• De Noord-Zuid-lijn en Vergeten straat

    Vrijwel dagelijks staan de kranten anno 2009 vol met nieuws over de problemen rondom de aanleg van de Noord-Zuid-lijn in Amsterdam. Deze maand verscheen bij de Arbeiderspers Vergeten straat, van Louis Paul Boon. Een roman uit 1946. Onderwerp: De Noord-Zuid-lijn.

    De volgende fragmenten komen uit Vergeten straat, maar zouden zo geplukt kunnen zijn uit Het Parool van de afgelopen maanden…

    * De laatsten tijd hoort ge ook het vaag gerommel, het verre kappen en breken voor de Noord-Zuid-verbinding. En soms, heel dof: boem.

    * Koelie […] leest de gazet. Het is over de Noord-Zuid. Dat het lang genoeg geduurd heeft eer het Noord-station met het Zuid-station verbonden kon worden. Dat het een grootsch werk is.

    * …. Honderden krotwoningen gaan er door verdwijnen; aan duizenden werklozen, die nu in bandeloosheid en misplaatsten wrok leven, zullen arbeid en brood verschaft worden.

    * …. Die Noord-Zuid-verbinding is een lap op een versleten broek.

    * Ze stapt een eind met Koelie mee en spreekt over de Noord-Zuid. Iedereen spreekt daar over.

    * Iedereen peinst dat het ongeveer zal uitkomen aan het café van Louisken.

    * Het bonzen van haar hart overstemt het trillen van het pakhuis, het naderend gerommel voor de Noord-Zuid. Het ‘boem’ is niet meer enkele straten af, het is midden in haar hart.

    * Straks komen de mannen van de Noord-Zuid hier toe, en ze zullen bij mij het stof en de kalk uit hun keel komen spoelen, zegt ze.

    * Dat de mannen, die aan de Noord-Zuid werken en bij mij moesten frit met mosselen eten, nu bij u hun laatsten cent zullen verdrinken.

    * De mannen die aan de Noord-Zuid werken komen toe in de morgen, smijten hun kabas tegen den muur, spuwen in de handen en herbeginnen. De ploegbaas kijkt hun op de vingers. Hij kijkt naar de lucht of het vandaag niet regenen zal, naar het halve huis van Louisken, en naar den overkant waar ze weer al een door moeten.

    * Ik wenschte dat de Noord-Zuid hen naar de hel voerde, dat ieder die er een cent aan verdient vandaag nog dood viel.

    * We moeten een petitie indienen bij de regeering, bij de meesters van de Noord-Zuid.

    De roman Vergeten straat is grotendeels geschreven tijdens de bezetting in Brussel. Het uitgangspunt van dit derde werk van Boon is eenvoudig: een doodlopende straat in een naamloze grote stad wordt tijdens de aanleg van de Noord-Zuid-lijn helemaal van de buitenwereld afgesneden. Vervolgens wordt er op initiatief van ene Koelie een commune uit de grond gestampt. Om de kansen op welslagen van die Nieuwe Gemeenschap te kunnen beoordelen, heeft de schrijver een Brusselse impasse waar hij wel eens was geweest, bevolkt met mensen die hij kende uit zijn eigen omgeving. Het sociaal experiment van Koelie mislukt jammerlijk, het nieuwe gemeenschapsleven implodeert. Maar Boons literaire experiment fascineert tot op de dag van vandaag. Dat is mede te danken aan het beklijvende portret van Koelies dochter Roza, die onder Boons pen is uitgegroeid tot één van de meest destructieve kindvrouwtjes uit de moderne literatuur. Vanwege onvergetelijke figuren als Roza, haar vader Koelie en de bedelaar Vieze, maar ook Hermine, Peu, Gaston, Alfred, Marie en dikke Wis, Louisken en haar kinderen is Vergeten straat een feest om te lezen.

    Louis Paul Boon, Vergeten straat. De Arbeiderspers, paperback, 296 p., € 22,95

  • Hier is het geen voorwinter

    De titel doet denken aan het duistere tijdperk van de hindoeïstische demon Kali, waarin de mens alleen fysiek bestaat en niet geestelijk. Hoewel Handke daar niet expliciet naar verwijst, speelt het verhaal zich af in een vergelijkbare wereld, waarin de mens zelf tot een probleem geworden is. Maar misschien betekent Kali gewoon zout en gaat het over een kalimijn, die volgens Google ook in Oostenrijk te vinden is. Zonder dat de locatie met naam genoemd wordt, moet die ergens in het midden van het Verenigd Europa liggen.

