• Vierde seizoen Benali Boekt met zes klassiekers

    Ter gelegenheid van een nieuw seizoen van Benali Boekt was er een speciale viewing in SPUI25 te Amsterdam. Er werden fragmenten uit de serie getoond en er stonden live interviews door Abdelkader Benali met o.a. Renate Dorrestein en Gerbrand Bakker gepland. De laatste liet helaas verstek gaan. Maar Abdelkader Benali loste dit op door L.H. Wiener, die ook in de zaal zat, aan tafel te nodigen voor een gesprek over zijn ontmoeting als zestienjarige met de door hem bewonderde schrijver F. Bordewijk.

    In de nieuwe serie Benali Boekt bij NTR, onderzoekt Abdelkader Benali de blijvende invloed van zes boeken uit zeer uiteenlopende periodes van de Nederlandse literatuur. Literaire klassiekers die nog steeds actueel zijn, zoals de novelle Bint van F. Bordewijk en Jan Rap en z’n maat van Yvonne Keuls. Maar ook het boek Een hart van steen van Renate Dorrestein, dat met groot succes maar ook met gemengde gevoelens werd ontvangen, behandelt een thema dat nog steeds aan de orde is: kindermoord door een (van de) ouder(s). En waarom sloeg Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong zo aan bij het grote publiek? En wat is er te zeggen over de theorie van Harry Mulisch, dat iedereen zich net zo kan ontwikkelen als de oorlogsmisdadiger Eichmann. Was De zaak 40/61 een journalistiek verslag of literaire fictie? Ook dat wordt onderzocht in Benali Boekt. Benali gaat in gesprek met twee van de zes schrijvers die nog in leven zijn, om te weten te komen hoe deze literaire klassiekers tot stand zijn gekomen, hoe ze ontvangen werden en waar ze aansluiten bij de actualiteit van nu.

    L.H. Wiener (1945) is fan van het eerste uur van F. Bordewijk en ontving in 2003 zelfs de F.Bordewijk-prijs, vernoemd naar zijn geliefde schrijver, voor zijn roman Nestor. Wiener vertelt dat hij als jongen in 1951 door middel van een briefje, de schrijver had gevraagd hem te mogen interviewen, waarop hij werd uitgenodigd langs te komen. Hoe zenuwachtig hij was en dat Bordewijk hem iets te roken en te drinken aan bood. Op de vraag van Wiener of Bordewijk met de vreemde namen die hij in zijn boeken gebruikte een bedoeling had, antwoordde de schrijver kortweg: ‘ Nee, zomaar’. In de aflevering over Bordewijk keert Wiener met Benali terug in de kamer waar hij Bordewijk geïnterviewd heeft.

    Renate Dorrestein schreef acht boeken alvorens ze in 1983 met Buitenstaanders debuteerde. Zij vraagt zich aan het eind van het gesprek met Benali af, of ze zou zijn gaan schrijven, zoals ze schrijft, als haar jongste zusje geen zelfmoord had gepleegd. Haar zusje had ook plannen om schrijver te worden en in zekere zin is Dorrestein na de dood van haar zusje gaan schrijven voor haar. Tot op de dag van vandaag is deze ingrijpende gebeurtenis in het leven van Dorrestein van grote invloed op haar werk. Haar nieuwste boek, Blokkade, over het writersblock dat haar overviel, doet haar zichzelf afvragen: ‘Wat als ik moest kiezen tussen mijn zusje en blijven schrijven?’ Waarop Benali afsluit met: ‘Altijd dat ongeluk bij Dorrestein.’ Ongeluk als drijfveer, veel auteurs schrijven daarmee hun beste werken.

    Een bruisend fragment uit de aflevering met Yvonne Keuls, doet Benali de opmerking ontsnappen dat de samenwerking met Keuls de meest uitputtende was. Zoveel energie bezit Keuls dat een oud-medewerker van het jongerenhuis, waar Jan Rap en z’n maat op gebaseerd is, niet aan het woord kwam. Genieten is het wel om deze enerverende 80 jarige dame de tijden van toen te zien herbeleven. Zelf kijk ik uit naar de laatste aflevering over het ontstaan van Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Het fragment, opgenomen op verstilde sneeuwakkers met dichtgevroren sloten en Bakker zelf, die duidelijk niet teveel wil prijs geven, stemt empatisch.

    Met dit vierde seizoen is volgens Benali de huidige vorm gevonden die hem, als presentator, voor ogen stond vanaf de eerste serie Benali Boekt. ‘Hoe we naar de wereld kijken, bepaalt ons wereldbeeld’, is het credo van Benali.

    De volgende boeken  worden besproken:
    Een hart van steen – Renate Dorrestein (zondag 3 maart)
    Opwaaiende zomerjurken  – Oek de Jong (zondag 10 maart)
    Jan Rap en z’n maat – Yvonne Keuls (zondag 17 maart)
    Bint – Ferdinand Bordewijk (zondag 24 maart)
    De zaak 40/61 – Harry Mulisch (zondag 31 maart)
    Boven is het stil – Gerbrand Bakker (zondag 7 april)

    Uitzending op Ned. 2 om 18.50 uur.

     

     

  • Volgens jury BNG Literatuur Prijs was 2012 in literair opzicht een tam jaar

    De genomineerden voor de BNG Literatuurprijs 2012 zijn Auke Hulst (1975) met Kinderen van het ruige land, Christiaan Weijts (1976) met Euforie en de twee Vlaamse schrijversJoost Vandecasteele (1979) met Massa en Annelies Verbeke (1976) met de verhalenbundel Veronderstellingen.

    De jury nomineerde dit jaar uit het aanbod van 21 inzendingen slechts vier auteurs voor de prijs. Er werd door de jury een kanttekening gemaakt over de kwaliteit en de durf van de inzendingen. Volgens het juryrapport: ‘In literair opzicht was 2012 een tam jaar. Niet alleen in absolute zin verschenen er minder romans van jonge schrijvers, ook inhoudelijk gezien maakte de opbrengst een voorzichtige en gedweeë indruk.

    Opvallend vaak was de blik naar binnen gericht; op de kleine beschermde wereld van de personages en hun dikwijls prille gevoelsleven. Kwamen grotere visioenen nauwelijks over het voetlicht doordat ook uitgevers in tijden van crises op safe spelen en derhalve nalaten met lef te investeren?’ De jury heeft ervoor gekozen auteurs te nomineren die laten zien dat zij iets te vertellen hebben over de tijd waarin we leven. ‘Hun werk prikkelt, zindert, gromt en laat zo nu en dan de tanden zien.’

