• René van Stipriaan wint Libris Geschiedenis Prijs 2022

    Tijdens een speciale live-uitzending van radioprogramma OVT op de zondagochtend, maakte juryvoorzitter Thom de Graaf bekend dat René van Stipriaan met zijn boek, De Zwijger: Het leven van Willem van Oranje de Libris Geschiedenis Prijs krijgt. De jury noemde De zwijger een boek dat ‘de komende dertig jaar een standaardwerk zal zijn. Een compleet boek over een onderwerp waar maar weinig historici zich aan zouden wagen. (…) Zijn biografie van de Zwijger is gebalanceerd en plaatst de hoofdpersoon in de context van zijn tijd en milieu. Een zeldzaam grondig en prettig geschreven boek, dat alle eerdere biografieën over Willem van Oranje overtreft.’

    De Libris Geschiedenis Prijs bekroont historische boeken die een algemeen publiek aanspreken. De criteria zijn dat het boek een oorspronkelijk onderwerp heeft, prettig leesbaar is en op gedegen historisch onderzoek stoelt. Aan de prijs is een bedrag van € 20.000 euro verbonden.

    De jury bestond dit jaar uit: Karin van den Born, eindredacteur NTR-televisie; George Harinck, hoogleraar geschiedenis van het neocalvinisme in Kampen; Manon van der Heijden, hoogleraar Comparative Urban History aan de Universiteit Leiden; Maria Holtrop, conservator Geschiedenis bij het Rijksmuseum; Bas Kromhout, hoofdredacteur van Historisch Nieuwsblad; Nelleke Noordervliet, schrijfster, verbonden aan Trouw; Hubert Slings, wetenschappelijk medewerker bij het Nederlands Openluchtmuseum.

    De overige genomineerden:
    Bart van der Boom met De politiek van het kleinste kwaad. Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943
    Patrick Dassen met De Weimarrepubliek. Over de kwetsbaarheid van de democratie
    Anne-Lot Hoek met De strijd om Bali. Imperialisme, verzet en onafhankelijkheid 1846-1950
    Luc Panhuysen met Het monsterschip. Maarten Tromp en de armada van 1639
    Ontvangen een bedrag van € 1.500 euro als waardering voor hun prestatie.

     

     


    Foto: Sander Heezen
    (met toestemming van ‘Maand van de geschiedenis’)

  • Fotosynthese 27 – Stairways from hell to heaven

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel


    Zoals een dier zich aanpast aan zijn omgeving, zo hebben gebouwen dat gedaan. Evolutie is niet alleen van toepassing op flora en fauna.  De ornamenten op dit gebouw komen op mij een beetje neo-klassiek over. Waarschijnlijk zijn de bouwmeesters eerste- of tweedegeneratie-Britten of -Fransen geweest die een Parijs of Londons versiersel in een verre geheugencel bewaard hadden, lichtjes aangepast, en zo vervolgde  het ornament gemuteerd zijn bestaan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Aan de drie uithangende airco’s op deze foto kun je zien dat dit pand zich in een vochtig landklimaat bevindt, langzaamaan veranderend in een subtropisch klimaat; de zomers zijn er heet. Maar in de tropen had het gebouw vast veertien airco’s gehad.

    New York City. Geen mens twijfelt aan de locatie van dit pand. Waar zie je dergelijke wonderlijk overheersende fire-escapes? Alleen in een stad die enkel frontgevels heeft en geen binnentuinen. Die stad was vanaf 1880 intens gegroeid door alle nieuwe aanwas: Ieren na de hongersnoden halverwege de 19de eeuw, Duitsers, en Italianen na de eenwording in respectievelijk 1871 en 1870.  Fransen en Polen zochten hun heil in de V.S. vanuit een Europa dat net als nu te veel een bastion van de rijken was geworden. De huurpanden in Greenwich Village waren niet luxe, straatarme arbeiders hokten er bijeen. Er werd hoog gebouwd om ruimte te besparen. En omdat het kon.

    Bij een brand in 1860 kwamen twintig mensen om. De Tenement House Act zorgde er in 1867 voor dat een ontsnappingsroute voor huurders verplicht werd. Het duurde nog tot 1911 tot het echt beeld veranderend misging. Honderzesenveertig arbeiders van de Triangle Shirtwaist Company kwamen om bij een uitslaande brand. In het pand dat met zeshonderd mensen was volgestouwd maakten vooral Joodse en Italiaanse immigranten kleding voor de binnenlandse markt tegen zeer lage lonen. Ze woonden in panden als dit hier. De binnentrappenhuizen waren afgesloten zodat de werknemers niet te vaak naar de wc gingen, een praatje maakten of een sigaret rookten. Er moest productie gedraaid worden. Een meisje zat opgesloten omdat ze iets gestolen zou hebben. De meeste doden waren meisjes; de jongsten waren de 14-jaar oude  Kate Leone en Rosaria ‘Sara’ Maltese. De meesten van de slachtoffers sprongen brandend van de 8ste, de 9de en de 10de verdieping. Het zou 110 jaar de grootste brandramp met vallende slachtoffers in New York blijven… Woedend waren de mensen.  80.000 van hen liepen over 5th Avenue en eisten dat de overheid ging nadenken over veiligheid. Het leidde tot de  Sullivan-Hoey Fire Prevention Law, een pakket maatregelen dat ook de getoonde landmark verklaart: projectontwikkelaars moesten zich aan een pakket eisen houden en de brandtrappen aan de voorgevel was er één van. Voor Kate en Sara kwamen de brandtrappen van New York te laat.

    In 1912 componeerde de Joodse componist Charles Simon een Yiddish lied over de tragedie. Het refrein luidt:

    Oy a trer darf yeder mentsh fargisn
    Af dem groysn khurbn vos es iz geven
    Vi der fayer hot kinder fun eltern avekgerisn
    Aza umglik zol mer nisht geshen
    Fun der tsentn flor zenen zey geshprungen
    Zikh tsu retn fun der biterer noyt
    Dokh iz zey nebekh nit gelungen
    Un af dem sayd-vok gefinen zey dem toyt.

