• Dit drieluik

    Het begon met het ogenschijnlijk onschuldige brievenboek 3lingnieuws. Waarin Felix Oestreicher, soms Gerda Oestreicher-Laqueur, familie en vrienden per brief op de hoogte houden van de ontwikkeling van hun drie dochtertjes, waarvan de jongste een tweeling. De brieven doen verslag van een gelukkig gezinsleven waar hier en daar de oorlogsdreiging doorheen sijpelt. Brieven waaruit een grote opmerkzaamheid en liefde spreekt die, met het oog op het verloop van hun geschiedenis, me ten diepste raken.

    Op 1 februari 1938 schrijft Gerda een brief over een dag met de meisjes. Hoe ze voor het slapengaan hun lievelingsliedjes zingt. Dat Beate voortdurend roept, ‘En nu voor mij’. Dat Maria stilletjes luisterend op haar duim zuigt. Hoe, als ze bij haar komt, Maria met beide handjes over haar arm wrijft. ‘Als dit misschien wel mijn beste tijd is, dan mag ik die nooit vergeten.’ (Nooit vergeten)
    Als op  27 april 1938 blijkt dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, een verzoek voor een inreisvisum naar Engeland is afgewezen, vlucht het gezin vanuit Karlsbad, Tsjechië halsoverkop naar Nederland.

    Dit is het verhaal van een Joodse familie, vader, moeder, drie dochtertjes, de oudste 3, de tweeling 1 jaar. De komende vijf jaar verblijven ze op verschillende adressen in Nederland. Tot ze op 1 november 1943 worden opgepakt. Een van de tweelingmeisjes wordt met difterie naar De Joodse Invalide gebracht. Van daaruit naar een onderduikadres in Gorssel. De rest van het gezin, plus een grootmoeder, komen via Westerbork in Bergen-Belsen terecht. Grootmoeder overlijdt in het kamp, Gerda en Felix overlijden kort na de bevrijding aan vlektyfus in Tröbitz. Maria (9 jr.) en Beate (10 jr.) blijven alleen achter tot het Rode kruis hen naar Nederland vervoert, waar ze met hun zusje Helly worden herenigd. 

    Naderhand, is het tweede deel. Gedichten van Felix Oestreicher die hij in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz schreef. In een van zijn laatste gedichten, april 1945, net bevrijd, schrijft hij, ‘Heel langzaam sluipen we weg, / heel langzaam, vredesvreugde komt / niet in ons op. Te lang zijn we / geknecht en in de strijd vertrapt,’. En deze (stille) woorden: ‘Maar zien we een bekend gezicht, / dan glimlacht onze stille groet: / je leeft nog! Dat is mooi, heel mooi.’ Het ontbreken van zwartgalligheid, de vergevingsgezindheid van deze woorden, het breekt me op.

    Dan de finesse. In 1993  gaan de drie zussen op zoek naar het graf van hun ouders in Tröbitz. Helly, die van haar zussen hun verhaal over de oorlog wilde horen, heeft hun gesprekken tijdens hun reis opgenomen met een cassetterecorder. Gesprekken over hoe het was. Hoe een kind (dat moet je je steeds voorhouden, dat het kinderen waren) zich het kampleven, de dood van de ouders herinnert, de honger. Hoe ze twee weken lang in overvolle treinwagons door verwoest landschap reden, toen nog met hun ouders. Een dialoog uit De Wittenbergtape:

    Maria: ‘Ik heb van die Duitsers nog een kopje soep met worst gekregen.’

    Beate: ‘O ja?’

    Maria: ‘Ik mocht van mammie niet nog een keer langs die trein om wat te halen.’

    Helly: ‘Had je dat wel gewild?’

    Maria: ‘Ja, natuurlijk. Ik wilde worst. En ik was ook stomverbaasd dat hij mij dat gaf. Een Duitser die je wat geeft?’

    Beate: ‘Ja.’

    Maria: ‘Hij had een verband om zijn kop.’

    Helly: ‘En jij liep daar gewoon met je handen op je rug langs?’

    Maria: ‘Nee, want ik bedelde. Niet met mijn handen op mijn rug, natuurlijk niet. Bedelen. Ik wist niet dat het Duitse soldaten
    waren.’

    Helly: ‘Je wist niet dat het Duitse soldaten waren?’

    Beate: ‘Je zag hen als gewonden, verder niet.’

    Maria: ‘Ja, nee. Eerst wist ik het natuurlijk niet. Ik ga toch niet bij Duitse soldaten bedelen? Dat doe je natuurlijk niet.’

    Dat schokt me. Die wijsheid waar ik onbezonnenheid verwacht. Dat ik vergeet dat het nog kinderen waren. Nee, het is dat ze zelf vergeten zijn dat ze nog kind waren.

    Hoe aangrijpend deze reis achtenveertig jaar na de bevrijding is, blijkt uit de emoties die soms opspelen. Als ze de boerderij in Tröbitz  terugvinden. ‘Bij het hek van de boerderij krijgen Maria en Beate schreeuwende ruzie. Ik heb hen nog nooit zo tegen elkaar tekeer zien gaan. Het gaat nota bene over het huisnummer van de boerderij.’, schrijft Helly.

    Martien Frijns vertelt in een nawoord hoe de doden uit de overvolle wagons werden gegooid, in de spoorbermen achterbleven. Hoe de trein na een reis van twee weken, het passeren van verschillende steden Tröbitz bereikte, ‘waar in de weilanden de paardenbloemen volop bloeiden.’