    De BNG Literatuur Prijs is een oeuvreprijs die in 2005 door literair agent Paul Sebes in het leven werd geroepen en is bedoeld om niet doorgebroken jonge auteurs mentaal en financiëel aan te moediging. Kandidaten voor deze prijs moeten Nederlandstalige auteurs zijn, geboren in 1972 of later, twee of meer literaire prozawerken op hun naam hebben staan en nog niet doorgebroken zijn, geen grote literaire prijs hebben gewonnen en waarvan tussen 1 januari 2012 en 31 december 2012 een nieuw boek is verschenen. De winnaar ontvangt 15.000 euro.

    De jury van de prijs, bestaande uit Marja van der Tas, Han Ceelen, Daniëlle Serdijn, Jeroen Vullings en Ward Wijndelts, zegt in een persbericht teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de inzendingen.

    Op donderdag 7 februari 2013 wordt de BNG Nieuwe Literatuur Prijs uitgereikt in de Amstelkerk op het Amstelveld, te Amsterdam.

    Eerdere winnaars van de BNG Literatuur Prijs waren Jan van Mersbergen (2011), Gustaaf Peek (2010), Carolina Trujillo (2009), Rachida Lamrabet (2008), Sanneke van Hassel (2007), Yves Petry (2006) en Esther Gerritsen (2005).

    Meer over de keuze van de jury is hier te lezen.

     

  • Roman Speeldrift van Juli Zeh bewerkt tot theatervoorstelling

    Agenda: 5 februari t/m 8 maart 2013

    De roman Speeldrift (2006)  van Juli Zeh wordt bewerkt tot een theatervoorstelling waarin Tamar van den Dop, Stefan de Walle, Mariana Aparicio Torres en Vincent van der Valk een rol vertolken. Regisseur Casper Vandeputte en Rik van den Bos maakten voor deze voorstelling een geheel nieuwe bewerking van de roman.  

    Ada komt als nieuwe leerling op een vooraanstaande middelbare school. Haar intelligentie maakt haar direct tot buitenstaander: te slim en onhandelbaar voor de leraren en te gevaarlijk en vreemd voor haar medeleerlingen. Zij op haart beurt vindt iedereen burgerlijk en dom. Alleen in klasgenoot Alev treft ze een zielsverwant. Samen zien ze de wereld zoals hij is, een door God verlaten speelplaats. Ze gebruiken de naïef-optimistische gymleraar Smutek om hun filosofie in de praktijk te onderzoeken. Hij ontpopt zich als willige pion in een gevaarlijk en erotisch geladen spel. Maar dan barst de bom. Het eindspel vindt plaats in de rechtbank. Hier staat de beruchte rechter Koude Sophie voor een nagenoeg onmogelijke opgave: hoe kun je rechtspreken over mensen die zich buiten de maatschappij hebben geplaatst en geen enkele norm of waarde erkennen?

    In haar roman Speeldrift geeft de Duitse schrijfster en juriste Juli Zeh (1974) een haarscherpe analyse van het tijdperk na 9/11. Ze koppelt een herkenbaar en meeslepend verhaal aan de maatschappelijke uitdagingen van deze tijd: de verhitte zoektocht naar normen en waarden, het opnieuw vormgeven van politiek en rechtspraak, en de vraag hoe om te gaan met spectaculair terrorisme van verwarde eenlingen. Haar werk werd in Duitsland al eerder met veel succes vertaald naar het toneel. Rik van den Bos maakt met Casper Vandeputte voor deze voorstelling een nieuwe theaterbewerking waarin de luchtige vertelstijl langzaam omslaat in een filosofische thriller.

    Casper Vandeputte (1985) studeerde in 2008 af aan de Regie Opleiding Toneelacademie Maastricht. Hierna maakte hij bij het Huis van Bourgondië in Maastricht de voorstellingen Woyzeck – your favourite working class hero en Oh my God, it’s a horse.

    Speeldrift, is van 5 februari tot en met 8 maart te zien in de Nederlandse theaters, première donderdag 7 februari in de Toneelschuur Haarlem en is een voorstelling van Toneelschuur Producties in coproductie met het Nationale Toneel.

     

    Kijk voor de speellijst en meer informatie op: www.toneelschuur.nl

    Fotografie: Sjoerd Knibbele

     

     

  • Het ritme van Elly de Waard vanavond in Het uur van de wolf

    door Ingrid van der Graaf

    Vanavond zendt Het Uur van de Wolf (NTR) de documentaire Het Ritme van Elly de Waard uit. De 72-jarige De Waard toont zich in vele gedaantes: als dichter, voormalig popjournalist, feminist, beurshandelaar en als ‘huismeester’ van het voormalige rustoord Vogelwater te Castricum. Uitgesproken en ongenuanceerd spreekt Elly over haar levenswijze, haar carrière, haar bijverdiensten op de stock market en haar liefde voor poëzie: ‘… kleine gebeurtenissen slijpen in taal’.

    Aan haar tijd als poprecensent denkt Elly met veel plezier terug. Veel van de spraakmakende stukken die ze in meer dan 15 jaar voor De Volkstrant en Vrij Nederland schreef, heeft ze bewaard. Openhartig deelt ze anekdotes over interviews met onder andere Dusty Springfield en Janis Joplin; zangeressen die volgens de schrijfster  “op haar vielen”. Anekdotes die ze ook in haar gedichten verwerkt. Daan Cartens, conservator van het Letterkundig Museum, noemt Elly “geen dichter van slappe regels”.

    Samen met fotografe Frederique Masselink-van Rijn publiceert Elly de Waard het boekVogelwater. In 1973 betrok Elly de Waard samen met dichter Chris van Geel Vogelwater in het duingebied bij Bergen. Een landhuis als een verouderd pension. De afgelegen locatie maakte het tot een ideale plek voor schrijvers en dichters.

    In Vogelwater beschrijft Elly de Waard in gedichten, verhalen en anekdotes hoe zij het jachthuis transformeerde tot een bijzonder woonhuis, een toevluchtsoord en pleisterplaats voor haarzelf en andere dichters als Amy Clampitt en Joseph Brodsky.
    Fotografe Frederique Masselink-Van Rijn legde het huis en de omgeving vast in schitterende foto’s.

    De documentaire laat zien dat achter de extravagente verschijning van Elly de Waard een vrouw schuil gaat die haar grootste droom heeft bereikt. Als klein meisje was het haar “geheimste wens” om dichter te worden. Ze vertelt hoe haar huwelijk met de veel oudere, in 1974 overleden dichter Chris van Geel een eerste kennismaking met het vak was en haar motiveerde om zelf ook poëzie te gaan schrijven. Nu woont Elly, samen met haar vrouw Marijke Weijters en hond Peerke, op het landgoed Vogelwater waar ze ooit met Chris van Geel woonde. De documentaire is een persoonlijk portret van een compromisloze, gedreven persoonlijkheid die bereid is de consequenties van haar uitgesproken opvattingen en levenswijze op de koop toe te nemen.

    Gaat allen kijken!

