• De manier om je te verbinden met de geschiedenis

     


    Schrijfster en documentairemaakster Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) debuteerde in 2005 met de roman De Parbo Blues, gebaseerd op haar vader die in de jaren zestig, ruim voor de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland emigreerde. Hij trouwde met een Nederlandse vrouw, die later haar moeder werd. Sinds 1997 woont ze in Suriname en werkt als cultureel attaché voor de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Naast romans, theater en non-fictiewerken, schrijft zij artikelen, columns en recenseerde voor De Ware Tijd Literair.


    Nadat ze haar eerste artikelen en verhalen had geschreven kreeg ze op haar vijfentwintigste de mogelijkheid een reisgids over Suriname te schrijven.
    Het Reishandboek Suriname verscheen in 1997 bij uitgeverij Elmar en beleefde sindsdien vele herziene herdrukken. Na haar debuutroman schreef Leuwsha nog twee romans en twee non-fictieboeken. Dit voorjaar verscheen De wilde vaart, over een tijd van plannen maken, financiële tegenslagen, over de doorwerking van het koloniale verleden in het dagelijks leven van Surinamers en de weg terug naar jezelf.


    Van haar eerste roman,
    De Parbo Blues, verscheen onlangs een vierde druk. Ook Fansi’s stilte over haar Surinaamse grootmoeder, beleefde vier drukken. Momenteel werkt Leuwsha als regisseur en scenarioschrijver aan een documentaire gebaseerd op dit boek. Met haar man, reisgids en kunstenaar Sirano Zalman werd ze net voor de pandemie de wereld stil legde, eigenaar van plantage Frederiksdorp in het Commewijne district in Suriname. Het beheer van deze plantage gaf indirect aanleiding tot het schrijven van De wilde vaart.


    Voor de presentatie van haar laatste boek
    was Tessa Leuwsha in Nederland en spraken wij elkaar bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde. Onder meer over een onafhankelijk Suriname dat zijn kracht nog niet heeft gevonden, over bijgeloof, de boeken die ze schreef, de veerkracht van de mens en dekolonisatie.


    Schrijven vanuit Suriname

    Het was net na de binnenlandse oorlog dat Leuwsha in 1996 voor het eerst naar Suriname ging. Omdat het niet veilig was alleen te reizen, sloot ze zich aan bij een reisgroepje. Daarvoor had ze in Nederland een reportage gezien over Suriname waarin een Surinaamse bootsman, die als gids in deze reportage voorkwam, haar sympathie had. Dezelfde gids, Sirano Zalman was ook reisleider van het gezelschap waar zij zich bij had aangesloten. Tijdens die reis was er een klik tussen hen beiden. Terug in Nederland gingen er brieven over en weer en een half jaar later reisde ze voorgoed naar Suriname. ‘Die reisgids heb ik in Nederland afgemaakt, maar verder is ieder boek van mij vanuit Suriname ontstaan.’

    Eenmaal in Suriname werd ze geconfronteerd met een stuk geschiedenis waar ze niets van afwist. ‘De meeste van mijn tantes en ooms woonden allemaal in Nederland, maar hadden het nooit over Suriname. Het onderwerp slavernij was non-existent. Pas toen ik er woonde, begon ik mij dingen te herinneren van mijn Surinaamse grootmoeder uit de tijd dat ze bij ons in Amsterdam logeerde. En ik vroeg me af: “Wie was zij eigenlijk?” Ik wist niks van het land van mijn voorouders.’


    Het verhaal van de grootmoeder

    In de jaren zeventig, als Leuwsha een tiener is, komt de moeder van haar vader over uit Suriname om in Nederland aan haar ogen geholpen te worden. Het is een echte Surinaamse tropenvrouw, met een angisa, een doek, om haar hoofd, streng sprekend.
    ‘Ik had op die leeftijd wel wat vrienden die in het Surinaamse circuit zaten, maar ik was nooit in Suriname geweest. En daar kwam opeens een oma binnenlopen die de hele tropen met zich meebracht. Dat was toen vooral ongemakkelijk en raar, alles veranderde in huis. Mijn vader reageerde op een manier op zijn moeder die ik niet van hem kende. Toen ik later  in Suriname woonde, kwam die herinnering daaraan weer terug. Ik had haar weggezet als een merkwaardige oma die later bij een van haar andere kinderen in Nederland ging wonen tot ze in een bejaardentehuis terecht kwam.’

    Voor Leuwsha betekende haar oma haar enige directe band met Suriname. Ze werd nieuwsgierig naar haar leven en begon alles te lezen over de geschiedenis van Suriname. ‘Er ging een wereld voor me open. Als kind had ik me wel eens afgevraagd waarom Surinamers er allemaal zo verschillend uitzagen, alleen al de verschillende tinten aan huidskleur. Suriname is geschapen door meerdere etnische bevolkingsgroepen.’


    Schrijven vanuit Suriname

    In het begin schreef Leuwsha columns voor de weekkrant van Suriname (ook in de grote steden in Nederland te verkrijgen), onder de titel ‘Groetjes uit Suriname’, en artikelen voor tijdschrift  De Ware Tijd. Dan overlijdt haar vader vrij onverwachts.
    ‘Ik besefte dat met hem ook het verhaal van Surinamers die als economische vluchtelingen in de jaren zestig naar Nederland kwamen, wat ook een deel van mijn voorgeschiedenis is, zou verdwijnen. Toen ben ik De Parbo Blues gaan schrijven. Ik had al een klein kind en ik herinner me dat ik hem toen in de box heb gezet en begon te typen op een oude computer, zo’n grote kast. Ik was eigenlijk aldoor moe, door het werk dat ik deed en de zorg voor die kleine. Toen moest ik aan mijn oma denken, zij had negen kinderen en ik dacht, ‘Kom op zeg!’ En de eerste zin die ik typte was, ‘Oma is altijd moe.’ Die is er later wel uitgegaan, maar zo begon ik.Toen ik op driekwart was, dacht ik, “Wat wil ik hier eigenlijk mee?” Toen ontmoette ik de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre, die stuurde een deel van mijn verhaal naar haar literair agent, Alice Toledo. Daarna werd ik uitgenodigd om over het manuscript te komen praten. Tilly Hermans, van uitgeverij Augustus wilde het uitgeven. In tweeëneenhalf jaar had ik een boek gepubliceerd. Fantastisch was dat.’

    In haar boeken speelt de geschiedenis van Suriname, de huidige stand van zaken in het land en familiebanden, een grote rol. Om de koloniale geschiedenis van Suriname in beeld te brengen maakt zij gebruik van haar eigen persoonlijke geschiedenis.
    ‘De combinatie fictie – non fictie vind ik een spannende combinatie, maar ook vrij logisch want in Suriname is er veel orale geschiedenis die wordt doorverteld. Of het verhaal geheel waar is of niet, is dan niet interessant meer. Het feit dat het van generatie op generatie is doorverteld, dat maakt dat het waar is. Ik vind geschiedenis pas interessant wanneer die persoonlijk is, dan komt het binnen. Het gebeurt nu wel meer dat geschiedenis vanuit personen verteld wordt, kijk maar naar musea. Het is de manier om je werkelijk te verbinden met de geschiedenis.’ 


