• Laatste VSB Poëzieprijs voor ‘Binnenplaats’ van Joost Baars

    Vanavond werd voor de laatste maal de VSB Poëzieprijs uitgereikt, en wel aan dichter en Amsterdamse boekhandelaar Joost Baars voor zijn bundel Binnenplaats. Volgens de jury is het debuut van Joost Baars (42 jaar) een ‘hallucinante, mystieke bundel (…)’ die tijd vraagt om ‘erin door te dringen maar bij elke herlezing groeien deze gedichten en trekken ze je mee in hun zoektocht naar of confrontaties met het transcendente.’

    De poëzieprijs en het daarbij behorende bedrag van 25 duizend euro werd hem in Diligentia in Den Haag overhandigd door juryvoorzitter Maaike Meijer. Met het uitreiken van de VSB poëzieprijs is tevens de poëzieweek van start gegaan.

    Overige genomineerden voor deze poëzieprijs waren Charlotte Van den Broeck met Nachtroer, Marije Langelaar  met Vonkt, Tonnus Oosterhoff met Ja Nee en de bundel Leger van Mieke van Zonneveld genomineerd. De uitreiking van de VSB Poëzieprijs was ook gelijk de start van de Poëzieweek 2018 die als thema ‘Theater’ heeft.

    Recensent Hettie Marzak over Binnenplaats: “Baars toont zich kwetsbaar, durft persoonlijk te zijn, diepe emoties te laten zien en kan deze uitdrukken in weloverwogen zinnen met originele beelden. Hier is iemand aan het woord die het vak van dichter verstaat.” Lees hier de hele recensie.

     

  • Nachoem M. Wijnberg ontvangt P.C. Hooft-prijs voor poëzie


    ‘Eerst dit en dan dat’

    Allebei de schoenen?
    Een schoen doe je uit
    als een vrouw bij je op bezoek komt
    en je niet met haar wilt trouwen.

    Eerst stilte, dan uitleg;
    eerst duidelijk, dan verbazend;
    eerst de rechterschoen, dan de linkerschoen,
    dan de linkersok, dan de rechtersok.

    Is er iemand die daarover geen gedicht zou willen schrijven?

    Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken.

    Een kenmerkend gedicht van Nachoem M. Wijnberg (1961) die vandaag te horen kreeg dat hem de P.C. Hooft-prijs – belangrijkste literaire oeuvreprijs van Nederland – werd toegekend. De prijs, vernoemd naar de Nederlandse dichter en toneelschrijver Pieter Corneliszoon Hooft (1581- 1647), werd toegekend door het bestuur van de Stichting voor Letterkunde voor zijn poëzie-oeuvre.

    Kenmerkend in bovenstaand gedicht van Wijnberg is de speelsheid en het afvragen, waardoor je als lezer nooit weet welke kant je op moet kijken. En dan die oproep aan het einde met als laatste de raadselachtige strofe: Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken. Waardoor de nieuwsgierigheid gewekt is en het gedicht nog eens gelezen wordt om te ontdekken dat de raadselachtigheid vergroot wordt.

    Nachoem Wijnberg debuteerde met De simulatie van de schepping (1989), waarna hij een indrukwekkend oeuvre opbouwde waarvoor hij geregeld prijzen ontving, waaronder de Herman Gorter-prijs voor Geschenken in 1997, de Jan Campertprijs voor  Eerst dit dan dat in 2005 en de VSB Poëzieprijs voor Het leven van  in 2009. Hij schreef ook enkele romans, maar bovenal is hij dichter. Zijn laatste bundel Voor jou, van jou verscheen onlangs bij Atlas/Contact.

    Ondanks de vele prijzen werd zijn poëzie niet altijd begrepen. Door veel critici werd zijn werk als onbenaderbaar ervaren. Zo liet Erik Menkveld (1959-2014) in de Volkskrant van 23 okt. 2009 weten: ‘Er is studie en doorzettingsvermogen nodig om zijn werk (…) te doorgronden, iets waar lang niet alle lezers zin in zullen hebben.’ En Arie van den Berg wist in het NRC, 20 jan. 2012, de poëzie van Wijnberg als volgt  te omschrijven: ‘De poëzie van Nachoem Wijnberg is zo helder als kraanwater, en toch volslagen raadselachtig’.

    De jury – bestaande uit Remco Ekkers, Maria Barnas, Ellen Deckwitz, Jos Joosten en Anne Vegter – is van mening dat met het lezen van Wijnbergs poëzie er een gebied van scherpzinnig denken betreden wordt; ‘met een taal die loepzuiver is en gevaarlijk: overal kan een val zijn uitgezet, waardoor wat net gelezen is opeens in een ander daglicht komt te staan. Kenmerkend voor alle gedichten is de meerledigheid waarmee de dichter zijn wereld beziet.’

    Wijnbergs werk werd vertaald in het Engels, Duits en Italiaans. Een vertaling van Van groot belang (2016) verschijnt in 2018 in de Verenigde Staten.

    De P.C. Hooft-prijs wordt  jaarlijks toegekend voor afwisselend proza, poëzie en essays. In deze laatste categorie kreeg Bas Heijne in december 2016  de P.C. Hooft-prijs toegekend. Eerdere laureaten in het genre poëzie waren onder meer Anneke Brassinga (2015), Tonnus Oosterhoff (2012) en Hans Verhagen (2009).

    Nachoem M. Wijnberg zal op 24 mei 2018 de prijs ontvangen in het Literatuurmuseum in Den Haag. Aan de prijs is een geldbedrag van 60.000 euro verbonden.

     


     

    Foto: Merlijn Doomernik

     

  • Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Er is in de loop van de ongeveer zestig jaar dat er op televisie aandacht besteed wordt aan schrijvers en aan literatuur veel veranderd. Maarten Asscher vatte het tijdens het gesprek waarmee het symposium Literatuur op tv eindigde heel mooi samen: het initiatief ligt niet meer bij de schrijvers. De schrijver is een middel geworden. Als het al over literatuur gaat, gaat het niet over de inhoud, laat staan over de stijl of de structuur van een boek. Als een schrijver te gast is in een televisieprogramma dan wordt bijna altijd aan de hand van zijn of haar boek over iets anders of eventueel over hoe het is om herkend te worden in de supermarkt gepraat.

    Dat lag in de beginperiode van de televisie anders, bleek uit de inleiding van Jeroen Dera, die promoveerde op ‘literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie’. Toen – in de tijd van Muze in spijkerbroek en Literaire ontmoetingen, dus in de jaren zestig – was er nog sprake van informatieve programma’s die cultuurbemiddeling en literaire positionering voorstonden.
    Dat ging niet zonder slag of stoot, want een relatie tussen literatuur en televisie lag niet voor de hand. Denkers – Dera noemde Postman, Finkelkraut en Bourdieu – en schrijvers – Greshoff, Salomons, Wadman, Kelk, Sierksma – achtten de kloof tussen de hoge cultuur waartoe de literatuur behoorde en het massacommunicatiemiddel dat de televisie was onoverbrugbaar.

