was uit het leven waarin ik zat. Achteraf is het altijd een streven te schrijven over dingen die diffuus zijn, die niet zo gemakkelijk te begrijpen of te verklaren zijn. Ik wilde ook die beelden die toegedekt waren laten zien, zonder verdere uitleg. Herinneren heeft de intentie iets te verklaren, iets uit te leggen, te interpreteren. Te doen alsof er een regel, een structuur voor is om te vertellen hoe ons leven was. Het is veel interessanter die kleine tussenruimtes te vinden, het onbeschrevene te vinden.’ 


    In hoeverre was het anders om dit boek te schrijven vergeleken met uw vorige boeken?

    ‘Ik was gewend aan de opbouw van een roman, waarin ook biografische details zaten, maar waarin de karakters onder mijn regieaanwijzingen werden gecomponeerd. Met dit boek wist ik vanaf het begin dat ik op vele manieren  over mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven. Er is niet één manier om het verhaal van mijn leven te vertellen, er is niet één waarheid in dit verhaal.’


    U bent in Oost-Duitsland geboren, op achtjarige leeftijd verhuisde u tegen u zin naar West-Berlijn.

    ‘Ik was daar opgegroeid, al onze familie en vrienden waren daar. Een typisch verlangen van een kind is te blijven waar ze is, als het niet al te slecht is. Omdat er geen visionair ideaal is van een ander leven, van een andere wereld aan de andere kant van de muur. Later, in mijn tienerjaren, toen ik wel een visionair beeld begon te ontwikkelen, kreeg ik langzaamaan een idee over een leven buiten mijn moeders huis. Er ontstond in mij het sterke gevoel dat ik niet hoorde in het leven waarin ik zat. Ik was ervan overtuigd dat ik daar weg moest.’


    Als dertienjarige ging u bij vrienden van uw moeder in Berlijn wonen. Hoe was het om uw tweelingzusje te moeten achterlaten?

    ‘Ik voelde me schuldig dat ik alleen aan mezelf dacht. Maar ik wilde me niet verantwoordelijk voor haar voelen. Ze was altijd achter me, liet me nooit met rust. We waren niet gelijkwaardig, ik moest haar beschermen. Daarvoor voelde ik me niet sterk genoeg, het was een rol die ik niet aan kon. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn moeder en mijn jongste zusje. Maar ik kon dat niet meer. Ik ontwikkelde dwanghandelingen, kreeg wratten aan mijn handen en angst voor alles. Ik vroeg me af waar het met mij naartoe moest, ik wilde verdwijnen.’


    Hoe was uw relatie met u moeder?

    ‘Mijn moeder en mijn grootmoeder, waren geen zorgende vrouwen. Om daarop te reflecteren, zoals ik in mijn boek doe, moest ik ook ouder worden. Niet per se vijftig, maar toch… Toen ik drieëntwintig was, ontwikkelde er zich wel een bijzondere relatie met mijn grootmoeder. Ik begon haar vragen te stellen, hoe het was toen ze jong was en de oorlog uitbrak. Hoe het was om uit Duitsland weg te moeten, door haar Joodse moeder naar Italië gestuurd te worden. Daar ontmoette ze een jonge kunstschilder met wie ze niet mocht trouwen vanwege de raciale wetten van de nazi’s. Mijn grootmoeder had nooit nagedacht over haar Joods zijn, ze was een bourgeois, een geassimileerde Joodse vrouw. Pas door de nazipolitiek kwam het besef bij haar dat ze er niet bij hoorde. Om diezelfde reden werd ze niet toegelaten tot de kunstacademie. 

    Enerzijds kon mijn grootmoeder er heel open over spreken, maar er was ook een diep verborgen pijn in haar over het verlies van haar verloofde, over de vraag waarom hij in maart 1945 op die trein is gegaan. Het was bijna het einde van de oorlog en hij kwam door een ongelukkig ongeval om het leven. Dat maakte haar tot een ongehuwde weduwe, maar ze had geen rechten, er bleef haar niets over van hun relatie.’

