Granate roept wederom dichters en uitgeverijen op een titel van poëziebundels aan te dragen voor de voorselectie van de derde editie van de Granate Prijs 2024.
Titels bedenken is een vak apart. Het is de allereerste indruk van een bundel. Een titel is wellicht mysterieus, aangrijpend of juist romantisch. Een titel die lekker bekt en blijft hangen. Die mooi, eigenzinnig, smaakvol en betekenisvol is, maar ook relevant voor de inhoud van de bundel.
In 2023 ging de prijs naar Handleiding voor Ontheemden van Robin Block. ‘Een titel met een opvallende alliteratie die als een vlag de gehele lading dekt’, aldus het juryrapport. In 2022 ging de prijs naar Hava Güveli (dichter & schrijfdocent) met haar bundel ‘Alles wat ik vergeet is mooi meegenomen’. Wat een geweldige titel is.
Deelname voorwaarden:
De bundel komt uit of is uitgekomen in 2024 De bundel is een Nederlandstalige bundel (titel mag anderstalig zijn) Bundels uitgegeven door een uitgever, in eigen beheer of online kunnen meedingen naar de prijs
De jury bestaat dit jaar uit Robin Block (dichter, theatermaker, columnist), Gershwin Bonevacia (dichter, schrijver, performer, stadsdichter Amsterdam 2019 – 2022). Janice Deul (journalist, schrijver, Hettie Marzak (poëzierecensent en docente Nederlands), Erna Staal (directeur van de Goudse Bibliotheek).
Na het feestelijke diner in de concertzaal van Felix Meritis werd maandagavond bekend gemaakt dat Rob van Essen met zijn boek Ik kom hier nog op terug tegen vele verwachtingen in de Libris Literatuur Prijs 2024 kreeg toegekend. Het is de tweede maal dat Van Essen deze prijs krijgt toegekend, in 2019 won hij met zijn boek Een goede zoon. Een keer eerder is het voorgekomen dat een schrijver tweemaal deze prijs won. In 1995 ontving Thomas Rosenboom voor Gewassen vlees, en in 2000 voor Publieke werken de prijs.
Uit het juryrapport: ‘De jury was zeer én aangenaam verrast door Rob van Essens Ik kom hier nog op terug, de roman die op de valreep van 2023 verscheen. Onze kaarten moesten opnieuw worden geschud, want dit boek is van uitzonderlijke kwaliteit. De schrijver neemt ons mee naar het verleden, en schrijft buitengewoon beeldend over wat het hoofdpersonage overkomt. Het boek bevat veel absurde situaties, zoals we van deze schrijver gewend zijn, maar meer dan andere keren staat alles nu perfect in de steigers.’
Ook vindt de jury dat Van Essens laatste boek ‘vernuftig in elkaar [is] gezet’. En: ‘een krankzinnige fantasie met een fikse diepgang, een verhaal dat gaandeweg handen en voeten krijgt en een onverwachte ontknoping heeft.’ Kortom, Ik kom hier nog op terug is naar mening van de jury ‘de beste roman die Rob van Essen tot nu toe schreef’.
Voor deze 31ste editie heeft de jury honderdnegenentachtig Nederlandstalige romans die in 2023 verschenen zijn, gelezen. Dat kwam neer op een boek in twee dagen lezen. Een knappe prestatie. De leidraad tijdens het lezen was: ‘welk boek vind je het best, welk boek heeft je van begin tot eind geboeid, welk boek heeft je verrijkt’.
Overige genomineerden waren: De onbedoelden – Cobi van Baars, bij Atlas Contact Luister – Sacha Bronwasser, bij Ambo | Anthos Gebied 19– Esther Gerritsen, bij De Geus De onzichtbaren – Frank Nellen, bijHollands Diep Tosca – Maud Vanhauwaert, bij Das Mag
De jury bestond uit Kim Putters (voorzitter), Joep van Ruiten, Dalilla Hermans, Vamba Sherif en Lisa Kuitert.
Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden. De overige vijf genomineerden ontvangen 2.500 euro. De winnaar ontvangt tevens een bronzen legpenning naar ontwerp van Irma Boom.
Foto: verkregen via Persmap Libris Literatuur Prijs 2024
‘Het duizelt me!’, liet Sasja Janssen op social media weten nadat bekend werd dat ze voor haar gehele oeuvre de A. Roland Holst Prijs werd toegekend. Niet gek als je eerst de Johan Polak Poëzieprijs wint voor Virgula (2021). Dan ben je ‘Flabbergasted’, valt alles uit zijn verband, zoals haar poëzie dat geregeld doet.
Sasja Janssen (1968) publiceerde zes dichtbundels en twee romans bij uitgeverij Querido. Regelmatig publiceert ze met poëzie of proza in De Gids, en geeft les in poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam.
In haar poëzie tovert Janssen absurde beelden tevoorschijn en wapent de lezer tegen gemeenplaatsen. Tijdens een integrale voorlezing van haar laatste bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica (2024) in Theaterzaal Luxor in Zutphen was het opmerkelijk hoe het publiek door haar bijzondere taalgebruik zeer goed bij de les bleef. Haar manier van woorden geven aan wat wordt waargenomen is consequent uniek. (‘Het heden is een lach in het donker’, of ‘Wat slapen de geraniums licht’).
De Johan Polak Poëzieprijs is een nieuwe prijs en wordt jaarlijks uit gereikt aan de beste dichtbundel die er in de voorgaande drie jaren verschenen is. Aan de prijs is naast de eer een bedrag van € 50.000 verbonden. De jury voor dit jaar bestond uit Janita Monna, Bertram Mourits, Mathijs Sanders, Carl De Strycker en Anne Vegter.
De gelauwerde bundel Virgula (won in 2021 de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor vier andere poëzieprijzen), verscheen dit jaar in Engeland bij uitgeverij Prototype in vertaling van Michele Hutchison, die eerder ook Ik trek mijn species aan vertaalde (Putting on my species) en werd in 2022 naar het Spaans vertaald door Micaela Muylem.
De Johan Polak Poëzieprijs wordt dit jaar voor het eerst uitgereikt aan de beste Nederlandstalige bundel die in de afgelopen drie jaar (2021-2023) is verschenen.