    Oy, men zou een traan moeten laten
    voor de grote vernietiging die plaatsvond
    Hoe het vuur kinderen van hun ouders losscheurde
    Iets dergelijks zou nooit meer mogen plaatsvinden
    Ze sprongen van de tiende verdieping
    om zichzelf te redden van de bittere nood
    Maar dat is ze natuurlijk niet gelukt
    En op de stoep vonden ze de dood

    In 1927 werd een veilige binnentrap verplicht, maar destijds waren uitwendige brandtrappen al wijdverbreid in de stad. Tot 1968 zijn ze gemaakt, vermoedelijk ook omdat ze nu bij een New Yorkse woonkazerne waren gaan horen. Daar zal de filmindustrie wel een rol in hebben gespeeld: denk aan Hitchcocks Rear Window of Breakfast at Tiffany’s, waarin Audrey Hepburn op zo’n trap op een ukelele tokkelend Moon River zingt. Na The West Side Story had de brandtrap het zelfs tot een iconische affiche geschopt. De filmhit toonde vooral de romantische mogelijkheden van de trap: hoe geliefden bij elkaar komen buiten medeweten van hun ouders om. Dat wat in 1920 nog refereerde aan een ramp, verwees door dergelijke films alras naar romantiek. De brandtrap was geëvolueerd van een functie naar een mogelijkheid, van noodzaak naar wens. Om de vijf jaar moeten de brandtrappen gecheckt worden, maar ze vertonen nu veel roest en corrosie. New Yorkse makelaars adverteren er mee. Voor de bewoner van vandaag is het vaak een groot rek om een tomatenplantje op te zetten. Of naar ik aanneem voor een hennepplant, sinds het bezit daarvan gelegaliseerd is. De fire escape werd van een nachtmerrie een droom.

    All that    

    the only things I remember about
    New York City
    in the summer
    are the fire escapes
    and how the people go
    out on the fire escapes

    in the evening
    when the sun is setting
    on the other side
    of the buildings
    and some stretch out
    and sleep there
    while others sit quietly
    where it’s cool.

    and on many
    of the window sills
    sit pots of geraniums or
    planters filled with red
    geraniums
    and the half-dressed people
    rest there
    on the fire escapes
    and there are
    red geraniums
    everywhere.

    this is really
    something to see rather
    than to talk about.

    it’s like a great colorful
    and surprising painting
    not hanging anywhere
    else.

    Charles Bukowski (uit Open all night)

    De fire escape werd van een nachtmerrie een droom, daarna een schilderij en tenslotte deze foto.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Oproep: proza en/of poëzie recensenten

    Leest u graag en bent u geïnteresseerd in Nederlandse literatuur en literatuur in Nederlandse vertaling en denkt u bij het lezen van een recensie wel eens, ‘Hm, dat zou ik ook wel kunnen’? Dan is deze vacature misschien iets voor u. Op dit moment heeft Literair Nederland ruimte voor enkele gemotiveerde proza en/of poëzie recensenten (alle leeftijden).

    Literair Nederland was in 2002 een van de eerste literaire recensiesites van Nederland. In twintig jaar tijd zijn wij uitgegroeid tot een gerenommeerde site met een eigen stijl en toon. De top-tien van best verkochte boeken of andere bestseller- lijsten is niet leidend voor ons. Kwaliteit heeft bij ons voorrang op verkoopcijfers.  

    Wat vragen wij:
    – Affiniteit met literatuur
    – Lees- en schrijfervaring
    – Gemiddeld eens in de zes weken (vaker mag ook) een boek of dichtbundel recenseren

    Wat wij bieden:
    – Redactionele begeleiding

    Wat brengt het op:
    – Verbreding literaire kennis
    – Gratis recensie exemplaren
    – Jaarlijkse recensentenborrel

    Lees hier meer over Literair Nederland.

    Reacties graag naar: Ingrid@literairnederland.nl

     

  • Waar mooie initiatieven en poëzie elkaar ontmoeten

    Deze week twitterde Dichter des Vaderlands Lieke Marsman het volgende: ‘Lieve mensen, ik vraag dit niet lichtzinnig: HELP MIJ hier een succes van te maken. Vanaf vandaag zamel ik geld in voor @AYAzorgnetwerk en @MBuuf. AYA biedt jonge mensen met kanker (zoals ik) brede en leeftijdsspecifieke zorg.’

    ‘Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu’
    Lieke Marsman

    Marsman heeft de afgelopen jaren, de jaren waarin ze ziek was, veel gehad aan de hulp van AYA, een zorgnetwerk dat speciaal is opgericht voor jongvolwassenen met kanker. Kanker zet het leven van mensen volledig op zijn kop. Voor jongvolwassenen is dat bovendien net op het moment dat ze belangrijke beslissingen willen nemen in hun leven.

    Het enorme spandoek dat ter ere van haar inauguratie als Dichter des Vaderlands werd onthuld met daarop een van haar dichtregels, wordt nu hergebruikt. Er worden door het atelier Mijn Buuf mooie tassen, etuis en sleutelhangers van gemaakt. Mijn Buuf is een atelier dat een werkplek biedt aan vrouwen met een migratieachtergrond.

    Lieke Marsman haalt nu geld op voor AYA waarmee ook Mijn Buuf geholpen wordt.
    Voor meer informatie en uw donatie: ga naar Voordekunst.nl

     

    (Foto: Tilt)

  • Gezocht: A. Alberts-lezers (vijftig plus)

    Onlangs verscheen bij Das Mag De bomen van A. Alberts (1911-1995). Op de website van de uitgeverij is te lezen waarom zij de debuutroman van deze Nederlandse schrijver opnieuw uitgeven. Zij schrijven o.a.: ‘Het heeft een raadselachtige schoonheid waar we als een blok voor vielen, vooral door de eenvoudige, opvallend tijdloze maar vervreemdende stijl. Het is een schrijver die niet te vergelijken is met anderen en die je gewoon moet lezen om te begrijpen waarom — om vervolgens betoverd te raken.’

    Das Mag hoopt op een nieuw lezerspubliek. Om deze nieuwe lezers te bereiken, hebben ze een plan gemaakt waarin o.a. ‘old skool Alberts-fans’ opgeroepen worden om jonge lezers te overtuigen. Ze zijn daarom op zoek naar Alberts-fans die een exemplaar willen uitdelen aan een jonge lezer, geboren ná 1955 (sterfjaar van A. Alberts) aan wie De bomen goed besteed zal zijn. In De Groene Amsterdammer stond de volgende oproep van uitgeverij Das Mag:

    Voelt u zich aangesproken, mail dan naar hotline@dasmag.nl.

     

  • Voor Beste Boek voor Jongeren tien boeken genomineerd

    Tien boeken, vijf in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig en vijf in de categorie Vertaald,  zijn genomineerd voor de prijs Beste Boek voor Jongeren. Deze prijs, verbonden aan de Boekenweek van Jongeren die dit jaar plaatsvindt van 16 t/m 25 september, bestaat onder andere uit een geldbedrag van € 2.500. Welke twee boeken winnen, wordt bekendgemaakt bij de start van de Boekenweek van Jongeren. Een jury van zes jongeren gaat de aankomende tijd de tien genomineerde boeken lezen.

