Sommige teksten hoopt een mens nooit te hoeven schrijven. Verliezen we een dierbare en willen we daar iets over kwijt, dan doet elk woord, elke letter afbreuk aan wat we werkelijk willen zeggen. Desondanks schreven mijn broer, zus en ik een afscheidsrede aan onze vader, vorig jaar oktober. Precies op zijn zestigste verjaardag, na een wekenlang ziekbed, overleed hij aan kanker.
Een paar dagen geleden, 11 juli, stierf hij opnieuw: zijn favoriete schrijver, Milan Kundera, overleed namelijk in Parijs. Veel van mijn vaders romans heb ik overgenomen, bijna de helft daarvan door de Tsjech geschreven. Bovendien bespraken we vaak zijn werk, mits het over literatuur ging. Zulke gesprekken… dat zat er de laatste maanden van zijn leven niet meer in. Nee, ik bespeurde bij mijn vader een fenomeen dat Milan Kundera over de Tsjechische landsgrenzen heen de wereld in slingerde: litost.
Iedere taal kent zijn eigen onvertaalbare begrip en draagt dit met trots uit. Het Nederlands kent ‘gezellig’, het Deens ‘hygge’, het Portugees ‘saudade’. Het Boheemse ‘litost’ betekent volgens Kundera: een vlaag van verstandsverlichting (over dat ‘licht’ straks meer, zoals u wel zult hebben geraden), die ons onze diepe verlatenheid doet beseffen en gevoelen. Pijn lijden, omdat we weten dat we verloren zijn. Hierover schreef Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid. Diezelfde radeloosheid zag ik in de ogen van mijn dappere, lieve vader. De herinnering daaraan maakt langzaam plaats voor een karaktertrek die hij deelde met de romancier: lichtvoetigheid.
Luidruchtig lezen
Absurdisme en humor, daar zat Kundera’s werk vol mee. Denk aan Het leven is elders, waarin hoofdpersoon Jaromil alleen door te gelóven dat hij een groot dichter hoort te zijn, zichzelf de dood in jaagt. Ook Lachwekkende liefdes, De grap en Het feest der onbeduidendheid nopen de lezer er regelmatig toe het boek weg te leggen van de lachstuipen. Luidruchtig een boek lezen, het kan met Kundera. Een ander kenmerk van Kundera’s oeuvre is zijn voorliefde voor de paradox. Nu wordt deze term wel vaker lukraak van stal gehaald, als er slechts sprake is van een duffe tegenstelling. Bij Kundera versterken de binaire opposities elkaar. Wie kent niet zijn wereldberoemd geworden De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, waarvan de titel alleen al een vuistdikke analyse verdient?
Maar ook zijn essaybundel Het doek bevat er genoeg. Zo blikt hij terug op de zoveelste politieke crisis in communistisch Tsjechië: ‘We lachten onbedaarlijk. Wat onze lachlust opwekte was de smakeloosheid van de geschiedenis.’ In de verhandeling richt Kundera onder meer zijn pijlen op ‘agelasten’: mensen die nergens meer om kunnen lachen. Wie nergens meer om kan lachen, ziet immers evenmin ergens de ernst nog van in, behoudens zijn eigen gelijk natuurlijk. Tegelijk bedankt hij hen: ‘Hun bestaan geeft het komische zijn volle betekenis, laat zien hoezeer het een gok is, een risico, en onthult de dramatische essentie ervan.’ Die essentie was banaal, vluchtig, maar het kostbaarste wat een mens heeft. Waarom streeft hij anders naar onsterfelijkheid?
Komisch sterven
In 1990 schrijft Kundera warempel Onsterfelijkheid. Hierin streven meerdere personages ernaar onsterfelijk te worden. Begrijpen zij dan niet dat hun vereeuwiging pas écht begint bij hun heengaan? Eén manier om te sterven lijkt de Tsjech fantastisch: op een komische manier. Schlemielig. Dan zou zijn dood voor altijd lachwekkend zijn, en misschien zijn leven ook. ‘Geen romanschrijver is mij dierbaarder dan Robert Musil. Hij stierf op een ochtend toen hij halteroefeningen deed.’ Kundera fitnesst zich een ongeluk, want ‘doodgaan met halters in de hand, net als mijn geliefde auteur, zou me tot een epigoon maken, zo ongelooflijk, zo waanzinnig, zo fanatiek, dat ik ogenblikkelijk verzekerd was van de lachwekkende onsterfelijkheid.’
Over die lachwekkende, ondraaglijke lichtheid gesproken… Matthijs van Nieuwkerk had het lef Kundera’s magnum opus bij DWDD te ontheiligen. Wat hem betreft ging het toiletboek Antiglamour van Halina Reijn en Carice van Houten over grote vragen des Levens: ‘Er is namelijk ook de ondraaglijke lichtheid van ons bestaan. Namelijk, wie vind je leuk? Wie vind je minder leuk? Dat verschilt misschien per dag.’ Kundera zou er vast hard om hebben gelachen. Omineuzer klinkt zijn aankondiging in Onsterfelijkheid hoe het ons allen vergaat, als we het hoekje omgaan: ‘Op een dag toont de camera ons een mond, vertrokken in een trieste parabool, als het enige dat ons van hem zal bijblijven, dat hij achterlaat als een parabel van zijn hele leven.’ In het licht van zijn indrukwekkende oeuvre is de doodsgrimas wel het laatste waarmee we Kundera zullen associëren. Ik dank mijn onsterfelijke vader dat hij mij nog altijd laat genieten van deze onsterfelijke auteur.
Een belangrijk schrijfster en groot stilist is overleden
Marga Minco, die met haar verhalen over de oorlog grote indruk maakte, is op maandag 10 juli gestorven. Haar overlijden werd vrijdag 14 juli bekend gemaakt met een overlijdensadvertentie in het NRC. De vier dagen vanaf haar overlijden tot het wereldkundig maken, waren dagen van respijt, een niet weten dat een schrijfster niet meer onder ons was. Misschien dat daardoor haar overlijden geen ‘breaking news’ was. Ook het radioprogramma Met het oog op morgen opende er vrijdagavond niet mee, maar werd het overlijden van de schrijfster als programma onderdeel genoemd.