Literair Nederland feliciteert schrijver Julien Ignacio van harte met het winnen van de eerste Amarte Literatuurprijs. Dinsdagavond werd bekend gemaakt dat Goudjakhals het meest uitdagende boek was voor collega schrijvers en essayisten. Volgens de jury is het een boek dat ‘de bakens verzet’. Een jury van enkel schrijvers en essayisten, onder andere Abdelkader Benali en Mariëtte Haveman, was unaniem in haar oordeel dat de prijs naar Goudjakhals ging.
De Amarte Literatuurprijs is in het leven geroepen om schrijvers en essayisten de kans te geven een boek van een collega in de schijnwerpers te zetten. De onderscheiding wil niet het ‘beste’ boek bekronen, maar een boek dat conventionele grenzen overschrijdt, inspiratie opwekt en zowel lezers als collega-schrijvers uitdaagt. En dat doet Ignacio met Goudjakhals.
De prijs bestaat uit een geldprijs van €15.000 en een essayistische beschouwing die gepubliceerd wordt in het zomernummer van de Nederlandse Boekengids.
Andere genomineerden voor de prijs waren onder meer Loesje, de biografie door Fleur van der Bij, Kamp Erika door Hester den Boer, Het liefdesinterbellum door Ine Boermans, Een tafel bij het raamdoor Mirthe van Doornik, De omwenteling of de eeuw van de vrouw door Suzanna Jansen, Soms wil ik een kind door Jantine Jongebloed en Ik ken een berg die op me wacht door Sholeh Rezazadeh.
Lees hier het interview van Literair Nederland met Julien Ignacio over het nu bekroonde boek, Goudjakhaks.
Kort nadat ik bij Van Oorschot was komen werken, vond ik in de krochten van de uitgeverij een exemplaar van Kontakt met de vijand. Het was een nieuw-oud boek, het had er sinds verschijnen in 1975 in een doos gelegen. Ik begon erin en stopte niet meer. De toon, het avontuur. Kees Verheul was de levende brug met het oude Rusland, en ik ben nooit gewend geraakt aan het gegeven dat hij Joseph Brodsky zo goed had gekend, en Nadezjda Mandelstam. Verheul leerde ik al snel kennen als een uiterst aimabele man die op al onze borrels en etentjes kwam: hij hield intens van gezelschap, was een vrolijk causeur en een uiterst aangename gesprekspartner. Overigens kon hij gelukkig ook goed laten merken als hem iets níet beviel.
Een van de opmerkelijkste boeken die we met hem maakten was het boek Niets heb ik van mijzelf, dat bestaat uit een drieluik terug de tijd in: een meesterlijk abecedarium van Willem Jan Otten over zijn ‘gids’ Kees Verheul, een portret van Verheul over zijn leermeester Clay Hunt, en een schitterend stuk van Clay Hunt over John Donne. Verheul kon uitmuntend bewonderen en was zeer gul in zijn waardering. Des te mooier dat er zo’n ode aan hem geschreven is, respectvoller kan het niet.
Zijn meesterwerk was wat mij betreft de Tutcheffs trilogie Villa Bermond (1992) Stormsonate (2006). We hebben aardig wat afgemaild en gecorrespondeerd over het derde deel. Stukken ervan – heel mooie stukken – verschenen in Tirade. Toen ik doorgaf dat een boekhandelaar ernaar vroeg moest ik haar van Kees dit antwoorden:
‘Kort na het verschijnen van het tweede deel van De Tutcheffs kreeg ik kanker. Terwijl ik hiervoor werd behandeld en genas kreeg mijn levensgezel twee progressieve ouderdomsziekten. Eind 2018 overleed hij daaraan. Hoewel ik inmiddels bijna tachtig ben geworden (d.w.z. tien jaar ouder dan de dichter Tutcheff) en een stuk van mijn vitaliteit kwijtgeraakt, heb ik allerminst de moed opgegeven om na de noodgedwongen lange werkpauze verder te gaan met de cyclus.’
Dit was waar: de moed gaf hij nooit op. Hij werkte eraan, drie weken geleden ontvingen we weer een stuk van hem. Het begint zo:
‘Een filosofisch middagmaal. Deelnemenden: de gastheer en voorzitter Apollonius von Maltitz; diens vrouw Clotilde, die aan een uiteinde van de tafel zat, het zachte haar golvend in de tocht die de hitte in het vertrek niet vermocht te verdrijven; de overige gasten links en rechts van haar aan de dis. Plaats, het Bertuch Haus in Weimar, begin augustus 1843.
“Pech, Tutschew, dat je hier bent met deze hittegolf, het lijkt verdorie Brazilië wel.” Hij wist lachend zijn blonde gezicht af. Met een zucht: “Daar heb je ’s zomers tenminste de bergen.”’
De lezer is in een paar zinnen al weg. Daar. Ik ben een paar keer in Scheveningen met Kees wezen eten. Daags voor de eerste maal schreef hij: ‘Beste Menno, Dank voor je handgeschreven brief in ouderwetse envelop, die je mij liet bezorgen op instigatie van een droom. Erg aan mij besteed, deze opzet, evenals je verrassende en eervolle plan om mij een “auteursbezoek” te komen brengen, de eerste keer in mijn carrière dat mij, geloof ik, zoiets overkomt.’ Kees Verheul ten voeten uit, een ironiserende toon ten aanzien van zijn eigen schrijverschap, een op vriendschap gerichte reactie. We spraken toen en later vaker ook over de Russische Bibliotheek, waarmee hij zich gelukkig altijd – gevraagd vaak en ongevraagd soms – bleef bemoeien. (Volgend jaar zal nog een onbekende Rus op zijn instigatie bij ons verschijnen. Hij bleef voor ons een gids.) En over zijn laatste Tutcheff-boek, waaraan hij bleef werken.
Maar Verheul werkte aan heel veel, en hij was er voor veel mensen. Zoals hij en zijn man Cees hun leven leidden, naar een voorbeeld van Brodsky, in ‘anderhalve kamer’: een halve in Rome, een halve in Scheveningen en een halve in Amsterdam, verdeelde Kees zijn krachten over schrijven, doceren, vriendschap, sociaal vertier, correspondentie, vertaling, kritiek en wat al niet. Een vol bestaan. Zo is er ook teveel over hem te melden. We laten de prachtige roman Een jongen met vier benen en de zeer veelzijdige essaybundel Een volmaakt overwoekerde tuin maar node verder onvermeld.