    Het verhaal opent met een dreigende toon, die meteen al intrigeert. ‘Ook mij heeft ze bang gemaakt, maakt ze bang. Maar ik wil de confrontatie met haar aangaan.’

    De vrouw om wie het gaat is een vreemde zangeres die na haar optreden door de verteller wordt gevolgd door een stad vol zwijgende mensen. Ze vindt in de schouwburg een ring en meent dat alles wat ze uitspreekt ook moet gebeuren. De vrouw blijkt een doodaanzegster, die op weg is naar het eiland Dode Hoek waar in een zoutmijn veel emigranten werken en waar ook haar slachtoffer, de zoutbaas, woont.

    Alles speelt zich af in een ijltoestand: de ruimte is niet constant maar dijt zoals in een droom uit, stroken nacht trekken door het daglicht, zoals ’s nachts omgekeerd. Ook in letterlijke zin zijn er veel spiegelingen in de ruiten; een helikopter werpt een zoeklicht op de grond en wijst de vrouw in het donker de weg. Net als in een nachtmerrie komen er opsporingsteams voor, verschijnen er oorlogsvliegtuigen in de lucht, worden er mensen en kinderen vermist.

    Als de winter inzet en de sneeuw valt, zal het leven verstarren, maar zover komt het niet. Het is wellicht het kerstkind dat met zijn intrede nieuwe hoop biedt; zo zit het verhaal vol met verwijzingen en dat maakt deze tekst zeer boeiend.

    Handke kiest een origineel filmisch standpunt en gebruikt een prachtige poëtische taal met daarin nieuwe woorden als ‘orenopenspringing’. Af en toe geeft de verteller commentaar op zijn waarnemingen. ‘Hoezo, een kreet van een valk in de voorwinter? Die heb ik hier gehoord. En bovendien is het bij mij hier geen voorwinter.’
    De strakke lijn houdt de lezer scherp. Handke waarschuwt, maar biedt tegelijk hoop aan een verscheurde wereld waarin mensen vreemden voor elkaar dreigen te worden.

     

     

     

  • Recensie 'Wij' – Elvis Peeters

    ‘De buitenwereld leek grauw als het leven van mijn vader.’

    Door Patrick Bassant

    Ik herinner me de eerste stickertjes met ‘WARNING EXPLICIT LYRICS’ op cd’s. Tipper Gore, de vrouw van toenmalig vice-president Al, had ‘family values’, ? Christelijke wel te verstaan ? hoog in het vaandel staan en probeerde de Amerikaanse jeugd te beschermen tegen de geile en boze negers die in gangster-style rapten over geweld en gratuite seks, tegen de langharige blanke griezels die volstrekt onverstaanbare dingen brulden over Satan in combinatie met willekeurige slierten darm. Het lijkt wel een eeuwigheid geleden dat wij ons daar druk om maakten. ‘Wij’ was in dezen Ice T vanuit een of andere ghetto in LA en ik op een keurige middelbare school nabij Amsterdam.

    Deze recensie begint al met ‘ik herinner me.’ Ik ben gewoon op basis van mijn leeftijd (31 jaar) niet in staat mij te identificeren met de pubers die de hoofdrol spelen in het nieuwe boek van Elvis Peeters. Op de kaft zit een stickertje ‘WAARSCHUWING EXPLICIETE ROMAN’ waardoor ik moest grinniken en dacht aan 1992, toen ikzelf ongeveer de leeftijd had van de personages in dit boek. Dat komt dan goed uit, zou je denken, dan zit het met die identificatie wel snor. Alleen, Wij is geen normale Bildungsroman over de verwarrende en onzekere puberteit.