     

    Het uur van de wolf: Het ritme van Elly de Waard
    Vandaag om 23:00 op Nederland 2
    www.nederland2.nl/programmas/549-het-ritme-van-elly-de-waard-/uitzending/38794?gids=true

  • Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

    Passa Porta is een Brusselse boekhandel en cultureel centrum dat er een writers in residence op nahoudt. Zo kwam het dat K. Schippers (1936) nu al twee maanden in Brussel verblijft, om te schrijven en om werken met studenten aan de universiteit. Ter afsluiting geeft hij een openbare masterclass in Passa Porta. Schippers gedraagt zich niet als een operadiva die haar masterclass misbruikt om het ego van de discipelen te verpletteren. Wel was hij dwars, bruusk en knorrig, maar vooral geestig, vitaal en verrassend.

    Schippers leest en parafraseert gedichten en prozafragmenten. De gespreksleider stelt vragen en moedigt het publiek aan een bijdrage te leveren. Dat publiek (veel studenten) zoekt naar betekenis, diepgang en poëzie, naar de grens tussen poëtisch en banaal, naar het verband met conceptuele beeldende kunst. Maar daar wil Schippers eigenlijk niet van weten. Nee, geen poëzie, wat is dat, poëtisch? Misschien zelfs geen gedicht. Noem het teksten. Het gaat vaak over de werkelijkheid, en het kijken ernaar. Vooral die stukjes realiteit die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat geen mens ze meer ziet zoals ze zijn. Zoals het gedicht met de bevreemdende titel ‘Correctie om wat’ en de materiaalaanduiding ‘Lucht en glas’ (alsof het om een schilderij gaat, ‘ olieverf en mixed media’):

    ‘Een neveltje zien dat er niet is,
    komt door een minieme oogafwijking
    Maar niet merken dat het weg is,
    als je ter correctie een bril draagt.’

    Teksten moeten nauwkeurig zijn, analytisch, dat vindt hij prettig, bijna meetkundig exact. Neem zijn gedicht van zes woorden (waar één woord teveel in staat). Bezie de onverbiddelijke logica van ‘Trage start bij een rantsoen van twee zinnen’: “ Kan ik zeggen ‘Na deze zin /  komt nog een zin’ of lieg ik dan? // Ik had het kunnen zeggen, / maar hier niet meer.” Of neem ‘Een leeuwerik boven een weiland’, dat lange gedicht over een gedicht, waarin heel zorgvuldig wordt uitgelegd welke rommeligheid buiten het gedicht wordt gehouden – die er daardoor juist in komt:

    ‘En dat wat beoogd wordt of waar
    het om gaat is zeker aanwezig
    in een sterke concentratie: dit is
    het, wat hier staat, nee, niet de
    woorden die ontbreken, die zijn er
    met opzet niet bij gezet, precies,
    de aandacht ligt veilig in de rails.

    Want in een gedicht horen geen
    dode plekken als lange straten of
    eindeloze weilanden, die in ’t echt
    wel ruimte bieden aan een kapotte melkfles of een leeuwerik,
    maar op papier te veel nummers hebben
    of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,
    maar alleen buiten mogen ze
    volop, dubbeldik, mat en saai zijn.
    Daar is geen plaats voor in een gedicht.’

    Declamerend en grasduinend in eigen werk maakt Schippers het zijn ondervragers knap lastig: Ik ben niet zo van de interpretatie. Waarom staat er wat er staat? Toeval? Ik geloof daar niet zo in, wil het toeval graag beentje lichten. Soms lees ik diepzinnig commentaren op mijn werk. Alsof iemand een positie betrekt en zegt: “Ik lees het alsof er een betekenis in zit.” Prima, ze doen maar, maar vraag mij niet wat ik daar nu weer van moet vinden.

    Hij leest voor uit ‘ Wat je maar kort hoeft te onthouden’. Een opsomming, meer niet.

    ‘[…]
    Schoenen die je niet meer draagt
    Voorbijgangers op een zebrapad
    De stem van een vrouw die verkeerd is verbonden
    Wolken
    Het gewicht van een tas
    Adres van een opgeheven stomerij
    […]’

    ‘Nee, in zo’n tekst zit geen melancholie,’ reageert hij op een suggestie van een toeschouwer. Misschien zit die melancholie in de lezer. ‘Wie weet, maar wat moet ik daar van vinden?’ Interpretaties, zo die al bestaan, daar maakt hij zich niet druk om. En nee, zijn teksten zij niet mild. Of we dat zeker niet meer willen zeggen. Na enig aandringen bekent hij: ‘Gedichten komen voort uit de manier waarop je je verhoudt tot je bestaan. De dingen zien zoals ze zijn, zoals ze echt zijn.’ Mensen doen de werkelijkheid, ‘de dingen’ tekort, lijkt Schippers te zeggen, doordat ze verblind zijn door verwachtingspatronen, concepten en gevoelens. Zie ‘Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was, zou ik beter kijken.’

    ‘Wat er overblijft? Verhevigde observaties’, meent Schippers. ‘Maar ook daar neem je uiteindelijk geen genoegen mee. Je probeert tegelijk het gedicht onderuit te halen.’ Om de taal onschadelijk te maken, die dicteert wat we kunnen zien. Zie bij voorbeeld ‘Doos in vijf verschillende standen op tafel’:

    ‘Een doos op tafel
    Tafel waarop doos
    Een doos op de tafel
    Doos op tafel
    Tafel met doos”

    ‘In de taal zitten alle standen van de doos vervat,’ zegt hij. ‘Meer lijkt niet mogelijk. ‘ En humor, iets lichtvoetigs, okay. Dat kan de poëzie wel gebruiken. Maar geen metafysica of maatschappijkritiek. Of een gedicht nou een verpakking is van iets, of juist een ding op zich? Die vraag wil hij niet beantwoorden. Maar een doos bijvoorbeeld, dat is toch een verpakking?, dringt een toehoorder aan. ‘Nee, juist niet. Die doos, die staat op tafel, da’s een ding op zich en daar kun je op verschillende manieren naar kijken.’

    Dan vraagt iemand of hij vindt dat hij beter is geworden in zijn métier. Schippers verzet zich zeer tegen het idee dat er één metier zou zijn, dat maatgevend is voor hoe je te werk moet gaan. ‘Dat metier moet je steeds opnieuw uitvinden, iedere keer opnieuw.’ Daarmee geeft hij een adequate beschrijving van zijn werk: steeds weer opnieuw. Tussen herhaling en repetitie enerzijds, en steeds weer het wiel uitvinden anderzijds. Van laconieke observatie: ‘Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is.’ Tot betekenisloze taalbouwsel (naar het lijkt): steeds weer worden de zintuigen gescherpt en de hersenen geprikkeld. Zeker als hij het voordraagt, terwijl hij door de winkelruimte beent, blijkt het allemaal nog fris alsof het gisteren is geschreven. Nog geen streep verouderd, en toch al klassiek, moet de conclusie luiden.