    Op zoek naar de veerkracht van Suriname

    Vanaf het begin dat Leuwsha en haar man plantage Frederiksdorp willen uitbaten, worden ze gehinderd door pech. Een vriend (een van hun belangrijkste mede-aandeelhouders) overleed, de dochter van een werknemer werd ernstig ziek, het regenseizoen begon veel eerder en daar kwam ook nog de lockdown vanwege corona bij. Alsof de duvel ermee speelde.
    ‘Ik ben behoorlijk bijgelovig en was erg onder de indruk toen mijn oma, toen ze bij ons in Nederland was, ons huis zegende. Tegen Sirano had ik al gezegd dat we nooit een moment hebben genomen om stil te staan bij wat er hier allemaal gebeurd is. Het is binnen de Surinaamse cultuur gewoon dat je een pand of plek eerst inwijdt. Maar wij zijn eigenlijk gelijk begonnen met plannen maken en inrichten. Als ik er al aan dacht, dacht ik ook: “Ja maar, hoe doe je dat dan?” Moet het met een pater, een priester, dominee, Imam, Hindoestaan? 

    Ja, en toen werd ik op een nacht wakker en had over mijn oma gedroomd. Opeens dacht ik, wij moeten nu, op dit moment gaan inwijden. We hebben met een kalebas water uit de rivier geschept en zijn langs al die oude gebouwen uit de 18e eeuw gegaan en de gebouwen ingezegend en prevelden er in het Sranantongo teksten bij. Het voelde als een enorme bevrijding, dat stilstaan bij alles. Ondanks wat daar allemaal gebeurd is, is het ook een heel aangename plek. Dat was juist het verwarrende.’

    In De wilde vaart schrijft Leuwsha dat ze van het woord ‘slaaf’ onpasselijk wordt, maar ook het woord ‘tot slaafgemaakten’ niet correct vindt. ‘Slaafgemaakten is technisch een on-woord. Ik heb wel begrip voor wat ermee beoogd wordt te zeggen, dat je niet als zodanig geboren bent. Maar ook dat het niet je enige aspect van je identiteit is. Misschien kon je ook mooi zingen, of goed jagen, dansen. Dat ene woordje ‘slaaf’ beperkt je gelijk in je persoonlijkheid tot iemand die alleen maar opdrachten van anderen uitvoert, onder dwang. Maar ik vind wel dat ‘slaaf’ heel goed weergeeft wat er gebeurd is, je bent de slaaf van iemand. Tot slaafgemaakten klinkt daarvoor weer te afstandelijk. Als we tijdens een tocht op een plantage komen en we zien daar een suikerpers, dan denk je niet, “Oh, tot ‘slaafgemaakten’ hebben deze pers bediend.” Hier in de brandende zon was het gewoon slavenarbeid.’


    Op zoek naar de veerkracht

    Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen en de rekeningen zich opstapelden, was het erop of eronder. ‘We konden bij de pakken neer gaan zitten of iets gaan ondernemen. Dat deden we door per boot de rivieren af te gaan en langs plantages te gaan. Ook voor onszelf, we wilden weer in verbinding komen met de natuur, mensen opzoeken om te weten hoe ze overeind zijn gebleven, waaruit hun veerkracht bestaat. ‘Op zoek naar de veerkracht van Suriname’ is ook de ondertitel van het boek geworden. Die veerkracht zit voor Leuwsha  in de creativiteit van de Surinamers, hun humor en hun grote zelfrelativeringsvermogen.
    ‘Waar het koloniale debat in Nederland hevige vormen aanneemt, is die in Suriname relatief klein. De mensen gaan door, en doorgaan vereist zoveel creativiteit dat er geen tijd is voor debat. Er moet vis gevangen worden, letterlijk en figuurlijk. Een intellectueel debat is ook een luxe, je moet er de tijd voor hebben. Onderwerpen als onderwijs, gezondheid heeft hier meer prioriteit dan het verleden te analyseren.’  

    In De wilde vaart schrijft ze, ‘Nederland mocht gedurende zijn overheersing een explosie van geweld hebben veroorzaakt, na de onafhankelijkheid van Suriname was een implosie gevolgd: een vernietiging van binnenuit. En net zoals het volk ooit met rood-wit-blauwe vlaggetjes leden van het Huis van oranje had onthaald, was het daarna van zijn gijzelnemer Desi Bouterse gaan houden. Surinamers leken massaal aan het Stockholmsyndroom te lijden: ze voelden sympathie voor hun geweldenaar (…).


    Jong en onervaren land

    Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd verklaard, financierde Nederland dat met een afkoopsom, de zogenoemde verdragsmiddelen. De steun vanuit Nederland was dus zeer beperkt.
    ‘Het is een land met een turbulente geschiedenis, deels ook zelf veroorzaakt, in die zin dat het niet gelukt is kort na die tijd op eigen benen een hechte democratie te vormen. De ene helft van de bevolking wilde niet onafhankelijk worden, de andere helft wel. Het is er toen gewoon doorgedrukt in het parlement, met rampzalige gevolgen. Zo’n jong land kan zich niet bedruipen, er is geen infrastructuur en daarbij het feit dat het een volledig leeg geplukt land was. Zo’n dekolonisatie zou veel geleidelijker moeten gaan. Daar zou je tientallen jaren voor uit moeten trekken om af te bouwen en over te dragen. Het is een verplichting om na ruim driehonderd jaar kolonisatie een land te helpen opzetten.’

    Aandacht voor de trauma’s en de gevolgen van de dekolonisatie, is pas heel recent. “De Volkskrant heeft een serie van mensen die over die gevolgen praten, daar heb ik ook aan bijgedragen.’

    Vijfentwintig jaar woont Leuwsha nu in Suriname, ze is er groot gegroeid, haar kinderen zijn er geboren. Of je je er dan thuis voelt. ‘Ik was in Nederland niet een van de groep, en dat ben ik in Suriname ook niet. Ik ben een schrijver, ik observeer.’

     

    Foto: Sirano Zalman


     

     

     

     

     

    De wilde vaart / Tessa Leuwsha / 224 blz. / Uitgeverij Atlas Contact

     

     

  • Ik begon met schrijven om mijn eigen verhalen te vertellen

     


    Onder grote publieke belangstelling heeft toneelschrijfster en actrice Bodil de la Parra (1963), op woensdag 15 juni 2022, haar boek Het verbrande huis over de gelijknamige theatervoorstelling officieel gepresenteerd in Suriname. Het was de eerste thema-avond van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – na de Covid-19-pandemie. Het verbrande huis gaat over de familie van Bodil de la Parra van vaderszijde, de bekende filmmaker Pim de la Parra. Tijdens haar presentatie las De la Parra eerst een hoofdstuk uit het boek voor waarna ze vertelde waarom ze het belangrijk vond het boek te schrijven. 

