• Poëziedebuut van Floor Buschenhenke: 'Eiland op sterk water'

    Kies exact. Of Floor Buschenhenke deze overheidscampagne uit de jaren tachtig gevolgd heeft is onbekend, uit haar debuutbundel Eiland op sterk water spreekt in elk geval een fascinatie voor meetinstrumenten en techniek. In het gps-systeem ontwaart Buschenhenke zelfs een nieuwe muziek der sferen. Maar toch moet zij constateren dat al die mooie meetapparatuur, als het erop aankomt, overal net naast kijkt. De gedichten in Eiland op sterk water gaan daarom tussen de harde feiten en cijfers op zoek naar momenten vol inzicht en overgave. De heldere taalvoering, de treffende beelden, maar vooral de milde, eigenzinnige stem die overal doorklinkt, maken Eiland op sterk water tot een debuut dat niets belooft maar gewoon direct prachtige poëzie levert.

    Floor Buschenhenke (1978) schrijft poezie en proza. Daarnaast is ze redacteur en schrijfcoach, bewonderaar en onderzoeker. Ze publiceerde eerder in diverse tijdschriften (Lava, Krakatau, Hollands Maandblad) en werd opgenomen in bloemlezingen. In 2006 ontving ze de Hollands Maandblad Schrijversbeurs. Haar website is www.woordheks.nl

    Floor Buschenhenke, Eiland op sterk water. Atlas, paperback, 60 p., € 18,50

  • Door Christine de Jong

    De Britse schrijver Toby Litt is met Journey into Space in het alfabet inmiddels aangekomen bij de letter J, na Adventures in Capitalism, Beatniks, Corpsing en nog zes titels. Een deel van zijn werk is vertaald, maar vreemd genoeg is daarbij niet deze alfabetische volgorde aangehouden. Finding myself is nu Zelfbeeld geworden en dat is natuurlijk een correcte vertaling, maar waarom niet het alfabet gevolgd, zoals Litt dat doet?

    Ik ben de drummer van de band okay is het verhaal van – inderdaad – de drummer van een band genaamd okay. Deze Canadese groep vertoont trekjes van bands als The Doors en Guns N’ Roses: een rockband met een enigszins ontspoorde leadzanger. Begonnen als scholieren in achterafzaaltjes groeien ze in de loop der jaren uit tot een stadionband met fans over de hele wereld. Leadzanger Syph, bassist Mono, slaggitarist Crab en drummer Clap zijn vaak maandenlang op reis, altijd en overal omringd door meisjes, heel veel meisjes. Werkelijk alle clichés over rockbands komen langs: drank, drugs, seks, groupies, nog meer drugs, overdoses, te magere fotomodellen en eenzame hotelkamers. Ook de ruzies, solocarrières, foute managers en comebacktournees ontbreken niet.

    Gaandeweg groeit de chaos in hun levens en met name in dat van Syph. Diens grootste gave volgens Clap: schaamteloosheid ? zoals een echte leadzanger betaamt. De overige bandleden moeten Syph regelmatig redden van foute vriendinnetjes, uit dichtgeplakte huizen en zelfs een keer uit een boomhut middenin het Zwarte Woud. Litt schetst het beeld van een zelfdestructieve, heroïneverslaafde doch zeer charismatische zanger, type Jim Morrison, onder wiens aanvoering okay wereldberoemd wordt.

    De vier bandleden groeien naarmate ze ouder worden steeds verder uit elkaar. Drummer Clap is het stille, huiselijke type, dat zich bij tijd en wijlen afvraagt wat hij eigenlijk met zijn leven aan het doen is. Hij noemt het zijn ‘nietsisme’, ‘dat ik afwezig ben in mezelf’. Hij is zich terdege bewust van zijn eigen beperkingen ? als drummer, maar ook als zoon, vriend, man ? en die van het leven dat hij leidt. Na het overlijden van zijn vader belandt hij in een crisis, waar hij uitkomt door het boeddhisme en meditatie. En nadat hij Esther ontmoet heeft, ontdekt Clap dat hij zich uiteindelijk het prettigst voelt bij vrouw en kinderen thuis in Vancouver.

    De band okay en de vriendschap met Mono, Crab en Syph blijven ondertussen wel de rode draad door zijn leven en hoe belangrijk die verbondenheid is, blijkt als er zich drama’s voordoen, zoals een overdosis van Syph of wanneer Clap ziek wordt. Pas als van de vier bandleden er nog maar drie over zijn, houdt de band op te bestaan. Aardig is hoe de auteur de vorm (het verhaal van drummer Clap, zoals verteld aan…) vasthoudt tot het einde: op de laatste bladzijden staat een discografie (‘incompleet’) van de band okay.

    De kracht van deze roman zit vooral de beschrijvingen van de vele mensen om Clap heen: het meisje op straat in Rotterdam, zijn vader en moeder, Esther, de familie van een jonge fan die zelfmoord heeft gepleegd, de doodzieke Mike in het ziekenhuis. Met lichte spot en af en toe een beetje sentimenteel schrijft Litt een verhaal over ouder wordende rockers, muziek, vriendschap, liefde en trouw.

    Toby Litt is een buitengewoon ambitieuze auteur die voor geen enkel genre lijkt terug te deinzen. Zo is zijn laatste boek een sciencefictionverhaal en schreef hij eerder een parodie op chicklit. Of Litt in alle genres even succesvol zal zijn, moet nog blijken, maar zijn bijdrage aan het Nick Hornby-achtige, lad lit-genre, waar Ik ben de drummer van de band okay toe gerekend kan worden, is in elk geval zeer geslaagd: humoristisch, ontroerend, zeer goedgeschreven.