    Lijken in spoorbermen, die bloeiende paardebloemen, het contrast. Het ongewone dat zich niet met het gewone verenigen laat. Moet daar niet iets van geleerd worden. Dat wat gewoon lijkt, niet altijd gewoon is? De gedoseerdheid waarmee deze familiegeschiedenis wordt opgediend bracht me nog nooit zo dicht bij de onnoembare gevolgen van genocide. Dat ik een korte column wilde schrijven, dat me dat niet gelukt is. Lees dit drieluik.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

     

  • Paul Demets wint De Grote Poëzieprijs 2025

    Paul Demets (1966) heeft met zijn bundel De schaamsoort De Grote Poëzieprijs 2025 gewonnen, een van de belangrijkste poëzieprijzen van het Nederlandse taalgebied. Tevens was er een publieksprijs, die ging naar Anne Provoost voor haar bundel Decem.
    Sinds 2002 is Demets actief als klimaatdichter en tussen 2016 en eind 2019 was hij plattelandsdichter van de provincie Oost-Vlaanderen. Met poëzie, performance en film zoekt hij naar manieren om de lezer en de kijker te raken. Eerder ontving hij al de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Oost-Vlaanderen, de Herman de Coninckprijs, de Jan Campertprijs en de Paul Snoekprijs.

    Uit het jury rapport: 
    ‘De bundel treft de kwetsbaarheid van het mens-zijn in relatie tot de natuur, tot de dieren. Het bijzonder poëtische natuurgevoel van de overleden dichter Guido Gezelle wordt in De schaamsoort herontdekt. Je zou kunnen stellen dat we als het ware een aangename (dichterlijke) besmetting ondergaan. Dit zorgt voor indringende en relationele poëzie, en reikt zo een nieuw en door de talrijke filosofische en kunstzinnige verwijzingen – die als een vacht eromheen fungeren – doordacht ‘referentiekader’ aan. Vandaaruit worden eigentijdse problemen over gender, corona, migratie of ecologie letterlijk en figuurlijk vanuit ‘vogelperspectief’ bekeken. Op subtiele wijze schroomt de dichter evenmin lokale problemen als kindermisbruik in de Belgische kerk of de zaak Sanda Dia aan te kaarten.’

    De jury bestond uit Barbara Fraipont, Michael Tedja en Elfie Tromp.

    De winnaar van de publieksprijs werd gekozen door een panel van luisteraars van het radioprogramma Opium, en bestond uit Ronny Lommen, Gerard Saurwalt en Michelle Eleveld.

    De publieksjury over Decem:
    ‘De poëzie van Provoost is meer dan een vorm; het is een essentiële noodzaak om de gelaagdheid van de thematiek en de fragmentarische aard daarvan te vatten binnen een kader dat recht doet aan de intensiteit en bewogenheid van het overweldigende – iets waarvan de jury aanvankelijk dacht dat het zich helemaal niet in een kader liet vangen. Zo is er veel wat poëtisch gemaakt kan worden, maar bij Decem voelt het alsof het poëtisch moet zijn.’


    Aan deze jaarlijkse poëzieprijs is een geldbedrag van € 20.000 verbonden. De Grote Poëzieprijs is sinds 2019 de opvolger van de VSB Poëzieprijs die van 1994 tot 2018 werd uitgereikt.

    Eerdere winnaars waren o.a. Peter Verhelst (2024), Marwin Vos (2023), Roelof ten Napel (2022), Liesbeth Lagemaat (2021), Vrouwkje Tuinman (2020) en Radna Fabias (2019), Joost Baars (2018), Hannah van Binsbergen (2017), Ilja Leonard Pfeijffer (2016), Ester Naomi Perquin (2013), Mustafa Stitou (2004), Esther Jansma (1999), Rutger Kopland (1998) en Gerrit Kouwenaar (1997).

     

     

    Foto: Amanda Harput

  • Dat het steeds meer over mezelf zou gaan



    Een gesprek met Obe Alkema naar aanleiding van zijn onlangs verschenen boek
    Bewogen Selfies. Over een verzameling selfies die veel weg hebben van (foto)beelden zoals we de selfie als ‘showing who you are’ kennen, maar dan in tekst. We spreken over een memoir, al kan dat wat pretentieus klinken, en ontbreken de jeugdherinneringen. Waarvan Alkema er volgens eigen zeggen niet veel heeft. Bewogen Selfies vraagt de aandacht en zet alles in beweging. Een reden de schrijver om een interview te vragen.

     

    We spreken af in De Utrechtse Boekenbar aan de Westerkade. Het is een zonnige vrijdagochtend eind februari. Als ik, door treinstoringen te laat, de Boekenbar binnenkom zit  Alkema al rechtsachter aan een tafeltje. Het is er gezellig druk, de zon verlicht de ruimte en door de openstaande deur komen flarden van een gesprek, de roep van een meeuw vanaf de kade naar binnen. We bestellen koffie, en vooruit, nemen er iets lekkers bij.