    ‘Het huis was in tien minuten afgebrand. Toen ik in 2014 op de lege plek stond met mijn vader waar het huis en de apotheek eens was besloot ik dat het tijd was eindelijk de familieverhalen op te schrijven. Ik wist dat ik mijn eigen herinneringen moest opschrijven maar ook die van de andere familieleden. Ook waar onze familie vandaan kwam was belangrijk om op te schrijven. Er zit ook een laag in het boek dat niet in het voorstelling zit zoals dat mijn zoon Jim zijn eerste stappen heeft gezet in het huis toen hij veertien maanden was. Ik vond het belangrijk dat ik de herinneringen niet zou vergeten met het afbranden van het huis.’

     

     

    Het toneelstuk en het boek zijn een ode aan haar familie

    ‘Ik kon mijn oude tantes, tante Gus en tante Pop en tante Jet, op deze manier eren die ook de zorg van mijn vader op zich hadden genomen nadat hij zijn moeder verloor op jonge leeftijd. Mijn vader heeft het boek gewaardeerd. Ik kreeg ook een compliment van journalist Biemla Gajadien, ze heeft het boek in twee dagen uitgelezen.’

    In Nederland heeft ze ook positieve recensies ontvangen. Dit hoewel de promotie van het boek niet optimaal kon geschieden aangezien het net voor de Covid-19-pandemie uitkwam. Ze was benieuwd hoe het boek in Suriname zou worden ontvangen. De terugkomst in het land is voor haar ook best emotioneel. Ze ziet namelijk haar vader en familie eindelijk na drie jaar weer terug. Bij aankomst op Zanderij moest zij al een traantje wegpinken. Voor de pandemie was De la Parra regelmatig in Suriname. Ze had er ook de stukken Het verbrande huis en Woiski vs Woiski opgevoerd. Ze ging ervan uit dat ze na haar laatste bezoek er weer snel zou zijn, maar toen kwam de pandemie. Dus nu is niets meer vanzelfsprekend voor haar geeft ze aan.

    ‘Als ik straks vertrek, weet ik niet wanneer ik er weer ben. Ik krijg allemaal berichten dat er weer een corona uitbraak in Amsterdam  is. Alles mag namelijk weer. Mensen worden niet ernstig ziek, maar de situatie is nog niet bedwongen. En mijn vader wordt ook steeds ouder.’ De la Parra merkt bij de aanblik van Paramaribo op dat er veel achteruit is gegaan. Ook in gesprekken met anderen kwam naar voren dat de situatie sinds de laatste keer dat ze hier was, verslechterd is.
    ‘Aan de andere kant zijn er wel andere positieve zaken bijgekomen. Ik voel de veerkracht van de mensen altijd weer hier. Ondanks de moeilijke omstandigheden. De mensen zijn sterk en optimistisch.’ 


    Schrijven over alles

    In een uitgebreid gesprek geeft De la Parra aan dat ze eerst jeugdstukken heeft geschreven en later over van alles schreef, niet alleen over Suriname. ‘Ik wilde ook vertellen over vrouwen, over oudere mannen, over grootmoeders. Pas later, vanaf 2010 ben ik weer stukken gaan schrijven over- en gaan spelen met mijn oorsprong.’

    De la Parra groeide naar haar zeggen op met een vader die films maakte die niet bedoeld waren voor kleine meisjes. ‘In de buurt werden we gezien als het vrijgevochten gezin. Mijn moeder is Chinees-Indonesisch en mijn vader komt dus uit Suriname. Wij waren niet Nederlands en dan was mijn vader ook nog een artistieke filmmaker. Daar werd vreemd naar gekeken. Ik vond zingen en toneelspelen leuk vanaf de middelbare school. Ik heb mezelf nooit herkend in een Nederlandse film, omdat ik er voor Hollandse begrippen heel anders uitzag. Mensen vroegen of ik uit Indonesië kwam of Spaans was.’

    Na de middelbare school had ze geen idee wat voor studie ze wilde doen. Toevallig was ze bij haar vader in Aruba toen daar ook een theatermaker was. Hij vertelde over de kleinkunstacademie, een onderdeel van de theaterschool, waar je ook kunt zingen en dansen. Ze deed auditie en werd aangenomen als een van de acht uit de honderden aanmeldingen. Het vuur voor het theater was aangewakkerd. De la Parra rondde de theaterschool af en deed nog een jaar de toneelschool. Daarna was ze naar haar zeggen ‘gewoon actrice’. Langzaam merkte dat ze dat ze in het theaterlandschap van Nederland als actrice niet overal terecht kon vanwege haar exotische uiterlijk. Ze besloot zelf te schrijven en het eerste stuk werd Orgeade Overzee.

     

    Scènes over oudere tantes

    ‘Ik dacht, volgens mij heb ik een Surinaams verhaal te vertellen, en toen heb ik scènes geschreven over mijn oudere tantes. Mijn oudere tantes waren nooit getrouwd, ze hadden onvervulde verlangens, ze waren altijd bij elkaar blijven wonen. Ik was in 1992 in Suriname geweest. Voor het eerst weer sinds dat ik er als kind was geweest en ik zag dat het land het moeilijk had gehad. Dus besloot ik daar een stuk daarover te schrijven. Toen we het stuk opvoerden kwam iedereen van Surinaamse afkomst in Nederland ernaar kijken. We zouden het twintig keer opvoeren, het werd honderdtwintig keer. We hebben het stuk ook in Suriname opgevoerd. Toen kreeg ik koudwatervrees want tante Gus leefde nog. Mijn vader was ook pas geëmigreerd. Maar iedereen  van de familie vond het stuk mooi en zat te janken.’

    Ze besloot door te gaan met schrijven en werkte veel met theatermaker wijlen Matthijs Rümke. Over de Chinees-Indische familie van moederskant maakte De la Parra de voorstellingen Ouwe Pinda’s opgevoerd in 2014 en Gouwe Pinda’s opgevoerd in 2017. In de Indië Monologen vertelt ze over haar jeugdjaren in Amsterdam-Osdorp waar ze met haar Indonesische opa, oma en oom in dezelfde flat woonde.


    Opvoeringen in Suriname

    Het is niet de eerste keer dat De la Parra het verhaal van haar tantes heeft verwerkt in een productie. Het theaterstuk Orgeade Overzee ging ook over haar twee oudtantes, tante Gus en tante Pop. In Nederland was het stuk een grote hit, in 1996 werd het naar Suriname gehaald. Het was het eerste stuk dat zij in Suriname opvoerde, een hele andere ervaring voor het gezelschap en de Surinaamse samenleving aangezien men in Suriname gewend was aan het volkstheater van A Sa Go.

    ‘Ik schreef en speelde het stuk samen met de actrice Carolina Mout. Het werd opgevoerd met een klein decor, het was een reisversie, om het in het vliegtuig te krijgen. Er waren geen kostuumwisselingen. Wij tweeën speelden verschillende personages. We transformeerden van jonge meisjes naar oudere tantes. Dus het was fysieke transformatie en door de tekstbehandeling. Mensen hadden toen zoiets van ‘waar kijken we eigenlijk naar’. De voorstelling duurde een uur, er was geen pauze. Langzaam begon het publiek te wennen aan onze manier van toneelspelen en kregen we (later) volle zalen.’

