• Exclusief interview met Lydia Davis

    door Ingrid van der Graaf

    Onder kenners is de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis de koningin van het korte verhaal en een must voor studenten proza van de Schrijversvakschool Amsterdam. Annemieke Bos, student Schrijversvakschool, volgt het leesblok Korte verhalen. In het kader van dit leesblok interviewde zij de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis.

    Lydia Davis was onlangs in Nederland vanwege de vertaling van haar Collected Stories verscheen die in twee delen werd uitgegeven. Deel 1 met de titel Bezoek aan haar man (2011) en deel 2 Varianten van ongemak (2012), beiden verschenen bij uitgeverij Atlas.

    Lydia Davis laat weten dat ze ‘The collected stories’ geschreven heeft over een periode van veertig jaar. De dikte van haar boek is dus te danken aan het feit dat het over een lange periode is geschreven. ‘Er waren vele perioden dat ik helemaal niks of nauwelijks schreef, dat ik bijvoorbeeld bezig was met een vertaling, en ik had ook een familie en twee kinderen om voor te zorgen.’

    Het interview, ‘hoe kom je tot schrijven, waar haal je je materiaal vandaan en is een schrijfritme noodzakelijk’ is een mooi inkijkje in de keuken van een ras schrijfster.

    Lees hier het hele interview.

     

     

  • Blue Monday in De Balie

     Agenda

    Op de derde maandag van januari, officieel de meest deprimerende dag van het jaar, kan het publiek bij de SLAA zwelgen in een winterdepressie. Te gast zijn: Ton Anbeek, Marc van Uchelen, Vrouwkje Tuinman en Daan Heerma van Voss. Presentatie: Anton de Goede. Muziek: Kobra Ensemble.

    Zwaarmoedigheid en literatuur lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op de derde maandag van januari, volgens psychologen de meest depressieve dag van het jaar, trekt de SLAA een avond uit om de zwaarmoedige kant van de literatuur te verkennen.

    Reve, Hermans, Slauerhoff, Heeresma – allen schreven zij literatuur waarin zwaarmoedigheid een belangrijke rol speelt. Hoewel er tal van voorbeelden te bedenken zijn van uitstekende zwaarmoedige literatuur uit verschillende buitenlanden (Edgar Allan Poe, Franz Kafka, Helle Helle), lijken schrijvers uit de lage landen zich bij uitstek thuis te voelen in dit genre. Waar de buitenlandse schrijvers eerder lijken te neigen naar het melancholische, haast het romantische, wringt er in de Nederlandse literatuur onophoudelijk iets, is er altijd een droge ironie voelbaar. Waar ligt dit aan? Heeft het te maken met onze lijdzame, calvinistische aard?

    Al te optimistische romans worden minder serieus genomen, zijn geen echte literatuur, zijn naief. Is dit terecht? En heeft deze opvatting altijd bestaan? Ton Anbeek praat over dit verschijnsel in een mini-college.

    Uiteraard passeren ook enkele voorbeelden van zwaarmoedige literatuur de revue. Acteur Marc van Uchelen draagt een passage voor uit het werk van Gerard Reve, zijn favoriete schrijver. Dichteres Vrouwkje Tuinman komt praten over zwaarmoedige poezie, zowel die van haarzelf als van anderen. Daan Heerma van Voss heeft speciaal voor deze avond een kort zwaarmoedig verhaal geschreven. Tussen de bedrijven door worden er liederen ten gehore gebracht door het dameskoor Kobra Ensemble. Na afloop van het programma gaat de bar open en kunt u samen met ons uw verdriet wegdrinken.

    Blue Monday
    21 januari 2013, 20.15 uur
    De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam
    Organisatie: SLAA
    Kaartverkoop: www.debalie.nl
    Meer informatie: www.slaa.nl

     

     

  • Biografie J.M. Coetzee, Een schrijversleven – J.C. Kannemeyer

    Onlangs verschenen

    De biografie van J.M. Coetzee door J.C. Kannemeyer. In deze diepgaande biografie wordt  de wereld en wandel van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee gevolgd van Zuid-Afrika tot Groot-Brittannië en van de Verenigde Staten tot Australië. Hij belicht de politieke en sociale achter gronden van Coetzees oeuvre net zo uitvoerig als diens persoonlijke geschiedenis. Omdat de schrijver zijn medewerking verleende, had Kannemeyer toegang tot de meest uiteenlopende bronnen, wat verrassende inzichten in Coetzees werk en werkwijze opleverde. De biografie geeft een beeld van een bewogen leven in een verscheurde eeuw en laat zien hoe John Maxwell Coetzee zich heeft ontwikkeld van docent Engelse letterkunde tot een van de belangrijkste auteurs van onze tijd.