Marga Minco werd in 1920 geboren als Sara Menco in een orthodox Joods gezin in Brabant. Haar ouders, broer en zus en verdere familie overleefden de vernietigingskampen niet. Door onder te duiken en ‘geluk’ te hebben, kwam Minco als enige overlevende uit de oorlog. Dat geluk bestond eruit dat ze tijdens de oorlog meerdere razzia’s – waar joodse gezinnen op ruwe wijze uit hun huizen werden gehaald – meemaakte en waarbij ze door het oog van de naald gekropen is.
Door het oog van de naald
In het hoofdstuk ‘De Lepelstraat’ (Het bittere kruid), beschrijft ze hoe ze op weg vanuit de Sarphatistraat voor een boodschap voor haar moeder, de Lepelstraat inliep. Van de andere kant kwam een overvalwagen met mannen in uniform de straat inrijden. ‘Ze sprongen er gelijktijdig aan weerskanten uit, liepen naar de huizen en duwden de deuren open.’ Een van de mannen kwam op haar toe, sommeerde haar in te stappen, wat ze weigerde. De man drong aan.
‘Nee’, zei ik nog eens duidelijk, ‘ik woon niet in de Lepelstraat. Vraag aan uw commandant of u mensen die in een andere straat wonen ook mee moet nemen.’ Toen mocht ze gaan. In een volgend hoofdstuk dringen twee mannen het huis van haar ouders binnen om hen op te pakken. Zij zal hun jassen pakken, maar vlucht via achterdeur en tuinpoortje de straat op. Later overkomt het haar als ze met haar broer en schoonzus wil onderduiken. Met koffers stappen ze in Utrecht Centraal op de trein. Dan wordt de schoonzus opgepakt, haar broer stapt uit, zij blijft zitten, de trein rijdt weg.
Minco vond zichzelf geen slachtoffer van de oorlog, ze had geluk gehad, dat wel. ‘Als ik me realiseer dat ik opeens oud ben. Waarom ik? Mijn zusje was een veel liever kind.’ Dat je pas na de oorlog ten volle beseft wat er gebeurd was, wat je geliefden hebben meegemaakt. Minco leefde met die beelden en door haar boeken wilde ze haar familie laten doorleven, ‘daardoor zouden ze langer leven dan de tragische werkelijkheid’.
Ze wilde niet gezien worden als een schrijver die de oorlog meemaakte, dat de oorlog haar tot schrijver heeft gemaakt. Ze schreef voor de oorlog al en soms vroeg ze zich af wat voor verhalen ze zou hebben geschreven als die er niet geweest was. Ze vermoedde dat ze dan veel vrolijker maar ook absurdistischer verhalen zou hebben geschreven.
Ze observeerde graag mensen in hun doen en laten (dat observerende spreekt uit al haar verhalen), en schreef verhalen voor (haar) kinderen zoals Kijk ‘ns in de la, over een mannetje dat gaat fietsen en zijn tafel meeneemt. Een eerste versie van ‘De Lepelstraat’ schreef ze al in de oorlog, in 1942 kort nadat het gebeurde, maar raakte die kwijt.
Bitterzoet liefdesverhaal
Er is een verhaal van Marga Minco dat ik me herinner als een bitterzoet liefdesverhaal. Soms wilde ik het nog eens lezen, maar vond het nooit meer terug, begon er zelfs aan te twijfelen of het wel van haar was. Zij schreef immers geen liefdesverhalen. Het ging over een jonge vrouw die na de oorlog voor weken naar een vissersdorpje in Zuid-Frankrijk vertrekt. Er is een echtgenoot en een minnares, er komt een Franse geliefde bij. Ik herinnerde me een paperback, maar bezat die schijnbaar niet meer.
Nu ze er niet meer is, en ik al haar boeken weer opensloeg, er in begon te lezen, vond ik dat verhaal terug. Het is opgenomen in de kleine roman Een leeg huis, dat volgde op Het bittere kruid. Het is een intens verhaal over de jaren na de oorlog, zoekend naar verbinding, liefde, maar daarentegen was er eenzaamheid, doelloosheid en het verlangen een ander leven te vinden.
Dat is wat Sepha (alter ego van Minco)) in Zuid-Frankrijk vond, een ander leven. ‘Ik stond op het strandje tussen de vissersvrouwen de boten na te wuiven, ging mee op de sardinevangst. Na het binnenlopen hielp ik met het dragen van de manden. In de winkel stond ik mee te praten over de schaarste van de levensmiddelen, de schade aan de oogst, en dat alles zo duur was geworden. (…) en leefde als de anderen op nouilles en geroosterde vis, brood en wijn en vruchten. Ik was van hier.’ Nu ik het opnieuw lees, is eens temeer de verlorenheid van generaties, de leegte van een leven zonder voorland voelbaar.
Het is de zakelijke vertelstem, de summiere tekst die ze gebruikte om haar verhaal te doen, die de ernst en ontsteltenis over het gebeurde des te heftiger maakt. Juist nu, nu Minco er niet meer is, lijken haar verhalen, waar het gaat over menselijke verhoudingen, aan impact gewonnen te hebben. Door de tijd heen geven haar boeken steeds meer de gevolgen prijs van oorlogsgeweld. Ze schreef een klein maar kostbaar oeuvre bij elkaar.
Marga Minco werd tijdens haar leven meermaals gelauwerd en kreeg op 98-jarige leeftijd voor haar hele oeuvre de P.C. Hooftprijs (2019). Eerder ontving ze onder meer de Constantijn Huygensprijs (2005) en de Annie Romeinprijs (1999). Het bittere kruid werd in 1957 bekroond met de Multatuliprijs. Er wordt door Yra van Dijk en Judit Gera gewerkt aan de biografie van Marga Minco die zal verschijnen bij Prometheus.