    Toby Litt, Ik ben de drummer van de band okay. Anthos, paperback, 288 p., € 19,95 Vertaling: Irving Pardoen

  • Scherpe waarnemingen van een gedreven evolutiebioloog

    Bij het aanschouwen van de nogal simplistische titel en het kinderlijke plaatje dacht ik eerder aan een populaire verhandeling over vingers dan aan een doorwrocht wetenschappelijk boek met veel aandacht voor onderzoek en verluchtigd met diagrammen en grafieken en met een uitgebreid notenapparaat.
    Ik bereidde me voor op saaie lectuur, maar werd steeds meer geboeid door een zeer gedreven wetenschapper die een duizelingwekkend aantal feiten en veronderstellingen over de lezer uitstort.
    Manning ontwikkelde eerder een theorie over seksuele selectie. Acht jaar lang deed hij vervolgens onderzoek naar symmetrie als teken van goede genen. Hij ontdekte dat de vingers van mannen niet alleen gemiddeld langer waren dan die van vrouwen – hetgeen natuurlijk niet spectaculair is omdat mannen gemiddeld groter zijn dan vrouwen – maar ook dat de verhouding tussen hun ringvinger en hun wijsvinger groter (‘lager’ in de terminologie van Manning) is dan die van vrouwen. De vingerverhouding bleek mannelijke vruchtbaarheid beter te voorspellen dan de symmetrie.
    Manning onderscheidt twee typen mannen. Het meest voorkomende Casanova-type heeft een lange ringvinger en bij het naar de Duitse neoklassieke schilder Mengs genoemde Mengspatroon is daartegenover minder verschil tussen wijs- en ringvinger. Dat laatste type is meer kenmerkend is voor vrouwen. Bij hen is de verhouding in het algemeen omgekeerd. Mengs staat kort gezegd voor schoonheid en het Casonova-type komt meer in de buurt van het beest. De individuele vingerverhouding hangt samen met de balans tussen testosteron en oestrogeen in de baarmoeder aan het eind van de eerste drie maanden van de zwangerschap, maar er is nog veel onduidelijkheid geeft Manning toe, bijvoorbeeld door de invloed van cortisol en stressfactoren. Ook de vrouwelijke vorm zelf speelt een belangrijke rol:

    ‘Weelderige vrouwen geven genen voor een hoge oestrogeen ? en een lage testosteronspiegel door aan hun dochters en zoons, die daardoor een hoge vingerverhouding krijgen. Kokervormige vrouwen geven genen door voor een lage oestrogeen ? en een hoge testosteronspiegel door en hebben dochters en zoons en een lage vingerverhouding.’

    De vingerverhouding bepaalt voor een groot deel onze persoonlijkheid en ons gedrag: onze aanleg voor sport, onze seksuele geaardheid en de vatbaarheid voor borstkanker en hartaanvallen. Dit alles door de concentraties testosteron en oestrogeen waaraan het embryo in de baarmoeder heeft blootgestaan. De toestand van het embryo heeft een programmerend effect op onze biologische gesteldheid. Zo beschermt het prenatale testosteron de man tegen hartaanvallen. Dat is dus heel wat anders dan de testosteron die later kan worden toegediend en die vaak hartaanvallen op vroege leeftijd tot gevolg heeft.

    Manning komt met uitvoerige beschrijvingen van onderzoeken, bijvoorbeeld over de invloed van mono- of polygamie op de hormoonspiegel in de baarmoeder en draagt veel bewijsmateriaal voor zijn stellingen aan. Hij schuwt geen complexe verbanden en legt het bestaan uit van schizofrenie en van homoseksualiteit, dat zich in evolutionair opzicht toch uit de markt zou moeten prijzen.
    Zelfs het voetbal ontkomt niet aan zijn blik, misschien ook omdat hij ooit zelf een David Beckham was geworden als hij niet was gezwicht voor de verlokkingen van de evolutiebiologie. Talent voor voetbal blijkt ook al te maken te hebben met een ruime mate van prenataal testosteron. Het is niet voor niets dat Brazilië met zijn sterk gemasculiniseerde bevolking het beste voetballand is.
    Manning zet aan het denken, vooral ook omdat hij niet drammerig is. Als wetenschapper staat hij open voor twijfel, maar aan de andere kant houdt hij wel vast aan zijn eigen opvattingen:

    ‘De mogelijkheid dat prenatale omstandigheden iets te maken hebben met homoseksueel gedrag, klasse en ras hoeft progressieve opvattingen niet per se te ontkrachten of extreme ideologieën te bevestigen. Allereerst moeten we de gegevens afwegen en een goede theorie ontwikkelen; de politieke polemieken komen daarna, indien nodig.’
    Die laatste woorden geven aan hoe gedreven Manning aan het onderzoeken is. Als we hem mogen geloven hoeven we minder te investeren in opvoeding of een dieet, want alles ligt al vast en de neo-freudiaanse theorieën zoals die van Nancy Chodorow over sekse-specifieke socialisatie kunnen zo de kast in.

    Zijn conclusies zouden kunnen leiden tot practische adviezen, bijvoorbeeld voor de luchtvaart.
    ‘Het kan handig zijn om via de vingerverhouding passagiers met een verhoogd risico op te sporen, zodat gericht advies kan worden gegeven om te bewegen en water te drinken (en geen alcohol, waardoor het lichaam juist uitdroogt).’
    Wellicht staat straks onze vingerverhouding naast de vingerafdruk in ons paspoort.

    In het nawoord ? en niet voorwoord zoals abusievelijk op de omslag vermeld staat ? doet bioloog Tijs Goldschmidt er nog een schepje bovenop. Hij stelt dat mannen met een korte penis er niet om gevraagd hebben om negen maanden in vruchtwater gemarineerd te worden dat relatief weinig testosteron en veel oestrogeen bevatte. Men heeft dus altijd verkeerd gekeken, namelijk naar de handpalm en niet naar de vingers. Als hij eerder op de hoogte was geweest van deze kennis, was hij een vingerlengteratiopraktijk begonnen.