     Over de schrijver van onder andere de meesterwerken In ongenade en Wachten op de barbaren is weinig bekend. Deze grondige eerste biografie verandert dat. Kannemeyers boek bevat veel foto’s uit het archief van de familie Coetzee en een schat aan nooit eerder gepubliceerd materiaal, van Coetzees eerste gedichten tot fragmenten uit zijn masterscriptie, van redevoeringen tot brieven. Zo ontstaat voor de lezer een zo compleet mogelijk beeld van Coetzees werk en geschiedenis, vanaf het moment dat zijn Nederlandse voorouders zich in de zeventiende eeuw in Zuid-Afrika vestigden, tot aan zijn huidige verblijf in Australië.

    John Christoffel Kannemeyer (1939-2011) was als academicus een autoriteit op het gebied van de Afrikaanse literatuur en de schrijver van meerdere veelgeprezen biografieën over Afrikaanse auteurs. Daarnaast publiceerde hij talloze studies over de geschiedenis van de Afrikaanse literatuur. Voor zijn biografieën en literaire essays ontving hij onder andere de Recht Malan Prize, de C. Louis Leipoldt-prijs, en een eredoctoraat aan de Universiteit van Stellenbosch. Hij overleed kort na de voltooiing van deze biografie. ‘Deze biografie is een uiterst indrukwekkende onderneming. Het boek voorziet de lezer van een immense  hoeveelheid informatie die voorheen ontoegankelijk was, en werpt een nieuw licht op het schrijverschap van J.M. Coetzee.’ – Derek Attridge.       

    Biografie; J.M. Coetzee, Een schrijversleven

    J.C. Kannemeyer
    Vertaald door Joost Poort-Prijs
    Prijs: € 45,-
    Uitgeverij Cossee

     

  • De ongebundelde stukken bevatten veel aardigs en wetenswaardigs

    Als je iets aardigs wilt zeggen over artikelen in tijdschriften en kranten die zo’n dertig, veertig jaar geleden geschreven zijn door een schrijver die al weer een tijdje geleden is overleden, dan is het waarschijnlijk dat je iets zegt in de trant van: zijn stukken zijn nog verbazend actueel. Als je iets onaardigs wilt zeggen dan is het dat de stukken verouderd zijn.

    Eigenlijk is dat heel vreemd. Moet literatuur van veertig jaar of langer geleden actueel zijn om interessant te worden gevonden? Waarom zou dat eigenlijk moeten? Ik heb eens een actrice van Toneelgroep Amsterdam op de radio horen zeggen dat Medea nog heel erg actueel is. ‘Laatst,’ zei ze, ‘stond in de krant dat een moeder haar eigen kinderen had omgebracht. Het gebeurt nog steeds,’ benadrukte ze.

    Ik vond het een vreemde opmerking. Het is ook niet waar dat Medea een goed toneelstuk is omdat het actueel is. Het zou betekenen dat als er geen moeders meer zijn die hun kinderen vermoorden Medea opeens minder interessant zou zijn. Het is een goed toneelstuk maar niet omdat er nog steeds moordlustige moeders rondlopen, maar veel eerder omdat Euripides een goed schrijver was.

    Karel van het Reve (1921-1999) is al een tijdje geleden overleden. Hij stierf in 1999, met de P.C. Hooftprijs op zijn naam. Uitgeverij van Oorschot geeft zijn Verzameld werk uit en is nu bij deel vier aangekomen dat maar liefst meer dan 1.000 bladzijden telt. Het bevat de bundels Uren met Henk Broekhuis en Een Dag uit het Leven van de Reuzenkoeskoes. Het grootste gedeelte bestaat echter uit werk dat nooit eerder in boekvorm verscheen, geschreven in de periode 1973-1980. Het zijn stukken afkomstig uit o.a. NRC Handelsblad, Het Parool en tijdschriften als Tirade en Hollands Maandblad.

    Veel van die stukken zijn verouderd. Ze hebben betrekking op situaties die nu totaal anders zijn en kwesties waarom niemand zich meer druk maakt. Toch zijn die stukken heel leuk om te lezen. Sommige zijn er met de tijd zelfs op vooruit gegaan. Dat komt omdat ze nu ook leerzame informatie uit het verleden bevatten. Het plezier in het lezen heeft alles te maken met het feit dat Karel van ’t Reve zo goed schreef. Ik geloof niet dat er een essayist is die helderder schreef dan hij. Ook combineerde hij humor en logisch denken met speels  gemak, wat een grote zeldzaamheid is.

    Een voorbeeld van een verouderd stukje is België en China dat Van ’t Reve schreef in 1973 onder het pseudoniem Henk Broekhuis. ‘Wanneer wij België en China met elkaar vergelijken, dan valt de vergelijking uit in het voordeel van België. (…) de gemiddelde Belg gaat vaker in een Chinees restaurant eten dan de gemiddelde Chinees, hij heeft meer schoenen, winterjassen, en gekleurde overhemden, meer vierkante meter woningruimte, hij heeft het ’s winters minder koud en zomers minder warm. (…) Daar staat tegenover dat die Chinees, althans zijn regering, atoom- en waterstofbommen heeft. Maar daar doe je zo weinig mee.’