    Het lijkt of de geschiedenis zich in de vrouwelijke lijn herhaalt. Francks grootmoeder verloor op jonge leeftijd haar geliefde door een ongeluk, haar moeder verloor haar geliefde broer op jonge leeftijd door zelfmoord, en Franck zelf verloor op jonge leeftijd haar geliefde, Stephan. Ze woonden samen toen hij door een vrachtwagen werd overreden. In het boek beschrijft ze het overweldigende gevoel niets meer te hebben, niets waardoor gezegd kan worden, ‘hij was van mij’. 


    Was de ontmoeting met Stephan het begin van geluk dat een tragedie werd?

    ‘Toen ik Stephan ontmoette, was er een geweldig gevoel van geluk. Hij was heel zeker over zijn liefde voor mij, dat was zo nieuw voor mij. In die tijd had ik ook een relatie met een ouder iemand, een filmmaker. Ik voelde geen noodzaak te moeten kiezen. Maar ik voelde ook een grote onzekerheid. Ik vond het moeilijk me over te geven aan zijn liefde, ik had nooit ervaren hoe er van je gehouden kon worden. Ja, het was tragisch dat hij verongelukte. Maar ik moet nu denken aan de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Aan haar essay Trauer ist das Glück, geliebt zu haben, dat onlangs verschenen is. Over de dood van haar vader tijdens de pandemie, en dat rouwen ook betekent dat er is liefgehad. En dat blijft.’


    U beschrijft een voorval dat speelde tijdens uw tienerjaren, u werd bestolen door twee klasgenoten.

    ‘Het voorval zelf was ik vergeten. Tot ik het in mijn dagboek las. Op die manier zijn mijn dagboeken mij ook van dienst geweest. Ik was ontsteld te lezen hoe ik reageerde. Ik paste op een huis van iemand, er was geld aanwezig om eten voor de kat te kopen. Er kwamen twee klasgenoten op bezoek en na hun vertrek was het geld verdwenen. Ik voelde me gekwetst, maar ook schaamde ik me voor hen, dat ze dit gedaan hadden. Ik voelde geen woede dat ze me bedrogen hadden. Ik kon niet boos worden. Toen ik het teruglas was het interessant voor me te zien hoe verlegen, hoe onzeker ik was. Ik verzon zelfs verhalen hoe het geld weggeraakt zou kunnen zijn om hen te ontlasten. Het bewerkstelligde een integriteit tussen het meisje dat ik was en de vrouw die ik nu ben.’

     

    In de proloog van Werelden uit elkaar schrijft Julia Franck: ‘Hoe nieuwsgierig we ook naar elkaar zijn en hoe graag we elkaar ook willen ontmoeten, het is juist het andere en de zienswijze van de ander die ons fascineren, de ander van wie we willen houden of die we ook willen minachten. Het is precies datgene waarin onze individualiteit tot uiting komt. De vreemdelinge ben ik zelf.’ Een fascinerende passage die door het hele boek blijft meeklinken.

     

     

     

    Foto: ©Matthias Bothor


     

     

     

     

     

     

     

    Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 blz. / Uitgeverij Wereldbibliotheek

     

  • In memoriam Inez van Dullemen (1925-2021)

    Terwijl ik donderdagmiddag mijn handen vol had aan het behang afkrabben en schilderen van een huis, keek ik tijdens de koffie op social media om te weten of de wereld nog was zoals ik hem graag heb. Er verscheen een foto van Inez van Dullemen met haar immer heldere blik, haar naam en daarachter twee jaartallen tussen haakjes. Een schok, bij elk overlijden verandert de wereld een beetje. Ik dacht, terwijl ik verder krabde aan behangresten, ‘Alle mensen zijn sterfelijk’, schrijvers niet uitgezonderd. Waarmee ik mijn geloof dat al wie ik liefheb en bewonder daar niet toe behoren, onderuit haalde. Inez van Dullemen werd als schrijfster bewonderd om haar stille aanwezigheid, haar boeken en verhalen stonden voorop, zelf was ze weinig in beeld. In 1949 debuteerde ze met Ontmoeting met de andere. Ze publiceerde in bijna zeventig jaar zo’n dertig verhalenbundels, reisboeken, toneelstukken en romans. In haar begintijd was ze vooral een romanticus, en haar boeken werden nogal eens te liefelijk bevonden. Zelf zei ze daarover ‘Ik was een bellettriste, een kind van Van Schendel en Couperus.’ Dat veranderde toen ze halverwege de jaren zestig met haar man twee jaar door Amerika reisde.