     

    Schrijver en dichter Obe Alkema (1993) debuteerde in 2018 met de dichtbundel Obelisque, in 2019 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij studeerde Nederlands in Groningen en begon halverwege zijn studie met het schrijven van poëzie. ‘Best laat eigenlijk.’, zegt hij er zelf over. Over zijn schrijven van toen zegt hij nu: ‘Soms, als ik daaraan terugdenk, vraag ik me af wat ik toen aan het doen was. Het lijkt niet op het werk van nu. Er was toen heel weinig ‘ik’, alles bleef op afstand. Ik schreef heel fragmentarisch en nodeloos ingewikkeld.’ Alkema werkte jarenlang bij uitgeverij Ankh Hermes en sinds vorig jaar werkt hij als informatiespecialist bij de gemeente Utrecht.

     

    Bewogen Selfies is een boek dat niet in een hokje te vangen is. Het bestaat uit verschillende tekstdocumenten, scroll sessies, dagboek delen. Ook te lezen als confrontaties van de schrijver met zichzelf. Maar het boeit mateloos, om het anders zijn en de veelheid informatie die het prijsgeeft. Geen eenduidig verhaal, toch is dit het verhaal van een ontdekkingstocht. 


    Hoe is het ontstaan en hoe lang heb je eraan gewerkt? 

    ‘Vooraf wist ik nog niet wat het moest worden. Het is telkens van vorm veranderd. Eerst dacht ik aan een essaybundel. Ik had veel literatuurstudie gedaan, veel gelezen en geschreven over schrijvers, stukken die ik daarvoor wilde gebruiken. Maar die gedachte liet ik steeds meer los. Niet alles waar ik over wilde schrijven, had een verwijzing of een onderbouwing nodig. Ik heb er uiteindelijk  viereneenhalf jaar aan gewerkt. Ik zag toen wel dat dit boek steeds meer over mezelf zou gaan.’


    Met een selfie geef je jezelf bloot aan anderen. In deze memoir worden de selfies steeds gewaagder, intiemer ook als het over je seksleven gaat. Waarom wilde je deze teksten vrijgeven?

    ‘Bij sommige teksten heb ik me wel afgevraagd of het niet te veel was. Dat is ook waarom het boek zolang geduurd heeft, dat het maar niet afkwam. Omdat ik al vroeg wist dat er ook een stuk over mijn seksleven in moest, maar niet wist hoe. Wat hielp is dat literaire tijdschriften me soms om een bijdrage vroegen. In nY verscheen het stuk over mijn seksleven. Die publicaties waren een soort aanloop naar het boek. Wat me ook hielp, was de input van anderen, zoals van de redacties van literaire tijdschriften. Dat had ik nodig om verder te gaan.’


    Alkema voegt zich onder de ‘New Narrative Writers’, een stroming die eind jaren zeventig ontstond en geïnitieerd werd door de Amerikaanse dichters Robert Glück en Bruce Boone. Alkema memoreert aan de kleine hype die tien jaar geleden ontstond rond de debuutroman
    I love Dick van de Amerikaanse schrijfster Chris Kraus die wel met New Narrative geassocieerd wordt. Een feministische Cultklassieker. Vandaaruit las hij zich verder de ‘New Narrative’ stroming in. 

    ‘In 2016 ontmoette ik Robert Glück toen hij naar Amsterdam kwam. We hebben samen opgetreden in Perdu. Zo ontstond er een persoonlijker contact. Glück publiceerde dat jaar ook een essaybundel Communal Nude waarin veel staat over de ‘New Narrative’ groep en andere vertegenwoordigers van deze stroming. Zo opende zich een soort van bibliotheek van schrijvers voor mij.’


    Hoe heb je al die teksten die je in de afgelopen vierenhalf jaar geschreven hebt, de gegevens die je verzameld hebt, een plek gegeven in het boek?

    ‘Het boek is samengesteld uit een derde van het materiaal dat ik had. Heel veel heeft het niet gehaald. De lijst van headlines bijvoorbeeld was eerst geclusterd. In de eindredactie ontstond het idee om van de compositie van het boek ook een bewogen selfie te maken. Door de scroll sessies niet te clusteren maar juist af te wisselen, verdeeld door het boek. Door stukken een andere plaats te geven in het boek kwam ik er ook achter dat er hier en daar nog meer geschaafd en geschrapt kon worden.’


    Wat heb je met de overgebleven tekst gedaan?

    ‘Misschien komt er nog eens een soort B-side van de dingen die het boek niet gehaald hebben. Ik had bijvoorbeeld ook werkplannen voor subsidie aanvragen, residentieplekken erin opgenomen met het oog op de toezeggingen of afwijzingen. Als een soort van context van de ontstaansgeschiedenis van het boek. Die zijn er wel uitgebleven.’


    Je klinkt als een verzamelaar van teksten, verwijzingen en gevonden gegevens, maar ook als een schrijver die zichzelf steeds weer opnieuw onder ogen wil komen. Waar haalde je die scroll gegevens vandaan?

    ‘Die heb ik ooit verzameld toen ik jaren geleden van Facebook afging. Jarenlang heb ik daar op een knop van ‘Bewaren voor later’ gedrukt. Als ik iets tegenkwam wat ik interessant vond, maar niet direct tijd had om te lezen, bewaarde ik het voor later. Maar uiteindelijk doe je daar niks mee. Toch wilde ik die gegevens niet kwijt toen ik met Facebook stopte. Dus heb ik al die linkjes gekopieerd en in excel opgeslagen. Vervolgens heb ik er jaren niks mee gedaan, tot ik op een gegeven moment dacht, hier ga ik toch iets mee doen.’