    Er is veel veranderd sinds de jaren 70, toen bijna elke student marxist was, en de koude oorlog nog woedde. Van het Reve was Slavist, voormalig correspondent in Moskou voor het Parool en schreef herhaaldelijk over de blinde vlek van Westerse fellow travellers voor de terreur van  de communistische regimes. Het communisme is inmiddels verdwenen of, in het geval van China, onherkenbaar veranderd. Toch zijn Van het Reve’s stukken over dit onderwerp het lezen meer dan waard. Hij analyseert droogjes, feitelijk en met humor en je krijgt als lezer nooit het idee dat je iets opgedrongen krijgt.

    De ongebundelde stukken bevatten veel leuks, aardigs en wetenswaardigs. Ik noem een paar hoogtepunten. Zijn dankwoord bij het in ontvangst nemen van de Nijhoff prijs in 1979 die hij kreeg voor zijn vertalingen uit het Russisch. Een recensie over De Som van Misverstanden van Maarten ’t Hart die bij hem college Russische literatuur volgde. Vier krantenartikelen over het boek Literatuurwetenschap van F.C. Maatje, althans over de eerste 80 bladzijden. (Het tweede stukje heet Diepe Treurigheid .)  En twee stukjes getiteld Op Reis waarin broer Gerard voorkomt en waarop hij vervolgens erg boos werd.

    Maar het mooiste van dit deel vier zijn toch de eerste twee bundels. Uren met Henk Broekhuis is al vaak geroemd en dat is terecht. In korte hoofdstukjes ontkracht Van het Reve algemeen geaccepteerde uitspraken en gedachten, zoals het idee dat een potlood in kunst en literatuur een fallisch symbool is, of de gedachte dat massaproductie tot eenvormigheid leidt, of dat iemands gedrag in een boek ‘psychologisch verantwoord’ moet zijn.

    Van het Reve had een zesde zintuig voor onzin en wist dat met heel eenvoudige middelen te ontmaskeren. Twee hoogtepunten uit zijn werk, die dat heel goed illustreren, staan in Een Dag uit het Leven van de Reuzenkoeskoes. Het eerste is het titelstuk, een aanval op de evolutietheorie, althans het idee dat elke eigenschap die je bij een dier kunt aantreffen tot stand is gekomen op grond van natuurlijke selectie.

    Regelmatig kun je over dit essay lezen dat Van het Reve ernaast zat. Dat wordt dan niet verder uitgelegd. Het lijkt erop dat alleen al de roem van de evolutietheorie een maatje te groot is bevonden voor Van het Reve’s kritiek. Naar mijn idee is dat te kort door de bocht. Zijn bezwaren zijn veel meer logisch van aard dan dat ze bepaalde biologische feiten willen tegenspreken. Voor de goede orde, Van het Reve was geen creationist. Zijn kritiek komt voor een groot deel neer op het feit dat de evolutietheorie, of uitspraken daarover, niet te falsifiëren is. Maar laat ik daar hier niet verder over uitweiden.

    Van het Reve weigerde trouwens over de evolutietheorie iets te lezen. Dat tot ergernis van bijvoorbeeld Maarten ’t Hart die met hem in discussie ging. <link: http://www.groene.nl/2008/48/met-karel-in-de-clinch > Iets niet lezen, en er wel over schrijven, deed Van het Reve wel vaker.  Je komt in dit deel herhaaldelijk tegen dat hij zich verzet om iets te lezen wat slecht geschreven is of wanneer hij de overtuiging heeft dat hij beter over het onderwerp na kan denken dan te lezen wat anderen er over gezegd hebben. In de hierboven genoemde stukken over Maatje komt hij niet verder dan bladzijde 80. In zijn dankwoord voor de Nijhoff prijs in 1979, die hij ontving voor zijn vertalingen uit het Russisch, zet hij zijn theorie over vertalen uiteen (‘Vertaal wat er staat’) en merkt daarbij op dat hij nooit boeken over vertaaltheorie heeft gelezen. NRC Handelsblad vraagt hem eens over burgerlijke ongehoorzaamheid een stukje te schrijven en stuurt hem alvast wat artikelen over het onderwerp. Van het Reve begint zijn stuk met het excuus dat hij ze niet meer kon vinden en dat zijn vrouw niet thuis is. Dan maar zonder. Overpeinzingen van een leek.

    Het tweede hoogtepunt is de Huizingalezing uit 1978, Het Raadsel der Onleesbaarheid. Hij nam het op tegen de literatuurwetenschap, een wetenschap die volgens Van het Reve helemaal niet bestaat. In feite viel hij zijn eigen vakgebied aan, hij doceerde immers Slavische letterkunde.  ‘Aanvallen’ is hier niet het goede woord. Hijzelf noemt het ‘bezinnen’, maar dan wel een bezinnen dat zo ontnuchterend en geestig is dat het een vernietigende uitwerking had, en nog steeds heeft, op hen die het betreft. Hij kreeg er de literatuurwetenschappers de hoogste bomen mee in. Wat waren zij kwaad.