    Hij draagt het gedicht ‘Met van’ voor, dat bestaat uit louter voegwoorden, die toch nog een heel verhaal vertellen:

    ‘achter toe wel uit
    Zo toe met van uit zo
    Toe met van wat

    Of op ter nog
    Tussen tot om
    In te met ook’

    Vierendertig strofen lang. Nee, die tekst gaat niet ergens over, zegt hij. Hij heeft gewoon een tekst gemaakt van korte woordjes, het soort waar hij gek op is. Taal op zijn mooist, ontdaan van alle overbodigs. Het hart van de taal, zelfs, vindt hij. ‘Je ruikt aan betekenis, aan wat het kan zijn. Maar het is het niet. Eigenlijk zou er muziek bij moeten. Theo Loevendie, die zou dat kunnen. Het zou een madrigaal moeten worden, waarin je de woorden bijna niet meer hoort, enkel de klank.’ Hij zingt een stukje voor, hoe het zou klinken: plechtig, gedragen.

    Schippers sluit af met een toelichting op zijn laatste boek Op de foto: een vrouw gaat op zoek naar de zevenentwintigste letter van het alfabet, daartoe aangezet door een dode fotograaf – uiteindelijk blijkt ze zelf die letter te zijn. ‘Taal moet je steeds opnieuw proberen te verleiden, alsof het een vrouw is. Meer heb ik daar niet over te melden,’ bast Schippers, toch nog poëtisch. En met een stevig: ‘Zo, ik heb gezegd’, wordt de masterclass ontbonden.

     

    De boeken van K. Schippers verschijnen bij Querido. Leeuwerik boven een weiland (2009) is een stevige bloemlezing uit zijn poëzie. In 2011 verscheen de bundel Tellen en wegen. Laatste publicaties: De bruid van Marcel Duchamp, (2011) en Op de foto (2012).

     

  • Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Zondag 18 november waren Oek de Jong en Ester Naomi Perquin te gast aan de Lijnbaangracht tijdens een Literaire salon. Interviewer en dichter Jos van Hest ging met hen gesprek over hun werk. Dit alles omlijst door muziek van Lex Goes en afgewisseld met een gesproken column van boekhandelaar Ton Schimmelpennink van Boekhandel Schimmelpennink.

    Ester Naomi Perquin publiceerde dit voorjaar haar derde bundel Celinspecties. Sinds 2007 publiceerde zij drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen en de laatste op de nominatie staat voor de VSB Poëzieprijs 2013. Haar werk wordt uiteenlopend beoordeeld van lief tot pervers maar vooral verontrustend. Wat zeker is, is dat Perquin een scherp gevoel heeft voor het alledaagse. Het alledaagse waaruit, wanneer zij haar ogen erop richt, bevreemdende en niet minder, schokkende voorstellingen ontstaan.

    Vier jaar werkte Perquin full time als nachtelijk cipier, ‘cipieresse’, zoals ze zelf zegt, in een gevangenis. Een bizarre keuze constateerde Jos van Hest voor een jonge vrouw. En vroeg naar haar ervaringen als gevangenisbewaarder.
    Ten eerste wilde Perquin de opvatting rechtzetten dat zij in het gevang is gaan werken om de Schrijversvakschool te kunnen betalen. Zij deed dit werk al vóórdat zij de schrijfopleiding ging volgen (in 2006 afgestudeerd). Wat wel klopte is dat zij haar schrijfopdrachten tijdens de nachtdiensten schreef.

    Om dit werk te kunnen doen kon je kiezen of je je als lellebel of als ijskonijn zou gedragen, vertelt Perquin. Om geen last te krijgen met de gedetineerden was Perquin een ijskonijn die het hoofd koel hield bij dreigende sterfgevallen (niet doodgaan nu ik dienst heb!), reanimeerde waar het nodig was en bluste brandjes. Veel gebeurde er niet tijdens zulke nachten. ‘Het meest gebeurt achter gesloten deuren ’s nachts. Meest vieze dingen’. Stelt Perquin zich voor.

    Op de vraag of het materiaal uit de bundel Celinspecties al geschreven werd tijdens die nachtdiensten, vertelt Perquin dat dat niet het geval was. Ze schreef met name veel brieven aan vrienden, die ze later gebruikte voor het schrijven van Celinspecties.

    Jos van Hest noemt het een onthutsende bundel, vindt hem mooi en lelijk tegelijk; ‘mooi in taal en lelijk in het portret van het kwaad’. Perquin wil niets liever dan dat deze bundel op zijn rauwheid beoordeeld wordt. Ze ontving de opmerking in een recensie van Pieter Steinz, die het gedicht David H. (waarin een verkrachter aan het woord is) ‘pervers’ noemde, als een compliment. Waarmee ze ook wil onderstrepen dat een verkrachter in wezen niet gestoord is. Dat je verkrachters aantreft onder de meest normale mannen (binnen het huwelijk, vriendenkring, familie). En dat dàt gegeven pas verontrustend is.

    Al dichtend balanceert Perquin langs de zelfkant van het kwaad in Celinspecties. Op de vraag of het geen gevaarlijke bundel is, gezien de misdaden waarmee ze naar buiten treedt, zei Perquin: ‘Ik voel wanneer iets kan’. En dat is de koers die je als dichter vaart. Zo schreef ze het gedicht Bart V., over een supermarktoverval waarbij geschoten werd.
    ‘(…) Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Kort daarna was er het winkelcentrumdrama in Almere.

    Ze vraagt zich af hoe lang iemand een misdadiger blijft. Haarzelf overkwam het dat ze een ex-gedetineerde herkende voor de schappen van een supermarkt. Een pleger van een roofoverval met geweld. De jongeman stond voor het schap te mopperen dat artikelen op de verkeerde plek lagen. Een oude vrouw naast hem mopperde vrolijk mee en Perquin dacht: ‘Ja, ja, ik ken jou’. Waarna ze zich direct afvroeg wanneer iemand boef  ‘af’ is.
    Het soort gedetineerde waar Perquin het meest van houdt, is de ‘ik was het niet’- gedetineerde, waarover het meesterlijke gedicht ‘Verklaring’

    ‘Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
    (…)

    Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
    daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
    dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.
    (…)

    Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
    Horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
    Misschien wel verschillende keren maar
    Ze zeggen zoveel, het was een opmerkelijk donkere nacht.

    Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
    Van uit mijn bed naar buiten keek
    En dacht zulk diep zwart
    Zie je maar zelden.’