    Wij is een snoeiharde, meedogenloze motherfucker van een boek. Acht jongeren zetten zich af tegen de volwassen wereld waar ze nog geen deel van mogen uitmaken, ontdekken hun seksualiteit en vervelen zich te pletter. Tot dusver niets bijzonders. Maar deze jongeren zetten zich af, ontdekken en vervelen zich met een intensiteit die zo ver gaat dat de rillingen over je rug lopen. Peeters heeft de sadistische wreedheid en het nihilisme van de jeugd uitvergroot tot angstaanjagende proporties. En tegelijkertijd hóóp je dat hij het opgeblazen heeft, dat het fictie is, dat Peeters’ fantasie met hem op de loop is gegaan. Want ergens spoken de krantenberichten door je hoofd waarin soortgelijke gebeurtenissen worden vermeld.

    Vier jongens, vier meisjes vormen een geheim clubje, compleet met verlaten schuur waar nooit pottenkijkers komen. Ze gebruiken deze schuur aanvankelijk als plek om zich af te sluiten van de wereld. Later beginnen ze elkaars lichamen te ontdekken en is de schuur hun experimenteerplek. Daarna is de schuur de uitvalsbasis voor hun gewelddadige penetratie van de buitenwereld. Ze beginnen met spelletjes als ‘raad eens wat ik in een van je holtes stop’, en het ontspoort richting sadisme, prostitutie en vermoorden-zonder-een-moordenaar-te-zijn.

    Er lijkt in dit boek geen sprake te zijn van geweld als gevolg van zwarte macabere romantiek ? het geweld van jonge terroristen dat we nog kunnen begrijpen of af kunnen doen als godsdienstwaan. Ook niet als groots en meeslepend gebaar om zich af te zetten tegen de volwassen wereld. De jongeren verantwoorden zich op niet andere wijze dan met ontdekkingslust. Vanuit de verveling, het in warme zomers lamlendig in de schuur bedenken wat ze nu eens uit kunnen proberen, verleggen ze grenzen. ‘Wij houden van de spelletjes die we doen, waarom doen we ze anders?’ (p. 49) Je zou het nihilistisch kunnen noemen, maar de jongeren zelf zullen daar geen genoegen mee nemen. Zij wijzen dit soort etiketten af, zij hebben de zuivere rede van Kant opzijgezet voor de zuivere riedel van de glibberige hiphopper Kanye West. ‘Wij waren jong, niet pervers.’ (p.19)

    Deze door bloed en zaad verbonden groepsleden ‘genoten ervan te zijn wie wij waren, onervaren en onverantwoord’ (p. 24) en nemen wraak op de volwassen wereld die ze niet toelaat omdat ze te jong zouden zijn. Ze bewijzen echter dat ze voor veel volwassen acties helemaal niet te jong zijn ? seks, voortplanting, prostitutie, zwendel en diefstal: ‘We bewogen ons als roofvissen in het water der volwassenen, ze hadden niets door.’ (p. 78)
    Het boek is op z’n best in de onderlinge confrontaties binnen de groep van acht. Als later in het boek een van de jongens zich meer en meer begint te ontpoppen tot loverboy en klein crimineeltje wordt de beslotenheid van de groep opengebroken en wordt het verhaal door de vermenging met de wereld van de volwassen criminelen minder intens en wat ongeloofwaardig. Niet dat de geloofwaardigheid van belang is. Als één van de meisjes sterft na een experiment met een ijspegel, zien de achterblijvers dat als verraad van het meisje, en de schuldvraag (een woord dat niet in hun woordenboek voor zal komen) wordt afgedaan met ‘er viel niets aan te doen, we zouden haar missen’ (p. 85). Zeven jongeren die na de dood van een vriendin besluiten dat er niemand iets te verwijten viel, de schouders ophalen en doorgaan is in elk werkelijk geval ongeloofwaardig, maar binnen dit boek klopt het geheel. Je kan ze cynisch noemen, of autistisch, of psychopathisch, maar eigenlijk gaan ze consequent door waar ze mee bezig waren: ‘Wij deden maar wat, alles waar leven ons toe uitnodigde. … Grote woorden, ik weet het, maar zo voelde het. Niemand van ons had het idee dat hij overdreef.’ (p. 113)

    Het boek eindigt met een scène waarin een hond niet afgemaakt wordt, een ochtend in de schuur waarop men te verveeld was om te neuken en de afsluiter ‘de wereld ligt aan onze voeten.’ Ik weet het niet helemaal zeker, maar misschien is dit een glorieus einde, de afsluiting van twee of drie intensieve puberjaren als rite de passage naar de volwassenheid. Het is mooi geweest, nu gaan we verder.