Van Oorschot neemt afscheid van de veelzijdigste en vriendelijkste leidsman die we hadden.
Jaren geleden begon ik op Pinterest afbeeldingen van foto’s en kunstwerken te verzamelen. Mijn aandacht verslapte echter vrij snel. Ik ben niet zo’n verzamelaar. Om het monotone vergaren te ontvluchten, ging ik afbeeldingen met elkaar vergelijken. Das Balkonzimmer van Adolph von Menzel bijvoorbeeld, leek vrij veel op een schilderij van Jakub Schikaneder dat ik kende. En ook tussen een foto van Saul Leiter en een prent met een Chinees handschrift zag ik een gelijkenis, of tussen een druksel van Hendrik Werkman en een foto van László Moholy-Nagy. Zo kreeg ik er alsnog lol in. Buiten Pinterest om ging ik verder. Nooit ben ik bewust naar parallelle beelden op zoek gegaan, ik voegde alleen iets toe wanneer een bepaalde voorstelling direct een ander beeld opriep en wel een die zich in mijn hoofd, dus in mijn eigen ‘databank’, bevond. Het werd een sport met eigen regels.
Dit leverde me op den duur een aardige collectie evenbeelden op. Soms is de overeenkomst tussen de voorstellingen letterlijk: een paar personen met eenzelfde blik, enkele interieurs met eenzelfde lichtval en compositie. Vaker echter hebben de beelden niks met elkaar te maken en lijken ze tóch op elkaar. Dat zijn de meest intrigerende. Voor nu wil ik eenvoudig aftrappen en wel met twee rookwolken die op elkaar lijken.
In het essay ‘IJle substantie’ uit de bundel Verborgen verwantschappen van Rudy Kousbroek is een foto opgenomen van een jonge vrouw met een sigaret. De vrouw, ze heeft een licht peinzende en neerwaarts gerichte blik, blaast een dunne rookwolk uit. In deze flard is zonder al te veel moeite het hoofd van een paard te herkennen. Kousbroek beweert dat de vrouw zichtbaar kan maken waar ze aan denkt: aan haar lievelingspaard dat onlangs door haar vader is verkocht. De vrouw, nog altijd volgens de auteur, doet een poging het dier weer op te roepen. Kousbroek weidt uit over ‘materialisatie’ en ‘ektoplasma’, dan wel een ‘tijdelijke verstoffelijking van de geest’, en memoreert een medium uit zijn jeugd, ene Eusapia Palladino, die van alles kon waaronder hele menselijke gestaltes en gezichten voortbrengen, of handen vanachter een gordijn. Kousbroek meent zich zelfs te herinneren dat bij Eusapia het ektoplasma uit haar oor tevoorschijn kwam; net als de mond of de neus tenslotte ook een gat in het hoofd.
Dat waren nog eens tijden. Ik herinner me een verhaal van mijn moeder. Hoe zij als zestienjarige haar oudere zus eens vergezelde naar een zogenaamde duiveluitdrijver. De zus dacht in die tijd dat de duivel op haar nek zat, zo ongeveer tussen haar schouderbladen. De duiveluitdrijver, ook wel ‘strijker’ genoemd, gleed met zijn handen tijdens de met rituelen behangen sessie behoedzaam langs de rug van mijn tante. Daarna schudde hij zijn handen vol afschuw en rillend van zich af. Dit herhaalde hij enkele malen. Ook de strijker was een soort medium, een tussen-lichaam als het ware, via welke de duivel weer verdwijnen kon.
Tja. De vrouw. De foto. Het paard. Het moet allemaal in mijn achterhoofd zijn blijven hangen want toen ik op een dag een willekeurige krant doorbladerde, zag ik een foto die zeer veel leek op het beeld dat Kousbroek had beschreven. Kijk nu toch eens, dacht ik meteen, Helmut Schmidt kan het ook! Wat? Nu, paardenhoofden blazen. En ook bij hem lijkt het een fluitje van een cent.
Een cruciaal verschil tussen de rokende Schmidt en de jonge vrouw is echter niet zozeer het verschil tussen pijp (hij) en sigaret (zij) maar vooral dat zíj haar ogen heeft gesloten waar híj ze heeft geopend. De vrouw is veel geconcentreerder aan het roken dan dat hij het is. De foto van Schmidt is afgesneden, ik kan niet zien wat hij doet. Maar het komt me voor dat hij zich gelijktijdig met iets anders bezighoudt. Misschien is hij aan het lezen, zijn blik is vrij gericht. En juist deze bij-bezigheid zou zijn ongeconcentreerde roken weleens kunnen verklaren. Ongeconcentreerd ja, want als ik goed kijk, ontwaar ik niet een, maar twee hoofden in de rookflarden van de gewezen bondskanselier en mede-uitgever van Die Zeit. Het eerste paard dat hij wilde formeren, is mislukt (dat lijkt bij nader inzien veel meer op een hondenkop) en daarom walmt hij er nog een achteraan. Het tweede hoofd heeft al iets meer van een paard weg. Ik weet niet wat Schmidt hierna gaat blazen, en of hij altijd in series dampt. Het maakt ook weinig uit. Knap is het sowieso, twee paarden tegelijk materialiseren, of een hond én een paard. En dat terwijl hij simultaan een paar beleidsstukken doorneemt, of een artikel voor zijn krant bewerkt. Het is zonder meer roken op niveau. Maar ik ga uiteindelijk toch voor de perfectie van de jonge vrouw. Zij heeft een bijna volmaakt, zuiver paardenhoofd geblazen. En, veel belangrijker nog, het lijkt haar niks te kunnen schelen. Zij is elders.
Nicole Montagne (1961) is schrijfster, illustratrice en grafica. Zij publiceerde verschillende verhalen en essay bundels, waaronder De verzuimcoördinator.
De shortlist van de Libris Literatuur Prijs is bekend.
