• Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Wie het afgelopen jaar debuteerde met een roman of verhalenbundel heeft – naast de ervaring om het lang gedroomde debuut eindelijk in handen te houden – er weinig feestelijks aan beleefd. Er waren geen presentaties, geen borrels en geen signeersessies. De Vlaamse schrijver Amarylis De Gryse (1989), die vorig jaar oktober bij uitgeverij Prometheus debuteerde met de roman Varkensribben, verwoordde het zo: ‘Het voelt alsof ik stiekem gedebuteerd ben, een feestje dat onopgemerkt voorbij ging.’ 

    Met haar korte verhalen stond Amarylis De Gryse al eens op de shortlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2019 studeerde ze af aan de Antwerpse Schrijversacademie en eind vorig jaar debuteerde ze bij Prometheus met Varkensribben. Een tragikomische roman over loyaliteit en medemenselijkheid. 

    De Gryse woont in een klein huisje langs een Antwerpse snelweg en volgt een opleiding om boer te worden. Op dit moment loopt ze stage bij een biologische plukboerderij bij Antwerpen. Literair Nederland sprak met haar via een zoom verbinding. Een gesprek over schrijven, herschrijven, het proces van snoeien en groeien en debuteren. En hoe je in een tijd waarin honderden aspirant schrijvers hun boek uitgegeven willen zien, nog ontdekt kunt worden als literaire belofte. Zoals het Amarylis De Gryse overkwam: ‘Ik was al even bezig met Varkensribben toen ik op schrijversresidentie ging met De Buren, (Vlaams-Nederlands literatuurhuis Iv/dG). Ik denk dat Prometheus mij daar gezien heeft want daarna namen zij contact met mij op. En dat viel mooi samen want mijn manuscript was net af.’

     

    Hoe lang heb je aan je debuut gewerkt?

    ‘Zo’n drie jaar heb ik eraan gewerkt. Omdat ik ook een baan had, was er wel eens een periode van drie maanden dat ik er niets mee deed. Ik schrijf heel organisch en dan is het soms ook nodig het even te laten rusten, te laten gisten zeg maar.’

     

    Moest er veel herschreven worden toen het eenmaal bij de uitgever lag?

    ‘Tussen het eerste contact met de uitgever en het drukken van het boek zit een jaar. Er is nog veel aangepast, maar de basis was er al en die was goed. Hier en daar zijn er wat plotlijnen veranderd, maar de grote lijnen, de constructie bleef staan.’

    Dat is gelijk wat opvalt tijdens het lezen van Varkensribben: het boek zit goed in elkaar. Niets is overbodig, de hoofdstukken zijn kort, het verhaal meerlagig. De toon is onderkoeld waardoor de dingen die in wezen triest zijn, komisch worden. Marieke, de protagonist, is door haar vriend op straat gezet en leeft in een huurauto. Ze heeft herinneringen aan haar alleenstaande moeder en haar drie zussen. Ze herinnert zich dat haar vader niet naar haar omkeek, dat ze als kind met haar moeder in de keuken gehaktballen aan het draaien is. ‘Ze hing haar grote donkerblauwe keukenschort om mijn nek en draaide de linten tweemaal rond mijn middel. “Goed,” zei ze, en ze klapte in haar handen.’ Zoals Marieke het zich herinnert, lijkt het een liefdevolle moeder dochter relatie. Gaandeweg het boek wordt duidelijk dat haar herinneringen niet de werkelijkheid weergeven. 

    ‘Ik herken dat bij mezelf ook wel, dat herinneringen onbetrouwbaar zijn, maar wel je hele leven kleuren. Dat de dingen niet zijn zoals je ze herinnert was iets waar ik plotmatig wel mee wilde spelen.’


    In haar relatie met haar vriend Blok de slagerszoon heeft ze niets in te brengen, ook bij haar familie niet. Is het een boek over eenzaamheid, buitenstaanders?

    ‘Ja, dat ook wel. Maar voor mij gaat het vooral over het onderdrukken van jezelf. Marieke herinnert zich van alles maar wil de ware toedracht van haar herinneringen niet toelaten. Daarover wilde ik schrijven. Over iemand die zijn gevoelens onderdrukt, alles ondergaat en enkel registreert. En dat uiteindelijk niets zich laat wegdrukken, dat het altijd weer opspeelt.’ 


    Dat Marieke alles ondergaat is soms bijna niet uit te houden en dan komt er naar het einde toe opeens een geweldige apotheose. Had je dit van tevoren uitgedacht?

    ‘Tijdens het redigeren van het manuscript, ontstond dit moment van ommekeer bij Marieke. Vanuit al die thematieken als herinneringen, eenzaamheid, het geleefd worden en steeds weer tegen de grenzen van het zorgsysteem aanlopen, is het verhaal beginnen te groeien. En weer krimpen, en weer gegroeid. Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij.’


    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een verzorgingstehuis. De sfeer van vereenzaming, ontheemd zijn is goed in beeld gebracht. Heb je zelf ervaring met in de zorg werken?

    ‘Ik ben maatschappelijk assistent en heb in verschillende takken van de maatschappelijke dienstverlening gewerkt. In de medische sector, maar ook in de asiel- en migratie sector. Daar liep ik steeds tegen de grenzen aan van wat wel en niet mag. Er is geen tijd, want er is geen geld. Daarnaast was er ook het gevoel dat leeftijdsgenoten  uit mijn omgeving er vaak doorheen zaten door de grote druk in de sociale sector en in de dienstverlening. Ik vond dit frappant, dat weerbare jongeren die vol energie zouden moeten zitten, zo gedesillusioneerd waren, zo vermoeid. Dat was iets dat ik ook in het verhaal wilde hebben.’ 


    Heb je nog reacties gekregen op de schrijnende situaties die je beschrijft in het verzorgingstehuis? 

    ‘Ik heb vrienden en familie die in een woonzorgcentrum werken. Van hen hoorde ik dat het herkenbaar is zoals ik erover schreef. Fijn om te horen dat het klopte, maar ook jammer dat dit de werkelijkheid is. Ik heb voor een woonzorgcentrum gekozen omdat ik er wel mee bekend was, maar niet te dicht bij me stond. Ik heb daarvoor een week meegelopen in een woonzorgcentrum met een verpleegster die daar de ochtenddienst had. En, (begint te lachen) het frappante was dat die verpleegster zei, ‘Ik ben blij dat je er bent want nu kunnen we eens iemand in bad doen.’


    Wilde je altijd al schrijver worden?

    ‘Ik heb altijd verhalen geschreven. Als kind ging ik wekelijks met mijn moeder naar de bieb. Ik was niet zo’n goede student, er werd me afgeraden om talen te gaan studeren. En als je geen talen gestudeerd hebt, kun je er moeilijk ambities in hebben, dacht ik. Het lezen en schrijven heb ik toen losgelaten. Pas toen ik de opleiding voor maatschappelijk werker had afgerond dacht ik opnieuw aan schrijven, dat het altijd een rode draad in mijn leven is geweest. Toen ben ik weer verhalen gaan schrijven en naast het werk ben ik toen een schrijfopleiding gaan volgen.’ 


    Hoeveel versies heb je geschreven?

    ‘Het waren meestal losse stukken die herzien werden. Met schaar en plakband knipte ik alinea’s uit en plakte die weer ergens anders. Op het scherm kan ik het geheel niet goed overzien. Er was dus eigenlijk nooit een versie die ik had afgerond, het bleef steeds in beweging. Zoals ik al zei, ik schrijf organisch. Ook heb ik veel hardop gelezen voor mezelf.’


    In Varkensribben wordt veel over vlees geschreven, het bereiden, het eten ervan, vet druipt van kinnen. Marieke heeft zelfs een relatie met een slagerszoon, waar kwam die vandaan?

    ‘Tijdens het schrijven van Marieke’s omgeving, vroeg ik mij telkens af, ‘Waarom doet ze zo? Wat heeft ervoor gezorgd dat ze zich op een bepaalde manier gedraagt’ En zo kwam daar onder andere die vriend, die haar onderdrukt en klein houdt. Dat hij er in de gedaante van een slagerszoon bij kwam, ontstond gewoon en klopte voor het verhaal en mijn gevoel.’


    Ik las ergens dat je zelf veganist bent, was het dan niet vreemd over vlees te schrijven? 

    ‘Ik heb altijd graag vlees gegeten maar was al veganist voor het boek ontstond. Voor mij was vlees eten ook een sociaal ding. Toen ik stopte met vlees en zuivel gebruiken dacht ik wel, oei, wat gaat mijn moeder nu voor mij maken als ik jarig ben? De nostalgie van het eten van vlees kon ik niet meer delen. Ik ben opgegroeid met de gedachte dat vlees erbij hoort. Daarom wilde ik het ook in het boek opnemen, om vlees eten te fictionaliseren. Maar ook als een soort eerbetoon aan de gerechten waarmee ik ben opgegroeid.’ 