    Aan het eind van het gesprek herinnert Perquin zich het punt in haar leven waarop ze ontdekte hoe poëtisch te kunnen schrijven. Het was tien jaar geleden, toen ze een regel las van Erik Menkveld die een kamer binnenkomt waar een boxer op het tapijt ligt en opeens denkt: Ik had die boxer kunnen zijn: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’ Dat was Ester Naomi Perquins keerpunt, het moment waarop ze wist van waaruit te schrijven; vanuit de ander, de ander willen/kunnen zijn. Ter afsluiting las ze het gedicht Vanmorgen werd ik opgebeld, te vinden in haar tweede bundel Namens de ander waarin deze wens de ander te zijn, ten diepste besloten ligt.

    Na de pauze, waarin Lex Goes op toetsenbord verschillende nummers uit de jaren vijftig speelde, waaronder Spiegelbeeld alsook Schubert D894, die een rol spelen in het boek Pier en oceaan en de bezoekers zich tegoed deden aan het buffet, zette Jos van Hest zich opnieuw achter de gesprekstafel. Deze keer met Oek de Jong om het te hebben over diens Magnum Opus Pier en oceaan.

    Waarom een 800 pagina’s tellend werk geschreven, vraagt Van Hest.
    Oek de Jong vertelt dat dit ongewild zo gegroeid is. Hij schreef de eerste 100 pagina’s van een boek waarvan hij dacht dat het niet veel omvangrijker zou worden dan dat. Tot hij begreep dat hij het midden had geschreven van een omvangrijker werk. Een autobiografisch werk waarop hij zich heeft voorbereid door Proust te herlezen en waarin motieven uit zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken terugkomen. Dit debuut was tevens zijn eerste autobiografische werk waarin de moeder een prominente rol speelt, net als in Pier en oceaan, in de gedaante van Dina, een jonge vrouw in de jaren vijftig die met lesbische gevoelens speelt en zich desondanks zwanger laat maken door de man waarmee ze vervolgens trouwt.

    Oek de Jong ondernam een zoektocht in de literatuur naar de juiste vorm die aan zijn schrijverschap zou voldoen om dit werk te kunnen schrijven. Hiervoor las hij de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk waarbij hij voornamelijk onderzocht waaruit Anton was ontstaan.
    Op de vraag of er meer autobiografisch werk te verwachten is antwoordde De Jong dat hij er acht jaar over gedaan heeft deze roman te schrijven. Het omzetten van herinneringen en een tijdsbeeld naar een literair terrein dat vervolgens getransformeerd moet worden tot een roman kost veel tijd, verklaarde De Jong. Het schrijven van een autobiografisch werk is een zoektocht naar jezelf, het grote vragen naar wie en wat je bent. De Jong: Stendhal vroeg zich op vijftigjarige leeftijd af, terwijl hij met een stok in het zand de namen schreef van alle vrouwen die hij niet gekregen had, wat voor een man hij was.

    Jos van Hest merkt op dat het werkwoord ‘zien’, het meest voorkomende werkwoord in het boek is; zien, waarnemen; gezien worden. Wat maakt dat in het boek de dingen tot op de huid en zeer zintuiglijk beschreven zijn.

    Op de vraag waar de titel Pier en oceaan vandaan komt, vertelt De Jong dat hij daar lang naar gezocht heeft. De titel is uiteindelijk ontleend aan een houtskooltekening van Mondriaan, gemaakt in Domburg en die nu in het Kröller Muller museum hangt waarop Pier en oceaan staat geschreven. Toen de keuze op Pier en oceaan viel heeft De Jong pas de scène erin geschreven waarin Abel een kaartje krijgt van zijn vriendin op de Rietveld academie met dit werk erop. Van Hest concludeerde dat Pier en oceaan, losgemaakt van het tijdsbeeld en het autobiografische zeer goed te lezen is. Een zeer goed Oek de Jong boek.

    De literaire salon is een fijn concept voor schrijvers en literatuurliefhebbers. Na afloop trokken de bezoekers, verzadigd van lichaam en geest en enkele boeken rijker, de stad in of huiswaarts.

  • Leonard Nolens wint Prijs der Nederlandse Letteren

    Door Ingrid van der Graaf

    In de uitverkochte Bourla schouwburg te Antwerpen waar woensdagavond de 65ste verjaardag van Leonard Nolens werd gevierd, maakte de Vlaamse minister van Onderwijs en voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie Pascal Smet bekend dat Nolens  de Prijs der Nederlandse Letteren dit najaar uit handen van Koningin Beatrix zal ontvangen.

    Eerder die dag werd de Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (1947) overdonderd toen hem per telefoon bericht werd dat hij de Prijs der Nederlandse Letteren dit jaar zal ontvangen. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet hem belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.
    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.

    Nolens debuteerde in 1969 met Orpheushanden en wordt beschouwd als een van de belangrijkste nog in leven zijnde Nederlandstalige dichters. Hij heeft sinds zijn debuut een zeer indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Staatsprijs. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend. Zijn laatste bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen verscheen in 2011.

    De jury noemt Nolens ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ die ‘het Nederlands opnieuw zingen’. Ook wordt zijn werk gekenmerkt als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.

    De Prijs der Nederlandse Letteren wordt om de drie jaar toegekent door het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie. De prijs onderscheidt auteurs van belangrijke en oorspronkelijk in het Nederlands geschreven letterkundige werken. De prijs wordt toegekend voor het gehele oeuvre van een schrijver of voor een apart werk in de genres poëzie, verhalend proza of drama. De bekroonde auteur ontvangt de prijs beurtelings uit de handen van een lid van het Belgische of het Nederlandse koningshuis.

    De jury bestaat dit jaar uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.

    Nolens geeft niet graag interviews, hij is geen prater omdat hij al veertig jaar geen beroep uitoefend waarbij je andere mensen ontmoet, zoals hij zelf zegt. Vorig jaar maart gaf hij naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen op de Belgische radio een interview met Ruth Joos dat als een bijzonder radiomoment de wereld in ging. Luiteren naar de stilte.

     

  • Frans Kellendonk lezing door Bart Moeyaert: 'Bestaan kan iedereen'

    door Ingrid van der Graaf

    De Frans Kellendonklezing is een literaire lezing die sinds 1992 jaarlijks georganiseerd wordt door de Radboud Universiteit te Nijmegen ter nagedachtenis aan de auteur Frans Kellendonk, die er student en docent was.

    Bestaan kan iedereen is de titel van de Frans Kellendonk Lezing 2012 die op maandag 27 februari aan de Radboud Universiteit Nijmegen werd uitgesproken door de dichter, romancier en essayist Bart Moeyaert. In de lezing gaat Moeyaert in op de vraag wat de taak van de schrijver is. En hoe genuanceerd engagement kan zijn.