    Manning gaat aan het eind van het boek in op onze toekomst waarin we steeds oestrogener worden. ‘Wat ons tot mens maakt is het bad met een hoge oestrogeen- en een lage testosteronconcentratie waarin het menselijke embryo ligt.’ We zijn gefeminiseerde of ge-oestrogeniseerde apen. Die visie komt overeen met andere hedendaagse opvattingen over de man. Manning wijst op de nadelige gevolgen, die het meest bij mannen optreden: verlies aan kracht, verslechtering van het hart- en vaatstelsel, afname van het aantal zaadcellen en een slechtere kwaliteit sperma. Gelukkig konden we door de oestrogenisering taal ontwikkelen en werden we daardoor slimme apen, die de schade kunnen beperken door intelligente oplossingen te verzinnen. Manning is daar echter niet gerust op, getuige de laatste zin: ‘Maar die intelligentie ontwikkelt zich in een richting die ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor het succes van onze soort op de lange termijn.’ Die stelling had hij nog wat nader mogen toelichten, maar dan begeeft hij zich natuurlijk buiten zijn vakgebied.

    Door Rein Swart

    John Manning, Het vingerboek. Athenaeum, paperback, 191 p., € 19,95

  • Fijne vertaal anekdotes

    Recensie door Bianca Graat

    Om te weten dat het vertalen van een klassieker als Moby Dick geen sinecure is, hoef je het oorspronkelijke werk niet eens gelezen te hebben, hoewel je daar als echte literatuurliefhebber natuurlijk nooit voor uit kan komen. De omvang van het boek, het scheepsjargon en de vreemde historische setting werken niet in het voordeel van de vertaler (en ook niet in het voordeel van de lezer overigens). De mythe die er gedurende anderhalve eeuw rondom Moby Dick is ontstaan, zorgt ervoor dat elke ‘hertaling’ met argusogen wordt bekeken. Voor de nieuwste Nederlandse vertaling van Herman Melvilles meesterwerk, die in het voorjaar van 2008 verscheen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, geldt echter dat het meest kritische paar ogen van de vertaalster zelf is. Zo blijkt uit Mobydickiana, een klein essayachtig stuk van de gelauwerde vertaalster Barber van de Pol, dat dit jaar in de Zeeuwse Slibreeks werd uitgegeven.

    Barber van de Pol, vooral bekend als vertaalster van Spaanstalige literatuur, waaronder Don Quichote, wordt tijdens het vertalen van Moby Dick volledig opgeslokt door haar vertaaltaak. ‘De wereld kreeg vanaf een zeker moment een onwaarschijnlijk hoog Moby Dick-gehalte, waar dat tevoren nooit het geval was geweest. […] In je hoofd en je hart kunnen een heleboel hartstochten tegelijk leven, maar dat lijkt dan even niet het geval.’ Uit Mobydickiana spreekt de onvermijdelijkheid van deze hartstochtelijke verbondenheid tussen vertaalster en roman, maar het werkje is allesbehalve geromantiseerd. Van de Pol beschrijft immers bovenal de concrete stappen die ze heeft ondernomen om de negentiende-eeuwse klassieker te kunnen vertalen, zonder daarbij in een linguïstisch betoog te verzanden: ‘Je moet achteraf niet te veel zeggen over je problemen tijdens het creëren. Anderen hoeven niets van de moeite die aan het eindproduct vooraf gaat te merken […] Ik geef hier alleen maar wat flarden, dwalingen en ingevingen tijdens het ontstaansproces weer, voor de aardigheid, om de vertalerij in het algemeen eens iets invoelbaarder te maken.’ Dat is dan ook precies wat ze doet.

    Als een rode draad door het boekje loopt de Amerikaanse reis, die Van de Pol maakt met P. (schrijver en vertaler Piet Meeuse), om dichter bij de wereld van Melville en Moby Dick te komen. Ze vertelt over een klein stadje waar jolige amateurtoneelspelers op een walvisvaarder het verleden willen laten herleven, over de kerkhoven in New York waar ze Melvilles graf niet weet te vinden, over het eerste walvisskelet dat ze ziet en over de eerste ontmoeting met een levende witte walvis: ‘een aangetrouwd achterachterneefje of -nichtje’. Het verhaal krijgt een persoonlijke dimensie ? en de vertaalster krijgt een gezicht ? door opmerkingen over bijvoorbeeld de geboorte van haar kleinkind en haar relatie met reisgenoot P., die niet eenvoudig te duiden is.
    Maar dit verslag is natuurlijk meer dan alleen een Moby Dick-tour langs de Amerikaanse oostkust. De overdenkingen over de te vertalen roman en zijn eigenaardigheden maken het naast een aardig, ook een interessant werkje. Van de Pol beschrijft hoe ze worstelt met de Nederlandse benamingen voor de Engelse scheepstermen, overvloedig aanwezig in het origineel. Ze vertelt hoe moeilijk het is een schijnbaar eenvoudige zin als ‘There she blows’ te vertalen: ‘spoten’ of ‘bliezen’ walvissen in de negentiende eeuw? Dan zijn er natuurlijk ook nog de gevleugelde uitspraken uit de brontekst, waar een Nederlands equivalent voor gevonden moet worden, te beginnen bij de beroemde openingszin ‘Call me Ismael’. De vertaalster wijdt aan dit probleem een flinke voetnoot, waarin ze heel wat mogelijkheden afschiet en uiteindelijk tot het voor haarzelf alsnog weinig bevredigende ‘Noem me Ismael’ komt, met dank aan Maarten Biesheuvel.

    Lezers die reeds eerder het nieuwste Nederlandstalige prachtexemplaar van Moby Dick kochten en het ook daadwerkelijk lazen, zullen Van de Pols vertaalanekdotes bekend in de oren klinken. Veel van de overdenkingen uit Mobydickiana staan al in het nawoord bij de Athenaeumeditie. Voor fervent lezers van vertaalde literatuur, die zich realiseren dat literair vertalen een vak is en voor de lezers, die zich daarvan nog moeten laten overtuigen, is deze Slibuitgave, geïllustreerd door de schrijfster zelf, wel een mooi boekje. Het komt immers niet vaak voor dat een vertaalster de lezer confronteert met haar bestaan om zo het vertaalproces dat zich doorgaans ver buiten het blikveld van de lezer, in het hoofd van de vertaalster, afspeelt, wat tastbaarder te maken. Barber van de Pol heeft daarvoor in Mobydickiana een fijne vorm gevonden.