    K. Schippers: vrijheid voor de maker
    Volgens K. Schippers – zelf gast en onderwerp in een van de drie afleveringen van Muze in spijkerbroek, maar als maker van Beeldspraak uitgenodigd op het symposium – moet je geluk hebben bij het maken van televisie. Dat geluk had hij in de jaren zeventig, toen hij samenwerkte met onder andere Jan Venema en Kees Hin. Journalistieke helderheid en fantasie in de vorm stond voor hem en zijn collega’s voorop. Dat leverde indringende portretten van en vaak verrassende gesprekken tussen collega-schrijvers op. Als je regisseurs maar de ruimte geeft, en niet van bovenaf of als redactie bepaalt dat het ergens over moet gaan.
    De schrijver K. Schippers deed vervolgens zijn voordeel met zijn ervaring als televisiemaker. Hij leerde er onder andere hoe lang iets moet zijn, en hoe je delen van een verhaal achter elkaar kunt plaatsen.

    Hier is… Adriaan van Dis vervulde volgens Maarten Asscher een scharnierfunctie tussen de programma’s waarin literatuur zichzelf toont en zichzelf is en de tegenwoordige aandacht voor literatuur die een verlengstuk is van door een uitgever in gang gezette promotie en marketing. Het is volgens hem het laatste boekenprogramma waarin nog heel inhoudelijk over literatuur gesproken werd zonder winstoogmerk – al wil hij op verzoek van gespreksleider Jeroen van Kan wel een uitzondering maken voor VPRO Boeken.

    Van Dis en het effect
    Adriaan van Dis is er zelf tijdens het symposium bij om het Van Dis-effect te relativeren. Hij maakte televisie in de tijd dat er maar twee zenders waren en nog geen afstandsbediening: ‘Je moest opstaan om mij uit te zetten.’ Die acht keer per jaar dat Hier is… Adriaan van Dis op televisie was, keken er tussen de 350.000 en 500.000 mensen. Daar zou een zendermanager vandaag de dag bedenkelijk bij kijken. Ook werd niet elk in het programma besproken boek een verkoopsucces, zoals wel gesuggereerd wordt.
    Volgens Van Dis had het geen zin om hele oeuvres te bespreken, maar moest het gesprek gaan over één boek, een boek waarvan de vertaling al verschenen was. En er moest een vonk overslaan tussen de kijker en de gast. Daarom verkocht Frans Pointl, die de perfecte schlemiel speelde, oneindig veel beter dan Michel Tournier die in dezelfde uitzending zat.

    Wat Van Dis en zijn redactie voor ogen stond was verheffen zonder te hurken. Adriaan van Dis zegt bij het maken van het programma ook nu nog – Van Dis maakt één keer per jaar aan de vooravond van de Boekenweek in de zendtijd van De wereld draait door een Hier is… – de Mulo-jongen die hij zelf was voor ogen te hebben gehad: een Mulo-jongen die hogerop wilde. Van Dis was een stapelaar in opleidingen, en studeerde uiteindelijk cum laude af aan de universiteit. Dat het programma elitair gevonden werd, is volgens Van Dis onterecht. ‘De elite kijkt geen televisie. De elite kijkt er op neer.’ De elite wil niet delen: als veel mensen een boek bijzonder vinden, kan het volgens die elite niet veel zijn.

    Van zuilen naar bastions
    Televisie mag dan voor uitgevers vanuit marketingperspectief een interessant medium zijn, in een post-verzuilde samenleving moeten auteurs volgens Adriaan van Dis heel hard werken om een nieuw boek via dat medium onder de aandacht van potentiële lezers te brengen: ‘De zuilen zijn afgebroken, maar er zijn nieuwe kleine bastions ontstaan van mensen die eigenlijk slecht met elkaar communiceren. Dus voor schrijvers is het niet zo makkelijk geworden. Ze moeten het verhaal wel twintig keer vertellen.’ Dat geldt ook voor de schrijver die Van Dis inmiddels is. Ten tijde van Hier is… Adriaan van Dis stond zijn schrijverschap nog in de kinderschoenen. Van Dis was toen nog vooral journalist, met een voorliefde voor reportages.

    Bibliobesitas
    Boudewijn Büch was ook een boekenbemiddelaar, maar wel van een andere orde dan Adriaan van Dis. Büch maakte zijn televisiedebuut in de documentaire Het verschijnsel B (1982) van Eline Flipse, waarin bibliofilie breed uitgemeten werd. Daarna rees zijn ster snel. Zijn biografie Eva Rovers schetst tijdens haar bijdrage zijn televisiecarrière: na vijf en daarna vijftien minuten zendtijd in De verbeelding kreeg hij zijn eigen boekenprogramma: Büch’s boeken. Büch richtte zich, en bleef zich richten, op mensen die nog geen goed gevulde boekenkast hadden, maar besprak niet alleen populaire boeken.

    Het programma dat hem wereldberoemd in heel Nederland maakte De wereld van Boudewijn Büch ging niet alleen, maar wel vaak over schrijvers die hij bewonderde. Toen dat programma in 2001 stopte, raakte Büch zijn inkomen, zijn reizen, zijn materiaal voor lezingen en andere schnabbels en zijn podium kwijt. Dat hij elke week bij Barend & Van Dorp mocht aanschuiven, verzachtte het leed enigszins.
    Boudewijn Büch leed aan bibliobesitas, en het was met name de mate waarin hij in staat was om zijn boekenliefde op anderen over te dragen waardoor Eva Rovers per se zijn biograaf wilde zijn. Ze wilde niet dat hij alleen te boek zou staan als de man die zijn leven verzon.

    Televisie versus zaaltjes
    In de loop van de omroepgeschiedenis vonden literatuur en televisie elkaar, ondanks de aanvankelijk voor onverenigbaar gehouden karakters. Niet altijd bewijst de televisie de literatuur een even goede dienst. Literatuur op televisie heeft beperkingen. Niet alles mag, maar ook niet alles kan. ‘Je kunt mensen in zeven minuten heel nieuwsgierig maken naar een roman’, zegt Connie Palmen in het slotgesprek. Maar op televisie haar visie op literatuur en/of de vorm van een roman toelichten gaat niet. Zo’n gesprek zou de kijker al gauw boven de pet gaan. Op televisie krijg je niet de tijd om het verhaal op te bouwen. Tijd die er tijdens een gesprek in een zaal wel is.

    Op de vraag wat het gevolg zou zijn als er helemaal geen boekenprogramma’s meer op televisie zouden zijn, antwoordt Maarten Asscher stellig: ‘het gesprek over literatuur wordt dan veel elitairder. Dat speelt zich dan af in de zaaltjes waar lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers, critici en ingevoerde mensen met elkaar over literatuur spreken.’ Hij hekelt het geringe bedrag dat, zeker in vergelijking met wat er betaald wordt voor de uitzendrechten voor voetbal, bij de publieke omroep beschikbaar is voor literatuur op televisie. ‘Er is zo’n verheffingsideaal verbonden aan de televisie, de hele missie van de publieke omroep: waarom komt daar niets van terecht?’