    In de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig zijn genomineerd:

    In de categorie Vertaald zijn genomineerd:

    • De Godden broers – Meg Rosoff, vertaald door Jenny de Jonge (Luitingh-Sijthoff)
    • De overlevenden – Alex Schulman, vertaald door Angélique de Kroon (De Bezige Bij)
    • Het meisje met de luidende stem – Abi Daré, vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen  (Signatuur)
    • Het onzichtbare leven van Addie LaRue – V.E. Schwab, vertaald door Merel Leene (Boekerij)
    • Zeis – Neal Shusterman, vertaald door Lydia Meeder (Pelckmans / Blossom Books)

    Het Beste Boek voor Jongeren is een literaire prijs voor jonge schrijvers in Nederland en Vlaanderen. De boeken die om hun kwaliteit en inhoud goed aansluiten bij de belevingswereld van jongeren, worden bekroond. Vorig jaar won Confrontaties van Simone Atangana Bekono (Lebowski) in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig, en Stilte heeft een eigen stem van Ruta Sepetys en vertaald door Aleid van Eekelen-Benders (Luitingh-Sijthoff) in de categorie Vertaald.

    De jury van volwassenen,  die de shortlist samenstelde,  bestaat uit: bibliothecaris Mieke van Eijsden (voorzitter), boekhandelaar Jacky Hitzert, trainer John Schrijnemakers, docent Esther Heurter en docent Mark Bakker.

    De jury van zes jongeren, die uit elke categorie het winnende boek bepaalt, bestaat uit: voorzitter Bruno Beeke (16 jaar), Yente Zomerplaag (18 jaar), Paris Duivenvoorden (16 jaar), Lieke Vos (16 jaar) en de tweelingzussen Danique en Rosalie De Jong (17 jaar).

    Op de website van Hebban en de website van Boekenweek van Jongeren stellen zij zich voor en vertellen ze waarom lezen zo belangrijk voor ze is.

     

     

  • Fotosynthese 26 – Een bloemetje voor Sergei

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel


    Beste Sergei,

    Wij kennen elkaar niet. Toch heb ik een paar jaar geleden, op 21 oktober 2015 om 11.15 uur, aan je graf gestaan. Het was bedolven onder de bloemen, kleurige linten, versierde hartjes en dat alles in de kleuren van de Oekraïense vlag. Het stond in fel contrast met het mistroostige weer. Een loodzwaar wolkendek dreigde elk ogenblik tot ontlading te komen en over te gaan in een dichte motregen. Ik weet trouwens helemaal niet hoe je heet. Ik noem je voor het gemak maar Sergei. In het Nederlands zou ik je Jan kunnen noemen, Jan Soldaat. Ik heb besloten je een brief te schrijven.

    In 2015 was ik met twee vrienden een weekje in Lviv. Ons was verteld dat het een mooie stad moest zijn. Wij zijn Nederlandse historici en hebben belangstelling voor de geschiedenis van Oekraïne, een grensland tussen oost en west. Lviv wordt wel ‘de ultieme stad voor historici’ genoemd. Dat is af te lezen aan de nog steeds gangbare Duitse, Poolse en Oekraïense namen voor de stad: Lemberg – Lwów – Lviv. Van 1918 tot 1939 behoorde de stad tot de republiek Polen (Lwów), van 1939-1941 tot de Sovjet-Unie (Lviv) en van 1941-1944 tot nazi-Duitsland (Lemberg). Van 1944 tot 1991 behoorde ze weer tot de Sovjet-Unie (Lviv) en vanaf 1991, na het uiteenvallen van de USSR, tot het onafhankelijke Oekraïne, een betrekkelijk jong land. De stad heeft nooit lang tot één land behoord. Vaak zijn begraafplaatsen een fascinerende spiegel van dat verleden. En dat is zeker het geval op de begraafplaats Lychakiv, waar jij je laatste rustplaats hebt gevonden. Veel Poolse graven herinneren aan de Poolse hegemonie in het verleden. Het feit dat er tegelijkertijd een veredelde beeldenstorm heeft plaatsgevonden op de ogen van de afgebeelde Poolse overledenen, impliceert dat naderhand niet iedereen meer gediend was van die Poolse invloed.

    Als inwoner van Lviv en Oekraïne moet je heel anders in het leven staan dan wij, inwoners van Amsterdam, Alkmaar en Leiden. Deze steden liggen al sinds mensenheugenis in Nederland, een onbetwist soeverein land. Wij voelen ons dan ook allemaal Nederlander en een beetje Amsterdammer, Alkmaarder of Leidenaar. Wij voelen ons totaal niet bedreigd. Wie wil nu Nederland aanvallen, laat staan Amsterdam, Alkmaar of Leiden? Een krankzinnige gedachte! Veel mensen in Nederland hebben niet veel op met militairen. Ik ook niet. Een generaal die in uniform met pet op in een talkshow verschijnt, opgedirkt met kruisen van verdienste, wekt bij velen de lachlust op. Een potsierlijk gezicht. Je zou eens moeten weten hoeveel moeite het ons heeft gekost om een jaarlijkse veteranendag in te voeren. Veel mensen vonden dat een belachelijk idee. Ik kan mij zo voorstellen dat dat bij jullie heel anders ligt. Misschien voelde jij je aanvankelijk vooral Lvivenaar en daarna pas Oekraïner en is het gevoel van Oekraïner te zijn pas later versterkt door de inval van de Russen in de Donbas. Jullie vrijheid moet voortdurend verdedigd en bevochten worden. Jullie kijken natuurlijk met veel meer respect naar militairen dan wij. Jij hebt je als vrijwilliger gemeld om voor je land te vechten in de Donbas. Staande aan je groeve word ik bestormd door al deze overpeinzingen. Uit de bloemenzee op je graf blijkt dat jij voor de mensen in Lviv een held bent. Ik begrijp dat wel en respecteer dat ook. Door jouw ogen ziet de wereld er totaal anders uit dan door mijn ogen. In jouw ogen is de wereld veel bedreigender en vol gevaren waartegen je je teweer moet stellen.

    De herinnering aan de onderdrukking van de Sovjettijd is nog springlevend. Je hoeft maar in de ogen van je grootmoeder te kijken en je leest de angst voor de herinneringen aan de ‘holodomor’ uit de jaren dertig en de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, toen jullie eerst de Russen, daarna de Duitsers en ten slotte wederom de Russen over de vloer kregen. Trouwens, in Nederland weet bijna niemand wat er bedoeld wordt met de ‘holodomor’, namelijk dat er toen naar schatting 4 miljoen mensen opzettelijk de hongerdood zijn gestorven in Oekraïne op bevel van Stalin. Ik heb wel eens geprobeerd daarover te praten met een oudere Oekraïense vrouw. Dat was lastig. Jullie praten daar niet graag over, omdat het nog zo vers en dichtbij is. Bovendien weten jullie nooit zeker of die tijd nooit meer terug komt, tenslotte blijkt Rusland dichtbij. Ik lees er veel over en praat er wel graag over, omdat het mij interesseert maar nooit persoonlijk geraakt heeft. Het is ver van mijn bed. Vrijheid is voor jou iets kostbaars en bijzonders. Voor mij is het vanzelfsprekend en doodgewoon. Jij herinnert mij daar weer eens aan en daar wil ik je voor bedanken.