Vijfendertig jaar geleden beschreef ik het wonderlijke leven van een onverzadigbare levensgenieter. Een ornitholoog, gezagsuitdager en filantroop bovendien, die het lukte om er in zeventien jaar een enorm familiekapitaal doorheen te jagen. Toen hij als gevolg daarvan eerst onder curatele werd gesteld en later failliet verklaard, ontkwam hij door een truc aan een persoonlijke ondergang terwijl het leven van zijn rentmeester voorgoed geruïneerd bleek.
Deze kleurrijke man was Jan Jacob Luden (1877-1935). Ik hield me enkele jaren bijna obsessief met hem bezig. Toch is hij ook een al lange tijd weer met respect begraven bezetenheid. Tot de man af en toe opnieuw wordt opgeroepen door een toeval. Dat gebeurde onlangs door het essay Het lijf van de grond dat Wytske Versteeg schreef voor De Gids nr 2023/3. Ze brengt daarin Justus von Liebig ter sprake die halverwege de 19de eeuw experimenteerde met kunstmest, maar later in zijn leven inzag dat die de grond zou uitputten. Hij pleitte sindsdien voor kringlooplandbouw.
Ik zag in gedachten Luden weer in zijn vogellaboratorium zitten. Hij schreef er vanaf ongeveer 1910 zijn boeken met natuurobservaties en onderzoeken naar ingewanden van vogels, werk dat hij samen met zijn taxidermist Eduard Blaauw uitvoerde. Zijn boeken zijn, zij het beperkt, terug te vinden in grote bibliotheken en archieven zoals dat van Naturalis in Leiden.
Tijdens mijn research voerde ik tal van gesprekken met merendeels kinderen van ouders die nog met Luden hadden samengewerkt of contact met hem hadden gehad. Onder hen was een planoloog wiens vader met mijn hoofdpersoon een belangstelling voor archeologie deelde en hem daarover wel eens sprak. Of het een echte vriendschap was, is me nooit duidelijk geworden, maar ik kreeg via zijn zoon wel enkele persoonlijke brieven van Luden in handen. De verwijzing door Wytske Versteeg naar Von Liebig katapulteerde me terug naar de boekenkast van de planoloog. Hij haalde daaruit bij mijn bezoek destijds een dun gedrukt boekje tevoorschijn van slechts vijftien pagina’s, eerder een pamflet, dat hij van zijn vader had geërfd. Het was geschreven door Jan Jacob Luden en getiteld Zijn onze tegenwoordige theorieën over bemesting steekhoudend? Ik stond perplex. Dat Luden tegen gebruik van kunstmest was, wist ik – ik had de bouwtekening gezien voor een kleine fabriek voor natuurlijke mest (die er nooit gekomen is omdat zijn faillissement zich toen al aankondigde). Maar ik wist niet dat hij zijn ideeën over bemesting ook gepubliceerd had. Ik was het boekje nergens tegengekomen; zelfs een verwijzing ernaar had ik nooit ontdekt.
Ik hield het enigszins verkleurde exemplaar in mijn trillende handen alsof het een onschatbaar kleinood was. De man die het me aanreikte was op dit aandenken aan zijn vader erg gesteld: ik mocht het lenen om het te kopiëren, maar moest het liefst dezelfde dag nog terugbezorgen. Ik las erin hoe Luden als een milieu-activist avant la lettre fulmineerde tegen de vergiftiging van de mens en de bodem door kunstmest zoals die werd aangeprezen in een toen populair handboek, geschreven door een pastoor, H.W. Roes, en uitgegeven door de Boerenstand van Alem, Maren en Kessel. Het boek putte volgens Luden uit het vroege ‘Liebigsche arsenaal’ dat volgens hem hopeloos verouderd was. Daarmee doelde Luden op het gebruik van nitraten door Von Liebig die aanvankelijk inderdaad leidden tot grotere opbrengsten van gewassen, maar op termijn de bodem bleken te verschralen.
Ik zocht wat globale gegevens over Von Liebig op, maar besteedde weinig aandacht aan hem omdat hij te ver af stond van wat ik in de biografie over Luden te vertellen had.
Een jaar of tien geleden vernam ik bij toeval dat de planoloog, die me de opwinding destijds bezorgd had, was overleden. Al ettelijke maanden eerder. Met wat reserve – ik voelde iets van lijkenpikkersschaamte – spoorde ik zijn zoon op en vroeg hem of hij het boekje in de nalatenschap had aangetroffen en zo ja, of ik het mocht hebben. Hij praatte me bij. Een klein deel van de boeken van zijn vader was naar de familie gegaan en een grotere partij naar een antiquariaat. In zijn garage stonden nog wat dozen met boeken die hoogstwaarschijnlijk een bestemming als grondstof voor nieuw papier zouden krijgen. Het door mij gezochte boekje kende hij echter niet. Hij wist zeker dat het niet in zijn familie terechtgekomen was en evenmin in de dozen in de garage. Voor de zekerheid ging ik nog bij het antiquariaat langs, maar ook daar bleek het in de in- en verkoopadministratie niet voor te komen. Ik hervatte met een vage hoop – toen ik de biografie schreef stond internet nog in de kinderschoenen, laat staan dat je in gedigitaliseerde bestanden kon zoeken – mijn zoektocht. Vergeefs: ook in 2023 kan ik het boekje niet vinden.
Ik leef nu met het verwarrende idee dat ik kopieën bezit van een boekje dat niet meer bestaat. Een echte obsessie is het niet meer, maar toch voel ik af en toe de verleiding, tijdens naspeuringen op internet naar zaken van een heel andere orde, gevolg te geven aan een opkomende impuls toch nog even te kijken op een plek waaraan ik nog niet gedacht had. Maar eigenlijk kan ik niet anders dan slechts weemoedig naar de foto kijken van die werkplaats waarin Luden zich zat op te winden over het gebruik van kunstmest. En zijn mening met giftige pen neerschreef in een pamflet dat verloren is gegaan.