    ‘Eerst waren het de links, toen dacht ik aan de headlines die aan die linkjes vasthangen. Zo werden ze allemaal geopend en werd het een tijdsbeeld van 2015/’16/’17. Daar zat een vrij sterk beeld van Metoo in bijvoorbeeld. Ik vond het interessant te zien hoe er in zo’n korte tijd, zoveel veranderd is.’

    ‘Daarom vond ik het belangrijk en passend, ook al was het niet dezelfde periode waarin ik aan dit boek werkte, het toch te gebruiken. Als een soort tijdsprong. Net als met mijn oude gedichten, daar kan ik op een gegeven moment ook iets mee.’


    Alles wat je hebt vastgelegd en is opgenomen in dit boek heeft een bepaalde urgentie van ik moet/wil hier iets mee. Hoe werkt die drang om te noteren in het dagelijkse leven?

    ‘Ik ben constant dingen aan het opschrijven, zeker nu ik in de ambtelijke wereld werk. Die ambtelijke terminologie vind ik heerlijk. Die zal ik zeker in een volgende dichtbundel gebruiken. Er is altijd een tweede spoor dat bij mij open staat. Ik sta altijd aan voor woorden, teksten.’ 


    Er is een memoir over de Amerikaanse auteur Kevin Killian, ‘Mijn Kevin, ons Parijs’, in het boek opgenomen. Een zeer persoonlijk document, waaruit grote bewondering voor deze auteur spreekt en gaat over de verwerking van diens dood, waarin Alkema zichzelf ‘een gênante nabestaande.’ noemt.
    ‘Kevin was als New Narrative writer voor mij een soort mentor. We hebben elkaar een paar keer ontmoet’ 


    Er staat een stuk in het boek waarin je schrijft over je opname op een psychiatrische afdeling. In een recensie voor het NRC van de bundel Is daar iemand van Micha Hamel (over zijn opname), liet je al eens terloops weten dat je zelf ook opgenomen bent geweest. Je bent daar vrij open over.

    ‘Vanaf dag één van mijn opname heb ik alles vastgelegd in een dagboek. Wetend dat ik hier iets mee wilde. Ik wilde begrijpen hoe angst werkt, hoe schaamte werkt, dat wilde ik doorgronden. Toch vond ik het spannend dit openbaar te maken.
    Wat ik ook heb opgenomen is een deel van de rapportage over mijn gedrag. Therapeuten moesten alles rapporteren en als patiënt had je het recht die rapportage in te zien. Dat bewerkstelligde wel dat patiënten zich gingen gedragen zoals gewenst was. Daardoor gingen ze zich bij een sessie zelf censureren. Voor mezelf had ik besloten die rapportage pas achteraf te lezen. Want ik heb ook sterk die neiging, uit angst om wat ze over me zouden kunnen zeggen. Ik kreeg het advies om me als een puber te gaan gedragen, onredelijk, als een etterbak. Dus het was echt muurtjes afbreken, sociale barrières overwinnen.’ 


    Zou je kunnen zeggen dat je je angsten en schaamte in de bek gekeken hebt?

    ‘Jazeker. Na de opname die ik beschrijf, is er nog een vervolgtraject geweest van acht maanden. Elke woensdag de hele dag therapie en dan de andere dagen om te oefenen, het zelf te proberen. Het gaat nu goed, angst en schaamte zijn flink afgenomen. Soms denk ik, ben ik dat? Natuurlijk zijn er mindere dagen, zoals iedereen die wel heeft.’


    Heb je veel gelezen in die periode?

    ‘Tijdens de opname vond ik het fijn om me terug te trekken om te lezen. Ik ontdekte veel vrouwen die over gekte hebben geschreven. Virginia Woolf, Astrid Roemer, Sylvia Plath, The Bell Jar. Lezen was een manier om mezelf te spiegelen. Uit The Bell Jar, over iemand die is opgenomen, is ook een citaat in het boek terechtgekomen.’


    Wat komt er na dit boek?

    ‘Ik heb het plan om elke tien jaar zo’n boek uit te brengen. En dan is er nog mijn dichtwerk, waar ik alweer mee bezig ben.’

     

     

    Auteursfoto: Jared Meijer


     

     

     

     

     

     

     

    Bewogen Selfies / Obe Alkema / 256 blz. / Het Balanseer

     

     

     

  • Shortlist Libris Literatuurprijs 2025

    Maandagavond, 10 maart werd de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2025 bekend gemaakt. Van de achttien schrijvers op de longlist, bleven zes genomineerde schrijvers over. De prijs wordt toegekend aan de auteur van de beste oorspronkelijk Nederlandstalige roman van het afgelopen jaar.

    Dit zijn volgend de jury de zes beste Nederlandstalige romans:

    Man maakt stuk van Maurits de Bruijn
    De kroon met twee pieken van Guido van Heulendonk
    Oroppa van Safae el Khannoussi
    Rouwdouwers van Falun Ellie Koos
    In het oog van Marijke Schermer
    Hogere machten van Joost de Vries

    Nieuwsuur bezocht de zes genomineerden om hen te feliciteren met hun nominatie. elke genomineerde auteur ontvangt 2.500 euro. Hier is de reportage nog terug te kijken.

    Voorzitter van de jury is dit jaar Sheila Sitalsing, journalist en columnist voor de Volkskrant.