    De dode hoek van ‘Hilversum’
    Want dat er niets van terecht komt, is voor Asscher duidelijk. Hij gebruikt bijna dezelfde bewoordingen als K. Schippers, en zou graag zien dat de mensen die de programma’s maken weer wat meer de vrije hand krijgen.
    Asscher signaleert nog een ander manco: ‘Er is geen connectie tussen de literaire wereld in Amsterdam en de Hilversumse wereld van programmabonzen en zendercoördinatoren.’ Asscher had heel graag gezien dat ‘Hilversum’ Jeanette Winterson en/of Orhan Pamuk – beide auteurs waren recent in Nederland en traden voor uitverkochte zalen op in het kader van het tienjarig bestaan van SPUI25 – had gescout en die optredens (of een compilatie) dan wel een exclusief gesprek had uitgezonden.
    Jeroen van Kan ziet dat niet veranderen. Hij verwacht dat het twee parallelle werelden zullen blijven. Zelf grijpt hij voor VPRO Boeken zijn kansen. Dat programma is zo klein dat het zich onttrekt aan de kijkcijfernormen van de omroep. En dus zat Alan Hollinghurst daar toen hij recent in Nederland was en niemand anders op het idee kwam hem op televisie te interviewen.

    Op de valreep van het symposium gaat het toch nog over het programma bij uitstek dat de verkoop van boeken kan beïnvloeden. Is het terecht dat er met het nodige dedain over het DWDD-effect gesproken wordt? Helemaal niet, vinden Connie Palmen en Maarten Asscher. De acht bergen van Paolo Cognetti, een van de beste romans van dit jaar volgens Maarten Asscher, had het opkontje van het boekenpanel nodig om een bestseller te worden. Dat literatuur op tv van cultuurbemiddeling via Van Dis het pluggen van boeken is geworden, heeft dus voor de individuele spelers in het boekenvak ook voordelen.

     

     

  • Nieuwe essayprijs en lezing vernoemd naar Joost Zwagerman (1963-2015)

    Uitgeverij De Arbeiderspers en de erven hebben een nieuwe lezing en prijs in het leven geroepen die de naam van Joost Zwagerman gaat dragen, zou vandaag 54 jaar zijn geworden.

    Volgend jaar (18 november 2018) zal op de 55ste geboortedag van Joost Zwagerman in Alkmaar de eerste Joost Zwagerman Lezing worden gehouden. Het betreft een jaarlijkse lezing van een vooraanstaande schrijver, journalist of beeldend kunstenaar van internationale betekenis waarbij er gereflecteerd wordt op het belang van beeldende kunst, literatuur en de relatie tussen die twee. Met deze jaarlijkse lezing wil de stad Alkmaar, waar Zwagerman geboren is, ‘zijn literaire zoon eren en zijn gedachtegoed op stimulerende wijze levend en actueel houden’.

    Essayprijs
    In de geest van Joost Zwagerman willen De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de Van Bijlevelt Stichting essayistisch talent stimuleren. Zij namen het initiatief tot de Joost Zwagerman Essayprijs, een jaarlijkse literaire onderscheiding voor beginnende essayisten die nog niet in boekvorm hebben gepubliceerd. De inzending is vrij. De prijs bedraagt 7500 euro en zal voor de eerste keer worden uitgereikt tijdens de bijeenkomst van de Joost Zwagerman Lezing op 18 november 2018 in Alkmaar.

    De Joost Zwagerman Lezing is een initiatief van Stedelijk Museum Alkmaar, Bibliotheek Kennemerwaard en TAQA Theater De Vest/ De Grote Kerk Alkmaar en wordt mede mogelijk gemaakt door de Gemeente Alkmaar.

     

    Foto: Keke Keukelaar

     

  • Succesvolle twintigste editie GDMW

    Literair feestje met sterke voordrachten

    Zaterdagavond in Katendrecht Rotterdam. Literair festival Geen Daden Maar Woorden vierde zijn twintigste editie met optredens verdeeld over drie sfeervolle gelegenheden. Ruim vierhonderd bezoekers lieten zich verrassen door Spoken word artiesten, laafden zich aan voordrachten van jonge schrijvers en genoten van interviews en muzikale optredens.

    Singer-songwriter Janna Lagerström opende de avond om 20.00 uur in muziekcafé Kopi Soesoe, in Kantine Walhalla startte om 20.10 uur Spoken word artiest Guus van der Steen en in Theater Walhalla begon om 20.20 uur het interview door Ellen Deckwitz met Hanna Bervoets en Murat Isik begon. Help oh help daar wil je bij zijn. Het niet overal bij kunnen zijn was wel de grootste crime die avond. Voor het overige was het een heerlijk genieten en werd er al snel gekozen voor een locatie en dat was Kantine Walhalla.

    Van der Steen nam, ondanks een – zo verklaarde hij – fikse oorontsteking waarbij zijn eigen stem nogal in zijn hoofd geresoneerd moet hebben, het publiek mee in een van zijn verhalen op rijm over Timo, een zonderling figuur waar de schrijver als kind uit bewondering achteraan ging. De voordracht maakt deel uit van een cabaretvoorstelling waarmee hij de komende maanden op tournee gaat. Pakkende taalfragmenten, al was het publiek nog niet helemaal op gang.


    Onderkoeld proza
    Gerda Blees las voor uit haar verhalenbundel Aan dood gaan dachten we niet. Haar proza was als een onderkoeld waterstroompje. Met personages die het passeren van de tijd op de staart willen trappen, de overgang van regen naar geen regen hopen waar te nemen. En waarin de enige actie het zoveelste kopje koffie is en het zitten in een tuinstoel onder een afdak. Fantastisch, een bundel die gelezen dient te worden.

     

    Indrukwekkende statements
    Na een muzikaal intermezzo van Gerson Main (met muts) die deze zomer nog met zijn theatervoorstelling ‘Ga weg, maar blijf’ op Oerol en de Parade stond, betrad de volgende spoken word artiest,
    Mariana Hirschfeld het podium die in haar laatste gedicht over haar moeder spreekt, die eerst haar verzorgde en waarvan zij nu de zorg overneemt en haar rode rozen meebrengt en daar voor de doornen afsnijdt. Over het lezen van Filosofie voor dummies dat ze als kind las met dank aan haar moeder die haar altijd meenam naar de bibliotheek. Haar voordrachten zijn een prachtig statement waar geen ontkomen aan is. Je gaat er in onder en komt weer boven met hernieuwde inzichten en bracht het publiek in een staat van bewondering.


    Theatermaker en schrijver Nhung Dam las voor uit haar debuutroman, Duizend vaders. Voorafgaand gaf ze een inkijkje in wat er zoal op je af komt na de publicatie van je boek. Ze had er vier jaar aan gewerkt en dacht nu eens op reis te kunnen, naar Bali bijvoorbeeld. Maar toen begon het pas: de interviews. En de recensies. En dat dan bij de eerste recensie je eindredacteur je sms’t: ‘Wow! Stop die maar in je zak. Gefeliciteerd!’ En een halve minuut later iemand van p.r. je sms’t: ‘Nhung, kop op! We gaan gewoon stug door. Laat je niet kisten.’ En wat je daar dan van maken moet.