    Rust zacht, Sergei. Ik leg ook een bloemetje op je graf.

     

     

    Fotograaf: naam onbekend


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Tobi Lakmaker wint eerste Hans Vervoort Prijs

    Ofschoon alle genomineerden op de shortlist over grote kwaliteiten beschikken, zo liet de jury weten, hoefde zij niet lang na te denken toen het aankwam op de beslissende keuze. Tobi Lakmaker (1994) werd met zijn debuutroman De geschiedenis van mijn seksualiteit (Das Mag) de unaniem gekozen winnaar van de eerste Hans Vervoort Prijs.

    Over het prijswinnende boek een fragment uit het juryrapport:
    ‘Aan zelfinzicht, nieuwsgierigheid en humor ontbreekt het Tobi (voorheen; Sofie) Lakmaker niet. Sierlijk, een beetje raadselachtig, zonder opzichtig naar het doel te bewegen: Lakmaker schrijft ongeveer zoals Lucas Andersen (de held van hoofdpersoon Sofie) bij Ajax voetbalde.’ En: ‘Over alles kan ze een grap maken. Maar hoe je moet leven, liefhebben en rouwen, dat alles moet ze zelf op de angst en de onzekerheid veroveren. Die zoektocht heeft een buitengewoon geestige, originele en ook ontroerende roman opgeleverd.’ 

     De jury bestond uit uit Roeland Dobbelaer (De Leesclub van Alles/ Bazarow.com), Bart Leemhuis (De Nieuwe Boekhandel) en voorzitter Arjan Peters (literatuurcriticus).

    De tweejaarlijkse Hans Vervoort Prijs voor proza ‘van neerslachtige en toch opbeurende aard’, ingesteld op 5.000 euro en door een donatie dit jaar verhoogd naar 10.000 euro, zal de auteur worden uitgereikt tijdens een feestelijke avond op 22 april in zaal Belcampo (De Hallen) te Amsterdam.
    Wie de prijsuitreiking wil bijwonen kan zich aanmelden via deze link

    Overige genomineerden waren Nicolien Mizee met Hoog en laag springen,  Monika Sauwer met Vluchtpogingen, Philip Snijder  met Het smartlappenkwartier en Gerwin van der Werf met Strovuur.

     

  • Fotosynthese 25 – Gulag

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel.


    De documentaire die ik zat te kijken was bijna afgelopen toen er werd aangebeld. Ik zette de TV op de pauzestand. Even later was het alsof het (onbelangrijke) gesprekje aan de deur mijn aandacht had vrijgemaakt voor nieuwe interpretaties: toen ik in de kamer terugkeerde riep het stilstaande beeld ineens een ander bij me op, dat ik ooit had gezien op de expositie Meer licht in De Fundatie in Zwolle. Daar hing de foto van kalme golven bij Zeebrugge, gemaakt door Gert Jan Kocken. Het bijschrift maakte dat je ineens ontregeld werd: ‘On March 6th 1987 the Herald of Free Enterprise capsizes just outside the harbour of Zeebrugge killing 192 people’.

    Iets dergelijks gebeurde er toen ik de still zag op mijn scherm waarop ik de documentaire Gulag, a Life under the Sovjet System van Michaël Prazan had bekeken. De filmer volgt daarin de reis van de kleindochter van een man die onder Stalin naar de goelags was verbannen. In het stilstaande beeld zag ik ineens de schoonheid van een sneeuwlandschap zoals dat waar ik wel eens met een kinderlijk plezier door heen had gewandeld na een nacht waarin een dik pak was gevallen. De hoeveelheid sporen erin wekken de suggestie dat anderen iets dergelijks deden op weg naar een oneindige verte. Maar de romantiek van het beeld verdween meteen, net als bij de foto van Kocken, toen ik me realiseerde dat het de still was in een film vol gruwelijkheden die ik had bekeken tot de deurbel ging.

    De strafkampen van Stalin zijn in het Westen het meest bekend geworden door De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsyn, dat in de jaren ’70 van de vorige eeuw in het westen verscheen. Goelag was een Russisch acroniem voor een stelsel van straf- en werkkampen in Siberië. In de 19de eeuw stuurden de tsaren er (in hun ogen) criminelen naar toe. Vooral onder Stalin kon je er voor het stelen van een brood al naar toe worden verbannen, maar vooral als je als ‘vijand van het volk’ werd gezien. In toenemende mate werden de kampen ingezet voor de winning van goud, tin, hout en steenkool en werden de ‘ongewenste elementen’ daar afgebeuld. Het grootste gebied met dergelijke werkkampen was de Kolyma, genoemd naar de rivier die er doorheen loopt.

    Ik leerde zelf het onderscheid tussen Kolyma en de rest van Siberië pas maken toen ik kennis maakte met Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov. Kolyma was het meest barre deel van Siberië en geen man schetste dat beter dan hij. Solzjenitsyn (die elders in Siberië gezeten had) schreef over Sjalamov ‘dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar het kampbestaan ons naartoe trok’. Sjalamov zat tweeëntwintig jaar vast, vijf jaar in de Oeral en zeventien in Kolyma. Hij werd voor het eerst gearresteerd toen hij 22 was en herkreeg pas definitief zijn vrijheid op zijn 47ste (hij overleed in 1982). Zijn Berichten bestaat uit fictieve verhalen over het leven in Kolyma.

    Onder de ballingen in de verschillende kampen bevonden zich veel kunstenaars. Die hadden geen enkele vrijheid  om te schrijven, te componeren of te tekenen. Toch zijn er opzienbarende scheppingen ontstaan. In het gruwelijke Kolyma was dat vrijwel niet mogelijk . Heel bijzonder vind ik daarom wat Vsevolod Zaderatsky in Kolyma presteerde. Van hem zijn de 24 Preludes en fuga’s voor piano overgeleverd, die hij had gecomponeerd op stukjes papier die hij vond of telegramvellen die hij af en toe van een bewaker lospeuterde, zonder dat hij een muziekinstrument, laat staan een piano, bij de hand had.