    Op maandag 19 mei wordt de winnaar, tijdens een uitzending van Nieuwsuur, bekend gemaakt. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden.

     

  • Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Op donderdag 20 februari werd in SPUI2 te Amsterdam voor de negende maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Een tweejaarlijkse literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), een van de grootmeesters van het genre. Het bedrag voor de prijs wordt geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht, uniek voor een literaire prijs. Dit jaar werd een bedrag van € 6049,45 bij elkaar gebracht. Het bedrag was hoger dan voorgaande jaren, wat een zeker verheugen over de populariteit van het korte verhaal teweeg bracht.

    De jury was overweldigd door het grote aantal kwalitatief sterke verhalenbundels dat zij onder ogen kreeg. ‘Zozeer dat we bijna wel twee shortlisten hadden kunnen samenstellen van bundels die de prijs die we te vergeven hebben in principe verdienen’.

    Over het winnende boek, Goudjakhals zegt de jury: ‘Een boek dat je binnenleidt in even vertrouwde als ongekende levens, die zich in je vastzetten als weerhaakjes, die je verleiden tot een grotere betrokkenheid met de wereld. Een boek dat moeiteloos andere perspectieven, andere plekken, andere tijden oproept, en daarmee tegelijk diep snijdt in de onze, in de ziel van het Nederland zoals we dat vandaag meemaken. Een vernieuwend boek bovendien, dat de grenzen van het genre opzoekt.’

    De jury noemt het boek ‘een overval’. ‘Wie de eerste pagina’s in Julien Ignacio’s tweede boek Goudjakhals leest, verbaast zich over de ongewone verteller – een algoritme, een programmaatje, een GPS-signaal? – die vertelt over een vernederde, strijdbare vluchteling in een kamp, een open detentiecentrum op een voormalige militaire basis. Dat alleen al is een indringend, urgent verhaal.’

    En: ‘Julien Ignacio bedient zich in het funky Goudjakhals van vele registers, allemaal even overtuigend, en ontvouwt in afzonderlijke verhalen een Groot Idee over ontworteling, vrijheid, uitbuiting en verzet dat niet alleen op talloze wijzen actueel is, maar zindert van de levenslust en creativiteit.’ Het gehele juryrapport is te vinden op jmabiesheuvelprijs.nl.

    De organisatie van de prijs is in handen van Arjen Fortuin, Vera van Geldern, Sven Schlijper-Karssenberg, Pieter van Scherpenberg en Edith Vroon. De feestelijke prijsuitreiking werd georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Die maakte ook vier podcasts met verhalen van de genomineerde auteurs: slaacast/luister-biesheuvelprijs-2025.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen. Zij toonden zich bij de uitreiking zeer tevreden over het niveau van de veertig inzendingen:

    Eerdere winnaars waren onder anderen Rob van Essen, Maarten ’t Hart en Mensje van Keulen en Hedda Martens.

     

     

    Lees ook: Recensie Goudjakhals
    En ook nog: Interview Julien Ignacio

  • Gerwin van der Werf uitverkoren tot Boekenweekgeschenk schrijver

    Gerwin van der Werf is met zijn ingezonden novelle De krater, winnaar geworden van de Boekenweek novellewedstrijd. Uit 149  inzendingen werd hij unaniem door de eenmalig geformeerde vakjury gekozen. Het Boekenweekgeschenk is het bekendste onderdeel van de Boekenweek die dit jaar zijn 90e editie viert.

    Voor Van der Werf is het een grote eer en hij verheugt zich op de Boekenweek-tour. In een reactie liet hij weten dat hij het drie maanden geleden had gehoord, maar daarover niets mocht loslaten. ‘auteur van het Boekenweekgeschenk zijn, dat is een droom voor iedere schrijver. Ik ben zielsgelukkig dat de jury mijn verhaal als winnaar heeft verkozen, uit vele inzendingen. Ik ben ook trots op het verhaal, omdat het staat voor mijn schrijverschap: ik schrijf pure fictie, niet autobiografisch, maar toch zeer persoonlijk. Ik probeer altijd levendig, geestig en origineel te schrijven, en ik denk dat dat gelukt is met dit geschenk. Ik hoop dan ook dat heel veel mensen het met plezier zullen lezen.’

    Gerwin van der Werf (1969) won in 2010 de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Hij schreef zeven romans, uitgegeven door Atlas Contact. Hij debuteerde met Gewapende Man in 2010 en Wild (2011) stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs. In 2013 verscheen, Luchtvissers. De roman Een onbarmhartig pad (2018) stond ook op de longlist van de Libris Literatuur Prijs en is vertaald in het Duits, Engels en Arabisch. Strovuur (2020) en De droomfabriek (2022) stonden op de shortlist voor het Beste Boek voor Jongeren. In oktober 2024 verscheen Wilgeneiland. Daarnaast publiceerde hij twee bundels met columns en verhalen over het onderwijs: Schooldagen (2014) en Stampen en Zingen (2018).

    De eenmalige schrijfwedstrijd om het Boekenweekgeschenk te kiezen, is georganiseerd ter ere van de jubileumeditie en is geïnspireerd op soortgelijke wedstrijden uit het verleden van de Boekenweek. Een van de bekendste auteurs die door een schrijfwedstrijd werd gekozen, is Hella Haasse. Met Oeroeg brak zij in 1948 door als auteur.