    Van daaruit schreef ze reisverslagen voor de Volkskrant die later gebundeld werden in Op zoek naar de Olifant en Logeren op de vulkaan. Terug uit Amerika worden haar verhalen persoonlijker, spelen beslissende momenten uit haar eigen leven er een rol in. In ‘De verrader’, opgenomen in de bundel Een kamer op de Himalaya,  is het de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog. Een twaalfjarig meisje ontleent aan de oorlog iets avontuurlijks. Op de tweede dag van de oorlog, wanneer Duitse soldaten door de straten marcheren, gaat ze langs bij een schoolvriendinnetje waar ze nog nooit thuis kwam, er was iets raadselachtigs aan het gezin.

    Haar broer had geopperd dat het landverraders zijn. Ze wil het weten, daarom gaat ze er heen. Maar het zijn vriendelijke mensen, geen verraders. Op het punt van weggaan, het gezin gaat eten, gluurt ze nog even door de kier van de woonkamerdeur en ziet dat de vader zijn hoofd met een zwart doekje bedekt. ‘Het was of er nu toch een vonnis was uitgesproken, hij had zich het hoofd met zwart gedekt. Het verraad maakte plaats voor een ander soort getekend-zijn. “ik wist het niet,” fluisterde ik, “ik wist het niet, ik dacht…” Ik kan niet uitspreken wat ik gedacht had. Wij, joden, had hij gezegd. Een heel volk. En het flitste door me heen: de politie in onze straat, de joodse familie die de gordijnen had gesloten en zich in bed gelegd om niet meer wakker te worden… Het kind dat touwtje had gesprongen. In Polen, zei mijn broer, vermoorden ze alle joden. (…) nu was het hier ook Polen, ikzelf had de voetstappen gehoord door de straten, duizenden, en je wist niet welke gezichten erbij hoorden…’ Die broer was overigens fout in de oorlog, daarover heeft ze later geschreven in Heldendroom.

    Van Dullemen schreef om zelf steeds weer anders, opnieuw naar de dingen te leren kijken. ‘Als je ergens vreemd komt, heb je de neiging om zo botweg te oordelen, vanuit je eigen wereld, je eigen denkpatroon.’ In 1976 brak ze door naar een groter publiek met de novelle, Vroeger is dood, over haar dementerende ouders. De novelle werd bekroond met de Jan Campertprijs. En in 1987 werd het boek verfilmd en won twee gouden kalveren, waarvan een voor Jasperina de Jong in de rol van de dochter. In 1989 ontving ze de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre.

    Haar laatste roman, het autobiografische Een schip vol meloenen, verscheen in 2017. In een interview in de Volkskrant liet ze weten zelf ook verbaasd te zijn, dat ze jaren nadat ze dacht haar laatste boek te hebben geschreven, er toch nog een boek kwam. ‘Wat is er in uw boeken echt gebeurd, is mij vaak gevraagd. Mijn antwoord is eenvoudig: ik weet het zelf niet. Veel van wat ik werkelijk heb beleefd, heeft zich in mijn verbeelding getransformeerd tot fictie, maar is daarom nog niet minder waar.’ 

    Een schrijfster waarvan de geschiedenissen die ze deelde, de verhalen die ze vertelde, met je meegingen. Hier en daar wat aan je leven veranderde, iets toevoegden. In een hoekje van mijn geest is de schrijfster Inez van Dullemen altijd aanwezig geweest. Nu er niets meer van haar te verwachten is, blijft ze daar en in haar boeken voortbestaan.

     

    Bron: Bzzlletin. Jaargang 10 (1981-1982) op DBNL (digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

    © foto: Keke Keukelaar

     

  • Vacature proza/poëzie recensenten

    Ben je geïnteresseerd in literatuur en zou je je er meer in willen verdiepen? Of lees je wel eens een recensie, en denkt: dat wil ik ook! Dan is deze vacature iets voor jou. Op dit moment heeft Literair Nederland ruimte voor enkele gemotiveerde proza en/of poëzie recensenten.