    Wat was de aanleiding om veganist te worden?

    ‘Ik was me al langer bewust van de gevolgen die de dierenindustrie heeft op het milieu. Toen ik op een melkboerderij werkte dacht ik opeens, Ja, maar. Die kalfjes! (worden bij de moeder weggehaald zodat de melk verhandeld kan worden Iv/dG). Toen ben ik voor het volledige pakket gegaan. Niets van dieren. Soms nam ik nog wel eens een ei als ik bij mijn grootmoeder, die zwaar ziek lag, was. Dat ga ik dan niet afwijzen.’

    In het boek zitten twee droomachtige scĂšnes. Marieke valt ongelukkig met haar fiets. Haar vader komt, hij steekt zijn hand in zijn romp en haalt er een rib uit waarmee hij Marieke heelt. De tweede scĂšne is aan het eind. Haar moeder, die een kast aan het verschuiven is, komt eronder terecht. Marieke wil haar helpen, zoekt in haar romp naar een rib maar kan die niet vinden.


    Wat is de symboliek hiervan?

    ‘Dat heeft te maken met onderdrukte gevoelens die in je slaap naar boven kunnen komen. Marieke onderdrukt de aanwezigheid van haar vader in haar leven. Op ongewenste momenten komt dit toch opborrelen. Er komt het besef dat haar vader, in tegenstelling tot wat haar moeder haar deed geloven over hem, wel voor haar gezorgd heeft. Het is de symboliek van hoe je een stuk van jezelf kunt gebruiken om de ander te helpen, te helen. Het is in het hele verhaal duidelijk dat Marieke zichzelf klein maakte voor haar moeder, ze zwijgt op alles wat haar moeder haar te zeggen heeft. Marieke geeft zichzelf volledig weg tot ze eindelijk kan toelaten dat haar vader haar helpt. En haar moeder zou ze wel willen helpen, maar ze kan het niet.’


    Hoe was het om te debuteren?

    ‘Het was toch wel een droom die uitkwam. Spannend ook, maar tegelijk raar om in deze tijd, waarin iedereen thuis blijft dit mee te maken. Het leek een beetje op een verjaardag die onopgemerkt voorbij gaat. Toen het in oktober in BelgiĂ« uitkwam mochten we  nog net met een groep van twintig mensen samenkomen. Toch heb ik besloten dat niet te doen. Een feestje geven voor een boek over de zorg, net wanneer de verzorgingstehuizen extra onder druk staan door corona, vond ik ongepast.’


    Staat er een volgend boek op stapel?

    ‘Mijn vorige boek moest ik eerst wel even laten bezinken. Nu begint het weer te borrelen. Ik denk weer over een roman en (lachend), ik denk dat veel van het buitenleven er in zal sluipen. Het boerenleven is een poĂ«tisch gegeven.’

     

     

     


    Varkensribben / Amarylis De Gryse / 222 pagina’s / Prometheus (2020)

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Ilja Keizer

  • Fotosynthese 20 – Bedrog

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Dat hier iets zeer ernstigs, ja iets catastrofaals is gebeurd, is in één oogopslag duidelijk. Het totaal gestripte kerkje, waarvan niet alleen het dak is weggeblazen, maar waarbinnen ook niets van het interieur behouden is gebleven. Het zo te zien verkoolde struikgewas op de helling vooraan. Ook de huizen verderop staan er even verlaten als onbewoonbaar bij. Over de rivier die bovenin de foto stroomt lag vroeger een brug. Op de beide oevers zie je daar nog een restant van, maar van de overspanning zelf is niets over. Wat hier aan menselijk leven woonde is compleet weggevaagd. Maar door wat?

    Toen ik deze foto voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik aanvankelijk aan vuur denken. Het hele tafereel ziet eruit alsof er een vlammenzee overheen gegaan is. Deze desolate resten associeer je met foto’s van Hamburg, na het massale Britse bombardement in de zomer van  1943 of met Dresden, Coventry of Rotterdam, maar dan op de schaal van een klein dorpje, ergens in
 ja waar? In Europa, zou je zeggen, met dat geraamte van een christelijk kerkje op de voorgrond. Het is alsof je gevraagd wordt iemand te identificeren aan de hand van een skelet. Alle sporen van herkenbaarheid zijn verdwenen.

    De krachten die daar in deze foto voor hebben gezorgd zijn niet die van vuur, maar van water. Dit is wat er overbleef van het Zuid-Franse dorpje Nauzenac, gelegen aan de rivier de Dordogne op de grens van de Corrùze en de Cantal. In de jaren veertig van de vorige eeuw wilde men een stuwdam met een waterkrachtcentrale bouwen, teneinde de afhankelijkheid van steenkool te verminderen. De 95 meter hoge stuwdam, de ‘Barrage de l’Aigle,’ verrees volgens plan in de buurt van het plaatsje Soursac, en kon na voltooiing een massa van 220 miljoen kubieke meter water tegenhouden. Dat betekende wel dat een aantal dorpjes aan de bovenloop van de rivier ontvolkt moest worden, omdat het waterniveau daar tientallen meters zou stijgen. En zo verdween het hele dorpje Nauzenac onder water.

    Eenmaal per tien jaar moet aan zo’n stuwdam groot onderhoud worden gepleegd en dan laat men het daarachter liggende stuwmeer geheel leeglopen. Na een dergelijke ‘vidage’ is deze foto genomen. En zo kijken wij ineens weer naar Nauzenac, nadat het een jaar of  70 lang onder water heeft gestaan. Wat voor een vreemde gewaarwording moet dat zijn voor mensen die in dat dorpje werden geboren en daar als kind nog hebben rondgelopen, naar school zijn gegaan, de mis hebben bijgewoond in het kerkje?

    Die vraag stelde de Franse filmmaakster Gertrude Baillot zich ook en samen met Nicolas DuchĂȘne wist zij drie mensen op te sporen die in Nauzenac ter wereld kwamen en daar hun jeugdjaren doorbrachten. Met die drie maakte zij in 2002 de fascinerende documentaire Les Enfants du Fond du Lac. Gedurende het eerste halfuur van de film doen de drie voormalige dorpsbewoners hun verhaal, aan de hand van foto’s, oude ansichtkaarten en plattegronden, afgewisseld met beelden boven en onder water van het bosmeer dat door de aanleg van de stuwdam is ontstaan. Gekleed in een roze mantelpakje vertelt Rolande Lamarche over haar grootmoeder, die naast de rivieroever de Auberge Raymond exploiteerde. De familiefoto’s waarop de intussen circa 65-jarige mevrouw Lamarche als meisje staat afgebeeld gaan tijdens het gesprek van hand tot hand.

    Maar dan, op 25 minuut en 49 seconden van de documentaire, kijken we van het ene moment op het andere ineens naar het leeggelopen rivierdal, en zien we Nauzenac na de Apocalyps. Afwisselend volgt de camera de drie hoofpersonen, terwijl zij in verbijstering naar hun vroegere geboortehuis lopen. Er staat nauwelijks iets van overeind. Zelfs de kelders blijken ingestort. Als souvenir wrikt een van hen een leisteen los uit het stoepje voor de verdwenen voordeur van zijn ouderlijk huis. ‘Il ne reste que ça?’ mompelt Rolande Lamarche, terwijl ze naar een troosteloze steenmassa kijkt. Alles waar ze in het eerste halfuur herinneringen aan hebben zitten ophalen blijkt verdwenen of onherkenbaar met de grond gelijk gemaakt: de school, de boerderijen, de herberg, de weg die tussen de huizen doorliep, de hangbrug over de rivier.

    Tegen het einde van de film – om precies te zijn in de 44ste minuut – gebeurt het onvermijdelijke. De onderhoudsbeurt aan de stuwdam zit erop, en de sluizen worden opengezet. In een angstaanjagend tempo komt het rivierwater weer omhoog om Nauzenac andermaal in de vergetelheid onder te dompelen. Misschien kunnen Rolande Lamarche, Georges Bordes en Gilbert Ternat met zijn vrouw Antoinette over tien jaar nog eens een kijkje nemen in deze onderwereld van hun autobiografische geheugen. Maar voorlopig – en dat is het slotbeeld van de film – zijn hun herinneringen weer diep weggestopt onder het oppervlak van het grote bosmeer. Daar zien we kinderen aan de waterkant spelen, mensen zwemmen, iemand gooit een hengel uit. Wat een lieflijk bedrog is het heden.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

    Portret: Sacha de Boer

  • Lieke Marsman nieuwe Dichter des Vaderlands

    Met de onthulling van een gigantische banier op een metershoge toren in Tilburg, werd vanmiddag om 14.00 uur bekend gemaakt dat Lieke Marsman de nieuwe Dichter des Vaderlands is. Het banier onthulde de dichtregel: ‘Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu – Lieke Marsman’. Zij zal de huidige Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja opvolgen voor een termijn van twee jaar. Lieke Marsman is de achtste Dichter des Vaderlands en werd gekozen door een benoemingscommissie van kenners en dichters. Tijdens deze functie, ambassadeur van de poĂ«zie, zal Marsman gedichten schrijven bij nationale gebeurtenissen die het land en de wereld beroeren.