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Ook vele andere schrijvers, onder wie medewerkers van Literair Nederland, wijden zich aan dit genre.
Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.
We hebben afgesproken in Café Wildschut aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’
Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?
Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.
Hoe ben je met Arkadia begonnen?
‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan. Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’
Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.
‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’
‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.
‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’
Het is een liefdevol gesprek.
‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning vanmijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’
‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’
Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?
‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’
‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia, intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’
Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.
‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’
We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’
De band loop eeuwig door.
‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’
Zou je dat willen, eeuwig leven?
‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’
Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?
‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’
In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huidvan Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.
‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’
In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?
‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’
En welk boek?
‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’
Arkadia
Sipko Melissen
224 blz.
ISBN 9789028231115
Uitgeverij Van Oorschot
Anjet Daanje (1965) is met het toekennen van de Constantijn Huygens-prijs 2023, de meest gelauwerd Nederlandse schrijver van het afgelopen jaar geworden. Eerder won ze de Boekenclub Literatuurprijs 2022, en de Libris Literatuur Prijs 2023. De jaarlijkse Constantijn Huygens-prijs is een oeuvre prijs.
Anjet Daanje (pseudoniem Anjet den Boer) debuteerde op achtentwintig jarige leeftijd met de roman Pianomuziek in de regen. Waarna zij verder schreef aan een ongekend literair universum. De jury liet weten onder de indruk te zijn van de overweldigende kracht van dit oeuvre dat bestaat uit romans, scenario’s, novellen en een bundel vertaalde en eigen gedichten.
De herinnerde soldaat (F. Bordewijk-prijs 2020) betekende haar doorbraak naar een groot publiek. Met Het lied van ooievaar en dromedaris (Boekenbon Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs) verlegde zij de grenzen van de historische roman. ‘Haar boeken tonen de macht van de verbeelding en zitten dicht op de huid van onze tijd.’ Aldus de jury.
Juryvoorzitter Aad Meinderts belde Daanje om haar het goede nieuws te brengen en zei dat hij zich enigszins beschroomd voelde, omdat zij al zo veel gelauwerd is en al dat gedoe maar zozo lijkt te vinden. Daanje’s reactie was: ‘De Constantijn Huygens-prijs is fantastisch, die wil ik graag hebben.’ Waarna ze eraan toevoegde: ‘Ik dacht dat je daar minstens zeventig voor moest zijn!’
Naast Aad Meinderts bestond de jury uit: Jeroen Dera, Rashif El Kaoui, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Mathijs Sanders, Jeannette Smit en Sarah Vankersschaever. De prijs bedraagt € 12.000,-.
De Constantijn Huygens-prijs wordt sinds 1947 uitgereikt. P.N. van Eyck was de eerste schrijver die de prijs kreeg. Daarna volgenden onder meer, S. Vestdijk, Louis Paul Boon, M. Vasalis, Cees Nooteboom, Marga Minco, A.L. Snijders, Mensje van Keulen en Marion Bloem.
Het Literatuurmuseum organiseert de uitreiking van de prijs in samenwerking met Internationaal Literatuurfestival Writers Unlimited op zondag 21 januari 2024.
In een tijdperk waar iedere kunstenaar een ondernemer hoort te zijn en over genoeg kennis en kunde moet beschikken van de vele lagen van marketing, begint het ondernemerschap van een dichter bij het kiezen van een gouden titel. Een titel die lekker bekt en blijft hangen, die mooi is, eigenzinnig, smaakvol en betekenisvol, maar ook relevant voor de inhoud van de bundel.
Granate roept dichters en uitgevers op titels van hun poëziebundels aan te melden voor voorselectie van de Granate Prijs: dit kan vanaf 1 juni tot 31 augustus 2023 23:59 via dit formulier.
Afgelopen zaterdagnacht werd in het radioprogramma Met het Oog op Morgen bekendgemaakt dat Maurice Swirc met zijn boek De Indische doofpot de Brusseprijs 2023 heeft gewonnen. In het 664 pagina’s tellende boekonderzoekt Swirc waarom Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië nooit vervolgd zijn. Het is het eerste boek over Nederlandse oorlogsmisdaden dat is geschreven vanuit een historisch juridische invalshoek en laat gedetailleerd zien hoe groot de impact van de Indische doofpot op onze rechtsstaat was.
Uit het juryrapport:
‘In een tijd waarin het koloniale verleden van Nederland opnieuw bevraagd wordt, vormt het een belangrijk naslagwerk dat niet alleen uitlegt wat zich heeft afgespeeld, maar vooral ook hoe het allemaal kon gebeuren. De auteur laat met zijn boek zien dat het geweld in het Nederlandse optreden in Nederlands-Indië systematisch en ‘gewoon’ was. Het was de cultuur. De maatschappelijke betekenis van dit boek is dan ook groot omdat het nieuwe inzichten biedt. Het boek houdt ons allen een spiegel voor.’
Maurice Swirc is onderzoeksjournalist. Hij is gespecialiseerd in mensenrechten en rechtshistorische onderwerpen. Hij schrijft voor o.a. De Groene Amsterdammer en NRC.
Overige genomineerden waren:
Jan-Hein Strop en Stefan Vermeulen – Sywerts miljoenen – De jacht op het mondkapjesgoud Ineke Noordhoff – Ontaard land Arjen van Veelen – Rotterdam – Een ode aan inefficiëntie Judith Koelemijer – Etty Hillesum – Het verhaal van haar leven
De Brusseprijs bestaat sinds 2006 en is een initiatief van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. De prijs is vernoemd naar journalist M.J. Brusse, die tientallen jaren reportages en feuilletons schreef, onder meer voor de Nieuwe Rotterdamse Courant. Later deze maand is de 150e geboortedag van Brusse. Aan de prijs is een oorkonde en een geldbedrag van €10.000 verbonden.