    Literair Nederland was in 2002 een van de eerste literaire recensie sites van Nederland. In (bijna) twintig jaar tijd is Literair Nederland uitgegroeid tot een gerenommeerde site met een eigen stijl en toon die zich niet laat leiden door de top-tien van best verkochte boeken of andere bestseller- lijsten. Kwaliteit heeft bij Literair Nederland voorrang op verkoopcijfers.  

     

    Wat vragen wij:

    • Sterke affiniteit met literatuur
    • Enige ervaring met schrijven
    • Gemiddeld eens in de vier weken (of vaker) een boek of bundel recenseren

     

    Daar staat tegenover:

    • Redactionele, persoonlijke begeleiding
    • Publicatie van je recensies
    • Verbreding van je literaire kennis  
    • Gratis recensie exemplaren
    • Jaarlijks een recensenten borrel

     

    Reacties naar: Ingrid@literairnederland.nl

     

     

  • Liesbeth Lagemaat wint De Grote Poezieprijs 2021

    In het radioprogramma Opium op NPO Radio 4 werd vanavond bekendgemaakt dat Liesbeth Lagemaat met haar bundel Vissenschild de derde editie van De Grote Poëzieprijs heeft gewonnen. De jury vond haar bundel, ‘een adembenemend werk waarin een zinderend poëtisch spel wordt gespeeld. Met deze poëzie toont de dichter grote ambitie en lef, maar ook het vermogen om een grote belezenheid te koppelen aan de huidige tijdsgeest.’ Liesbeth Lagemaat (1962) debuuteerde met Een grimwoud in mijn keel dat in 2005 werd bekroond met de C.Buddingh’-prijs. Vissenschild is haar zevende bundel en verscheen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

    Poëzierecensent Hettie Marzak was lovend over Vissenschild, ze schreef: ‘Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren.’ Lees hier de hele recensie.

    Uit 107 dichtbundels koos de jury van De Grote Poezieprijs, Lagemaats bundel Vissenschild als beste gedichtenbundel van 2020. De auteur ontvangt een geldbedrag van € 25.000, waarvan € 5.000 bestemd is voor een project ter stimulering van de Nederlandstalige poëzie naar keuze van de winnende auteur.

    De Grote Poëzieprijs is sinds 2019 de opvolger van de VSB Poëzieprijs en wordt gezien als dé prijs voor de Nederlandstalige poëziebundel. Aan de prijs zijn inspirerende publieksprogramma’s en educatieve trajecten verbonden die een beeld geven van de actuele stand van zaken van poëzie in het Nederlands taalgebied.

    Wie benieuwd is naar de andere deelnemers, vindt hier een overzicht van alle deelnemende bundels.

     

     

  • Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zes genomineerden, allen hadden ze een geweldig boek geschreven, elk van hen werd het gegund deze prestigieuze prijs te winnen. Maar het werd Jeroen Brouwers, belangrijk schrijver met een zeer omvangrijk oeuvre, hij won met het ‘onontkoombare, unieke, belangwekkende, buitengewone, fantastische boek’, Client E. Busken de Libris Literatuur Prijs. Het moest zo zijn, als een fantastische en waardige afsluiting van zijn schrijvers carrière. Brouwers zelf zei in een interview, voorafgaand aan de prijsuitreiking, ‘Ik ben met emeritaat.’ Of er ooit nog een nieuw boek komt is niet vanzelfsprekend meer. Het idee voor het winnende boek ontstond toen hij een oude vriendin in een verzorgingstehuis bezocht. De mate van gevangenschap die daar heerst, sprak hem aan, zoals hij vaker over gevangenschap schreef.

    De jury, bestaand uit Lilianne Ploumen (voorzitter), Judith Eiselin, Johan Fretz, Maarten Moll en Yves T’Sjoen, was lovend: ‘Brouwers zuigt je mee in dit verslavende taalcircus, een ware krachttoer, hilarisch en ontluisterend tegelijk. Cliënt E. Busken bewijst dat zelfs ogenschijnlijk maar voort wauwelen kan vlammen, zinderen en tergen. Deze unieke verkenning van wat een onbetrouwbare (of op zijn minst niet geheel te vertrouwen en te volgen, maar o zo dwingende) verteller vermag, vormt een schitterende toevoeging aan Brouwers’ rijke oeuvre.’

