Literair Nederland feliciteert Roos van Rijswijk met de toekenning van het Charlotte Köhler Stipendium 2023, een aanmoedigingstoelage voor literair talent. Zij krijgt het stipendium voor haar verhalenbundel De dwaler (Querido 2021). De jury benadrukte dat er in het werk van Van Rijswijk ‘een belofte van een verrassend oeuvre’ verscholen zit. En ook dat een veelheid van verschillende aspecten in haar werk maken dat Van Rijswijk een ‘opvallend origineel auteur is, die de wereld van de lezer weet te kantelen in verwondering’.
Het Charlotte Köhler Stipendium is een eenmalige aanmoedigingstoelage van € 5.000 en wordt jaarlijks toegekend aan een auteur van wie in de afgelopen vijf jaar titels of vertalingen zijn uitgebracht. Elk jaar komt een ander genre in aanmerking: literaire vertaling (2021), jeugdboeken (2022), proza (2023), poëzie (2024), of toneel (2025).
Lees ook het interview met Roos van Rijswijk naar aanleiding van haar verhalenbundel De dwaler dat in het jaar van verschijnen op Literair Nederland verscheen.
Arkadia van Sipko Melissen werd verkozen tot het BruutTAAL Regenboogboek van 2023. Dat werd vrijdagavond bekend gemaakt in de Oranjekerk in Amsterdam bij de presentatie van de essaybundel Hij/hem. Aa de prijs is een bedrag van € 1.000 verbonden en het boek Arkadia (Van Oorschot) wordt gedurende een maand gepromoot op Tzum.
De jury was onder de indruk van de roman Arkadia waarin verschillende fases uit het leven van hoofdpersoon Ko worden belicht. En benoemde dat het niet alleen het portret van een jongen is die zich bewust wordt van zijn seksuele voorkeur in de jaren vijftig, maar ook een coming-out in de jaren zestig in een religieuze omgeving. Het grootste deel van het boek speelt zich af tijdens een vakantie in het naoorlogse Putten.
Overige boeken op de shortlist waren:
Minke Douwesz – Het laatste voorjaar (Van Oorschot).
Valentijn Hoogenkamp – Antiboy (De Bezige Bij).
Het BruutTAAL Regenboogboek van het jaar is een initiatief van, en tevens juryleden, Marie-José Klaver (publicist, redacteur Neerlandistiek, recensent), Coen Peppelenbos (schrijver, recensent, hoofdredacteur Tzum), Doeke Sijens (schrijver, bibliothecaris, recensent) en Bart Temme (redacteur, docent literatuur). Lees hier de groslijst van het afgelopen jaar en hier de megagroslijst van Nederlandstalige en vertaalde regenboogboeken aller tijden.
Voor de verkiezing van het Regenboogboek het komende jaar zijn Hebban + Winq en Tzum een samenwerkingsveband aangegaan.
We schrijven 1984. Mijn lezen ontwaakt en neemt in korte tijd een supersonische vlucht. De eerdere middelbare school-leesverplichting heeft geen post gevat en is te verwaarlozen als tijdverdoen en tegendraads plichtverzuim. Maar bij aanvang van de studie verandert er iets en breken nieuwe tijden aan. Ik begin te lezen en verzamel wild om me heen de klassiekers waarvan ik onbewust weet dat ze van waarde zijn voor de basis van een ontluikende leeshonger. Couperus, Mann, Reve, Salinger, Hermans, Tolstoi, alles lijkt aan bod te kunnen komen en verhuist van de tweedehandsboekwinkel naar mijn langzaam groeiende boekenkast.
Een vriend leent mij de pas uitgekomen editie van Money van de jonge Engelse auteur Martin Amis met de niet mis te verstane aanbeveling: ‘Dit móét je lezen’. De ondertitel A Suicide Note stuurt de onwetende lezer al in een bepaalde richting, maar na de eerste tien overrompelende bladzijden is het hek van de dam. Dit is totaal anders dan ik tot nu toe heb gelezen. Dit is dynamisch, het is snel, hard, confronterend, absurdistisch, cynisch, maar vooral uiterst meeslepend.
Schrijversnest
Martin Amis komt uit een schrijversnest waar zijn vader, gelauwerd schrijver Kingsley Amis, een overheersende rol speelde. Geen ideale omstandigheden voor een jonge schrijver die, op zoek naar erkenning, vooral afwijzing op zijn pad vindt. Kingsley oordeelt over Money met de scherpe woorden: ‘Breaking the rules, buggering about with the reader, drawing attention to himself.’ Daar kan je ’t dan mee doen. Toch is Amis op latere leeftijd mild gestemd over zijn vader en ziet hij veel overeenkomsten: ‘We schrijven allebei in de komische, satirische traditie, waarbij je in een verheven stijl schrijft over relatief triviale zaken.’
Money leest als een wervelwind. Zelfs in de geweldige Nederlandse vertaling van Guido Golüke (Geld, 1986) blijft Amis’ gedreven stijl en bijzondere woordkeus glashelder overeind. En inderdaad, hij laat zijn hoofdpersoon John Self als het zelfdestructieve ik-personage direct praten tegen de lezer (‘Hoe denk je dat ik me voel? O man, soms voel ik me een aangereden kater als ik wakker wordt’…). Het is een gemeenschappelijke reis, waarbij wij soms als voyeur en dan weer als actieve medestander het boek in worden getrokken. John Self is reclameman en vliegt naar New York om een film te maken, gefinancieerd door obscure geldschieters. Self is een opportunist van de eerste orde, geld maken is zijn grootste passie en geld uitgeven aan alcohol en porno zijn favoriete bezigheid. Hij is vrijwel altijd dronken en – zo goed als het gaat – druk bezig om het volgende schip met geld binnen te halen met deze blockbuster speelfilm. In New York wordt hij belaagd door verlopen acteurs en andere duistere types die van alles van hem willen. Hij wacht op de grote doorbraak maar gaat langzaam ten onder in een zelfgecreëerde wereld vol geweld, bedrog, overspel en bedreigingen.