    Wie niet kwaad wordt en enigszins bekend is met de pretentie van wetenschappers ? en dat hoeven geen literatuurwetenschappers te zijn ? zal vaak moeten glimlachen en soms schateren om de ontmaskering van onzinnige ideeën en nuchtere constateringen als: ‘Van een zin als de daarnet geciteerde zin van Lotman begrijp ik niet hoe iemand zo’n zin kan opschrijven, en ten tweede begrijp ik niet hoe iemand die zo’n zin opgeschreven heeft zich niet dezelfde avond nog verhangt.’

    Net als zijn aanval op de evolutietheorie ligt de kern van zijn bezwaar tegen de literatuurwetenschap weer bij het falsifiëren van zogenaamde wetenschappelijke uitspraken. Literatuurwetenschappers doen hun best de eigenschappen van goede boeken te beschrijven maar die eigenschappen kom je ook in slechte boeken tegen. Bovendien is wat er beweerd wordt zo triviaal of onzinnig dat het onleesbaar in een ‘dieventaal’ moet worden opgeschreven om niet direct als zodanig herkend te worden. Maar het allerergste is toch dat de literatuurwetenschap onleesbare teksten produceert terwijl je juist van liefhebbers van literatuur toch wel iets anders zou verwachten. ‘Als Multatuli zo volstrekt aan iemand voorbij gegaan is dat hij dit soort zinnen opschrijft ? waarom schrijft hij dan over Multatuli?’

    Ook hier speelt het niet lezen weer een rol. Van het Reve wil wel, maar het is hem ‘fysiek onmogelijk’ de geschriften die de literatuurwetenschap voorbrengt te lezen.  Veel beter is het om zelf na te denken. Hij citeert dan ook Schopenhauer:  ‘Wie wenig muss doch einer zu denken gehabt haben, damit er soviel hat lesen können!’

    Het Raadsel der Onleesbaarheid dient in de Canon te worden opgenomen. Het is één van de hoogtepunten in dit overigens prachtig uitgegeven deel. Wie kennis wil nemen van het werk van één van de beste essayisten die Nederland gekend heeft kan heel goed met dit boek beginnen. En om met iets aardigs af te sluiten: Van het Reve’s werk is verbazend actueel.

     

  • De beste Enquist-bundel tot nu toe

     De zevende bundel gedichten van Enquist is in een fraai vormgegeven boekje tot ons gekomen. De Arbeiderspers heeft er op een smaakvolle manier een omslag omheen gedaan en ook het lettertype is secuur gekozen. Het is duidelijk dat we na Vasalis met een gearriveerde dichteres te maken hebben. Is deze bundel wat we ervan mochten verwachten?

    De vijf cycli zijn grofweg gegroepeerd rond de thema’s: Weer en binnennatuur, verdriet, muziek en het innerlijk behang, buitenwereld en persoonlijke beleving.
    Maar bovenal schrijft Enquist in deze bundel over wat Goethe zou zeggen: Das Menslich al zu Mensliche oftewel verdriet en hartstocht en het verstrijken van de tijd. De dood van haar dochter komt weer om de hoek kijken in o.a.

    Fantoom

    ‘Het is een woord voor pijn die geen
    bestaansrecht heeft; je lijdt aan
    een afwezigheid, je snakt met hart
    en huid naar wat er eerst nog was.

    Wat afgesneden is dringt zich bedrieglijk
    op, je strekt je armen blind naar
    de verzaagde voet, een leegte,
    het verdwenen kind. Het is een naam

    voor wat zich voordoet in de zestien
    meter van de ziel: een spookbeeld snelt
    de doelmond in en doet alle verlies
    teniet, maakt alles goed.’

    En we kunnen zien dat de dichteres nu iets meer afstand heeft tot het verlies dan vroeger, de laatste strofe biedt iets van uitkomst. Wel is ze nog steeds woedend op het Amsterdamse stadsbestuur, dat laks reageerde en de verkeerssituaties niet genoeg aanpakte, het verplichte instellen van de dodemansspiegel op vrachtwagens bijvoorbeeld versliep. Het vers heet de Straatstenen van Amsterdam maar is opgedragen aan de Gemeenteraad van de hoofdstad. Gelukkig zijn er net zoals in Soldatenliederen en Jachtscènes de twee eerste bundels van de dichteres ook weer schitterende natuurbeschrijvingen zoals in

    Uitnodiging om te schaatsen

    ‘Toen hier bergen waren, besneeuwde
    hellingen en zwarte kloven, bewogen
    wij tussen hoogte en diepte, hijgend,

    huiverend. Zuur moeras vrat de rotsen,
    water drong zich in groeven en gaten.
    Het heet modder. Groeit er gras op

    spreken wij van weide; plassen noemen
    we de rest. Onder de spiegel verzonken
    ministers (vermoedelijk waterstaat), thee-

    serviezen,de brieven. Leegte daarboven.
    Je moet geloven dat grijs het ijs zich
    uitstrekt, grijp mijn gehandschoende hand.