    De negenkoppige jury bestond uit oudBoekenweekgeschenkauteurs Hanna Bervoets en Tom Lanoye Lidewijde Paris en Tiziano Perez, Jan Peter Prenger, Noah de Campos Neto, Ernestine Comvalius, Liesbeth Rasker en Rik van de Westelaken (juryvoorzitter).

     

  • Longlist Libris Literatuur Prijs 2025

    Uit honderdrieentachtig inzendingen heeft de jury onder leiding van Sheila Sitalsing en verder bestaande uit Jan van Damme, Nele Hendrickx, Michiel van Kempen en Edward van de Vendel achttien romans gekozen voor de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2025.

    Leonieke Baerwaldt, Dagen als vreemde symptomen – Querido
    Daan Borrel, De dragers – De Bezige Bij
    Maurits de Bruijn, Man maakt stuk – Das Mag
    Thomas Heerma van Voss, Het archiefDas Mag
    Mariken Heitman, De mierenkaravaanAtlas Contact
    Stefan Hertmans, Dius – De Bezige Bij
    Guido van Heulendonk, De kroon met twee pieken – De Arbeiderspers
    Maria Kager, De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf – De Arbeiderspers
    Safae el Khannoussi, Oroppa – Pluim
    Falun Ellie Koos, Rouwdouwers – Atlas Contact
    Manik Sarkar, Ossenkop – Hollands Diep
    Marijke Schermer, In het oog – Van Oorschot
    Lara Taveirne, Wolf – Prometheus
    Carolina Trujillo, De instructies Koppernik
    Joost de Vries, Hogere machten – Prometheus
    Robbert Welagen, AverijNijgh & Van Ditmar
    Johannes Westendorp, De maat van alle dingen – Thomas Rap
    Kristien De Wolf, Mooie Jo – Borgerhoff & Lamberigts

    Bekendmaking van de shortlist is op maandag 10 maart in Nieuwsuur op NPO2. Waarbij ze op bezoek gaan bij de zes genomineerde auteurs en hen feliciteren met hun nominatie. De genomineerde auteurs ontvangen elk 2.500 euro.

    Op maandag 19 mei wordt de winnaar van de 33e Libris Literatuur Prijs bekend gemaakt. Deze ontvangt een bedrag van 50.000 euro en de bronzen legpenning.

     

     

  • Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    De shortlist van de tweejaarlijkse J.M.A. Biesheuvelprijs (de prijs voor de beste verhalenbundel) is bekend. Uit veertig inzendingen werd een shortlist samengesteld van vier titels:

    Steff Geelen met De splitsingen, bij uitgeverij Wintertuin
    Julien Ignacio met Goudjakhals, bij uitgeverij Van Oorschot
    Sanneke van Hassel met Milde klachten, bij De Bezige Bij
    Jente Posthuma met Heks! Heks! Heks!, bij uitgeverij Pluim

    De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens de feestelijke uitreiking op 20 februari tijdens de Week van het Korte Verhaal. 

    De jury, die bestaat uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen laat weten dat ze overweldigd zijn door het ‘grote aantal kwalitatief sterke inzendingen’. En constateren dat het goed gaat met de verhalenbundel. Twee afvallers willen ze expliciet noemen. De heerlijke bundel Aloha van Machteld Siegmann om haar stilistische originaliteit en brille, en het aangrijpende Het net, de duif en de dood van Chaja Polak om haar geserreerde meesterschap.’ Het volledige juryrapport wordt gepubliceerd op de dag van de prijsuitreiking op de website van de J.M.A. Biesheuvelprijs.

    Het prijzengeld wordt volledig gewonnen uit een crowdfunding actie, deze loopt nog tot en met 17 februari.
    Doneren kan hier: https://www.voordekunst.nl/projecten/18239-jma-biesheuvelprijs-2025-1

     

     

  • Literair Nederland duikt met Thomas Heerma van Voss Het archief in

    Op zaterdag 30 november kwamen recensenten en redactieleden van Literair Nederland en Jong Literair Nederland samen in antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Utrecht voor de jaarlijkse borrel. Ook Thomas Heerma van Voss was erbij. Hij kwam praten over zijn roman, Het archief. In 2009 debuteerde Heerma van Voss met de roman De allestafel. Sindsdien schreef hij essays, korte verhalen en drie romans, waarvan de laatste, Het archief, deels is gebaseerd op zijn ervaringen bij literair tijdschrift De Revisor. Als nieuwste redactielid van Literair Nederland ging ik met hem in gesprek. Over redactie voeren, het belang van literaire tijdschriften en goed kunnen kijken naar kleine dingen.

     

    Het archief gaat over Pierre, die als ‘veelbelovend jong redactielid’ plaatsneemt in de redactie van literair tijdschrift Arabesk. Wat is hij voor iemand? 

    ‘Pierre is iemand die zich in de luwte wil bekommeren om wat anderen ontgaat. Hij is beschouwend, vaak meer analytisch dan deelnemend en heeft een groot hart voor de literaire zaak, zonder dat hij precies weet wat hij daarmee moet, kan of wil. Als hij gevraagd wordt om bij de redactie te komen zegt hij al snel ja.’


    Wat is Arabesk voor tijdschrift, hoe staat het blad ervoor?