    Sjalamov schreef aan het eind van zijn ballingschap al wel gedichten, maar zijn verhalen zette hij pas op papier toen hij weer was vrijgelaten. Uit één daarvan, Grafrede, weten we dat er minimaal één Nederlander in Kolyma zat. In dat verhaal beschrijft Sjalamov een aantal doden. Veel alinea’s beginnen hetzelfde: ‘[Naam] is dood’. Tussen al die namen: ‘Frits David is dood. Hij was een Hollandse communist (…) Hij had mooi krulhaar, blauwe ogen en een kinderlijke mond (…) Frits David was de eerste van ons transport die een pakket ontving. Zijn vrouw had het uit Moskou gestuurd. In het pakket zat een fluwelen kostuum, een nacht hemd en een grote foto van een knappe vrouw (…) Frits David is gek geworden en ze hebben hem ergens heen gebracht. Zijn nachthemd en de foto werden meteen de eerste nacht al gestolen (…) waarom, wat had iemand aan een foto van een onbekende?(…) “Dat is niet zo moeilijk te raden” [zei een pientere gespreksgenoot]. Die foto hebben de criminelen gestolen voor een seance, zoals ze dat zelf noemen. Voor zelfbevrediging, mijn naïeve vriend”…’ (vertaling: Marja Wiebes en Yolanda Bloemen).

    Af en toe lees ik nog altijd een paar verhalen in Berichten uit Kolyma. Er komt dan een moment dat ik het boek weer dicht vouw en op Spotify de 24 Preludes en fuga’s beluister. Met gesloten ogen zie ik de sneeuwvlakte.

     

    Fotograaf: Gert Jan Kocken


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Leve de recensie

    Het nieuws over de recente overgang van NBD Biblion naar ‘automatisch gegenereerde metadata’ gonst sinds een paar weken in de media. Sinds 1 maart heeft de boekenservice geen recensenten meer in dienst. De zevenhonderd professionele lezers die bibliotheken voorzagen van weliswaar beknopte doch goed geïnformeerde en beargumenteerde recensies zijn vervangen door computer. Als reden voor de nogal rigoureuze ingreep noemt NBD Biblion tijdwinst. In een document dat de nieuwe werkwijze toelicht en er voorbeelden van geeft, spreekt NBD Biblion de verwachting uit dat boeken op deze manier de bibliotheken sneller zullen bereiken, zodat ze hun collecties ‘actueler’ kunnen houden. Niet alleen zijn de boekbeschrijvingen – NBD Biblion spreekt eufemistisch van ‘aanschafinformatie’ – flink ingekort, maar ook gebaseerd op een beperkt aantal voorgekauwde criteria. De recensie is met de recensenten de deur uit gezet. 

    Waarom wel recenseren? Om lezers te enthousiasmeren, te informeren en te helpen een eigen oordeel te vormen. In het geval van NBD Biblion gaat het niet alleen om de bibliotheekmedewerkers die op basis van de geleverde ‘aanschafinformatie’ een boek wel of niet bestellen. Het gaat ook om de bibliotheekbezoekers die in de catalogus de NBD Biblion-recensie kunnen lezen. Zelfs webshops voor boeken nemen vaak de NBD Biblion-recensies over. 

    Bij Literair Nederland krijgen nieuwe recensenten een beknopte handleiding mee. Punt één: ‘Een recensie vertelt het verhaal niet na.’ En verder: ‘Een goede recensie contextualiseert, geeft informatie over omgeving, tijdperk, eerder werk van de auteur e.d.’ En: ‘In elke recensie zit een oordeel, vaak aan het einde, goed beargumenteerd en met nuances. Dat betekent dat je de moeite moet nemen uit te leggen wat je van het boek vindt, en waarom.’ 

    Kortom, een recensie is geen samenvatting met steekwoorden maar een kwalitatieve, aantrekkelijke én kritische bespreking van een boek. Bovendien is daar tijd voor nodig, want lezen – goed lezen en over het gelezene nadenken – heeft nu eenmaal baat bij traagheid. Dat is nogal iets anders dan de nieuwe – ongetwijfeld heel snelle – beoordelingscriteria van de NBD Biblion ‘schuifjes’. Bij fictie voor volwassenen zijn het: ‘activiteit: ontspanning – concentratie’, ‘stemming: vrolijk – duister’, ‘seks: geen – expliciet’ en ‘geweld: geen – expliciet’. Alleen bij fictie voor jongeren doet kennelijk ‘humor: serieus – vrolijk’ ertoe, maar dat terzijde.

    Het is lang niet meer zeldzaam om kunstmatige intelligentie in te zetten als hulpmiddel voor allerlei nuttige activiteiten, denk maar aan stofzuigen of reguleren van temperatuur in huis. 

    Maar literatuur is anders dan een stofwolkje of een graad Celsius, want ambivalent, meerduidig en complex. In Dave Eggers’ laatste roman Het alles bestaat een geautomatiseerde dienst voor het herlezen van literatuur, genaamd ‘Algo Mas’. Het algoritme van ‘Algo Mas’ zuivert literatuur van te ingewikkelde en mogelijk aanstootgevende elementen. ‘Algo Mas’ censureert om lezers te besparen, met als achterliggende gedachte dat ingewikkelde plots en lastige onderwerpen ongewenst zijn. ‘Algo Mas’ en de almacht van Het alles zijn fictie. De ‘schuifjes’ van NBD Biblion zijn dat niet. 

     

  • Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt

     

    Jos van Hest (1946) is dichter, redacteur, presentator en geeft poëzielessen aan basisschoolkinderen. Hij presenteerde vele literaire evenementen, waaronder sinds 2004 het maandelijkse Open Podium voor bekende en onbekende schrijvers in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Gedichten van hem zijn te vinden bij uitgeverij Plint op kaarten, posters en kussenslopen.Hij publiceert regelmatig in Dichter, het poëzietijdschrift van Plint voor kinderen van 6 tot 106 jaar. Onlangs stelde hij met zijn man, Jan ter Heide en Plint uitgeefster Mia Goes het poëzieboek Dood gewoon hemelen samen en werd er werk van hem opgenomen in verzamelbundels waaronder Een wonder prachtig dier van uitgeverij Ploegsma. Op jonge leeftijd debuteerde hij met de bundel Tegen beter weten (1968). In 2010 werd hij voor zijn inzet voor cultuur geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Wie is deze man, die zich volop inzet om poëzie onder de aandacht te brengen, schrijvers stimuleert en begeleidt en kinderen poëzie laat beleven.


    Het is een mistige dag als ik de trein naar Amsterdam neem. Halverwege is er een seinstoring, ik vrees te laat te komen. ‘Komt goed’, appt Van Hest me. Ik krijg, ook via de app, instructies hoe ik, eenmaal aangekomen, moet fietsen vanaf Centraal Station naar de Stadhouderskade, bij welke brug ik mijn fiets kan stallen. 

    Aan de lange tafel in de keuken drinken we eerst thee, er is cake. Een verdieping hoger is de werkkamer, een ruimte, groot als een bescheiden danszaal. Aan de voorkant staat een werktafel voor het raam met uitzicht op de gracht. Eén lange wand, zo’n tweeënhalve meter hoog, is boekenwand. Verspreid door de ruimte stapeltjes boeken, dichtbundels op stoelen, tafeltjes, op de vloer, ook in de gangen trouwens. Wie dit huis betreedt, ademt poëzie. 