     

  • Leve de poëzie

    Op Radio 1 zendt de EO dagelijks het programma Dit is de Dag uit waarbij steevast een dichter wordt uitgenodigd een sneldicht te schrijven bij een onderwerp van de uitzending. Uitgeverij Brandaan bundelde de vijftig beste gedichten. Een stoet aan sneldichters, cabaretiers en liedjeszangers passeerde de revue. Ingmar Heytze, Hanz Mirck, Wietske Loebis, Thomas Möhlmann, Frank van Pamelen, Ruben van Gogh, Alexis de Roode, Daniël Dee en Rikkert Zuiderveld om er maar enkelen te noemen. De dichters hadden dus vaak maar een uur de tijd om iets te brouwen. Vreemd genoeg staat dit de kwaliteit van deze 50 verzen niet  in de weg. Een dichter blijft kennelijk een dichter ook al staat deze onder tijdsdruk. Eerlijkheidshalve zij hier wel gezegd, dat er veel gedichten zijn verdwenen en ook zijn dichters na een slecht optreden niet nog eens gevraagd voor de uitzending. Dat is verstandig geweest van de programmamakers. De bijzondere verzen overtuigen. Zo was Alexis de Roode getuige van de aanslag op koningin Beatrix bij de Naald in Apeldoorn, toen de uitzending hot from the spot werd uitgezonden op nog geen 100 meter van de plaats des onheils:

    ‘Koninginnedag 2009’
    De koningin was een wandelende bloem vandaag
    de Loolaan een warme mensenhaag
    het koninklijk huis was van iedereen
    wij allen een beetje koning vandaag.
    Maar 1 man voelde zich koning te veel;
    een auto ging dwars door de mensen heen.
    Maxima zag het, hand aan haar mond.
    Het Nederlands volk grijpt naar het hart.
    De vlaggen werden witte lakens.
    Oranje maakt plaats voor zwart.

    Vier mensen niet meer: Ontferm U Heer.

    De meest uiteenlopende onderwerpen komen aan de orde en dat is eigenlijk wel een voordeel van deze bundeling. Het brengt variatie en verrassing. Wat te denken van een Ode aan de postbode of van verzen over hoofdrekenen, de kredietcrisis, Afghanistan, de PVV, de taxi, JSF en Europa? Het mooiste, ontroerendste gedicht werd door Thomas Möhlmann gemaakt. Aanleiding was een wanhoopsactie van een 42-jarige Iraanse asielzoeker die van een brug bij Nijmegen wilde springen, omdat hij dreigde te worden uitgezet:

    ‘Hier vandaag’

    Bij Nijmegen staat een man op de boog
    op de tweede boog van een brug en
    een stuk verderop begint een ander

    een ander leven, beantwoordt iemand
    rustig vragen vanuit zijn werkkamer
    gewoon en choquerend als zuurkool:

    dingen worden op de agenda gezet
    met een doel, met alle stoplichten
    uit, met zo min mogelijk lastendruk.

    Waar velen verantwoordelijk zijn
    zijn weinigen verantwoordelijk dus
    per saldo komt het geweten van buiten.

    We maken klanten van burgers en
    beleggers van spaarders, redden rozen
    van de straat en we komen geen stap

    vooruit maar de remmen zijn los, daar
    betalen we voor, de verantwoordelijk-
    heid wordt eerlijk verdeeld onder

    anderen en op de boog aan het eind van de rit
    staan de rustgevende regels, de verkeershinder
    wordt verminderd, gekoesterd, hervat.

    Een ander hoogtepunt is het fraaie Spree killer van Ingmar Heytze n.a.v. het bloedbad dat een 17-jarige Duitse scholier aanrichtte op een school. Een lichtere noot verzorgt Wietske Loebis met haar light vers over probleemwijken. Tuinstraat 33c/ na het stuken en behangen/ eventjes de vloer vervangen(…). Ze treedt duidelijk in de voetsporen van Drs.P. En ook Frank van Pamelen, die dagelijks in de krant voor politieke verzen zorgt levert een lichtere bijdrage.
    Het is zoals scheidend programmapresentator Arie Boomsma, die afzwaait bij de EO uitroept: “Leve de Poëzie!”
    Een bundel om van te snoepen.

     

     

  • Zomerse dagen en landerige rust als bedding

    Recensie door Frank Heinen

    In de boeken van Robbert Welagen is het altijd zomer. Er heerst een vredige, bijna landerige rust waarin de hoofdpersonen zich traag en weinig doelgericht voortbewegen. Lange, eindeloze zomers zijn het, vol glazen limonade en lommerrijke tuinen waarin schommels staan. Door de geopende ramen hoor je in de verte de geluiden van de stad. De schijn van geluk wordt gewekt, en misschien ís dat er ook wel. Maar het is een broos soort geluk: één tikje en de barstjes worden zichtbaar.

    In Verre vrienden, Welagens derde roman, spelen herinneringen wederom een belangrijke rol. Ging het in Philippes middagen nog om een familiegeschiedenis, in Verre vrienden speelt de mysterieuze vriendin Eline Combier de hoofdrol. Eline is een soort sprookjesprinses, hoogbegaafd én ontstellend mooi die in een ver verleden een zomer in de villa van de familie Stuart heeft gewoond. Worstelend met een overleden vader en een moeder die eist dat Eline haar talent ten volle benut, is Eline niet de eerste de beste dwarse puber. Ze ligt hele dagen in de hangmat in de tuin en leest in de Winkler Prins encyclopedie. Die moet ze voor het eind van de vakantie uit hebben.
    De herinnering aan deze trage zomervakantie wordt bij Olivier Stuart opgeroepen als hij Eline na bijna vijftien jaar weer tegenkomt. Eline is verward en verwaarloosd en kort na hun hernieuwde kennismaking overlijdt ze zelfs. In zijn hoofd keert Olivier terug naar die ene zomer in 1994, een zomer waarin bijna niets gebeurde. Olivier runt inmiddels een hoedenwinkel in de stad, een mooie betrekking voor de ietwat wereldvreemde jongen die hij lijkt te zijn. In die zomer wordt hij tijdelijk in de schaduw gesteld door de excentrieke en opvallende Eline, maar dat lijkt hem niets uit te maken. Immers, ook als zij er niet is verkiest Olivier het liefst de schaduw. Het allerliefste zit hij in een van de hoge bomen in de tuin van de villa, gekleed in zijn eeuwige groene pyjama. Door het dragen van die pyjama vergelijkt Eline hem met Peter Pan, en daarmee legt ze de vinger pijnlijk op de zere plek.