    Volgens mij schuimt in elk puberlichaam de mogelijkheid ontzettend te ontsporen. Peeters zet acht pubers bij elkaar en laat ze op vreselijke wijze escaleren. Dit boek is zo goed omdat het in zijn overtrokkenheid juist zo realistisch is. Een puber zal altijd grenzen willen verschuiven, heeft een vooralsnog slecht ontwikkeld geweten, en als ze met z’n achten zijn, heb je een kruitvat van jewelste. Elke puber die zich beperkt tot gangbangen in een kelderbox, comazuipen of breezerseks is een lieverdje, als je bij Peeters huiverend leest wat hij of zij ook zou kunnen uitvreten.

    Elvis Peeters, Wij. Podium, 2009. € 16,50.

  • Surinaamse literatuur op Hyves

    Ook op Hyves is er nu een pagina over de Surinaamse literatuur te vinden. Anouska Kock, een schrijfster van Surinaams-Nederlandse origine, woonachtig op Aruba, nam het initiatief. Neem een kijkje op http://boekensuriname.hyves.net en sluit je aan. Het is een Hyves-pagina voor mensen die graag lezen over Suriname en Surinaamse zaken. Niet alleen verhalende literatuur, maar ook non-fictie. De leden attenderen elkaar op nieuwe uitgaven, literaire activiteiten, en daarnaast kan een ieder die dat wil, op deze hyve boekenrecensies plaatsen. Het is belangrijk omdat veel uitgaven in Suriname in eigen beheer geschieden. Vaak zijn de publicaties alleszins de moeite waard maar bereiken ze maar een kleine groep lezers.

  • Paul Claes, Lyriek van de lage landen

    De canon in tachtig gedichten

    Zoals een mens niet kan leven zonder herinnering, kan een cultuur niet bestaan zonder traditie. Om de lyrische traditie van Nederland en Vlaanderen levend te houden heeft Paul Claes in dit boek tachtig klassieke gedichten uit onze literatuur verzameld en deskundig toegelicht. Hij geeft verhelderend technisch en thematisch commentaar, portretteert de makers en toont hun nawerking tot in deze tijd.
    De ‘canon van Claes’: een rijk geïlustreerd standaardwerk voor iedere in poëzie geïnteresseerde lezer.

    Verrassend in deze bloemlezing is opname van het gedicht ‘Ne roibaard ip ’n wisse’ ‘Een roodborstje op een twijg’ van de West-Vlaamse dichter Omer Karel de Laey, die in nog niet menog canon-bloemlezing verscheen.

    ISBN: 978 90 234 3288 3
    Omvang: 304 bladzijden
    Uitvoering: Gebonden
    Prijs: € 24.90

  • Literaire cd met teksten van Astrid H. Roemer

    De Nederlandse muziekformatie Flower to the People maakte tot nu toe enkel Engelstalige cd’s. Sinds Flower to the People werd benaderd door de in Suriname geboren schrijfster Astrid H. Roemer is hier verandering in gekomen. Er is anderhalf jaar gewerkt en het resultaat is de onlangs verschenen cd Omhels Mij, waarop 17 nummers staan met stijlinvloeden uit de Nederpop, jazz, Latin, folk en soul en prachtige eigentijdse poëzie.

    U kunt via deze link alvast 6 tracks van de cd beluisteren:
    http://www.flowertothepeople.nl/muziekbeluisteren.html

    Ook kunt u een stukje van de cd presentatie bekijken via deze link:
    http://televisie.westonline.nl/archief/programma_overzicht?id=08
    Klik op de datum 07-10-2008 en scroll naar 4.40 min waarna het item start.

    Tevens kunt u in het FttP-gastenboek lezen wat de schrijfster Astrid Roemer er zelf van vindt:
    http://www.flowertothepeople.nl/gastenboek.html

    Flower to the People: Fleur Tolman, fttp@planet.nl

  • Winternachten 2009: Fake! Of de gemanipuleerde waarheid

    Doet het er nog toe wat echt is en wat namaak, wat waar is en wat gelogen?
    Thema Winternachten 2009: Fake! Of de gemanipuleerde waarheid

    ‘Liegen en veinzen is bij uitstek een zaak van de kunst,’ schreef Gerrit Komrij. Schrijvers fabuleren en manipuleren als geen ander maar je gelooft ze op hun woord. Inmiddels viert het verzinsel ook buiten de fictie hoogtij. Iedereen lijkt zijn eigen wereld van de fictie te kunnen maken. We zijn bedreven geraakt in de manipulatie: van beelden, van nieuws, van ons lichaam, van producten. Of zoals een inwoner van de oliestaat Dubai onlangs zei: ‘We hebben hier geen sneeuw, we creëren hier sneeuw. We kunnen creëren wat we willen. Sommige mensen noemen dat fake.’