    Voor we aan tafel plaatsnemen, laat Van Hest me op zijn computer een afbeelding zien van de herdenking van de Februaristaking bij de Dokwerker. Jaarlijks worden basisschoolkinderen betrokken bij de herdenking met kunst- en poëzielessen. Van Hest is als poëziedocent verbonden aan dit project. Op de afbeelding is een indrukwekkende groep beeldjes te zien. Elk kind maakte een van die beeldjes, geïnspireerd op het beeld van de stakende Dokwerker. Sommigen staan met opgeheven armen, springen, of staan op een been, houden spandoeken vast.

    ‘Uiteindelijk schrijven ze dan een gedicht, en ik vertel ze dan dat zij het schrijven, maar dat het het beeld is dat spreekt. Als je het woord ‘ik’ opschrijft, dan ben jij dat niet, maar het beeld. Dan krijg je hele mooie regels als, “Ik strijd voor de vrijheid! / Oorlog is een harde storm / Ik hoop dat ik weer thuis kom.” Tijdens de herdenking zijn de kinderen met hun ouders uitgenodigd. Ze zetten hun beeldje bij het monument en er worden gedichten voorgedragen. Jaren geleden, toen Job Cohen nog burgemeester was, was er een Turks meisje dat haar gedicht voordroeg voor de burgemeester. Ze kwam samen met de burgemeester op de foto. Haar ouders waren apetrots. Het gaat dan ook over hen, weet je, deze herdenking wordt ook deel van hun geschiedenis.’

     

     Zou je zelf poëzielessen op school gehad willen hebben toen je jong was?

    ‘Ik had zeker iemand gehad willen hebben die toen tegen me gezegd had, “Je moet het gewoon opschrijven. Je moet niet twijfelen.” En als je twijfelt, ook dan gewoon opschrijven. Later kun je altijd kijken wat er weg moet of wat erbij moet. Want een gedicht is eigenlijk nooit af. Hugo Claus ging bij een nieuwe druk van een bundel al die gedichten weer langs en dan vond ie dat het toch weer anders moest.’

     

    Wanneer begon je zelf te schrijven?

    ‘Na de lagere school ging ik naar het gymnasium Augustinianum in Eindhoven, een school voor zoontjes van notabelen en doctoren. Ik kwam uit een heel ander milieu, ik wist niks van huiswerk. Op de lagere school was ik gewoon goed in alles, het ging vanzelf. Ik dacht dat het op het gymnasium ook zo zou gaan. Maar daar werd ik als jongen door de Augustijnen ontzettend slecht behandeld. Het was een vreselijk jaar, ik bleef zitten. Toen ging ik naar het Van der Puttlyceum. Dat was een nieuwe school, er waren maar twee jaargangen boven mij. Na drie weken schreef ik een stukje voor de schoolkrant en een maand later zat ik in de redactie. Daar ben ik mijn hele schooltijd in gebleven.’

     

    Schreef je in die tijd ook al poëzie ?

    ‘De leraar Nederlands gaf mij een bundel, die heb ik nu nog, een bloemlezing, ik weet even niet meer hoe die heet, maar die ging ik toen lezen. En Bert Schierbeek, Remco Campert, die dunne bundeltjes van De Bezige Bij. We hadden ook het boek Literaire kunst, van Lodewick, daarin werden allerlei stijlfiguren behandeld met voorbeelden. Dat vond ik fantastisch, en dat ging ik dan zo’n beetje uitproberen.’

    Op jonge leeftijd won Jos van Hest een poëziewedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen. De prijs werd uitgereikt in Brussel. Het werd zelfs op de radio, in het nieuwsbericht van het ANP uitgezonden dat de dichter J. van Hest de poëziewedstrijd had gewonnen. 

    ‘In de jury zaten toen Hubert Van Herreweghen en Jos De Haes. Van Herreweghen is voor kenners wel een naam, maar hij is nooit zo doorgebroken in Nederland. Na die prijs raakte ik in contact met Ad den Besten, die had in 1949 de Windroos reeks voor poëzie opgericht. De vijftigers, Simon Vinkenoog, Hans Andreus, Remco Campert verschenen in die serie. Het was een heel belangrijke reeks voor jonge dichters, en daar mocht ik toen in publiceren. 

    Achteraf denk ik dat ik toen te vroeg gedebuteerd ben. Ik was ook veel te verlegen om door te gaan, gedichten te sturen naar literaire tijdschriften. Ik weet nog dat Kees Fens mijn debuut besprak, samen met andere debuten. Hij had twee regeltjes voor mijn bundel over. Hij vond het wel aardig, maar echt niet bijzonder. Hij vond het geloof ik meer een snoepwinkeltje, zoiets. Ja, dat greep mij wel aan toen.’

     

    Dacht je er wel over om dichter te worden?

    ‘Op een bepaalde manier wel ja, maar lange tijd had ik er ook groot ontzag voor. Nu pas, nu ik weer publiceer in tijdschrift Dichter, en ook alleen maar als mensen ernaar vragen, zeg ik dat ik dichter ben. Dat heeft heel lang bij mij geduurd. Ik vond dat wat ik deed een beetje uitproberen was en de naam dichter niet verdiende.’ 

    Er was enige aarzeling om een tweede bundel te publiceren. Vogelverschrikkers van Kimolos verscheen in 1982, veertien jaar na zijn debuut.

    ‘Die tweede bundel heeft heel lang op zich laten wachten omdat ik het niet wist. Het wonderlijke is dat ik in mijn leven heel veel mensen heb gestimuleerd, en dat doe ik nog steeds. Onder andere via het Open Podium. Ik zit in de redactie van Open reeks en ben redacteur van een aantal dichters, maar ik ben nooit iemand tegengekomen die mij stimuleert. Er waren wel mensen die zeiden, “Wanneer komt er weer eens een bundel.” Maar ja, dat waren mensen die te dicht bij me stonden. Dus ik ben een beetje terughoudend over eigen werk. Ik relativeer het ook wel door te denken, “ach, het stelt allemaal niet zoveel voor, dus waarom zou je.” Van anderen vind ik wel dat het wat voorstelt, en ook dat het altijd beter kan. Er zijn gradaties in de dichtkunst, er zijn er die goed zijn, en er zijn er die beter zijn.’

     

    Vind je dat iedereen poëzie kan maken?

    ‘In gesprekken met deelnemers aan het Open Podium, vraag ik altijd waarom ze willen schrijven. Ik ben benieuwd naar het ploeteren, de smoezen en uitvluchten die ze gebruikt hebben, uitstelgedrag. Daar kan ik op een waarderende manier enorm naar luisteren. De deelnemers aan het Open Podium zijn een mengeling van bekende dichters en mensen die hun eerste gedichten hebben geschreven en dat komen voordragen. Niet alles is goed, maar ik ben niet van het afkatten, door afkatten is niemand groot geworden. In kunstopleidingen is het een adagio om leerlingen eerst af te breken en dan weer op te bouwen. Ik ben niet van die richting. Maar dat wil niet zeggen dat ik alles goed vind. Het is niet gauw goed, het kan altijd beter.’