     

    Interview Ariel Levy
    De Amerikaanse schrijfster Ariel Levy, die in haar nieuwste boek, The Rules Do Not Apply (De regels gelden niet) onthult hoe zij als feministe dacht op alles recht te hebben dat het leven te bieden heeft, ontdekte door nogal wat tegenslag in haar leven, dat ‘alles’ eigenlijk wel wat veel gevraagd is. Hoe haar leven drastisch veranderde. Het interview met Ariel Levy door Ellen Deckwitz, had iets van een gezellig onderonsje tussen twee schrijvers die aan elkaar gewaagd zijn. Geheel passend in de sfeer van het festival waar toegankelijkheid voorop staat.

    Een zeer fijn festival met de sfeer van een (groot) huiskamerfeest. Literatuur van jong talent dat nog (net) niet het grote publiek heeft bereikt. Met uitzondering van Ariel Levy die voor een promotietour Europa aandeed en op het festival de meest beroemde schrijver was. ‘En Marijn Sikken’, klonk het in de wandelgangen, ‘van Probeer om te keren, is toch ook wel een bekend auteur’, waarvan hier akte. Jonge schrijvers voor een jong publiek. Hoewel, er bevonden zich onder het publiek verrassend veel veertigers, vijftigers en zelfs zestigers.

     

    Foto’s interview Ariel Levy en Ellen Deckwitz, Nhung Dam: Marco de Swart,
    Foto Gerda Blees: Vera Cornel

     

     

  • 35ste Nacht van de Poëzie als immer zonder wanklank

    Dichtbundels verkopen moeizaam, maar bijna tweeduizend bezoekers laten zich tot diep in de nacht met graagte inpakken. Ademloos luisterend naar wat er geboden wordt. Deze 35ste Nacht van de Poëzie begint met de vraag: ‘Wat is het geheim van de Nacht van de Poëzie?’, gesteld door Nacht-presentator Piet Piryns. Waarop hij met een antwoord komt van Guus Middag: namelijk dat de oorzaak bijvoorbeeld gezocht zou kunnen worden in de ontkerkelijking. Mensen gaan niet meer wekelijks, maar eenmaal per jaar naar de kerk en dat is tijdens de Nacht van de Poëzie, dan wordt de hoogmis van het woord gevierd. De bezoekers zijn de gelovigen. Trouw en toegewijd zijn ze voor hun bedevaart naar Utrecht gestroomd en ook ditmaal kregen ze waarvoor ze gekomen waren.

    Vragen horen bij poëzie, zoals de dag bij de nacht. Op de vraag wat poëzie nu eigenlijk is antwoordde Gerrit Komrij ooit: “alle goeie gedichten bij elkaar”. Dat is zo’n goed antwoord, omdat je er alle kanten mee uit kunt, precies zoals de bij voorkeur ongrijpbare Komrij het ’t liefste had. Maar het is ook daarom een goed antwoord, omdat het onderdak biedt aan alle varianten. “Kost en inwoning”, zoals een andere definitie luidt. En zo was ook deze Nacht van de Poëzie in Vredenburg/Tivoli te Utrecht: onderdak voor alle varianten, een huis met vele kamers, om in Bijbelse termen te blijven.

    De bezoekers zagen en hoorden een lyrische maatschappijcriticus die in zijn gedichten het vermalen van haantjes verwierp, een onwillige diva die alles deed om het publiek niet te behagen en desondanks uitbundig werd toegejuicht, een dichteres van wie de krachtige performance omgekeerd evenredig was aan de begrijpelijkheid van haar poëzie en die tóch als eerste open doekjes oogstte: meerdere zelfs. Geen dichter die op de andere leek – en het past allemaal. Naadloos.

    Is dat misschien een kritische opmerking waard? Dat het te blij, opgewekt, lievig en welwillend is allemaal? Niemand die werd uitgejouwd, geen performer die verontwaardigd staakte. Het zegt ook iets over verontwaardiging als zodanig, wellicht. Een avondje zónder is een verademing. Dus genoot het publiek – ook in dit opzicht – met volle teugen. Dichteres Antjie Krog leek in haar optreden zelf verontwaardigd, bijna giftig. De frêle Zuid-Afrikaanse maakte een verpletterende indruk.

     

    De entre acts, vanouds befaamd om de onweerstaanbare mix van kwaliteit en variatie, hadden ook ditmaal hun heilzame en opschuddende effect. Brigitte Kaandorp haalde meteen aan het begin van de avond de geest uit de fles en zette op haar onnavolgbare wijze de zaal op stelten. Lucas en Arthur Jussen namen het publiek tot grote hoogten mee op hun vleugels. Karsu, Amsterdamse pianiste van Turkse afkomst, bespeelde in meerdere opzichten een verbluffend gevarieerd register, van breekbaar tot verwoestend. De Amerikaanse zanger Glen Hansard getuigde van zijn muzikale schatplichtigheid aan Woody Guthrie die 50 jaar geleden overleed, maar in het betreffende lied was het de Trump anno nu die het moest ontgelden. De zaal klapte en juichte.

    Het motto van de avond was ‘drijf een wig in de nacht en luister’ maar dat kan geen thema heten. Voor wie een beetje oplette was het thema er wel: familiebanden, al dan niet knellend. Poëtisch passeerden moeders, vaders, broers, zussen, zonen, dochters. Alsof het afgesproken werk was, bijna geen dichter die eraan voorbij ging. In ruimere context bezien was dat ook wat de avond weer uniek en onvergetelijk maakte: de verbinding tussen performer en publiek met woorden en muziek. Er ontstaat een geheel dat meer is dan de som der delen. Magisch, ontastbaar, wezenlijk en reëel.

    Ingmar Heytze behoorde ditmaal niet tot de optredende dichters, maar een gedicht van hem in de hal van het theater verwoordt het aldus:

    […] vier zalen komen tot leven rond de as,
    achthoekig, pluche en hout. Luister,

    kijk, drink alles in. Wat krijgt de wereld
    beter aan het draaien dan muziek?   

    Kom verder, nergens ben je dichterbij.
    Vanavond spelen we alleen voor jou.

    Gelovig of niet, daaraan kan geen bedevaartganger weerstand bieden.

     

    Foto boven: Dimitri Verhulst
    Foto midden:Karsu
    Foto onder: Lucas en Arthur Jussen

    Foto’s: Marieke van Delft

     

     

  • Een week lang feest

    Spui25, genoemd naar het pand bij de Amsterdamse boekenmarkt en het Maagdenhuis waarin het academisch-culturele podium is gehuisvest, bestaat tien jaar. Dat wordt een week lang met allerlei activiteiten gevierd.
    De aftrap was vrijdag 15 september met een opfriscursus over het werk van Jeanette Winterson en de start van het nieuwe seizoen met de Spui25-lezing door Winterson zelf, een paar deuren verder in de Aula van de Lutherse Kerk. De afsluiting is 22 september met een overigens al volgeboekt gesprek tussen Orhan Pamuk en Abdelkader Benali. De opfriscursus werd gemodereerd door Fiep van Bodegom, bekend van onder meer De Gids en De Groene Amsterdammer. Moderator van de lezing was Simone van Saarloos. Omdat de Nederlandse vertaling van de volledige lezing van Winterson de komende week in De Groene zal worden gepubliceerd, worden hier wat thema’s aangestipt die zowel in de opfriscursus als in de lezing aan bod kwamen.