    Tijdens Winternachten 2009 gaat het over manipulatie en waarheid in kunst, media en politiek. Over waarom literaire leugens beter zijn dan gewone leugens. Over het kitscherig geloof in nationale identiteit. Over de vraag of in een fake wereld van de weeromstuit een verlangen naar echtheid ontstaat, naar ware verhalen. En over de vraag hoe waar gebeurd non-fictie eigenlijk is.
    Winternachten is een internationaal festival vol geestverruimende literatuur. Ruim zestig schrijvers, muzikanten en filmmakers uit binnen- en buitenland zullen tijdens Winternachten 2009 te gast zijn. Schrijvers met uiteenlopende culturele achtergronden gaan met elkaar in gesprek, debatteren en dragen voor op verschillende podia in Theater aan het Spui en het Filmhuis Den Haag. Naast literatuur biedt Winternachten een uniek film- en muziekprogramma.

    Nuruddin Farah opent Winternachten 2009
    Op donderdagavond 15 januari wordt Winternachten geopend met de Winternachtenlezing door de Somalische schrijver Nuruddin Farah in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Farah zal worden geïntroduceerd door Kristien Hemmerechts die hem na afloop ook zal interviewen.

    Nuruddin Farah (1945) wordt door velen genoemd als de belangrijkste Afrikaanse kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Farah, als balling wonend in afwisselend Zuid-Afrika en de VS, probeert zijn land ‘in leven te houden door er over te schrijven’. Zijn laatste roman Knots (2007) gaat over de terugkeer van een banneling naar het door oorlog geteisterde Mogadishu. Behalve Somalië en de moeizame relatie van Afrika met de geïndustrialiseerde wereld, staan vrouwenrechten en de verhouding tussen de islam en pre-islamitische tradities centraal in zijn werk. De kern van zijn oeuvre wordt gevormd door zijn trilogieën Variations on the Theme of an African Dictatorschip (1980-1983) en Blood in the Sun (1986-1999). In 1998 ontving hij de Neustadt International Prize for Literature.Zijn werk is vertaald in 17 talen en zeven van zijn boeken zijn in het Nederlands verschenen, waaronder Geheimen en Kaarten. Zowel de lezing als de introductie worden – tweetalig – in boekvorm uitgegeven.

  • Nobelprijs literatuur 2007 voor Doris Lessing

    Doris Lessing werd 22 oktober 1919 als Doris May Tayler in Kermanshah in Perzië (nu Iran) geboren. In 1924 verhuisde zij met haar familie naar een farm in Zuid-Rhodesië (het tegenwoordige Zimbabwe), waar ze nogal geïsoleerd opgroeide. Ze leerde zichzelf lezen en las al gauw alles wat los en vast zat. Toen ze vijftien jaar was, verliet ze school en werkte achtereenvolgens als kindermeisje, verpleeghulp en telefoniste in Salisbury.

    Ze trouwde in 1939 met Charles Wisdom, raakte betrokken bij het werk van verschillende radicale politieke groeperingen en de zwarte onafhankelijkheidsbeweging, werd communiste, kreeg twee kinderen en liet zich scheiden. Ze hertrouwde in 1943 met de Duitse vluchteling Gottfried Lessing. Dit huwelijk werd in 1949 ontbonden en Doris Lessing vertrok met haar zoon uit haar tweede huwelijk naar Londen, met medeneming van het manuscript van The grass is singing dat in 1950 werd gepubliceerd.

    Twee van haar belangrijkste thema’s zijn al in die eerste roman terug te vinden, namelijk de relaties tussen zwart en wit in Afrika en het probleem van het vrouw zijn in wat toch voornamelijk een mannenwereld is. Deze roman was erg succesvol en vanaf dat moment heeft zij van de inkomsten van haar werk kunnen leven.