     

    Hoe werkt dat voor jezelf, dat altijd beter moeten?

    ‘Omdat ik hoge eisen stel aan mijn eigen werk, werkt dat niet, omdat ik te kritisch ben. Daarom is het zo fijn dat ik in Dichter publiceer, dat is een podium waar ik me thuis voel. Hoewel het onderscheid tussen kinder- en volwassen poëzie wel moeilijk is. Het is vaak heel artificieel, een kunstmatige scheidslijn, over bepaalde dingen die bij het volwassen leven horen, schrijf je niet voor kinderen. En kinderen zien allerlei lagen in een gedicht niet, dat begrijp ik wel, maar daarom moeten ze er wel inzitten, ook in kinderpoëzie. Er mag ook iets onbereikbaars in doorklinken. Daar zijn kinderen heel gevoelig voor. Tegen de kinderen in poëzieles zeg ik vaak, “Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt.” Dat zijn vaak hele goede dingen, het is nooit alleen maar eenduidig.’

     

    Wat betekent poëzie voor jou, ben je er elke dag mee bezig?

    ‘Ik geloof in de werking van poëzie. Ik lees iedere dag poëzie, het hoort bij mij. En ik geloof in de verbeeldingskracht van taal. In taal kun je zeggen waar het om gaat, of althans, kun je dat het dichtst benaderen. Het is ook wel dubbel, ik geloof in de poëzie van deze wereld, maar ook in die van de wereld die daar achter zit. De dichter Van Collem, hij is nu niet meer bekend, schreef, ‘Oneindig is de taal van het heelal / voorbijgaand zijn de woorden van de mensen.’ Dan denk ik, dat is het. Die tegenstelling in zo’n tweeregelig gedicht vind ik heel treffend.’

     

    Is poëzie ook iets wezenlijks?

    ‘Nu kan ik aankomen met dingen als, het houdt je overeind, geeft je nieuwe hoop, een medicijn tegen de slechtheid in de wereld, enzovoort. Maar dat zijn frases, dat is het niet. 

    Ik begeleid al jaren een poëzie leesgroep. We lezen de nieuwste bundels van bekend of onbekend talent. Niets ten nadele van Nijhoff, Achterberg en de vijftigers, maar die lezen wij niet in deze leesgroep. Dat doe ik omdat veel mensen wel de oude dichters kunnen lezen, maar de nieuwe niet, omdat ze die te moeilijk vinden. Vooraf lees ik de bundel en haal er gedichten uit die in mijn ogen belangrijk zijn voor de bundel. Vaak is dat het eerste en het laatste. Dat is de compositie van een bundel die, net als een muziekstuk, “Bam”, ergens mee begint, en eindigt met een catharsis. Zo kunnen bundels ook in elkaar zitten. Ik lees zo’n gedicht dan hardop. Daarna mag iedereen iets over het gedicht zeggen, alles mag. Ook dingen als, het gedicht heeft geen titel, of, het rijmt nergens alleen de laatste twee regels, of, dat woord ken ik niet. Zo maken we een soort plattegrond van het gedicht. Vaak nodig ik ook de dichter zelf uit. Die mag erbij komen zitten en niets zeggen, gewoon kijken wat er met zijn gedicht gebeurt.’

     

    Dat komt heel dicht bij de dichter zelf, wordt het dan niet te persoonlijk?

    ‘De dichters vinden het zelf heel bijzonder om erbij te mogen zijn. Een schrijver maakt zelden mee hoe een gedicht landt  in een lezershoofd. Meestal willen lezers weten wat de dichter erbij gedacht heeft. Maar het gaat niet om wat de dichter ermee bedoeld heeft, maar om de interpretatie van de lezer. Er is niks ergers dan een dichter die zijn gedicht gaat uitleggen. Een dichter hoort een gedicht te schrijven, niet een uitleg te geven. Ik hou ook niet van critici die zo goed weten wat er fout of goed is aan een gedicht. Vroeger werd op de middelbare school gevraagd, “Wat bedoelt de dichter met…?” Waarschijnlijk bedoelde de dichter niks, en wat hij bedoelde heeft hij opgeschreven. Poëzie betekent: vrijheid voor de lezer om eigen keuzes te maken, vrijheid om geraakt te worden.’

     

    Denk je op dit moment nog wel eens aan een bundel samenstellen?

    ‘Er wordt me wel gezegd, “Je moet eens gaan verzamelen wat je hebt.” Soms denk ik, ze hebben gelijk, maar soms denk ik, nee hè. Ik heb wel werk voor meerdere bundels liggen, maar ik ben een enorme twijfelaar over mijn eigen werk. Ik ben nu gevraagd door uitgeverij Ploegsma om vier jeugdgedichten te schrijven voor een verzamelboek. Daar ben ik dan wel trots op, dat ik daarin kom. Maar ik ben ook heel trots op de dichters die in Dichter publiceren. Er is weinig podium voor jeugddichters, dit tijdschrift biedt dat gelukkig.’ 

    Van het tijdschrift Dichter verschijnen vier themanummer per jaar. Voor elke editite leveren zo’n vijfendertig dichters één of meerdere gedichten. Bekende dichters waaronder Erik van Os, Marieke Lucas Rijneveld, Ingmar Heytze, Remco Ekkers, of minder bekende als Jesse Laport, Monica Boschman, Katelijne Brouwer, Floor Tinga leveren geregeld een bijdrage. Zoals alle publicaties van Plint, is het tijdschrift een samengaan van beeldende kunst en poëzie. Uit het themanummer De liefde, prachtig geïllustreerd door Milja Praagman, komt dit gedicht van Jos van Hest, de dichter.