De zes genomineerden zijn:
De onbedoelden van Cobi van Baars – (Atlas Contact) Luistervan Sacha Bronwasser – (Ambo Anthos) Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen – (Atlas Contact) Gebied 19 van Esther Gerritsen – (De Geus) De onzichtbaren van Frank Nellen – (Hollands Diep) Tosca van Maud Vanhauwaert – (Das Mag)
De Libris Literatuur Prijs werd oorspronkelijk gemodelleerd naar de roemruchte Booker Prize die inmiddels al meer dan veertig jaar wordt toegekend aan een schrijver uit het Britse Gemenebest of de Ierse Republiek. De bekroonde titel wordt gekozen uit een shortlist van zes genomineerde boeken, voorafgegaan door een longlist van achttien titels die het jaar daarvoor verschenen zijn.
Het boek dat door de jury gekozen wordt tot het beste boek van 2023, wordt 13 mei bekendgemaakt. De jury onder leiding van Kim Putters en bestaat uit juryleden Dalilla Hermans, Lisa Kuitert, Joep van Ruiten en Vamba Sherif.
Op 21 februari, de dag waarop Herman de Coninck 80 jaar zou zijn geworden, werden de zes genomineerde bundels voor de Herman de Coninckprijs 2024 bekend gemaakt, waaronder een debuutbundel.
Robin Block – Handleiding voor Ontheemden(Atlas Contact)
Micha Hamel – Is daar iemand (Pluim)
Erwin Hurenkamp – Nu we er toch zijn (Querido)
Ruth Lasters – Tijgerbrood(Van Oorschot)
Jens Meijen – Sunset industries (De Bezige Bij)
Dewi de Nijs Bik – Indolente (debuutbundel / De Arbeiderspers)
De laureaat van de Herman de Coninckprijs 2024 wordt op 21 maart 2024, op Wereld Poeziedag bekendgemaakt.
Het prijzengeld van de Herman de Coninckprijs voor Poëzie bedraagt € 7.500. De prijs wordt mogelijk gemaakt door Literatuur Vlaanderen en Boeken & Letteren van Stad Antwerpen
Op 25 januari werd bekend dat schrijver en vertaler Paul Beers is overleden, hij werd achtentachtig jaar. Beers vertaalde meer dan veertig literaire werken, zowel uit het Duits als het Frans, waaronder Jean-Paul Sartre, Marguerite Yourcenar, Marian Pankowski en Thomas, Golo en Erika Mann. Ook vertaalde hij literatuur voor de Volkskrant en Vrij Nederlanden was mederedacteur bij de publicatie van het complete werk van Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.
Het was de Duitse literatuur van waaruit hij uiteindelijk het meest vertaalde en hij stond bekend als oeuvre-vertaler van Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz en Robert Menasse. Drie auteurs die hem met hun werk overrompelden en waar hij zich als literair vertaler voor hun hele oeuvre mee verbond. Hij noemde ze ‘mijn grote drie’.
Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen en filosofie werd zijn literaire vertalersloopbaan in 1964 aangewakkerd door de vertaling vanMythe van Sisyphus van Camus door C.N. Lijsen. Hij vond deze vertaling ‘volkomen ongrijpbaar’ en na een vergelijking met de Franse tekst, bleek deze wel degelijk ondermaats te zijn. Hij schreef er een uitgebreid en kritisch stuk over dat werd gepubliceerd in literair tijdschrift Podium. In 1965 ontdekte hij het werk van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. Gombrowitcz’ stijl, ‘zijn luciditeit en moed tot waarheid’ had hem zo gegrepen dat hij vanaf dat moment kost wat kost zijn vertaler wilde worden. Beers was de Poolse taal niet machtig, daarom zocht hij de schrijver op en kreeg toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen.Elk jaar, van 1967 tot 1972 verscheen er een Gombrowicz-vertaling. In 1967 bezocht hij Gombrowicz in Vence, Zuid-Frankrijk voor een interview voor Vrij Nederland. Dit interview bood hij in 2016 – nadat bij uitgeverij IJzer een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen was in herziene vertaling door hem zelf – integraal aan.
In zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen bij uitgeverij Koppernik,schreef hij dat in 1983 de redactie van literair tijdschrift De Revisor hem vroeg drie teksten van haar te vertalen. ‘Deze drie zo verschillende teksten spraken me dermate aan dat ik volledig voor deze schrijfster gewonnen werd. Hier was elke zin raak, gedragen door grote zeggingskracht met een heel eigen toon.’ Waarna hij zich grondig in haar werk verdiepte.
In 1995 kreeg hij toevallig Selige Zeiten van Robert Menasse in handen, en ook hier overrompelde het werk hem zodanig dat hij dit wilde vertalen. Vanaf die tijd vertaalde hij ook van Menasse al zijn werk.
Beers zette zich ook in voor de positie van de literair vertaler. Zo hechtte hij grote waarde aan de naamsvermelding van vertalers. Het was hem een doorn in het oog dat op paginagrote advertenties in de opinieweekbladen de naam van de vertaler niet werd vermeld. Om uitgevers de waarde van de vertaler te doen inzien was zijn devies: ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’
In een gesprek met Huub Beurskens ter gelegenheid van zijn bekroning met de Letterenfonds Vertaalprijs in 2014, zei hij: ‘Terugkijkend heb ik geweldig geluk gehad dat ik het oeuvre van “mijn” grote drie heb kunnen vertalen.’
Foto: rechtenvrij via uitgeverij Koppernik verkregen.
Met een beurs van het Letterenfonds werkte Julien Ignacio aan een sci fi-roman, toen zich ineens een heel ander boek aandiende. Een boek dat werd aangezwengeld door woede, maar met empathie werd geschreven.
Julien Ignacio (1969) studeerde Literatuurwetenschappen. Hij publiceerde theaterteksten – waaronder Hotel Atlantis, waarvoor hij in 2008 de El Hizjra Literatuurprijs ontving – en was redacteur van literair tijdschrift Tirade. Zijn romandebuut Kus (2018) werd genomineerd voor De Bronzen Uil, en samen met Raoul de Jong en Michiel van Kempen maakte hij de bloemlezing Caraïbische literatuur, Dat wij samen zongen (2022).