    Verhalen vertellen
    De eerste spreker tijdens het middagprogramma, Maarten Polman, die zes boeken van Winterson vertaalde, begon zijn inleiding aan de hand van Wintersons Vuurtorenwachter (2004) met het schetsen van de thema’s in haar werk. Een daarvan, verhalen vertellen, is in genoemde roman nadrukkelijk aanwezig omdat de vuurtorenwachter leefde bij het vertellen van verhalen.
    Winterson kwam hier ook mee toen zij zich in haar lezing afvroeg wat het is om mens te zijn. De mens, zei ze, ontwikkelde kunst, de taal en vertelde de ander verhalen bij het haardvuur. Het is een vorm van creativiteit die je met alle robotisering om ons heen niet kunt kopiëren. Het verbindt ons met het verleden, waardoor we nog steeds in gesprek kunnen zijn met een dode schrijver als Shakespeare, haar held, wiens The Winter’s Tale ze bewerkte tot Het gat in de tijd (2015).

    Kunst
    Kunst is volgens Winterson een plaats om in te leven, virtual reality. Maar wat op het toneel gebeurt, is echt, is waar. Winterson geeft niets om experience, een belevenis, maar om intensiteit.
    Joyce Goggin, de tweede inleider van de middag en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, benoemde het op een soortgelijke manier: in het werk van Winterson zit vaak een open plek, een ruimte tussen binaire opposities als man-vrouw, zwart-wit, binnen-buiten. Hierin kan, stelde zij met de filosoof Hans Gadamer, betekenis worden gecreëerd. De plaats die Winterson benoemde, de lege plek waar Goggin het over had, is een vrijplaats waar je volgens Winterson voor moet vechten.

    Verbinding
    Fiep van Bodegom vroeg in het tafelgesprek en het gesprek met de zaal dat bij Spui25 altijd volgt op een of meerdere inleidingen, hoe de inleiders zich tot het werk van Winterson aangetrokken voelden. Goggin antwoordde het gevoel te hebben dat ‘ze in mijn hoofd kijkt, altijd bij me is.’ Polman kroop als vertaler in haar boeken en zo kwam zij bij hem binnen.
    Winterson begon haar lezing, nadat Lou Reeds Perfect day was gedraaid, over pure vreugde, zowel cognitief als fysiek (ook hier was de oppositie opgeheven), die je kunt ervaren in muziek, in een kus op de brug, in lezen. Er vindt een verbinding plaats met jezelf, het is leven meer dan in louter biologische zin en van haar zou je het tot op zekere hoogte religieus mogen noemen.

    Ontwikkeling
    Een interessante vraag tijdens het middagprogramma kwam uit de zaal, van biograaf, publicist en begeleider van promovendi Maaike Meijer. Zij vroeg zich af of er een ontwikkeling kan worden geconstateerd in het werk van Winterson. Polman stelde dat de vondeling die Winterson is, inmiddels haar biologische moeder heeft ontmoet, zodat dit thema (het zoeken naar identiteit) volgens hem is afgesloten. Hij vroeg zich in alle eerlijkheid af hoe het nu verder moet. Goggin zag de ontwikkeling vooral in de veelzijdigheid van Wintersons oeuvre: romans, brievenromans, essays, science fiction. De conclusie was dat ze elke keer weer verrast met een boek op hoog niveau.
    De schrijfster zelf kwam aan het eind van haar met plezier gebrachte lezing voor een grotendeels uit vrouwen bestaand publiek in wezen ook met een antwoord, in de woorden van Miranda uit Shakespeares The Tempest:

    Oh wonder!
    How many goodly creatures are there here!
    How beauteous mankind is! O brave new world,
    That has such people in it!

    In het interview met Van Saarloos zei Winterson voorts nog dat je niet kunt verwachten dat de wereld verandert, als je zelf niet kunt veranderen. Er klonk iets van de radicaliteit in door die Polman al had aangegeven. Zo kennen we haar en zo is het goed.

     

    foto: Yve du Bois

     

     

  • Frank Westerman wint twee belangrijke prijzen

    In 2016 werd Een woord een woord genomineerd voor de ECI-literatuurprijs en voor de Librisprijs. De nominaties leverden hem geen prijs op maar dit jaar kwam het er dan van: met zijn boek Een woord een woord werd Frank Westerman (1964) in de afgelopen dagen twee maal gelauwerd. Hij won de M.J. Brusseprijs voor het beste journalistieke boek en de VPRO Bob den Uylprijs voor het beste Nederlandstalige reisboek uit het afgelopen jaar. Aan de prijzen zijn respectievelijk 10.000 en 7.500 euro verbonden.

    Westerman was als scholier getuige van de Molukse gijzelingsacties in de jaren 70, versloeg als correspondent de oorlog in Bosnië en terreuraanslagen van Tsjetsjenen in Rusland. In Een woord een woord onderzoekt Westerman wat het antwoord op terreur moet zijn. Voor de Brusseprijs was een record aantal inzendingen van 182, waarvan vijf boeken werden genomineerd.

    De jury van de Bob den Uylprijs, onder leiding van Frits van Exter koos het boek omdat: ‘Het is een stoutmoedige onderneming, waarbij journalist en mens elkaar goed aanvullen. Het verhaal biedt misschien geen makkelijke conclusies, maar voegt iets wezenlijks toe aan het debat.’ Van Exter maakte de winnaar bekend in het programma Met het oog op morgen op Radio 1.

    Voor de M.J. Brusseprijs waren naast Westerman de volgende titels genomineerd: Heineken na Freddy – Stefan Vermeulen, Juliana – Jolande Withuis, 1936 – wij gingen naar BerlijnAuke Kok en Fout in de Koude Oorlog – Martin Bossenbroek.

    Vorig jaar won Marcia Luyten met Het geluk van Limburg.

    Zondagmiddag ontving Westerman in de Amsterdamse Hortus de Bob den Uylprijs. Juryvoorzitter en VPRO-directeur Lennart van der Meulen:

    “In een tijd waarin woorden besmet zijn geraakt, waarin feiten worden betwist en leugens regeren koos de jury voor een boek dat de vraag centraal stelt of het woord een wapen kan zijn in de strijd tegen geweld. Meer dan ooit is er behoefte aan schrijvers die op zoek gaan naar de verhalen achter de propaganda, de oneliners van Twitter en de gehackte sociale media. Schrijvers en journalisten zijn wapenbroeders in de strijd tegen leugen en bedrog.”

    Een woord een woord gaat over een reeks spraakmakende gijzeldrama’s en begint met de Molukse acties in de jaren zeventig bij De Punt. Westerman maakt zichtbaar hoe smal de demarcatielijn is tussen activisme en terreur. En dat elke tijd gekenmerkt wordt door geweld en excessen en hoe de stap naar radicalisering ontstaan kan. Een journalistieke reportage met persoonlijke bespiegelingen en historisch onderzoek, dat een zeer bijzonder boek oplevert.