    De la Parra schreef later de toneelstukken Onder vrouwen over mannen en Onder mannen over vrouwen die respectievelijk in 2011 in 2014 zijn opgevoerd onder regie van Helen Kamperveen. Kamperveen had de Nederlandse versie van de voorstelling gezien en vroeg aan De la Parra of die niet in Suriname kon worden opgevoerd.

    ‘Ik vond het niet geschikt om in Suriname op te voeren omdat het zo op Nederland gericht was. Ik zei dat ik wel heel graag een Surinaamse versie zou willen maken met Surinaamse acteurs. Ik heb toen eerst vrouwen geïnterviewd,  en later hebben we het stuk met Hilkia Lobman, Cher Spalburg en Marianne Cornet en Helianthe Redan  opgevoerd. Met een band onder leiding van Jimmy Westfa. Het was een enorme hit. Een stuk over vrijgevochten vrouwen uit Paramaribo, sommige hoogopgeleid en ze pikten bepaalde dingen van de mannen niet meer. Ze willen het er met elkaar over hebben.

     

    Een stuk over hoe mannen naar vrouwen kijken

    Toen werd besloten ook een stuk te schrijven over hoe mannen naar vrouwen kijken. Daarvoor heb ik openhartige gesprekken gevoerd met twintig mannen. Dit stuk werd opgevoerd met Ruben Silvin, Dave van Aerde en Geoffrey Bel. Het ging over drie mannen die bij elkaar te rade gaan. Een man wordt op dat moment door zijn vrouw het huis uitgezet en dan gaat hij naar zijn vrienden om het daarover te hebben. Eigenlijk gebeurt dat helemaal in Suriname niet. Als een man door een vrouw het huis uit wordt gezet, gaat hij naar zijn moeder of zijn zus of naar zijn nicht. Hij gaat niet openhartig met zijn vrienden de situatie bespreken. En dat is zo leuk aan theater, dat het daar wel kan. Toen ik het Verbrande huis af had, was het vanzelfsprekend dat ik het hier ook zou opvoeren. ‘

    Tijdens de boekpresentatie werd haar gevraagd of zij Het verbrande huis nogmaals in Suriname zou willen opvoeren? Ze wil dat graag, maar weet niet of dat kan. Waar ze wel naar uitkijkt is de opvoering van De Gliphoeve, de opvolger van Woiski vs Woiski bovendien het tweede deel uit de ‘Suriname-trilogie’ van producenten Orkater en Bijlmerparktheater. Een voorstelling waar zij als schrijfster ook een bijdrage aan heeft geleverd.

     

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker en schrijft artikelen voor OneWorld.


  • Ode aan een verguisde dochter

     


    Met haar breed georiënteerde oeuvre bezet Rosita Steenbeek een eigen plaats in het Nederlandse literaire landschap. Haar rode draad is vergankelijkheid versus vitaliteit en bewust zijn van je oorsprong. Haar debuut De laatste vrouw, Schimmenrijk en haar non-fictieboeken over Rome spelen in Italië. Ze schreef in 2020 en 2021 columns in Trouw en ze schrijft over vluchtelingen. Ander licht speelt in Amersfoort en in Italië, het is het verhaal van Alida Withoos, de dochter van de beroemde schilder Matthias Withoos. Intensive Care is een heel persoonlijk verhaal en in Rose, haar voorlaatste roman, die in Duitsland en Nederland speelt, beschreef ze het leven van haar Joodse grootmoeder, mede dankzij het geweldige geheugen van haar moeder. Na er met vele onderbrekingen aan gewerkt te hebben heeft ze nu Julia aan haar oeuvre toegevoegd.  

    In deze historische roman brengt Rosita Steenbeek een belangrijk stuk Romeinse geschiedenis tot leven. Julia was de dochter van keizer Augustus en leefde tijdens de glorieperiode van het Romeinse rijk tweeduizend jaar geleden. Ik sprak met haar over Julia, haar boeken en over schrijven in het algemeen.


    Julia was het enige kind van keizer Augustus en leefde van 39 voor Chr. tot 14 na Chr. Haar moeder Scribonia werd meteen na haar geboorte weggestuurd. Augustus huwde daarna Livia, een koele, mooie vrouw, die politiek gezien effectiever voor Augustus’ macht zou zijn, zij was echter de klassieke onaardige stiefmoeder. Julia snakte naar aandacht van haar vader, maar behoorde te gehoorzamen en moest trouwen met de mannen die hij voor haar koos, mannen die hij als zijn opvolger wenste. Het werden er uiteindelijk drie. De eerste, Marcello, stierf al snel, met de middelste, de 25 jaar oudere Agrippa, kreeg ze vijf kinderen. Oorspronkelijk was hij een jeugdvriend van Augustus, later werd hij zijn rechterhand. Agrippa staat te boek als groot generaal en vechtersbaas.

    Julia verzette zich hevig tegen haar vaders dictatuur, maar ze had uiteindelijk geen keuze en schikte zich in haar lot, waarbij ze binnen de grenzen van haar mogelijkheden haar vrijheid zocht. Ze was ontwikkeld en nieuwsgierig, erudiet, ze las de Ilias van Homerus en had culturele vrienden, zoals Vergilius, Horatius, Ovidius en kunstbeschermer Maecenas.


    ‘Tijdens mijn onderzoek besefte ik dat Julia zoveel mensen die wij uit boeken kennen persoonlijk heeft ontmoet en meegemaakt. Ze groeide op met de kinderen van Cleopatra en logeerde aan het hof van koning Herodes in Jeruzalem en was bevriend met grote schrijvers.’


    Zaten daar ook haar geliefden bij?

    ‘Vast, maar haar grote liefde was toch Iullus, hij was de zoon van Marcus Antonius, die door haar vader werd verslagen waarna hij zelfmoord pleegde. Iullus was een bekende dichter en politicus destijds.’


    Julia deelde weinig met haar drie echtgenoten, maar met Agrippa, de vader van haar kinderen, maakte ze een indrukwekkende reis naar Griekenland, Anatolië, Syrië en Egypte. Het was een van de hoogtepunten in haar leven. Wat vond je voor aanwijzingen in je research materiaal over deze reis?

    ‘De historieschrijver Nicolaas van Damascus vertelt dat Julia in haar eentje naar Troje gaat, ongetwijfeld omdat ze de Ilias van Homerus had gelezen. Hij schrijft ook dat ze bij een nachtelijke oversteek bijna verdronk in de door Homerus genoemde rivier de Scamander.’


    Hoewel er nauwelijks iets over haar karaktertrekken bekend is, wordt Julia als onbevreesd afgeschilderd, met hang naar avontuur. Heb je haar ook karaktertrekken van jezelf meegegeven?