    Dan ademloos razen op snijdende ijzers;
    we krassen de namen in sneeuw. Ik lik
    het gruis uit je ogen. Kom dan. Kom.’

    De natuur als vervoermiddel voor hartstocht. In de cyclus over muziek ‘met esdoornhout en paardenhaar’ wordt de cello neergezet als een boodschap: Het gaat niet door! Wat een vondst, de lezer wordt gedwongen na te denken of hij het ermee eens is. En in het vers Van verre opgedragen aan Leonard Nolens schetst ze even de relatie tot andere dichters: (…) Ze vangen van elkaar verzen op, verstaan ze half, in tegenwind.(…).De onmogelijkheid van de ene dichter om de andere volledig te verstaan, volstrekt eerlijk neergezet.

    Enquist laat ons in deze bundel zelden met een rustig gevoel achteroverleunen. Er waait op de achtergrond een onrustige wind, we moeten op onze hoede zijn. Dat komt tot een soort apotheose in het titelgedicht Nieuws van nergens. Ergens is een orkaan en mensen hier zien dat op de televisie, ze kunnen hun ogen sluiten of naar een andere zender doorzappen, maar de verslaggever op de beeldbuis vervult de rol van machteloze. (…) Maar tot het zover is staat op een berg/ te dun gekleed, iemand te briezen/ en een microfoon, een eindeloze stroom/ met nieuws van nergens (…)

    De hoofdpersonen in deze verzen zijn eigenlijk in hun nietigheid, hun twijfels bijna nergens. Ze treuren, ze kunnen elkaar niet bereiken of zijn al dood voordat ze iemand ontmoeten zoals in het fraaie vers over Elvis, Een dikke jager, waarin een fietser, die lijkt op Elvis de oude moeder komt bezoeken. Hij ziet eruit als Elvis, die zij zo bewonderde, maar nu is het te laat.(…) De glitters waren van zijn pak gesleten/ maar het kon niemand ontgaan, daar/reed Elvis in zijn nadagen.(…)

    Een en ander zou tot de sombere gedachte kunnen leiden, dat Enquist ons een erg sombere boodschap wil meegeven. ‘Maak je geen illusie, alles gaat uiteindelijk op niets af, er is geen hoop. Of nog erger: Maak je geen illusies, je verandert er toch weinig tot niets aan.’  Dat is echter niet waar, tussen de regels door van bijna alle verzen sijpelt de zachte vriendelijke toon van een gevoelige natuur. Na de schaatspartij in Uitnodiging om te schaatsen lezen we waar het eigenlijk om was begonnen (…) grijp mijn gehandschoende hand/ Dan ademloos razen op snijdende ijzers/ we krassen de namen in sneeuw. Ik lik/ het gruis uit je ogen. Kom dan. Kom(…) Bij slechte dichters staat de poëet vaak tussen zijn gedicht en de lezer. Bij Enquist is dat andersom, ze dringt zich niet op, maar soms – heel even- duikt ze op achter de regels met een kwinkslag of een mooie gevoelige gedachte. Met zachte stem. Dit is de beste Enquist-bundel tot nu toe. En dat belooft nog veel goeds.

     

  • Het waren de vier mooiste, de vier enige echt mooie jaren van mijn leven

    In 1931, tijdens een onderbreking van het schrijven aan zijn romancyclus Les Thibault, schrijft Roger Martin du Gard (1881-1958) deze korte novelle over een incestueuze liefde tussen broer (Leandro Barbazzano) en zijn 4 jaar oudere zus (Amalia). In een niet nader te noemen grote Algerijnse stad  groeien zij samen op en wonen boven de boekwinkel van hun zeer strenge, hardvochtige en ontoegankelijke vader. Hun moeder is al jong overleden. Broer en zus delen vanaf hun prille jeugd dezelfde slaapkamer, gescheiden door een schot met een gordijn. Er ontstaat een stormachtige liefdesverhouding die door niemand wordt opgemerkt.
    Maar, na vier jaar, komt hieraan een bruusk einde. Leandro moet zijn dienstplicht gaan vervullen in het Italiaanse leger en zal twee jaar wegblijven. Amalia wordt verplicht door haar vader te trouwen met de dertig jaar oudere, welgestelde boekhandelaar Ignazio Luzzati  waarvan ze walgt en die zij (broer en zus) ‘het ouwe varken’ noemen. Doet zij dat niet dan zal ze tot nader order opgesloten worden in een klooster. Amalia heeft dan een heel onverwacht idee. ‘Ja, ik trouw met de ouwe. Maar alleen als we het voor die tijd zo regelen dat ik zwanger ben’ ? blz. 38.