     

    Overige genomineerde titels voor de Bob den Uylprijs waren: Winter-IJsland – Laura Broekhuysen, De gloed van Sint-Petersburg. Wandelingen door heden en verleden – Jan Brokken, Bonbons voor mevrouw Assad. Achter de linies van het Syrische regime – Robert Dulmers , Op reis met mijn vader (die dood is) – Maarten van Riel – en Atjeh. Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis – Anton Stolwijk.

     

    Zondag 18 juni is Frank Westerman te gast in VPRO Boeken.
  • De chemie tussen interviewer en schrijver en een festival

    Het speelde zich voor een deel af in de Cloud van TivoliVredenburg. Te bereiken met een roltrap zoals je je die ooit voorstelde bij het liedje Roltrap naar de maan van Klein Orkest. Het laatste stuk te voet, traptreden beklimmend met aan een kant een gapende diepte (je zult maar hoogtevrees hebben). Hét literatuurfestival van Utrecht, waar vertalers bevraagd worden naar het hoe en waarom van hun vertaling. Of hoe iemand erbij komt een Nederlands boek in het Catalaans of Estlands te vertalen, zoals Herman Kochs Het diner. Een festival waar schrijvers gevraagd worden naar het hoe en waarom door interviewers die zelf schrijven en/of recensent zijn. Waar films worden vertoond in Filmhuis ’t Hoogt; documentaires over de levens van literaire helden als Konstatin Paustovski en James Baldwin, de schrijver van Go Tell it on the Mountain die in I’m not your Negro, op indringende wijze tot leven word gebracht. Waar literaire prijzen worden  uitgereikt, songteksten gekoppeld aan literair werk maar bovenal waar gesproken wordt over boeken en hun schrijvers die – buiten de Nederlandse schrijvers – werden ingevlogen vanuit Engeland, China, Duitsland, Noorwegen en Zweden.

    Literaire groupies

    Het was de tweede editie van het Internationale Literatuur Festival Utrecht (ILFU). De accommodatie beviel – buiten een enkel zaaltje – niet zo goed als de accommodaties in voorgaande jaren. Daarbij denkend aan de jaren toen het festival nog Ciy2Cities heette en het literaire volk door de straten van locatie naar locatie trok op de hielen gezeten door literaire groupies en leesclubfans. Dat was nog eens wat. De onverwachte ontmoetingen, het rouleren van publiek en schrijvers bleef nu merendeels achterwege. Bezoekers bleven in de stille ruimtes tussen twee zalen (of verdiepingen) hangen of verloor zich in de klanken van een bierfeest – dat niets van doen had met dat waar we voor gekomen waren – en waar je je snel doorheen baande op zoek naar de chemie van het festival.

    Er was naar uitgekeken. Hans Bouman die de tweede avond inluidde met een interview met de Engelse schrijver Graham Swift. Een bedachtzaam man die met sonore stem zijn verhaal vertelt, zijn denkwijze. Over Moeders zondag, Mothering Sunday dat het in Engeland van oorsprong een christelijke feestdag was waarop gelovigen terugkeerden naar hun ‘moederkerk’, in de streek waar ze vandaan kwamen. En wat een schrijver zou willen met zijn boeken, over de ontmoeting met de lezer. Swift zegt dat het leven voor iedereen verwarrend is. Hij zegt zich net zo te voelen als zijn lezers, en het lijkt hem goed die verwarring te delen: ‘Auteur; betekent autoriteit. Ik wil geen autoriteit hebben over mijn lezer. Ik zit in hetzelfde schuitje als zij, in dezelfde zee van verwarring. Verhalen vertellen is een soort van navigeren door die zee van verwarring. Waarbij hij uitkomt op het begrip vertrouwen: Áls ik enige autoriteit als schrijver bezit, is dat op het gebied van vertrouwen.

    Swift kreeg alle ruimte waarin hij bedachtzaam zijn relatie van schrijver met lezers en zijn uitgangspunt als schrijver uiteen zette; niet weerhouden door enige beschroomdheid. De vraag naar het begrip ‘vertrouwen in relatie tot zijn autoriteit als schrijver’ was interessant geweest. Wat kwam was de retorische vraag: U schrijft geen contemporary literatuur? ‘Te journalistisch’, pareerde Swift de vraag. En: ‘Er is geen roman die volledig hedendaags is omdat tijd voorbij gaat: wat je nu schrijft behoort alweer tot het verleden. De reden waarom mensen lezen is dat je het gevoel hebt dat – in welke tijd het ook speelt – je het in het hier en nu beleeft. Ze worden deel van de geschiedenis en alles wat er gebeurt, overkomt hen ook. Lees je het boek opnieuw, dan beleef je het weer.’ Een schrijver die de kunst van het vertellen beheerst in een  grote zaal vol publiek met de mythologische naam Pandora. Blauwe spotlights weerspiegelen in de brillenglazen van het publiek en verder alles donker: Swift las ter afsluiting – duidelijk niet vrijwillig – maar op perfecte wijze de eerste bladzijden van zijn Moeders zondag voor. Geen chemie, mooi was het wel.

    De kantoorroman

    Arjan Peters in een kleinere zaal, Punt zes, met Paulien Cornelissen en de Duitse vertaler – van o.a. Het Bureau van Voskuil – Gerd Busse. Ook hier nieuwe literaire inzichten: heeft de kantoorroman de plaats van de streekroman ingenomen? Peters vraagt aan Cornelissen of louter het gegeven ‘kantoor’ een aanwijsbare invloed van Voskuil is. ‘Het is een aantrekkelijke fictiebiotoop’, volgens Cornelissen. ‘Vroeger zat je vast in je streek, in je buurt en had je de streekroman. Het is fijn te schrijven over een biotoop waar alles op elkaar zit. Neem toren C, The Office.’ Cornelissen las Voskuil toen ze twintig was, het was een eye opener voor haar. Ze hield niet van de boeken die op de leeslijst stonden, te saai en stom. Tot ze Het Bureau las. Het gesprek neemt geregeld een vrije vlucht, als Cornelissen het vragen stellen overneemt. Bevrijdend, soms hilarisch en Peters voedt het met opmerkingen als, ‘Nee, nee, ga je gang.’ Er komen dingen uit voort. Denk maar eens na over de vraag waarom Voskuil zijn alter ego Maarten, de achternaam ‘Koning’ gaf.