    ‘Er wordt wel gesproken over Julia’s gevatheid, en die nachtelijke oversteek naar Troje wijst op avontuurlijkheid, maar er zit ook wel wat van mezelf in haar. Het avontuurlijke en onafhankelijke erfde ik van mijn vader, met hem voelde ik me erg verbonden. Ik bewonderde hem. Hij kon kleurrijk vertellen en schrijven. Hij doceerde renaissanceletterkunde aan de universiteit van Utrecht. We waren zielsverwanten, met onze liefde voor literatuur en het besef van vergankelijkheid. Ik heb ook veel met hem gevochten maar na de botsingen kwam het meteen weer goed. Misschien heb ik die aanvaringen gebruikt voor Julia in relatie tot haar vader.      De band met Scribonia, haar moeder, moet heel goed zijn geweest. Daarvoor heb ik me wel laten inspireren door de innige en harmonieuze verstandhouding met mijn eigen moeder.’


    En de andere personages hoe heb je die gereconstrueerd?  

    ‘Julia’s beeltenissen zijn allemaal vernietigd, de munten met haar afbeelding omgesmolten. Er is nog een beschadigd kopje van haar over. Maar van de meeste andere personages zijn wel beelden bewaard gebleven, die staan in Rome. Ik ken ze allemaal en hoefde alleen maar het beeld te beschrijven voor hun uiterlijke kenmerken.’

    Je hebt het verhaal heel breed getrokken, Julia in relatie tot haar ouders, haar echtgenoten, haar kinderen, haar geliefden en vrienden. Tegelijkertijd krijgen we ook een duidelijk beeld van het Romeinse hof, met de omgangsvormen, huwelijk, rouw, hypocrisie en wetten. Is die achtergrond ook deels fictie?

     ‘Die achtergrond berust op historische feiten.’ 


    Waarom is Julia zo verguisd tot op de dag van vandaag?

    ‘Ze zou overspelig zijn geweest. Dat dat de reden van haar verbanning was, kon ik moeilijk geloven. Haar vader had veel affaires al bestond er natuurlijk een dubbele moraal. Bij mijn onderzoek stuitte ik op andere aanwijzingen. Ze zou hebben meegewerkt aan, of in ieder geval op de hoogte zijn geweest van plannen voor een staatsgreep, een aanslag op haar vader. Dat is een plausibeler reden voor haar verbanning naar Pandataria, het huidige Ventotene, een eilandje westelijk van Napels.’


    Ik kan me voorstellen dat die staatsgreep in de doofpot was gestopt, kon je er wel iets over vinden? Het verraad, is dat ook letterlijk zo opgetekend destijds?          

    ‘Bij antieke schrijvers zijn er een paar korte verwijzingen naar betrokkenheid van Iullus en Julia bij plannen voor een staatsgreep.’ 


    Het enige lichtpuntje in haar leven was dat ze samen met haar moeder in ballingschap op het eiland zat. De onvoorwaardelijke liefde van Scribonia voor haar dochter beschrijf je heel mooi. Dat is fictie, of zijn er nog dagboeken of brieven van Julia bewaard gebleven?          

    ‘Scribonia was al eerder in haar leven teruggekomen en hun zielsverwantschap wilde ik voelbaar laten zijn in het boek. Er staat geschreven dat Scribonia meeging met haar dochter naar het eiland.  Dat zegt iets over hun band. Scribonia hield net als haar dochter veel van literatuur en bewoog ze zich in dezelfde literaire kringen. Ze beschermden elkaar, en dat Julia zich ook schuldig voelde dat haar moeder zich een volwaardig leven had ontzegd wegens haar, heb ik moeten invullen met hulp van mijn verbeelding.’ 

    Wat bracht je op het idee om over Julia te schrijven?

    ‘Tijdens een bezoekje aan Ventotene tien jaar geleden zag ik concreet de ballingsplek van Julia, het huis, de zee waarin ze zwom, toen kreeg ik een beeld van haar en ging ik meer over haar lezen.’


    Hoe kwam je tot deze vorm in het boek, jij bezoekt de plaatsen waar Julia is geweest en glijdt dan steeds terug in haar tijd.     

    ‘Door in het heden over de plaatsen te schrijven waar Julia is geboren, waar ze woonde en liep, kon ik me nog beter in haar inleven. Het trof me dat er zoveel plekken uit haar leven tweeduizend jaar later nog te bezoeken zijn. Die locaties hielpen bij het reconstrueren van haar leven.’


    Heb je alle plaatsen bezocht waar zij is geweest?

    ‘De plaatsen in Rome en Italië die verbonden zijn met haar leven heb ik allemaal bezocht. Toen ik haar geboortehuis bezocht, raakte ik ontroerd. Buiten Italië wilde ik haar niet voor de voeten lopen. Daar is het  Julia die geraakt wordt door de historische locaties (in haar tijd), zoals Troje of de Acropolis in Athene. Daar wilde ik niet tussenkomen.’ 


    Je hebt veel boeken geschreven die in Italië spelen. Voel je je Italiaanse of toch vooral Nederlandse?

    ‘Ik ben en blijf natuurlijk Nederlandse, maar voel me heel thuis in Italië en ben ook wel veritalianiseerd. Ik hou ervan vreemdeling te zijn. Dat houdt de blik scherp.’


    Verzamel je eerst materiaal voor je aan een boek begint, of ga je meteen schrijven?

    ‘Onderzoek, lezen en schrijven gaan bij mij altijd samen op. Ik maak wel een concept maar daar wijk ik al schrijvend vanaf. Dat maakt het schrijfproces avontuurlijker. Het is als het maken van een reis. Ook daarbij wil ik van tevoren niet precies weten wat de tussenstops zijn, wat ik precies ga zien. Ik heb heel veel boeken gekocht en gelezen, digitaal is er het nodige te vinden en aan de hand van oude teksten en gedichten heb ik me een beeld gevormd. Soms kwam ik snippers over Julia tegen en zo kwam haar verhaal tot leven.’ 


    Julia is een historische roman en een familiegeschiedenis, maar ook een verhaal van alle tijden. Er zijn veel parallellen met het heden te trekken.  

    ‘Ja. Augustus veranderde de republiek in een dictatuur waarbij hij zich onder meer bediende van ‘fake news’ en propaganda. Daarnaast was Julia (wat mij betreft) een feministe avant la lettre. Ik wilde recht doen aan de verguisde dochter van de machtigste keizer van de geschiedenis rond het begin van onze jaartelling, die genoemd wordt in de Bijbel en zijn naam gaf aan een van onze maanden.’

     

     

    Foto: Vincent Mentzel


  • In memoriam Remco Campert 1929 – 2022


    Terwijl de kranten openen met paginalange artikelen over het leven en werk van Remco Campert – stukken die al jaren klaarliggen – bekijk ik opnieuw de documentaire Verloop van jaren uit 2016. De dan 86-jarige dichter vertoont zich in alle openbaarheid, de broosheid van zijn gestel is aandoenlijk en soms haast dramatisch om te zien. Het meest opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee hij, ook in deze hoedanigheid, zijn levenslust uitdraagt en daarmee ook de overtuiging van zijn schrijverschap. De film begint met beelden van een ochtendritueel en de wat aarzelende stem van de dichter daaroverheen.
    ‘Ik kan in bed blijven liggen en denken ik sta nóóit meer op. Maar dat heeft natuurlijk geen zin dus stap ik er moedig uit. Sleep me met enorme tegenzin naar de schrijfmachine en typ een paar woorden. En dan ben ik overeind.’