    Welagen gaat in Verre vrienden door waar Philippes middagen en Lipari ophielden. De zonnige, trage atmosfeer van Lipari en de wat meer unheimische kenmerken van Philippes middagen komen samen in een verhaal dat meteen, in de eerste zinnen, begint met een sterfgeval. De afloop is bekend, maar in plaats van de spanning daarmee weg te nemen, voert Welagen hiermee de spanning juist op. Wat is er gebeurd met dat briljante meisje dat op een middag zomaar de oprijlaan van de familie Stuart op kwam lopen? Eigenlijk geeft de schrijver geen antwoord op die vraag, zoals veel vragen onbeantwoord blijven. Want wat is er precies mis met een jongen van zestien jaar die in een groene pyjama rondloopt en hele middagen in een boom doorbrengt? Welagen werpt ze op, die vragen, zonder er verder op in te gaan. Dat is ook de grote kracht van de schrijver, die met zijn terloopse, uiterst precieuze stijl alles te raden overlaat.
    Met die stijl is Welagens handelsmerk genoemd, een manier van schrijven die hij, in vergelijking met zijn vorige twee romans, verder heeft aangescherpt en die uitstekend geschikt is voor het oproepen van de milieus vol vergane glorie waarin zijn hoofdpersonages rondslenteren.

    Het literaire spel dat Welagen speelt als het gaat om de strijd van Olivier met de moderne tijd, in één scène zelfs letterlijk, is een verrijking voor het boek. De komische passages zijn eveneens geslaagd: bij het beschrijven van het groepje vroegoude vriendjes van Eline en Olivier houdt de verteller voortdurend zijn gezicht in de plooi. Ook hier is de stijl van levensbelang: één slechtlopende zin en de zorgvuldig opgebouwde sfeer is om zeep.
    Uiteindelijk komen we niet te weten wat er precies met Eline is gebeurd. Geeft ook niet; we hebben tenslotte weer een landerige zomer lang over de schouder van de virtuoze Robbert Welagen mogen meekijken.

     

  • De woorden leven en hoe!

    Over sommige boeken zou ik helemaal niets willen zeggen om er niets over te verklappen, maar er alleen op wijzen of er desnoods iets over te zingen, net zoals in dit boek de potige vader Jay en later ook de moeder Laura doen voor hun zoon op een gestikte deken in de achtertuin.

    ‘Meestal werd er dan niet gesproken, ze luisterden maar wat naar de geluidjes en keken omhoog naar de sterren en voelden zich heel erg kalm en blij en droevig tegelijk, en dan zette zijn vader opeens heel zachtjes in, haast alsof hij voor zichzelf zong: ‘Daal neer,’ en wanneer hij bij ‘zegekar’ kwam zong zijn moeder al mee, even zachtjes, en bij ‘voer me mee en breng me thuis’ gingen hun stemmen de hoogte in, en als hij omhoog keek van waar hij lag tussen hun hoofden dan keek hij recht naar de sterren, zo dichtbij en gezellig, met daarachter, over het topje van de hemelboog, een enorme vlaag sterrenstof als meel.’

    Omdat zingen op papier moeilijk gaat en ik gebonden bent aan letters, zou ik, zonder te veel te onthullen, in zijn algemeenheid kunnen zeggen dat het gaat om een hartverscheurend portret van een gezin en een grootfamilie in het zuiden van de Verenigde Staten, voornamelijk gezien vanuit de ogen van het jongetje Rufus.
    Maar het is veel meer dan dat. Het is een botsing tussen een kind en de volwassen wereld, tussen de beleving van een gevoelig kind en de vaak broeierige wereld van de volwassenen met vele onbegrijpelijke ondertonen zoals oordelen, sympathieën en antipathieën, strategieën om te overleven, hele en halve conflicten en – in dit boek – vooral geloof en ongeloof.

    Het verhaal speelt zich af aan het begin van de vorige eeuw, in een tijd van de opkomst van de auto en rassentegenstellingen. Als de moeder van Rufus hem opdraagt om niet met de zwarte vroedvrouw Victoria, die hem vlak voor de geboorte van zijn zusje Emma wegbrengt naar familie, over haar huidskleur te praten, kan hij het toch niet laten om haar te vragen of ze een negerin is. Rufus voelt zich daarover schuldig, maar zij stelt hem gerust, waarop zijn wereld weer geheeld wordt.

    ‘Om hen heen verbreidde zich een stilte waarin hij een immense ruimte ervoer, bijna die van de duisternis zelf, en tegelijk een immense vrede en troost; en heel deze onmetelijkheid was gevuld met haar vage gezicht en het wuivende licht van de bladeren.’

    Dat Agee twintig jaar aan de tekst geschaafd heeft is te merken. Hij formuleert zeer zorgvuldig, bijvoorbeeld over het vastmaken van een kousophouder bij Rufus door zijn vader Jay of vijf pagina’s lang over een ritje in de draaimolen, maar vooral toont hij zich een meester in het beschrijven van de vele schakeringen van menselijke emoties, zoals bijvoorbeeld over de spijt van Rufus als hij geprobeerd heeft een pianotoets met een lucifer bruin te maken. In het daarop volgende gesprek wijst zijn oma hem terecht wijst en vergeefs probeert de schade ongedaan te maken.