Vorig jaar verscheen zijn roman in zes verhalen, Goudjakhals bij Van Oorschot. Een indrukwekkende en persoonlijke roman waaruit vele stemmen klinken, alsof je – zoals de schrijver zelf zegt – aan de knop van een radio draait en steeds weer een andere stem, een ander geluid te horen krijgt. Voor dit interview spraken we elkaar in de tweede week van december in Grand Café 1e klas, Amsterdam Centraal.
Met bewondering voor de verschillende stijlvormen waarin de migrantenverhalen in Goudjakhals verteld worden – de ongedocumenteerde migrant; de vluchteling in asielhechtenis; de zwarte jonge vrouw uit de zeventiende eeuw; de dissocierende migrant; een brief aan Gerard Reve; de grootmoeder op Aruba – komen tijdens het lezen de woorden ontheemding en ontmenselijking naar boven. ‘Het heeft heel erg met identiteit te maken’, zegt Ignacio. ‘Als vluchteling je identiteit is, kan het gevoel ontstaan dat je een onmenselijk bestaan leidt.’
Is dat wat je wilde laten zien, het onmenselijke bestaan?
‘Ik wilde juist hun persoonlijke, menselijke kant laten zien. In het verhaal ‘Radio Gaga’, bij Ma Mercedes die een rumshop runt, wilde ik laten zien dat zij, ondanks dat haar leven in dienst staat van anderen en ondanks haar oudere leeftijd, ook een vrije en sensuele kant heeft.’
Aan het werk van de Portugese kunstenares Paula Rego ontleende Ignacio het beeld dat hij van Ma Mercedes beschrijft bij het graf van haar man. Zich onbespied wanend zit ze wijdbeens op een klapstoeltje, schort haar rok op en laat de passaatwind de rimpels op haar dijen strelen. Wie de schilderijen van Rego kent, ziet het beeld voor zich.
Het verhaal over Ma Mercedes is het meest autobiografische. Maar ook ‘Nader tot jou’, de brief aan Reve is een sterk autobiografisch document.
‘Ma Mercedes gaat over mijn oma. Een aantal jaren terug heb ik een half jaar bij haar op Aruba gewoond. Ik wilde haar beter leren kennen. Mijn vader is als oudste van zestien kinderen naar Nederland gekomen met een studiebeurs van de Arubaanse regering. Hij ontmoette hier mijn moeder en is gebleven. Zijn moeder heeft hem eigenlijk nooit vergeven dat hij 7000 km verderop een gezin stichtte. Dat is mijn persoonlijke familieverhaal, dat zit er ook wel in. Ik weet dat mijn vader, elke keer als hij met zijn moeder belde, voelde dat zij hem daarom veroordeelde. Ze vroeg altijd: “Wanneer kom je terug?”’
Bij de publicatie van Goudjakhals liet Ignacio in een bericht op Facebook weten dat hij drie jaar aan het boek had gewerkt. Dat hij eerst aan een ander boek werkte. Toen kwam de dood van de Afro-Amerikaanse George Floyd in Minneapolis, omgekomen door politiegeweld, in het nieuws. Alsof er een nieuw bewustzijn ontstond, over zijn eigen achtergrond, het slavernijverleden. ‘Ik had een plan voor een sci fi- ingediend bij het Letterenfonds en dat was goedgekeurd. Daar was ik mee aan het schrijven toen Floyd werd vermoord. Toen kwam er voor mij opeens een heleboel bij elkaar.’
Juist toen was hij ook Nader tot U van Reve aan het herlezen. De uitspraak van Reve dat zwarten ‘erfelijk minder begaafd’ zijn dan blanken, schoot hem opeens in het verkeerde keelgat. ‘Wat er met Floyd gebeurde raakte mij zo diep, dat wat ik in die brief aan Reve schreef, (waarin het briefschrijvende personage zich met glasscherven verwondt), ook echt gebeurd is.’ Hij benadrukt dat veel van wat Reve geschreven heeft, ironisch bedoeld is, dat hij als een soort ‘relnicht’ kon losgaan. ‘Daar kon ik me altijd wel wat bij voorstellen, maar op dat moment dacht ik: “Wacht eens even. Dit kan niet.” Ik wilde hem daarop aanspreken, maar hoe. Toen ben ik die brief gaan schrijven waarin ik mijn woede een plek heb gegeven.’
Als docent Nederlands als Tweede Taal werkt Ignacio bijna twintig jaar met expats, vluchtelingen en ongedocumenteerde mensen. Dat begon ooit met een berichtje in de krant dat er in Osdorp vluchtelingen zonder papieren werden opgevangen. Zijn reactie daarop was een grote pan soep te maken en daarmee naar Osdorp te gaan. ‘Het houdt me al langer bezig hoe het is om buiten de marges van deze maatschappij te leven. Dat je niet meer bestaat voor instanties.’
In het openingsverhaal ‘GPS’, zoekt een AI (artificial intelligence) contact met een Iraanse vluchteling op een Grieks eiland. In die vluchteling wordt al gauw de Koerdische schrijver Behrouz Boochani herkend. Op een mobieltje schreef hij over de wantoestanden op het eiland Manu, en stuurde dat de wereld in. ‘Nog voor zijn boek (Alleen de bergen zijn mijn vrienden Iv/dG) verscheen, volgde ik hem op social media waar hij berichten plaatste over zijn verblijf op het eiland.’ Zijn verhaal inspireerde om een satelliet-AI als personage te gebruiken. Een stuk techniek met menselijke trekken. Het oordeelt over wat het ziet, zoals de aangespoelde peuter in korte blauwe broek en rood truitje, op een strand in Europa. Ook dit beeld zal de lezer herkennen. De satelliet kan dit beeld niet verwerken, zijn binaire codering raakte erdoor ontregeld.
Het zijn indringende verhalen, soms is het hartverscheurend te lezen wat deze personages, ontleend aan de werkelijkheid, meemaken. Hoe was dit voor jou tijdens het schrijven?
‘Als ik schrijf neem ik afstand, het is belangrijk om mijn emoties er niet in te leggen. Ik ga graag naar de Meesterpianistenserie in het Concertgebouw. Er zijn pianisten die bij vervoerende stukken hun emoties laten zien door wild achter hun instrument te bewegen. Ik houd van pianisten zoals Krystian Zimerman die uiterlijk rustig blijven, maar de emoties in hun spel stoppen. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat deze mensen meemaken. Ik heb daar wel last van, maar niet als ik schrijf.’