    Gerd Busse kreeg in 1998 het eerste deel te leen van een vriend. Hij verbleef  in een vertalershuis in Amsterdam, las het in bed en was verslaafd. Hij moest dit vertalen en zocht naarstig naar een uitgever. Het duurde 13 jaar voor hij die vond. Nu wordt Voskuil in Duitsland gelezen als een filosofisch werk en achtten ze hem Nobelprijs waardig.
    Cornelissen vertelt waarom Voskuil haar zo bevalt: ‘Alles klopt; wie en hoe degene is in het boek.’ Ze zegt gevoelig te zijn voor dingen die niet kloppen. Als een vrouw bijvoorbeeld over haar slipje spreekt, is Cornelissen er al klaar mee. ‘Maar wat is het dan?’, vraagt Peters. ‘Nou’, zegt Cornelissen, ‘de meeste vrouwen hebben het over onderbroek.’ Ah’, zegt Arjan, ‘leerzame avond’. Zelfs door het geroezemoes en de luide muziek van het bierfeest – dat door de glazen wanden heen dringt (hoe kan dat?) – op de achtergrond, kan dit interview niet stuk. Na afloop signeren, waarbij aangeschoven wordt. Ze vraagt of ik Sandra Koenders ken. Dat ik haar aan Sandra Koenders doe denken. Ik zeg er geen match mee te hebben. Ze lacht en dacht, nou ja.

    Enthousiasme

    Er is een gesprek met twee schrijfsters waarbij de interviewster zo oprecht enthousiast is dat ze de schrijfsters bijna het interview uitpraat. Ze springt erin (uit enthousiasme) als moet ze alles uit de doeken doen, niets vergeten. Waarbij ze (door haar enthousiasme) de auteurs vergeet te verwelkomen en praat de eerste minuten alleen maar over de inhoud van Gif, van Samanta Schweblin. Wanneer deze het woord krijgt, groet ze eerst de zaal: ‘Dit is mijn eerste interview in het Engels, wat moet ik zeggen…?‘ De interviewster is gewoon van zichzelf zo leuk (echt, ze is leuk) en enthousiast (je moet om haar lachen, ze graaft en ploegt zich door de materie), maar je hoort geen schrijvers, ze doen hun best maar vallen weg. Dan verder, naar de volgende ronde, en komt opnieuw in zaal Pandora.


    Carson McCullem en Suzanne Vega

    Daar zit Vrouwkje Tuinman in een van haar immer vrolijke jurken, en tegenover haar Suzanne Vega van Luka, waarnaar vroeger geluisterd werd als werd er een literaire romance voorgelezen: My name is Luka//I live on the second floor / I live upstairs from you / Yes I think you’ve seen me before.
    Vega’s uiterlijk doet beseffen dat je zelf ook niet meer de jongste bent. Tuinman is goed in een gesprek voeren en Vega een sympathieke partner daarin. De verbindende factor is schrijfster Carson McCullers (1917-1967). Vega, die sinds haar tienerjaren door haar gegrepen werd,  schreef een muzikale eenakter over McCullem waarin ze zelf de hoofdrol vertolkte. De liedjes daaruit zijn uitgebracht op cd: Lover, Beloved. Ze zong het nummer Harper Lee (haar stem, haar stem!, maar er was iets met de geluidsinstallatie waardoor er teveel geslist en ge-tsstt werd) en speelde dat ze McCullem was, nam een sigaret in haar rechterhand. Je wilde blijven maar er was een laatste trein te halen naar het oosten.


    De laatste dag

    ’s Middags in ’tHoogt voor I’m not your Negro, je wist waar je naar ging kijken, toen je keek wist je niet wat je zag. James Baldwin die steeds weer de vinger legde op de plek waar het schuurde, nog steeds schuurt. Een film die niet gemist mag worden. ’s Avonds in Cloud Nine –  die roltrap naar de maan en de open smalle trappen – zes genomineerden voor het C.C. Crone stipendium. Drie wonnen er waaronder Gerda Blees, die een belofte wordt genoemd om haar verhalenbundel en nu voor een dichtbundel het stipendium kreeg. Een Utrecht-stads gebeuren. Met wethouder en Nacht van poëzie initieerder. Het was feestelijk en Michael Stoker interviewde de een na de andere genomineerde alsof hij ze in de wandelgangen tegenkwam, een hart onder riem stekend, bewondering uitsprekend, prikkelend en bemoedigend.

     

    Klein en groot podium

    Theo Hakkert in gesprek met Marja Pruis en Nelleke Noordervliet waar een handvol publiek op afkomt, alsof het niet in het programmaboekje vermeld stond. De schrijfsters, de interviewer en het gesprek verdienden een volle zaal. Hakkert stelde vragen  over de wanhoop van de schrijver als er een oordeel wordt geveld over het gepubliceerde boek. En hoe een boek verdwijnt als het af is. En waar een biografie goed voor is.

    Weer later Abdel Kader Benali en de Georgische schrijfster (wonend in Duitsland) Nino Haratischwili over haar 1300 pagina’s tellende boek Het achtste leven. Er werd niet veel losgemaakt over de drijfveren van de schrijfster, het kabbelde op een podium te groot voor twee, de ruimte donker en gesloten (waar is de uitgang?). Het werd niet boeiender dan dat Benali haar ondervroeg over de verschillende personages waarbij het gesproken Engels niet vanzelf ging. Aan het einde van het gesprek werd het lichtelijk precair, alsof de interviewer er het hele gesprek op gewacht had deze vraag te mogen stellen: ‘Je hebt een kind bij je toch?’ ‘Ja,’ zei de schrijfster. ‘Hoe oud is ze?’ ‘Vier maanden.’ ‘Och,’ zei Benali en je zag hem zichzelf inhouden. Hoe hij niet zei: ‘Ik heb ook een dochtertje.’ Je zag het geluk van hem afbarsten maar hij glimlachte, zwijgend en wetende. Geluk is een hardnekkige rivaal.

    Toen moesten The Joni Mitchell Stories nog komen, met Mathilde Santing, Ingmar Heytze, Jordi Lammers en Nelleke Noordervliet. Daar was ook naar uitgezien, maar ach, die laatste treinen in de nacht, die wachtten niet. Zo kwam er een (onvoltooid) einde aan een veelomvattend festival in Utrecht, Stad van de Literatuur.

     

    Foto’s: Michael Kooren
    Foto Graham Swift: Liliane Waanders

     

  • J.M.A. Biesheuvelprijs voor Maarten ’t Hart

    C5GS66RW8AELn97Zondag 19 februari werd voor de derde maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt – de enige literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalen van het voorgaande jaar. Uniek aan deze prijs is dat het geldbedrag geheel en al door middel van donaties bijeen wordt gebracht.

    Uit vijf genomineerden won Maarten ’t Hart (1944) met zijn vorig jaar uitgekomen verhalenbundel De moeder van Ikabod (Arbeiderspers). Het gedoneerde bedrag voor de prijs van dit jaar was € 5105,70, dat in zijn geheel naar de winnaar gaat.

    Volgens de jury getuigt de verhalenbundel van ’t Hart van een ‘grote kennis’, een ‘aanstekelijk schrijfplezier’ verenigd met  een ‘ongeëvenaarde stijl’; ‘een boek dat de lezer voortdurend aanspoort om dóór te lezen’.  ‘
    ‘Om de kleurrijke personages, de subtiele excentriciteit en de onmiskenbare kwaliteit kennen wij de J.M.A. Biesheuvelprijs 2017 met groot plezier toe aan De moeder van Ikabod van Maarten ’t Hart,’ aldus sprak de jury.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs bestond dit jaar uit: Irwan Droog (redacteur), Babs Gons (schrijver, performer), Marieke de Groot (boekverkoper), Theo Hakkert (journalist, recensent) en Sanneke van Hassel (korteverhalen schrijver).