Opportunistische hoofdpersonen
Amis houdt van opportunistische hoofdpersonen in zijn romans. Die kan hij laten doen wat hij wil én wat ze zelf willen. In zijn debuutroman The Rachel Papers (1973) hoopt de aandoenlijke opportunist Charles Highway vóór zijn twintigste verjaardag met het meisje van zijn dromen in bed te belanden. Hij voert zijn verleidingskunsten systematisch uit, compleet met draaiboeken en uitvoerige computercharts. Een frisse eerste roman waarin Amis zijn pen slijpt om tot zijn kenmerkende, sublieme dialogen te komen.
Na Money volgen meer romans waarin de hoofdpersonen een buitensporig eigenbelang niet uit de weg gaan. Het is vooral de klungelige en onbehouwen manier waarop dat wordt omgezet in daden. In London Fields (1989) is het kleincrimineel Keith Talent, in The Information (1995) zijn het de getormenteerde schrijvers Gwyn Barry en Richard Tull en in Yellow Dog (2003) de acterende gangsterzoon Xan Meo. Tussen al deze karakteristieke antihelden verschijnt in 1991 de roman Time’s Arrow. Hierin slaat Amis een compleet andere weg in. Hij schrijft het verhaal van nazi-dokter Odilio Unverdorben (Amis is een meester in het bedenken van namen) in vernietigingskamp Auschwitz. Niet in de gebruikelijke chronologische volgorde maar in volledig omgekeerde vorm.
Het boek begint met de ouderdom en dood van de hoofdpersoon en loopt vervolgens door naar diens geboorte. Alle gebeurtenissen en zelfs de dialogen worden achterstevoren verteld door een fictieve verteller die ook als geweten kan worden gezien. Gevangenschap gaat over in vrijheid, de dood evolueert in nieuw leven, het absolute kwaad leidt tot de onschuld waaruit het is voortgekomen. De verschrikkingen van de concentratiekampen worden nog gruwelijker in deze wonderlijke vorm. Het geheel heeft een huiveringwekkend effect op de lezer.
Drie pijlers van hedendaagse Britse literatuur
Naast vijftien romans publiceert Martin Amis ook een reeks essays en non-fictieboeken. Boeiende uitgaven over Amerika, de Holocaust, het Stalin-regime, de 9/11 aanslagen, islam vs. islamisme, enzovoort. Amis heeft altijd een vinger aan de pols gehouden, zowel van de geschiedenis als van de actualiteit. In kranten en andere media is hij regelmatig aanwezig met een uitgesproken mening die vaak tot hevige polemiek leidde.
Eén van de drie pijlers in de hedendaagse Britse literatuur is omgevallen. De twee overgebleven generatiegenoten Ian McEwan en Julian Barnes zetten hun werk nog even voort. Martin Amis nam afscheid op 73-jarige leeftijd. Hij verruilde het tijdelijke voor het eeuwige als schrijver met ‘een verheven stijl over triviale zaken’ en laat een oeuvre na dat op volstrekt eigenzinnige en onnavolgbare wijze tot stand is gekomen.
De Franse schrijver Julien Gracq (pseudoniem van Louis Poirier, 1910 – 2007) was een schrijver in de marge van de literatuur. Met opzet, want hij verafschuwde de uiterlijkheden van het literaire bedrijf: de coterieën, zoals die rond zijn tijdgenoot Sartre, de bals, de prijzen. Hij weigerde de Prix Goncourt, de belangrijkste Franse literaire prijs, voor zijn roman De kust van de Syrten (1951). Gracq wordt vaak bij het surrealisme ingedeeld – de surrealist André Breton was zijn enige literaire vriend. Breder kun je hem zien in de fantastische traditie, van Keltische legenden tot aan Edgar Allan Poe.
Ongewis avontuur
Gracqs boeken ademen de geest van het buitenstaanderschap. Vanaf de eerste bladzijden word je in lange, beeldende zinnen in een verveemdend literair landschap geworpen. Bij Gracq geen opbouw ‘volgens het boekje’ met keurige vooruitwijzingen, een helder plot en psychologische duiding, zoals de tegenwoordige lezer gewend is. Gracqs proza is een ongewis avontuur waaraan je je moet overgeven. Je belandt in een abstracte en tijdloze wereld. Gracq is niet geïnteresseerd in het vertellen van een verhaal, maar in het schetsen van sfeer, van gemoedstoestanden. Het verhaal moet je zelf invullen.
Verval
Hoewel de beschreven wereld aan de fantasie is ontsproten zijn er wel degelijk referenties aan de kenbare werkelijkheid. De Syrten waren in de klassieke oudheid twee inhammen van de Noord-Afrikaanse kust. Bij de stad Orsenna, waar hoofdpersoon Aldo van De kust van de Syrten vandaan komt, denk je onmiddellijk aan Venetië: een oude stad met statige paleizen waar de Sinjorie de dienst uitmaakt. De eigennamen zijn Italiaans. De stad is op het hoogtepunt van haar roem, rijk en decadent. Verval dreigt. Aldo, die zijn bestaan in Orsenna hol en leeg vindt, geeft bij de machthebbers aan dat hij naar de provincie wil en wordt aangesteld als Waarnemer aan de verre Syrtenkust, die de landsgrens vormt.