    Jeroen Brouwers (1940) schreef in meer dan een halve eeuw een imposant oeuvre bijeen dat romans, verhalen, essays, brieven en polemieken omvat. Zijn werk werd bekroond met vele prijzen, waaronder de Multatuliprijs, de F. Bordewijk-prijs, de Constantijn Huygens-prijs, de Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en de ECI Literatuurprijs. In 2018 werd aan Brouwers door de Radbout Universiteit Nijmegen een eredoctoraat toegekend.

    Cliënt E. Busken beschrijft een dag van de man, E. Busken, die tegen zijn zin op de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling verblijft. Hij spreekt niet, maar we lezen zijn gedachten mee, hoe hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar voorziet. Ongericht lopen zijn gedachten door elkaar. De eerste zin van Cliënt E. Busken: ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is.’

     

    Overige genomineerden waren:
    Confrontaties – Simone Atangana Bekono (Lebowski)
    Wij zijn licht Gerda Blees (Podium)
    De Saamhorigheidsgroep – Merijn de Boer (Querido)
    Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers (Atlas Contact)
    De onbevlekte – Erwin Mortier (De Bezige Bij)
    Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld (Atlas Contact)

     

     

  • De Johnny een nieuwe prijs voor podiumpoëzie

    Er komt een nieuwe prijs voor podiumpoëzie, De Johnny een oeuvreprijs voor podiumpoëzie geïnspireerd op de dichter Johnny van Doorn (1944 – 1991). Met zijn explosieve poëzievoordrachten plaatste Van Doorn als geen ander de podiumkunst in de schijnwerpers. Eerder was er al een Johnny van Doornprijs die van 1993 tot 2012 jaarlijks werd uitgereikt, onder meer gewonnen werd door Simon Vinkenoog, Jules Deelder, Bart Chabot, Erik de Jong (Spinvis) en Nico Dijkshoorn.

    Kanshebbers voor de nieuwe Johnny prijs zijn dichters, woordkunstenaars of podiumkunstenaars die in de breedste zin van het woord hebben bijgedragen aan de receptie van poëzie in het Nederlandse taalgebied. Dit kan met eigen werk zijn, maar ook een vertolking van werk van derden. De prijs bestaat uit een geldprijs van € 10.000, waarvan de winnaar, als stimulering, € 2.000 moet besteden aan een opkomend talent naar keuze.

    De shortlist voor De Johnny wordt op 1 september bekend gemaakt waarna op 12 november, de geboortedag van Johnny van Doorn, de prijs wordt uitgereikt.

    Naast de geldprijs ontvangt de winnaar de ‘Johnny van Doorntrofee’. Daarvoor is op het platform Voor de Kunst een crowdfundingactie gestart. Met de opbrengst daarvan zal een kunstenaar het ontwerp en de productie van de trofee uitvoeren.
    Donateurs ontvangen voor hun bijdrage een leuke attentie!

     

    De Johnny is een initiatief van de Arnhemse Stichting voor Poëzie en het Gesproken Woord. Prijs de Poëzie, onderdeel van de Poëzieclub, is verantwoordelijk voor de organisatie van de prijs.
    www.prijsdepoezie.nl

     

     

  • Biesheuvelprijs voor Mensje van Keulen

    In een presentatie die het korte verhaal alle eer aandeed werd via livestream vanuit het Felix Meritis in Amsterdam bekend gemaakt dat Mensje van Keulen met haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen (Atlas Contact) de Biesheuvelprijs 2021 heeft gewonnen. Naast de eer won Mensje van Keulen een geldbedrag van € 8.774, dat door middel van  crowdfunding bijeen was gehaald, wat uniek is voor een literaire prijs. De Biesheuvelprijs werd zeven jaar geleden in het leven geroepen als stimulans voor- en de waardering van het korte verhaal. Sinds 2010 komt dit genre niet meer in aanmerking voor een literaire prijs. Het instellen van de Biesheuvelprijs is daar een reactie op.

    De uitzending rondom de uitreiking van de prijs werd gepresenteerd door Arjan Fortuin. Jurylid Christine Otten hield een inleiding over het korte verhaal en memoreerde Biesheuvel, die op 30 juli 2020 op 81-jarige leeftijd overleed en er dit jaar voor het eerst niet bij was.