    Aldus geschiedde. Leandro vertrekt in oktober naar Sicilië, het huwelijk vindt plaats. Zeven maanden later bevalt Amalia: een jongen, Michele. ‘Hij was heel zwakjes, alsof hij echt te vroeg geboren was. Alleen al in het eerste jaar dachten ze hem wel tien keer te verliezen.’- blz. 39. Michele wordt niet ouder dan 16 jaar en sterft in een Frans sanatorium aan tuberculose. Deze episode is tevens het begin van deze novelle, de introductie op het Afrikaans Geheim.

    Roger Martin du Gard ontmoet Leandro (inmiddels een gerenommeerd boekhandelaar) in dit sanatorium in Font-Romeu. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen Leandro en ‘meneer du Gard’.

    De schrijver heeft Michele slechts één keer gezien op zijn doodsbed ‘(…) broodmager maar van een grote schoonheid’.  Ongeveer twee, drie jaar later maakt hij kennis met Leandro’s  zus, haar man en hun half dozijn kinderen bij wie Leandro inwoont. Het contrast van deze zes kinderen met die prachtige Michele is verbijsterend. Deze kleine Luzzati’s zijn ‘kort en dik, week als kikvorsen, met bolle wangen en dikke billen, schorre stemmen en verwarde, wollige haardossen, en allemaal hopeloos alledaags’, constateert Du Gard.

    Broer, zus en zwager zijn inmiddels  gezamenlijk eigenaar van de Librairie Barbazzano-Luzzati, opgericht door hun vader en nu een van de belangrijkste boekwinkels van de stad.
    Na zijn bezoek besluiten Leandro en Du Gard samen de mailboot vanuit Afrika naar Marseille te nemen en dan vertelt Leandro, naast elkaar gezeten op het dek, zijn ‘Afrikaans geheim’  aan de schrijver. Een bekentenis in de vorm van een monoloog, zonder enige schaamte of spijt, in simpele feiten, maar met veel gevoel verwoord. Het is aan de toehoorder of de lezer hierover een oordeel te vellen.

    Roger Martin du Gard die voor zijn omvangrijke saga Les Thibault in 1937 de Nobelprijs voor de Literatuur ontving toont ook in deze ultrakorte novelle zijn meesterschap als verteller. Vooral zijn beschrijvingen van de personages zijn markant naturalistisch en doen denken aan Honoré de Balzac, Emile Zola, Gustave Flaubert  en André Gide,  die zich in hun tijd ook nogal wat vrijheden permitteerden. Wij zien een verfijning  in de monoloog op de boot; rauw realistisch is de stijl in bijvoorbeeld de beschrijving van het gezin Luzzati. Vooral van Amalia die in de Frans-Italiaanse film La Grande Bouffe van Marco Ferreri (1973) beslist niet uit de toon zou vallen door haar weelderig, doch wanstaltig voorkomen en vooral de beschrijving van haar manier van voedsel naar binnen schrokken werkt misselijkmakend op de lezer.
    Du Gard beschrijft op blz. 13-14 deze ‘oosterse corpulentie’: ‘Nee, mooi was Amalia niet; ik zou zelfs zeggen dat haar gerimpelde schildpadoogleden, haar dikke papperige gezicht, haar vettige huid, haar peervormige lijf, uitgezakt door de door de zwangerschappen en het zogen, haar doelbewust tot een probaat middel tegen zinnelijke lust maakten. (…) Naast de grote porties macaroni die ze tijdens de maaltijden opschrokte, zat ze van ’s ochtend tot ’s avonds kleverig Turks fruit te kauwen en sprak ze bijna altijd met volle mond’.  De schrijver vergoelijkt overigens min of meer deze dwingende en hartstochtelijke snoeplust : ‘die gulzigheid leek de revanche, de toevlucht voor alle passie van een vrouw, en dat had bijna iets pathetisch.’

    Wanneer Leandro zijn bekentenis doet, lijkt het alsof hij tegelijkertijd zijn geheim weer herbeleeft, beter begrijpt, maar er tevens volledig afstand van neemt door geen enkele verantwoordelijkheid hiervoor te aanvaarden. Blz. 43: ‘Ineens schoot het door mijn hoofd dat ik in feite verantwoordelijk was voor die geboorte, en ook ? misschien? ? voor die zwakke gezondheid, die ziekte…. Verantwoordelijk? Dat staat nog te bezien… Daar valt over te twisten! Bloedverwantschap levert soms wonderbare resultaten op…’.  Het standpunt van Amalia komen wij niet te weten. Zij lijkt letterlijk en figuurlijk goed te gedijen in de slachtofferrol. Slachtoffer van de mannen om haar heen, zou je kunnen zeggen.

    De aandachtige lezer leest op blz. 6 dat Leandro ‘een nog jonge man  (…)’  was bij de eerste ontmoeting met Du Gard in het sanatorium waar zijn 16-jarige ‘neef’ Michele verpleegd werd.
    Een paar jaar later volgt dan de bekentenis. Een rekensommetje  leert dat Leandro toen ongeveer 38 jaar moet zijn geweest. Toch heb je steeds de indruk dat het een oude(re) man is die eindelijk zijn geheim prijsgeeft. Hoewel, …. de beschrijving van Amalia met haar kroost waarvan ze er nog een zoogt, bewijst dat broer en zus beiden nog vrij jong zijn. Opmerkelijk!