De Admiraliteit waar hij terechtkomt is gevestigd in een oud, vervallen fort. Het gebouw wordt omgeven door een woestijnachtig landschap waar het snikheet is. Kapitein Marino zwaait er de scepter, net als alle andere Gracq-personages een raadselachtige figuur. Aldo weet niet hoe hij zich tot hem moet verhouden. Zijn houding varieert van afkeer tot bewondering. Er is een duidelijk verschil tussen de twee. Marino vertegenwoordigt de status quo: hij is wars van verandering. Aldo, jongeman en nieuwkomer, is daarentegen nieuwsgierig. Hij houdt ontdekkingstochten in het fort dat een doolhof is van vertrekken en kazematten. Vooral de kaartenkamer met oude zeekaarten trekt hem aan.
Dreiging
Met de ik-figuur verkeert ook de lezer in voortdurende onzekerheid. Net als Aldo voel je iets broeien: verandering hangt in de lucht, het einde van een tijdperk nadert. Maar wat deze verandering is of waardoor ze wordt veroorzaakt blijft duister. Alleen dat die iets te maken zal hebben met Farghestan. Er zijn minieme signalen dat de driehonderd jaar oude oorlog met dit buurland oplaait. Aldo ontwaart op zee een illegaal schip dat hij later bij een door de natuur overwoekerde ruïnestad terugvindt. De manschappen van de Admiraliteit zijn niet meer welkom op het landgoed Ortello, waar ze bij gebrek aan militaire urgentie werken. Onheilsprofeten duiken op.
Vanaf een klein verlaten eiland ziet Aldo de vulkaan Tängri, die aan de overkant van de zee het vasteland van Farghestan markeert. Hij is naar dit Vezzano meegenomen door zijn jeugdliefde, de bekoorlijke, avontuurlijke en grillige Vanessa, afkomstig uit een beroemd adellijk geslacht, die net als hij de hoofdstad is ontvlucht. Aldo besluit de kust van Farghestan te gaan verkennen. Wat volgt is een doldriest, subliem beschreven zeeavontuur.
Beeldend
Gracq heeft een schitterende, suggestieve stijl. Zijn beschrijvingen zijn uiterst gelaagd en bezitten een enorme diepgang. Personages, steden en landschappen doemen messcherp voor je geestesoog op en zijn tegelijkertijd vol mysterie. Dit staat er bijvoorbeeld als de vulkaan opeens voor de bemanning oprijst: ‘Vóór ons hing, boven de zee, gelijk een verlichte vrachtboot die zijn achterschip voor het zinkt recht omhoog steekt, een als een deksel omhooggetild brok planeet, een verticale voorstad; doorzeefd, in verdiepingen verdeeld, en bespikkeld met zulke brandende braambossen en lichtende kroonkandelaars dat het de uitstraling en de vastheid van sterren benaderde.’
Debuutroman
Gracqs debuut Het kasteel Argol (1938) zette meteen de toon. Deze roman ademt de sfeer van oude sagen en legenden. Hoofdpersoon Albert, laatste telg van een adellijke familie en liefhebber van filosofie, koopt een verlaten gothisch kasteel met de bijbehorende bossen, landerijen en gebouwen. Een typisch Gracq-decor. Later voegen zijn dierbaarste vriend, Herminien, die hij bewondert om zijn kennis en kracht, en Heide, een betoverend mooi meisje, zich bij hem, beiden personages van mythologische proporties. Deze driehoeksrelatie zorgt voor spanning en inktzwarte ontwikkelingen.
Gracq is een echte oeuvreschrijver. Steeds draait het bij hem om thema’s als isolatie, vervreemding, noodlot en avontuur. Een ‘ouderwetse’ schrijver misschien, maar je zou ook kunnen zeggen een tijdloze. Gezien de grote kwaliteit van zijn werk moet dit vertaald en herdrukt blijven worden.
Dit is geen ironisch bericht, integendeel! We ontvingen reeds € 1.920 euro van de € 4.000 die we dolgraag bij elkaar krijgen om de twee websites Literair Nederland en Jong Literair Nederland.nl een jaar lang in de lucht te houden. Veel dank dus!
Maar een vreemd bericht is het wel, omdat we u graag willen bereiken, die bij de vorige mail (dit is bericht 2 van de 3) misschien nog even dacht: dat komt wel… Dat denkt u wellicht nog steeds en het is uw goed recht. Want er is voldoende aan de hand in de wereld dat onze aandacht vraagt. En bij oorlog en rampen verbleekt het belang van een website. En toch…
Toch vragen we u opnieuw ons te helpen als u vindt dat deze website recht van bestaan heeft, omdat u er soms iets op leest dat uw aandacht even vasthoudt. Met de website Jong Literair Nederland willen we de hobbel die bestaat tussen jeugdliteratuur en boeken voor volwassenen helpen slechten, zodat er weer een lezende generatie opgroeit. Op Literair Nederland kiezen we al sinds jaar en dag voor gedegen stukken over boeken die niet overal besproken worden. En voor genres die elders onderbelicht blijven. Zonder geld voor porto en andere praktische zaken lukt dat niet.