    ‘Marsman is een dichter die als geen ander de lyriek een functie weet te geven in de onontkoombare werkelijkheid; die de woorden uit de wereld en actualiteit een nieuwe lading geeft, wat haar stem onwrikbaar en bij tijden ontroerend waarachtig maakt.’ ‘Marsmans politiek en feministisch geladen teksten en optredens sorteren ook effect bij een groter publiek. Mede daarom zal zij een uitstekende Dichter des Vaderlands zijn.’, aldus de benoemingscommissie.

    Lieke Marsman (1990) schrijft al vijftien jaar poĂ«zie. In 2015 rondde ze een onderzoeksmaster filosofie af. Intussen debuteerde ze in 2010 met de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud, (Van Oorschot) waarvoor ze drie prijzen won, de C. Buddingh’-prijs, C.W. van der Hoogtprijs en de debuutprijs Het Liegend Konijn. Haar tweede bundel, De eerste letter (Van Oorschot), verscheen in 2014. Begin 2018 werd Lieke Marsman getroffen door een zeldzame vorm van kanker, kraakbeenkanker. In die periode ontstond De volgende scan duurt vijf minuten, tien gedichten en een essay over hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. Marsman schreef hiermee een pleidooi om maatschappelijke verantwoording te nemen voor de wereld waarin we leven. Haar betrokkenheid is aansprekend.

    Juist vandaag verschijnt haar nieuwe bundel In mijn mand (Uitg. Pluim), waarin ze de grootste thema’s behandelt die het menselijke bestaan kenmerken, namelijk: de waarde van het leven en de plek van de dood in een mensenleven.

    Het comité dat de nieuwe Dichter des Vaderlands aanstelde bestond uit Simone Atangana Bekono, Inez Boogaarts, Menno Hartman, Daphne de Heer, Antoine de Kom, Maaike Meijer, Benno Tempel, Thomas de Veen en Linda Veldman.

     

    Vanavond om 19.00 uur  geeft Tsead Bruinja het stokje door aan Lieke Marsman tijdens een feestelijke avond, te volgen via deze link op Tilt . Inloggen of aanmelden is niet nodig. Dichters Joost Oomen, Hannah van Binsbergen, Vrouwkje Tuinman en Jerry Afriyie dragen voor, muziek van Harold K en Nicole Terborg is gastvrouw van dienst.
    De organisatie is in handen van Tilt.

     

     

    Auteursfoto: Merlijn Doomernik

     

  • Een reservaat waarin diersoorten worden gekoesterd en verjaagd

    P.F. Thomése kwam in 1990 de literatuur binnen met de verhalenbundel Zuidland, waarmee hij meteen de AKO-literatuurprijs won. Daarna oogstte hij grote successen met Schaduwkind (2003), een requiem voor zijn overleden dochtertje en naar eigen zeggen zijn beste werk. De onderwaterzwemmer (2015), bezorgde hem in 2016 de Prijs van de lezersjury van de Fintro-literatuurprijs. Vorig jaar verscheen Vaderliefde, een pakkende roman over zijn overleden ouders. Thomése oogstte internationaal succes met zijn boeken. Tussendoor schreef hij enkele komische werken waarin zijn vriend J. Kessels de hoofdrol speelt. Onlangs verscheen de Tilburg Trilogy, een bundeling van de drie boeken over J. Kessels.

    Kris Mattheeuws sprak via een videoverbinding met P.F. Thomése over zijn oeuvre, een boek als een country song, het schoppen tegen schenen en het oprekken van de grenzen van de literatuur.

    Bekend als stilist van serieuze literatuur, leek het vreemd dat uitgerekend Thomése een aantal scabreuze romans schreef waarin borsten en billen in al hun aspecten welig tieren. Boeken waarin de country & western-tearjerkers uit de autoradio jengelt, bier rijkelijk vloeit, het platvloerse en de onderbroekenlol niet uit de weg worden gegaan. Thomése heeft er geen probleem mee, integendeel.

     

    De stijl van de J. Kesselsromans is van een heel andere orde dan het meer serieuze werk dat we van u gewoon zijn. Is daar een specifieke reden toe?

    ‘Een boek schrijf ik niet met voorbedachten rade. Kort nadat Zuidland in 1990, verscheen bij een bibliofiel uitgeverijtje in Heiloo, een serie reisverhalen Deep South & Far West waarin ik met mijn vriend J. Kessels door het country gebied van de VS reisde. Omdat ik net de AKO-literatuurprijs had gewonnen, werd dit boekje ook opgemerkt. En tot mijn verwondering werd het goed onthaald. Gaandeweg is het J. Kessels-werk wel wat scabreuzer en lichtzinniger geworden. Mijn andere boeken hebben daar misschien geen gelijke tred mee gehouden, ik denk dat we alles in dat licht moeten zien. Want ook Het zesde bedrijf (1999) heeft een zekere lichtvoetigheid. Ik probeer in die roman, die zich afspeelt in Parijs tijdens de Franse Revolutie, een soort operetteachtige sfeer te creĂ«ren. De recensenten hebben dat toen een beetje gemist omdat ze zich erover verbaasden dat ik een vrouw als hoofdpersoon had gekozen. Een man die over een vrouw schreef, was voor sommigen ‘not done’ of werd op zijn minst gewantrouwd. Het was een beetje omgekeerd seksisme, terwijl ik daar helemaal geen slechte bedoelingen mee had, geen slechtere althans dan met mijn andere personages. Ik denk dat beide kanten, het komische en het tragische, het ernstige en het speelse, altijd aanwezig zijn geweest in mijn werk. In mijn debuut Zuidland is het komische al aanwezig. Ik zag onlangs een optreden van Josse De Pauw waarin hij Leviathan (kort verhaal van ThomĂ©se, K.M) als ‘Sprechtheater’ bracht. Ik moet zeggen dat ik dertig jaar na datum toch weer bij bepaalde passages in de lach schoot.’

     

    Het personage J. Kessels kwam tot leven in verhalen over roadtrips in de VS. Waarom besloot u hem als hoofdfiguur op te voeren in maar liefst drie romans? Wat is zo dankbaar aan de figuur Kessels?

    ‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen project. Veel had te maken met het feit dat mijn eerste uitgever Querido geen interesse had in mijn J. Kessels verhalen. Ze wilden er niets van weten, dat was ook een van de redenen om daar weg te gaan. Ik vond het een miskenning van mijn schrijverschap door niet het hele schrijverschap te willen omarmen. Het was ook een soort bevrijding, mede doordat ze bij mijn nieuwe uitgeverij Atlas Contact een groot liefhebber van J. Kessels waren. Zonder enige aarzeling gaven ze het uit. De belangrijkste rol hierin werd echter gespeeld door de redactie van Hard Gras, het literaire voetbalblad. Het blad werd zo populair dat we op een bepaald moment gingen toeren. We zaten in een busje met Anna Enquist, Henk Spaan, Herman Koch, Matthijs van Nieuwkerk en Ronald Giphart. Zij kenden mijn J. Kessels-kant nog niet. 

    Ik verraste hen daar mee en ik maakte er op den duur een sport van om hen achter de coulissen zo hard te doen lachen dat het publiek het ook hoorde. Toen Matthijs van Nieuwkerk zo gierde, is dat voor mij wel de trigger geweest er met nog meer zin mee aan de slag te gaan. Ik besefte toen dat het iets heel bijzonders had, wat ik er eerder nog niet in gezien had. Het komisch effect werd vergroot door het feit dat dit werk zo haaks stond op alles wat ze van mij kenden. Dat heb ik dan ook wel uitgebuit. In die zin zie ik het meer als het werk van een straatmuzikant. Ik begin en er staat onmiddellijk een kring om me heen. Het is informeler dan mijn andere werk, ofschoon het ook heel erg gekunsteld is. Het is mijn meest postmodernistische roman. Het bevat een heleboel metagrappen.’ 

     

    U brengt ook het personage P.F. Thomése naast de figuur van J. Kessels. Zijn de twee antipolen?