    ‘Liefje,

    Het spijt me het spijt me van vanmiddag
    ik had blij en gelukkig moeten zijn met jou
    in de zon op een bank maar ik was diep
    ongelukkig omdat ik wou dat je anders
    was het spijt me dat ik niet begreep wat
    je bedoelde en dat ik dat nu pas zie nu
    het te laat is en jij er niet meer bent ook
    dat spijt me verdrietig want ik dacht eerst
    dat het jouw schuld was ook al heb ik het
    ernaar gemaakt omdat ik dacht dat je
    eromheen draaide en niet eerlijk was
    en nu direct om de hoek zag ik je fiets
    en ik was zo vreemd blij maar je bent er
    niet omdat ik het ernaar gemaakt heb
    en nu het te laat is denk ik ook niet dat ik
    je ooit nog zie omdat ik zo erg was en
    toch is er een hoopje en dat hoopje

    schrijft je nu’

     

     


     

     

     

     

     

     


     

    Foto: Jan ter Heide

     

     

  • Wij vieren dit jaar een lustrum


    In december 2022 bestaat Literair Nederland 20 jaar. We zijn ons nog aan het bezinnen hoe we dit zullen vieren, maar daar zit ongetwijfeld een terugblik in. Nadenkend over de manier waarop wij dit lustrum zullen gaan vieren, zijn we alvast gaan grasduinen in het archief van 2021. Eerlijk gezegd waren we zeer aangenaam verrast. Wat zijn er in het afgelopen jaar veel mooie titels verschenen en hier door onze recensenten besproken. We hadden al een beetje zitten tellen en in 2021 plaatsten we zo’n honderdvijftig recensies, gaven we honderdvijftig boekentips in de rubriek De Oogst en daarbij werden er nog eens vele titels in de wekelijkse columns, interviews en fotosyntheses onder de aandacht gebracht. Het afgelopen jaar hebben wij aan zo’n kleine vierhonderd titels aandacht besteed, waarmee we hopelijk de vele bezoekers van onze site een plezier hebben gedaan.


    We pikken er een paar voor u uit:

    De geschiedenis in De Vriendt keert terug van Arnold Zweig, een roman die speelt in 1932 in het gebied Palestina. Recensent Hans Vervoort is enthousiast: ‘Zweig is een groot verteller die er goed in slaagt om de complexe situatie in het Jeruzalem van die tijd voor de lezer zichtbaar te maken en sympathie op te wekken voor alle partijen die in het land hun toekomst wilden realiseren.’

    De situatie aldaar is jaren later nog niet veel veranderd. In Oorlogen & Oceanen van Erik Ader is het een van de thema’s. Volgens Eric de Rooij heeft Ader dit boek onder andere geschreven om ‘een menselijke stem te laten horen in het conflict tussen Joden en Palestijnen.’ En, ‘Erik Ader [legt] getuigenis af van het onrecht en het geweld dat in Israël en Palestina plaatsvindt en neemt daarin stelling. Opdat te allen tijde de menselijke maat gewaarborgd blijft. Een boodschap die gehoord mag worden.’

    Ook aandacht voor poëzie, voor bijvoorbeeld Dichter des Vaderlands Lieke Marsman en haar bundel In mijn mand. Volgens recensent Albert Hogeweij getuigt deze bundel ‘van rijpheid, eerlijkheid en een milde zelfironie waarin de eigen positie wordt her-overdacht.’ Of de recensie van Rennen naar het einde van honger van Esther Jansma, waarover poeziërecensent Hettie Marzak schreef, ‘Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken.’

    Verrassend, en volgens recensent Huub Bartman zeer geslaagd, is de opzet van Guido van Hengel in Roedel waarin hij de geschiedenis van voormalig Joegoslavië tot de val van Srebrenica schetst.
    ‘Ontroerende ontmoetingen (…) worden door Guido van Hengel gekaderd in een diepzinnige beschouwing over het menselijk bedrijf in een niet al te vrolijke wereld. In het boek wordt dit, in de trant van de fotograaf Daïdo Moriyama, in beeld gebracht door portretjes van zwerfhonden in plaats van, zoals te doen gebruikelijk, portretjes van mensen.’

    Marjolijn de Gender schreef aanstekelijk over de essays van Annie Dillard in De overvloed. ‘Het leest alsof Dillard op het podium staat, soms fluistert en soms schreeuwt, vertraagt en weer versnelt, haar publiek daarmee zo in haar ban houdt dat niemand na haar laatste buiging aan klappen denkt.’ Of lees de recensie van de ‘rauw, realistische roman’, Orkaanseizoen van de Mexicaanse schrijfster Fernanda Melchor, gerecenseerd door Kris Mattheeuws.


    We gaan nog even door

    (Her)leest u eens de enthousiaste recensie van Istvan Kops over Arc van Richard Osinga die hij besluit met: ‘Lees hoe dan ook dit boek.’ En misschien was u nog op vakantie toen de recensie verscheen van Daan Lameijer over Allah 99 van Hassan Blasim, ook die zou ik nog even opzoeken. ‘Het is een ongekend boek, dat – door meerdere critici al beweerd – de westerse literatuurconventies doorbreekt.’ Of het Verzameld proza van J. Slauerhoff, besproken door recensent Reinder Storm, ‘een monumentale uitgave die – samen met de uniform uitgegeven Verzamelde gedichten – recht doet aan een monumentaal oeuvre.’

    En dan zijn er nog de besprekingen van literaire tijdschriften als Tirade, Terras, Het liegend konijn en vertaaltijdschrift Filter. Of een van de Fotosyntheses die er de afgelopen jaren op Literair Nederland zijn verschenen. Of scrol eens door de columns die wekelijks verschijnen.

    En vergeet niet de interviews te lezen die in een steeds grotere frequentie op Literair Nederland verschijnen. Zoals deze met Julia Franck, over haar autobiografische boek Werelden uit elkaar, of met de Geschiedenis Prijs winnares Sandra Langereis over haar boek Erasmus. Of met Uitgeverij HetMoet en de Roemeense schrijfster Mira Feticu. Zeer de moeite waard allemaal.

     

     

    Nog twee laatste tips, alleen al vanwege de prachtige en hoopvolle titel: De wereld is niet stuk te krijgen van Maxim Osipov dat volgens recensent Adri Altink ‘vol zit met zelfspot en ironie over de lotgevallen van de mens. En uiteindelijk concluderen de personages van Osipov dat ze eigenlijk gelukkig zijn.’ En (echt) als laatste de recensie van Lijn van wee en wens van Caro Van Thuyne, gerecenseerd door Ben Koops. Oh, en deze nog: De reparatie van de wereld van Slobodan Šnajder, door recensent Reinier van Houwelingen, ‘een ode aan de gewone man, die steeds maar weer als gedwongen vrijwilliger op het toneel van de geschiedenis wordt geplaatst.’

     

    Boeken direct bestellen

    Wilt u na lezing van een recensie het
     boek direct bestellen? Dan kan dat op Literair Nederland. Uw bestelling gaat via Bazarow, een online boekwinkel met hart voor het boekenvak. Een klein deel van de boekverkoop is voor Literair Nederland, waarmee we weer een deel van onze onkosten kunnen bekostigen.

    Wij hebben het afgelopen jaar niet stilgezeten en hopen dat het komend jaar ook weer een fantastisch boekenjaar zal worden voor Literair Nederland.
    Hierbij willen we dan ook alle recensenten en overige schrijvers voor Literair Nederland van harte bedanken voor hun inzet, en natuurlijk ook onze donateurs. Want zonder donaties kan Literair Nederland niet bestaan. 

     

    Namens de redactie een goed Boekenjaar!

    Carolien Lohmeijer
    Menno Hartman
    Anky Mulders
    Ingrid van der Graaf