Helpt u ons deze sites voort te zetten? Ook een klein bedrag is ons de moeite waard, als ooku maar besluit het te doneren. Het enige wat na een donatie overblijft is immers een goed gevoel.
Money
Never ask of money spent Where the spender thinks it went. Nobody was ever meant To remember or invent What he did with every cent.
Van Minke Douwesz verscheen onlangs de roman Het laatste voorjaar. Liefhebbers van haar vorige boeken, Strikt (2003) en Weg (2009), samen goed voor zo’n vijftienhonderd pagina’s, waren er al haast van overtuigd dat er geen boek meer van haar hand zou verschijnen. Helemaal nadat een hardnekkig rondgaand bericht via google meldde dat Douwesz in 2010 aan de gevolgen van een ongeluk was overleden. Dat kwam doordat de toenmalige redactie van Tirade het themanummer ‘In memoriam’ maakte. Daarvoor waren schrijvers, waaronder Minke Douwesz, gevraagd hun eigen in memoriam te schrijven. Maar hier is dan, na veertien jaar, Douwesz’ derde boek Het laatste voorjaar.
In 2014 begon Douwesz, pseudoniem van Greet Kuipers (1962) al aan het boek, maar het schrijven stokte omdat ze zich in die jaren beroepsmatig bezighield met onderzoek naar gehechtheid bij eetstoornissen, waarop zij in 2018 promoveerde. In 2019, toen ze zich niet meer met de vele veranderingen binnen haar werk bij de GGZ kon verbinden, verruilde ze haar baan voor een eigen praktijk en had ze redenen en tijd om dit boek te schrijven. Minke Douwesz is een schrijver die alleen schrijft als ze iets te vertellen heeft.
De drieënvijftigjarige docent Duits en zelfverklaard eco-communist Ese Jelles, is rechtlijnig in haar antwoord op de klimaatcrisis en vindt dat, ‘Vlees en reizen op rantsoen moeten, online winkelen verboden wordt en er vaste prijzen voor voedsel gelden. Boeren produceren niet meer dan nodig is, overtollige weidegrond kan het best onder water worden gezet.’ Meningen waar je geen vrienden mee maakt. Het was ook niet de bedoeling van Douwesz een vriendelijk boek te schrijven. Alles moest nu maar eens gezegd worden.
Een doorzetter als protagonist
Douwesz’ alter ego, Ese krijgt te maken met een onderwijsconsultant die het onderwijs wil verbeteren. Dat stuit haar tegen de borst. ‘Waarom moest alles toch altijd beter, kon er niets hetzelfde blijven?’ Ze neemt van de een op de andere dag ontslag. Nog geen week later op een maandagmorgen eind februari, steekt Ese de grens met Duitsland over op weg naar Oekraïne, waar ze het huis van Anton Tsjechov in Jalta wil bezoeken. Vanaf de eerste zinnen is duidelijk dat de lezer te maken krijgt met een doorzetter.
‘Alles was grijs en er viel een venijnig koude motregen. Even vroeg ze zich af waar ze mee bezig was. Hoe miezerig ook, de regen zou haar schoenen en broek in de loop van de dag doorweekt hebben. Misschien werd ze wel ziek. In dat geval was er natuurlijk geen sprake van dat ze de trein nam, terug naar huis.’ Ondanks Ese’s opstelling, haar tirades en stellige meningen, is Het laatste voorjaar een empatisch boek geworden.
Tijdens het fietsen door Duitsland en Polen komen de herinneringen aanvliegen. Herinneringen aan haar partner Martie, die enkele jaren terug is overleden. Er komen herinneringen aan haar studententijd naar boven, hoe ze Martie leerde kennen, aan eerdere reizen. De tocht in Jalta wordt levendig beschreven, alsof Douwesz uit eigen ervaring put. Het klopt dat ze het huis van Tolstoj of Tsjechov had willen bezoeken. Maar het was er nooit van gekomen. Wel heeft ze Het brilletje van Tsjechov gelezen, waarin Michel Krielaars het huis op Jalta uitvoerig beschrijft.
De troost van Tsjechovs verhalen
Als Ese uiteindelijk haar doel bereikt heeft en het huis van Tsjechov binnengaat, stort ze in. Ze wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Het heeft er veel van weg dat Het laatste voorjaar een treurige afloop kent. En was daar al niet een verwijzing naar, verder terug in het boek? Daar waar Ese en haar zus Dora een gesprek voeren over Jezus, de tempel en het kruis, het conflict van alle tijden? Ese zegt, ‘Word je kwaad en flikker je al die woekeraars de tempel uit, of moet je aanvaarden dat je in je eentje de wereld niet kan veranderen. Verdwijn je van het toneel.’
‘Een onderlaag in het verhaal is dat Dora en Ese niet geleerd hebben als vrouw van zich af te bijten. Ze hebben, met een vrij passieve moeder, niet geleerd voor zichzelf op te komen. Dora is gelovig, zij heeft zich daar misschien bij neergelegd. Maar Ese is heel erg boos. Om in deze wereld te overleven moet je niet lijdzaam afwachten zoals Jezus. Ik ben ook erg van mening dat opvoeden tot gezonde weerbaarheid van groot belang is.’