    ‘Toen ze zei nu blijven ze voorgoed zitten. Ze gaan er nooit meer af, had hij weer spijt. Niet zoveel als eerst maar toch spijt. Hij wilde dit haar zeggen. Maar hij kende alleen het gevoel en niet het woord, dus na even hard nadenken hoe hij het moest zeggen zei hij: Ik bedoelde het niet zo. Ze draaide zich met een ruk naar hem toe en zei nog droger en bitser dan daarvoor Hoe bedoel je je bedoelde het niet zo! Je deed het toch? Daarna had hij al heel wat minder spijt, maar nog wel een beetje spijt en het was de eerste keer in zijn leven dat hij zich zo voelde.’

    De rijk geschakeerde werkelijkheid komt ook tot uiting in de gesprekken. Agee heeft een goed oog voor allerlei verschillende stemmingen. Hij neemt er de tijd voor om de familieleden te laten uitspreken en om hen terug te laten komen op eerder ingenomen standpunten. Daarbij is zijn taal niet zonder humor. Als grootvader Joel Rufus vertelt over een schilderij bij hem aan de muur dat een voorstelling uit Egypte verbeeldt, verstaat Rufus een gipte. De kinderen begrijpen vaker de woorden van de volwassenen niet, maar nooit wordt het verhaal daarmee kinderachtig. Agee beschikt over een groot psychologische inzicht, zoals blijkt uit het volgende citaat:

    ‘Wanneer verdriet en ontreddering het incasseringsvermogen te boven gaan, doen zich korte tijdspannen van uitputting en verdoving voor waarin men betrekkelijk weinig voelt en de illusie heeft nogal wat te onderkennen en te doorgronden.’

    Zoals ook de andere citaten laten zien wordt de hoofdpersoon in de derde persoon aangeduid hetgeen afstand schept maar soms ook wringt.
    Heel even treedt de schrijver zelf het verhaal binnen als hij het heeft over de stille plek waar Rufus wel eens met zijn vader in het donker zit en beseft dat zijn vader deze plek nodig heeft om tot rust te komen.

    ‘Deze dingen waren voor hem zonneklaar, maar natuurlijk volstrekt niet zoals wij het hier in woorden uitdrukken.’

    Agee bediende zich al in 1957 van experimenteel taalgebruik, daar waar hij de Ford laat vertrekken op klanken en dat ook in de bladspiegel laat zien.

    In het nawoord van de vertaler De woorden moéten leven staat dat Agee een poëtische taal wilde ontwikkelen die zo volmaakt en vlak over de hele reeks gebeurtenissen ligt als de huid over alle organen van het menselijk lichaam, de vitale zowel als de triviale. Dat lijkt me in dit magnum opus meer dan gelukt, net als de toon waarvan hij wilde dat die goed zou zijn.

    Door Rein Swart

    James Agee, Een sterfgeval in de familie. Van Oorschot, ingenaaid, 412 p., € 22,50. Vertaling: N. Ysebaert

  • Tsjêbbe Hettinga schrijft Gedichtendagbundel 2010

    Het thema van Gedichtendag, die op 28 januari 2010 wordt gevierd, is ‘Over de grens’. De Friese dichter Tsjêbbe Hettinga schrijft de Gedichtendagbundel.

    Het gaat om alle denkbare grenzen, zeggen organisatoren Stichting Lezen en Poetry International. ‘Of dat nu gaat over een geografische grens, een grens van fatsoen, een taalgrens of de grens van de kunstvorm, poëzie is constant in beweging.’

    Meer dan 400 scholen, bibliotheken, culturele instellingen, bedrijven en particulieren zullen op Gedichtendag activiteiten organiseren. Vanaf die dag is ook de Gedichtendagbundel te koop, die wordt geschreven door Tsjêbbe Hettinga. Hettinga is een dichter die regelmatig grenzen overschrijdt. De verschijning van zijn tweetalige bundel Vreemde kusten/Frjemde kusten (1995) stimuleerde wederzijdse uitwisseling tussen Nederlandstalige en Friestalige poëzie. Zijn werk werd vertaald in het Nederlands, Engels, Duits, Frans en Spaans.

    Gedichtendagbundel 2009, Waar ek jou word van Antjie Krog, was afgelopen Gedichtendag, donderdag 29 januari 2009, in één ochtend uitverkocht. Mede-organisator Poetry International heeft geen exemplaren meer. Boekhandelaren die nog een exemplaar van deze bundel hebben, kunnen contact opnemen met Marjolijn Abel (abel@poetry.nl) van Poetry International. (Bron: RR, (c) Boekblad)

  • Gouden Lijst naar 'Allemaal willen we de hemel' van Els Beerten

    De jongerenliteratuurprijs die in het leven is geroepen nadat de Gouden Zoen werd stopgezet, de Gouden Lijst, is gewonnen door Allemaal willen we de hemel van Els Beerten (Querido). De prijs werd afgelopen zaterdag uitgereikt.

    De drie genomineerden op de shortlist, naast Beerten Voor jou tien anderen van Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck en De gelukvinder van Edward van de Vendel en Anoush Elman (beide titels komen uit de Slash-reeks), zijn alledrie uitgaven van Querido. Allemaal willen we de hemel maakte uiteindelijke de meeste indruk op de jury.

    Volgens juryvoorzitter Bies van Ede is Allemaal willen we de hemel ‘spannend, ontroerend en maakt inzichtelijk dat het leven niet zo simpel in elkaar steekt: iedereen moet keuzes maken die voor hem of haar onvermijdelijk zijn en de uitkomst is onzeker. De plot is onvoorspelbaar, het verhaal kantelt en inzichten verschuiven zodat er een nieuw licht op de daden en motieven van de karakters wordt geworpen. Het wemelt van de mooie zinnen en rake observaties.’

    De Gouden Lijst werd geïnitieerd door Ted van Lieshout en Hans Hagen en uitgereikt op de Middag van het Kinderboek die zij ook organiseerden. De Lijst is een reactie op het stopzetten van de Gouden Zoen door de CPNB, de enige jeugdliteratuurprijs in Nederland. Of de Gouden Lijst een vervolg krijgt is nog niet bekend.