    Het ontroerendste moment in het verhaal was voor mij:  ‘Maar twee of drie keer misschien, tijdens mijn bezoeken en de maaltijden die ik verplicht was bij de Luzzati’s te gebruiken, werd er tussen Leandro en mij gezinspeeld op onze ontmoeting in Font-Romeu, en iedere keer vulden de ogen van papa Luzzati zich stilletjes met tranen. Michele was kennelijk het lievelingetje van zijn vader geweest’ aldus de schrijver op blz. 15. Het lijkt dat de ‘stiefvader’ misschien nog wel het meest van het kind gehouden heeft.

    Toch is het even wennen om Confidence Africaine in hedendaags Nederlands te lezen. Het Frans van de jaren 30 van Roger Martin du Gard is, zeg ik met enig chauvinisme, zo veel rijker in woordenschat.

    Dat neemt niet weg dat deze eerste Nederlandse vertaling van een werk van Du Gard zeer zeker de moeite van het lezen waard is en zal zorgen voor veel vragen en discussies. Deze novelle suddert na lezing nog enige tijd na. Ik adviseer dan ook de diverse leeskringen in het land om dit boekje in hun leeslijst op te nemen als voorproefje op het hoofdwerk van Martin du Gard, de achtdelige serie Les Thibault, die de komende jaren bij  J.M. Meulenhoff  zal verschijnen. Hulde voor dit initiatief!

    In België en Frankrijk is enkele jaren geleden deze novelle al voor het toneel bewerkt en heeft geruime tijd gezorgd voor volle zalen. Persoonlijk kijk ik dus nu uit naar de vertolking van Leandro door bv. Thom Hoffman of Daan Schuurmans of wie weet, toch door een oude(re) man …. Helmert Woudenberg!?

     

  • Schrijven tot je een ons weegt

    Nanowrimo

    Achter deze intrigerende afkorting gaan de woorden National Novel Writing Month schuil, een initiatief van Chris Baty, dat inmiddels is uitgegroeid tot een internationaal evenement, waarbij – vooral aankomende – schrijvers de pennen slijpen om in de maand november 50.000 woorden bijeen te schrijven en daarmee een soort digitale oorkonde te bemachtigen, waarmee men op de site kan pronken. Dat laatste is misschien wel het minste, wat het meedoen aan deze ludieke wedstrijd oplevert. Op de eerste plaats is er het plezier om te participeren, op de tweede plaats ligt er – als het goed is – op het eind van de maand een ruwe versie van een boek klaar, dat bewerkt kan gaan worden en op de derde plaats zijn er – last but not least – de contacten met andere ploeteraars overal ter wereld.

    Eind oktober besloot ik mijn voorgenomen roman ‘De getijden’ aan de kant te schuiven en me aan te melden. In het begin is alles even wennen. Ik moest verschillende keren de spelregels lezen en had het toen nog niet helemaal door, dus stuurde ik een e-mail naar een jonge Nederlandse vrouw die in Engeland woont en die, zoals ik op de site van Nanowrite zag, al verschillende oorkonden binnen gesleept had. Ze hielp me een eind op weg met uitvoerige en degelijke antwoorden, maar het bleef me onduidelijk of ik nou elke dag minimaal 1667 woorden moest up1oaden of ik ook vooruit kon werken en of ik ook teksten mocht plakken, want op die manier kan men natuurlijk gemakkelijk vals spelen. Alles mag, zo berichtte me een dag later een Nederlandse schrijver van jeugdromans, die ook al ervaring met Nanowrite had.

    Op de één na laatste dag van oktober dacht ik na over een verhaal maar het leek me ook prima om vanuit het niets te beginnen. Ik zei gekscherend tegen een collega in de kroeg dat ik ging schrijven over een jongen die een meisje wilde zijn, maar al snel ontstonden de contouren van een boek over een werkloze journalist die op 1 november 2009 het graf bezoekt van zijn bloedmooie, jongere zusje met wie hij een incestueuze relatie had en die op haar achttiende verjaardag werd vermoord.

    De organisatie ondersteunt deze schrijfwedstrijd met een fantastische site, waarop iedereen een eigen pagina heeft, waarop je allerlei gegevens kunt invullen, zoals op de Authors-info je biografische gegevens en je voorkeuren voor boeken en muziek en je verdere hobbies. Dan is er de Novel-info waarop je een synopsis kunt bijhouden en bijwerken en een uittreksel van je roman presenteren. Er zijn zelfs deelnemers die al een omslag klaar hebben.