In een van de scènes lift Ese vanuit Polen met een vrouwelijke vrachtwagenchauffeur mee. Deze gooit bij de grensovergang tussen Oekraïne en de bezette Krim haar vrouwelijkheid in de strijd om de grensbewakers te behagen. Ese kunnen ze niet plaatsen, ze ziet er androgyn uit. Tot er een bh uit haar tas valt, dan beginnen de bewakers met haar te dollen. Ze grijpen haar in haar kruis om te voelen of ze man of vrouw is, een ander neemt haar verhalenbundel van Tsjechov in beslag. Het verlies van die verhalenbundel lijkt Ese meer aan te grijpen dan de brute aanranding. ‘Een schaap dat geschoren wordt, moet stil zitten, is het spreekwoord. Ese heeft het gevoel dat ze er goed vanaf is gekomen. Maar om een boek van een schrijver, een man die wel oké is, kwijt te raken, dat vindt ze vreselijk. Om de troost van Tsjechovs verhalen te moeten missen.’
Voor Douwesz is Tsjechovs leven en werk een bron van inspiratie. ‘Hij is een dokter, en is ooit naar het werkkamp Sachalin in Siberië gegaan om de vreselijke omstandigheden van de gevangenen te bestuderen. Hij schreef daarover in De reis naar Sachalin. Tsjechov had, net als ik, kennelijk moeite om werk en liefde met elkaar te combineren. Daar identificeer ik me wel mee. En zijn interesse in de binnenwereld van vrouwen is echt ongekend voor die tijd. Zijn verhaal, ‘De naamdag’, is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die zich verschrikkelijk ergert aan het gedrag van haar man. Toen ik dat las, dacht ik, dit is gewoon Virginia Woolf.’
Schrijven uit noodzaak
Net zoals haar eerste boek Strikt werd geschreven vanuit de behoefte een leemte te vullen met het schrijven van een lesbische liefdesroman, werd ook dit boek geschreven uit noodzaak. ‘Het ging me om de stem van een vrouw van middelbare leeftijd die er ogenschijnlijk niet zoveel toe doet, te laten klinken. Vroeger was dat anders. Met uitgebreide families waarin iedereen zijn rol had. Oma’s zijn nog steeds belangrijk, maar ik ben geen oma. Ik wilde een stem geven aan een werkende vrouw die geen relatie heeft met een man, geen kinderen heeft en begaan is met een groter geheel. De meeste aandacht in onze cultuur gaat uit naar vechten en seks. En niet naar zorgzaamheid of solidariteit, wat heel veel mensen wel belangrijk vinden, maar dat is kennelijk niet zo opwindend.’
Toen het boek klaar was, vroeg Douwesz zich af of het boek wel goed zou vallen, omdat het een behoorlijk serieuze roman is over een bezorgde, lesbische vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik wilde de oprecht bezorgde toon niet ondermijnen door grappen of verzachtende excuses. Overigens moet ik zelf juist wel weer lachen om de consequente sombere blik van Ese, ik zie er de humor ook wel van in.’
Douwesz heeft zich voor het schrijven van dit boek door Andreas Burnier laten inspireren. Hoe zij ongezouten, maar op humoristische wijze het patriarchaat aan de orde stelde. ‘Ik heb het allemaal ook wel wat aangezet, de woede van Ese, de ontwikkelingen in het onderwijs. Maar als ik dan in een recensie lees, ‘het is een karikatuur van het onderwijs’, denk ik, “ammehoela”. Je gaat toch geen boek schrijven over hoe het er echt in het onderwijs aan toe gaat? Het is een belachelijke eis aan een schrijver om de werkelijkheid getrouw weer te geven. Dat zou vreselijk saai worden.’
Over het verlies van Martie
‘Ik zie natuurlijk als psychiater dat er stapelingen zijn van stressfactoren die mensen bijna doen breken, en dan is het al heel wat als je kunt bereiken dat ze er de moed inhouden. De illusie dat alles oplosbaar en maakbaar is, vind ik zelf vrij destructief. Accepteren dat sommige dingen lopen zoals ze lopen, en daar dan toch weer mee verder kunnen, dat is eigenlijk al goed. Ese vindt ook dat leerlingen die niet goed kunnen leren, maar wel goed met hun handen zijn zeer waardevol. Waarom moet iedereen hoge cijfers halen? Daar baalt ze erg van.’
Op tweederde van de roman wordt onthuld wat er met Martie, Ese’s geliefde is gebeurd. Die passages over de dood van Martie stonden eerst meer voor in het boek. ‘Maar dat kwam bij mijn redacteur en een vriendin die meelas, toch wel hard binnen. Daarom is het naar achteren geschoven, waardoor het meer perspectief kreeg. Op het moment dat Ese gaat fietsen, is haar geliefde al enkele jaren dood. Ze heeft haar draai in het leven wel weer gevonden, maar omdat ze voor het eerst alleen door Europa fietst, en ze zich met de herinnering aan Martie verbindt, komt er een stuk onverwerkte rouw naar boven.’
Het emotioneert Douwesz hoorbaar hierover te praten. ‘Als schrijver heb je ook niet alles in de hand, want hoewel ik zelf het decor heb gemaakt, heeft het me ook getroffen dat dit gevoel van rouw zo sterk naar boven is gekomen. Dat was kennelijk een verhaal dat ik ook nog in me had zitten.’