‘De geschiedenis laat zien hoe belangrijk het was voor de Pairaoendepo dat jaguars bang waren voor hun eigen kracht, maar de geschiedenis laat ook zien dat het een vergissing is om te denken dat die kracht ooit onderdrukt kan worden.De kracht verbergt zichzelf, doet net alsof hij geen kracht is, wordt doorgegeven in het geheim, neemt andere vormen aan, verdwijnt onder de grond, vliegt over oceanen en vindt een weg naar de kinderen van de kinderen van de kinderen en blijft kloppen, net zolang totdat hij wordt gehoord.’
Een zoektocht naar de jaguar, het mythisch wezen van de bossen van Suriname waarbij de geschiedenis van Suriname een centrale plek heeft, zo kan het boek Jaguarman het best worden omschreven. Het boekwerk las ik vorig jaar, kort nadat ik hem kreeg van de auteur zelf, Raoul de Jong. Hij was in Suriname voor onderzoek naar Anton de Kom voor een filmscript over diens leven waarmee hij nog steeds mee bezig is. Ik had geen verwachtingen toen ik begon met lezen, ik had namelijk niet eerder gehoord over het boek, dus betrad ik het werk met een open geest. In twee dagen had ik het uitgelezen en bij de laatste bladzijde was ik even stil. De Jong neemt je in zijn boek mee op zijn zoektocht naar de jaguar. Deze initieerde hij na een ontmoeting met zijn vader. Zijn vader die daarvoor geen plek in zijn leven had voor hem. Door die ontmoeting ontstond bij hem de behoefte om meer te weten te komen over zijn Surinaamse kant.
Geschiedenis van Suriname
De Jong neemt ons mee in de achtbaan waarin hij zich kwetsbaar opstelt waardoor je verschillende emoties die hij doormaakt voelbaar zijn. Diverse aspecten uit het verleden worden belicht zoals de slavernij, de verschillende momenten van verzet en ook het Winti-geloof, een belangrijk onderdeel van de Afro-Surinaamse cultuur. Er komen verschillende Surinamers langs die een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het land en de cultuur zoals Louis Doedel, Thea Doelwijt en Leo Ferrier. Een prominente rol is weggelegd voor Anton de Kom, die De Jong beschrijft als een held.
Net als De Kom maakt De Jong de geschiedenis van Suriname toegankelijk voor niet alleen de Surinamers, maar ook voor anderen buiten Suriname. Lezers van zijn boek leren het land, zijn mensen en de verschillende culturen kennen alsook de vele uitdagingen die het land heeft gekend vanaf de kolonisatie door de Europeanen. Op een aantal plekken in het boek voelt het alsof je letterlijk aanwezig bent bij zijn zoektocht. Je ziet, ruikt, hoort, proeft en voelt wat hij aantreft. Makkelijk heeft hij het niet gehad en op bepaalde momenten bekroop mij het gevoel dat hij het leed van onze voorouders op zich had genomen om hun pijn goed over te kunnen brengen. Los van dat hij voor en tijdens het schrijven, en na het uitkomen van Jaguarman vele moeilijke momenten heeft ervaren door onder meer van zijn Surinaamse familie, die het niet leuk vond dat hij delen van hun verleden openbaarde. Ook de pijnlijke reacties als, ‘waarom moest hij dit boek schrijven?’ vanuit de onwetendheid van lezers in Europa over het verleden en de verschillende culturen van Suriname.
Totstandkoming Jaguarman
Het boek is een waardig vervolg op Wij Slaven van Suriname van De Kom omdat een aantal aspecten over het verleden worden gepresenteerd en daarnaast ook hoe de samengestelde bevolking van het land door alle moeilijkheden zich staande weet te houden. Mijn exemplaar van Jaguarman maakte ook een reis, verschillende personen lazen het en ervoeren het verhaal. Dit jaar schreef De Jong ook het Boekenweekessay Boto Banja, het opstel over het thema van de Boekenweek ‘Ik ben alles’, geschreven in opdracht door een Nederlandstalige auteur. De Boekenweek is sinds 1932 een jaarlijks terugkerende week in maart ter promotie van het (Nederlandstalige) boek. Raoul is de eerste schrijver van Surinaamse afkomst die hiervoor in aanmerking kwam. Dat hij de eer kreeg nadat hij Jaguarman heeft geschreven, voelt goed.
In een goed bezette Tori Oso in Paramaribo presenteerde Raoul op woensdag 19 april Jaguarman in de tweede helft van de avond. De eerste helft van de avond was voor schrijver en voorzitter van de Schrijversgroep ’77 Robby Parabirsing – beter bekend als Rappa – die zijn boek Een kleine politieke historie van Suriname presenteerde. De Jong was zenuwachtig over hoe het interview verlopen. Presentator van de avond Marciano Zalman brak de spanning door te vertellen dat hij het boek de avond en de ochtend voor de presentatie nog had uitgelezen. Hij was ook betoverd door de krachten van de jaguar. Er volgde een geanimeerd gesprek waarin Raoul het proces van de totstandkoming van Jaguarman vertelde.
Geen reisgids
Jaguarman is geen reisgids, zoals een keer werd aangegeven in de media in Nederland. Het is een toevoeging aan de literatuur van Nederland en Suriname. Het is een boek dat net als Wij slaven van Suriname de identiteit van Suriname omarmt en blootlegt. Het is een geschenk aan de wereld.
Tijdens zijn verblijf in 2022 in Suriname, hoorde Raoul over de uitdaging om jongeren van Suriname te motiveren meer boeken te lezen. Boeken zijn onbetaalbaar door de economische situatie in het land. De weinige bibliotheken in het land hebben geen budget om boeken aan te schaffen en kunnen daardoor nauwelijks literaire activiteiten organiseren. In samenwerking met de Stichting Skrifi ontwikkelde De Jong een leesbevorderingsproject voor middelbare schoolleerlingen. Onderdeel van dit project is zijn bezoek aan Suriname om Jaguarman officieel aan de Surinaamse samenleving te presenteren. Ook bezocht De Jong een aantal scholen en bibliotheken waar hij exemplaren van Jaguarman en Boto Banja heeft aangeboden.