    Er waren zestien inzendingen geweest voor de prijs, waarvan enkele afvielen, of omdat het een bundeling was van al eerder verschenen verhalen of omdat er ‘roman’ op stond. Christine Otten liet weten dat de kwaliteit van de overige bundels ongekend hoog was. En dat een subliem kort verhaal een vorm van pure poëzie is.

    Nadat de drie genomineerden ieder op zich waren geroemd om hun werk, de betreffende schrijver een fragment uit een verhaal uit zijn genomineerde bundel voorlas, werd bekendgemaakt dat de keuze van de jury op Mensje van Keulen was gevallen. Die, zo zei jurylid Bo van Houwelingen, met een enkel woord een heel beeld kon schetsen, zoals ‘stappenteller’ als beeld voor een huwelijk.

     

    De jury oordeelde, ‘Ik moet u echt iets zeggen is een bundel die imponeerde met haar ongekend natuurlijk klinkende dialogen, geraffineerde plots die telkens naar een even verrassende als bevredigende ontknoping toewerken en psychologische schetsen die in een paar nonchalante zinnen een compleet universum suggereren. Een nieuw kroonjuweel in het oeuvre van de koningin van de vorm.’

     

    Mensje van Keulen was verrast en ontroerd door het winnen van de prijs. Vijftig jaar maakte Maarten Biesheuvel deel uit van haar leven, samen met Maarten ’t Hart vormden ze een soort sandwich, zei Van Keulen, met haarzelf in het midden. Met het overlijden van Biesheuvel vorig jaar werd het opeens wel heel erg koud. Het winnen van de prijs had voor haar een dubbele betekenis. ze komt uit een tijd, zei ze, dat het nog heel gewoon was verhalen te schrijven.

    De overige genomineerden voor de J.M.A. Biesheuvelprijs waren: Rob van Essen met Een man met goede schoenen (Atlas Contact) en Joost de Vries met Rustig aan, tijger (Das Mag).
    De prijs werd eerder gewonnen door Marente de Moor, Maarten ’t Hart, Annelies Verbeke, Maria Vlaar en Rob van Essen.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2021 bestaat uit Ionica Smeets (voorzitter), Dirk-Jan Arensman, Bo van Houwelingen, Christine Otten en Ronald Soetaert.

     

  • Fotosynthese 18 – Een schim van tweehonderd jaar geleden

    klik op de foto om de achtergrond te zien


    Als Stendhal op 22 januari 1817 de Santa Croce in Florence zou zijn binnengelopen – ik verbeeld het me even – om te schuilen voor een plotselinge regenbui die hem overviel terwijl hij op zoek was naar een dokter die hem kon helpen aan een ontstoken kies, zouden we dan van het naar hem genoemde syndroom hebben gehoord? Het is mogelijk, maar minder waarschijnlijk. Althans niet op die vrijdag, denk ik.

    De dag voor zijn 34ste verjaardag, sprak Stendhal in Florence een monnik aan die hem de kapel in de Santa Croce binnenliet waar hij de fresco’s van Baldassare Franceschini (‘Il Volterrano’) wilde zien. Eenmaal binnen raakte hij in extase bij het plotselinge besef dat hij hier stond tussen de graven van Michelangelo, Galilei, Macchiavelli, Rossini en zoveel andere kunstenaars en met zoveel schoonheid om zich heen. Hij werd overdonderd door sensations célestes, hemelse sensaties. Hij kreeg hartkloppingen – ‘wat ze in Berlijn de zenuwen noemen’, legt hij uit – en stond te trillen op zijn benen.

    Het kan in fictie een stuk erger. In De gevangene, het vijfde deel van de cyclus Op zoek naar de verleden tijd, laat Proust zijn Bergotte zelfs overlijden aan duizelingen als hij naar het stukje gele muur met een puntdak op Gezicht op Delft van Vermeer staat te kijken.