Koppigheid een vorm van verzet
Ese is aangerand, met haar fiets in een metersdiepe kuil gevallen, beroofd en in elkaar geslagen, en toch gaat ze door naar het huis van Tsjechov. Haar volharding is verbijsterend. ‘Koppigheid is een verkapte vorm van woede, een vorm van verzet. Als je gelooft in andersoortige energie zoals de boeddhisten. Dat op bepaalde plekken waar mensen geleefd hebben, er nog iets van hun energie aanwezig is. Dan zou je kunnen zeggen dat Ese, omdat ze de moed heeft verloren, zich met die energie van Tsjechov wilde verbinden.’
Of het dan echt Ese’s laatste voorjaar is? ‘De titel van het boek is het antwoord op deze vraag. Er zijn lezers die denken dat ze even flauwgevallen is, dat ze weer wakker wordt. Mijn bedoeling was toch wel dat ze de klap op haar ribben niet zou overleven.’
De laatste passage van het boek waarin het niet goed gaat met Ese, las ik verschillende keren. Alsof ik, als lezer, haar wakker zou kunnen lezen. Maar Ese komt, hoewel nog niet dood verklaard, niet meer tot leven. Verdwijnt ze werkelijk van het toneel.
‘Een weerloos persoon als Ese, heeft in dit ego gedreven bestaan weinig kans van slagen. Daar ben ik wel pessimistisch over. Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen; waar zijn we mee bezig. Ik merk dat het door veel mensen met instemming wordt gelezen. Dat doet me wel veel genoegen.’
Foto: Annaleen Louwes
Het laatste voorjaar / Minke Douwes/ 333 blz.
Uitgeverij Van Oorschot
Vierduizend euro. Dat is het bedrag dat we nodig hebben om een jaar lang twee websites draaiende te houden,Literair Nederland en Jong Literair Nederland. De laatste is vrij nieuw: we proberen niet alleen jongeren tot meer lezen te bewegen, maar ook de stap van jeugdboeken naar andere boeken te vergemakkelijken. Lezen is de wereld leren kennen.
Als iedere bezoeker van onze sites een paar centen zou betalen, dan hadden we die vierduizend zo bij elkaar. Maar het werkt anders. De komende drie weken versturen we elke week een brief. Met de eerste ronde hopen we €2.500 op te halen, met de tweede €1.000 en met de derde en laatste €500. We houden u vanzelfsprekend op de hoogte over de stand van de donaties.
Sinds 2002 vult Literair Nederland het literaire landschap aan met geredigeerde stukken over zorgvuldig geselecteerde boeken. In beide opzichten onderscheiden we ons van veel andere literaire sites. En sinds eind vorig jaar dus ook met een website over kinder- en jeugdliteratuur. We worden steeds completer. Maar commercieel zijn we – bewust – nog steeds niet.
Zoals Bert Schierbeek al schreef: ‘Een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit.’
Leest u wel eens met plezier of instemming een stuk bij ons? Heeft u schrijvers via ons leren kennen? Kent uw schrijvers die bij ons passend besproken zijn? Kent u mensen die voor ons schrijven? Vindt u het goed dat wij bestaan? Helpt u ons dan aan een vogel?
Uit honderdtien bundels, door uitgevers en particulieren in eigen beheer werden uitgegeven, stelde de jury van de Grote Poëzieprijs 2023 een shortlist van vijf genomineerden samen.
Mythen en stoplichten / Alara Adilow, bij uitgeverij Prometheus Beginnen voor gevorderden / Hélène Gelèns, bij uitgeverij Cossee De introductie van het plot / Frank Keizer, bij uitgeverij Pluim Waar is het lam? / Mustafa Stitou, bij uitgeverij De Bezige Bij Wilde dood / marwin vos, bij Het Balanseer
De Grote Poeziëprijs bekroont de beste Nederlandstalige bundel van het afgelopen jaar. De geselecteerde dichters werden op de avond van 27 maart In het radioprogramma Opium op NPO 4 werden de gelukkigen geïnformeerd over hun nominatie. Op 17 mei wordt op dezelfde radiozender in het programma Opium bekend gemaakt welke dichtbundel met de prijs van 20.000 euro naar huis mag. Zolang de prijs bestaat, waren er voor het eerst evenveel bundels van vrouwelijke als mannelijke dichters ingezonden.
De jury bestaat uit dichter Xavier Roelens, dichter en filmmaker Nafiss Nia en Nederlandse letterkundige en literatuurcriticus Jeroen Dera.
‘Michel maakte zich schuldig aan literatuur, aan irreële hersenspinsels.’ (Uit: Het kwijlen van de duivel)
De Argentijnse schrijver Julio Cortázar (1914 – 1984) was een van de meesters van het korte verhaal. Hij schreef ook een aantal romans (waarvan Rayuela, een hinkelspel uit 1963 de bekendste is), dichtbundels en toneel, maar het waren vooral zijn verhalen die hem beroemd maakten. Cortázar behoorde met Márquez, Borges, Fuentes, Paz en Vargas Llosa tot de generatie grote Zuid-Amerikaanse auteurs die in de tweede helft van de vorige eeuw opkwamen. Zijn werk werd goed verkocht. Bovendien stond Cortázar, zoals meer intellectuelen en schrijvers in zijn tijd, bekend om zijn politieke stellingname. Hij sympathiseerde met linkse bewegingen in Cuba en Nicaragua en sprak zich uit tegen dictator Videla. Om die reden werd hem de toegang tot Argentinië ontzegd en werd hij Frans staatsburger. Ondanks zijn literaire faam en populariteit is Cortázar wat in de vergetelheid geraakt. Voor veel van zijn werk moet je je toevlucht zoeken tot antiquariaten, waar voor zijn Verzamelde verhalen hoge prijzen worden gevraagd.