Op 2 mei presenteerde De Jong het boek Boto Banja voor publiek in het Nationaal Archief Suriname.
Openingscitaat uit: Jaguarman /achtste druk (2023) / pagina 238.
Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.
Velen kunnen door de Surinaamse literatuur kennis maken met Suriname, zijn inwoners, hun culturen en gebruiken. Voor personen van Surinaamse komaf en anderen die een binding hebben met het land, is het herkenning. En verscholen aspecten kunnen ontdekt worden. De Surinaamse identiteit wordt door de lokale literatuur namelijk gedeeld met de buitenwereld.
In Nederland zijn enkele Surinaamse schrijvers bekend, zoals Michael Slory, Astrid H. Roemer en Cynthia McLeod, maar een groot aantal Surinaamse schrijvers zijn onbekend. Dat heeft onder meer te maken met de kwaliteit van het werk als originaliteit, structuur, ideeën en ook de taalhantering. Maar ook de gestelde taaleisen in Nederland, zoals het algemeen beschaafd Nederlands (ABN) en de Surinaamse zinsconstructies zijn uitdagingen. Dat kan de reden zijn dat Nederlandse uitgevers geen potentie zien in Surinaamse auteurs. Toch verdienen Surinaamse verhalen het om over hun eigen landsgrenzen gebracht te worden om zodoende deel uit te maken van de totale wereldliteratuur. Er zijn een aantal schrijvers die buiten Suriname uitgegeven zouden moeten worden. Zij worden genoemd in het boek Jaguarman van Raoul de Jong en in Dat wij zongen, samengesteld door De Jong, Julien Ignacio en Michiel van Kempen. Aangezien Suriname en Nederland een gedeeld verleden hebben en een gezamenlijke toekomst tegemoet gaan – als we kijken naar historische en culturele banden, gedeelde taal en het grote aantal verdeelde families over beide landen – is het belangrijk dat de Surinaamse literatuur overzee een plek krijgt. En er zijn meer verhalen in de Surinaamse literatuur te ontdekken dan enkel die over het slavernijverleden.
De ontwikkeling van Surinaamse verhalen
In Suriname werden tijdens het overgrote deel van de koloniale periode (1667-1975) verhalen en informatie onder de tot slaafgemaakten mondeling overgebracht, want slaven was het verboden te leren lezen en schrijven. Volgens onderzoek van de Surinaams taaldeskundige en surinamist Hein Eersel (1922-2022) werd in 1876 de algemene leerplicht ingesteld en werd het Nederlands als schooltaal ingevoerd. Andere talen werden uitgesloten van het onderwijs, wat inhield dat leerlingen hun moedertaal niet op school mochten spreken en de ouders min of meer gedwongen werden hun kinderen Nederlands te laten spreken. Deze maatregel heeft de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Thuis, bij onder meer de nazaten van tot slaafgemaakten en de immigranten, werd het Sranantongo en de andere betreffende moedertalen gesproken. Dit zorgde ervoor dat er op de Nederlandse taal een variëteit ontstond, die verschilt op het vlak van uitspraak, woordenschat en grammatica van het Europese Nederlands.
In de afgelopen vijftig jaar werden boeken, geschreven in het Surinaams-Nederlands, steeds meer uitgegeven in Nederland. Zoals Sarnami, hai van Bea Vianen, uitgebracht in 1969 door Querido en Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, uitgebracht in 1995 door uitgeverij Conserve. Het opmerkelijke van Vianen is dat zij de eerste Surinaamse schrijfster is geweest wier debuutroman in Nederland is uitgegeven.
De verhalen van deze schrijvers en anderen, hebben de Surinaamse literatuur gekleurd en behoren tot de literaire canon van Suriname, mocht die er ooit komen. Volgens neerlandicus Hilde Neus worden er wel pogingen ondernomen om tot een Surinaamse canonlijst te komen, maar is er een probleem met het vaststellen van de criteria. Het leespubliek in Suriname is namelijk anders en Neus denkt dat de selectiecriteria meer in samenhang moet zijn met de structuur van de Surinaamse samenleving, op historisch, cultureel en ontwikkelingsniveau. Neerlandicus Jerry Dewnarain heeft enkele vragen geformuleerd, zoals aan welke eisen moet een boek voldoen om tot de Surinaamse canon gerekend te kunnen worden. Dewnarain deed dit voor zijn afstudeerthesis van de masters Nederlandse taal en cultuur waarvan hij de literatuurpoot heeft afgerond.
Opvallend is dat Surinaamse literatuur de afgelopen jaren volop in de belangstelling staat in Nederland. Schrijvers met Surinaamse afkomst krijgen enorm veel aandacht. Raoul de Jong heeft dit jaar het Boekenweekessay geschreven. Met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in maart 2021 werd Astrid H. Roemer de eerste Surinaamse auteur die voor haar gehele oeuvre werd bekroond met deze prestigieuze literaire prijs. Bijdragen zoals de Ibisprijs van de Taalunie, opgezet in 2022, motiveren Surinaamse schrijvers ook om hun gedachtegoed neer te pennen en krijgen daardoor de aandacht van een groter publiek. Deze ontwikkelingen zorgen voor positieve aandacht voor het land en voor motivatie waar de Surinaamse schrijvers verder op kunnen voortborduren.
Authenticiteit behouden
De Surinaamse literatuur is zeker aan verdieping toe. Verhalen zijn voor verbetering vatbaar qua vertelstructuur en zinsformulering, maar er moet voor gewaakt worden dat de authenticiteit van de Surinaamse verhalen niet verloren gaat. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het Surinaams-Nederlands heeft namelijk bepaalde woorden en uitdrukkingen die andere betekenissen kennen of gewoon een andere context dan in Nederland en dat wordt in veel gevallen als ‘fout’ gezien. Bijvoorbeeld het woord ‘tof’ betekent in Nederland fijn of gaaf, maar in Suriname betekent het moeilijk en zwaar. Daarin zullen zowel de schrijvers als redacteuren of uitgevers compromissen moeten bereiken, want niet altijd moet een zin of woord veranderd worden omdat het in eerste instantie als ‘verkeerd’ wordt gezien. Als schrijver wil je dat de lezer jouw teksten zo juist mogelijk ervaart.