    Trillende benen

    Er staat me een onuitwisbaar moment voor ogen waarop ik zelf op zijn minst duidelijke symptomen van het syndroom ervoer. Dat was bij het schilderij Black, Red over Black on Red van Mark Rothko in het Centre Pompidou. Ik heb elders werk van hem gezien. In het Gemeentemuseum (tegenwoordig Kunstmuseum) in Den Haag zag ik in 2014 zijn overzichtstentoonstelling. Ik maakte ‘Rothko en ik’ mee in het Stedelijk Museum in Schiedam. Beide verliet ik teleurgesteld. Ik weet waarom. In Den Haag moest ik laveren tussen schuifelende lijven waaruit hinderlijke commentaren opstegen. Stilte was er daarentegen voldoende in de kamer waarin ik in Schiedam tien minuten alleen mocht zijn met Grey, Orange on Maroon, No. 8. Mensen verlieten soms huilend de ruimte, had ik vooraf gelezen. Ik bleef zelf betrekkelijk onberoerd. Te hoge verwachtingen barricadeerden bij voorbaat elke spontane emotie.

    Dat in het Centre Pompidou een Rothko hing wist ik niet. Het was vooral die argeloosheid van me die de schok veroorzaakte toen ik een hoek omging en overspoeld werd door het volle licht van het schilderij. In de ruimte was geen ander publiek. Ik voelde mijn adem stokken, stond te trillen op mijn benen. Iets vergelijkbaars is de ‘historische sensatie’ van Johan Huizinga. In een befaamd artikel in De Gids in 1920 schreef hij:

    ‘Het kan zijn, dat zulk een historisch détail, in een prent, maar het zou evengoed kunnen zijn in een notarisacte, terwijl het mij toch als zodanig onverschillig is, mij opeens het gevoel geeft van een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie’.

    Zonder verwachtingen

    Lang geleden maakte ik een rondreis door Griekenland met een vaag verlangen naar een sensatie zoals Edward Gibbon die op de verweerde stenen van het Capitool in Rome ervoer. De enige plek waarop ik in Griekenland een bescheiden glimp van verbondenheid met het verleden ervoer was het oude stadion in Olympia. Er waren nauwelijks mensen. Er ruiste een zachte wind. Ik was er niet op bedacht. Ik heb het blijkbaar nodig leeg te zijn, zonder verwachtingen. Net als Stephen Greenblatt in zijn essay Resonance and Wonder, ‘Looking may be called enchanted when the act of attention draws a circle around itself from which everything but the object is excluded, when intensity of regard blocks out all circumambient images, stills all murmuring voices’.

    Er zijn schrijvers die mij als lezer zowel de symptomen van het syndroom van Stendhal, alsook de ontroering van een historische sensatie kunnen bezorgen. Dat zijn de groten, zoals de Brit Richard Holmes. Hij is het meest bekend van zijn biografieën over schrijvers als Samuel Taylor Coleridge en Percy Bysshe Shelley. In 1986 las ik van hem Voetsporen. Daarin beschrijft hij hoe hij te werk gaat. Dat doet hij in zo’n grootste stijl en met zo’n sterke verbeeldingskracht dat ik het boek af en toe aangedaan moest wegleggen. Toen ik het een paar jaar later niet meer in mijn boekenkast terugvond (te enthousiast uitgeleend en nooit teruggekregen?), sloeg dat een pijnlijk gat. Ik schafte het onmiddellijk opnieuw aan. 

    Volledig ingepalmd

    Holmes slaagde erin mij totaal in te palmen en mee te nemen naar de mensen over wie hij schreef en de tijd en omstandigheden waarin zij leefden. Het was alsof ik met hen meewandelde, met hen at, met hen ademde. Holmes bereikte dat door zelf volkomen op te gaan in de schrijvers over wie hij vertelt. Een veelzeggende zin van hem: ‘Voor mij begint mijn leven als biograaf op de dag dat mijn bank een cheque weigerde omdat die per ongeluk 1772 was gedateerd’. De wegen van Shelly nawandelend maakte hij een foto van de achtertuin van Casa Bertini in Bagni di Lucca. In 1818 woonde Shelly, 26 jaar, daar met zijn eenentwintig jarige tweede vrouw Mary, baby Clara en vierjarige zoon William. Dood en ellende achtervolgden hem. Baby Clara stierf dat jaar, William een jaar later, Mary kreeg een zenuwinzinking. ‘De schim van de kleine William Shelly komt te voorschijn achter de plataan rechts’, noteerde Holmes bij de door hem zelf gemaakte foto.
    Ik zag het ook.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Thea Beckmanprijs voor historische jeugdroman ‘Verboden te vliegen’

    Martine Letterie heeft met Verboden te vliegen het beste historische jeugdboek van het jaar geschreven, over een meisje dat opgroeit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens de jury vertelt de schrijfster ‘vol warmte’ over het leven in een groot gezin.