Surrealisme
Cortázar werd in één klap beroemd met zijn eerste verhalenbundel, Bestiarium, uit 1951. Vooral het eerste van de acht verhalen, ‘Het bezette huis’, werd een klassieker. Het gaat over hoe onbekenden langzaam bezit nemen van een groot huis waarin een broer en een zus samenwonen. Het enige bewijs van de vreemde aanwezigheid zijn vage geluiden. Steeds barricaderen broer en zus hun overgebleven vertrekken, totdat ze uiteindelijk het huis moeten verlaten. Cortázar vertelde dat dit verhaal een bijna exacte weergave is van een nachtmerrie die hij had en die hij in één adem noteerde. Het verhaal is exemplarisch voor het soort fictie dat Cortázar schreef. Alledaagse situaties krijgen onverwachte wendingen en het fantastische mengt zich met het realistische, waardoor de verhaalwerkelijkheid een surrealistisch karakter krijgt. Voor Cortázar, die Jules Verne een van zijn leermeesters noemde, waren fantasie en werkelijkheid gelijkwaardig. Als lezer vraag je je voortdurend af wat waar is en wat niet.
Literair spel
Cortázar speelt een spel met de lezer. Er worden meerdere visies op de gebeurtenissen gegeven, vertellers zijn onbetrouwbaar, hij maakt gebruik van de monologue intérieur, de vertelwijze is niet-lineair. Steeds word je op het verkeerde been gezet. Cortázar hanteert een praatstijl, waarin zinnen soms alle kanten op gaan of hiaten bevatten. De lezer moet de werkelijkheid in elkaar puzzelen, zonder dat die uiteindelijk duidelijk wordt. In ‘De gesloten deur’ hoort een hotelgast van de gerant dat in de kamer naast hem een alleenstaande vrouw zit. Toch hoort hij ’s nachts een baby huilen. Beeldt hij zich dat in, of vertelt de gerant hem niet de waarheid? De hotelgast verzint een verklaring en grijpt in, omdat hij van het gehuil niet kan slapen. De volgende dag vertrekt de vrouw van haar kamer. Cortázars verhalen zetten, zoals alle goede literatuur, de verbeelding aan het werk. Zijn verhalen zijn multi-interpretabel.
Illusie
De schrijver schept een illusie van een werkelijkheid door op een zakelijke, gedetailleerde manier, maar ook in geuren en kleuren een wereld op te roepen. De hoofdpersonen zijn vaak ‘verslaggevers’: ze schrijven brieven, een dagboek, wetenschappelijke rapporten of nemen foto’s. Hun observaties zijn echter subjectief en vol fantasie. In ‘Het kwijlen van de duivel’, dat regisseur Antonioni inspireerde voor zijn film Blow-Up (1966), observeert een fotograaf een vrouw en een jongen. Moeder en zoon? Geliefden? Of misschien kindermisbruik? Er blijkt ook nog een man in het spel te zijn. Aan de hand van de enorme vergroting van de foto die hij van hen neemt laat de fotograaf zijn fantasie de vrije loop. In Cortázars verhalen worden vaak verwachtingen beschreven, die vervolgens niet uitkomen. Personages hebben een filosofische inslag.
Fantastisch
De verhalen bevatten veel fantastische, absurde elementen. In Bestiarium hebben die vaak betrekking op dieren. Mensen en dieren vormen samen een bestiarium, waarin hun eigenschappen worden beschreven. In ‘Brief aan een meisje in Parijs’ braakt de ‘ik’ konijntjes, die de maniakale orde in de flat waarop hij past letterlijk aanvreten. In ‘Hoofdpijn’ dragen fabeldieren, zogenaamde ‘mancuspias’ – een hybride van knaagdieren en vogels – neurologische aandoeningen over, die de werkelijkheid vertekenen. In het titelverhaal hangt boven de vakantie-idylle van een jong meisje voortdurend de dreiging van een op hetzelfde landgoed aanwezige tijger. Steeds is er in de verhalen sprake van dreiging. De drama’s, die zich voor een groot deel op de achtergrond afspelen, zijn vaak gewelddadig.
Modern
Cortázars verhalen prikkelen de geest. Ze geven een scherpe en genadeloze blik op de mens en zijn daden, die tot nadenken stemt. Door de experimentele vorm en onopgesmukte stijl ogen ze nog steeds fris en modern. Bovendien zijn ze in voortreffelijk Nederlands vertaald. Cortázar lezen is een avontuur waarin je als lezer alle ruimte hebt, zoals in alle grote literatuur. Hoog tijd dus voor een heruitgave van de Verzamelde verhalen.
De verhalen van Julio Cortázar, Bestiarium. Meulenhoff , Amsterdam, 1984. Vertaling J.A. van Praag, Barber van de Pol. De mooiste verhalen van Julio Cortázar. Meulenhoff, Amsterdam, 1996. Vertaling Aline Glastra van Loon (ook naw.), Barber van de Pol, J.A. van Praag, Mieke Westra.
Hedda Martens (1947) heeft met haar bundel, Bij wijze van leven (uitg. Querido) de J.M.A. Biesheuvelprijs 2023 gewonnen. Het was de achtste maal dat de prijs, vernoemd naar de schrijver van korte verhalen, J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), werd uitgereikt. De eerste keer werd de prijs in februari 2015 uitgereikt aan Rob van Essen met zijn bundel, Hier wonen ook mensen. Dat jaar werd er € 4867,- door crowdfunding bijeen gehaald. Hedda Martens kreeg dit jaar een cheque uitgereikt van € 5172,-.