    Campert was een kunstenaar die zich verstopte in zijn werk. Die eigenlijk niets te melden had. ‘Hij zegt heel weinig, hij heeft nooit een verhaal’, zegt zijn levenspartner Deborah in de film, ‘alles zit in zijn schrijven’. Tegen zijn puberende dochter schijnt hij ooit gezegd te hebben: ‘Als je me wil leren kennen, lees je mijn gedichten maar’. Een man gevangen in woorden, maar dan vooral in zijn eigen geschreven woorden. Erover praten vond hij lastig, interviews deed hij het liefst niet. Hij noemde zichzelf ‘egocentrisch’, volledig gefocust op het schrijfwerk. De onstuitbare drang om letters op papier te krijgen is zowel zijn levensadem als ‘gewoon’ zijn dagelijks werk.

    ‘Wie bouwt aan zijn kunst
     vernietigt zijn huis
     vindt geen slaapplaats meer
     geen veiligheid geen wekker
     geen lamp om bij te lezen.’

    De Vijftigers

    Als 20-jarige wist Remco Wouter Campert aansluiting te vinden bij de dichters van het moment. Met Vijftigers als Bert Schierbeek, Gerrit Kouwenaar en Lucebert voelde hij zich verwant en hij stortte zich in het bruisende culturele leven rondom het Leidseplein in Amsterdam. Als jongste lid was hij de minst experimentele van de groep, hij keek op tegen de grote mannen, maar in zijn poëzie is hij helderder en meer uitgesproken dan de anderen van de groep. Begin jaren zestig publiceerde Campert zijn eerste romans, zoals Het leven is vurrukkulluk en verhalenbundels als Alle dagen feest. Het zijn deze pennevruchten waarmee hij een groot publiek bereikte, net zoals met zijn latere columns, maar de dichter in hem heeft altijd de bovenhand gevoerd.

    Net zoals bij zijn schrijvende tijdgenoten is de jazzmuziek van grote invloed op Camperts dichterschap geweest. Hij zwolg in de opzwepende klanken van Charlie Parker en de fluisterzoete stem van Chet Baker. Het is onmogelijk om zijn poëzie los te zien van die invloeden. De impulsieve ritmes, de onnavolgbare melodieën, alles staat in het teken van een unieke uitdrukkingskracht.

    ‘Deze vreemde ontroering
     die poëzie is
     wantrouw ik niet meer
     dat hebben mij geleerd
     de jazzmusici
     de wereld swingt als de pest
     de rest
     is gemompel van bedelaars.’

    En dan is er de vader-kwestie. Dichter en journalist Jan Campert verlaat zijn vrouw en kind als Remco drie jaar is. In 1943 verdwijnt hij voor de tweede keer, voorgoed. Hij sterft in concentratiekamp Neuengamme, zijn zoon heeft hem amper gekend. Die schaduw lijkt de dichter zijn hele leven te achtervolgen, het vormt zijn persoonlijkheid en vooral zijn schrijverschap. Weggaan, afscheid nemen, op zoek zijn, de overgebleven eenling die geen andere mogelijkheid ziet dan zijn leven in woorden te vatten.

    ‘Altijd verdween ik
     dat stak ik van mijn vader op
     volgde harteloos mijn hart
     verliet vrouw kinderen huizen steden
     onbesuisd op zoek naar een onbegaand pad’

    Vergankelijkheid en eindigheid

    Bijna als vanzelf is ook de dood een terugkerende verschijning in zijn gedichten. Vergankelijkheid en de eindigheid van het leven zijn onderwerpen die telkens opduiken in of tussen de regels. Nergens dramatisch, meestal ironisch en een enkele keer met een vlijmscherp cynisme. 

    ‘ha die dood
     die me mijn hele leven vergezelde
     trouwe vriend
     van wie ik nu afscheid neem’

    Terug naar de documentaire Verloop van jaren. De oude dichter scharrelt rond in zijn werkkamer, grijpt naar beschreven vellen papier en drukt onvast met een enkele vinger op de toetsen van zijn schrijfmachine. Sigaret in de mondhoek. Weer een dag. Eerst een uurtje schrijven en vanmiddag aan de scrabble met Deborah. Met een glaasje rood. Tegen de camera verzucht hij: ’Schrijven is leven, als ik daarmee ophou ben ik er niet meer.’

     

     

  • Wat als mijn vader gewoon was weggegaan

     


    Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.


    Jan van Mersbergen
    (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.


    We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.


    Schrijver worden door te lezen

    Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer, begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.

    ‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’

    Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.


    Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.

    ‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’ 

    Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’


    Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.

    Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.

    Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
    Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’

    ‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’

    Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden. 


    Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.

    Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’

    Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
    Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.


    Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst 

    ‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht,  hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’

    In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’ 


    Overlevingsdrang en het volgen van patronen

    Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
    Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’

    ‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’

    Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’ 

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Jan Willem Kaldenbach

  • Martinus Nijfhoff Vertaalprijs 2022 voor Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden

    Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden hebben de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2022 toegekend gekregen voor hun vertaaloeuvre uit het Turks. De jury prijst in het juryrapport hun uitmuntende duovertalingen en ambassadeurschap: ‘Dorleijn en Van der Heijden ontsluiten een hoogstaande literaire cultuur. Hun Nederlands is lenig, vindingrijk en fraai.’
    De uitreiking van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs vindt plaats op 15 september om 17.00 uur in de Vondelkerk met een open programma voor alle geïnteresseerden. Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk zal bij de uitreiking aanwezig zijn.

    De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2022 bestaat uit Henk Pröpper (voorzitter), Henri Bloemen, Eric Metz, Jan Willem Bos, Stella Linn, Marjolein van Tooren (†2022) en Marjoleine de Vos. Het Prins Bernhard Cultuurfonds kent sinds 1955 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs jaarlijks toe voor vertalers in het Nederlands, en eens in de vijf jaar uit het Nederlands.

    Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden hebben als duo-vertalers een imposant oeuvre opgebouwd. Ze vertaalden werk van o.a. Halid Ziya Uşaklıgil, Oğuz Atay en Elif Shafak, maar ze introduceerden bovenal de boeken van Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk in Nederland, zoals SneeuwIk heet Karmozijn, Dat vreemde in mijn hoofd en De nachten van de pest. 

    Zij ontvingen voor hun literaire vertaalwerk in 2008 samen al de Vertaalprijs van het Fonds voor de Letteren.

  • Daan Remmerts de Vries ontvangt Theo Thijssen-prijs

    Hij heeft er wel even op moeten wachten, de prijs was hem immers al in maart 2021 toegekend, maar op donderdag 23 juni 2022 heeft Daan Remmerts de Vries (1962) dan toch eindelijk de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs in ontvangst mogen nemen in theater Diligentia in Den Haag.