    ‘Alles is natuurlijk gebaseerd op mijn vriendschap met J. Kessels. In een vriendschap is er de neiging tot symbiose, maar die bestaat wel uit twee polen. Dat is altijd zo, denk ik.  Bij ons werd dit zeker versterkt en als schrijver versterk je dat nog meer. Het zijn complementaire gestalten, daar kwam ik gaandeweg achter en daar ging ik ook meer mee spelen. Zo valt J. Kessels op rondborstige vrouwen en bekijkt P.F. ThomĂ©se het meer van achteren, van de bilzijde. Dat getuigt ook een beetje van het achterbakse van de schrijver die altijd een beetje van achteren zit te loeren, terwijl J. Kessels oprecht is en rondborstige vrouwen met open vizier tegemoet gaat, zonder enige bijgedachte.’

     

    Is er enige gelijkenis tussen het personage Thomése en de auteur Thomése? 

    ‘Autobiografie is oninteressant in de zin dat ik er geen behoefte aan heb feiten getrouw weer te geven. Niet omdat ik iets te verbergen heb, maar omdat ik denk dat het in de tekst zelf zit. De spanning en de gevoelens worden vanzelf waar, meer dan de zogenaamde droge feiten. Door lang te figureren in die boeken ben ik ĂŒberhaupt langzaamaan op hem gaan lijken. Daar ontkom ik niet aan en dat ga ik ook niet ontkennen. Maar ik denk niet dat wanneer ik mijn zoons naar  hockey breng, andere ouders denken: “Daar heb je die viespeuk weer die altijd in onzedelijke toestanden terechtkomt”.’

     

    De rode draad in de Kessels romans, naast de queeste naar seksuele verlossing, is countrymuziek. Is dat een echte passie en vanwaar die passie?

    ‘Ik ben er een beetje van afgedreven in het tweede en derde boek, maar de verhalen en het eerste boek heb ik proberen te schrijven als een country song, een melodrama. Een country song is melodramatisch in de zin van ‘vroeger was het beter’. Het verlangen naar een vroeger dat er nooit is geweest, zit er altijd in. Nostalgie is de drijfveer en dat maakt misschien ook dat ik het lichtere genre heb gekozen. Nostalgie staat bekend als een oppervlakkige emotie, terwijl iemand met een retrospectieve geest zoals ik niet zonder nostalgie zou kunnen leven. Dat betekent niet altijd het verheerlijken van het verleden, maar evenzeer het lijden aan de onmogelijke terugkeer daarnaar. Dat noem ik mijn country & western gevoel. Daar val je niemand mee lastig, maar in een verhaal kan dat heel goed werken. Het motief om het verlangen over te doen, maar dan goed, speelt een grote rol in zowel J. Kessels: The Novel als in Ik, J. Kessels. Dat verlangen naar verlossing zit ook in country songs. Denk aan het kernbegrip ‘redemption’ bij Johnny Cash. 

    Op de een of andere manier spelen deze zaken in de officiĂ«le, erkende literatuur minder een rol omdat men het kinderachtig vindt, of gĂȘnant. Als een schrijver dat doet wordt hij op de vingers getikt. Ik zie het bij veel schrijvers gebeuren. Iemand als A.F.Th. van der Heijden is voortdurend zijn verleden aan het herbezoeken en aan het herschrijven. Dat is een klassiek gegeven in de literatuur. Als je het zo vet doet als ik in de J. Kesselsromans, dan worden de wenkbrauwen gefronst. Maar ik denk dat je er juist dan dichterbij komt. Door overdrijving en het thematiseren van het smakeloze. Zoals bijvoorbeeld het literair ejaculerende teruggeilen op een meisje aan de flipperkast in de cafetaria van mijn jeugd. Het is een soort ‘not done’. Ik ken het niet als motief. Wel de onbeantwoorde jeugdliefde, maar niet de al dan niet beantwoordde eerste geilheid of erotische sensatie, en die is eigenlijk veel bepalender.’ 

     

    In de drie romans is een opvallende evolutie in de aanwezigheid van de figuur J. Kessels. In de eerste is hij zeer aanwezig, in de tweede is het op zoek gaan naar, en wordt uiteindelijk gevonden. In de derde is hij afwezig tot het einde. Is dat een bewuste keuze?

    ‘Dat is een autobiografisch gegeven. Het zijn drie boeken geworden omdat J. Kessels er genoeg van kreeg, ook van mij als vriend. Die boeken zijn het afscheid van een vriendschap geworden en dat is in drie stappen gegaan. Elk boek ging er weer een deur dicht en dan was het voorbij. In Het bamischandaal vind ik hem nog kettingrokend terug op een stoep in Shanghai, maar in Ik, J. Kessels moet ik het doen met Peerke Sonnemans die nu zijn beste vriend geworden is.’

     

    Inderdaad. J. Kessels’ rol wordt langzaam maar zeker ingenomen door Peerke Sonnemans. Welke rol speelt hij in het hele verhaal?

    ‘Hij is een epigoon van Kessels maar zonder de grandeur die Kessels heeft. Kessels zou zo uit een country song kunnen komen. Sterker, toen ik met hem door Amerika  trok, werden we dikwijls gefotografeerd omdat ze ervan overtuigd waren dat ik Art Garfunkel was, ik had toen nog meer haar, en hij een country zanger. Peerke daarentegen heeft helemaal geen stijl, hij is berekenend. Hij heeft wel één significant voordeel ten opzichte van P.F. ThomĂ©se, hij is hondstrouw. Hij doet alles voor J. Kessels, terwijl P.F. ThomĂ©se hem verraadt in toenemende mate. Dat is trouwens ook een vreemd aspect van een autobiografische roman dat niet vaak voorkomt. Dat de ik-verteller een uitermate onsympathieke, onbetrouwbare figuur is, en dat de schrijver die zelf belichaamt, is een unicum.’

     

    U schopt tegen veel schenen. De zogenaamde politieke correctheid is niet aan u besteed? U spot met homo’s, zwarten, collega-schrijvers.  Hebt u daar geen problemen mee of mee gehad?

    ‘Sinds George Floyd en Black Lives Matter is de wereld veranderd. Ik zou het nu, denk ik, niet meer doen, ik zou er tenminste niet meer zo achteloos overheen gaan.  De beweging heeft iets aan het licht gebracht waar je je als schrijver wel rekenschap van moet willen geven. In die zin zijn het dus historische romans geworden. Als ze het zouden willen censureren zou ik me wel met hand en tand verzetten. Men is niet verplicht het te lezen. Ik heb het ook niet bewust gedaan. Ik heb het gedaan omdat ik die country & westernstijl tot leven wilde brengen. Stereotypering is de ruggengraat van een goede country song, die stijlfiguur is verplicht. Alles wordt gestereotypeerd, ikzelf, J. Kessels.

    Ik heb voor deze editie een nieuwe omslag gekozen, in de oorspronkelijke editie had cartoonist Gerrit de Jager op mijn verzoek cartoons gemaakt, dat cartooneske speelt ook bij de leeservaring mee. Dat ontslaat je natuurlijk niet van verantwoordelijkheden. Hier en daar is het explosieve materie geworden. We kijken nu ook anders naar Kuifje in Afrika. Terecht. Al blijft dat album cultuurgoed. Kunstenaars zijn vaak ‘fout’, dat zit een beetje in de aard van het beestje. Als je iedereen gaat cancelen, houd je alleen koorknapen over. Dan heeft kunst geen zin meer. Veel heeft met het vermogen tot zelfspot te maken. Maar niet iedereen is het daarmee eens. In Breda lachen ze erom, in Tilburg hebben ze het er soms moeilijk mee. Dat geldt ook voor de mensen wier identiteit ik heb gebruikt. 

    De personages zijn allemaal bestaande mensen. Toen Frans Schellekens alias De Schel, mijn vriend en gids in Shanghai, na een val van een trap overleed, vroeg zijn familie mij om iets te zeggen op zijn uitvaart. Er werd met klem gevraagd óók iets voor te lezen uit Het bamischandaal. Het publiek herkende het en de lach rolde door de tent, het was ontroerend en hartverwarmend. Dat was heel bijzonder. Zo zie je, het gaat erom hoe je het opvat.’ 

     

    De zeer ironische stijl is dus een bewuste keuze.

    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik het schrijf is alles omkeerbaar. J. Kessels, de centrale figuur, heeft altijd stellige meningen, apodictische uitspraken, oneliners die zo uit een country song kunnen komen en slaan meestal nergens op. De waarheid is in die boeken sowieso op drift geraakt en het omgekeerde is even goed waar. De woorden hebben eigenlijk in die zin geen waarde meer. Daar heb ik ook enorm veel plezier in, om die woorden bijna te gebruiken als een autonome taal, een taal die van de pot gerukt is. 