Volgens Robby Parabirsing, voorzitter van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – en beter bekend onder zijn schrijversnaam, Rappa, kan de kwaliteit van de Surinaamse verhalen ook verbeterd worden door onder meer (jonge) Surinaamse schrijvers tot schrijven te stimuleren via schrijfwedstrijden met aantrekkelijke prijzen, zoals een geldbedrag en schrijf workshops. Het is verder ook belangrijk dat er in Suriname meer geïnvesteerd wordt in het ontwikkelen van schrijven door middel van cursussen en trainingen. Meer engagement met andere schrijvers binnen en buiten Suriname zal de literaire ontwikkelingen goed doen en zal alleen maar positief zijn voor de schrijver. Door op gerenommeerde en serieuze platforms zoals weblogs te publiceren, komt er tegelijkertijd een gedegen feedback op hun werk.
Een goede schrijver worden
Een goede schrijver hoeft niet succesvol te zijn, maar om een goede schrijver te worden, daar gaat veel tijd en moeite in zitten. In Suriname is het zeker een uitdaging een goede schrijver te worden. Maar door de slechte economische situatie in het land zijn velen eerder bezig om het hoofd boven water te houden. Daarnaast heerst er niet echt een leescultuur en ouders die vroeger nog wel eens een boekje kochten voor hun kinderen, kunnen zich dat nu niet meer veroorloven. Waar scholen vroeger de opbrengst van de snoeppauze besteedden voor het aanvullen van hun mediatheek, kunnen zij dat nu niet meer doen. De grotere bibliotheken hebben geen financiële middelen om boeken aan te kopen.
In Suriname bereik je dus geen hoge verkoopcijfers wanneer je een boek uitbrengt. Dit kan een schrijver danig demotiveren. Verder krijgen schrijvers weinig ruimte om hun visie te delen over onder meer de toestand in het land, de situatie in de wereld of andere belangrijke zaken die zij willen belichten. Dit in tegenstelling tot Nederland waar schrijvers wel de ruimte krijgen een bijdrage te leveren aan de opinievorming in de samenleving. Wegens gebrek aan financiële middelen worden er in Suriname ook weinig literaire activiteiten georganiseerd. Gelukkig lukt het de Schrijversgroep ‘77 nog om maandelijks een thema-avond te organiseren die in een bepaalde literaire behoefte voorziet. In het verleden is er een aantal uitwisselingsprojecten geweest tussen Suriname en Nederland zoals ‘Winternachten Tournee Suriname’ in 2004. Het zou interessant zijn als deze projecten weer worden opgestart of op een andere manier worden voortgezet. Los van het delen van inzichten tijdens zulke literaire events, zijn het ook goede momenten voor schrijvers om met elkaar te praten over elkaars werk.
Meer produceren
Volgens Robby Parabirsing (Rappa) is de Surinaamse variatie op het Nederlands via de Taalunie wel geaccepteerd, maar bij het doorsnee Hollands lezerspubliek nog niet zozeer.
‘In plaats van lesbrieven en allerlei projecten voor de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding Van Leraren zou de Taalunie meer fondsen beschikbaar kunnen stellen voor bijvoorbeeld schrijfwedstrijden en/of workshops. Ik vond de ontmoeting met de Taalunie onlangs in oktober 2022, maar teleurstellend voor het stimuleren van het Surinaams-Nederlands als literaire taal en de activiteiten daaromheen. Ze focussen meer op die opleiding Nederlands, wel goed, maar ik merk weinig positief effect in de praktijk. Het merendeel van de studenten op de opleiding leert alles uit hun hoofd, om snel af te studeren en om flink wat uren te maken. Voor Nederlands maak je namelijk vier uren per klas op het Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs. Men kweekt geen taalwetenschappers en promotors van de Surinaamse literatuur. De geslaagden van de opleiding Nederlands versmallen juist de belangstelling voor het lezen van de Surinaamse literatuur in het Surinaams-Nederlands. Met poëzie is het nog erger gesteld. Let wel, dit geldt niet voor die enkelen die wel hun best doen dit te stimuleren, maar ze vormen een minderheid.’
Er zouden meer Surinaamse verhalen in Nederland gepubliceerd moeten worden over de rijke Surinaamse cultuur, hun zienswijze op zaken zoals de gedeelde geschiedenis en het leven in Suriname. In een speciale Suriname editie van literair tijdschrift Tirade Prakseri, dat in november 2022 uitkwam, heeft het Nederlandse publiek als voorproefje kennis kunnen maken met bekende en onbekende Surinaamse schrijvers.
Naar mijn mening moet er een tijd komen dat men niet meer om de in Surinaamse wonende schrijvers heen kan. Natuurlijk zijn er de boeken over Suriname die in het verleden geschreven werden door buitenlanders die er hebben geleefd en hun ervaringen hebben opgeschreven. Maar het wordt tijd dat Surinaamse schrijvers hun eigen inzichten over en ervaringen met hun land delen met de wereld en daarvoor de ruimte krijgen.
Bronnen:
Scriptie Suriname in de Nederlandse Taalunie van Ruth Brandon
Expositie Surinaamse Schrijvers, De weg naar een onafhankelijke literatuur van het literatuurmuseum
Jerry Dewnarain, neerlandicus
Hilde Neus, neerlandicus
Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.