    De prijs werd zaterdag door de jury toegekend, evenals de Jonge Beckman, de prijs voor het beste historische jeugdboek volgens lezers, ging naar Schaduw van de leeuw van Linda Dielemans.

    De Thea Beckmanprijs is sinds 2002 de prijs voor het beste historische jeugdboek. In eerste instantie onder de naam Historisch Nieuwsblad Bontekoeprijs en Archeonprijs, in 2004 werd de prijs vernoemd naar Thea Beckman (1923-2004), die talloze jeugdboeken schreef. Aan de prijs is een geldprijs van duizend euro verbonden, wie de Jonge Beckmanprijs wint, krijgt vijfhonderd euro.

    De overige genomineerden waren: Inez van Loon met Mathilde, ik kom je halen (Clavis); Kathleen Vereecken met Alles komt goed, altijd (Lannoo); Dolf Verroen met Niemand ziet het (Leopold).

     

     

  • Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen

    Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen voor  haar historische roman Viktor (Ambo|Anthos). In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader.

    De roman is gebaseerd op de lotgevallen van de Weens-Joodse familie van Judith Fanto. In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader. Het personage Viktor heeft echt bestaan.

    Op Literair Nederland schreef recensent Marjet Maks over Viktor, ‘In haar onderzoek naar het familiegeheim haalt Judith de onderste steen boven en doet ze een aantal schokkende ontdekkingen over Viktors ware aard. Hij blijkt een soort Scarlet Pimpernel te zijn, een vermomde superheld. Fanto maakt slim gebruikt van de verhaallijn van deze klassiek geworden avonturenroman van de Engelse schrijfster Barones Orczy. Al dan niet feitelijk gebeurd, ze werkt het thema geloofwaardig uit.’
    Lees hier de hele recensie.

    Judith Fanto ontving de award uit handen van juryvoorzitter Gerben de Bruijn en Hebban-hoofdredacteur Sander Verheijen. De prijs werd voor de vijfde keer uitgereikt. Vorig jaar won Thomas Rueb met ‘Laura H.’.

    Een lezersjury van ruim honderd lezers bepaalde de shortlist voor de Hebban Debuutprijs 2020.
    Overige genomineerden waren, Draaidagen van Bianca Boer, Niemand zoals hij van Lucia van den Brink, Confettiregen van Splinter Chabot, Lichter dan ik van Dido Michielsen.

    De Hebban Debuutprijs is de enige juryprijs van Nederland en Vlaanderen met een grote invloed van lezers en richt zich op Nederlandstalige literaire fictie, literaire non-fictie, spanning, feelgood en young adult.

     

     

  • Verras je vrienden en help lokale boekhandels

    Uitgeverij Van Oorschot heeft een prachtig initiatief bedacht om  -nu we er toch niet op uit kunnen en daarmee wellicht reisgeld en impuls aankopen besparen – plaatselijke boekhandels te ondersteunen onder het motto: ‘Jouw boekhandel overleeft!’

    Het werkt als volgt:
    Bestel twee boeken bij de lokale boekhandel, laat deze verzenden naar twee vrienden of familieleden en download zelf de ‘Jouw-boekhandel-overleeft!’-brief.
    Deze brief stuur je naar de twee personen waarvoor je het boek hebt gekocht, via e-mail of Whatsapp. Zodat zij ook weer voor twee vrienden een boek kunnen kopen en laten verzenden door hun lokale boekhandelaar.

    Zo maak je iemand in tijden van COVID-19 blij met een mooi boek én steun je de boekhandels in het hele land.

    Maarrr, om het nóg leuker te maken, geeft Van Oorschot ook boeken cadeau.
    Let op!: mail de bon van de twee boeken die je hebt laten versturen naar twee vrienden naar contact@vanoorschot.nl

    Elke vijftigste inzending krijgt een Van Oorschot-boekenpakket t.w.v. €100 cadeau en je maakt ook nog eens kans op een boekenpakket t.w.v. €500.

    Aan de slag dus, we laten de boekhandels niet in de steek!