De jury prees de schrijver van de winnende verhalenbundel om ‘haar absolute meesterschap’. En ook: ‘Een verhaal van Hedda Martens herken je meteen. Niemand schrijft zo als zij dat al veertig jaar lang doet, en in Bij wijze van leven heeft ze haar kunst nog verder geperfectioneerd. Ogenschijnlijk blijft Martens dicht bij huis in haar verhalen: een fietstochtje, een peuter op schoot, een afspraak in een café. Maar laat u daar niet door misleiden! Door de bijzonder scherp afgestelde antenne van deze auteur voor hoe mensen denken, hoe ze waarnemen, en hoe ze voelen, ontdekt de lezer hoe groots het gewone is.’
Uit tweeëntwintig ingezonden bundels haalden deze vier de shortlist:
Mischa Andriessen: Probeer de hemel mijn huis te maken (Querido)
Joep van Helden: Jerrycan (Atlas Contact)
Hedda Martens: Bij wijze van leven (Querido)
Joke van Vliet: Wanneer de herten komen (Querido)
De jaarlijkse prijs voor de beste literaire korte verhalenbundel van het voorgaande kalenderjaar is een initiatief van Irwan Droog, Arjen Fortuin, Daphne de Heer, Esther Kuijper, Roos van Rijswijk en Edith Vroon. Het prijzengeld wordt volledig gefinancierd door crowdfunding om aan te tonen dat dit literaire genre wel degelijk bewonderaars en liefhebbers kent.
De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2023 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Ilse Josepha Lazaroms en Dieuwertje Mertens.
Op zoek naar waarheid en onafhankelijkheid is de titel van een recensie die onlangs, enige dagen voor de 20ste verjaardag van Literair Nederland op 15 december 2022, op de site verschijnt. Het zou evengoed de leidraad voor deze site kunnen vormen. Ik zou daaraan willen toevoegen: op zoek naar goede literatuur, zonder sensatiezucht of relletjes. Literair Nederland ontstond in een heel ander tijdperk van het internet, in internettermen is de website werkelijk oeroud. Bij het eerste decennium schreven we daar iets over: Literair Nederland 10 jaar oud; hoe het begon.
Er is veel minder veranderd in het tweede decennium dan in het eerste: een gestage stroom van aandachtig en met liefde geschreven en soms sprankelende beschouwingen over interessante boeken, geredigeerd door een redactie die een standaard hanteert van hoe een goede recensie eruit zou moeten zien.
Het hart van de site wordt uiteindelijk toch gevormd door de recensenten, een wisselend corps van niet-professionele maar zeer goede en ervaren lezers, die afgewogen formuleren waarom een boek wel of niet de moeite waard is, die de tijd hebben, en de ruimte. We kiezen daarbij breed: zorgen dat mannelijke en vrouwelijke auteurs evenals mannelijke en vrouwelijke recensenten gelijkelijk bediend worden. En boeken van veel verschillende uitgevers! En afkomstig uit verschillende landen. Ook in de genres trachten we een goede verdeling te maken: voldoende poëzie, essay, oorspronkelijke en vertaalde boeken van minder bekende auteurs. Het archief toont in één oogopslag hoe divers dat uitpakt. Bestsellers komen er bij ons wellicht bekaaid af: daarvoor is immers al aandacht genoeg.
Een leven lang liefde voor lezen, dat is toch wel het uitgangspunt. Een uitgangspunt dat letterlijk tot verrassende uitbreiding heeft geleid. Twee redacteurs, Carolien Lohmeijer en Mohana van den Kroonenberg hebben zich sterk gemaakt voor een belangrijke uitbreiding van onze website. Vanaf 15 december is Jong Literair Nederland online, onder dat motto: ‘Een leven lang liefde voor lezen’. Want voor wie leest is er geen helder onderscheid tussen de kinder-, jeugd, young adult en zogenaamde volwassenenliteratuur. De meeste lezers doorlopen alle stadia, en niet noodzakelijk lineair. Op borrels van Literair Nederland merkten we — toen we een aantal recensenten om een causerie vroegen— hoe verknocht ze waren aan bepaalde jeugdboeken. Waarom die geforceerde scheiding in stand houden?
Het derde decennium van Literair Nederland wordt er dus een waarbij we twee sites runnen, maar de stukken zijn deels door dezelfde mensen geschreven. Als de sites elkaar aanvullen lukt het lezers misschien ook geïnteresseerd te raken in boeken die op het oog net een andere generatie aanspreken. Want goede literatuur doorbreekt grenzen, ook leeftijdsgrenzen.
Een feestelijker begin van de toekomst konden we ons niet wensen. Op Literair Nederland en op Jong Literair Nederland kunt u altijd terecht voor de beste suggesties voor wat te lezen. Graag bedank ik wie dit alles mogelijk maken: de redactie van Ingrid van der Graaf, Mohana van den Kroonenberg, Anky Mulders, Daan Lameijer, Carolien Lohmeijer, en voor de techniek Samuel groot Wassink.
Eind dit jaar gaan we van start met Jong Literair Nederland. Onze oproep heeft al een aantal goede recensenten opgeleverd, maar we zijn nog steeds op zoek. Ben jij bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken? Zou je zelf kinderboeken willen recenseren? Neem dan contact met ons op. Vooral als je (ook) non-fictie of fantasy zou willen bespreken.