    Een van mijn allergrootste helden is Nabokov. In Lolita zingen de woorden zich ook helemaal los van hun betekenis en dat is een van de redenen waarom het zo’n fantastisch boek is. Velen vinden het een boek over een pedofiel, maar  het is een boek over taal en die taal is losgeraakt van zijn anker, los van zijn vaste betekenis. Voor Nabokov was Engels ook een vreemde taal. Dat heb ik ook, die vreemdheid, ik druk me uit in een taal die alle kanten op kan. Dat is gemaniĂ«reerd. Zoals de Italianen na de barok deden, ‘alla sua maniera’, op zijn eigen manier, de eigenheid van het schrijven. 

    Taal is natuurlijk iets algemeens, we wisselen uit, we weten allemaal precies wat een woord betekent en als iemand de taal op een eigen manier gebruikt, is het niet meer zo duidelijk. Dat is voor mij als schrijver belangrijk, dat de lezer niet meer weet waarheen hij wordt gevoerd. Daarom gebruik ik mezelf en die vriendschap en dat autobiografische ook. Het begint met twee vrienden die samen naar het cafĂ© gaan, heel herkenbaar, en dan gaat het verder en komen ze in een krankzinnig universum terecht.’

     

    Het is een boek over vriendschap, maar evenzeer over het verlies van vriendschap. Was het schrijven van boek drie een soort van loutering of catharsis?

    ‘Boek drie is best wel een elegische roman, een elegische pornografie. P.F. ThomĂ©se belandt in de armen van een ex van J. Kessels. Hij beleeft iets wat verjaard is, nergens meer op slaat. In zijn gedachten zijn die vrouwen nog de vamps van weleer, maar daar is de tijd ook overheen gegaan.’

     

    Hoe moeilijk is het om over een bestaand figuur te schrijven die ook reacties kan geven. Bij Vaderliefde waren uw ouders al overleden, daar kon geen reactie meer van komen. Hebt u er ooit bij stilgestaan dat dit kon leiden tot de teloorgang van de vriendschap?

    ‘Ik was me daar niet bewust van. Ik had natuurlijk al in 1990 over hem geschreven en toen had ik niet de indruk dat het verkeerd viel. Ik denk dat het probleem ontstond toen de boeken steeds populairder werden. Nolens volens werd hij opeens een lokale beroemdheid, in Tilburg werd hij erop aangesproken. Die receptie heb ik onderschat. Voor mij als schrijver was dat bekend, hij had het er moeite mee. Hij werd opeens een publieke figuur, terwijl hij daar geen behoefte aan had. Maar omdat hij niks zei, was ik me daar niet van bewust. Na het tweede boek kwam de film, het media gedoe daaromheen leidde tot een definitieve breuk.’ 

     

    Om terug te komen op de stijl. Er zijn die twee aspecten in uw werk, het ernstige en het lichtvoetige, dit wordt soms bestempeld als platvloers, onderbroekenlol, goedkope humor? Houdt u zelf van die stijl?

    ‘Jazeker, zeker in een genre als de film. De films van Tarantino kan ik eindeloos bekijken. Ook in de literatuur: ik ben opgegroeid met Gerard Reve en ik hou erg van die Amerikaanse hard boiled stijl. Mijn eerste boek draag ik op aan hardgekookte jongens als Charles Bukowski, Jack Kerouac, Kinky Friedman, Hunter S. Thompson, Schrijvers die ik in verschillende fasen van mijn leven heb gekoesterd. Ik hou ervan met een bepaalde weerzin te kijken naar de lessen Nederlands of de neerlandistiek, waar de literatuur behandeld wordt als een soort reservaat, bepaalde diersoorten worden gekoesterd en andere worden als mussen afgedaan. Dat heb ik ook met de J. Kesselsboeken. Ze moeten wel naast mijn andere boeken kunnen staan, maar dat doen ze soms niet van harte. Daar heb ik wel plezier in. Het is het oprekken van de grenzen van de literatuur. 

    Dat vind ik heel belangrijk, literatuur beslaat het hele leven en de hele werkelijkheid, niet enkel het serieuze deel daarvan. Dat vind ik het knappe van Tarantino. Hij betrekt allerlei banaliteiten in zijn films, hij kan een gesprek over de kwaliteit van koffie opnemen, zoals in Pulp Fiction. W.F. Hermans claimt in zijn essay over antipathieke personages dat een personage weerstand moet oproepen. De lezer wil bevestigd worden, wil een positieve ervaring, gevleid en gerustgesteld worden. Maar de schrijver moet daar tegenin gaan, de lezer uit zijn comfortzone halen. Volgens Hermans gaat het erom dat je als lezer iets te weten komt wat je niet wilde weten maar, nu je het weet, niet meer kan vergeten. Bij Hermans is dat de bittere waarheid, terwijl het bij mij komisch kan zijn de broek te laten zakken.’

     

    Wat zijn uw plannen voor 2021, staat er een nieuw boek op stapel?

    ‘Ik ben al een jaar bezig met Lohengrin. Een roman over een broer-en-zus-achtige verhouding tussen een Amerikaanse jongen die op zoek is naar zijn gesneuvelde vader en een meisje op zoek naar haar weggelopen moeder, verloren zielen in een reĂ«le wereld. Ik verwacht het dit jaar af te maken.’

     

    Tilburg trilogy, De J. Kessels romans / P.F. Thomése / 688 pag. / Uitgeverij Prometheus (2020)
    Foto: Annaleen Louwes, (via de uitgeverij)
  • Dichters moeten rusteloos op zoek naar poĂ«zie die hen aanspreekt

     


    Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poĂ«zietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poĂ«zielijn vitaal houdt.

    Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poĂ«zie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

    Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

    Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

     

    Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

    ‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. WĂ©l las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poĂ«zie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poĂ«zie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


    Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

    ‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus AndrĂ© Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poĂ«zie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


    U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

    ‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

    ‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


    Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

    ‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poĂ«zie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poĂ«zie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


    Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

    ‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poĂ«zie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poĂ«zie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poĂ«zie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

    ‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poĂ«zie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poĂ«tica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poĂ«zie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

    ‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


    Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

    ‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


    Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

    ‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poĂ«zie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poĂ«zie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


    Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

    ‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 Ă  25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


    Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

    ‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


    In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

    ‘Tijdens het jongste decennium werd poĂ«zie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poĂ«ten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


    Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

    ‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiĂ«nter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poĂ«zie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poĂ«zie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poĂ«zie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. PoĂ«zie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

    ‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poĂ«zie maar de moeite waard is!’


    Gezien uw opmerking dat ‘poĂ«zie van nu zich moet kunnen meten met de beste poĂ«zie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

    ‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poĂ«zie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poĂ«zie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poĂ«zie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poĂ«zie en aan vertalingen. Het poĂ«tisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poĂ«zie die hen aanspreekt. Vreemde poĂ«zie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


    Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld?

    ‘Ik probeer alle nieuwe poĂ«ziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poĂ«ziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poĂ«zie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poĂ«zie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


    Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

    ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


    Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

    ‘Een leven zonder poĂ«zie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. PoĂ«zie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

    Niets passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad

    Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

     

    Foto: Lodewijk Deleu

     

     

  • Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2021 voor Rokus Hofstede

    De Martinus Nijhoff Vertaalprijs werd vorige  week 14 december toegekend aan Rokus Hofstede voor zijn vertalingen uit het Frans. Naast non-fictie boeken van Roland Barthes, Pierre Bourdieu en Bruno Latour, vertaalde hij werk van onder anderen Emil Cioran, Georges Perec, en George Simenon,. De jury noemt zijn oeuvre ‘een indrukwekkende prestatie van zeer hoge klasse’.

    Rokus Hofstede (Hengelo, 1959) studeerde sociale geografie, culturele antropologie en begon zich vanaf 1990 toe te leggen op het vertalen van Franse literatuur. Hij vertaalde om en nabij de vijftig titels, waaronder Roemloze levens van Pierre Michon, het onlangs verschenen De jaren van Annie Ernaux en De grote angst in de bergen van Charles- Ferdinand Ramuz.

     

     

    De jury beoordeelde Hofstedes vertalingen als van een ‘onveranderd hoog niveau’, en sprak van ‘vertalingen [die] niet alleen zeer precies en degelijk, maar ook doorspekt met inventieve en vaak geestige oplossingen [zijn]. Door zijn lezingen, inleidingen en commentaren is hij een ‘belangrijk pleitbezorger van de Franse literatuur in Nederland en Vlaanderen’, aldus de jury.

    De  Martinus Nijhoff Vertaalprijs is een jaarlijkse prijs die een vertaler bekroond die vertaalt in het Nederlands. Maar eens in de vijf jaar krijgt daarnaast ook een vertaler  de prijs toegekend die vanuit het Nederlands vertaald. Vorig jaar was zo’n lustrum jaar en ging de prijs naar Irina Michajlova en Jacques Westerhoven. De  Martinus Nijhoffprijs is een van de grootste vertaalprijzen van Europa, de winnaar ontvangt een bedrag van 35.000 euro.