    Arabesk is verwant met literair tijdschrift De Revisor, waar ik vanaf 2015 of was het 2014, zeven jaren in de redactie heb gezeten. Wat daar ingewikkeld was, en dat merkt Pierre ook bij Arabesk, is dat er voortdurend verwezen werd naar het roemruchte verleden, soms expliciet, soms impliciet. En de situatie is in het heden natuurlijk heel anders dan vroeger. Inmiddels heeft Arabesk meer inzendingen dan abonnees.’ 


    En is er een uitgeverij die de gang van zaken bekritiseert.

    ‘De uitgeverij die Arabesk uitgeeft, zegt tegen Pierre en de drie andere redacteuren: probeer te verjongen. Er worden initiatieven geopperd om het blad online zichtbaarder te maken. Met een zogeheten ‘diversiteitssubsidie’wordt er een externe redacteur met een multiculturele achtergrond ingeschakeld om de boel op te schudden. Dat is nodig en belangrijk, het blad is te traditioneel, te stoffig en te wit, maar het is tegelijkertijd ook een potsierlijke vertoning: ze betalen iemand om hardop te zeggen wat ze zelf al weten. Daarnaast leveren de beginnende vertalers en dichters die deze externe Arabesk-redacteur aandraagt matige stukken in. De redactieleden worstelen met de vraag of ze die moeten plaatsen. Aan goede intenties en welwillendheid is er bij Arabesk geen gebrek, alleen wordt de vraag steeds groter hoe de redactie het moet aanpakken, wat zin heeft en of het blad wel per se in stand gehouden moet worden.’


    Misschien is het probleem ook dat veel mensen geen weet hebben van het bestaan van literaire tijdschriften.

    ‘Mijn boek is een paar maanden geleden verschenen. Ervoor had ik met een PR-medewerker van uitgeverij DasMag een overleg. Hij zei: leg in elk interview opnieuw uit wat een literair blad is, want niemand weet dat nog. Dus hoorde ik mezelf in de radiogesprekken die ik had steeds zeggen: een literair tijdschrift bestaat uit literaire verhalen, essays en gedichten, het heeft vaak een kleine oplage maar dient wel als kweekvijver, enzovoorts.’ 


    Het eerste hoofdstuk gaat over Pierre en zijn vader, die een enorm archief bijhoudt. Wat is Pierres vader voor een man?

    ‘Hij is zo iemand die, zonder veel te zeggen, heel aanwezig kan zijn. Hij heeft zich verschanst in zijn kamer met allemaal papieren, allemaal oude tijdschriften. Hij was ooit ook redacteur en journalist en hij hecht eraan dingen te bewaren, te begrijpen waar iets vandaan komt.’


    Hoe is Pierre door hem beïnvloed?

    ‘Ik denk dat verlangens vaak halfbewust tot stand komen. Dus er zitten geen expliciete passages in het boek waarin Pierre denkt: “Ik zit bij dit blad omdat mijn vader dit interessant vindt.” Maar dat idee spreekt wel uit alles wat hij doet. Zijn vader is heel prominent aanwezig. Voor ik aan Het archief begon, was ik al bezig met een tekst over een blad waarvan ik niet wist hoe het verder moest gaan, wat het moest worden. Pas vanaf het moment dat ik dacht: “O wacht, er moet een vader in en ik weet hoe het met die vader moet aflopen”, werd het een roman.’

    Pierres vader wordt erg ziek. Pierre kan daar niets aan veranderen, een parallel met de teloorgang van het tijdschrift. Hij staat erbij en kijkt ernaar. Hoe vond je het om Pierre te schrijven?


    ‘Ik houd van boeken waarin de zwaarte de lichtheid versterkt en andersom. En ik houd van een hoofdpersoon die goed om zich heen kijkt. Ik denk dat Pierre die blik ook deelt met zijn vader: goed kijken naar kleine dingen. Het boek gaat over verschillende manieren om je te verhouden tot iets dat aan het verdwijnen is. Pierre probeert alles te doen wat hij kan, maar ja, wat kan je doen als een naaste heel ziek is? Je kan het niet verbeteren, je kan er wel zijn.’


    Pierres moeder neemt in het boek weinig ruimte in. Toch heeft ze een fascinerende relatie met Pierres vader.

    ‘Pierres ouders zijn al heel lang samen. Hun huwelijk uitpluizen is niet waar zijn blik op was gericht, dus dat zit relatief weinig in het boek. Zijn moeder heeft nooit precies begrepen hoe haar man in elkaar zit. Of ze heeft nooit de goede toon gevonden. Ze hebben allebei een andere manier van leven. Als het einde dan ineens zo concreet opdoemt, is daar geen ontkomen meer aan. De een wil antwoorden, de ander wil niets zeggen.’ 


    En hoe zit het met de relatie tussen Pierre en Lucie, zijn vriendin.

    ‘Lucie is er door het hele boek heen. Een van de moeilijkheden, dat is meer technisch, met het schrijven van Het archief was dat er in de redactietijd een spanningsboog moest zitten. Die periode duurt vier, vijf jaar. Dus ik moest suggereren dat er jarenlang leven is buiten het blad, zonder dat het daar te veel over gaat. Ik wilde daarbij per se een goede relatie, omdat het te voorspelbaar is als Pierres redacteurschap negatieve invloed heeft op zijn relatie met Lucie. Ze is iemand op wie hij kan leunen, een soort baken.’


    Er is een gedrukte editie van Arabesk met bijdragen van een aantal schrijvers die we kennen uit Het archief, waaronder Pierre. De echte schrijvers ervan staan achterin vermeld. Heb jezelf de redactie ervan gedaan? 