    ‘Bestaan kan iedereen. Er zijn vraagt moed.’ Zo luiden de eerste regels van het gedicht ‘Kies’ uit Moeyaerts bundel Gedichten voor gelukkige mensen (2006).  Een gedicht dat pleit voor omzichtig formuleren, voor de nuance. Dat die nuance toen, en ook nu, vaak zoek is in het maatschappelijk debat is één ding. De vraag die Moeyaert stelt, is hoe de kunstenaar zijn engagement kan formuleren. Kan dat nog omzichtig? Wordt hij dan gehoord? Of móet hij omzichtig zijn – en toont hij daarmee juist zijn moed?

    De rode draad van de lezing wordt gevormd door de zeldzame ontmoetingen van Bart Moeyaert met Frans Kellendonk aan het eind van de jaren tachtig. En door de vragen die hij hem nu zou willen stellen. Zoals wanneer het tot Kellendonk doordrong wat zijn werk veroorzaakte bij anderen. En wat dat besef vervolgens weer met hem deed. Of het bij hem, zoals bij Moeyaert zelf, ook tot de constatering leidde dat ‘bestaan’ voor de schrijver niet voldoende is – dat die het aan zichzelf verplicht is ’te zijn’. Omzichtig, genuanceerd en zuiver formulerend. En op die manier anderen het schaamrood op de kaken jagend.

    In Bestaan kan iedereen vormen de zeldzame ontmoetingen van Bart Moeyaert met Frans
    Kellendonk aan het eind van de jaren tachtig de rode draad van een lezing die vanuit de persoonlijke geschiedenis en de eigen werkkamer uitzoemt naar de hele literaire wereld en de maatschappij waarin we leven en waarbinnen de literatuur moet zien te functioneren. Met als belangrijkste vraag of schrijvers van nu wel diep genoeg nadenken over wie, hoe
    en wat ze zijn.

     De PDF van de Kellendonklezing is  hier
     te downloaden.

  • Schrijven tot je een ons weegt

    Nanowrimo

    Achter deze intrigerende afkorting gaan de woorden National Novel Writing Month schuil, een initiatief van Chris Baty, dat inmiddels is uitgegroeid tot een internationaal evenement, waarbij – vooral aankomende – schrijvers de pennen slijpen om in de maand november 50.000 woorden bijeen te schrijven en daarmee een soort digitale oorkonde te bemachtigen, waarmee men op de site kan pronken. Dat laatste is misschien wel het minste, wat het meedoen aan deze ludieke wedstrijd oplevert. Op de eerste plaats is er het plezier om te participeren, op de tweede plaats ligt er – als het goed is – op het eind van de maand een ruwe versie van een boek klaar, dat bewerkt kan gaan worden en op de derde plaats zijn er – last but not least – de contacten met andere ploeteraars overal ter wereld.

    Eind oktober besloot ik mijn voorgenomen roman ‘De getijden’ aan de kant te schuiven en me aan te melden. In het begin is alles even wennen. Ik moest verschillende keren de spelregels lezen en had het toen nog niet helemaal door, dus stuurde ik een e-mail naar een jonge Nederlandse vrouw die in Engeland woont en die, zoals ik op de site van Nanowrite zag, al verschillende oorkonden binnen gesleept had. Ze hielp me een eind op weg met uitvoerige en degelijke antwoorden, maar het bleef me onduidelijk of ik nou elke dag minimaal 1667 woorden moest up1oaden of ik ook vooruit kon werken en of ik ook teksten mocht plakken, want op die manier kan men natuurlijk gemakkelijk vals spelen. Alles mag, zo berichtte me een dag later een Nederlandse schrijver van jeugdromans, die ook al ervaring met Nanowrite had.

    Op de één na laatste dag van oktober dacht ik na over een verhaal maar het leek me ook prima om vanuit het niets te beginnen. Ik zei gekscherend tegen een collega in de kroeg dat ik ging schrijven over een jongen die een meisje wilde zijn, maar al snel ontstonden de contouren van een boek over een werkloze journalist die op 1 november 2009 het graf bezoekt van zijn bloedmooie, jongere zusje met wie hij een incestueuze relatie had en die op haar achttiende verjaardag werd vermoord.

    De organisatie ondersteunt deze schrijfwedstrijd met een fantastische site, waarop iedereen een eigen pagina heeft, waarop je allerlei gegevens kunt invullen, zoals op de Authors-info je biografische gegevens en je voorkeuren voor boeken en muziek en je verdere hobbies. Dan is er de Novel-info waarop je een synopsis kunt bijhouden en bijwerken en een uittreksel van je roman presenteren. Er zijn zelfs deelnemers die al een omslag klaar hebben.

    Kroon op de site is de teller die groot uitgespaard bovenaan de eigen pagina prijkt. Een vrouw uit Overijssel twitterde begin november tot mijn verwondering hoe het met mijn wc stond en na enige navraag begreep ik dat die eruit bestaat hoeveel woorden je uitgepoept hebt, om in die sfeer te blijven. Ik sta zelfs inmiddels op 24076 woorden en ik zag zojuist dat er al twee deelnemers klaar zijn.

    Dan is er de lijst met je buddies, waarop je in één klap kunt zien hoe iemand, die jij volgt, er voorstaan en met wie je ook berichten kunt uitwisselen.

    Tenslotte zijn er de statistieken waarop je kunt zien of je nog een beetje op schema ligt.

    Verder zijn er de peptalks die je per e-mail ontvangt van de eerder genoemde bedenker Chris Baty of van een gearriveerde schrijver als Jasper Fforde, die ook een prachtige website heeft, waarop je heerlijk kunt ronddolen. Een andere schrijfster, Lynda Barry, heeft op de site www.lyndabarry.net in een pdf een voorproefje gezet van haar prachtig geïllustreerde boek ‘What it is’, een kunststukje over het schrijfproces.

    Als dat allemaal nog niet genoeg is kun je ook nog naar allerlei write-ins die overal in het hele land worden gehouden. Een geweldig initiatief dus. Voor meer informatie zie www.nanowrimo.org en het bericht van Yvonne in de agenda van 20 oktober j.l. op deze site.

  • Kroniek van de menselijke onmacht

    Door Jessica Brouwer

    Thomas von Steinaecker dwingt in zijn debuutroman Wallner beginnt zu fliegen (2007), in het Nederlands vertaald als Wallner begint te vliegen (2009), inlevingsvermogen af bij de lezer. De auteur laat de levens van drie generaties Wallner passeren: Stefan, eigenaar van een firma in landbouwmachines, zijn zoon Costin, een op tv gecaste Popstar, en diens onechtelijke dochter Wendy, lesbienne en feministisch literatuurwetenschapper. Het zijn levens die met elkaar verweven zijn, maar elkaar niet wezenlijk raken, of slechts vluchtig. Elk van hen ziet zich geconfronteerd met de leegheid van het bestaan. Het bedrijfsleven waarin oppervlakkige commercie troef is, de hedendaagse mediawereld bevolkt door eendagsvliegen en de wetenschap waarin opportunisten de toon zetten. De drie generaties Wallner proberen zich ieder op hun eigen wijze te ontworstelen aan de welhaast tastbare inertie. Toch verstrijken de levens in dit drieluik schrikbarend nadrukkelijk.