    In 1956 ging ze voor een bezoek terug naar Zuidelijk Afrika en kreeg daarna een inreisverbod opgelegd omdat de toenmalige premier van Zuid-Rhodesië, Huggins had bepaald dat zij ‘geen onrust mocht zaaien onder zijn inboorlingen’.

    Ze was van 1953 tot 1956 lid van de Communistische partij in Engeland; ook was ze actief in de anti-kernwapenbeweging en schreef ze artikelen voor verscheidene linkse bladen. In de jaren zestig nam ze geleidelijk afstand van het marxisme en kreeg ze belangstelling voor het Soefisme, wat ook in haar werk merkbaar is.

    Tussen 1982 en 1992 bezocht zij Zimbabwe (voormalig Rhodesië) nog vier maal waarover zij uitgebreid verslag deed. Haar meest recente boek is de eerder dit jaar verschenen roman The Cleft. Deze speelt in een oertijd waar vrouwen vreedzaam naast elkaar leven. Tot er op onverklaarbare wijze jongetjes worden geboren in de gemeenschap.

    www.nobelprize.org

    Bron: boek-delen

  • Surinaamse auteur Ronald Julen bij Winternachtenfestival 2005

    Hoe je gestold bent, hoe je in elkaar zit
    In het voorjaar van 2005 reisde de Surinaamse dichter/schrijver Ronald Julen (1947) naar Nederland om deel te nemen aan het Winternachtenfestival. Een bekende Nederlandse auteur sprak hem daar aan en zei: ‘Wie ben jij, ik ken jou niet, ik lees nergens iets over je!’ Waarop Julen antwoordde dat hij niet aan de weg timmert en het niet belangrijk vindt of men hem kent of niet. De collega wiens naam hij niet prijs wenst te geven was verbouwereerd over zo’n bescheiden houding. Het typeert Ronald Julen die zijn dichtbundels in eigen beheer uitgeeft en voor wie schrijven vele malen belangrijker is dan gelezen worden. In het dagelijks leven is Ronald Julen Directeur bij het Ministerie van Defensie in Suriname.

    Bijna een godheid

    De poëzie van Julen raakt de kern van zijn niet te realiseren dromen en idealen. Alle gedichten, in het Nederlands, Sranan en het Engels, zijn geschreven rond één thema: de onbereikbare geliefde. ‘Veelal voer ik een geliefde ten tonele: Ed, spreek uit als ‘Eed’, zoals in Edith. Op de mulo-school correspondeerde ik met een meisje uit Oost-Duitsland, Edith, ongeveer een half jaar, daarna verdween ze uit mijn leven. Hoe zij dingen schreef… Het was een heel wijsgerige manier van schrijven. Ik ging Ed optrekken tot ze bijna een godheid was; een betere ik van haar maken. Pas met die Ed-figuur kan ik het beste van mij bereiken; zij maakt mij tot een geïntegreerde persoonlijkheid.’

    Levensadem

    De dichter: ‘De ontmoetingen, versmeltingen, met de geliefde vinden altijd plaats in een grensgebied, of daarbuiten. Daar waar de bergen zijn, daar is ook Ed. Daar staat het droombed, waarin geweldige seks bedreven wordt waarbij het regelmatig voorkomt dat de ik-figuur of Ed sterft, waarbij de dood echter ook telkens iets nieuws achterlaat… Ze ontglipt me steeds, of er zijn geen getuigen. Dan weer wil ze me in de steek laten. Buiten de grens kan ik zonder Ed niet ademen. Dan zuig ik haar levensadem in, en ben ik eufoor.’ Literatuurwetenschapper Michiel van Kempen ziet Ed nu eens als levensbrengster, dan weer als degene die alle kracht weg zuigt. Bewust heeft de dichter gekozen voor een afwijking van de normale vorm: hij gebruikt geen hoofdletters, geen interpunctie, en breekt soms woorden (en regels) op een geheel eigen wijze af.