    ‘Ja, dat was heel leuk om te doen. In Het archief beschrijf ik allerlei teksten uit Arabesk, maar ik kon natuurlijk amper uit het blad citeren, dan zou je een onevenwichtig boek krijgen. Toen mijn roman af was maar het nog maanden zou duren voor hij verscheen, heb ik de uitgeverij gevraagd of we niet, ter promotie, eenmalig een uitgave van Arabesk konden maken. Ik dacht dat ze zouden zeggen: “Nee, dat wordt te duur, te veel gedoe”, maar ze zeiden dat het prima was als ik het zelf regelde. Dus heb ik een overzicht gemaakt van alle verwijzingen in de roman naar Arabesk en ben ik schrijvers gaan vragen. Wat me in positieve zin verraste, was dat iedereen die ik hiervoor vroeg het leuk vond om onder zo’n Arabesk-pseudoniem te schrijven. De schrijvers konden zich uitleven. Het werd een rollenspel op papier.’


    Hoe reageerden redactieleden van andere literaire tijdschriften. Zijn ze blij met de aandacht?

    ‘Het is  niet zo dat alle redacties hebben gereageerd. Wel heb ik van meerdere mensen gehoord dat ze na het lezen een abonnement gingen nemen op een literair blad. Dat was natuurlijk niet een doel op zich van mijn boek, wel is het een fijne bijvangst.’

     

     

    Op de foto: Thomas Heerma van Voss en Juno Blaauw
    (Foto: Carolien Lohmeijer)


     

     

     

     

     

     

    Het archief / Thomas Heerma van Voss / uitgeverij DasMag / 274 blz.

     

     

     

  • Anne Vanschothorst en Diek Grobler winnen NPF Award 2024

    Afgelopen weekend werd in Zutphen het derde Nederlands Poëziefilm Festival afgesloten met de uitreiking van de NPF Award voor de beste poëziefilm van het afgelopen jaar. Anne Vanschothorst en Diek Grobler wonnen de prijs met hun film I haven’t told my garden yet, naar het gelijknamige gedicht van Emily Dickinson. De winnende poëziefilm is een samenwerking tussen de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Diek Grobler  – schilder, performer en animator – en Anne Vanschothorst, die zichzelf als  ‘a harpiste in a landscape’ omschrijft.

    De jury, die bestond uit Anna Eble, Cíntia Taylor, Jesse Laport en Boris Peters (winnaar van vorig jaar), motiveerde haar keuze onder meer als volgt:

    ‘(…) een film die in elk detail de poëzie opzoekt, die beelden oproept vanuit een bijzondere zorgvuldigheid en een ingetogen en rake verbeelding. Het samenspel van het zeer fysieke beeld, de bijwijlen haast etherische harpmuziek en de mooie voordracht zorgt voor een eigen ritme dat er zeker toe bijdraagt dat het voelt alsof er voor de ogen van de toeschouwer een hele wereld wordt gecreëerd. (…)Het grote geheim van de dood, of van het sterven, dat in het gedicht van Emily Dickinson zo indrukwekkend wordt opgeroepen – juist door een opsomming van alle manieren waarop de ik zegt er geen ruchtbaarheid aan te zullen geven (I haven’t quite the strength now / To break it to the Bee— // I will not name it in the street / For shops would stare at me—) – komt op betoverende wijze terug in deze film. (…) De gebruikte techniek is uniek en zorgt voor een subtiel verrassende kijkervaring.’

    Foto: Anne Vanschothorst nam de prijs, ook namens Diek Bolger in ontvangst: Nederlands Poëziefilmfestival 2024

     

  • Heel Nederland Leest – titels voor boven- en onderbouw

    Kortgeleden is de leesbevorderingscampagne ‘Heel Nederland Leest’ van start gegaan. Deze campagne wordt jaarlijks georganiseerd door het CPNB, de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, en loopt de hele maand november. De titels die in 2024 centraal staan zijn voor volwassenen en bovenbouwleerlingen Joe Speedboot van Tommy Wieringa en Broergeheim van Emiel de Wild als Heel Nederland Leest juniortitel voor jongeren van de basisschool en de onderbouw van de middelbare school. Bestseller Joe Speedboot is in een oplage van 270.000 exemplaren gedrukt en voor iedereen gratis op te halen in alle bibliotheken van Nederland.

    Lees verder op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Inspirerende Dag van het Literatuuronderwijs

    Sinds 2021 is er een nieuwe wet van kracht die zegt dat scholen actief burgerschap en sociale cohesie moeten bevorderen. Alle leerlingen moeten leren over de basiswaarden van de Nederlandse rechtsstaat en democratie, zoals vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Goed literatuuronderwijs kan hier een belangrijke rol bij spelen en veel bijdragen aan (taal)begrip, empathie, zelfinzicht, inlevingsvermogen, een brede blik en verdraagzaamheid. De Dag van het Literatuuronderwijs heeft docenten Nederlands hier weer vele handvatten voor aangereikt.

    Joke Aartsen was erbij. Lees hier, op Jong Literair Nederland haar impressie.

     

    Persfoto: Dag van het Literatuuronderwijs 2024 met auteur Kluun tijdens de opening, pleitend voor de terugkeer van leesplezier onder jongeren. © Marco de Swart