    De Theo Thijssen-prijs, de belangrijkste prijs in kinderboekenland wordt toegekend door het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs  voor Letterkunde voor het complete oeuvre van een auteur. Remmerts de Vries ontving de prijs uit handen van Maaike Meijer, bestuursvoorzitter van de Stichting P.C. Hooftprijs. Zij citeerde uit het juryrapport:
    ‘In zijn inmiddels meer dan zestig boeken verkent Daan Remmerts de Vries steeds nieuwe mogelijkheden en grenzen omdat zijn kunstenaarschap daarom vraagt. Zijn personages op zoek naar eigenheid en vrijheid geven zijn verhalen – wars van het modieuze – een groot gevoel van urgentie. Zijn boeken gaan diep en voelen licht, ze zijn actueel en hebben een universele kracht. Remmerts de Vries levert al een oeuvre lang een unieke bijdrage aan de Nederlandse jeugdliteratuur.’

    De jury bestond uit: Marjon Kok, Ted van Lieshout, Matijs Lips, Annemiek Neefjes (voorzitter) en Veerle Vandenbosch.

    Het Literatuurmuseum in Den Haag had een feestelijk programma gemaakt met een optreden van een speciale gelegenheidsband die twee songs ten gehore bracht waarvan Daan Remmerts de Vries zelf tekst en muziek schreef. Sjoerd Kuyper droeg een prachtig gedicht voor dat hij speciaal voor deze gelegenheid had geschreven. Zangeres Shirma Rouse vertolkte tot slot Imagine. 


    (Foto: Mylène Siegers)
  • Anton Wachterprijs toegekend aan Simone Atangana Bekono voor ‘Confrontaties’

    Simone Atangana Bekono ontvangt de Anton Wachterprijs 2022 voor haar roman Confrontaties, dat eerder genomineerd werd voor de LibrisprijsDe jury omschrijft haar debuutroman als ‘een daverende roman met details die je bijblijven’ en prijst ‘de knappe compositie en uitgekiende vertelstijl die zowel direct is als suggestief’.

    Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ in Arnhem met de bundel gedichten en brieven hoe de eerste vonken zichtbaar waren. Zij werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab en voor CELA, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers in zes Europese landen. In 2018 werd hoe de eerste vonken zichtbaar waren bekroond met de Poëziedebuutprijs Aan Zee en in 2019 ontving ze het Charlotte Köhler Stipendium voor haar poëzie.

    Haar romandebuut Confrontaties verscheen in 2020 en gaat over de zestienjarige Salomé Atabong die vastzit in een jeugddetentiecentrum omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld.

    Overige genomineerden waren Lale Gül met Ik ga leven, Valentijn Hoogenkamp met Het aanbidden van Louis Claus, Jilt Jorritsma met Was, Tobi Lakmaker met De geschiedenis van mijn seksualiteit, Vincent Merjenberg met De grijzen en Joost Oomen met Het Perenlied.

    De jury, bestaande uit voorzitter Geart de Vries, Gerbrand Bakker, Kees ‘t Hart, Joke Linders en Marja Pruis, las voor deze 23e editie een kleine negentig boeken. De prijs, een bedrag van 2000 euro en een beeldje van Anton Wachter, wordt op 25 juni uitgereikt, voorafgaand aan het Literair Festival Harlingen.

    De Anton Wachterprijs wordt sinds 1977 elke twee jaar uitgereikt aan een debuterend auteur.Vrijwel alle winnaars hebben naam gemaakt in het literaire veld. Eerdere prijswinnaars zijn onder meer Frans Kellendonk, Wessel te Gussinklo, Anne Gine-Goemans, Peter Buwalda, Arnon Grunberg, Tessa de Loo, Ilja Leonard Pfeijffer en Maartje Wortel.

     

  • ‘Qua eer en inzet de mooiste die je als auteur kunt winnen’

    Het was een feestelijke bijeenkomst, de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2022, die het Literatuurmuseum afgelopen donderdag 19 mei in theater Diligentia in Den Haag had georganiseerd. Maaike Meijer, voorzitter van de Stichting P.C. Hooft-prijs, reikte met zichtbaar genoegen de prijs voor verhalend proza uit aan Arnon Grunberg. In december jl. bij de toekenning, omschreef Grunberg deze prijs als volgt: ‘Qua eer en inzet de mooiste die je als auteur kunt winnen.’

    In zijn dankwoord omschreef Grunberg de roman, ‘als het podium voor verlangens en angsten – die twee zijn moeilijk van elkaar te scheiden –  als de enscenering van de overtreding, als illustratie bij het inzicht dat leven verspilling is. Waaraan moet worden toegevoegd dat het gevaar altijd weer zal worden gezocht, en het willen doen verdwijnen van elk gevaar slechts de subtiele doodsdrift is. Immers, waar elk gevaar is geweken heeft de dood zijn intrede gedaan.’

    ‘Als geen ander stelt Grunberg de verhouding tussen spel en werkelijkheid, tussen de vernislaag van de beschaving en de barbarij, in zijn romans steeds op scherp. Roman na roman ensceneert Grunberg situaties voor zijn personages, meestal mannen, waarin zij de maatschappelijke rol die ze zich hadden aangemeten niet meer kunnen spelen’, zo staat het in het juryrapport. De jury, bestaande uit Agnes Andeweg (voorzitter), Rashid Novaire, Esther Op de Beek, Coen Peppelenbos en Nina Polak, omschrijft Grunberg als ‘een schrijver die ongeëvenaard is in ambitie, productiviteit en intellectuele kracht. Onverminderd nieuwsgierig en maatschappelijk betrokken.’

    Een dag later nam het Literatuurmuseum een portret in brons van Arnon Grunberg in ontvangst, gemaakt door beeldhouwer Mohana van den Kroonenberg naar aanleiding van de toekenning van de P.C. Hooft-prijs. Het beeld staat bij de ingang van het museum.

     

     

     

    Foto Arnon Grunberg: Mylene Siegers,
    Foto portret in brons: Mohana van den Kroonenberg

     

  • Roelof ten Napel krijgt De grote Poëzieprijs toegekend

    Vrijdagavond 13 mei werd in het radioprogramma Opium op NPO 4 bekend gemaakt dat De grote Poeziëprijs werd toegekend aan Roelof ten Napel voor zijn bundel Dagen in huis.

    De jury van de Poeziëprijs had negentig bundels te beoordelen waarvan er vijf op de shortlist terechtkwamen. Naast Roelof ten Napel met Dagen in huis, waren dat Piet Gerbrandy met Ontbinding; Sasja Janssen met Virgula; Tijl Nuyts met Vervoersbewijzen en Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen. De jury vond de bundel Dagen in huis een feestje om het leven te vieren en prijst daarbij de poëzie in het algemeen, ‘die weer eens bewijst een huis te kunnen zijn, met ruime, lichte kamers, voor al wie er onderdak zoekt’.

    Uit het juryrapport: ‘Ten Napel is een dichter die tegelijkertijd ook schilder, beeldhouwer, fotograaf is. Hij schrijft vanuit een bezield perspectief, waardoor zijn observaties nergens afstand scheppen, maar vaak juist iets tactiels en soms zelfs intiems hebben. Het huis uit de titel bijvoorbeeld, is ook op te vatten als ons lichaam, of dat van een ander: “Als we ons medeleven verbeelden als verplaatsen-in,/ hebben we dan van de ander geen huis gemaakt?”’