    De jury bestaat uit Maarten Asscher (voorzitter), Henri Bloemen, Eric Metz, Hilde Pach, Marjolein van Tooren en Marjoleine de Vos.

    De uitreiking van de prijs vindt in de eerste helft van het komend jaar plaats. Meer informatie daarover volgt nog.

     

     

  • Alfred Schaffer overrompeld door winnen P.C. Hooftprijs voor poĂ«zie

    Deze week werd door de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde bekend gemaakt dat Alfred Schaffer (1973) de P.C Hooft-prijs 2021 krijgt voor zijn gehele oeuvre. Voor de dichter, die in Zuid-Afrika Nederlands doceert aan de universiteit van Stellenbosch, was dit een grote schok. Hij werd gebeld toen hij op zijn werkkamer op de universiteit zat door de secretaris van de P.C. Hooftprijs,  Aad Meinders. Zijn eerste gedachte was dat ze hem misschien wilden vragen als jurylid, en dan blijk je de prijswinnaar te zijn. Het was nogal een schok liet Schaffer weten in een interview in Trouw, ‘Ik viel echt van mijn stoel. Er was hier geen kip, dus ik heb maar even naar huis gebeld. Daar vielen ze ook van hun stoel.’ Daarna was hij vooral ontroerd, voelde het alsof hij de stratosfeer in werd gekatapulteerd. De P.C. Hooftprijs is een prijs waarvoor je niet genomineerd wordt, de verkiezing gebeurt geheel binnenskamers.

    Een van de overwegingen van de jury om hem de prijs toe te kennen was: ‘Alfred Schaffer is een dichter die zonder met modes mee te waaien midden in deze tijd staat. Dat uit zich in zijn neus voor moderne communicatievormen, maar vooral ook in de oprechte betrokkenheid met de wereld die uit zijn verzen spreekt. Schaffers poĂ«zie is nooit los te zien van de context van Zuid-Afrika, het land waar hij sinds 1996 – met een onderbreking van enkele jaren – woonachtig is. In zijn gedichten resoneert de verhouding tussen wit en zwart regelmatig, ook vanwege de persoonlijke achtergrond van de dichter, die een Arubaanse moeder heeft.’

    Alfred Schaffer behoort met zijn 47 jaar tot de groep van jongere dichters die ooit de prijs ontvingen, Lucebert was 43, Gerard Reve 45 en Rudy Kousbroek was 46 jaar. Schaffer debuteerde twintig jaar geleden met Zijn opkomst in de voorstad (2000). Inmiddels heeft hij tien bundels gepubliceerd, waaronder de dit jaar verschenen bundel Wie was ik. Zijn werk werd eerder bekroond met onder andere de Awater Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs en de Paul Snoek Poëzieprijs. Naast zijn lectorschap aan de Stellenbosch University, schrijft hij poëziekritieken voor De Groene Amsterdammer.

    De prijs werd toegekend door de jury bestaande uit: Jeroen Dera, Janita Monna (voorzitter), Ester Naomi Perquin, Carl De Strycker en Michael Tedja. Met deze toekenning ontvangt de gelauwerde een geldbedrag van € 60.000.

    De prijsuitreiking, die in mei plaatsvindt, wordt georganiseerd door het Literatuurmuseum. Hoe een en ander geregeld zal worden is nog niet duidelijk en afhankelijk van de beperkingen die de coronapandemie oplegt.

     

     

    Bron: Trouw, Interview door Iris Pronk

     

  • De ambitie herkennen van wat een Grote Nederlandse Roman zou willen

    Martijn Knol werkte zes jaar aan zijn nieuwe roman De lange adem. Na de novelle Elders uit 2014  is dit zijn vierde roman. ‘In stilte’ werkte hij eraan, zoals de auteursbio op de binnenflap vermeldt. Wie hem op internet zoekt, komt behalve zijn eigen website en blog niet veel tegen. Wat er over Martijn Knol te vinden is, gaat waarschijnlijk over een naamgenoot, wat nog wel eens voor verwarring zorgt. 

    ‘Er is een andere Martijn Knol die aan wielrennen doet. Een tijdje geleden kwam iemand naar me toe en vroeg of ik tips voor hem had. “Ja,” zei ik, “gewoon doortrappen.”’ Zijn plek buiten het centrum van de aandacht bevalt hem wel.

    ‘Ik ben gecharmeerd van schrijvers van wie je helemaal niets weet, zoals Salinger of Elena Ferrante. Het enige wat je kunt doen is hun boeken lezen. Dat vind ik wel mooi. Deze tijd vraagt misschien ook wel om een beetje persoonlijke terughoudendheid en het boek het boek te laten zijn.’

    Zoeken naar betekenis

    Maar wie hem zoekt voor een boekpresentatie of literair programma, weet hem wel te vinden, vertelt Knol. Het is dan ook niet zo dat hij niet graag over zijn boeken praat. De enige hapering tijdens het interview komt door een slechte Skypeverbinding aan het begin. Zodra het euvel verholpen is, gaat het gesprek moeiteloos verder. De rijkdom van zijn roman biedt genoeg stof om over te praten. In De lange adem volgen we Robbert, een beveiliger in een warenhuis. In talloze hoofdstukken, scùnes en fragmenten komen we meer te weten over hem, zijn collega’s, geliefden en zijn grote kinderwens. Knol schetst hem als een rauwdouwer, iemand die er niet voor terugdeinst om als het nodig is een tik uit te delen, maar tilt hem moeiteloos uit boven het archetypische door ook zijn binnenwereld met zijn kinderwens te beschrijven.

    De andere hoofdfiguur is Roman, een vlotte reclameman die ambities in de politiek krijgt en de Partij voor de Toekomst. Net als Robbert wordt Roman omringd door vele bijfiguren onder wie zijn vrouw en collega’s op zijn reclamebureau die ruim aandacht krijgen. Het maakt van De lange adem een volle en meerstemmige roman waarin figuren uit verschillende lagen van de bevolking elkaars levens kruisen. ‘Als het waar is dat mensen zich tegenwoordig steeds vaker opsluiten in hun eigen gelijk, wat gebeurt er dan als je ze in een roman tot contact dwingt?,’ vroeg Martijn Knol zich af bij het schrijven.

    De lange adem gaat over hoe we betekenis geven aan ons leven. Voor Roman is dat gein, reclamecampagnes maken en rijk worden. Later zoekt hij het in de politiek. Robbert zoekt betekenis in goed burgerschap een gezin, zijn werk en vaderlandsliefde. Als je al die personages volgt, dan krijg je begrip voor al die standpunten. Ik heb willen laten zien dat het ene streven niet meer waard is dan het andere.’

    Luchtgaten naar de buitenwereld

    De meerstemmigheid van De lange adem zit hem niet alleen in de hoofd- en bijfiguren van de twee verhaallijnen. Knol heeft ook stukjes ingelast met moppen en commentaar van fictieve lezers. Ze verwoorden reacties op het gelezene en gaan gesprekken met elkaar aan over bijvoorbeeld de noodzaak van een bepaalde scĂšne in het boek of de mogelijke bedoeling van de schrijver.

    ‘Met deze stemmen kon ik de roman verrijken met andere standpunten en ook twijfel en kritiek toelaten. Op deze manier wilde ik de roman al tijdens het lezen als het ware openwerken naar de samenleving. Soms is het heel leuk om een helemaal gesloten alternatieve wereld te creĂ«ren in een roman. Maar in De lange adem zijn de samenleving en democratie belangrijke thema’s en daarom wilde ik luchtgaten maken naar de buitenwereld.’

    Op geheel toevallige wijze kwam de buitenwereld in de roman terecht. Afgelopen voorjaar richtte Henk Krol, nadat hij 50PLUS had verlaten, de Partij voor de Toekomst op, dezelfde naam die Knol had bedacht voor de politieke partij van zijn personage Roman.

    ‘De essentie van politiek campagne voeren is kiezers beloften doen. Die liggen natuurlijk in de toekomst, dus ik dacht: een politicus verkoopt toekomst. Ik vond het zelf wel grappig, die naam. Het is zo over the top.’

    Roman ontpopt zich in De lange adem tot een politicus van populistische snit, wat tot geweldige passages leidt waarin hij zijn ideeën uiteenzet.

    ‘Dat populisme en opportunisme en het gebruiken van de politiek voor je eigen belangen wilde ik graag in mijn roman verwerken, maar tijdens het schrijven kwam het toch wel wat genuanceerder te liggen. Roman heeft weliswaar nare en rare trekken, maar het begon me op te vallen dat hij de politiek onderzocht om te proberen echt iets te betekenen. Er zit een soort ambivalentie in, want wij herkennen de populistische stromingen, maar tegelijkertijd zit er voor hem op psychologisch niveau een soort authentiek verlangen in om de leegte die hij voelt met betekenis te vullen.’