    Het was dit jaar voor het eerst dat de Biesheuvelprijs een shortlist hanteerde. Voorgaande jaren was er enkel sprake van een winnaar. Dit jaar werden naast De moeder van Ikabod Maarten ’t Hart de volgende bundels genomineerd:

    A.H.J. Dautzenberg – De dag dat de gieren buigen (Atlas-Contact)
    Bertram Koeleman – Engels voor leugens (Atlas-Contact)
    A.N. Ryst – De blauwe maanvis  (Querido)
    Kira Wuck – Noodlanding (Podium)

    Alle genomineerden krijgen een schrijfweekend aangeboden op de Buitenwerkplaats. Waarbij je je natuurlijk afvraagt of Maarten ’t Hart hiervan gebruik zal maken.

    www.jmabiesheuvelprijs.nl
    (
    www.buitenwerkplaats.nl).

     

     

  • Lang verwachte biografie Boudewijn Büch

    Vijf jaar werkte Eva Rovers (biograaf Helene Kröller-Müller) aan de biografie van Boudewiin Büch. Boud, Het verzameld leven van Boudewijn Büch is deze maand verschenen bij uitgeverij Prometheus. Gisteren vond de presentatie plaats in Amsterdam. Reinder Storm was erbij aanwezig en nogal onder de indruk van de als geloofwaardig gepresenteerde details rond de legendarische dodo.

    Onder grote belangstelling werd afgelopen zondag in Amsterdam de langverwachte biografie gepresenteerd van Boudewijn Büch. Er kwamen veel meer belangstellenden dan aanvankelijk verwacht was waardoor het evenement verplaatst werd van Spui25 naar de Oude Lutherse Kerk. Ook de boekhandel was er goed op voorbereid. Honderd, reeds van te voren door de auteur gesigneerde biografieën, lagen klaar voor het gretige publiek.

    Na Büchs ontijdige overlijden in 2002 –  53 jaar oud – kwam hij eigenlijk alleen nog in het nieuws als fantast. Belangrijke motieven in zijn werk waren: een getroebleerde jeugd, een jong overleden zoontje, pedofiele aanleg, de gigantische erfenis van zijn vader, zijn gedegen wetenschappelijke scholing… het bleek allemaal verzonnen. De verhalen waren onwaar maar ook in het echt – tot en met zijn beste vrienden toe – had Büch iedereen voor de gek gehouden. Biografe Eva Rovers stond voor de moeilijke opgave een waarachtig boek te schrijven over een schrijver en tv-persoonlijkheid die veel van zijn geloofwaardigheid verloren had.

    Of zij daarin is geslaagd moet de lectuur van dit dikke boek uitwijzen. Bij de presentatie was er in elk geval één spreekster (Sonja Barend) die vertelde dat ze tijdens het lezen zo verbijsterd was geweest, dat ze het boek geregeld moest wegleggen om bij te komen. Wat natuurlijk de nieuwsgierigheid wel prikkelt. Andere sprekers tijdens deze feestelijke bijeenkomst belichtten tal van facetten van de inderdaad zeer veelzijdige Büch. Diederik van Vleuten dankt zijn James Cook-liefde aan Büch. Abdelkader Benali toonde zich geïnspireerd door de televisie-programma’s. Prof. dr. Lisa Kuitert plaatste de verzamelwoede gedetailleerd in wetenschappelijk perspectief. Eva Rovers zelf had duidelijk genoten van Büchs aanstekelijke enthousiasme. Wie anders immers kon mensen zo bezield vertellen over Goethe of verafgelegen volslagen onbekende eilandjes en er nog succes mee hebben ook? Zelf had Eva Rovers – als overtuigd Beatles-fan – dankzij Büch enige sympathie weten op te brengen voor enkele nummers van de Stones.

    Een aparte keus ten slotte maakte Jacques van Alphen: emeritus hoogleraar dierecologie en vanaf zijn zestiende bevriend met Büch. Hij vertelde geen anekdotes of herinneringen. Integendeel: hij nam Büch bloedserieus door mee te delen wat sinds diens overlijden door nieuw onderzoek bekend was geworden over de legendarische dodo. Dat Büch ook in dit bizarre opzicht zo serieus genomen werd was misschien het indrukwekkendste eerbetoon.


    image_1382Op YouTube is een muzikale appendix bij de biografie verschenen: Boud sound lyriekmuziek: www.youtube.com/watch.

     

     

     

     

     

  • Veel meer dan boeken op de Buchmesse

    De tijd vliegt. Daarom proberen we er vat op te krijgen, bijvoorbeeld door het gebruik van een kalender. Op de Buchmesse is er een speciale galerij voor: een enorme gang met aan de wand honderden verschillende kalenders in alle soorten, maten en kleuren. Buchmesse betekent namelijk veel meer dan boeken. Er zijn ook speelgoedbeesten, boekensteunen, leesbrillen, notitieboekjes, kleurplaten, globes, landkaarten, spelletjes en ansichten.

    Een andere attractie zijn demonstraties. Een heuse Gutenberg bedient een replica van een 15de eeuwse drukpers. Grappig contrast is een knalpaarse 3D-geprinte miniatuurversie van het Gutenberg-standbeeld in Mainz. David Hockney himself bladert live door een nieuw, reusachtig overzichtswerk van zijn oeuvre en maakt zo het massaal toegestroomde publiek deelgenoot van zijn eigen sensatie.

    Natuurlijk worden op locatie maaltijden bereid op basis van kookboeken. En zijn er overal voortdurend openbare vraaggesprekken – niet alleen met Nederlandse schrijvers. Ik hoorde Duits, Maleisisch, Engels en Chinees. In het Nederland-Vlaanderen-gastland paviljoen kan onder begeleiding van bekende illustratoren worden getekend, waarna van het resultaat real time een publicatie wordt gemaakt. Wat van dit alles overblijft zijn vooral herinneringen aan een overrompelend en indrukwekkend evenement. Bijzonder vooral omdat een zakelijke beurs en een publieksfestijn zo vloeiend in elkaar overgaan. Die herinneringen nemen de duizenden deelnemers en bezoekers met zich mee als ze huiswaarts gaan. Waarmee het bereik van de Buchmesse nog groter wordt.

     

    image1Bij zo’n veelheid aan indrukken valt niet gauw op wat ontbreekt. Maar frappant was wel de totale stilte omtrent de winnaar van de Nobelprijs voor literatuur: Bob Dylan. Bij één Italiaanse stand was een affiche te zien dat Dylan huldigde. ‘Finalmente Dylan!’ Misschien had verbazing over toekenning van de prijs de marketeers verlamd. Misschien was de voorbereidingstijd voor de Messe gewoon te kort. Dat belooft dan wat voor 2017!

     

    Ook voor mij vliegt de tijd: ’t is mijn laatste dag van de Buchmesse. Zal ik afsluiten met een Belgische attractie? Vlaamse friet in Frankfurt.