    De jury bestond uit kinderboekenauteurs Bies van Ede, Femke Dekker, Marjolijn Hof, Tine Mortier en Tjibbe Veldkamp. (Bron: VE, (c) Boekblad)

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.

     

  • Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Volgens de achterflap hebben we te maken een doctoraalscriptie, die de Scriptieprijs van de Stichting Lezen 2007 heeft gewonnen. Dat maakt meteen al nieuwsgierig, want zoveel scripties krijgt de gemiddelde lezer niet onder ogen. Ook het onderwerp over het reilen en zeilen tijdens de Tweede Wereldoorlog van de Arbeiderspers, die nauw verbonden was met de sociaal-democratische SDAP, boeit bij voorbaat. Bij mij kwam meteen de vraag op hoe het mogelijk was dat een socialistische uitgeverij ging samenwerken met de nazi’s. Frederike Doppenberg heeft het functioneren van de uitgeverij zeer gedegen onderzocht met als resultaat een boek met een uitgebreid notenapparaat en zelfs de complete fondslijst van de uitgeverij in de oorlogstijd. Soms vond ik het wat te gedetailleerd voor een boek. In het Tot slot vat ze alles in zo’n tien bladzijden nog eens samen en in de Verantwoording laat ze weten dat er nog een uitgebreide toelichting op haar werkwijze te vinden is in haar scriptie, die zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam bevindt.

    Na een bespreking van de nationaal-socialistische literatuurpolitiek, die vooral het volkse en het positieve wilde benadrukken en sterk doet denken de opvattingen van Rita Verdonk in onze tijd, komt Doppenberg in hoofdstuk twee bij het dilemma waar de Arbeiderspers in het begin van de bezetting voor stond, namelijk of men de supervisie moest accepteren van de nationaal-socialist Rost van Tonningen en zijn adjudant Kerkmeester, die door de nazi’s aangesteld werden om toezicht te houden op zowel de partij, dagblad Het Volk als op de boekenuitgeverij. Volgens Doppenberg bestond er na de benoeming van Rost van Tonningen geen eenstemmigheid over het precieze verloop van de gebeurtenissen. Algemeen directeur Van der Veen pleegde zelfmoord en partijvoorzitter Koos Vorrink sprak zich uit tegen samenwerking. Willem Vliegen achtte het echter verstandiger om door te gaan om de positie van de SDAP te consolideren. Opheffing van organisaties als de Arbeiderspers en de Vara zou de continuïteit na de oorlog bemoeilijken. Vliegen stelde dat hun lezers wijs genoeg waren om de veranderde verhoudingen te doorzien en besliste de kwestie in zijn voordeel. De nationaal-socialisten zagen in de Arbeiderspers een spreekbuis voor hun ideeën en stelden het voor dat zij het ware het socialisme vertegenwoordigden. Rost van Tonningen deed het zelfs voorkomen dat de Nederlandse zelfstandigheid gewaarborgd zou zijn als men voor samenwerking koos. Af en toe liet men uitgaven van ongewenste schrijvers passeren om de lezers niet teveel af te schrikken en kwijt te raken. Niet iedereen ging mee. Sommigen namen met een opgelucht gevoel ontslag, anderen stapten over naar Singel 262 en zetten tot het verbod in mei 1942 de succesvolle ABC-reeks voort.

    De nieuwe directeur Schuhmacher moest laveren tussen economie en ideologie. Hij wist de boekenuitgeverij overeind te houden temidden van censuur door nationaal-socialistische ambtenaren, papierschaarste, transportproblemen en stroomgebrek, waardoor men tenslotte handmatig de persen moest bedienen. Daarnaast zorgde hij ervoor dat zijn personeel vrijstelling kreeg van de Arbeitseinsatz en regelde hij voedsel voor hen. Onder zijn leiding verschoof het accent naar fictie om de non-fictie te bekostigen. Het waren de hoogtijdagen van de Friese literatuur. Streekromans pasten uitstekend in het ideaal van volkse literatuur. Ook boeken als Veel groenten van weinig grond deden het goed.
    Desondanks verloor men dramatisch veel klanten in het begin van de oorlog. Dat werd in de latere jaren grotendeels werd goedgemaakt door de succesvolle ARBO-reeks die tegemoet kwam aan enorme leeshonger in de oorlogsjaren. Door het eigen distributienetwerk met colporteurs en eigen winkels had men een voordeel op andere uitgeverijen.
    Volgens Doppenberg publiceerde bij de uitgeverij zowel socialistische als nationaal-socialistische schrijvers. Achteraf is het soms moeilijk te bepalen waarom een schrijver als ongewenst werd bestempeld. Doppenberg citeert Sjaak Hubregtse, die schrijft:

    ‘Wat is hier aan de hand? Niets wijst erop dat Rost van Tonningen en Kerkmeester onnozele domkoppen waren. Hadden ze zoveel vertrouwen in Schuhmacher dat hij, behoedzaam en slim, gewoon zijn gang kon gaan? Interesseerde het hen niet, of hadden ze het te druk? Waren ze zo bang de socialistische doelgroep van zich te vervreemden dat ze haar liever voorzagen van socialistische literatuur dan nationaal-socialistische? Of is hun herhaalde uitspraak ‘dat ze eigenlijk ook socialist zijn’ op ironische wijze waar?’

    Volgens Doppenberg was het niet waarschijnlijk dat er een nationaal-socialistische strategie zat achter het uitgeven van boeken van ongewenste auteurs. Het hing allemaal van toeval aan elkaar.
    Schuhmacher kreeg na de oorlog veel kritiek te verduren, omdat hij verantwoordelijk was voor de nationaal-socialistische uitgaven. Een schorsing op zijn vakgebied voor drie jaar werd door het personeel ongedaan gemaakt, maar hij kreeg wel ontslag bij de Arbeiderspers.