Je oordeelt niet in je verhalen, niet over Reve, niet over de bewakers op het asieleiland die een vluchteling onbarmhartig straffen.
‘Ik vind niet dat Gerard Reve om zijn teksten afgebrand zou moeten worden. Of dat de bewakers in dat kamp als klootzakken moeten worden neergezet. Ieder heeft zijn rol.’
In een van de verhalen gijzelt een Palestijnse taxichauffeur een telg uit een machtige politieke familie. Hij vergrendelt de portieren, rijdt met hem rond en vertelt over de situatie van de Palestijnen. Het gaat hem om een handtekening waarmee zijn jongere broer in Nederland zou kunnen studeren. ‘Die taxichauffeur staat met zijn rug tegen de muur. Dat maakt deze man gevaarlijk, maar hij is ook heel liefdevol, hij doet het voor een ander. Dat vond ik wel belangrijk om te laten zien, dat gelaagde karakter.’
Je beoefent verschillende stijlvormen, je hebt er ook een podcast in verwerkt. Waar kwam dat idee vandaan?
‘Een paar jaar geleden reed ik met vrienden naar Frankrijk waar zij een B&B hebben. De reis duurde zeven uur en al die tijd luisterden we naar de podcast, ‘S-town’, zes afleveringen lang hebben we doodstil naar die podcast geluisterd. Ongelofelijk goed verteld, echt een literaire podcast, en ik dacht, dit ga ik doen. Een verhaal in podcastvorm.’
Het verhaal ‘Het silvere koord’ speelt in de zeventiende eeuw en gaat over een jonge, zwarte prostituee, Zwarte Sjaan. Een geweldig mooi karakter, kind van een Hollandse kapitein en een tot slaafgemaakte vrouw. Wanneer Peter de Grote Amsterdam bezoekt, worden er ter vertier twee mensen uit de rosse buurt verhangen. Zwarte Sjaan is een van hen. Vanaf het moment dat ze aan de galg op het galgenveld aan de overkant van het IJ hangt, vertelt ze over haar leven, in plat Amsterdams.
Heeft Zwarte Sjaan echt bestaan?
‘Ha,ha’, lacht Ignacio, ‘Dat is helemaal mijn meissie. Dat Peter de Grote in die tijd in Amsterdam was en dat van die galgenvelden klopt allemaal, maar het verhaal van deze zwarte vrouw in Amsterdam heb ik verzonnen. Met de geschiedenis van Zwarte Sjaan wilde ik laten zien dat Amsterdam altijd al een migrantenstad was. De stad is groot geworden door migranten, ook uit Europa. Ik was me er wel van bewust, dat als ik het in plat Amsterdams schrijf, er het risico bestond dat het moeilijker te lezen zou zijn. Maar dat durfde ik wel aan. En als ik ergens humor in heb gestopt is het wel in dit verhaal.’
Hoe kwam je bij het beeld van de goudjakhals?
‘Goudjakhals is de geuzennaam voor migranten die niet meer kunnen leven op de plek waar ze vandaan komen. Op internet kwam ik een bericht tegen dat goudjakhalzen verdreven van hun leefgebied, op zoek zijn gegaan naar nieuw leefgebied. Daardoor komen ze nu ook in Nederland voor. Net zoals de mens op zoek gaat naar een plek waar hij kan leven. Dat beeld van die goudjakhals was belangrijk om te gebruiken.’
Dit boek ontstond door de moord op George Floyd. Waarom is hij niet in het boek terechtgekomen?
‘Als het erin was gekomen, dan misschien in die brief aan Reve. Maar ik vond het op dat moment zoiets groots, dat paste niet in dit boek. Misschien dat het ooit nog eens in een ander boek zou kunnen. Het was toch Reve die zei: “De realiteit is geen excuus?” En daar ben ik het mee eens.’
Met het laatste verhaal, over Ma Mercedes, een prachtige vrouw die bewondering oproept, kantelt er iets waardoor het hele boek iets caleidoscopisch krijgt. Alsof we alle hoeken van het migrantenleven hebben gezien. Opvallend is dat ze altijd een klein transistorradiootje bij zich heeft, haar lijntje met de wereld.
‘Ja, dat is mooi. Dat je door aan de knop van een radio te draaien steeds weer een andere stem hoort, dat beeld had ik wel bij het schrijven. Dit boek is woord voor woord, verhaal voor verhaal ontstaan. De volgorde van de verhalen kwam pas later, we hebben er veel mee geschoven. Mijn redacteur, Menno Hartman, geeft les aan studenten Nederlands aan de UVA, onderdeel redactie. Hij heeft ze erbij betrokken door dit boek als een soort casus te gebruiken. Twintig studenten hebben tips gegeven voor de volgorde van de verhalen, uiteindelijk is het dit geworden.’
Wat heeft dit boek je gebracht?
‘Ik ben politiek bewuster geworden dan ik al was voor ik aan dit boek begon. Deze tijd vraagt om politiek bewustzijn.’
Foto: Hanh Nguyen
Goudjakhals, Songs of freedom / Julien Ignacio / 288 blz. / Van Oorschot
Uit honderdnegentig ingezonden bundels haalden zes bundels de shortlist voor de tweejaarlijkse Ida Gerhardt Poëzie Prijs 2024. Het is de dertiende keer dat de Ida Gerhardt Poëzie Prijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel verschenen in de afgelopen twee jaar zal worden uitgereikt. De genomineerden zijn:
Laura Broekhuysen – Wij capabelen (Querido)
Piet Gerbrandy – Niets dan dit. Een lijflied voor de ziel (Atlas Contact)
Jacob Groot – Lichttabletten. Een kuur (De Harmonie)
Frank Keizer – De introductie van het plot (Pluim)
Mustafa Stitou – Waar is het lam? (De Bezige Bij)
Marwin Vos – wilde dood (het Balanseer)
De jury bestaat uit de dichters Sasja Janssen en Tsead Bruinja.
Op 14 februari wordt de winnende bundel bekend gemaakt. Aan de prijs is een bedrag van € 1.000 verbonden en een bronzen beeltenis van Ida Gerhardt, gemaakt door Herma Schellingerhoudt. Zaterdag 9 maart vindt de prijsuitreiking plaats in de Librijezaal van het Broederenklooster in Zutphen.