    Het begint met een treinongeval waarbij de oude Günter Wallner dodelijk verongelukt. Amper is zijn zoon Stefan, eigenaar van een firma in landbouwmachines, nog in een shock door het bericht van het overlijden van zijn vader, dan al ontwikkelt hij een paranoia die zich uitstrekt tot zijn vrouw en zijn bedrijfspartner. Op afstandelijke toon wordt verslag gedaan van de keten van handelingen die hem naar zijn einde voert: hij doet afstand van de firma, verwijdert zich van zijn vrouw, vertrekt naar Parijs en leidt een dubbelleven tot aan zijn dood.

    De kille zakelijkheid van Stefan’s lotgevallen wordt gevolgd door de snelle en holle frasen van de mediawereld. Eerst staat zoon Costin nog als jong gecaste ster op de televisiebühne, al snel blijft het succes uit en begint de strijd om een tweede, derde en vierde carrière die naar de curieuze afgronden van de popcultuur voert. Hij wordt synchroonspreker in een film over Hitler, neemt als voormalige bekendheid deel aan een realityshow en richt tenslotte een muzieklabel voor Indiemuziek op. Op middelbare leeftijd ontdekt Costin het bestaan van zijn onwettige dochter Wendy, die hij net voor haar achttiende verjaardag voor het eerst ontmoet. Vlak daarna sterft hij.

    Wendy, evenals haar vader niet van opportunisme verschoond, schrijft eerst als geëngageerde lesbienne en studente aan haar scriptie in de feministische literatuurwetenschap, maar al snel baant zij zich, hetero geworden en angstvallig in de pas lopend, de moeizame weg der proefcolleges om een academische positie te bemachtigen. Na Costin’s dood blikt Wendy terug op de familiegeschiedenis van de Wallners. Door draden te verbinden probeert ze een rond verhaal te creëren en de geschiedenis van haar voorzaten te herschrijven. Overmand door emoties en bevangen door naïviteit laat ze verkeken kansen toch verwezenlijkt worden en onbeantwoorde verlangens alsnog in vervulling gaan.

    Von Steinaecker beheerst de kunst van het vertellen zonder te veroordelen, zichzelf zo buiten de wereld van zijn personages plaatsend. Door zijn distantie zet hij de lezer aan het werk om als medeschepper van het verhaal van de familiedynastie de leemtes in de drie levensgeschiedenissen in te vullen. Toch kan zelfs Wendy’s poging om de levens van de Wallners te reconstrueren in het laatste deel van het drieluik de machteloosheid van de familieleden om zelf de lacunes te dichten niet tenietdoen. Wat blijft is het onvermogen van in flarden uiteenvallende levens waarin mensen elkaar slechts als kortstondige figuranten passeren zonder elkaar daadwerkelijk te bereiken. Alle draden blijven los, begin en eind ontbreken, en aan het slot van de roman rest niet veel meer dan weemoed over zoveel vergeefs onmachtig leven.

    Thomas von Steinaecker, ‘Wallner beginnt zu fliegen’ (2007), Frankfurter Verlagsanstalt, 366 p. Vertaald door Gerrit Bussink: ‘Wallner begint te vliegen’ (2009), Uitgeverij Podium, 320 p.

  • Onlangs verschenen: 'Het blauwe uur' – Alonso Cueto

    Winnaar van de Premio Herralde-Anagrama de Novela

    Lima, eind jaren negentig. Na de dood van zijn moeder hoort Adrián Ormache over het bestaan van ene Miriam, een ontvoerd meisje met wie zijn vader, ooit officier bij de Peruaanse marine, een liefdesrelatie had. Hij voelt meteen een sterke behoefte om haar te vinden.
    Tijdens zijn zoektocht wordt hij geconfronteerd met een minder mooie kant van het leven in zijn land, met de armoede en ellende waarmee een groot deel van de Peruaanse bevolking dagelijks te kampen heeft. Ormache ziet met eigen ogen de vreselijke gevolgen van de guerrillabeweging Lichtend Pad.
    Het blauwe uur is een prachtig verhaal over terrorisme en de gevolgen ervan, over familie en geheime liefde, over rijkdom en armoede, maar vooral over de donkere geschiedenis van Peru.

    Alonso Cueto (Lima, 1954) is de auteur van twaalf boeken. Hij is journalist en doceert journalistiek aan de universiteit van Lima, Peru. Zijn boeken werden onder meer bekroond met de Anna Seghers-oeuvreprijs in 2000, de Premio Wiracoha in 1985 en de Premio Herralde-Anagrama in 2005.

    Lees hier een fragment uit Het blauwe uur:
    Rubén had de rauwe stem, de ruwe handen en de knobbelneus van onze vader geërfd. Hij was in zekere zin zijn reïncarnatie. Hij ging steeds meer op hem lijken; een gnoom die zich aanpast aan het monster dat hem heeft verwekt. Het gezicht van mijn vader, steeds gereconstrueerd met de fragmenten van de weinige keren dat ik hem had gezien: een terrein met stenen waarvan ik me maar moeilijk kon voorstellen dat daarop ooit de tere vingers van mijn moeder hadden gerust. Het was alsof ze allebei tot me kwamen vanuit twee tegenovergestelde richtingen. Aan de ene kant het zachte gezang van mijn moeder om me in slaap te sussen, haar ranke silhouet dat me stond op te wachten bij de ontbijttafel. Aan de andere kant de lachsalvo’s van mijn vader, zijn rauwe stem, zijn harige knokkels.
    Mijn vader. Ik had al het mogelijke gedaan om die paar herinneringen aan hem uit mijn geheugen te wissen.
    Zijn dood had hoogstens een vage kriebeling van medelijden veroorzaakt, een door de verplichting opgelegd verdriet. De dag tevoren had ik hem opgezocht in het militaire hospitaal. Hij leunde met zijn rug tegen de spijlen van het bed. Zijn baard was gegroeid, zijn pyjama zat onder de vlekken en hij praatte onafgebroken met een priester.
    Toen hij me zag binnenkomen ging hij rechtop zitten en spreidde zijn armen. Mijn zoon, je bent gekomen, verdomme, ik kan het niet geloven, je bent eindelijk gekomen. De hese stem van mijn vader, de afgemeten schreeuwerige toon, de smerige strepen van zijn pyjama, de dichtgeknepen ogen , de uitgestoken handen, ik wist niet wat ik moest antwoorden, hij sprak met zijn handen in de lucht, ik heb zoveel dingen verkeerd gedaan, waarom hebben we elkaar niet vaker gezien, en nu… ik heb je zo veel te vertellen, hoe gaat het met de meisjes? goed? ja, goed, luister, ik moet je iets zeggen, mijn zoon, als ik ooit, of laat ik zeggen, heb je Rubén gezien? nee, die heb ik niet gezien, geeft niet, luister, ik wil dat je iets weet, er is een meisje, een vrouw die ik ooit heb gekend, ik bedoel, ik weet niet of je haar kunt vinden, daar, maar je moet haar gaan zoeken als je kunt, het was tijdens de oorlog. In Huanta. Een meisje van daar. Ik smeek het je, alsjeblieft. Voordat ik doodga.
    Iets degelijks zei hij tegen me toen de verpleegster binnenkwam met een injectienaald, nee, ga weg, ik ben met mijn zoon aan het praten, een vrouw uit Huanta, het is al goed, rustig maar, papa, laat ze je die injectie nou geven.
    Later hoorde ik dat hij die avond ruzie had gemaakt met de verpleegsters en de dienstdoende arts, ik wil dat mijn zoon Adrián komt, zei hij, hij wilde de naald van het infuus uit zijn arm trekken, ik wil dat hij nu komt, totdat hij plotseling weer rustig was geworden. Toen hij de volgende morgen wakker werd, had hij om zijn ontbijt gevraagd en was plotseling ineengekrompen en zo blijven zitten. Hij was dood.