    Botsingen

    Wanneer Julen schrijft raakt hij letterlijk begeesterd. ‘Het is vergelijkbaar met een winti (een geest, mv) die in je vaart, en waar je niet altijd controle over hebt.’ De jij-vorm is een vorm die de dichter steeds gebruikt in gesprek, net alsof hij zich daardoor toch niet helemaal blootgeeft. Het veelvuldig jij-gebruik bouwt een zekere afstand in. Toch vindt hij het zeer belangrijk te weten wie hij is. ‘Ik probeer een identiteit vast te stellen. Dat is een heel bewuste keus geweest na mijn eerste bundel. Vanaf het begin is dat een vast thema in mijn werk: de vervolmaking van de identiteit: weten wie je bent, het beste doen wat je kan. De bedoeling is om een weg te vinden, om wat in mij leeft er uit te laten. Het is veel meer dan alleen schrijven. Het is hoe je gestold bent, hoe je in elkaar zit’, verduidelijkt Julen.

    Iets raars

    Al op de mulo-school begon de dichter in Julen te ontwaken. ‘Ik voelde: er zit iets raars in me. Het was een totaal nieuwe wereld voor me. Ik ben van het platteland, Nickerie, kom uit een groot, arm gezin. Over de dammen liepen we naar school, daar waste je je voeten en deed je je schoenen aan. Er was geen electriciteit, tractoren kan ik me niet herinneren. Het waren de dagen van ossen en kapmessen. Inzaaien gebeurde met de hand. Toen ik tien was overleed mijn moeder. Het gezin viel uit elkaar. Ik kwam terecht bij een familie in de stad. Daar werd gelezen, véél gelezen. En zo begon het: door het lezen begon ik te schrijven.’ Gedurende de Kweekschool-periode begon de jonge Julen te schrijven als An, in de schoolkrant. ‘Je durfde niet als jezelf, zeker niet als jongen! Onderling stonden we dan te praten: “Wie is dat meisje, ze kan goed schrijven hoor! Ik wil haar best wel leren kennen!’ Ook ik deed mee, durfde niet voor mijn geheim uit te komen.’ In 1980 begon hij te schrijven onder zijn eigen naam. Zijn debuutbundel ontmoeting in het duister verscheen in eigen beheer, evenals de latere uitgaves. Ook is er werk van hem opgenomen in enkele verzamelwerken.

    Weggecijferd

    Zijn korte verhalen gaan meestal over marginale personages. Mensen die een eigen persoonlijkheid hebben, maar waar aan voorbij gegaan wordt. Wanneer ik vraag naar zijn voorliefde voor dergelijke figuren, antwoordt hij: ‘Vooral in de korte verhalen zal je veel herkennen van mijn eigen leven. Er zijn veel situaties geweest, vroeger, waarbij ik ben weggecijferd. Ook in het hier en nu zie ik vaak hooggeplaatsten voorbij gaan aan de kleine man. Ik probeer ook te kijken naar de kleine mensen, met hun kleine behoeften. Niet over hun heenkijken, maar juist hun bijzonderheden zoeken.’

    Voor Ronald Julen staat schrijven gelijk aan zelfbevrijding. ‘Er is iets wat jou er toe beweegt, fu bar’ en puru (om het uit te schreeuwen, mv), en dan, als je dat doet, dan voel je je prettig. Als je eet, en je hebt maar een heel klein stukje vlees, dan bewaar je dat tot het allerlaatst. Je neemt het in je mond, je zuigt eraan, en pas bij de laatste hap slik je het door. Zo is het ook met schrijven. Dit is hét, dit is ultimo, ik móet dat gewoon doen. Ik hoef niet te volleyballen.’ Julens gezicht kijkt bijna vies bij de gedachte. En licht daarna weer op als hij besluit: ‘Nee, als ik maar kan schrijven…’

    Gedicht uit als de tijd stilstaat

    ik droomde
    vannacht
    van je
    ed
    in een land
    zonder grenzen
    een droom
    die begon
    met een wilde
    omhelzing
    in een tijd
    loos uur
    ik droomde
    van je
    godin
    je kwam
    als een
    wervel
    wind
    en blies mij
    leven in
    je sprong
    zomaar
    van over de
    grens
    in dit land
    zonder begin
    zonder einde
    ik droomde
    van je
    vannacht
    ed

     

    Gedichten van Ronald Julen zijn verschenen in verschillende bloemlezingen, waaronder de Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en Mama Sranan (1999). In 2003 publiceerde hij in eigen beheer de dichtbundel Als de tijd stilstaat

     

    Foto: Serge Ligtenberg

    What do you want to do ?

    New mail