Essayist, vertaler en vertaalwetenschapper Ton Naaijkens (1953) ontvangt de Martinus Nijhoff Vertaalprijs voor zijn vertaaloeuvre uit het Duits. In 1977 debuteerde hij als vertaler en zijn oeuvre omvat inmiddels meer dan honderdzeventig vertalingen van tientallen moderne Duitse dichters, waaronder Jürgen Becker, Barbara Köhler en Wolfgang Hilbig alsook prozateksten van Günter Grass, Bertolt Brecht, Robert Musil en Stefan Zweig. Als zijn levenswerk echter geldt de als onvertaalbaar geachte werken van Paul Celan. Eind jaren negentig verschenen in zijn vertaling de eerste publicaties van Celans gedichten en in 2003 mondde dit uit in Verzamelde gedichten (Meulenhoff). In 2020 volgde een aangescherpte en uitgebreide versie in Verzameld werk (Atheneum /Polak & Van Gennep). Ton Naaijkens was hoogleraar Duitse literatuur alsmede Vertaalwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Vanaf 1994 is hij tevens redacteur van het tijdschrift over vertalen Filter.
Donderdag 11 mei zal tijdenseen feestelijk programma de uitreiking plaatsvinden, met bijdragen van dichters Iduna Paalman en Ellen Deckwitz (moderator). Paul Celan-liefhebber Arnon Grunberg houdt een lezing over het belang van het vertalen van gedichten. Met muzikale optredens vanNtjam Rosie en ArtvarkSaxophone Quartet.
Het Prins Bernhard Cultuurfonds reikt deze prijs sinds 1955 jaarlijks uit ter nagedachtenis aan dichter en vertaler Martinus Nijhoff. Naast de eer ontvangt de gelauwerde vertaler een bedrag van 50.000 euro.
De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2023 bestaat uit Henk Pröpper (voorzitter), Romkje de Bildt (secretaris), Marjoleine de Vos, Stella Linn, Eric Metz, Jan Willem Bos en Henri Bloemen.
Voorgaande winnaars van de Vertaalprijs waren onder meer Hans Boland, Jeanne Holierhoek, Babet Mossel en Rokus Hofstede. Vorig jaar ging de prijs naar vertalersduo Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden.
Van de tweehondervijfendertig titels die werden ingezonden voor de Libris Literatuur Prijs 2023, belandden na zorgvuldig beraad van de jury de volgende zes Nederlandstalige romans op de shortlist:
Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje Man zonder rijbewijs van Oek de Jong Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost van Donald Niedekker Overal zit mens van Yves Petry De gebeurtenisvan Peter Terrin Tussentijds van Peter Zantingh
De jury van de Libris Literatuur Prijs 2023 spreekt over grote veranderingen in de duiding van de roman zoals we die kennen. Er is meer dan ooit sprake van een genre overstijgende romanvorm.’ Het klimaat speelt overtuigend een grotere rol. Ook zijn literaire teksten vaker essayistisch of spreekt men van auto-fictie. ‘In onze tijd van virtuele werelden, AI en nepnieuws, heeft de werkelijkheid van alle dag soms meer weg van fictie – dat betekent dat de romanschrijver voor een nieuwe uitdaging staat.’
Als groot kanshebber wordt Anjet Daanje met haar ‘caleidoscopische roman van grote klasse’, Lied van ooievaar en dromedaris, gezien. Daarover liet Daanje zelf weten in Nieuwsuur, dat zij toch niet weer de prijs zal ontvangen omdat zij immers vorig jaar al de Boekenbon Literatuurprijs won. Het zou fenomenaal zijn als een schrijver beide prijzen kreeg toegekend, iets dat nog niet eerder in de literaire prijzenwereld is voorgekomen.
De jury bestaat uit voorzitter Beatrice de Graaf, historicus, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, Yannick Dangre, schrijver en dichter, Margot Dijkgraaf, literatuurcriticus en schrijver, Mira Feticu, schrijver, performer, interviewer en radiomaker, Lies Schut, literair recensent.
Wie uiteindelijk de prijs krijgt? Dat wordt 8 mei bekend gemaakt in Felix Meritis en live uitgezonden door Nieuwsuur op NPO2. Met een Hommage-show voor de zes genomineerde auteurs die via livestream te volgen zal zijn. De zes genomineerde auteurs ontvangen in ieder geval elk € 2.500.
Hedda Martens (1947) heeft met haar bundel, Bij wijze van leven (uitg. Querido) de J.M.A. Biesheuvelprijs 2023 gewonnen. Het was de achtste maal dat de prijs, vernoemd naar de schrijver van korte verhalen, J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), werd uitgereikt. De eerste keer werd de prijs in februari 2015 uitgereikt aan Rob van Essen met zijn bundel, Hier wonen ook mensen. Dat jaar werd er € 4867,- door crowdfunding bijeen gehaald. Hedda Martens kreeg dit jaar een cheque uitgereikt van € 5172,-.
De jury prees de schrijver van de winnende verhalenbundel om ‘haar absolute meesterschap’. En ook: ‘Een verhaal van Hedda Martens herken je meteen. Niemand schrijft zo als zij dat al veertig jaar lang doet, en in Bij wijze van leven heeft ze haar kunst nog verder geperfectioneerd. Ogenschijnlijk blijft Martens dicht bij huis in haar verhalen: een fietstochtje, een peuter op schoot, een afspraak in een café. Maar laat u daar niet door misleiden! Door de bijzonder scherp afgestelde antenne van deze auteur voor hoe mensen denken, hoe ze waarnemen, en hoe ze voelen, ontdekt de lezer hoe groots het gewone is.’
Uit tweeëntwintig ingezonden bundels haalden deze vier de shortlist:
Mischa Andriessen: Probeer de hemel mijn huis te maken (Querido)
Joep van Helden: Jerrycan (Atlas Contact)
Hedda Martens: Bij wijze van leven (Querido)
Joke van Vliet: Wanneer de herten komen (Querido)
De jaarlijkse prijs voor de beste literaire korte verhalenbundel van het voorgaande kalenderjaar is een initiatief van Irwan Droog, Arjen Fortuin, Daphne de Heer, Esther Kuijper, Roos van Rijswijk en Edith Vroon. Het prijzengeld wordt volledig gefinancierd door crowdfunding om aan te tonen dat dit literaire genre wel degelijk bewonderaars en liefhebbers kent.
De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2023 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Ilse Josepha Lazaroms en Dieuwertje Mertens.