    Grote Nederlandse Roman

    Op de achterflap wordt De lange adem een ‘hilarische, wilde, dwarse, ernstige Grote Nederlandse Roman’ genoemd. Waar het de vorm van deze roman betreft, vormde het essay The Great Dutch Novel van DaniĂ«l Rovers een van de beginpunten voor Martijn Knol. Het essay stelt de vraag of er naar analogie van de Great American Novel iets vergelijkbaars in Nederland mogelijk is. Je zou dan een roman moeten schrijven waarin meerdere sociale groepen een plek krijgen en waarin je nadenkt over de samenleving vanaf een afstand en van dichtbij via je empathie. 

    De lange adem is een Grote Nederlandse Roman omdat ik de ambitie herken van wat een Grote Roman zou willen doen, namelijk het maken van een verhaal waarin meerdere perspectieven en stemmen samenkomen. En door de veelheid aan stemmen wordt zoiets al gauw een wat volumineuzer boek.’

    De Great American Novel ontstond in de negentiende eeuw, en misschien kunnen we vanaf dat moment ook zulke romans in Nederland vinden. 

    ‘Misschien zijn Multatuli’s IdeeĂ«n wel het begin van de traditie. In dat boek zitten zo veel verschillende stemmen. Voor een Grote Nederlandse Roman is een politiek bewustzijn nodig. Sinds de millenniumwisseling is de emancipatie pas echt een inhaalslag aan het maken. En dan bedoel ik vrouwenemancipatie, homo-emancipatie, emancipatie van mensen van kleur. Eindelijk beginnen al die perspectieven hun ruimte te krijgen dus het is heel logisch dat de roman daar ook wat mee gaat doen. Ik denk dat er een hele mooie canon van dit soort romans gaat komen.’

    Ruimte bieden

    Een andere inspiratiebron voor deze roman is het werk van Jeroen Mettes geweest. 

    ‘Bij hem zie je ook zo mooi dat hij door zijn inhoud anders te structureren probeert om iets anders te zeggen. Een andere vorm levert een andere inhoud op. Door het fragmentarische van bijvoorbeeld zijn lange prozagedicht N30, dat tegelijk wel degelijk een ordening kent, zie je dat het voor hem gewerkt heeft om iets anders te vertellen. Je ziet dat ook bij andere schrijvers zoals Tonnus Oosterhoff, of Ali Smith in haar laatste vier romans waarin ze de Brexit volgt. Dat kun je geen klassiek gestructureerde romans noemen en zo slaagt zij erin de werkelijkheid naar binnen te halen. Zij schept ruimte voor meerdere perspectieven en dat heb ik ook geprobeerd in mijn roman te doen. Als je je zoals veel klassieke romans doen, op één personage richt krijg je een soort partijdigheid. In De lange adem heb ik daarom ruimte gegeven aan heel veel personages.’

    Het geven van ruimte is ook op een andere manier belangrijk voor het schrijverschap van Martijn Knol. Begin dit jaar sprak hij Jannie Regnerus die hij kent uit de tijd dat ze ook bij uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde. Ze vroeg hem hoe het met zijn boek ging. Hij vertelde dat het na enige vertraging nu zou verschijnen. Logisch dat het goed kwam, vond ze, want hij had de beste redacteur van de wereld. 

    ‘Dat is mijn uitgever, Koen van Gulik. Ik ging daarover nadenken en ik begrijp waarom ze het zegt. Wat heel goed aan hem is, is dat hij me het gevoel geeft dat ik precies het boek moet maken dat ik wil. Hij geeft me als schrijver alle ruimte. Dat is wat ik zelf probeer als schrijver, ruimte geven aan de lezer, door andere perspectieven aan te bieden of alternatieve gebeurtenissen. De ruimte die ik aan de lezer wil bieden begint met de ruimte die ik krijg als schrijver.’

    Nu De lange adem in de winkel ligt, is Knol blij dat het schrijven klaar is. 

    ‘In de weken na verschijnen heb ik het boek wel twee of drie keer per dag opgepakt om me ervan te verzekeren dat het er is. Ik ben ook heel gelukkig met het boek als object: hoe het in de hand ligt en openvalt, en het mooie omslag van Christoph Noordzij. Dat effect duurde bij deze roman opvallend lang.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    De lange adem / Martijn Knol / 480 pagina’s / Wereldbibliotheek (2020)

     

    Foto: ©Francesca Lucarotti

     

  • Oek de Jong en de Boekenbon Literatuur Prijs 2020

    De roman Zwarte schuur van Oek de Jong (1952) werd vorige week bekroond met een grote literaire prijs. De roman werd dit jaar twee maal eerder genomineerd voor een literaire prijs, waaronder de Libris, maar ving steeds achter het net. Voor veel lezers van de Zwarte schuur en van zijn eerdere werk is het dan ook een vreugde dat de Boekenbon Literatuur Prijs (voorheen de BookSpot, ECI, AKO Literatuurprijs), naar De Jong ging. Niet dat De Jong nooit een prijs gewonnen heeft, maar de echt grote prijzen gingen steeds aan hem voorbij.

    Oek de Jong debuteerde in 1977 met een verhalenbundel en brak door in 1979 met Opwaaiende zomerjurken waarvoor hij de F. Bordewijkprijs kreeg. Zijn tweede roman, Cirkel in het gras, een indringende liefdes geschiedenis, was geniaal. In 2002 volgde de sterke roman Hokwerda’s kind, waarvoor De Jong in BelgiĂ« genomineerd werd voor de Gouden Uil, en hier voor de Libris Literatuurprijs. Zijn geweldige tweedelige roman Pier en oceaan (2012) kwam op de shortlist van de Librisprijs terecht en werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs, F. Bordewijkprijs en de Gouden Uil. Verder publiceerde De Jong meerdere autobiografische geschriften, dagboeken en essays. En dan nu deze grote prijs, waar een bedrag van 50.000 euro aan verbonden is. Zelf ziet Oek de Jong deze prijs als een grote waardering voor de literaire roman.

    Oordeel jury

    Dit was onder meer wat de jury over Zwarte schuur zei: ‘Met zijn geconcentreerde, sterk psychologische aanpak heeft Oek de Jong een mens en een decor neergezet die de lezer moeiteloos opeisen en dwingt hem (…) om na te denken over de dunne lijn tussen seksualiteit en agressie, mannelijke identiteit en de al dan niet genezende kracht van kunst.’

    De jury bestond uit Jan Dertaelen, boekverkoper De Groene Waterman te Antwerpen en recensent, Sofie Gielis, redacteur literair tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, Sebastiaan Kort, recensent NRC, Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur literair tijdschrift De Revisor en Jeroen Vullings, literatuurcriticus Elsevier en Nieuwsweekend.

    Andere genomineerden waren dit jaar Marcel Möring met Amen, Koen Sels met Gloria, Stephan Enter met Pastorale en Charlotte van den Broeck met Waagstukken.

     

     

    Lees hier de recensie van Daan Lameijer over Zwarte schuur.

     

     

     

  • Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreĂ«le hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariĂ«r pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar SiberiĂ« moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geĂ«nt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeĂ«nhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • Fotosynthese 17 – Engelen bestaan

    Op de foto zien we drie mannen op de rug. Zonnig weer. Ze wachten ergens op. De man rechts houdt een bord omhoog, hij maakt reclame voor een website. Zo weten we dat de foto met Berlijn en de Muur te maken heeft. De website heb ik snel gevonden: Gegen Vergessen und VerdrĂ€ngen der SED-Diktatur in der DDR 1949-1989 is het motto. Er worden op de site tentoonstellingen aangekondigd, tips voor boeken en artikelen om te lezen. En na een paar keer klikken weet ik waarop de mensen staan te wachten bij de Bernauer Straße. Er wordt een herdenkingsmonument en bezoekerscentrum over de Muur geopend. Het is 1998. Vorig jaar, op 9 november 2019, dertig jaar na de val van de Muur, was opnieuw een herdenking op deze plek.

    Ich

    Als ik aan de Muur denk, zie ik Der Himmel ĂŒber Berlin (1987) van cineast Wim Wenders voor me. Hoe vaak heb ik die film gezien? Minstens vijf keer.
    Twee engelen, Damiel (Bruno Ganz) en Cassiel (Otto Sander) hebben als standplaats Berlijn. Ze reizen door de tijd – de beelden zijn zwart-wit – en luisteren onopgemerkt naar de mijmeringen van de inwoners, verlichten de gedachten van iemand die zit te tobben. Kinderen kijken vaak naar boven, ze kunnen de engelen zien.
    Op een dag besluit Damiel – hij is verliefd geworden op een trapeze-artieste – dat hij wil deelnemen aan het leven. Als engel kun je terug naar de aarde maar je verliest je onsterfelijkheid: je kunt nooit meer engel worden.