    Doppenberg geeft een aardig inkijkje in de wereld van een uitgeverij, die volgens haar niet alleen de geschiedenis volgt, maar die met haar uitgaven ook máákt. Tijdens de oorlogsjaren was een eigen beleid door alle gekonkel en gekronkel moeilijk te voeren.
    De cruciale vraag blijft voor mij nog steeds of de Arbeiderspers wel door had moeten gaan. De uitspraak van Schuhmacher, weergegeven in de titel, laat weinig ruimte voor een andere afweging. Het zou interessant zijn als de kwestie, ook in vergelijking met andere uitgeverijen, nog eens nader zou worden onderzocht.

    Door Rein Swart

    Frederike Doppenberg, De Arbeiderspers moest blijven marcheeren. De Arbeiderspers, paperback, 240 p., € 19,95

  • Overtuigend pleidooi voor zelfbeschikking van de vrouw over haar lichaam en leven

    Recensie door Librije

    In september 2002 traden Naema Tahir en Ayaan Hirsi Ali samen op in een legendarische uitzending van Rondom Tien over zelfkritiek en moslims. Naema was gevraagd omdat ze een opiniestuk had gepubliceerd over het gebrek aan zelfkritiek bij moslims. Hun tegenstanders (twee orthodoxe Marokkaanse moslims) bleken niet in staat een redelijke discussie te voeren op argumenten en vielen hen agressief aan. Haatmails waren het gevolg voor de beide dames en Ayaan werd voor het eerst bedreigd. Desondanks zijn beiden zich in blijven zetten voor de emancipatie van de moslimvrouw, zij het ieder op een andere manier. Ayaan zocht de politiek en de media op, Naema besloot vooral haar pen het werk te laten doen. Er volgden meer opiniërende artikelen in de Volkskrant en NRC Handelsblad, lezingen en interviews. In 2005 verscheen haar eerste boek: Een moslima ontsluiert. Inmiddels (juni 2009) is de vierde druk een feit. Een veelgelezen boek dus. En dat intrigeert, want het is non-fictie, geen roman. Maar wie erin begint te lezen zal al snel ontdekken dat het leest als een spannend verhaal.

    Het boek begint met een voorwoord waarin ze benadrukt dat ze een persoonlijk relaas biedt om zo een bijdrage te leveren aan het debat over de positie van de moslima. Elk mens heeft uiteraard een eigen, unieke geschiedenis. Toch wil ze met haar verhaal duidelijk maken: ‘ (…) wat een moslima doet denken en handelen zoals ze doet in verschillende fasen van haar bestaan. Daarbij zoek ik steeds de menselijke maat die hoort bij elke opvoeding – niet alleen van moslims of migranten. En misschien is dat wel de rode draad van het boek. Het gaat om de mens. De mens in de migrant en de mens in de moslim.’
    Juist door haar eigen verhaal te vertellen komt de mens als migrant en moslim het best tot zijn recht en voorkomt ze te kortzichtige generalisaties.

    Naema Tahir (1970) vertelt op een geestige, relativerende maar ook kritische manier over haar leven tussen drie culturen: Brits, Pakistaans en de Nederlandse. Het eerste deel van het boek kreeg de titel: Rusteloze zolen: fragmenten uit een migrantenleven. Daarin beschrijft ze in korte hoofdstukken haar jeugd in Engeland en Nederland en de 2 jaar die ze als puber in Pakistan doorbracht. Het gaat daarbij vooral over de aanpassing aan steeds een ander land, een andere taal en cultuur en over regels en taboes die bij de Pakistaanse opvoeding horen. Het deel eindigt met de terugkeer van het gezin naar Nederland.
    In het tweede deel: Dolle Amina’s: fragmenten uit het leven van een moslima gaat het levensverhaal van Naema Tahir verder. Daarnaast staan er ook verhalen in over andere moslimvrouwen om aandacht te vragen voor onderwerpen die wel verband houden met de islamitische praktijk, maar haar persoonlijk niet overkomen zijn. En een aantal bewerkte opinieartikelen voor zover die in deze context passen.

    Het boek leest bijna als een roman, met name waar het gaat over het leven van Naema en haar lotgenoten. Door haar heldere en beeldende verteltrant raak je als lezer volop betrokken bij het migrantenmeisje en de verwarrende en frustrerende gebeurtenissen die haar overkomen. In het tweede deel is het vooral het conflict met haar ouders over een door haar geweigerde, gearrangeerde verloving, waarbij ze overtuigend weet te vertellen welke dilemma’s dat met zich mee brengt en hoe pijnlijk de ervaring was tussen twee culturen in te staan en nergens begrip en steun te kunnen vinden.
    Naast het spannende element dat zo in het boek gebracht wordt, houdt ze een persoonlijk en overtuigend pleidooi voor zelfbeschikking van de vrouw over haar lichaam, seksualiteit en leven. Ze heeft een grote kennis van zaken (ze is mensenrechtenjuriste) en snijdt onderwerpen uit het huidige debat over allochtonen, Islam en de positie van de vrouw op een redelijke, niet-provocerende wijze aan. Dat dat aanspreekt, mag blijken uit de vier drukken die in vier jaar tijd van het boek verschenen zijn.

    Na Een moslima ontsluiert verscheen Kostbaar bezit (2006), een bundel erotische verhalen, waarin de hypocrisie van de Islam ten opzichte van de rol van de vrouw tot uitdrukking komt. Eenzaam heden (2008) is haar eerste roman, over een migrantengezin in Engeland met de dochter Dina in de hoofdrol. In 2008 verscheen ook Groenkapje en de bekeerde wolf en andere moslimsprookjes. Zowel de Islam, als de houding van het westen t.o.v. de Islam worden daarin wat betreft de man-vrouw verhoudingen op humoristische en ironische wijze aan de kaak gesteld. In 2010 zullen nog twee boeken verschijnen: De martelares (een vervolg op Eenzaam heden) en Elegante emancipatie: opnieuw een non-fictieboek met daarin haar enigszins gewijzigde visie op de emancipatie van de moslimvrouw.

     

    Naema Tahir is via VPRO-boeken (http://boeken.vpro.nl/personen/39764205/) te zien en te beluisteren in o.a. Zomergasten en de bovengenoemde uitzending van Rondom Tien.