Dichteres Ida Gerhardt (1905-1997) woonde van 1967 tot 1997 in Eefde en Warnsveld. In 1998 is haar literaire nalatenschap overgedragen aan het Stadsarchief van Zutphen. Ter gelegenheid daarvan heeft de gemeenteraad van Zutphen besloten tot het instellen van een tweejaarlijkse poëzieprijs, vernoemd naar de dichteres.
Vorige prijswinnaars waren onder meer: Kees ’t Hart (2000), Astrid Lampe (2006), Alfred Schaffer (2010), Pieter Boskma (2014), Menno Wigman (2018, postuum) en Anne Vegter (2022).
De organisatie van de Ida Gerhardt Poëzieprijs is in handen van de stichting Zutphen Literair.
Marjet Maks, schrijfster en recensent bij Literair Nederland en Jong Literair Nederland, vertrok in 2000 met haar partner vanuit Nederland naar Andalusië. Eerst gingen ze er met vakantie, werden verliefd op een oud dorpshuis met tuin, waarna de keuze snel was gemaakt. Ze gingen wonen in een authentiek bergdorp in de Sierra Nevada en begonnen er een bed & breakfast. Daarmee liet Marjet haar Utrechtse Tuinatelier achter zich en begon ze met een nieuwe creatieve uitdaging: koken en de aanleg van een mediterrane tuin. Tekenen en schilderen waren al geliefde bezigheden en in Andalusië kwam er tijd voor schrijven bij. Haar laatste boek, Kimonomeisje, gaat over de schilder George Hendrik Breitner en zijn muze, Geesje Kwak, het model op de schilderijen ‘Vrouw in kimono’.
We spreken elkaar via een videoverbinding, want voorlopig is Marjet niet in Nederland. Bij haar is het zonnig, droog en warm. ‘We hadden een zomerse kerst, zoals steeds vaker,’ vertelt ze. ‘We wonen hier nu drieëntwintig jaar, hebben nooit spijt gehad. Het dorp hebben we behoorlijk zien veranderen, van authentiek ruraal Spanje met oude mannetjes en hun ezels met traditionele landbouwmethodes naar Europees hedendaags en modern leven. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger en warmer, dat is wel zorgelijk, maar het is interessant om die verandering van oude naar nieuwe tijd mee te maken. Ik heb er columns over geschreven voor het tijdschrift Vruchtbare Aarde, die zijn gebundeld in twee boekjes. Het dorp raakt ontvolkt, de herder met zijn schaapskudde is verdwenen. Er wonen steeds minder mensen, de jongeren trekken weg want er is hier onvoldoende werk. De bar is dicht en de winkel is nu in het nieuwe jaar ook gesloten. Sinds de pandemie staat onze bed & breakfast op een laag pitje, en dat vinden we wel even rustig na twintig jaar veel gasten over de vloer gehad te hebben.’
Marjet en haar man zijn beiden creatief, daarnaast vragen huis en tuin en hun drie honden ook aandacht. Marjet is actief met schrijven en mixed media – ze maakt collages en kunstzinnige boekjes met zelf bedrukt textiel en papier die ze verfraait met een vorm van vrij borduren.
Je schrijft behalve blogs en korte verhalen vooral historische romans. Wat trekt je daarin aan?
‘Dat is gekomen door mijn eerste boek De zucht van de Moor, een verhaal met een stuk Spaanse geschiedenis dat zich onder andere hier in deze vallei afspeelt. Bij uitgeverij Historische Verhalen verschenen ook drie korte verhalen van mij, ik vind de kapstok van historische feiten ingevuld met fictie leuk en leerzaam.
Maar mijn liefde voor de historische roman is vooral voortgekomen uit de familiegeschiedenis van mijn voorouders van vaders zijde. In 2014 publiceerde ik Voor onze tijd,kroniek van een Amsterdamse familie. De naam Maks stamt af van een Hollandgänger uit Duitsland die in 1740 in Amsterdam neerstreek als bakker. Zijn zoon werd tapper. Dat kwam vaker voor, bakkers en tappers gebruikten hetzelfde graan voor hun producten, brood en bier. Vervolgens heb ik me verdiept in alle beroepen die voorkwamen in mijn familie, naast bakker, tapper/kroegbaas, ook aannemers en tabakshandelaren. Die beroepen beschreef ik tegen de achtergrond van de geschiedenis van Amsterdam. Machtig interessant. Ik ben er zo’n vijf jaar mee bezig geweest. Mijn overgrootvader was aannemer en heeft onder andere de fundamenten van het Rijksmuseum gebouwd. Dat en de anekdotes die in de familie rond gingen werden de aanleiding voor het verhaal. Het speelt van 1780 tot 1926. De historische achtergrond berust zoveel mogelijk op feiten, maar hoe mijn voor- en grootouders met elkaar leefden en wat ze zeiden vulde ik zelf in. De genealogische en andere research ging vooral via internet. Hoe men bijvoorbeeld omging met cholera, dat is er allemaal te vinden. De verhalen hebben zeker een waarheidsgehalte, ik noem het ingekleurde non-fictie.’
Lees je wel fictie?
‘Zeker, vooral Nederlandse en Engelstalige literatuur, onder meer wat ik voor Literair Nederland lees, inclusief de kinderboeken, om te recenseren. Het is boeiend om zoveel verschillende boeken te lezen, die ik zelf in eerste instantie niet zou kiezen, maar ik heb zo al heel wat juweeltjes mogen leren kennen. Het leuke van recenseren is dat je intensiever leest, je moet woorden geven aan je kritiek. Mild of ferm, het moet onderbouwd zijn. Ik vind het ook belangrijk om auteurs die soms jaren over een boek hebben gedaan, te erkennen, te laten weten dat ze iets hebben losgemaakt. Vroeger stuurde ik schrijvers wel eens een persoonlijk bericht via de uitgever, nu doe ik dat met recenseren.’
Hoe kwam je aan het plan voor Kimonomeisje?