    In de film worden als een monologue intérieur teksten voorgelezen van Peter Handke, die meeschreef aan het scenario.

    ‘Als das Kind Kind war,
    war es die Zeit der folgenden Fragen:
    Warum bin ich ich und warum nicht du?
    Warum bin ich hier und warum nicht dort?
    Wann begann die Zeit und wo endet der Raum?
    Ist das Leben unter der Sonne nicht bloß ein Traum?
    Ist was ich sehe und höre und rieche
    nicht bloß der Schein einer Welt vor der Welt?
    Gibt es tatsÀchlich das Böse und Leute,
    die wirklich die Bösen sind?
    Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
    bevor ich wurde, nicht war,
    und daß einmal ich, der ich bin,
    nicht mehr der ich bin, sein werde?’

    De teksten van Handke in deze film zijn poëtisch, filosofisch en worden voorgelezen alsof het flarden van gedachten zijn. De teksten dragen de beelden van de film. Maar wie spreekt? Wie is in staat de gedachten van een kind zó te doorgronden als in bovenstaande tekst? Dat moet wel een engel zijn. Uit de filmbeelden leid je af dat kinderen de enigen zijn die een engel kunnen zien. Op een zebrapad staat een kind stil en ziet de engel die (vanuit het perspectief van een drone) hoog op een kerktoren in Berlijn staat en naar beneden kijkt, waar alle volwassenen gehaast doorlopen en niets zien. Maar het kind kijkt naar boven, in de lens, het ziet de engel en kijkt tegelijkertijd mij aan. Even later een vergelijkbare scÚne: een kind achter het raam van een bus, het kind ziet de engel (mij) en ze (we) herkennen elkaar. Wij en de kinderen kunnen het verhaal volgen zowel vanuit het perspectief van de engel als vanuit de mens in het aardse bestaan. We delen een geheim: engelen bestaan.

    Geestverwanten

    Het is zeker niet voor het eerst dat Handke een scenario schreef, samen met Wenders maakte hij vier films. Hij schreef vele toneelteksten, in 1978 verscheen zijn roman Die LinkshĂ€ndige Frau (1976) als film. Cameraman van die film, Robbie MĂŒller (die ook jarenlang met Wim Wenders samenwerkte), daarover: ‘Handke hield zich aan de roman en zei gewoon: “Morgen doen we pagina 42 tot 45.” Alles wat je in de film ziet, staat in het boek. Ik had het herlezen en ontdekte dat elk camerastandpunt in de zinnen besloten lag.’
    Wat dit betreft zijn Marguerite Duras en Peter Handke geestverwanten. De stijl in hun romans is sober, bij Handke bijna kaal, niet mis te verstaan en ontdaan van alle franje. Naar de mening van Handke kon je de roman Die LinkshĂ€ndige Frau letterlijk verfilmen, scenario en roman vallen samen. Duras ging daarbij – vooral in haar latere werk zoals De minnaar uit Noord-China (1991) – nog veel verder door regieaanwijzingen, camerabewegingen en zelfs de gewenste casting van een hoofdrol in de tekst van de roman op te nemen. Duras was dan ook een cineaste, Handke niet. Hij is een man van de taal, het beeld volgt uit de taal. De taal is in het geval van Handke niet alleen de geschreven/gedrukte taal, niet alleen de gesproken, maar ook de taal van de gedachte. De taal van ons innerlijk.
    Der Himmel ĂŒber Berlin is ook een film over taal. De scĂšne in de enorme bibliotheek illustreert dit. Als kijker hoor je wat de engelen horen: een geroezemoes van gedachten, van teksten die door de bibliotheekbezoekers gelezen worden, flarden van herinneringen en steeds maar zich herhalende dwanggedachten. Als je zorgen hebt ga je ‘malen’. De engel corrigeert waar nodig, fluistert woorden in het oor. En geeft daarbij een gedachte het beslissende zetje dat tot inzicht leidt bij de degene die het wordt ingefluisterd. Een glimlach wordt zichtbaar en de onrust verdwijnt. Later herhalen zich dit type scĂšnes in de metro.
    De engelen zijn alert met taal. Handke schreef het alsof ze de gedachte die ze horen net een stap voor zijn, op tijd om in te kunnen grijpen. Je moet goed naar een ander kunnen luisteren om met jouw woorden de vastgelopen gedachte van die ander vlot te trekken. Zodat die het gevoel heeft dat hij zélf tot inzicht is gekomen, lijkt Handke te zeggen.

    Vaak heb ik de scùne bekeken, vlak na de sprong waarmee het aardse bestaan van de engel begint, als Damiel die vlakbij de Muur op de grond ligt, bijkomt en om zich heen kijkt. Vlak daarvoor een snel shot van een straatnaambord. Een plek bestaat pas echt als je die een naam geeft, lijken Wenders en Handke te zeggen. Waldemarstraße, een straat in het vrije West-Berlijn.
    In mijn gedachten zou ik daar bij de halte begraafplaats Frieden-Himmelfahrt in de metro kunnen stappen. Het is een half uurtje naar de plek waar de drie mannen op de foto staan, de aanleiding voor deze tekst.

    Koffie

    Wanneer houdt een engel op engel te zijn? Op het moment dat hij zich bewust wordt dat hij op de grond ligt? De beelden zijn dan in kleur. Als je kleuren ziet ben je een mens, lijkt Wenders te zeggen. Maar nog preciezer laat hij het zien: als Damiel opstaat, het stof van zijn kleren slaat, kijkt hij naar de graffiti op de Muur. Hij vraagt aan een passant naar de kleuren, zegt ze hardop. Als je de kleuren een naam geeft, ben je mens. Er zit bloed op zijn hand, hij bekijkt het, benoemt het. Rood! Likt er enthousiast aan, voelt zijn lichaam, hij blaast (het is koud buiten) in de holten van zijn handen. Is hij nu mens?
    Wenders laat hem nog even lopen over de Engeldamm, hij mag nog een beetje engel zijn. Hij drinkt koffie bij een snackbarretje op straat, verwarmt zijn handen aan de kartonnen beker. Ja, zo doen wij dat ook. Je begint de dag met koffie, dan voel je je weer mens.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geĂŻnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

     

  • Nobelprijs Literatuur voor Amerikaanse dichteres Louise GlĂŒck

    De verbazing was groot bij het horen van de naam Louise GlĂŒck als winnaar van de Nobelprijs Literatuur 2020. Wat in andere jaren altijd voor een stroom aan reacties zorgde bij het bekend maken van de winnaar van deze prijs der prijzen, bleef het nu opvallend rustig. Niet velen kenden haar werk, geen uitgever kon pronken met een uitgave van een vertaalde bundel van GlĂŒck. Al vertaalde Erik Menkveld in 2004 haar bundel The Wild Iris (1992), die in zijn geheel werd geplaatst in Raster#107, 2004, literair tijdschrift en voorganger van Terras.

    Dichteres en essayist Louise GlĂŒck (1943) schrijft over persoonlijke zaken, is niet politiek geĂ«ngageerd. De beweegredenen achter de keuze van de Zweedse Academie is omgeven met raadselen, gedoodverfde winnaars worden genegeerd, wat niet gezien wordt, onbekend is, werd naar voren gehaald. ‘Maar wie weet’, schreef journalist bij De Morgen Dirk Leyman op zijn tijdlijn, ‘wordt ze wel even populair als die andere, toen vrij onbekende Poolse dichteres Wislawa Szymborska, die in 1996 de Nobelprijs kreeg?’ Szymborska brak wereldwijd door nadat zij de Nobelprijs kreeg.

    Toch is GlĂŒck niet zo onbekend als wel lijkt. Eerder dit jaar kreeg ze bijvoorbeeld de Zweedse Tranströmerprijs voor haar oeuvre, enin 2003 – 2004 was ze Poet Laureate van de Verenigde Staten.

    Direct na de bekendmaking interviewde Adam Smith van Nobelpize Media de overrompelde laureaat. GlĂŒck toont zich bewust van haar onbekendheid voor velen en gaf een leestip. 

    “AS: (…) For those who are unfamiliar with your work 

    LG: Many!
    AS: 
would you recommend a place for them to start, something that’s most characteristic perhaps?
    LG: There isn’t, because the books are very different, one from another. I would suggest that they not read my first book unless         they want to feel contempt, but everything after that I think [is of some] interest. I like my recent work. I would say ‘Averno’   would be a place to start, or my last book ‘Faithful and Virtuous Night’.”

     

    Dagblad Trouw citeerde een beroemde regel uit GlĂŒcks gedicht ‘Nostos’:

    “We look at the world once, in childhood.
    The rest is memory.”

     

     

    Beeld: © Nobel Media. Ill. Niklas Elmehed