    Kroon op de site is de teller die groot uitgespaard bovenaan de eigen pagina prijkt. Een vrouw uit Overijssel twitterde begin november tot mijn verwondering hoe het met mijn wc stond en na enige navraag begreep ik dat die eruit bestaat hoeveel woorden je uitgepoept hebt, om in die sfeer te blijven. Ik sta zelfs inmiddels op 24076 woorden en ik zag zojuist dat er al twee deelnemers klaar zijn.

    Dan is er de lijst met je buddies, waarop je in één klap kunt zien hoe iemand, die jij volgt, er voorstaan en met wie je ook berichten kunt uitwisselen.

    Tenslotte zijn er de statistieken waarop je kunt zien of je nog een beetje op schema ligt.

    Verder zijn er de peptalks die je per e-mail ontvangt van de eerder genoemde bedenker Chris Baty of van een gearriveerde schrijver als Jasper Fforde, die ook een prachtige website heeft, waarop je heerlijk kunt ronddolen. Een andere schrijfster, Lynda Barry, heeft op de site www.lyndabarry.net in een pdf een voorproefje gezet van haar prachtig geïllustreerde boek ‘What it is’, een kunststukje over het schrijfproces.

    Als dat allemaal nog niet genoeg is kun je ook nog naar allerlei write-ins die overal in het hele land worden gehouden. Een geweldig initiatief dus. Voor meer informatie zie www.nanowrimo.org en het bericht van Yvonne in de agenda van 20 oktober j.l. op deze site.

  • Studenten niet blij met gastredacteurschap Jenny Diski

    Jenny Diski: goed schrijven is goed schrijven

    Het zal je maar gebeuren. Word je als schrijver gevraagd om als gastredacteur van een literaire studentenmagazine op te treden, lever je serieus werk, waarna je wordt weggezet als ’te kritisch’. Het overkwam de Londense schrijfster en critica Jenny Diski, die verhalen las van studenten, ze op volgorde plaatste en er een commentaar bij schreef. Dat commentaar was niet mals, maar ook niet overkritisch, schreef ze in The Guardian. “Als je vijftien verhalen te lezen krijgt, dan verwacht ik dat er maar een paar echt goed zijn.”

    De redactie van het tijdschrift was echter not amused en suggereerden Diski haar inleiding aan te passen. Die werd furieus. “Willen jullie alleen maar ondersteuning van je eigen ideeën? Als jullie een gastredacteur zoeken, dan ga je er toch niet van uit dat die precies dezelfde mening heeft als jullie?”

    Wat eronder ligt, zo verklaart Diski in haar artikel in The Guardian, is het onbegrip van hedendaagse jonge schrijvers over het schrijverschap. “Men zegt: er is niet zoiets als goed of slecht schrijven. Dat verwerp ik. Goed schrijven spreekt voor zichzelf. En als ik het lees, zeker van jonge schrijvers, dan valt m’n mond open van plezier. Maar veel schrijvers zoeken alleen maar een pot goud en beroemdheid. Die haal je er zo uit.”

    Voor Diski is schrijven vooral herschrijven. “Dat is het punt waarop je van het verhaal je eigen verhaal maakt. Herschrijven, nog een keer, het ding laten rusten, dan het weer oppakken, heel nauwgezet lezen en zorgvuldig alles weghalen dat je niet goed hebt overdacht – en zelfs sommige dingen die je wel goed hebt overdacht. Dat is goed schrijven. Zo eenvoudig is het.” (bron: The Guardian, Schrijven Online)

    Nieuwsgierig geworden naar hoe Diski zelf schrijft? Lees haar laatste reisboek Over reizen, rust en rendieren.

    Jenny Diski beschreef in haar twee laatste reisboeken Schaatsen naar Antarctica en Vreemdeling in een trein hoe ze verre reizen maakte om zich in zichzelf en haar verleden te verdiepen. Uiteindelijk bleek ze echter nergens zo gelukkig te zijn als thuis, waar ze door niemand werd gestoord.

    Maar haar situatie veranderde toen de Dichter in haar leven kwam. Daarom gaat Diski in Over reizen, rust en rendieren opnieuw op zoek naar de perfecte omstandigheden om haar innerlijke rust te vinden. Ze trekt achtereenvolgens naar het verre Nieuw-Zeeland, het landelijke Somerset en het koude Lapland. In haar onmiskenbaar eigen, geestige stijl doet ze verslag van de opmerkelijke belevenissen van een reiziger tegen wil en dank. (bron: uitgeverij Atlas)

    Jenny Diski, Over reizen, rust en rendieren. Atlas, paperback, 256 p., € 19,95. Vertaling: Inge Kok

  • Videomateriaal gevraagd

    Heb je videomateriaal van literaire evenementen, heb je een schrijver wel eens gefotografeerd tijdens een lezing, neem je voorleessessies op? Al dit materiaal plaatsen we graag op Literair Nederland. Stuur het naar redactie@literairnederland.nl met naam en korte beschrijving van de gelegenheid. De leukste inzending wordt beloond met 5 boeken.