‘Ik kwam op het idee door het boek Schilderslief van Simone van der Vlugt, dat gaat over Geertje Dircx, een geliefde van Rembrandt. Ik vond het een goed idee om de mensen rond een historische figuur uit te lichten en een stem te geven. Bij mij kwam meteen de Amsterdamse kunstschilder Breitner op, ook omdat er een relatie lag met de kunstschilder Kees Maks, een neef van mijn grootvader. Maks was een leerling van Breitner en is ook aardig bekend, er hangt een groot doek van hem in de Stopera en in diverse musea in Nederland, zoals Singer in Laren. De twintig jaar jongere Maks kwam Breitner op straat tegen in Amsterdam. Ze maakten een praatje en Maks wist Breitner over te halen hem les te geven. Daar eindigt Kimonomeisje mee. De vader van Kees Maks was ook aannemer en bouwde in 1902 een atelier op het Prinseneiland voor zijn zoon en Breitner. Het is in Nederland het eerste kunstenaarsatelier dat speciaal voor kunstenaars gebouwd is. Maar het boek gaat primair over Breitner en Geesje Kwak.’
Kimonomeisje is een lief, aardig boek, prettig om te lezen. Eerder gaf je aan dat je vond dat er te weinig conflict in zat. Was je achteraf niet zo tevreden?
‘Jawel, toch wel. Ik heb het ook bewust zo gedaan omdat ik de feiten die over Breitner bekend zijn zoveel mogelijk wilde gebruiken. Over Geesje was nauwelijks wat bekend, behalve dat ze een naaister of hoedenmaakster was en dat ze naar Zuid-Afrika emigreerde waar ze vrij snel op haar tweeëntwintigste stierf. Dat ze bleef doorleven in kimono op die schilderijen vond ik een mooi gegeven. Verder zal er niet zoveel gebeurd zijn. Ik dacht, ik kan ze wel samen in bed laten belanden, maar dat vond ik banaal. En het is waarschijnlijk nooit gebeurd, het blijkt nergens uit. Dus ik heb er een vader-dochter idee van gemaakt, een thema dat veel terugkomt in mijn verhalen. Geesje groeide doordat ze keek naar zijn schilderijen en luisterde naar wat hij zei; hij raakte dankzij haar uit een depressie nadat hij hersteld was van een oogziekte. Zij was gewoon zijn muze, tussen 1893 en 1896. Breitner stierf in 1923. In de hoop op wat extra aandacht voor zijn honderdste sterfjaar schreef ik Kimonomeisje dat bij uitgeverij Ellessy verscheen.’
Ellessy heeft ook Marjets Riviermist uitgegeven dat ook als e-book en luisterboek is verschenen. Haar eerder verschenen boeken gaf Marjet in eigen beheer uit, zoals Naar het land van het lopend licht, een uit vijf delen bestaande familieroman. ‘Veel werk en geen vetpot. Ik ben er niet goed in om mezelf te verkopen. En ik vind het ook niet zo belangrijk meer. Het schrijven is leuk, het onderzoek is interessant en natuurlijk is het een mooie erkenning als je boek gelezen wordt.’ Literaire uitgevers wezen haar boeken af. Marjet noemt zichzelf een ‘semi-literaire schrijver’, toegankelijk voor een breed publiek. ‘Ik wil goede, prettig leesbare en originele romans schrijven en dankzij Ellessy kunnen we nu een paar keer per jaar uit eten,’ lacht Marjet.
Riviermist heeft een aparte insteek, het is losjes gebaseerd op Wagners opera Der Ring der Nibelungen. Hoe zit dat?
‘Twee vrienden, die je kunt zien als Wodan en Alberich, vinden een juwelenkistje, dat staat voor het Rijngoud. Ook andere personages uit de Ring staan voor personages uit Riviermist. Na allerlei verwikkelingen wordt “Siegfried” opgevoed door “Brünnhilde”. In mijn verhaal is Siegfried Zyss, een kind van een broer en zus, hij heeft een bochel en is een beetje simpel maar heel muzikaal. Hij speelt accordeon in Amsterdam en is uiteindelijk een goed mens, ondanks dat hij uit het kwaad is voortgekomen. Mijn grootmoeder was operazangeres, zij zong voor haar huwelijk in 1910 de rol van Brünnhilde in de Ring. Met mijn neefjes en nichtjes speelden we met haar toneelkostuums, zoals de maliënkolder van Brünnhilde. Het verhaal intrigeerde me als kind al. Ik heb eerst de hele Ring geanalyseerd en de plotlijn vertaald naar het heden. Het speelt deels ook tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste personages heb ik eruit gepikt en hun psychologie en achtergronden uitgewerkt naar hedendaagse problematiek. Het is pure fictie en een beetje bizar, want enigszins ongeloofwaardig. Maar in literatuur kan dat. Als je Der Ring der Nibelungen kent, kun je dat verhaal wel in mijn boek terugzien.’
Waar ben je nu mee bezig?
‘Ik schrijf niet zoveel nieuws meer. Er liggen nog een paar onaffe manuscripten, ik kan nog wel even voort. De eerste versie schrijf ik met de hand, heb wel dertig kladblokken vol. Daarna typ ik het verhaal uit en dan ga ik herschrijven. Dat vind ik het leukste, de tekst steeds beter maken. Ik probeer wel ieder jaar iets te publiceren, maar het is geen must meer.’
Momenteel is Marjet vooral bezig met papier en stof bedrukken, borduren, schilderen, collages maken. Op haar website staat: ‘”Met een drukpers print ik met reliëfcollages structuren, met oud roest maak ik gekke vlekken in stof, ik borduur met wilde steken en creëer pagina’s die ik samenbind in een boekje, al dan niet met teksten van mezelf of anderen.” Het is allemaal geëxperimenteer, toch wil ik wel wat laten zien.’
Op de achtergrond blaft een hond, in beeld komt een kwispelende staart. Alsof hij weet dat we aan het einde van het interview zijn. ‘Dit is Vidal,’ zegt Marjet. ‘Zijn zus heet Lucia, Leven en Licht. Hun vader en moeder waren zwervers die we jaren geleden opnamen, twee fantastische honden, die per ongeluk een nestje kregen. De moeder heet Felisa, wat geluk betekent. Het is tijd om uitgelaten te worden, maar ze kunnen best nog even wachten.’
Kimonomeisje en Riviermist verschenen bij Uitgeverij Ellessy