    Alsonso Cueto, Het blauwe uur. De Arbeiderspers, paperback, 268 p., € 19,95.

  • Feindbeoachtung zolang er nog één nazi leeft

    Recensie door Rein Swart

    Deze essays die eerder in 1982, 1983 en in 1988 in boekvorm verschenen, zijn gebundeld ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de schrijver. De uitgeverij pakt groot uit met ook nog een nieuwe gedichtenbundel en het prozawerk Eindelijk. Misschien voelde men zich schuldig dat men eerder niets aan een jubileum deed. Armando klaagt namelijk in het derde deel van deze bundel dat het volk geen aandacht besteedde aan zijn vijftigste verjaardag.

    Het eerste deel uit 1982 is beschouwend, in het tweede deel laat hij de mensen zelf meer aan het woord en in het laatste deel uit 1988 bezoekt hij ook andere Duitse steden en maakt daarvan nogal oppervlakkige portretten.
    Volgens het nawoord van de samenstelster woonde Armando in de jaren tachtig regelmatig in Berlijn. Na de val van de muur vond hij het leven daar minder inspiratief. De splitsing gaf de stad een extra geladenheid. Voor Armando was de oorlog nog steeds aan de gang. Overal waar hij kwam hing er nog die geur. Gebouwen waren niet van steen, maar plekken waar een partijlid gewoond had of waar iets opmerkelijks gebeurd was. Armando ziet het als zijn taak de vijand te ‘beoachten’, zoals dat zo mooi in het Duits heet. Bij oudere mensen vraagt hij zich meteen af wat die in de oorlog deden. Oude vrouwen, die wuiven naar een panda in de dierentuin deden dat eerder naar Hitler.

    Van de jongeren met hun anti-amerikanisme moet hij weinig hebben. Ze denken dat ze beter zijn dan de vorige generatie, maar ze lijden onder zelfhaat, zegt Armando. Ook heeft hij een scherp oog voor de verschillen tussen oost en west: ordelijkheid en gehoorzaamheid versus pluriforme chaos en protest. Dissidenten, die vanuit het oosten naar het westen kwamen kregen weinig steun van de linkse intellectuelen en vroegen zich af wat men hier met de vrijheid had gedaan. Armando zelf vindt alles altijd een warboel. Er is geen uitweg, zegt hij. De mens is een wormstekig wezen. We mogen blij zijn met onze democratie en dat wij niet onder het mom van vrijheid uit onze huizen gesleurd worden. Bij dit alles bedenk ik dat hij schreef in de tijd van de Raf, toen de verhoudingen in Duitsland zeer gepolariseerd waren.

    Armando is een onafhankelijk denker, die zijn eigen werk eerst zelf goed moet vinden voor hij het naar buiten brengt en de respons heeft daar dan geen invloed meer op. In deze bundel hoor je bijna zijn wat sombere stem en zie je zijn wat loenzende, melancholische blik, zoals die heel mooi liet kennen in de documentaire van Cherry Duyns uit 2005. Hij schrijft zoals hij spreekt, maakt soms zinnen niet altijd af, slikt woorden in.

    Zijn stijl is die van een bokser die na de wedstrijd de ring niet kan verlaten, omdat hij zo’n liefhebber van zijn sport is. Zelf noemt hij een van zijn eerdere boeken hoekig, een toepasselijke term in dit verband. Hij geeft soms ook een fantastische draai aan een verhaal zoals wanneer de ik-figuur na een wandeling het bos uit komt en een hond (de ‘hij’ in dit fragment) ziet:

    ‘Hij zette zijn bril af en begon te blaffen. Ik heb even naar ’m gezwaaid, toen hield ie op met blaffen. Hij keek verlegen de andere kant op. Hij vond het, geloof ik, gek dat ik zwaaide. Ik liep enkele passen door en keek nog es om, hij was alweer aan het lezen in zo’n goedkoop romannetje met een gekleurd omslag vol moddervlekken, je weet wel. Teruggekomen in Berlijn besloot ik dienst te nemen in het keizerlijke leger, maar men vond mij te oud. Bovendien was ik, zei men, veel en veel te laat. De keizer was lang geleden gestorven en lag in een graf. Men had mij en m’n harnas, dat ook nog in goede staat was, niet meer nodig. Ik heb maar gedaan alsof ik het geloofde, toch was het wel een teleurstelling.’

    Armando heeft iets met een bos, zoals hij ook in de documentaire over kamp Amersfoort vertelde. Het bos is getuige, de bomen fluisteren, zijn schuldig, de harsgeur ruikt naar de oorlog.

    Armando zelf blijft zich over de mensheid verbazen. Kunst deugt niet, maar hij houdt er heel erg van. Hij weet het zelf ook allemaal niet. Hij schrijft met relativering, ook over de Duitsers die niets tegen hun kinderen over de oorlog zeiden. ‘Gewoon omdat het mensen waren met ochtendpap en avondbrood, mensen met handremmen in hun hoofd, je denkt toch niet dat wij die niet hebben.’

    Zelfrelativering is hem niet vreemd. Een opstel over Bayreuth vindt hij nogal belerend uitgevallen. ‘Dat is eens en nooit weer.’
    Soms neemt hij zichzelf op de hak. Hij vindt het eigenlijk zinloos zich bezig te houden met vergankelijkheid. Het leven is bont en het protest tegen de tijd is een verdwaald protest. Armando legt zich daar weemoedig bij neer. Dat levert mooie beschouwingen op die ik met veel genoegen heb gelezen.