    Het in huis zijn wordt letterlijk vergeleken met ‘in leven zijn’ wat tegen de achtergrond van een pandemie onnadrukkelijk maar onoverkomelijk nog eens aan betekenis wint, schrijft de jury.

    Van dichter, prozaschrijver en essayist Roelof ten Napel (1993) verschenen, naast Dagen in huis, de bundels In het vlees (2019) en Het Woedeboek (2014), alsook de romans Een zoon van (2020) en Het leven zelf (2017).

    De jury van De Grote Poëzieprijs 2022 bestond uit, Elke Brems, (hoogleraar Letterkunde KU Leuven); Vicky Francken, (dichter, vertaler, redactielid tijdschrift Awater); John Jansen van Galen, (journalist); Maarten Moll, (schrijver en journalist) en Xavier Roelens, (dichter en poëziedocent).

    Aan De Grote Poëzieprijs 2022 is een bedrag verbonden van 20.000 euro.  Dagen in huis verscheen bij uitgeverij Hollands Diep in  2021.

     

     

  • Mariken Heitman wint de Libris Literatuurprijs 2022

    Tijdens Nieuwsuur maakte juryvoorzitter Ahmed Aboutaleb gisteravond bekend dat bioloog een schrijver Mariken Heitman met Wormmaan de Libris Literatuur Prijs 2022 heeft gewonnen. De jury sprak van een ‘uitdagende, onconventionele’ roman die ‘zowel actueel als tijdloos is.’ Heitman werd geroemd om haar ‘groot intellect, literair meesterschap en de moed om niet te kiezen voor een conventionele vertelling.’

    Conventioneel is Wormmaan zeker niet. Enerzijds is het een aards boek over de ontwikkeling van de landbouw, passages waarin de aarde en de kracht van tractoren voelbaar zijn. Er worden ijzerwaren- en tuinwinkels bezocht, ‘Of ik wel eens met een kettingzaag heb gewerkt, vraag de man van de ijzerwarenwinkel.  (…) Onderzoekend kijkt hij me aan, begint dan een verhaal over tweetaktmotoren, startkoorden, choke, het slijpen van de zaagkettingen en soorten olie. Een tactiek misschien, ik val hem in de rede en schets hem de situatie: de dikte van de boom. Hij knikt en verdwijnt naar achteren.’

    Anderzijds is er het mythische verhaal over de oererwt. Duizenden jaren geleden werd tijdens een dreigende hongersnood een nieuw gewas ontdekt – de erwt – door de zonnegod Ra. ‘Er hadden zich mensen rond de erwtenplanten verzameld. Het zag er allemaal behoorlijk knap uit, vonden ze, zo op een rij met dat rijshout, hoe hoog die planten klommen. (…) Ra zei dat je eigenlijk alleen de zaden at. Dat zijn de erwten, (..) die zitten in de peulen. (…) De mensen telden globaal, keken elkaar aan en fronsten.’ Twee uiteenlopende verhaallijnen die een appel doen op de denkkracht en aannames van de lezer. En zoals de jury zegt: ‘Als lezer word je niet behaagd maar uitgedaagd om de hersenen te laten kraken: de roman is filosofisch, zonder nodeloos zwaarwichtig te zijn.’

    Daarbinnen handelt het over (gender)identiteit, zonder dat Heitman daarover iets in het bijzonder aan de orde wel brengen. Het gaat bij haar meer om het hokjesdenken en hoe we vanuit aannames (jongen/meisje) het sociale leven beschouwen. De belemmeringen die dat opwerpt. In het boek is er dan ook niet voor niks herhaaldelijk sprake van ‘een vrouw die zij niet geworden is’. In Wormmaan wordt het proces van veredeling in de zaadsector vergeleken met het socialisatieproces van de mens. Het handelt over sociale regelgeving, over verlies van krachten, het kiezen voor een andere weg dan de begaanbare. Een belangrijk en prachtig boek dat hopelijk door deze bekroning met de Librisprijs 2022, volop gelezen zal worden.

    Mariken Heitman debuteerde in 2019 met De Wateraap, schreef verhalen voor verschillende platforms en van 2019 tot de zomer van 2021 een maandelijkse column voor Literair Nederland.

    De gelauwerde schrijver wint naast de erkenning en eer, een bedrag van 50.000 euro en een bronzen legpenning ontworpen door Irma Boom. Vorig jaar werd de prijs gewonnen door Jeroen Brouwers voor Cliënt E. Busken. Beide romans verschenen bij uitgeverij Atlas Contact.

    Overige genomineerden waren: Nico Dros met Willem die Madoc maakte, Auke Hulst met De Mitsukoshi Troostbaby Company, Deniz Kuypers met De atlas van overal, Renée Marissing met Onze kinderen en Lisa Weeda met Aleksandra.

     

     

  • Nieuw maandelijks boekenprogramma (Bazarow.Live) in Utrecht

    Utrecht krijgt er een maandelijks boekenprogramma bij. In Bazarow.Live worden schrijvers ontvangen, deskundigen uitgenodigd, kwesties aangekaart die spelen in het boekenvak en elke editie worden er boekentips gegeven.

    De eerste aflevering vindt plaats op 11 mei in de Theaterzaal van Bibliotheek Neude. Tijdens deze eerste aflevering gaat Roeland Dobbelaer in gesprek met  filosoof Erno Eskens over de stand van de filosofie in Nederland en gaat Liliane Waanders in gesprek met schrijver en biograaf Aleid Truijens over de totstandkoming van haar biografie van Hella S. Haasse.


    Over Erno Eskens: Volgens hem is er geen enkele reden om met een zeker dedain over Nederlandse filosofen te praten. Zeker niet nadat buitenlandse historici een lans voor de Nederlandse filosofie braken. In zijn nieuwe boek Denkers en dwalers: een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen passeren filosofen, autodidacten en literaire denkers uit Nederland, de voormalige koloniën, Vlaanderen en Wallonië de revue. Daarbij schuwt hij ‘de doodlopende paden van de sullige soofjes’ niet.

     

    Over Aleid Truijens: Zij werkte zeveneneenhalf jaar aan de biografie, Leven in de verbeelding: Hella S. Haasse 1918-2011. Vanzelfsprekend ontdekte zij tijdens haar onderzoek het één en ander over Hella Haasse dat nog niet bekend was. 
    Maar hoe checkt een biograaf die feiten? Hoe afhankelijk is zij van wat bewaard gebleven is? Hoe diep graaft zij?
    In de eerste aflevering van Bazarow.LIVE staat niet de biografeling maar de biograaf centraal.

    Bazarow.LIVE wordt in samenwerking met Bibliotheek Utrecht gemaakt door Roeland Dobbelaer, hoofdredacteur De Leesclub van Alles en boekenverkoopsite Bazarow.com, en Liliane Waanders – (literair) journalist en programmamaker.

     

    Tijd: 20:00 tot 21:30 |
    Locatie: Bibliotheek Neude – Theater
    Kosten: € 10.00; leden € 5.00

    Kijk voor meer informatie op Bibliotheek Utrecht.